Twee keer heb ik het bijzondere land Cambodja bezocht: in 1997 na mijn rondreis door Laos en in 2000 na mijn rondreis door Vietnam. De tweede keer, omdat het land mij tijdens mijn eerste bezoek zo heeft gefascineerd, dat ik er opnieuw naar toe wilde. Ook de tweede keer was ik geweldig onder de indruk en als ik meer tijd zou hebben, zou ik er nog vele malen naar toe zijn gegaan. Het door oorlogen verscheurde land is zich langzaam aan het herstellen en biedt bezoekers nu de unieke kans om een van de grootste, nog vrijwel oorspronkelijke archeologische ontdekkingen ter wereld te zien. Helaas is dat oorspronkelijke snel aan het veranderen. Er is al veel verknoeid door ondeskundige restauraties en nu de Chinezen er geld ruiken, worden de plaatsen rond Angkor in hoog tempo volgebouwd met luxe hotels. Er worden wegen aangelegd voor luxe bussen met airconditioning en er zijn serieuze plannen om van de unieke locatie – een Unesco Werelderfgoed – een soort attractiepark te maken met lichtshows en andere verschrikkingen. Wie zich nog Indiana Jones wil wanen, kan zijn reis naar dit bijzondere land maar beter niet te lang uitstellen.
Cambodja is een buitengewoon interessant land. Maar in de tijd dat ik er naar toe ging, was het er gevaarlijk om rond te reizen. Alleen de hoofdstad Phnom Penh en het monumentale Angkor waren redelijk veilig. Daarom besloot ik het bezoek aan Cambodja te combineren met een rondreis door Laos. De twee landen grenzen aan elkaar, maar even simpel de grens oversteken was er niet bij in 1997. Ik moest eerst terug naar Thailand om daarvandaan met het vliegtuig naar Phnom Penh te reizen.
De bus van de grens tussen Laos en Thailand en Bangkok maakt lange stops onderweg. Omdat ik toch niet kan slapen, stap ik elke keer uit om even van de warmte te genieten. Het is vragen om een verkoudheid, maar het is wel lekker om de onderkoelde spieren weer even los te maken. Rond een uur of 5 komen we bij de luchthaven Don Muang aan. Hiervandaan is het nog maar een klein stukje naar de stad. Om half zes rijdt de bus het parkeerterrein van het busstation op. De lange, vermoeiende reis zit erop. Nu onderdak zien te vinden voor de komende nacht. Dat zal het makkelijkst lukken in de wijk waar rugzaktoeristen zich concentreren. Maar hoe kom ik daar? Het openbaar vervoer in Bangkok is alleen bruikbaar voor inwoners, want de bussen rijden andere routes dan op de plattegronden staan aangegeven en de ene buslijn 2 is niet de andere buslijn 2. De eindbestemmingen staan bovendien alleen in Thaise kriebeltjes aangegeven.
Er staan veel taxi’s, maar die vragen 200 bath voor een ritje naar Khau San Road. Ik vind dat duur en begin te wandelen. Even buiten het busstation stoppen taxi’s, die de rit voor 120 bath aanbieden. Dat is trouwens goedkoper dan met een tuktuk. Ik stap in bij een chauffeur die ik er wel betrouwbaar uit vind zien. De verkeersdrukte valt nog mee op dit vroege tijdstip, maar het is een lange rit naar de toeristenwijk. Als we langs het Koninklijke paleis rijden, stopt de chauffeur even om de koning te groeten. Het laatste stuk van de rit wordt het al stukken drukker. Tuktuks weten de taxi maar net te ontwijken. In Khau San Road stap ik uit en loop ik naar het Siam Hotel. Daar heb ik de week voordat ik naar Birma ging geslapen. Helaas zijn er ditmaal geen kamers beschikbaar. Ernaast is het Your House Hotel, maar ook dat zit vol. Ik loop via een vervallen tempelcomplex terug naar Khau San Road, waar de keuze in guesthouses veel groter is. Uiteindelijk weet ik een kamer te vinden in een guesthouse zonder naam. Het is niet bepaald het toppunt van comfort en het zal zeker geen prijs voor hygiëne winnen, maar het is beter dan op straat slapen. De lichtschakelaar bevindt zich op de gang en de ramen kunnen niet dicht, waardoor dag en nacht het straatlawaai binnenkomt. Gelukkig is het maar voor één nacht. Onder mijn kussen ligt een dameshorloge, wat denk ik wel een bewijs is dat beddengoed niet wordt verschoond.
Bij restaurant Hello aan de overkant bestel ik yoghurt met fruit, een bananenpannenkoek en toast met ei, ham en tomaat als ontbijt. Nadat ik dat naar binnengewerkt heb, loop ik terug naar het guesthouse om wat slaap in te halen. Dat slapen gaat echter niet lukken. Er is veel te veel herrie in het gehorige gebouw. Elke minuut wordt wel ergens een deur dicht geknald en men lijkt zich alleen met luid schreeuwen verstaanbaar te kunnen maken. Rond 11 uur geef ik het op en trek ik de stad in. Ik pak een bus en stap bij het World Trade Center uit om op zoek te gaan naar een geldautomaat. Die zijn meestal niet makkelijk te vinden in Bangkok. Vorig jaar ging ik nog elke keer naar het General Post Office om girobetaalkaarten te verzilveren, maar tegenwoordig is geld ook uit de muur te halen wat veel tijd scheelt, als je tenminste een geldautomaat kunt vinden. Af en toe loop ik een gekoeld winkelcentrum in om even bij te komen van de hitte. De zon schijnt volop buiten en het is smoorheet. Door de luchtvervuiling en het zweet ontstaat al snel een soort schil van viezigheid op mijn huid. Op straat zoek ik zoveel mogelijk de schaduw van de gebouwen op en wandel zo richting China Town, waar het altijd gezellig druk is. Ik riskeer darmklachten door een heerlijke chocolademilkshake te bestellen en slenter door de overvolle steegjes om van de sfeer te genieten. Alleen de bromfietsers zijn ergerlijk als zij zich al ronkend door de mensenmassa proberen te wurmen. Met een grote omweg kom ik via Wat Pho weer bij het hotel uit waar ik tot zes uur probeer te slapen. Als ik wakker word is het alweer donker buiten. Nog wat duf slenter ik over Khau San Road op zoek naar mooie t-shirts, een filter voor mijn cameralens en nog wat extra diafilms voor Cambodja. Rond een uur of zeven bel ik via Collect Call naar huis. Het is fijn om Diana weer te horen. Ik blijf in de buurt, want ik heb om acht uur afgesproken met Marethe, die ik in Laos had ontmoet. Zij is ook kort in Bangkok, want morgen vertrekt zij naar India. Het is gezellig in restaurant Hello. Er zijn nog andere reizigers die ik in Laos had ontmoet. We praten bij tot het rond een uur of tien wel tijd is om onze guest houses op te zoeken. Morgen moet ik vroeg de deur uit. Ik besluit om gezondheidsredenen vannacht met mijn kleren aan boven op het bed te gaan slapen.
Al om vijf uur word ik wakker. Douchen is niet echt een optie in dit ‘hotel’, dus pak ik mijn spullen en steek ik de straat over naar restaurant Hello. Dat is 24 uur per dag open, zoals veel horeca in Bangkok. Ik bestel een ontbijtje en pak daarna een minibusje naar het vliegveld. Dat is de goedkoopste en snelste manier om er te komen. Als het busje het houdt tenminste, want het valt bijna uit elkaar van ouderdom. Maar het gaat goed en acht uur stap ik de ijskoude hal van luchthaven Don Muang binnen. Ik voel me nu wel moe en dat merk ik vooral tijdens het lange wachten in de vertrekhal. Eerst duren de douaneformaliteiten ongewoon lang en dan moet ik nog lang wachten totdat het vliegtuig vertrekt. Ik dood de tijd door alvast over Cambodja te lezen, maar ik kan mij nauwelijks op het boek concentreren.
Na drie uur stap ik de geparfumeerde cabine van de Boeing 737 van Thai Airways binnen. Het is een korte vlucht naar Phnom Penh, maar er wordt niettemin lekker eten geserveerd: kipfilet, aardappeltjes, groenten en droge cake als toetje. Buiten is helaas niet veel te zien. Het is zwaar bewolkt. Na een klein uur landen we op het kleine vliegveld van de Cambodjaanse hoofdstad. Ik sluit mij aan bij de lange rij wachtenden voor een visum. Als ik dat eindelijk heb moet ik in een andere rij wachten voor de paspoortcontrole. Ook dat gaat niet snel. Er moeten heel wat ambtenaren aan het werk worden gehouden in dit land en dat bevordert niet bepaald de doorstroming van de passagiers. Als ik eindelijk alle formulieren heb ingevuld en alle stempeltjes heb gekregen, kan ik naar de bagageband waar ik constateer dat mijn rugzak is beschadigd. Dat is behoorlijk balen. De rits is opengesprongen en er zijn ongetwijfeld spullen verdwenen. Ik doe aangifte bij het loket van Thai Airways en krijg een formulier dat ik nodig zal hebben voor de verzekering. Een meneer van de luchtvaartmaatschappij helpt mij bij het improviserend repareren van de ritssluiting. Ruim een uur nadat ik geland ben, sta ik dan eindelijk buiten. Veel taxichauffeurs dringen zich op om mij naar het centrum te brengen, maar ik schrik van de westerse prijzen. Ik kijk binnen of er een bus te boeken is, maar dat blijkt niet mogelijk. Buiten word ik door een jongen aangesproken die mij voor 2 dollar wel achterop zijn brommer naar het centrum wil brengen. Dat vind ik prima. Het is ook lekker om de wind te voelen met deze tropische hitte. Wel is het vermoeiend dat de brommer geen voetsteunen heeft. Ik probeer mij zo goed mogelijk in evenwicht te houden. Gelukkig rijdt de jongen heel rustig en valt de verkeersdrukte mee. Na ongeveer een half uur komen we bij guesthouse Capitol aan. Dat is gevestigd in een bunkerachtig betonnen flatgebouw van vier verdiepingen. Een echte rugzaktoeristenkazerne dus. Capitol nr. 1 zit vol. Mijn chauffeur rijdt mij naar Capitol nr. 2. Daar is nog één kamer met douche over voor 4 dollar. Ik hoef er niet lang over na te denken. Ik leg mijn zware rugzak op bed en sluit de deur af met het hangslot dat ik bij de receptie gekregen heb. Meteen ga ik aan de wandel, want ik zal maar korte tijd verblijven in deze interessante stad. Wandelen valt echter niet mee in Phnom Penh. Zo ongeveer elke tien seconde vraagt iemand mij of ik vervoer wil. Er zijn trouwens krankzinnig veel brommers in deze stad.

Oversteken is bijna onmogelijk. Brommers worden voor alles gebruikt. Als taxi, maar ook als vervoermiddel voor het hele gezin of de halve huisraad. Na een tijdje kom ik bij een groot rond betonnen gebouw uit. Dat is de centrale markt, waar ik geld kan wisselen. In Cambodja heeft men de riel. Ik krijg er 2700 voor één dollar. De centrale markt is naar verhouding luxe. Er worden vrijwel alleen dure spullen verkocht, zoals sieraden, elektronica en toeristenspullen. De gewone Cambodjaan heeft hier weinig te zoeken. Airconditioning is er niet, maar het is in het gebouw toch een stuk aangenamer dan op straat. Ik wil echter de stad zien, dus slenter ik weer verder door de broeiende hitte.

Het kost steeds meer moeite de overvriendelijke taxichauffeurs te negeren. Ze lijken maar niet te begrijpen dat een buitenlander loopt over straat. Ik zoek de haven waar ik morgen op de boot naar Siem Reap zal stappen. Ik had bij het reisbureautje onder guesthouse Capitol al voor 24 dollar een kaartje gekocht. Siem Reap is een stadje vlakbij de oude stad Angkor, die mijn belangrijkste reden vormt om Cambodja te bezoeken. Angkor was zo’n duizend jaar geleden een van de grootste steden ter wereld, maar is geheel in verval geraakt. In 1860 werd de stad herontdekt en sindsdien zijn er restauratiewerkzaamheden aan de gang.

Het is vandaag trouwens een dure dag. Eerst 20 dollar voor het visum, dan 24 dollar voor de boot en 4 dollar voor de kamer. Ik zal een beetje meer op mijn geld moeten letten, want het budget begint op te raken. Gelukkig is het eten goedkoop. In het restaurant bestel ik voor nog geen drie dollar soep, kip, groente, rijst en een flesje cola.
Door een donker Phnom Penh maak ik een avondwandeling, mij afvragend of dat wel veilig is. Er heerst een bizarre sfeer. Er is nergens straatverlichting. Het enige licht komt van de restaurantjes en marktstalletjes. Ook veel voertuigen hebben geen licht. Vrachtwagens vol soldaten denderen onverlicht over het asfalt, dat sinds de Franse koloniale overheersing niet meer onderhouden is. Overigens zijn alleen de hoofdstraten geasfalteerd. Zijstraten zijn verhard met een mengsel van zand en kiezel, dat tijdens een regenbui wel in bagger zal veranderen.
In veel portieken zitten bedelaars. Sommige missen een of twee benen, als gevolg van de vele landmijnen die in dit land zijn gebruikt. Af en toe klinkt lawaai uit een van de vele karaokebars. Ik kom langs een supermarkt vol importproducten, waar alleen met dollars betaald kan worden. Een klein stukje Amerika in Cambodja! Er wonen rijke mensen in Phnom Penh, maar de gemiddelde inwoner is straatarm. Bezitters van een fietstaxi, slapen in hun voertuig. Het inkomen is net toereikend voor een dagelijks portie rijst. Bij het guesthouse drink ik nog een fles ijskoud Angkor Bier, voordat ik na een lauwe douche mijn bed in kruip. Het wordt een korte nacht, want morgen moet ik al om half zes de deur uit. Het wordt in ieder geval geen rustige nacht. Er zit geen glas in de ramen, waardoor de hele nacht het geluid van blaffende honden en bromfietsen door de kamer klinkt. Ook andere gasten geven niet veel om personen met behoefte aan nachtrust.
Ik slaap goed, maar word al voor de wekker om ongeveer half zes wakker van het verkeerslawaai. Ondanks het vroege tijdstip lijkt het spitsuur al begonnen te zijn. De brommers maken van zichzelf al aardig wat herrie, maar daarbij wordt nog driftig getoeterd ook. Na de lauwe douche pak ik mijn rugzak in en bestel ik in het restaurantje onder het guesthouse een omelet en koffie. In een hoekje van het restaurant zit een grote rat. Sir, Sir, klinkt het voortdurend uit de monden van de vele jongens die een klant voor een ritje achterop hun brommer zoeken. Half zeven komt er een busje dat mij en nog een aantal andere reizigers naar de boot zal brengen. Dan merk je dat een auto of bus niet handig is in Phnom Penh. Er is bijna geen doorkomen aan. Luid toeterend probeert de chauffeur zich een weg te banen door de zee van bromfietsen.
Na een half uur komen we bij de haven aan. De boot naar Siem Reap ziet er snel uit. Het is een soort rondvaartboot met gigantische motoren. Er hangt een doordringende lucht van benzine. Ook binnen in de krappe cabine stinkt het naar benzine. Ik zit tegenover een heel lelijke buitenlandse man met een knap Aziatisch vrouwtje naast zich. Dan vertrekken we. Een paar jongens duwen de boot van de kant weg, waarna de kapitein de enorme motoren start. Men een enorm geweld zet de boot zich in beweging. Het comfort valt echter mee, als je de benzinestank buiten beschouwing laat. Ik had verwacht dat we springend en hotsend over het water zouden vliegen, maar de boot vaart relatief rustig. Na een tijdje begeeft een van de vier motoren het. Een jongen begint aan de reparatie, terwijl de boot met een rustig gangetje verder vaart. Maar het herstel van de motor vordert niet echt. Daarom besluit de kapitein een haven te zoeken. Bij een klein stadje komt een monteur aan boord, terwijl de passagiers belaagd worden door voedselverkopers voor wie de komst van de boot een onverwacht buitenkansje is. Na een half uur varen we weer verder. De rivier gaat over in het grote Tonle Sap meer. ’s Winters valt er bijna geen regen, waardoor het waterpijl onder dat van de Mekong bij Phnom Penh komt te liggen. Het water stroomt dan van Phnom Penh naar het meer. ’s Zomers regent het veel waardoor het waterpijl in het meer tot boven dat van de Mekong stijgt. Het water stroomt dan juist richting hoofdstad. De rivier tussen Phnom Penh en het Tonle Sap meer is daarmee de enige rivier ter wereld die twee stroomrichtingen kent.
Halverwege het meer begeeft opnieuw een motor het. De schippersjongen begint opnieuw te prutsen, maar heeft niet de kennis van de monteur aan de wal. De kapitein besluit maar op halve kracht door te varen, want er is geen haven in de buurt. Het Tonle Sap meer is zo groot, dat de oevers bijna niet te zien zijn.
Na een tijdje komt de haven van Siem Reap in zicht. Er staat al een mensenmenigte de passagiers op te wachten. Het blijken vooral ronselaars, die op zoek zijn naar klanten voor guesthouses en hotels. Verder staan er natuurlijk veel chauffeurs van bromfietstaxi’s tussen. Als ik van boord kom word ik bestormd. Iedereen duwt kaartjes met foto’s en adressen van guesthouses in mijn handen. Anderen laten fotoboeken zien en de meest vrijpostige ronselaars trekken aan mijn armen om mij bij hun voertuig te krijgen. Het is niet moeilijk om hier onderdak te vinden, maar ik wil een guesthouse dat aanbevolen was door Capitol. Ik vind een jongen met een bord van dat guesthouse en stap in een busje dat hij aanwijst. Als er genoeg gasten zijn, komt de jongen terug en gaan we op weg. We volgen een lange, kronkelige asfaltweg, die grotendeels langs een riviertje loopt. Al snel komen de buitenwijken van Siem Reap in zicht, maar dan zijn we nog lang niet bij het centrum. Achter de huizen zie ik de jungle. Het stadje is kennelijk erg langgerekt. Na ongeveer een half uur zijn we er. Ik pak mijn rugzak en loop naar iets wat voor receptie moet doorgaan. Er zijn alleen tweepersoonskamers voor 4 dollar. Dat is naar verhouding vrij duur voor deze regio. Ik ontmoet Marc, een andere Nederlander. Het is wennen om weer Nederlands te praten. Hij vindt het ook prijzig hier en we besluiten samen verder te kijken. Twee brommers brengen ons naar het guesthouse Naga. Vanavond zijn er alleen tweepersoonskamers voor 3 dollar, maar morgen komen er eenpersoonskamers van 2 dollar vrij. We besluiten hier ons intrek te nemen. We spreken met de jongens af, dat zij ons morgen naar de tempels van Angkor brengen. Ik eet wat in het buitenrestaurantje, waar bergjes met hasjiesj op de tafeltjes liggen. Dat kost niets hier. Gelukkig maakt even niemand gebruik van deze bijzondere service.

Wandelend verken ik het stadje dat een gemoedelijke atmosfeer heeft. Het massatoerisme gaat nog niet naar Cambodja. Er is een enkel luxe en duur hotel, maar de meeste buitenlanders reizen net als ik met een rugzak. De hitte en hoge luchtvochtigheid maken de wandeling zwaar, maar het is wel de moeite waard. Het is prachtig in Siem Reap. Vooral langs de rivier, waar de meest exotische bloemen bloeien. Boven de weg hangt een spandoek waarop voor landmijnen wordt gewaarschuwd. Die zijn nog lang niet allemaal opgeruimd.

Ik passeer een moderne school, die geschonken is door Japan. De Japanners hebben ook de meeste bruggetjes over de rivier gebouwd. Verder zie ik wat tempeltjes die er hetzelfde uitzien als in Thailand. Het is heerlijk relaxed, op de vele kindertjes na die tot vervelends aan toe ‘hello’ blijven roepen. Elektriciteit is er niet. De huisjes hebben een generator of accu voor de stroom. Wie een accu heeft, kan deze omwisselen of laten opladen bij de daarin gespecialiseerde winkeltjes.

Rond een uur of vijf ben ik weer terug bij het guesthouse. Ik douche, kleed mij om en bestel soep en eten bij het restaurantje van Naga. Het charmante vrouwtje dat het guesthouse runt, spreekt goed Engels en legt mij uit hoe ik morgen en de dagen daarna het beste de tempels kan bezoeken. Voor het slapen gaan maak ik nog een wandelingetje door de buurt. Het is nu gelukkig een stuk minder heet.
Vannacht had ik schoten gehoord. Ik hoop niet dat er op mensen geschoten is. Siem Reap lijkt mij veilig, maar veel weet ik niet van het stadje. Het is pas zes uur, maar het vrouwtje van het guesthouse is al weer volop in de weer. Ik besluit flink te ontbijten, zodat ik de lunch kan overslaan. Een soort smurrie moet voor gebakken ei doorgaan. Beter zijn de fruitsalade met banaan en ananas. Ik had ook yoghurt besteld, maar dat was de bediening vergeten. Uit een groot glas drink ik prima koffie, al is die niet zo voortreffelijk als in Laos. Nog volgens de oude Franse traditie wordt vers stokbrood bij het ontbijt geserveerd.
De jongen met zijn bromfiets staat al op mij te wachten. Hij spreekt nauwelijks Engels, maar weet mij wel duidelijk te maken dat wij moeten opschieten om de zonsopkomst niet te missen. Ik stap achterop en met een rustig gangetje leggen we de ongeveer tien kilometer af naar de ingang van het complex. Daar moet ik een toegangspas kopen voor drie dagen. Die is niet goedkoop, maar volgens posters gaat de opbrengst naar de restauratie en het behoud van de tempels. Ik hoop het maar. We rijden verder en passeren de wereldberoemde Angkor Wat en de wat minder beroemde Angkor Thom.

We gaan eerst naar Preah Khan. Dat is een enorm complex met eindeloos veel beelden. Sommige tempeltjes zijn nog helemaal overwoekerd. Grote bomen zijn op het dak gaan groeien en hebben enorme wortels die langs de tempelmuren naar de grond lopen. Het is nog rustig op dit vroege tijdstip en het is heerlijk dat het nog niet zo warm is.

Op het complex klampen diverse kinderen mij aan die voor gids willen spelen. Ik gun hen de verdiensten graag, maar blijf toch liever alleen rondlopen. Het kan mij niet zoveel schelen door wie en wanneer de tempels gebouwd zijn. Ik zoek vooral mooie fotocomposities en dat lukt makkelijker als er niet iemand aan je arm loopt te trekken en je voortdurend op allerlei dingen wijst die je eigenlijk niet zo heel erg kunnen boeien. Er lopen ook kinderen rond met blikjes limonade en souvenirs. Van een jongetje kan ik maar niet afkomen. Hij is nog veel te jong om te gidsen en kan weinig meer dan mij beelden aanwijzen die ik zelf ook wel zie staan. Garuda, Krishna, stamelt hij verlegen. Ik geef hem uiteindelijk maar 500 riel om van hem af te zijn en slenter terug naar de plaats waar de brommer op mij staat te wachten. De zon klimt steeds hoger en het wordt al voelbaar heter.

De volgende attractie is Néak Péân. Dit is een tempel in de vorm van een fontein met een aantal grote bassins er omheen. Ik ben nu niet meer alleen want het is de tijd dat de bussen met groepstoeristen beginnen te rijden. De eerste groep heeft zich al rond een luid sprekende gids geschaard en luistert verveeld naar wat de man te vertellen heeft over het monument. Het zijn vooral Fransen en Japanners die hier naar toe komen. Ik probeer de drukte voor te blijven door mijn chauffeur naar wat verdere tempels te sturen. Maar het complex wordt van alle kanten aangevallen.

Als we bij Prè Rup arriveren, rijdt gelukkig net een bus vol toeristen weg. Het is even rustig, al zwermen ook hier vele lokale kindertjes rond die wat proberen te verdienen met ansichtkaarten, blikjes en gidswerk. De tempel bestaat uit een aantal terrassen. Bovenop het hoogste terras staan vijf rijkelijk bewerkte torens. Helaas hebben de tand des tijds en vooral plunderaars het bouwkundig erfgoed er niet fraaier op gemaakt. Het is hier echt klimmen over het puin.
Rond het middaguur vraagt mijn chauffeur of ik niet naar Banteay Srei wil. Dat moet de mooiste tempel in de regio zijn. Het gebouw staat wel zo’n 30 kilometer buiten Angkor. Daarom moet ik 4 dollar extra betalen voor de benzine. Ook komt er 30 dollar bij voor een politie-escorte. Ik vind het erg duur allemaal, maar de chauffeur laat mij wat ansichtkaarten van Banteay Srei zien. Het is er echt heel mooi. Vooruit dan maar. Eerst rijden we naar het politiebureau voor het escorte. Dat escorte bestaat uit een jongetje met een machinegeweer dat groter is dan hij zelf. Hij kruip achter mij op de brommer en daar gaan we.

Na ongeveer drie kwartier zie ik de tempel. De brommer stopt en we stappen af. Op het eerste gezicht lijkt het niet veel voor te stellen. Het is maar een klein tempeltje. Ik had ook naar Angkor Wat kunnen gaan, wat niets extra’s had gekost. Maar als ik het terrein oploop, zie ik hoe prachtig het beeldhouwwerk op muren en torens bewaard is gebleven. Helaas is het bewolkt geworden. Het licht is nu ongeschikt om het donkere gesteente te fotograferen.

Ik vertel de chauffeur dat we op de zon zullen moeten wachten. Hij vindt het best en zoekt een plek om te luieren. De ‘agent’ is minder geduldig. Die laat na een uurtje merken dat hij wel weer eens terug wil. Ik vind dat hij maar moet wachten voor zijn 30 dollar. Een ander moet daar wel harder voor werken in dit land.

De zon breekt weer door en ik jaag er anderhalf diarolletje doorheen. Na anderhalf uur heb ik het eindelijk gezien. Dat denk ik tenminste, want je blijft hier elke keer weer nieuwe details ontdekken. Alles is zorgvuldig uitgehakt. Letterlijk duizenden uren monnikenwerk zit in dit bouwwerk besloten.

Op de terugweg stoppen we nog even bij een ruïne. Ook op deze afgelegen plek zwermen kindertjes, die agressiever zijn dan in Angkor. Ze worden boos als ik laat merken dat ik niets ga kopen. Als ze diarolletjes hadden gehad, hadden ze een klant, want mijn fotomateriaal is alweer bijna op.
Als we ons politie-escorte hebben afgezet, wil de chauffeur naar huis. Hij is moe, zegt hij. Het is ook wel al namiddag. Ik laat mij bij de markt afzetten en ga op zoek naar leuke souvenirs. Er is echter weinig bijzonders te vinden. Er is wel een souvenirwinkel, maar die heeft ook geen leuke spullen. Ik wil een paar mooie t-shirts om thuis te kunnen laten zien dat ik hier geweest ben. Bij de tempels hadden ze die wel, maar ik vond ze nogal duur en het was duidelijk geen katoen.
Tegen de avond wandel ik terug naar het guesthouse om te douchen, mij om te kleden en een hapje te eten. Onder de groentesoep met stokbrood maak ik mijn plannen voor morgen. In de koelte van de avond maak ik nog een korte wandeling door het centrum van Siem Reap. Het is er aardedonker.
Ik sta vroeg op. Vandaag is het de tweede dag van de ‘grand tour’. Het is bewolkt en daardoor lekker koel. Voor fotografie is het weer minder geschikt. Daarom wil ik Angkor Wat ook vandaag nog maar even links laten liggen. Hopelijk wordt het morgen beter, want dat wordt mijn laatste kans om het beroemdste tempelcomplex van Angkor te bezoeken. We rijden naar het zuid-oosten van Siem Reap. Daar zijn wat afgelegen tempels, die buiten het omheinde complex staan. Erg bijzonder zijn ze niet, maar dan heb ik die tenminste ook gezien. Bij de eerste tempel die wij bezoeken, loopt een Frans stel met hun gids voortdurend in de weg. Ze zijn met een auto, wat veel minder handig is dan een brommer. Bij een volgende tempel is het pas echt druk. Er staat een bus voor het terrein en daar zijn zo’n veertig Japanners uitgestapt, die hun best doen om het mij onmogelijk te maken een mooie foto te nemen. Ik probeer mijn ergernis te onderdrukken, maar dat valt niet mee. Wat later komen we een monnik tegen. Een beroemde monnik, volgens de chauffeur. Een die regelmatig in de krant staat. Hij schijnt Sam Son te heten of zo iets. Het kan mij niet erg boeien. Op de terugweg breekt de zon door en ik besluit naar Angkor Wat te gaan. Morgen kan het wel de hele dag bewolkt zijn. Ik had ook nog naar een andere tempel gewild, maar de chauffeur heeft niet veel zin vandaag. Daar baal ik wel van. Zelf een brommer huren, zou praktischer zijn, maar dat mag hier niet. Een erkende gids is verplicht. Dan maar om 11u naar Angkor Wat. De chauffeur zal mij rond zes uur komen ophalen bij de hoofdingang.

Het complex is gigantisch groot en prachtig. Langs de binnenkant van de buitenmuur loop ik in de richting van het hoofdgebouw. Van hieruit kan ik prachtig foto’s maken. Tenminste, als er niemand in de weg loopt. En dat is helaas wel het geval. Een Duits stel is elk beeld aandachtig aan het bestuderen en dat precies op een plek die ik niet kan ontwijken als ik mooie foto’s van de tempel wil maken.

Na een half uur is mijn geduld op en loop ik naar ze toe met het verzoek om even een minuut achter een beeld te blijven staan. Dat doen ze. Snel maak ik de foto’s en loop dan weer verder. Ik had het eerder moeten vragen. Misschien niet beleefd, maar wel tijdbesparend.

Ik slenter naar de tempel, die groter en beter onderhouden is dan welke andere tempel van Angkor dan ook. Het schijnt dat deze tempel al die eeuwen bewoond is gebleven en dat de monniken hem in goede staat hebben gehouden.

Angkor Wat bestaat uit een groot aantal terrassen, die een soort hoekige piramide vormen. Bovenop staan negen enorme torens, van onder tot boven vol met het mooiste beeldhouwwerk. De muren van de onderste terrassen vormen galerijen.

Op de wanden hiervan zijn reliëfs aangebracht, die de Boeddhistische geschiedenis weergeven. Enkele oude mensen komen hier bidden. Ze zullen zich wel ergeren aan het respectloze gedrag van veel toeristen, voor wie Angkor Wat een soort Disneyland is. Leuk met een Heiligenbeeld op de foto…

Rond het middaguur wordt het rustig. De groepstoeristen gaan lunchen in Siem Reap. Helaas houdt de zon ook pauze. In de verte is nog blauwe lucht zichtbaar, maar voordat die hier is, zijn de bussen ook weer terug. De toeristengroepen zien er lachwekkend uit. Kleine oudjes met fel gekleurde feestkleding. Een ramp voor elke fotograaf. Ik erger mij groen en geel.

Gelukkig heb ik alle tijd. Het zal nog een paar uur duren voordat het donker wordt en tegen die tijd wordt voor deze mensen het diner opgediend. De zon schijnt nu weer, maar het is te druk om foto’s te maken. Bovendien is het onmenselijk heet. Ik zoek de schaduw van de centrale tempel op.

In de middelste toren is een altaartje ingericht, waar wat Cambodjanen zitten te mediteren. Het is hier prachtig, maar ook hier wordt de rust verstoord door kakelende oudjes die om beurten op de foto moeten. Met flits natuurlijk. Dat maakt het extra leuk voor mensen die hier met een religieus doel naar toe komen.

Ik blijf in een koel hoekje zitten en wacht tot het vijf uur is. Dan staat de zon laag en heb ik het mooiste licht. Een vrouw die mij steeds t-shirts probeert te verkopen, is er ook weer. Ze wil nu haar slag slaan, maar ik zeg dat ik eerst foto’s ga maken. Er zijn nog maar heel weinig mensen in het complex.

Gelukkig maar. Ik zet de camera op statief en maak een aantal opnames met verschillende belichtingstijden. De compositie met een paar oude bomen op de voorgrond en het silhouet van de tempels is magisch. Ik wacht tot het helemaal donker is en zoek dan mijn weg terug naar de hoofdingang.

Het is al bijna half zeven en ik wil niet het risico lopen dat mijn chauffeur zonder mij naar huis gaat. In het donker weet de t-shirt-mevrouw mij nog steeds te vinden. Zij stalt haar waren weer uit en beschijnt de t-shirts met een zaklampje. Ik zoek er vier uit en ding af tot 10 dollar. De chauffeur is er gelukkig nog. Hij rijdt mij terug naar het guesthouse, waar ik weer aan het avondritueel begin. Onderweg vertelt hij hoe arm de Cambodjanen zijn. Er worden wel hotels gebouwd, maar die zijn van Thai, Chinezen en Singaporanen. Cambodjanen zijn jaren geleden allemaal tot boer omgeschoold en zijn nog niet in staat de nieuwe ontwikkelingen te volgen. De chauffeur zegt mij te benijden omdat ik kan reizen. Hij zou zelf graag naar Thailand gaan om daar zijn geluk te beproeven, maar dan moet hij zijn brommer verkopen en dat is voorlopig zijn enige bron van inkomsten. Ik vind het wel zielig, maar wat kan ik er aan doen. Ik eet vanavond weer soep, met ditmaal een groentesalade erbij. Ondanks de eenvoud van het guesthouse, eet ik er heerlijk. Het is erg druk in het restaurant vanavond. Veel reizigers, die dankbaar gebruik maken van de gratis aangeboden hasjiesj. De invloed van dit middel is duidelijk af te leiden van het niveau van de conversaties. Ik houd mij er verre van. In dit land word ik vanzelf wel gelukkig. Doodmoe ga ik wat eerder slapen vandaag.
Vandaag wordt het weer een uitputtingsslag. De laatste dag in Siem Reap. We doen vandaag de Small Circle. Eerst ga ik naar Angkor Thom met de Banyan. Daar heb je ’s morgens het beste licht. Bovendien zijn de bussen nog niet vertrokken en is het dus lekker rustig. Ik heb last van mijn rechtervoet. Ik probeer de pijn echter te negeren, want er is nog heel veel te zien.

De Banyan is een stad op zichzelf. Helaas heel zwaar beschadigd, maar er is gelukkig nog veel aan de vernielzucht van vroegere ‘ontdekkingsreizigers’ ontsnapt. Het staat vol torens, die bestaan uit vier gezichten die ieder een windrichting in kijken.

Ik zou een prachtige foto kunnen maken met een doorkijkje waarop het silhouet van een beeld te zien is. Helaas hangt een tl-balk schuin in het beeld. Dit schreeuwt om vandalisme, maar zo fanatiek wil ik nu ook weer niet zijn. Andere composities worden verpest door hijskranen op de achtergrond. Een Franse vrouw met een professionele camera denkt er hetzelfde over als ik. Helaas duurt de rust maar tot negen uur. Dan stoppen de eerste bussen en zwermen horden Fransen en Japanners over het complex uit. De kinderen met hun cold drinks en postcards volgen in hun kielzog en bespringen ook mij weer. Ik strompel naar het olifantenterras, waar ik een kleine groene gifslang zie wegkruipen. Hier is het vrij rustig, omdat hier de minst bijzondere tempels staan. Toch is het ook hier erg mooi met alle jungle rondom. Het is de vraag hoe lang dat nog in stand zal blijven, als Siem Reap echt een bestemming voor massatoerisme gaat worden.

Terug bij de brommer vraag ik de chauffeur mij naar de Indiana Jones tempel te brengen. Die heet officieel Ta Phrom en is populair, omdat er niets aan gerestaureerd mag worden. Het complex is daarom nog geheel overwoekerd en een bezoek lijkt op een echte ontdekkingstocht. Onderweg bezoeken we nog twee kleinere tempels.

Ta Keo is weer een piramide en doet denken aan de Maya-tempels in Mexico. Het is een zware klim over de zeer steile trap naar de top. Na een paar foto’s gemaakt te hebben, rijden wij eindelijk verder naar de Indiana Jones-tempel.

Ik heb geluk, want ik arriveer er rond lunchtijd. Zo heb ik het rijk alleen. Tenminste, bijna. Er zijn twee Japanse meisjes en twee Zweden, waarvan er één blind is. Maar ik heb geen last van deze mensen. Ik ben blij dat er geen gidsjes en blikjesverkopers zijn. Eindelijk ben ik een keer alleen en kan ik de unieke atmosfeer optimaal op mij laten inwerken. Dit is fantastisch. Interessanter nog dan Angkor Wat. Het enige geluid komt van de dieren in de jungle, die zich van deze tempel meester heeft gemaakt. Overal groeien de enorme bomen over de tempelgebouwen heen. Dat schijnt zo ontstaan te zijn, doordat vogels zaden op de daken lieten vallen. De bomen begonnen te groeien en uiteindelijk zochten hun wortels langs de tempelmuren een weg naar de grond, waar water te vinden is. Eeuwen later houden zij de tempels in een klemmende wurggreep. Rond een uur of drie heb ik het gezien.

We rijden terug naar Siem Reap. De dag is nog wel niet om, maar mijn energie is op. Achterop de brommer kost het mij grote moeite om wakker te blijven. Ik heb geen helm op, dus achterover vallen zal niet goed aflopen. ’s Middags blijf ik in het guesthouse om bij te komen en mij voor te bereiden op de terugreis naar Phnom Penh. De hitte is uitputtend op deze zonnige dag.
Tegen de avond is het enorm druk geworden in het restaurant. Er zijn ook andere Nederlanders aangekomen, die hierna naar Laos willen. Ze vragen mij wat tips voor onderweg. Een aantal mensen gaat nog naar de Banyan voor de zonsondergang, maar ik geloof het nu wel. Ik kan bijna niet meer lopen op mijn zere voet. Het is erg gezellig en ik maak een foto van de vrouw van het guesthouse, die ik mrs. Naga noem. Het is een lief vrouwtje en ik bewonder het dat zij in haar eentje de hele tent kan runnen. Zelfs vanavond, nu alle kamers bezet zijn. Ik geniet onderuitgezakt van een fles Angkor Beer. Met de duisternis trekt langzaam de hitte weg en wordt het echt aangenaam bij het guesthouse. Ik ga vroeg slapen, terwijl in het restaurant zachte muziek wordt gespeeld.
Al om vijf uur sta ik op. Ik pak mijn spullen in, prop een ontbijtje naar binnen – ja, mrs. Naga is alweer druk aan het werk – betaal de rekening en neem het bootticket in ontvangst, dat de gastvrouw voor mij geregeld heeft. Een auto brengt ons naar de haven, terwijl de zon langzaam opkomt boven de rijstvelden. Het is een prachtig gezicht. Het wordt weer heel mooi weer vandaag, maar ik ben blij dat ik even een dag niet hoef te lopen. Hopelijk herstelt mijn voet dan.

Bij de haven is een soort markt aan de gang. We komen er nauwelijks doorheen. Stapvoets rijdt de chauffeur door en kwart voor zeven zijn we bij de boot. Mooi op tijd. Het is niet zo’n mooie boot als op de heenweg. Alles is oud en vies. Ik besluit net als veel anderen om op het dak te gaan zitten, want door de smerige ramen kan je niet eens naar buiten kijken. Hopelijk verkeren de motoren in een betere staat. Anders wordt het weer een reis op halve kracht voor de volle prijs. De motoren doen het echter goed. De wind zorgt voor wat verkoeling in de alweer fel brandende zon. Ik heb mij maar heel goed ingesmeerd vandaag, want dit zijn ideale omstandigheden om flink te verbranden.
Midden op het Tonle Sap meer zijn de oevers nauwelijks nog te zien. Ik houd mij vast aan een houten frame en wel op zo’n manier dat ik niet van het dak zal vallen, als ik in slaap sukkel. Maar van slapen komt het niet. Het is echt genieten op de boot. Boven mij wappert de Cambodjaanse vlag. Ik zet muziek op, maar die komt maar met moeite boven het lawaai van de wind, het water en de motoren uit.
Rond twaalf uur komen we bij een stadje aan. Iedereen moet hier van boord. We zijn nog lang niet in Phnom Penh. Niemand begrijpt wat de bedoeling is, dus iedereen loopt maar achter elkaar aan. Ik ook. Brommers brengen ons naar een restaurant langs de hoofdweg en even later stappen we achter in de laadbak van een pickup, die ons naar Phnom Penh zal brengen. Dat is niet echt ideaal. Met 24 mensen en drie kippen in zo’n bakje. Dat hebben ze er natuurlijk niet bij verteld, toen ik de 24 dollar voor deze reis betaalde. Of wel, maar dan heb ik niet begrepen wat ze met ‘medium ticket’ bedoelden. Dit dus. Voor de helft over water en voor de helft over land. Het is veel te krap in de laadbak en de chauffeur rijdt alsof morgen de wereld zal vergaan. Toeterend haalt hij iedereen in. Ook als er tegenliggers aankomen. Het is echt afzien. Ik kan mij met moeite vasthouden en na een tijdje heb ik geen gevoel meer in mijn hand en in mijn billen. Pas om drie uur zijn we eindelijk in Phnom Penh.

We worden afgezet bij de Centrale Markt. Het is vandaar niet ver naar het Capitol, maar ik besluit toch een brommer te nemen. Het lopen gaat nog steeds niet makkelijk en het is er door het autoritje niet beter op geworden. Ik had de vorige keer een kamer gereserveerd, dus ik kan nu in Capitol 1 verblijven. In de buurt bezoek ik nog een souvenirwinkeltje, waar ik voor weinig geld wat illegale CD’s en nog enkele t-shirts koop. Veel doe ik niet. Ik ben nog steeds uitgeput. Morgen ga ik de stad wel bekijken.
Al om half vier word ik wakker. Ik kan niet meer slapen. Ik heb teveel om over na te denken. En het is te warm om te slapen, om nog maar te zwijgen over de herrie in het hotel. Capitol is erg populair en dat heeft voor- en nadelen. Ik heb wel een eigen kamer, maar die is met slechts een dun schot van de buren gescheiden. Het is dan ook net of in mijn eigen kamer een wekker staat te piepen, terwijl die van de buurman is die hem aan laat staan terwijl hij onder de douche staat. Om zes uur sta ik op en ga ik beneden ontbijten. Het is alweer erg druk overal. Het verkeer toetert door de straten en een onafgebroken stroom bromfietsen baant zich een weg door de chaos. Voor vandaag heb ik een fiets gehuurd. Gelukkig kan dat wel in Phnom Penh. Het is een voor Aziatische begrippen redelijke fiets met werkende remmen. Vooral dat laatste is vrij bijzonder. Alleen zit het zadel natuurlijk weer veel te laag en is dat vanwege de vastgeroeste zadelpen niet te veranderen.

Ik begeef mij voorzichtig de verkeersstroom in. Er zijn geen regels en iedereen kijkt alleen recht vooruit. Het is dus oppassen. De wegen zijn ook verschrikkelijk. De hoofdstraten zijn geasfalteerd, maar het wegdek zit vol gaten en putdeksels zijn al lang geleden voor andere doeleinden verwijderd. De zijstraten hebben een bestrating van keien en modder. Daar is helemaal niet te fietsen. En dan is het nu nog de droge tijd van het jaar. Een groot voordeel van fietsen is wel dat de talloze taxichauffeurs mij nu met rust laten. En ik kan mij voortbewegen zonder mijn zere voet te belasten. Ik volg mijn kaartje, waarop de belangrijkste tempels staan aangegeven.

Ook bezoek ik het gruwelmuseum, dat de Vietnamezen eind jaren zeventig hebben ingericht ter nagedachtenis van wat de Rode Khmer hier heeft aangericht. Het museum is gevestigd in een schoolgebouw, dat tijdens de zwartste periode uit de Cambodjaanse geschiedenis gebruikt is als concentratiekamp.

Gevangenen werden er gruwelijk gemarteld en vrijwel niemand overleefde Tuol Sleng, dat door bendeleider Pol Pot heropvoedinggesticht werd genoemd. Er hangen schilderijen die afbeelden hoe het er aan toe ging.

Duizenden mensen kwamen hier tussen 1975 en 1979 op gewelddadige wijze om het leven. Een groep Japanse toeristen schijnt er de ernst niet van in te zien. Omstebeurt gaan ze op de foto met als achtergrond een van schedels en botten vervaardigde landkaart van Cambodja.

De Rode Khmer was net als de nazi's dol op administratie. Van elke gevangene werd een keurig dossier met foto gemaakt, voordat deze ter door werd gebracht en naar de Killing Fields werd getransporteerd.

Als ik even later verder fiets op zoek naar het postkantoor, word ik door de politie aangehouden. Ik was een eenrichtingsstraat vanaf de verkeerde kant ingereden en dat mag niet. Vreemd, want in deze stad heeft iedereen maling aan de verkeersregels. Twee van de met grote machinegeweren gewapende agenten spreken een beetje Engels. Zij dreigen met een boete omdat ik een ernstige overtreding heb begaan. Ik moet meelopen naar het verkeersbord waarop staat dat het verboden inrijden is. Ik beken schuld en kom ervan af met een waarschuwing. Omdat ik een buitenlander ben, zegt een van de agenten boos. Ze vroegen nog naar mijn beroep. Maar in landen waarvoor een visum nodig is, zeg ik nooit dat ik journalist ben. Dat is vragen om moeilijkheden. ‘Worker’ wordt in dit soort landen meestal wel geaccepteerd als beroep. En uiteindelijk is een journalist ook een ‘worker’.
Er is veel politie op straat. Heel veel zelfs. Het kunnen ook soldaten zijn. Het verschil is niet te zien in Cambodja. Vrachtwagens vol gewapende mannen rijden af en aan door de hoofdstraten.
Na lange tijd vind ik het postkantoor. Het is gevestigd in een mooi koloniaal gebouw. Lopen gaat nog steeds moeilijk, ondanks dat ik een grote blaar op mijn rechtervoet heb doorgeprikt. Ik zoek ook nog een bank op om een travellercheck in te wisselen. Want mijn geld is weer bijna op. Ik wil dollars en dat kost 1 dollar commissie. Van een deel van het geld koop ik op de overdekte markt een horloge voor Diana. Het zijn fraaie replica’s van dure merkhorloges. Als ik terug naar Capitol fiets, breekt de fietsketting. En net op een moment dat ik drukke straat oversteek. Het verkeer rijdt gelukkig netjes om mij heen, terwijl ik de ketting voorzichtig opraap. Steppend met mijn linkervoet, weet ik Capitol te bereiken, waar ik de fiets omruil. De nieuwe fiets is helaas nog kleiner en ook niet te verstellen. Bovendien ontbreekt een bel, terwijl het zonder bel geen doen is in het verkeer van Phnom Penh. De remmen doen het wel.

Een van de belangrijkste bezienswaardigheden van Phnom Penh is het Koninklijk Paleis. Het paleis is nog niet zo oud. Tot het begin van de 15e eeuw was het hart van het Khmer-rijk namelijk gevestigd in Angkor. In 1434 werd de hoofdstad verplaatst naar het hedendaagse Phnom Penh. In 1494 werd de hoofdstad verplaatst naar Basan en weer even later naar Oudong, een plaats op zo’n 40 kilometer afstand van Phnom Penh. 250 jaar later, in 1865, verplaatste koning Norodom de hoofdstad naar Phnom Penh en liet er in 1866 het koninklijk paleis en de zilveren pagode bouwen.

Opvolgende koningen bouwden het paleis verder uit met nieuwe gebouwen. Zo werd het in 1873 ommuurd met de opvallende gele muur en werd het tijdens de Franse overheersing uitgebreid met het Napoleon-paviljoen voor als de Franse Koninklijke familie op bezoek kwam.

Een van de belangrijkste veranderingen vond plaats aan de zilveren pagode. Deze pagode, oorspronkelijk uit 1866, was van hout kreeg in 1962 een belangrijke make-over. Koning Sihanouk liet de vloer inleggen met niet minder dan 5329 massief zilveren tegels. Vandaar de naam 'zilveren pagode'.

Na de lunch bezoek ik nog wat tempels en de Central Market, waar spullen voor de gewone man worden verkocht. De markten in Cambodja lijken in geen enkel opzicht op die in Nederland. Vooral op het gebied van volksgezondheid wordt veel te wensen overgelaten. Het vlees ligt open en bloot, ongekoeld en vol insecten op klanten te wachten en als je ziek wordt, kan je bij de 'apotheker' zakjes met medicijnen kopen. Dat gaat bij wijze van spreke per ons, alsof het snoepjes betreft.

Ik kan intussen alleen nog hinkelen en vraag mij af hoe ik dat de komende anderhalve dag ga doen. Tegen de avond neem ik een douche en plak ik nieuwe pleisters op mijn voet. Ik denk dat de boel ontstoken is, maar ik heb geen zin om hier een dokter te zoeken. Even slapen tot etenstijd lukt weer niet vanwege de herrie in het hotel. Om zeven uur ga ik naar beneden voor een eenvoudige maaltijd in het restaurant van Capitol. Ik heb nog steeds mijn fiets ter beschikking en daarmee rijd ik wat rond door de donkere straten in de buurt. Overal zijn fel verlichte karaokebars. Bij sommige bars is een etalage waarachter meisjes TV zitten te kijken. Ze hebben een nummer op hun borst wat je aan de beheerder kan doorgeven als je gezelschap van de betreffende dame wil. Bij een supermarkt koop ik een grote fles bronwater. Via de nog altijd drukke straten fiets ik terug naar Capitol, waar ik rond tien uur mijn bed in kruip. Ik ben nu moe genoeg om door het lawaai heen te slapen.
Het is de laatste hele dag in Cambodja. Al om vier uur word ik wakker en dan sta ik meteen maar op. Ontbijten is ook op dit tijdstip geen probleem. Met mijn fietsje rijd ik naar het station om de vroege trein naar Sihanoukville te zien vertrekken. Het station is vergeven van de soldaten. Overal lopen de nog veelal jonge militairen met hun grote Kalasjnikovs rond. Er is duidelijk iets aan de hand. De trein staat klaar. De wagons zitten vol en voor de locomotief zijn twee goederenwagons aangekoppeld. Dat is een gewoonte uit de tijd van de Rode Khmer-terreur. Als er nu een mijn op de rails ligt, raken alleen de goederenwagons beschadigd en niet de kostbare locomotief, die bovendien nodig is om eventueel snel achteruit weg te rijden als de trein door rebellen wordt aangevallen. De goederenwagons zitten nu vol soldaten en zakken rijst. Die rijst is waarschijnlijk voor rond Sihanoukville gestationeerde militairen. Al lang na het aangekondigde tijdstip van vertrek, staat de trein nog steeds te wachten. Ik merk dat mijn fietsband is lekgeraakt en ga terug naar de stad om een hersteller te zoeken. Een man van een garage pompt de band op, zodat ik weer verder kan fietsen. Hij loopt gelukkig niet meer leeg.
Als ik terugrijd naar het station knallen twee brommers op elkaar. Het verbaast mij dat dit niet vaker gebeurt, gezien de rijstijl van de Cambodjanen. Terug op het station, blijkt de trein net vertrokken te zijn. Helaas. Terug naar de markt maar weer, om een horloge om te ruilen dat ik gisteren gekocht heb. Het is nu al kapot. De verkoper herkent mij nog en laat mij zonder problemen een ander horloge uitkiezen. Hopelijk is dat wat degelijker.
Dan fiets ik naar Choeung Ek, dat beter bekend is onder de naam Killing Fields. Het monument staat enkele kilometers buiten Phnom Penh. Helaas ben ik mijn walkman vergeten vandaag. Het is niet prettig om zonder muziek te fietsen, want ik word gek van al het getoeter om mij heen. Om op te schieten, probeer ik steeds de zeer trage fietstaxi’s in te halen, maar daarbij moet ik goed opletten dat ik niet in botsing met een brommer kom. Ik moet toegeven dat een brommer het meest ideale vervoermiddel is in dit land, maar ik heb er nooit op leren rijden en ben dat ook voor deze reis niet van plan.
Na een kwartier ben ik de stad uit en wordt het wat rustiger. Langs de weg zitten mensen met groente, fruit en benzine in glazen flessen. Af en toe stopt er een brommer en leegt de bestuurder tegen betaling van een stapeltje riels zo’n fles in zijn tank. Er zijn geen straatnaamborden of wegwijzers, dus ik moet de Killing Fields aan de hand van een eenvoudig plattegrondje zien te vinden. Dat valt niet mee. Op een gegeven moment moet ik verkeerd gereden zijn, want ik herken de wegen niet meer op mijn kaartje. Ik fiets terug, tot ik bij een kruising kom, waar ik waarschijnlijk de verkeerde richting ben ingeslagen. Ik pak een andere weg en dan zie ik na een tijdje de door de Vietnamese bevrijders gebouwde pagode bij de Killing Fields. Ik ben er trots op dat ik het toch gevonden heb.

De massagraven van de Killing Fields zijn intussen geruimd en de resten zijn verbrand. De pagode is een soort enorme vitrine, waarin vooral schedels tentoon worden gesteld. De schedels zijn net als de graven destijds gerangschikt op misdaad.

De Rode Khmer wilde begin jaren zeventig een communistische heilstaat stichten, met alleen boeren, arbeiders en soldaten. Bezit was verboden. Alles was van het collectief. Wie zich hiertegen verzette ging eraan. Halverwege de jaren zeventig werd de terreur steeds erger. Wie boeken bleek te hebben, werd gevangen genomen en gedood. Monniken werden massaal vermoord en ook anderen die gestudeerd hadden waren hun leven niet meer zeker. Op het beheersen van een buitenlandse taal stond de doodstraf, evenals op het dragen van een bril. In de vitrines liggen de schedels van de slachtoffers keurig gegroepeerd. Het is verschrikkelijk om te zien. Een groep Japanners uit een zojuist gearriveerde bus denkt daar anders over. Voor hen is dit een leuke toeristische attractie waar je heel leuk bizarre foto’s kunt maken. Op de foto met de schedelvitrines op de achtergrond is leuk voor thuis, net als een kiekje van opa die in een van de grafkuilen staat.
Ik kan het niet langer aanzien en begin aan de half uur durende fietstocht terug naar Phnom Penh. Het is intussen weer behoorlijk heet geworden en ik baal ervan dat ik mij vergeten ben in te smeren. Ik voel mijn huid verbranden in de felle zon.

Als lunch neem ik pasta met groente in het restaurant van Capitol. ’s Middags fiets ik naar Phnom Wat, het tempeltje op een heuveltje in het centrum van de stad die naar het tempeltje genoemd schijnt te zijn. Aan de voet van het heuveltje staan twee olifanten. Je kan op hun rug naar het tempeltje rijden. Ik bedank ervoor al moet ik met mijn zere voet als het ware naar boven hinkelen. Met een lekker muziekje op de walkman fiets ik naar het schiereiland in de Mekong. Het wordt de laatste keer deze reis dat ik de beroemde rivier zie. Met moeite fiets ik de hoge brug over. Op het schiereiland rust ik even uit op een prettig plekje in de schaduw. In de verte spelen wat jongens in het koele water van de Mekong, die op deze plek heel breed is. Rond vier uur ben ik terug bij Capitol. Ik ga vast mijn rugzak inpakken met de spullen die ik niet meer nodig heb. Ik eet weer bij het guesthouse. Groentesoep en noedels die ik wegspoel met een fles Angkor Beer. Bij een souvenirwinkeltje koop ik een glas van dat biermerk als aandenken. Als ik naar bed wil, kom ik Patrick tegen die ik in Laos had ontmoet. We praten wat over onze reisavonturen en drinken nog een colaatje op het terras. Patrick maakt zich net als ik zorgen over de grote hoeveelheden militairen op straat. We kunnen gaan en staan waar we willen, maar het lijkt wel alsof er een burgeroorlog gaat komen. Er zijn geen buitenlandse kranten of andere betrouwbare nieuwsbronnen. Rond tien uur houd ik het voor gezien.
Na een korte nacht sta ik rond half zes op. Douchen, ontbijten en fietsje huren. Ik heb eigenlijk alles wel gezien nu, daarom fiets ik maar een beetje doelloos rond door de stad. Op het station staat weer de trein naar Sihanoukville klaar. Ook vandaag zijn op alle strategische plaatsen militaire posten opgericht. Het kost mij moeite om een winkel te vinden waar ik nog een diafilm kan kopen. Uiteindelijk vind ik er een op Monivan Boulevard. Voor 5 dollar word ik eigenaar van een Kodak Elite II-film. Ik maak wat foto’s van Capitol, nu de zon gunstig staat. Dan fiets ik weer naar de markt om te kijken of ik voor weinig geld nog iets interessants kan kopen. Het worden een paar CD’s en een broeksriem. Om twaalf uur moet ik terug zijn in Capitol, omdat ik nog niet heb uitgecheckt. Nog een keer neem ik een douche en trek ik mijn laatste schone kleren aan. Op mijn t-shirt staat ‘I survived Cambodia’. Hopelijk ben ik daar niet te voorbarig mee. Beneden neem ik soep met een groentegerecht en natuurlijk nog een fles Angkor Beer. Dan is het tijd om vervoer te zoeken voor de rit naar het vliegveld. Met mijn rugzak achterop op een brommer van een chauffeur die mij voor 2 dollar naar het vliegveld wil brengen. Ruim op tijd kom ik daar aan. Een lief vrouwtje van Thai Airways geeft mij mijn instapkaart. In de vertrekhal zit een Europese vrouw met een donker kind dat niet ophoudt met krijsen. Ik hoop dat zij op een andere vlucht wacht, maar helaas. Ook in het vliegtuig is het kind niet stil te krijgen. Dat wordt een uur afzien. Ook de Japanners naast mij ergeren zich aan de herrie. Onderweg is het helaas zwaar bewolkt. Ik heb een raamplaats, maar ik zie niets van het landschap helaas.
Om kwart voor zes landen we op Don Muang Airport in Bangkok. Ik ben weer terug in de moderne tijd. Nog wel in het Verre Oosten, maar daar merk je op dit vliegveld weinig van. Ik zou nog wel de stad in willen, maar daarvoor is er te weinig tijd. Het duurt al meer dan een uur om het centrum te bereiken. Dan zou ik nog amper twee uur hebben om rond te kijken. Een andere keer maar weer. Wel jammer, want op het vliegveld is niets te beleven. Het is er bovendien koud en donker. Ik trek een jasje aan dat ik in Laos heb gekocht en begin een boekje te lezen dat ik had meegenomen voor het geval ik mij een keer zou vervelen. Dat is nu voor het eerst sinds deze reis het geval. Als ik eindelijk kan inchecken blijk ik net te laat te zijn voor een goede plek. De enige raamplaatsen zijn nog in het rokersgedeelte, achterin het vliegtuig. Vooruit dan maar. Er zal ’s nachts wel niet zo veel gerookt worden en ik wil wel naar buiten kunnen kijken. Om negen uur bestel ik wat fast food bij Kentucky Fried Chicken. Er is ook wel een Thais restaurant, maar dat is niet te betalen. Eindelijk is het dan elf uur en kan ik aan boord. De plaats is niet best en al voordat we vertrekken zitten mensen te roken. Dan stijgen we op. De airco draait op volle toeren en verlaagt de temperatuur in de cabine tot rond het vriespunt. Ik wikkel mij in een dun dekentje dat ik van de stewardess gekregen heb. Dit wordt geen fijne vlucht. Na een karige, maar wel smakelijke maaltijd gaat het licht uit. Nog zo’n tien uur te gaan tot Schiphol.
Ik denk met weemoed terug aan Laos en Cambodja, terwijl onder mij vaag de lichtjes van de steden van India te zien zijn. Daar moet ik ook nog eens een keer naar toe. Naast mij zit een klein, raar mannetje, met wie ik tijdens de vlucht geen woord wissel. Een groep Nederlanders was al dronken voordat de vlucht begon en maakt uren lang herrie. Als ze eindelijk stil zijn heb ik weer last van Chinezen uit Singapore, die de hele vlucht onder het slaken van luide kreten zitten te gokken. Ik zet mijn horloge zes uur terug en probeer te slapen, wat niet lukt. Als het licht in de cabine weer aan gaat, hebben we nog drie uur voor de boeg. We zijn weer in Europa. Waar precies weet ik niet, want er zijn geen schermpjes met vluchtinformatie. Er is wel televisie aan boord, waarop een flauwe film met Barbara Streisand wordt vertoond. Rond vijf uur Europese tijd begin eindelijk de daling. Ik zie Zwitserland liggen. Even later landen we op de luchthaven van Zürich, waar ik moet overstappen voor de vlucht naar Amsterdam. Het exotische avontuur zit er weer op als de wielen van de 737 rond negen uur ’s morgens de met regenplassen bedekte landingsbaan van Schiphol raken.
In het jaar 2000 bezocht ik Cambodja voor de tweede keer. Ik was er in 1997 al geweest, maar het is zo’n fascinerend land, dat ik er vast nog wel een keer naar toe ga als ik in de buurt ben. Ditmaal volgde het bezoek op mijn rondreis door Vietnam. De laatste dag van die reis vertrok ik met de bus naar de grens met Cambodja. Na een uur formulieren invullen kon ik via een paar honderd meter niemandsland van het Vietnamese naar het Cambodjaanse grensgebouw lopen. Ik had al een visum, dus daar kon ik vrij snel op de bus stappen. Het verschil met Vietnam was meteen te merken. Met een minibus zonder vering bonkten we in een paar uur tijd van de grens naar Phnom Penh. Een ware marteltocht.
Na een paar dagen Phnom Penh ging ik over land naar de tempelstad Angkor. In 1997 was dat nog te gevaarlijk, maar nu kon het wel. Ook dat was een zware rit over de uiterst slechte wegen van Cambodja. Terug nam ik daarom maar de boot.
Ik was blij dat ik in 2000 nog van een relatief rustig Angkor kon genieten. Het toerisme was al volop in ontwikkeling en de doelgroep bestaat uit welgestelde reizigers die luxe en comfort eisen. Het aantal grote hotels zal hierdoor snel stijgen en van het avontuurlijke van de miraculeuze tempelstad zal mogelijk weinig overblijven. Ik hoop binnenkort nog eens persoonlijk te kunnen vaststellen dat mijn vrees ongegrond was. Geniet intussen van het reisverslag.
Achter mij staat de Stalinistische poort die de entree tot Vietnam vormt. De Cambodjanen hebben voor dit doel een poort in Khmer-stijl gebouwd. In het midden op het plein dat Niemandsland vormt, staat de grenspaal. De zon schijnt genadeloos en nodigt niet uit om lang op het plein rond te blijven hangen. Ik wandel met mijn zware bagage naar het gebouw van de Cambodjaanse douane. Omdat ik al een visum heb, gaan de formaliteiten snel. Een formuliertje invullen en ik kan doorlopen naar de parkeerplaats waar al een minibusje van Capitol Tours staat te wachten om mij naar Phnom-Penh te brengen. Het busje heeft gelukkig airconditioning, maar de beste plaatsen zijn helaas al bezet. Ik zit op een stoeltje boven het achterwiel. Wel aan het raam, maar met heel weinig beenruimte. We blijven lang wachten op een paar passagiers die kennelijk problemen hebben met de Vietnamese douane. Dat is niet zo moeilijk in een land waar je stapels formulieren nodig hebt om erin en eruit te komen. Uiteindelijk gaan we dan rijden. Het is intussen kwart voor twee. Drie busjes van Capitol Tours beginnen gelijktijdig aan de vijf uur durende rit naar de Cambodjaanse hoofdstad. Het zal donker zijn tegen de tijd dat we aankomen.
Al snel merken we dat we van comfort onderweg niet veel hoeven te verwachten. De weg lijkt om een maanlandschap. En hoewel de chauffeur met beleid rijdt, worden we toch voortdurend door elkaar geschud. Na een uur weet ik niet meer hoe ik moet zitten. Ik heb bijna geen beenruimte, maar ik moet toch echt een andere houding aannemen, want ik heb geen rug meer over. Om nog maar te zwijgen over mijn billen. Aan slapen hoef ik ook niet te denken, dus probeer ik maar zoveel mogelijk van het prachtige landschap te genieten. Het is toch wel bijzonder om over land door Cambodja te reizen. Ik zie vooral velden met kleine meertjes en een vreemd soort kleine palm op een hele hoge stam. Af en toe passeren we een grote kar met monniken. Ook zien we pickup-trucks die afgeladen zijn met passagiers.
Na twee uur afzien stoppen we gelukkig even om de benen te strekken. Het is smoorheet buiten. Weer even later stoppen we om met een veerpont een rivier over te steken. Het duurt vrij lang allemaal en intussen begint het donker te worden. We hebben nog ongeveer een derde deel van het Cambodjaanse deel van de reis voor de boeg. Gelukkig wordt de weg nu wat beter en kan het minibusje sneller rijden. Wel wordt het steeds drukker. Er rijden hier meer auto’s dan in Vietnam. Tegen half zeven rijden we Phnom-Penh binnen. Maar al snel komen we vast te zitten in de verkeerschaos in de slecht verlichte straten, waarvan de meeste niet verhard zijn. Tien over zeven stoppen we eindelijk voor het grote, vervallen Capitol Hotel. In de rugzaktoeristenkazerne regel ik direct een goedkope kamer en een buskaartje naar Siem Riep, vlakbij de tempelstad Angkor. Er zijn betere manieren om daar te komen, maar ik wil een beetje bezuinigen en de bus is aanzienlijk goedkoper dan de expressboot of het vliegtuig. Bovendien lijkt het mij wel avontuurlijk om met de bus te gaan. Ik hoop alleen dat ik het lichamelijk ga redden, want een keurig geasfalteerde weg hoef ik niet te verwachten.
Ik wissel wat dollars in voor Cambodjaanse Riels en bestel eten en bier in het open restaurant van Capitol Hotel. Het smaakt prima en de sfeer is geweldig. Na het eten loop ik naar het Narim Guesthouse om voor donderdag en vrijdag te reserveren. Dat is volgens de Lonely Planet een veel beter adres dan het Capitol Hotel, terwijl het niet duurder is. Het Narim Guesthouse is niet ver. Het staat aan een van de onverharde en onverlichte zijstraten van de stad. In het restaurant lijkt het wel een sauna, omdat er ook gekookt wordt. Aan de straatkant is een terras waar backpackers naar de film The Killing Fields zitten te kijken. Ik had al gegeten, dus ik ga snel weer op pad. Het is gezellig in Phnom-Penh, met zijn ontspannen sfeer en vele restaurants en karaokebars. Het is wel zeer druk. Door de hoofdstraten rijdt een onophoudelijke stroom van bromfietsen met soms wel drie mensen erop. Veel brommers fungeren als taxi en dat merk ik al snel. Ik kan geen tien meter lopen of er stopt een bromfiets naast mij waarvan de berijder vraagt of ik misschien vervoer nodig heb. Het is klantvriendelijk en aardig bedoeld, maar na een half uur begint het behoorlijk vervelend te worden. Rond een uur of tien ben ik terug bij het Capitool en zoek ik mijn kamer op. Ik ben hard aan een douche toe. Die heb ik niet op mijn kamer helaas. Voor het geringe bedrag van 3 dollar per nacht zal ik gebruik moeten maken van de gemeenschappelijke douchevoorziening en die is niet bepaald schoon. Voor het slapen gaan, maak ik alvast mijn spullen in orde om morgen weer op reis te kunnen gaan.
Na een goede nachtrust word ik half zes al wakker van herrie op de gang. Mensen die vroeg weggaan en die het niet uitmaakt dat het hele hotel wakker wordt. Ik blijf nog even een half uurtje liggen voordat ik opsta en weer de vuile douche opzoek, die een hele tijd bezet blijft. Er is alleen koud water, maar dat maakt mij niet uit. Zelfs nu in de ochtend is het nog smoorheet in het hotel. Nadat ik mijn laatste spullen heb ingepakt, bestel ik in het restaurantje beneden soep met brood. In Azië is het niet ongewoon om soep als ontbijt te gebruiken en ik vind het wel een lekkere start.
Er staat al een aantal bussen voor het Capitol Hotel. De meeste gaan naar de boten die via het Tonle Sap meer naar Siem Riep varen. Ook gaan er bussen naar Vietnam. Mijn rechtstreekse bus naar Siem Riep vertrekt om zeven uur. Het begint net een beetje licht te worden en op straat is het al weer een drukte van belang. Ik stap als eerste het kleine busje binnen en kies meteen de beste plaats aan het raam tussen de wielen. Daar hobbelt het het minst. Mijn medepassagiers komen uit Japan en Schotland.
Ik ben blij als we eindelijk vertrekken. We laten snel Phnom-Penh achter ons en het eerste stuk gaat over een prima weg. Af en toe moeten we even remmen voor overstekend vee. Het weer is prachtig. De zon schijnt volop, maar dankzij de wind die door het busje waait, is de temperatuur dragelijk. Na een uur of twee stoppen we even voor een korte pauze. Dan rijden we weer verder over een smallere, maar nog steeds netjes geasfalteerde weg. We passeren een brug in aanbouw die door Japan is geschonken.
Rond een uur of tien gaat de asfaltweg over in een stofweg. We hebben geluk dat het al lange tijd niet geregend heeft, want dan was het een baggerweg geweest. Bij elke tegenligger of inhaalmanoeuvre moeten even de ramen dicht, waarbij de temperatuur in het busje meteen tot onaangename waarden stijgt. Ik krijg intussen al behoorlijke pijn in mijn benen en billen. Het is iets minder erg dan in het busje van Capitol Tours, maar ook deze zitplaats is veel te klein voor iemand van mijn lengte. Ik strek voorzichtig mijn benen wat uit en probeer het Japanse meisje tegenover mij daar niet mee te hinderen. Ik heb de ruimte toch al volgebouwd met mijn grote rugtas en cameratas. De weg wordt elke kilometer slechter. Af en toe moeten we door een droge rivierbedding rijden, omdat de brug is ingestort. Langs de weg staan verschillende voertuigen in wisselende staat van onttakeling. Die hebben de martelweg niet overleefd. Ik hoop dat ons busje het wel redt, want het rammelt alsof het elk moment uit elkaar kan vallen.
Rond 1 uur stoppen we voor de lunch. Als we weer gaan rijden is een Cambodjaanse jongen opgestapt. Hij prijst zijn guesthouse in Siem Riep aan. Drie dollar per nacht voor een kamer met bad. Ik heb er wel oren naar. De jonge Cambodjaan spreekt Engels en Japans en vertelt in beide talen over Siem Riep en Angkor. Zo hobbelen we verder. De zon brandt door het dak van het busje heen en de rijwind biedt nauwelijks nog verkoeling. Het is een afmattende rit. Af en toe passeren we een dorpje en rennen kinderen met het busje mee hopend op een aalmoes of wat snoep. Mijn benen slapen en ik voel een helse pijn in mijn achterwerk. Rond een uur of drie lopen we vertraging op en ziet het ernaar uit dat de rit langer gaat duren dan de beloofde acht uur.
Pas om half zes rijden we Siem Riep binnen, waar het intussen donker begint te worden. We stoppen bij het Tasom Guesthouse, dat onze Cambodjaanse passagier had aanbevolen. Ik bekijk een kamer en vind het meteen in orde. Iets vergelijkbaars ga ik voor minder dan drie dollar niet vinden. Ik krijg zelfs een handdoek, wat in deze klasse niet gebruikelijk is. Het is in alle opzichten beter dan het Capitol Hotel.
Eerst ga ik douchen. Als ik schone kleren heb aangetrokken ga ik de deur uit voor een wandeling in de omgeving. Siem Riep is niet veel aan. De meeste straten zijn verlaten, er is nauwelijks openbare verlichting en de horeca stelt ook niet veel voor. Bij een jongen met een bromfiets regel ik vervoer voor de komende drie dagen. Voor 60 dollar brengt hij mij overal naar toe waar ik wil. Voor het avondeten kies ik voor het gerecommandeerde Banyan restaurant. Het is een flink stuk lopen, maar het is de moeite waard. In een fantastische atmosfeer geniet ik van een heerlijke curryschotel. Daar was ik wel aan toe na zo’n hele dag in een hobbelbusje. Het is nog steeds warm, maar een grote plafondventilator boven mijn hoofd houdt het dragelijk. Bij het Tasom hotel bestel ik nog een fles bier en werk ik mijn dagboekje bij. Op de TV is Amerikaans worstelen te zien.
Ik heb niet lekker geslapen op het harde bed. Een verkeerde lighouding heeft mij rugpijn bezorgd. Al om vijf uu ben ik wakker. Het is muisstil in de omgeving, maar het lukt mij niet meer om in slaap te vallen. Het is afgekoeld. Ik trek een T-shirt aan om weer een beetje op temperatuur te komen en schakel de plafondventilator uit. Om zes uur begint een gekko te schreeuwen. Buiten begint de schemering en ik besluit maar vast op te staan. De douche is lauw, maar dat is lekker. Het restaurant is in de buitenlucht. Ik zie een blauwe hemel tussen de vele palmbladeren, dus de weervooruitzichten zijn prima. Als ontbijt kies ik voor het typische backpackers-maaltje met pancakes en yoghurt met fruit. Het duurt wel heel lang voordat de pancakes klaar zijn. Kwart over zeven kan ik eindelijk op pad. Dat lijkt vroeg, maar op dit tijdstip is het daglicht het mooist om foto’s te maken. Mijn chauffeur is een jongere broer van de baas van het hotel. Ik kan zijn moeilijke naam niet onthouden, maar hij vindt het prima als ik hem John noem. Echt makkelijk zit het niet achterop het kleine brommertje. We tuffen eerst naar de hoofdingang waar ik bij de kassa een pas voor drie dagen koop. Die kost 40 dollar. Gelukkig heb ik nog een pasfoto bij mij, want zonder foto krijg je geen pas.

De eerste attractie vandaag is Banteay Srei. Daar wordt het overdag altijd erg druk, maar nu zit het massatoerisme nog aan het ontbijt. Het is wel een behoorlijk eind rijden en ik moet mijn best doen om niet van de brommer te vallen, met de zware fototas achter op mijn rug. Mijn rug heeft het sowieso zwaar te verduren deze reis. De chauffeur draagt een helm, ik niet. De rit duurt drie kwartier en ik ben gebroken als we eindelijk aankomen. Het is al drukker dan ik verwacht had. Er staan echter nog geen bussen voor de poort. Ik negeer dus de stalletjes met ‘cold drinks’ en begin meteen te fotograferen. Een verstandige keuze, want al na een kwartier komt de eerste bus aan en beginnen veertig vrolijk uitgedoste toeristen het onmogelijk te maken om behoorlijke foto’s te schieten.

Banteay Srei is een prachtig tempelcomplex uit de tiende eeuw dat nauwelijks door de tand des tijds is aangetast. De naam betekent ‘tempel van de vrouwen’. Een nadeel is dat het zo’n 25 kilometer buiten Angkor staat, maar je mag het niet missen, want nergens anders zijn de gebouwen zo prachtig versierd met zandstenen beeldhouwwerken en basreliëfs van de hoogste kwaliteit.

Als ik foto’s maak met een meertje op de voorgrond, valt ineens mijn 35-70 zoomlens uit de zak van mijn vest. Dat is balen. De lens rolt naar het water, maar ik weet hem net op tijd te redden. Wel is er zand en modder op gekomen. Met WC-papier probeer ik de dure lens voorzichtig te reinigen. Gelukkig zijn de glasoppervlakken schoon gebleven. Ik trek mij maar even niets aan van de zon die onbarmhartig op mijn hoofd staat te branden. Na nog een doekje over de lens gehaald te hebben, sluit ik hem weer op mijn camera aan. Hij doet het nog, al draait het allemaal wel een beetje stroef. Ik moet voorzichtiger worden, want een nieuwe lens kopen is er in Cambodja niet bij.

Ik ga terug naar de tempel om nog een aantal detailfoto’s te maken. Daarbij maakt het niet uit dat er toeristen rondlopen. Rond een uur of 11 gaan de mensen lunchen en wordt het weer rustiger in de tempel. Ik maak nog een aantal overzichtsfoto’s. Dan mis ik ineens mijn lensdopje. Ik speur de waterkant af, maar het lukt mij niet het kleine voorwerp terug te vinden. Een paar Cambodjanen helpen zoeken, nadat ik ze heb uitgelegd wat ik kwijt ben. Ook mijn chauffeur helpt en hij heeft het dopje al snel gevonden. Voordat hij het terug geeft, maakt hij het keurig schoon met een doekje. Hoe aardig! Dan racen we weer terug naar Angkor. Weer krijgen mijn rug en nek het zwaar te verduren. De chauffeur heeft waarschijnlijk zo’n haast omdat hij wil lunchen. Ik vertel hem dat ik niet hoef te lunchen en dat hij mij bij de Indiana Jones-tempel mag afzetten. Dat begrijpt hij kennelijk niet, want hij stopt bij Angkor Wat. Ik ben er niet blij mee, want ik had deze tempel, die het absolute hoogtepunt vormt, pas op de derde dag willen bekijken. Maar misschien is het dan geen mooi weer, dus ik laat het maar zo. Ik vraag de chauffeur om mij half zeven bij Angkor Wat op te halen om mij terug naar Siem Riep te brengen. Morgen maak ik het je minder makkelijk, zeg ik hem in gedachten. De zich opdringende gidsen negerend, wandel ik via een lange stenen brug naar de beroemde en prachtige tempel. Het massatoerisme is gelukkig nog altijd aan het lunchen, zodat ik zonder veel problemen mooie foto’s kan maken.

Angkor Wat is een Hindoeïstische tempel die beschouwd wordt als het grootste religieuze bouwwerk ter wereld. Het is ook één van de belangrijkste overblijfselen uit de periode van het Khmerrijk. Het complex omvat meerdere gebouwen en is 1024 x 802 meter groot. De centrale pagode is maar liefst 65 meter hoog. Verder omvat het centrale gebouw drie etages met oppervlakte van respectievelijk 187 bij 215 meter, 100 bij 115 meter en 75 bij 73 meter. Suryavarman II begon met de bouw in het jaar 1113, op het hoogtepunt van zijn macht.

Terwijl ik mij door de unieke omgeving laat fascineren, verschijnt er steeds meer bewolking aan de hemel. Af en toe moet ik een tijdje wachten tot een wolkenschaduw eindelijk weer is weggetrokken. Ik ren van hot naar her en rond een uur of drie ben ik volledig uitgeput door het lopen en de hitte. Ik rust uit bij het heiligdom in de centrale pagode van Angkor Wat en realiseer mij intens hoe bijzonder het is om hier te mogen zijn. En ook nog eens zonder vervelende, oneerbiedige mensen om mij heen.

Ik had twee literflessen bronwater gekocht, maar die zijn nu op. Ik ga op zoek naar een nieuwe fles, maar die zijn met 3000 riel niet goedkoop hier. Ik heb echter geen keuze, want ik ben uitgedroogd door de zinderende hitte en de stoffige atmosfeer. Fotograferen is er niet meer bij, want de reisgroepen zijn teruggekeerd en blijven uren rondhangen op de mooiste plekken. Ze zijn vooral bezig zichzelf te laten fotograferen, zodat ze aan familie thuis kunnen bewijzen dat ze er echt geweest zijn. Respect voor het heiligdom is ver te zoeken. Ook de Cambodjanen spannen zich in om de bijzondere sfeer in het tempelcomplex zoveel mogelijk te verstoren. Ik begin me steeds meer te ergeren aan het onnodige lawaai. Ook de Frans schreeuwende gidsen zijn een bron van irritatie.

Ik ben blij als het rond een uur of vijf rustiger en minder heet wordt. De zon komt nog even terug en zorgt nu voor een prachtig warm licht. Ik fotografeer mij suf en merk dat ik niet veel energie meer over heb. Mijn derde waterfles is intussen ook leeg. Ik heb nog wel zuurtjes tegen de dorst. Ik koop vanavond in Siem Riep wel weer waterflessen voor een normale prijs. Bij zonsondergang maak ik foto’s van de achterzijde van het tempelcomplex dat nu schitterend afsteekt tegen de rode avondlucht. Helaas staat een groep Engelsen lawaai te maken, maar als dit gezelschap eindelijk vertrokken is, kan ik nog even genieten van de geluiden van de natuur en de prachtige archeologische skyline.

Door de duisternis ga ik op zoek naar de ingang van Angkor Wat. Ik weet mijn chauffeur niet te vinden, maar hij mij wel. Hij moet kattenogen hebben, want het is aardedonker. Het is maar een kort ritje naar Siem Riep, maar toch is het weer een zware beproeving voor mijn rug. Ik ga er in het hotel snel wat balsem op smeren. Eerst maak ik nog even de lens verder schoon en dan geniet ik van een lauwe douche. Het is heerlijk om het water op mijn oververhitte huid te voelen. Ik trek schone kleren aan en doe mijn zeer vuile wasgoed in een emmer met water. Dan ga ik op zoek naar een restaurantje. Er wordt bij het guesthouse ook wel eten geserveerd, maar dat stelt weinig voor. In het restaurant bestel ik kokossoep en bier. Vijf dollar is niet duur, maar voor Aziatische begrippen is het een aardige smak geld. Je kunt merken dat men hier aan rijke toeristen gewend raakt. Bij het guesthouse bestel ik nog een flesje cola om op te drinken terwijl ik mijn reisverslag bijwerk. Het is nog steeds bloedheet buiten. Ik had nu wel een airco op mijn kamer willen hebben.
Hoewel ik vast geslapen heb, ben ik om half vijf al weer wakker. Het is niet meer zo heet in de kamer, maar nog wel warm genoeg om mij wakker te houden tot om half zes de wekker gaat. Ik stap onder de douche om het zweet van mij af te spoelen. Dan schiet de slang van de wastafeltoevoer los. Het wordt een natte bende, maar ik ben op deze manier wel snel schoon. Het lukt om de zaak weer te repareren. Het water zal snel genoeg verdampen. Al om zes uur zit ik aan de pancake. De stroop giet ik in de thee die ik nodig heb om het droge voedsel naar binnen te krijgen. Precies om half zeven staat mijn chauffeur klaar. Op het brommertje rijden we naar de Bayon in Angkor Thom, de vroegere binnenstad van Angkor. Het is er nu nog heerlijk rustig en het licht van de net opkomende ochtendzon zet de roze, zandstenen ruïnes in een prachtige gloed. Ik tel maar vier andere mensen.

Angkor Thom is gebouwd door Khmer-koning Jayavarman VII na zijn machtsovername in 1177. Het complex is de laatste grote stad van het Khmerrijk, waar een aantal beroemde tempels is te vinden. Het spectaculairst is de Straat der Reuzen. Aan beide zijden staan enorme poorten met torens waarop reusachtige gezichten zijn afgebeeld die in de vier windrichtingen kijken. Om de ongeveer negen vierkante kilometer grote stad loopt een honderd meter brede gracht. De toegangen bestaan uit bruggen over deze gracht waarvan Naga’s, mythische slangen, de leuningen vormen.
Tegen de tijd dat rond half negen de eerste bus arriveert, heb ik al mijn foto’s gemaakt en vertrek ik met mijn chauffeur naar de volgende attractie: het Olifantenterras en de Baphon. Beide zijn eveneens in Angkor Thom te vinden. Het indrukwekkende Olifantenterras is 350 meter lang en 14 meter breed. Vanaf hier keek vroeger de Koninklijke Familie naar de processies, parades en spelen. Het terras is versierd met zowel beelden als reliëfs van olifanten, maar ook van leeuwen en garuda’s (mythische vogel). De Baphon staat helaas in de steigers en is daarom niet te fotograferen. Aan de overkant van de weg staan nog wat kleinere tempeltjes. Die zijn weliswaar minder bijzonder, maar wel mooi op de gevoelige plaat te zetten. Eigenlijk is elke steen de moeite waard in dit archeologische paradijs. De hele tijd word ik achtervolgd door kinderen die mij souvenirs willen verkopen of die mijn gids willen zijn.

Mijn chauffeur blijft elke keer bij zijn bromfiets achter, want ik verken de tempels liever in mijn eentje. Het lukt mij pas de kinderen af te schudden als ik weer achter op de brommer zit op weg naar Preah Khan. Dat is een grote en zeer interessante tempel omdat er sinds de ontdekking in 1860 nog nauwelijks iets aan gerestaureerd is. Dit wordt daarom de Indiana Jones-tempel genoemd. Koning Jayavarman VII liet deze boeddhistische tempel in 1191 voor zijn vader Dharanindra bouwen. Nergens is zo goed de strijd tussen de menselijke cultuur en de natuur te zien. Struiken en reusachtige bomen houden de oude gebouwen in een soort wurggreep. Overal kronkelen wortels van de bomen die op de daken van de tempels groeien. Het gehele complex is 800 bij 700 meter groot. Er zijn nog 72 garuda’s te zien en andere prachtige basreliëfs die verrassend goed bewaard zijn gebleven.

Ik heb geluk want er zijn nog geen bussen gearriveerd. De massatoeristen bezoeken altijd eerst de Bayon.
Preah Khan is een soort kathedraal. Via de lange gangen loop ik naar het kruispunt waar zich het heiligdom bevindt. Het schaars binnenvallende zonlicht maakt prachtige fotografie mogelijk, maar ik moet mijzelf intussen op rantsoen zetten, want het gaat hard met de diafilms. Ik kan in Cambodja wel nieuwe films kopen, maar niet van de kwaliteit die ik van Kodachrome gewend ben. In de centrale hal van Preah Khan heerst een magische sfeer. Een zachte tocht houdt de temperatuur dragelijk en al wat ik hoor zijn de geluiden van de natuur rondom. Het lijkt mij heerlijk om hier een paar uur te mediteren, maar ik heb meer te doen vandaag. Na een kort ritje sta ik voor de Preah Neak Pean. Het begint nu serieus heet te worden en ik heb al zo’n twee liter water op om alle transpiratie te compenseren. Preah Neak Pean betekent ‘verstrengelde slangen’. De tempel is tegen het einde van de twaalfde eeuw gebouwd in opdracht van Jayavarman VII. Het complex bestaat uit een groot vierkant bassin, met daaromheen vier kleinere vierkante bassins. Midden in het grote bassin, dat nu geheel opgedroogd is, staat op een rond eilandje, dat omringd wordt door twee enorme stenen slangen, een tempel. Het complex is genoemd naar de verstrengelde staarten van deze slangen. Vroeger stonden er ook nog vier beelden in het centrale bassin, maar daarvan heeft men er maar één kunnen restaureren. Het beeld stelt een paard voor met mensenbenen en verwijst naar de legende dat Avalokiteshvara een keer een groep schipbreukelingen van een eiland heeft gered door zichzelf in een vliegend paard te veranderen. Archeologen hebben kunnen reconstrueren dat Preah Neak Pean ooit een wonderschoon complex moet zijn geweest voor rituele baden. Via beelden in de vorm van een olifantenkop, een leeuwenkop, een paardenhoofd en een mensenhoofd stroomde het water vanuit het centrale bassin naar de kleinere bassins. De badinrichting was een onderdeel van Preah Khan, maar van de enorme tuinen is helaas niets dan wildernis overgebleven.

Wij rijden naar de Ta Som-tempel, waarnaar mijn guesthouse genoemd is. Het is een kleine tempel, die nog behoorlijk overwoekerd is. De poort die toegang geeft tot het complex gaat bijna helemaal schuil onder een enorme boom. Ik bekijk ook de muur die rondom loopt. Er staan torens op met de bekende gezichten in alle windrichtingen. Intussen is het pas half elf. We gaan verder en naderen weer een Hindoeïstische tempel, de East Mabon. Het Hindoeïstische karakter komt onder andere naar voren door de grote beelden van olifanten op de hoekpunten van de tempel. De East Mabon verkeert in een goede staat, maar is sober gedecoreerd. Daardoor valt er niet zoveel te ontdekken. De negen torens zijn wel indrukwekkend. Grote torens sieren ook de Prerub-tempel, die weer als een piramide beklommen kan worden. Ondanks de hitte sleep ik mijzelf naar boven. Het is nog steeds opvallend rustig, behalve bij de ingangen tot de complexen, waar souvenirstalletjes staan en waar de verkoopsters op luide toon hun waren aanprijzen. Sommigen lopen achter mij aan en duwen koude blikjes frisdrank onder mijn neus. Ik houd het echter bij water en daar heb ik voorlopig genoeg van op voorraad.
Rond een uur of een komen we aan bij de Ta Prohm-tempel, die nog gedeeltelijk overwoekerd is. Helaas heeft de overheid het afkeurenswaardige plan opgevat om de tempel geheel te laten restaureren. De meeste vegetatie is al verwijderd en ook de grote bomen die over de gebouwen heen groeien, moeten er aan geloven. Uiteindelijk zal het op een sfeerloze nieuwbouwtempel gaan lijken, vrees ik.

Dat geldt trouwens voor het meeste van Angkor. De regering wil munt slaan uit de oude stad en denkt dat te kunnen bereiken door er een soort toeristisch pretpark van te maken. Ik dank de goede God dat ik het in deze staat nog mag aanschouwen, want deze unieke sfeer zal spoedig verleden tijd zijn.
Omdat het lunchtijd is, is het nog vrij rustig. Er lopen alleen wat backpackers rond. Wel zijn de Cambodjanen erg luidruchtig. Ik kan niet filmen zonder dat de natuurgeluiden overstemd worden door geschreeuw en knetterende bromfietsen. Ik had om half drie met de gids afgesproken en hij staat op mij te wachten als ik kwart voor vier eindelijk aan kom hijgen.

Wij rijden naar de Ta Keo-tempel, waarvan rond het jaar 1000 de bouw is gestart, maar die nooit is afgebouwd. Eigenlijk is de piramidevormige structuur dan ook een soort casco met heel weinig versierselen. Met vijf etages bereikt de tempel een hoogte van 22 meter. Ik heb echter geen zin om de half vergane trappen te beklimmen.

De volgende tempel, de Thommanon, is weer zeer interessant met zijn bijzonder rijke decoraties. De bouwstijl is vergelijkbaar met die van Angkor Wat. Er is nog niet veel gerestaureerd, maar dat is ook niet nodig, want het gebouw bevindt zich nog in een goede staat. Het lichte zandsteen is gelukkig niet aangetast door luchtvervuiling, want die is er in dit deel van de wereld nauwelijks. Oorspronkelijk was de centrale toren met de poorten verbonden, maar de verbindingsmuren zijn in de loop der tijd verloren gegaan. Foto’s maken lukt nog even niet, want er loopt een grote groep Franse toeristen rond. Het duurt erg lang voordat hun gids alle verhalen en verzinsels over de tempel heeft medegedeeld. Als ze eindelijk vertrekken, komen er weer auto’s aan met toeristen. Tussendoor weet ik af en toe wat foto’s te maken.

Mijn chauffeur begint het kennelijk beu te worden om rond te toeren, want hij zet mij bij de sunset-heuvel af, terwijl het eigenlijk nog veel te vroeg is voor de zonsondergang. Het is net vier uur en het zal nog ruim tweeënhalf uur duren voordat ik vanaf deze plek prachtige foto’s van de dalende zon kan maken. Voordat ik kan protesteren is het brommertje al weer vertrokken. Ik voel mij redelijk genept. Morgen is de laatste dag en ik neem mij voor dat ík dan bepaal waar we naar toe gaan en niet de chauffeur. Ik ga natuurlijk niet al de tijd niets doen. Te voet wandel ik naar de nabijgelegen Bayon om nog wat foto’s te maken van de brug en de mooie poort. Half vijf ben ik weer terug bij de uitzichtheuvel. Het valt zwaar tegen om die te beklimmen. Bovendien is mijn laatste waterfles leeg. Voor 15 dollar kan je op de rug van een olifant naar boven, maar ik houd niet zo van dat soort activiteiten. Anderen denken er kennelijk ook zo over, want de drie olifanten hebben weinig te doen. Als ik eindelijk boven ben, blijkt het wel de moeite waard te zijn. Het uitzicht is fenomenaal. Ik heb ook geluk dat het helder weer is, zodat de hele tempelstad is te zien. Angkor Wat kan ik echter niet ontdekken. Helaas zijn er wat wolken aan de westelijke horizon, waar de zon op een gegeven moment achter verdwijnt. Veel van de honderden mensen op de heuvel laten luid hun ongenoegen blijken over het weer. De meesten houden het al ruim voor zonsondergang voor gezien. Zelf blijf ik tot kwart over zes als het al bijna donker is. Ik ben afgepeigerd, oververhit en uitgedroogd. Al mijn lichaamsvocht lijkt in mijn T-shirt te zitten, dat heel vies is. Net als mijn vest trouwens, dat ooit wit was. De brommer brengt mij terug naar het guesthouse, waar ik eerst een uitgebreide douche neem. Ik was mijn haar en trek schone kleren aan. Dat voelt meteen een stuk beter. Het lijkt wel alsof het water ook mijn vermoeidheid heeft afgespoeld. In het Green Bamboe-restaurant bestel ik voor 5,5 dollar Tom Yam-soep, spaghetti carbonara en een fles Angkor-bier. Bij een winkeltje koop ik twee diafilms van Fuji. Niet mijn merk en met 11 dollar behoorlijk aan de prijs, maar er is niet anders en mijn Kodachrome-films zijn nu echt op. Op het terras van het Sonim Guesthouse kijken backpackers naar voetbal op TV, terwijl ik mijn dagboekje bijwerk. Kwart over negen neem ik mijn vierde douche van deze dag. Het meisje van het guesthouse komt langs met mijn schone was. Ik mag zelf uitkiezen wat van mij is. Gelukkig mist er niets.
Ik heb slecht geslapen. Na een aantal wilde dromen werd ik al om half twee wakker. Ik heb het warm en koud tegelijk. De ventilator draait zachtjes op stand 1. Ik kan niet meer mijn draai vinden op het harde bed. Uiteindelijk zet ik maar mijn Walkman op om lekker naar soul te luisteren. Rond een uur of vier dommel ik weer in, maar half zes word ik wakker en kan ik niet meer verder slapen. Ik voel mij nog doodmoe als de wekker gaat. Ik had nu een warme douche wel lekker gevonden, maar helaas. Voor dergelijk comfort betaal je in dit land tien keer zoveel voor een kamer. Ik pak mijn fotospullen bij elkaar en werk op het terras weer zo’n droge pancake naar binnen. Er zijn nog maar weinig mensen op en door de dichte bewolking hangt er een drukkende atmosfeer. Op de TV is het weerbericht van CNN te zien. In vrijwel heel Azië regent het vandaag. Behalve in Thailand en Cambodja. Ik heb dus geluk, al ziet het er naar uit dat het hier ook elk moment kan gaan plenzen. Het is gelukkig wel iets minder heet vandaag. Half zeven is John er met zijn brommer en gaan we op weg. Eerst rijden we naar Banteay Samre. Dat is een rit van ongeveer 20 kilometer, waar we ruim drie kwartier over doen. Ik wilde eigenlijk naar enkele andere tempels, maar die zijn volgens John niet bereikbaar. Ik denk dat hij gewoon geen zin heeft om er naar toe te rijden, maar de politie bij Banteay Samre bevestigt dat toeristen voorlopig niet worden toegelaten tot die afgelegen tempels.
De Banteay Samre-tempel is door Suryavarman II gebouwd in de twaalfde eeuw. Het is een Hindoetempel in de typische Angkor Wat-stijl. De tempel is vooral beroemd om zijn basreliëfs van Vishnoe als schepper van de wereld. De naam komt van de Samre, een volk van onbekende origine. Ze leefden aan de voet van de nabij gelegen Kulen-heuvels. Het tempelcomplex heeft een centrale tempel en kent twee bibliotheken. Met name de zuidelijke is goed bewaard gebleven. De Banteay Samre wordt omringd door twee concentrische muren. Het is prettig dat ik zo ongeveer de enige bezoeker ben. Wel is het jammer dat de zon maar niet wil doorbreken. Met bewolking is er te weinig licht om echt mooie foto’s te maken van de gebouwen met hun zwaar verweerde muren. Ik ben blij met mijn groothoekzoomlens. 17mm heb je wel nodig in de kleine ruimtes.

We rijden verder richting Sras Srang. Dat is een enorm terras met een bassin. Langs de waterkant spelen vele kinderen. Sommigen rennen op mij af met een handvol ansichtkaarten. Of ze willen mij rondleiden. Ik probeer wat spontane foto’s te maken, maar dat mislukt doordat de kinderen door andere toeristen worden afgeleid die opgeprikte groepsfoto’s willen maken. Soms gaan toeristen nog wel eens weg, maar deze twee blijven rondhangen. Ik heb geen tijd om te wachten en wandel verder naar de Banteay Kdei-tempel. Het is weer prachtig. Ik betreedt het Boeddhistische complex via een oude poort waarin vier gezichten van Boeddha zijn uitgehakt, die in de vier windrichtingen kijken. Een agent komt sloom op mij af om mijn pasje te controleren. Het is in orde. Binnen in de haveloze tempel valt veel te ontdekken. Het complex is dan wel vervallen, maar sommige details zijn prachtig bewaard gebleven of al gerestaureerd.

Als eindelijk de zon doorbreekt, lijkt het meteen tien graden warmer te worden. Ik maak nog wat foto’s, waarbij ik soms lang moet wachten op mensen die details staan te bestuderen en daar behoorlijk de tijd voor nemen. Gelukkig hoef ik mij niet te haasten vandaag, want er staat relatief weinig op het programma. We blijven tot een uur of tien, waarna we verder gaan naar de Bat Chum-tempel. Dit bestaat vooral uit drie grote en nogal schaars gedecoreerde torens. Ik heb het snel gezien. Dan gaan we alweer naar de laatste attractie van vandaag, de Prasat Kravan. Ook die tempel bestaat uit een groepje torens. Het is niet overdreven interessant, maar wel heeft een van de torens binnenin nog prachtige reliëfs. Ik herken onder andere een garuda met een vierarmige Vishnu op zijn rug. Drie kinderen komen op mij af met kleine vogels in kooitjes, die ze aan mij proberen te verkopen. Ik maak ze beleefd duidelijk dat ik er als buitenlander erg weinig aan heb.
We rijden terug naar Siem Riep, waar ik een bank opzoek om travellercheques te ruilen voor contante dollars. In de bank is het ijskoud. Ik ben blij dat ik de enige klant ben, want anders kan het wisselen van een cheque heel lang duren. Met honderd dollar op zak wandel ik langs de rivier om de rest van het stadje te verkennen. Tempels heb ik nu wel genoeg gezien. Het gewone leven in Cambodja is ook heel interessant. Het lijkt arm, maar aan de andere kant wonen de mensen hier wel vrijstaand aan het water. Zo kan je het ook beschouwen. Vroeger had je watermolentjes, die stroom opwekten. Tegenwoordig zijn de hutjes op het elektriciteitsnet aangesloten. Vanuit bijna elk huis roepen kinderen ‘hello’ als ze mij zien. Ik groet elke keer terug, maar dat wordt na een tijdje wel vervelend. Schoolkinderen op fietsen stoppen om een praatje met mij aan te knopen, maar hun Engels is zo slecht dat ik er niets van begrijp. Rustig wandelen is er niet bij. Het is ook enorm heet geworden. De wolken zijn verdwenen en de zon staat vrijwel loodrecht boven mijn hoofd. Na een half uur houd ik het niet meer vol en steek ik via een van de vele gammele bruggetjes de rivier over om langs de hoofdweg een brommer aan te houden. De chauffeur zet mij voor duizend riel weer bij het guesthouse af. Ik bestel kokossoep en cola als lunch en werk mijn dagboekje bij. Helaas stelt de keuken van het Sonim Guesthouse erg weinig voor. Ik besluit vanavond maar weer bij het Green Bamboe-restaurant te gaan eten. Dat was ook niet top, maar wel een stuk beter dan het guesthouse.
In de middag is het weer tijd voor een paar tempels. Via een erbarmelijke weg hobbelen we naar Roluos. Dat kost mij weer drie dollar extra, maar het is dan ook een lange rit. Ik ben blij dat ik ervoor gekozen heb om met de boot terug naar Phnom-Penh te gaan, want nog eens tien uur hobbelen in een te klein busje zou ik niet overleven. De eerste tempel die ik bezoek is de Preah Ko. Daar had ik beter ’s morgens heen kunnen gaan, want de voorzijde is op het oosten gericht. Nu moet ik foto’s met tegenlicht maken en dat wordt nooit mooi. Daar komt nog bij dat het geheel in renovatie is en ontsierd wordt door gammele steigers. Aan de westkant zitten wat Cambodjaanse mannen en vrouwen met hamers te slaan. Het lijkt alsof zij zand tot poeder slaan. Ze gapen mij verbaasd aan. Er komen hier ook niet veel buitenlanders. Er zijn nog drie andere tempels in de omgeving, maar daarvoor moet ik door de jungle. Ik heb geen zin om op een landmijn of een slang te trappen, dus die andere tempels houd ik maar voor gezien. Afwijken van verharde wegen wordt nog steeds ten zeerste afgeraden.

Een andere tempel kan ik wel makkelijk bereiken. Dat is de Bakong. Deze tempel is gebouwd in de negende eeuw en daarmee een van de oudste bouwwerken van Angkor. De structuur is prachtig. Het hoofdgebouw bestaat uit piramidevormig gestapelde terrassen en op het bovenste terras staat een sierlijke toren. Helaas staat ook hier de zon aan de verkeerde kant. Bovendien zit een groep Cambodjanen op een storende plaats, waardoor het echt niet lukt een fatsoenlijke foto te maken. Ik erger mij groen en geel. Vooral aan mijn gids, die mij hier ’s morgens naar toe had moeten brengen, toen het licht nog goed was. Mijn humeur herstelt weer enigszins als ik in gesprek raak met een heel vriendelijke monnik van 21 jaar. Hij vertelt over de opleiding die hij volgt en die maar liefst 20 duizend riel per maand kost. Het valt niet mee dat op te brengen, zeker omdat zijn vader overleden is. De monnik is heel blij met de dollar die ik hem geef.

We rijden verder naar Lolei. Dit is weer een Hindu-tempel. Ook deze is in de negende eeuw gebouwd en daarmee een van de oudste gebouwen van Angkor. Ooit behoorde de tempel tot de stad Hariharalaya, waarvan vrijwel niets is terug te vinden. Het complex bestaat uit vier torens, die vroeger via hoge muren met elkaar verbonden waren. Van de muren is niets meer over. Ook is niet voor te stellen dat de tempel vroeger op een eiland in een meer gestaan moet hebben. Het complex wordt nu omringd door oerwoud. Lolei is de laatste tempel van mijn bezoek aan het Roluos-gebied. We tuffen de twintig kilometer terug naar Siem Riep over een stofweg. Af en toe moet ik een tijdje mijn adem inhouden als we door een door een tegenligger veroorzaakte stofwolk rijden. Intussen klem ik mij vast aan het beugeltje achter het zadel, om niet gelanceerd te worden als we door de zoveelste kuil rijden. Als we Angkor Wat passeren, vraag ik John te stoppen. Met pijn in mijn billen van het te kleine zadel stap ik af en loop ik voor de laatste keer naar de beroemde tempel, die de vlag van Cambodja en de etiketten van Angkor Beer siert. Het is vanmiddag zonnig en de laagstaande middagzon werpt een prachtig licht op de oude torens. Het is wel druk, maar het lukt met enig geduld toch nog wel om een paar schitterende taferelen op mijn Kodak Elite-films vast te leggen. Ik maak volop foto’s van de torens, de reliëfs, de talloze beelden, aardige monniken en van mijzelf.

Ook de zonsondergang is fantastisch. Ik maak nog snel wat foto’s van het silhouet van de tempel tegen de snel donker wordende avondlucht. Voordat ik vertrek ga ik nog even zitten om het aanschouwen van dit wereldwonder goed op mij in te laten werken. Als het geluid van brommers even wegsterft en ik alleen nog het ontwakende nachtleven van de natuur hoor, is dat een magisch moment. Het zijn ware meesters geweest die dit prachtige complex ontworpen hebben zo’n duizend jaar geleden. Ik geniet van elke seconde tot het rond kwart voor zeven echt tijd is om te vertrekken. Anders kan ik de zes kilometer naar Siem-Riep gaan lopen.

Ik werp nog snel een laatste blik op het nu in duisternis gehulde tempelcomplex als het brommertje richting het guesthouse koerst. Na de douche wandel ik naar het Green Bamboe-restaurant voor Tom Yam-soep en een heerlijke curry. Onder het eten haal ik voorzichtig het etiket van de fles Angkor Beer af. Ik verwen mij zelf met een bananashake als toetje. De serveerster komt even met mij praten. Ze dacht dat ik weer spaghetti carbonara wilde, maar die vond ik niet zo lekker gisterenavond. De curry is stukken beter. De serveerster is somber. Kiespijn, zegt ze. En ze is erg moe. Ze maken ook lange werkdagen in dit land, dat in de winter al zo heet is. Zelf ben ik trouwens ook wel moe nu. Dat is niet zo gek. Ik bestel nog een colaatje, terwijl ik mijn dagboekje bijwerk. Morgen vertrek ik met de boot terug naar Phnom-Penh. Een duur grapje met 25 dollar per enkele reis, maar zo’n tweede busrit zag ik echt niet meer zitten. Ik hoop dat ik beter slaap vannacht.
Ik heb wel een uur wakker gelegen, maar verder niet slecht geslapen. Het is gelukkig een beetje afgekoeld in de kamer. De plafondventilator maakt een vervelend tikkend geluid, maar ik kan hem toch niet uitzetten. Dat wordt het veel te warm in bed. Vijf uur gaat de wekker en sleur ik mijzelf naar de douche. Ik ben gebroken. Het is maar goed dat ik vandaag geen tempels hoef te bezoeken. De boottocht zal wel redelijk relaxed zijn. Op de WC-bril zit een gigantische kakkerlak. Ik jaag hem weg met de douchestraal, maar als hij in de tegenaanval gaat, mep ik hem dood met mijn schoen. Ik pak mijn spullen in en bestel voor de laatste maal ontbijt in het guesthouse. Gelukkig kan dat op dit vroege uur. Twee andere backpackers zitten ook te eten. Zij gaan tempels bezoeken vandaag. Brood is er helaas nog niet. Dat wordt om kwart voor zes gebracht, maar dan staat de pickup al op mij te wachten om mij naar de haven te brengen. Ik betaal 25 dollar voor de drie overnachtingen en de maaltijden, nadat de baas er tien minuten over heeft gedaan om alle onkosten bij elkaar op te tellen.
De pickup is al snel overvol en rijdt met een enorme vaart over een van de slechtste wegen die ik tot nu toe heb meegemaakt. Het is een lange rit naar de haven en het is verschrikkelijk afzien. Ik verlies zelfs een waterfles als we bijna twee meter de hoogte in worden geslingerd. Kwart voor zeven zijn we eindelijk bij de haven waar het verschrikkelijk naar rotte vis stinkt. Er is volop bedrijvigheid op de foeilelijke vismarkt. Ik wil hier zo snel mogelijk weg en ben blij als ik op een kleine motorboot kan stappen, die mij in twintig minuten tijd naar de snelle expressboot brengt. Dan ontdek ik dat ik de sleutel van mijn kamer in het guesthouse nog in mijn zak heb. Niets aan te doen. Misschien kan ik hem terugsturen vanuit Phnom-Penh. Om half acht kom ik bij het grote Tongle Sap-meer aan, waar de expressboot ligt te wachten. Het is een soort rondvaartboot met enorme motoren. Er zijn 98 zitplaatsen en ik zit met stoelnummer 97 helemaal achterin. Dat lijkt mij niet echt gunstig, maar ik zal wel zien. Kwart voor acht worden de zware motoren gestart en komt de boot langzaam in beweging. Alles trilt onder het geweld. Beenruimte is er niet en ik begin mij af te vragen of de bus misschien toch geen betere optie was geweest. Ik kan mijn benen alleen in het gangpad kwijt, maar elke minuut wil er iemand langs om naar de WC te gaan. Al snel zijn er geen oevers meer te zien. Twee uur lang blijven we midden op het meer varen, maar dan komen er weer oevers in zicht. Het meer gaat over in een rivier. Ik besluit eens naar voren te lopen om te kijken waar de helft van de passagiers gebleven is. Die blijken op het dak te zitten. Dat lijkt mij ook wel wat. Ik zoek een mooi plekje op boven de stuurhut, waar ik nog wat beschutting heb van een openstaand dakvenster. Dit is geweldig. Het uitzicht is perfect en de koele wind houdt het lekker fris. Niet fris genoeg om mij goed wakker te houden helaas. Ik vecht tegen de slaap en ga steeds verzitten om niet in te dommelen. Het lijkt mij weinig aantrekkelijk om in de rivier te ontwaken, als ik de val in het water al overleef, want het gaat behoorlijk snel met de expressboot.
Rond twaalf uur komt Phnom-Penh in zicht. Net voor de Japanse brug meert de boot aan en kan ik van boord, nadat ik mijn rugzak uit de cabine heb gehaald. Eenmaal op de kade word ik net als de andere passagiers bestormd door brommerchauffeurs die ons ritjes en accommodaties willen aanbieden. Je hebt in Cambodja geen VVV nodig. Alles wat je nodig zou kunnen hebben, word je op elk moment tot vervelendst toe aangeboden. Met moeite wring ik mij door de massa op zoek naar de man met een bordje van het Narim guesthouse. Die moet ik hebben. Helaas verlies ik de man weer uit het oog. Er staat ook geen busje van het Narim guesthouse. Wel een van het Capitol Hotel. Dan neem ik die maar, want daarvandaan is het maar een klein stukje lopen naar het Narim guesthouse. Bovendien kan ik dan de sleutel afgeven, want het Capitol en Tasom guesthouse werken samen. De bus zit helaas muurvast in de verkeerschaos. Zo duurt het nog lang voordat we bij het Capitol aankomen. De baas lacht als ik hem de sleutel van Tasom geef. Dat heeft hij wel vaker meegemaakt. Door de stofstraten, waarvan de meeste alleen een nummer hebben in plaats van een naam, wandel ik naar het Narim guesthouse. Dat is toch nog een aardig eind en ik ben nog erg moe van alle wandel- en klimtochten door Angkor. Als ik aankom, moet ik mijn hele nektasje leeghalen om de beduimelde, door vocht aangetaste voucher terug te vinden. Terwijl mijn kamer in orde wordt gemaakt, eet ik een bord spaghetti, want ik had al weer een behoorlijke trek gekregen.
De kamer is goed. Ik zit aan de rustige achterkant van het gebouw en dicht bij de collectieve badkamer. Ondanks mijn vermoeidheid wil ik ook de paar dagen in Phnom-Penh goed besteden, dus ga ik direct op pad. Ik ga ik naar de Wat Moha Montrei. Dat is een grote tempel in Thaise bouwstijl, vlak bij het Narim guesthouse. Veel tijd besteed ik er niet aan, want de zon staat ongunstig. Morgenochtend moet ik er nog maar een keer langsgaan. Bij het Victory Monument heb ik meer geluk. Die ziet er vanaf alle kanten hetzelfde uit, dus dan maakt het niet uit hoe de zon staat. Erg bijzonder is het verder niet, een roodstenen, wat kale poort in Khmer-stijl.

Daarvandaan loop ik via het Koninklijk paleis naar de grote overdekte markt Phsar Thmey. Ook die is niet gunstig te fotograferen. Dat wordt dus racen morgenochtend. Met een van de vele brommerbestuurders spreek ik af dat deze mij morgen voor 8 dollar de stad rondrijdt. Het wordt beknibbelen, want ik ben bijna door mijn dollars heen en ik heb geen zin om nog een travellercheque in te wisselen. Terwijl ik verder loop probeer ik de talloze brommerbestuurders en andere vervelende kerels te negeren. Dat is niet makkelijk, want de heren geven het niet snel op. Ook landmijnslachtoffers dringen zich voortdurend hinkelend aan mij op. Het is om gek van te worden. En dan heb ik het nog niet over iedereen die spottend ‘hello’ roept. Ben ik de eerste buitenlander hier? Bij een internetkantoor in de overdekte markt stuur ik een mailtje naar huis en naar mijn werk en kom ik even bij in de koelte van de airconditioning. Op de markt is verder niets te vinden wat ik zou kunnen gebruiken. De handelswaar bestaat vooral uit kleding en groente. Ook medicijnen worden per kilo verkocht in grote plastic zakken. Voor echt nuttige zaken zal ik nog even moeten wachten tot ik in Singapore ben, waar ik op de terugreis een korte stopover maak. Intussen begin ik aardig last van mijn schouders te krijgen, door de zware fototas die voor mijn borst hangt. Ik koop een Magnum en een gingerbeer. Weer twee dollar armer.
Rond zes uur ben ik terug in het guesthouse. Ik neem een douche en droog mij niet af. In plaats daarvan ga ik onder de ventilator staan om nog wat hitte kwijt te raken. Op het sfeervolle en gezellige terras van het Narim guesthouse bestel ik mijn avondeten: Tom Yam en een kipschotel met rijst. Het is niet overdreven smakelijk, maar de sfeer is prima.
Na het eten maak ik nog een avondwandeling, waarbij ik de pijn in mijn benen tracht te vergeten. Het scheelt wel dat ik mijn zware fototas nu niet bij mij heb. Daar heb ik weinig aan in de nauwelijks verlichte stad. Het is uitkijken, want slechts weinig brommers hebben functionerende verlichting. Ook auto’s rijden veelal met gedoofde koplampen. Rond tien uur ga ik naar ben na onder het genot van een fles Angkor Beer op het terras mijn dagboek bijgewerkt te hebben.
De laatste hele dag in Cambodja is aangebroken. Ik had de wekker op zes uur gezet, maar ik word al om half twee wakker van aanhoudend hondengeblaf. Pas na lange tijd val ik opnieuw in slaap om kwart over vijf al weer wakker te worden van andere herrie. Het zijn mensen die vroeg weggaan en vinden dat de rest van het guesthouse dan ook maar wakker moet worden. Om kwart voor zes sta ik maar op. Na onder de douche de hitte afgespoeld te hebben, bestel ik op het terras brood, fruitsalade en omelet. Dat vult aardig. De brommerchauffeurs zitten al weer op een prooi te azen. Where you go sir? You want transport? Need motorbike sir? Ik zal het niet missen als ik weer thuis ben. Hello sir! How are you today? Ik word er gek van. Ik pak mijn spullen en stap achterop bij de jongen met wie ik gisteren de stadstour heb afgesproken. Hij is wat ouder dan de meeste van zijn concurrenten en ziet er serieus uit. Zijn brommer is redelijk comfortabel en het is prettig dat hij er een normale rijstijl op na houdt.
Het is al enorm druk zo rond zeven uur ’s morgens in het centrum van Phnom-Penh. We gaan eerst naar Choeung Ek, dat bekender is onder de Amerikaanse naam The Killing Fields. Het is een half uur rijden, waarbij het laatste deel over een zeer slechte weg gaat. Langs de weg zitten vrouwtjes met groenten en fruit van de eigen akkertjes.
De Killing Fields worden gemarkeerd door een in Thaise stijl door de Vietnamezen gebouwd monument, dat al van ver te zien is. Een paar jochies zitten bij de ingang om de twee dollar entree op te strijken. Een kaartje of bonnetje krijg ik niet, dus ik vraag mij af of het allemaal wel officieel is. Dat zal wel niet. Gelukkig is er maar een andere bezoeker. Een Japanner waar ik geen last van heb.
Het monument dat de Vietnamezen hebben opgericht nadat zij eind jaren zeventig de bloeddorstige Rode Khmer hadden verdreven, is macaber. Het is een metershoge vitrine met daarin honderden opgegraven schedels.

Deze liggen naar categorie gerangschikt, net als de massagraven vroeger. Zo was er een massagraf voor brildragers, voor ondernemers, monniken, voor mensen die boeken in bezit hadden, voor gehandicapten en voor allerlei andere categorieën mensen die niet in het profiel van arbeider of boer pasten. Deze werden tussen 1975 en 1979 gearresteerd en naar heropvoedingskampen gestuurd. Slechts een enkeling heeft die heropvoeding overleefd. De slachtoffers werden op grond van hun ‘misdaad tegen de revolutie’ in massagraven gegooid, The Killing Fields. Die graven zijn ook nu nog te zien, al zijn zorgvuldig alle menselijke resten eruit verwijderd. Bijna twee miljoen mensen, ofwel een kwart van de bevolking heeft het schrikbewind van Pol Pot niet overleefd.
De Verenigde Naties hebben dit laten gebeuren, totdat Broeder nummer 1, zoals de dictator zich liet noemen, in een vlaag van hoogmoed buurland Vietnam binnenviel. Vietnam sloeg terug en toen was het snel gedaan met de massale moordpartijen. De Vietnamezen, die toch wel wat gewend zijn op oorlogsgebied, raakten getraumatiseerd door wat zij aantroffen in Cambodja. Nog steeds is de bevolking zwaar getraumatiseerd, waardoor de ontwikkeling van het straatarme land niet van de grond komt. Alle welvaart die te zien is, is eigendom van Chinezen.
Nog zwaar onder de indruk rijd ik achterop de brommer terug naar Phnom-Penh. De chauffeur had nog gevraagd of ik naar een nabij gelegen schietbaan wilde. Daar kan je met zware militaire wapens schieten. Dat is echter niet mijn ding.

Wel leuk is een dorpsmarkt die we onderweg passeren. Ik maak wat foto’s van de lokale bevolking op de markt. Daarna rijden we de hoofdstad weer binnen. Het is weer als vanouds een verkeerschaos. Vrachtwagens doen dichte wolken stof opwaaien en voordat ik het weet ben ik weer helemaal grijs. De viezigheid blijft aan mijn zweet kleven en vormt zo een soort kleverige korst over mijn huid. Ik vraag de chauffeur om naar Wat Moha Montrei te rijden in de hoop dat de zon nu gunstiger staat. Hij rijdt echter verkeerd. Ik weet zelf beter waar het is en vraag hem terug te rijden via de brede Charles de Gaulle boulevard. Na nog een nutteloos blokje om staan we eindelijk voor de tempel. Er zijn heel veel monniken, wat niet zo gek is want er wonen er ongeveer 450. Foto’s maken valt niet mee, want het enorme gebouw staat op een klein stukje grond en wordt omringd door lelijke hekken. Ook palen en een web van elektriciteitsdraden maken het fotograferen er niet makkelijker op. Een monnik leunt over de balustrade en vraagt of ik niet binnen een kijkje wil nemen. Natuurlijk wil ik dat. Hij opent de zware houten deuren en laat mij binnen in de gebedsruimte. Het is donker binnen. Als mijn ogen een beetje gewend zijn, zie ik talloze Boeddhabeelden en muurschilderingen die de leer van het Boeddhisme uitbeelden. Het ziet er nieuw uit en het is ook nieuw. De tempel is in 1970 gebouwd en pas onlangs is het herstel van de door de Rode Khmer aangerichte vernielingen voltooid. Ik mag wat foto’s maken en maak er ook een van de vriendelijk monnik. Buiten weet ik met moeite ‘mijn’ chauffeur terug te vinden tussen de talloze brommerrijders.

We rijden naar het Royal Palace, waar de prins behoort te wonen. De prins is tijdelijk verbannen door de republikeinse regering. Hoogtepunt van het Royal Palace is de zilveren pagode. Dit is een tempeltje met tal van kunstschatten, waaronder een 90 kilo wegend gouden beeld. De naam is ontleend aan de vijfduizend zilveren platen die vroeger in het bouwwerk verwerkt waren. Daarvan zijn er nog enkele te zien. Ik weet niet waar de rest gebleven is. Veel tijd gun ik mij niet om alles te bewonderen, want ik heb nog een waslijst aan attracties af te werken. Bij het Nationale Museum maak ik snel een foto van de buitenkant van het rode gebouw. Een bezoek zit er helaas niet in. Ik moet bovendien zuinig zijn, want bijna overal wordt entree gevraagd en nog een extra bedrag voor mijn camera. Bij het Royal Palace was dat 3 dollar voor de entree, 2 dollar voor mijn fototoestel en 5 dollar voor mijn videocamera. Het filmen heb ik daarom maar achterwege gelaten.
Via de Wat Ounalom en het postkantoor rijden we naar Wat Phnom. Dat is de tempel waarnaar de stad is genoemd. Hij staat in een rond park aan het einde van de belangrijkste straat van Phnom-Penh. Er zitten vooral veel studenten op de terrassen. Er is ook een filmploeg aan het werk. Die maakt opnames van een aantal folkloristisch geklede groepjes en even later van een meisje dat een zware zak van het Rode Kruis op de rug draagt. Ik kan er niet achter komen waar het allemaal voor dient. Gelukkig kan ik wel de tempel in. Kinderen achtervolgen mij en trekken aan mijn armen voor aandacht. Anderen blazen op irritante plastic fluitjes. Het zijn altijd jongens en mannen die vervelend doen. Er zijn ook meisjes en vrouwen, maar die gedragen zich normaal. Ze steken wierookstokjes aan en bidden voor het grote Boeddhabeeld. Na dit avontuur rijden we nog even langs de bank, want ik ben nu echt blut. Ik wil een foto maken van een sticker die aangeeft dat het verboden is om wapens mee naar binnen te nemen, maar een bewaker houdt mij scherp in de gaten en wijst naar een andere sticker, die aangeeft dat het verboden is om foto’s te maken.
We rijden weer terug naar het guesthouse waar ik een portie Khmer sour soup bestel met rijst. Om twee uur zouden we weer verder rijden, maar mijn chauffeur is er nog niet. Er zijn wel heel veel andere chauffeurs die mij maar wat graag vervoer aanbieden. Ik wacht bij de receptie, waar het bloedheet is. Tien over twee komt mijn chauffeur er aan rijden. In plaats van naar een tempel brengt hij mij naar de Russische markt. Die stond ook nog op mijn lijstje, dus ik zeg er maar niets van. Op de Russische markt worden vooral auto-onderdelen verkocht, maar ook antiek. Na een tijdje zoeken vind ik een CD-winkel, die ook computerspelletjes verkoopt. Ik koop een CD van Aretha Franklin, Flightsimulator 2000 en Fifa 2000. Het zijn blanco CD’s in een gefotokopieerde verpakking, wat op een totaal van 10 dollar komt. Daar wordt goed aan verdiend. Weer buiten vraagt de chauffeur of ik naar een pagode wil die vlak bij het vliegveld staat. Dat is een aardig stuk rijden, dus ik vraag of het niet handiger is om daar morgen naar toe te gaan, als ik toch naar het vliegveld moet. De chauffeur zegt dat het wel kan, maar dat ik dan waarschijnlijk mijn vliegtuig mis, omdat de tempel zo mooi is dat ik er lang zal willen blijven. Vooruit dan maar, maar eerst wil ik naar Tuol Sleng. Dat is het plaatselijke genocidemuseum, waar in de jaren zeventig het selectiecentrum van de Rode Khmer was gevestigd. Mensen die werden opgepakt omdat zij niet in het revolutionaire ideaalplaatje pasten, werden in de voormalige lagere school ondervraagd en gemarteld totdat zij de gewenste antwoorden gaven. Daarna volgde in de regel de laatste reis naar The Killing Fields. Het museum is huiveringwekkend. Het is zoveel mogelijk in de staat gelaten, waarin de Vietnamese bevrijders het in 1979 aantroffen. Mijn chauffeur is dertig en moet deze gruweltijd nog bewust hebben meegemaakt, maar hij laat er niets van merken. Een van de museumstukken is een kaart van Cambodja, die van menselijke schedels is gemaakt.
Niet iedereen lijkt onder de indruk. Er zijn een paar rondleidingen aan de gang en de mensen gedragen zich alsof zij Madame Tussaud bezoeken. Iedereen wil graag even met zijn eigen fototoestel gefotografeerd worden met de schedelkaart als achtergrond. Smakeloos. Met een bedrukte stemming stap ik weer achter op de brommer en rijden we naar de pagode. Deze blijkt nog in aanbouw te zijn. Er staan steigers rondom en men is bezig met de laatste werkzaamheden aan het indrukwekkende dak. Binnen is het wel af en het ziet er schitterend uit met de gloednieuwe, fel gekleurde beschilderingen. Het lijkt wel alsof de voorstellingen van beschilderd glas zijn met verlichting er achter. De vloer is nog niet gelegd. Daar is nog geen geld voor, vertelt een van de monniken mij. Hij is erg nieuwsgierig. Hij vraagt mij wat het nu kost om van Nederland naar Cambodja te reizen en wat ik verdien. Zoals gewoonlijk ontwijk ik dergelijke vragen en probeer ik het antwoord te relativeren. Door eerlijk te zeggen dat ik zo’n tien miljoen riel per maand verdien, zou een Cambodjaan denken dat we in Nederland allemaal in gouden paleizen wonen. Daarom zeg ik liever hoeveel jaar ik moet werken om een huis te kunnen betalen.
Als ik mijn fotospullen pak, komt een groepje monniken en bouwvakkers om mij heen staan om te zien wat ik aan het doen ben. Dat is vriendelijk bedoeld, maar niet echt handig. Gelukkig houden de mensen het na een minuut of tien voor gezien en kan ik rustig mijn gang gaan. Het is schitterend. Na een uur komt de chauffeur kijken of ik nog steeds binnen ben. Ik moet hem gelijk geven dat ik deze pagode beter vandaag kon bezoeken dan morgen, als ik weinig tijd heb. Op de terugweg naar Narim guest-house vertelt hij over het moeilijke leven in Cambodja. Helaas kan ik hem niet makkelijk verstaan, vanwege de wind en zijn beroerde Engels. Het is wel duidelijk dat ik het niet hoef te betreuren dat ik niet in Cambodja geboren ben. Behalve dat het land straatarm is, is het ook politiek instabiel en corrupt. Er is weliswaar vrede, maar de economie is in handen van Chinezen en Vietnamezen. Cambodjanen zelf kunnen alleen heel kleinschalige bedrijfjes opzetten, anders krijgen ze al snel met ‘het systeem’ te maken.
Bij het guesthouse neem ik natuurlijk weer eerst een douche om de centimeter dikke laag vuil af te spoelen. Dan pak ik de meeste spullen alvast in voor morgen. Ik probeer zoveel mogelijk in mijn buiktasje te proppen, omdat ik die bij mij kan houden tijdens de vluchten. Ik wil zeker niet riskeren dat ik mijn filmpjes kwijt raak, maar daarmee wordt het kleine tasje wel topzwaar. Bovendien krijg ik hem niet dicht. Gelukkig heb ik nog een boodschappentas van Blokker bij mij. Dan gebruik ik die maar als handbagage. Uiteindelijk weet ik alles ingepakt te krijgen, nadat ik besloten had om mijn totaal versleten wandelschoenen maar ik Cambodja achter te laten. Na een niet al te smakelijke Cambodjaanse curry met Angkor Beer naar binnen gewerkt te hebben, wandel ik voor de laatste keer door de donkere straten naar het centrum van de bizarre stad. Overal zijn nog marktstalletjes open drinken, benzine en kokosnoten. Ook spelen er nog volop kinderen op straat. Ik koop een kokosnoot met een rietje. In de stad is verder weinig te beleven. Het gaat mij meer om het opsnuiven van de sfeer, want morgen zit de reis erop. Pas om een uur of tien plof ik weer neer op het terras van Narim guesthouse, om onder het genot van een fles bier mijn dagboekje bij te werken. Dat valt niet mee, want er brandt maar één klein lampje. Het is zo heet, dat ik mijn T-shirt maar over de stoel hang. Tegen half twaalf ga ik naar bed, na de zoveelste douche van vandaag.
Weer houden die ellendige honden mij uit mijn slaap. Eerst word ik om twee uur wakker en daarna om vijf uur. Ik kan nog twee uur blijven liggen, maar het lukt niet meer om in slaap te vallen. Om half zeven sta ik op. Alles is al ingepakt, dus ik kan meteen naar het ontbijt. Ik bestel brood, omelet, fruitsalade en thee. Een beetje landerig staar ik naar de kleine dienstertjes die met bestellingen voorbij sloffen en naar de vrouwen die op straat schreeuwend hun koopwaar aanprijzen. Het is lekker rustig op het terras. De meeste gasten zijn al op pad. Om kwart voor acht pak ik mijn spullen, reken ik de 15 dollar voor alle maaltijden af en stap ik achterop de brommer. Door de weer zeer drukke ochtendspits rijden we Phnom-Penh uit op weg naar het vliegveld. Het valt niet mee met de zware rugzak op mijn rug en de eveneens zware Blokker-tas in mijn hand. Zolang we rijden is de tropische hitte nog te verdragen, maar zodra we voor een verkeerslicht stoppen breekt het zweet mij uit. Ik probeer rustig te blijven om straks niet drijfnat het vliegtuig in te moeten en ben blij als we na een half uur bij het vliegveld arriveren. Ik neem afscheid van mijn chauffeur die onmiddellijk op zoek gaat naar een nieuwe klant en loop de vertrekhal binnen. Er wordt druk gerenoveerd aan het vliegveld, maar de airconditioning doet het gelukkig. Mijn vlucht staat echter nog niet aangekondigd. Om half negen komt hij op het bord te staan, zegt een grondstewardess. Dat wordt negen uur. Ik haal mijn instapkaart bij de incheckbalie en geef mijn rugzak af. Bij de douane moet ik een vertrekstempel halen, wat mij 20 dollar kost. Dat is naar Cambodjaanse maatstaven niet mis. De taxfree-winkels hebben weinig te bieden en zijn belachelijk duur. Ik zoek dus maar een plaatsje op om van wat muziek te genieten. Mijn walkman komt echter nauwelijks boven de herrie in de vertrekhal uit. Ik hoop dat het vliegtuig op tijd vertrekt, want anders kan ik korter in Singapore blijven. Half elf kan ik eindelijk naar de Airbus 320 van Silk Air. Driekwart van de stoelen blijft leeg, dus ik kan een prima plek uitzoeken. Het is heerlijk om na alle ontberingen en hitte de luxe van deze geparfumeerde cabine te ervaren. Het is wel erg koud, maar nog net dragelijk. De stewardessen van Silk Air worden duidelijk op hun uiterlijk geselecteerd. Ze zijn beeldschoon en in prachtige zijden sarongs gewikkeld. Voor vertrek delen ze verfrissingdoekjes uit, waarmee ik het raampje schoonmaak. Helaas is het intussen bewolkt geworden, waardoor ik van het uitzicht tijdens de vlucht niet veel hoef te verwachten.
Om elf uur komt het toestel los van de startbaan en al snel bereiken we de kust. Ik kijk nog zo lang mogelijk om, om tussen de wolkenflarden Cambodja te zien verdwijnen. De maaltijd is een soort hachee. Het is moeilijk na te gaan waar het van gemaakt is, maar het smaakt niet slecht. Pas na anderhalf uur komt er weer land in zicht. Ik zie het zuidelijkste deel van Maleisië en al snel het vol torenflats bebouwde eiland van Singapore. We landen volgens schema, maar door een uur tijdverschil met Cambodja, is er weer een uur minder om deze interessante stad te verkennen. Haasten dus maar. Eerst haal ik bij een transferbalie een nieuwe instapkaart voor Amsterdam. Mijn rugzak gaat automatisch door, want Silk Air is een dochtermaatschappij van Singapore Airlines, waarmee ik naar huis vlieg.
Het meisje van de douane vraagt hoe lang ik in Singapore blijf en reageert verbaasd als ik ‘een paar uur’ zeg. Buiten ga ik op zoek naar vervoer, maar de enige manier om goedkoop in de stad te komen is met de airport shuttle en die kost zeven dollar. Bovendien moet ik wachten tot alle plaatsen bezet zijn. Buiten wordt het weer intussen steeds slechter. Het is nu geheel bewolkt en er breekt een donderend onweer los. Even later klettert de regen neer. Door de airco in de bus lijkt het wel winter, maar buiten is het smoorheet. Dat merk ik als we een half uur later in de beroemde winkelstraat Orchid Road stoppen. Gelukkig is de regen net opgehouden. Het lijkt of ik een Turks stoombad in stap. Alleen bij de toegangen tot de vele winkelcentra is het een beetje koel. Om niet al te veel te transpireren, loop ik al snel zo’n winkelcentrum binnen. Beneden zijn fastfood-restaurantjes, op de begane grond kledingwinkels en op de hogere etages kleine winkels die onder andere elektronica verkopen. Allemaal Chinese rommel. Er is ook een CD-winkel, die tot mijn verbazing ook alleen illegale CD’s en CD-roms verkoopt. Ze zijn wel een stuk duurder dan in Vietnam en Cambodja. Bij McDonald’s neem ik een chocoladeshake. Niet verstandig, maar wel lekker. Als ik een beetje afgekoeld ben, waag ik mij weer op straat. Het is er heel druk, maar wel rustig. Geen getoeter, geen geduw, geen vervelende mensen die rare gezichten trekken en ‘hello’ roepen, geen brommerbestuurders die zich opdringen….. Het is na al die weken wel heerlijk om weer in een normale stad te lopen, waar de mensen er westerse omgangsvormen op na houden. Toch word ik niet echt vrolijk van Singapore. Het is allemaal wel erg zakelijk. Alle voetgangers wachten keurig tot het licht op groen staat, voordat zij oversteken. Niet omdat dat veiliger is, maar omdat dat de regels zijn. En er zijn veel regels in Singapore. Er is zoveel verboden, dat het handiger is om met borden aan te geven wat wel mag. De straffen zijn ook niet mals. Tot de mogelijke sancties op het gooien van afval op straat, staan stokslagen. Het lijkt middeleeuws, maar het werkt kennelijk wel, want de straten zijn hier schoner dan in Zwitserland.
Op de metro na, is het openbaar vervoer niet zo duidelijk in Singapore. Voor toeristen rijdt er de SIA-shuttle, die een slechte kopie is van de cablecar in San Francisco. Als ik er op wacht, komt het busje echter niet. Ik ga daarom maar te voet naar Chinatown. Daar zie ik voor het eerst ook wat oudere gebouwen en zelfs twee kerken. Er staan ook tempels, van zo ongeveer alle geloven die ik ken. Bijzonder is een zeer barokke Hindoeïstische tempel. Vanaf een verkeersbrug heb ik een mooi uitzicht op de rivier en de enorme wolkenkrabbers van Singapore. Dan bereik ik eindelijk Chinatown, dat lang niet zo leuk is als in de meeste andere steden. Leuk is wel dat in een van de tempels net een ceremonie aan de gang is. Ik probeer er een video-opname van te maken. Buiten begint intussen de schemering, die in de tropen altijd maar kort duurt. Kwart over zeven is het helemaal donker. Maar door de fel verlichte straten is dat bijna niet te merken. Het is een enorm contrast met Phnom-Penh, waar ik het achteraf toch leuker vond. Ik wandel terug naar Orchard Road, want dat is de enige plek in de stad waar ’s avonds nog winkels open zijn. Het is er dan nu ook een stuk drukker dan overdag. Ik bekijk nog een paar warenhuizen en bestel een curryschotel in een van de vele fastfoot-restaurantjes. Ik heb het wel weer gezien in Singapore als ik rond negen uur naar de plaats loop waar ik uit de shuttle ben gestapt. Het busje komt echter niet opdagen. Dan raak ik toevallig in gesprek met een Zwitser die met een taxi naar het vliegveld wil. Ik vraag of ik mee kan zodat we de kosten kunnen delen. Als we na twintig minuten aankomen, betaalt de Zwitser echter de hele rit. ‘De zaak betaalt’, zegt hij. Helaas zijn we bij de verkeerde terminal, maar voor 3 dollar brengt de chauffeur mij naar de juiste vertrekhal. Daar wissel ik mijn geld om voor Nederlands geld en houd ik 15 dollar achter voor de vertrekbelasting. Die heffing hoef ik echter niet te betalen, zodat ik weer met 15 dollar aan Singapore dollars blijf zitten. Ik kijk of ik die in een van de winkels kan uitgeven, maar daar koop je voor 15 dollar nog niet eens een ansichtkaart. In zo’n winkel geef je al snel meer geld uit dan je voor je hele vlucht hebt betaald. Om de tijd te doden ga ik op zoek naar het Science Information Center. Dat is een soort natuurwetenschappelijke expositie, waar je allerlei bijzondere verschijnselen kan zien. Je kan er ook gratis computerspelletjes spelen, maar daar blijk ik niet zo handig in. Rond 11 uur kan ik eindelijk naar de gate. De passagiers staan al in de rij voor de wachtruimte. Aan het aantal mensen te zien, raakt het vliegtuig wel vol. Ik ben blij dat ik een gunstige plaats heb aan het raam.
De Boeing 747 zit inderdaad helemaal vol en ik heb de pech dat achter mij een stel vervelende Nederlandse jongens kotergrapjes zit te maken. Ik zet mijn horloge vast op de Nederlandse tijd: tien voor zes ’s middags. Zes uur verschil met Singapore. Intussen delen de prachtige stewardessen de verfrissingsdoekjes uit.
Even later stijgen we op en duiken we meteen het laaghangende wolkendek in. Het vliegtuig is zwaar beladen en stijgt maar langzaam. Pas na tien minuten mogen de riemen los. Het lange wachten is weer begonnen. Als we boven Phuket vliegen, wordt de eerste maaltijd geserveerd. Ik raak kort in gesprek met het meisje naast mij, dat al drie jaar in Australië woont en nu voor twee weken naar Nederland gaat om de begrafenis van haar grootvader bij te wonen. Geen leuke binnenkomer, dus de rest van de vlucht praten we niet veel meer met elkaar. Ik ga wat filmpjes bekijken op mijn camcorder, die ik bijna op de grond laat vallen als ik even in slaap dommel. Als ik na een tijdje weer wakker word, zie ik op het schermpje voor mij dat we pas boven India vliegen. Buiten is het echter donker en vanwege de wolken is er niets te zien. Ik probeer op het schermpje een videospelletje te spelen, maar dat lukt met geen mogelijkheid. De afstandbediening is een raadsel voor mij. Om weer bij de vluchtinformatie te komen, moet de steward mijn systeem resetten. Alleen krijg ik nu Chinese teksten voorgeschoteld. Het lukt mij niet om het op Engels over te zetten.
Weer wat later vliegen we boven Afghanistan. Dan volgen de Kaspische Zee en het Kaukasus-gebergte. Nadat we de enorme Zwarte Zee zijn overgestoken, zie ik rond een uur of drie Nederlandse tijd Roemenië in de diepte liggen. Tenminste, ik zie lichtjes van een Roemeense stad. Het is nog een kleine vier uur vliegen naar Schiphol. Ik tuur weer naar buiten en zie heel langzaam wat schemering ontstaan aan de oostelijke horizon. Maar omdat we met de zon meevliegen, duurt de schemering eindeloos lang. Op mijn scherm zie ik Slowakije en Polen passeren. Nog twee uur. Ik begin het nu wel zat te worden. Terwijl het buiten lichter wordt, komen de stewardessen langs met het ontbijt. Een zwaar ontbijt met kip in sojasaus en gelukkig ook een bakje Yoghurt met aardbijen. Ik val aan, want ik heb behoorlijk trek gekregen van het vervelen. Dorst ook trouwens. Boven Duitsland zit de bewolking potdicht. Ik probeer nog even te slapen, maar dat lukt niet meer. De gong van ‘riemen vast’ haalt mij uit mijn dagdroom. Ik zie Nederlandse wolken. Het is 5 graden op Schiphol. Mijn tropische avontuur zit er weer op.