Laos

Laos is een van de leukste landen die ik tot nu toe bezocht heb. Dat komt vooral omdat het er zo vriendelijk is. Het is een beetje het België van Zuidoost-Azië. Zo heb ik dankzij de vriendelijke en uiterst behulpvaardige bevolking nergens grote problemen ervaren, hoewel het toerisme in 1997 – ik was er van 3 februari tot en met 21 februari – nog niet of nauwelijks ontwikkeld was.
Een echt hoogtepunt durf ik niet te noemen. Het land heeft van alles te bieden. Bijzonder de moeite waard zijn de prachtige natuur van de Mekong-eilanden in het zuiden, de indrukwekkende tempels van de voormalige hoofdstad Luang Prabang en de kleurrijke minderheden van het hoge noorden langs de grens met China. En geen ander land in deze regio heeft nog zoveel oorspronkelijk regenwoud. Er zijn helaas geen concrete plannen om dit zo te behouden. Ook Laos wil een van de Economische Tijgers worden. Maar nu is het land nog prachtig om te bezoeken en wie geluk heeft ziet nog olifanten aan het werk. Niet voor toeristen, maar echt voor de bosbouw.
Ik ben het hele land doorgereisd van noordwest naar zuidoost. Makkelijk ging dat niet want de enige behoorlijke infrastructuur bestaat uit de Mekong-rivier en het netwerk van binnenlandse vluchten. De zelden verharde wegen door het oerwoud zijn niet geschikt voor het binnen redelijke tijd afleggen van grote afstanden. Het vliegen gaat echter prima ook al zien de oeroude Chinese Antonov-kopieën er niet overdreven vertrouwenwekkend uit. Verder is het niet moeilijk om onder de tien dollar goede accommodatie te vinden.

Proloog

Ik heb geen idee waarom ik eigenlijk naar Laos wilde. Ik wist niets van het land en even goede informatie op het web zoeken was er in 1997 nog niet bij. Misschien werd ik getriggerd tijdens het weekje Bangkok in 1996. Laos werd bij diverse reisbureautjes aangeprezen als interessante bestemming. Ik weet het niet meer. Wat ik wel wist, was dat ik het land ongeorganiseerd wilde bezoeken. Dus op eigen houtje. Vliegticket boeken, Lonely Planet kopen en gaan met die banaan. Zo kwam ik op 1 februari 1997 aan in Bangkok, om direct door te reizen naar het noorden van Thailand. Bij de grens zouden hotels zijn die makkelijk een visum konden regelen, wat waar bleek te zijn. Het reizen door Laos was niet makkelijk. Serieuze wegen zijn er nauwelijks, wat het moeilijk maakt gebieden te bezoeken die niet aan de Mekong liggen. Met binnenlandse vluchten ging dat gelukkig wel redelijk. Onderdak was dankzij de Lonely Planet ook vrij makkelijk te vinden, evenals goede eettentjes en bezienswaardigheden. Toch was het niet eenvoudig met mijn toen nog matige ervaring met zelfstandig reizen. Engels wordt nauwelijks gesproken en hoe aardig de mensen ook zijn, er zitten er altijd tussen die je beter niet volledig kan vertrouwen. Na een tijdje was ik wel gewend aan de moeilijkheden en kreeg ik toch alles geregeld wat ik wilde. Hoe moeilijk het eigenlijk was, besefte ik pas weer toen ik de grens met Thailand overstapte en direct op een aircobus kon stappen die mij voor heel weinig geld via keurige wegen naar Bangkok bracht. Toch zou ik er zo weer naar toe gaan, als er niet nog zoveel andere landen te ontdekken waren. Laos is prachtig, authentiek en heel lief. Hoe lang nog? Dat is de vraag. Ik ben blij dat ik het land heb kunnen bezoeken in een tijd dat er van economische vooruitgang nog geen sprake was.

Zaterdag, 1 februari 1997

Don Muang, de internationale luchthaven van Bangkok, heeft een deprimerende aankomsthal. Het is binnen alsof het buiten altijd donker is. Er is geen visueel contact met de buitenwereld, behalve direct bij de gates. De sfeer wordt nog benadrukt door het riante gebruik van donkere tinten bruin en grijs. Het is er ook groot en ruim. Je voelt je er als mens nietig, als enkeling in een dwalende massa op weg naar douane, vliegtuig of uitgang.
Het is tien over zes in de ochtend, 1 februari 1997, en nog vrij rustig op de luchthaven. Toch komen rond deze tijd al veel vliegtuigen aan. De tot de laatste plaats volgeboekte vlucht in de MD11 van Thai Airways leek extra lang te duren vanwege de korte dag en de korte nacht. Al rond vier uur ’s middags Nederlandse tijd ging boven Turkije de zon onder. In Bangkok was het op dat moment tien uur ’s avonds en al lang donker. Nu, acht uur later, komt buiten de zon weer op, maar dat is vanuit het luchthavengebouw niet te zien. Binnen heerst de eeuwige schemer.
De grenscontrole werkt niet bepaald snel in Thailand. Ik kijk of ik mijn in het vliegtuig gekregen immigratiepapperassen compleet heb. Welcome in the Kingdom of Thailand staat er gastvrij op. Maar het kost mij een halve balpen om alle formulieren in te vullen. Toch is de grenspassage slechts een eenvoudige formaliteit. Stempeltje, nietje en klaar. Ik ga eens kijken wat er van mijn bagage is heel gelaten.
Het duurt even voordat ik door heb dat de bagage van mijn vlucht in het andere terminalgebouw is aangekomen. Daar ligt mijn rugzak met alles wat ik nodig heb om de komende weken te overleven. Ik gesp hem op, pak de rest van mijn spullen, wissel wat guldens om in Thais geld en loop naar de uitgang waar de richting naar het station staat aangegeven. Via een loopbrug over de altijd zeer drukke vierbaansnelweg langs de luchthaven bereik ik het airport-hotel vanwaar ik redelijk veilig naar het station kan wandelen.
Eenmaal buiten valt er een deken van hitte en stank over mij heen. De reuk is typerend voor Bangkok en wordt veroorzaakt door het vele verkeer en de overal aanwezige vuilstortplaatsjes. Ondanks het nog vroege tijdstip is alles al volop in beweging.
Aangekomen op het station sluit ik mij achter in de rij aan en weet na enige minuten een enkeltje Chiang Mai te bemachtigen. Het wordt een treinreis van elf uur als alles meezit. Helaas zijn alleen kaartjes voor de derde klasse te verkrijgen. De Rapid, zoals de trein ten onrechte genoemd wordt, heeft ook alleen maar derde klasse. De Express is een stuk luxer, met ook eerste en tweede klasse, maar daarvoor moeten kaartjes meestal vooraf gereserveerd worden en dat kan niet hier.
Er stappen veel mensen uit bij Don Muang. Het kost dan ook weinig moeite om een zitplaats te bemachtigen in de doorgaans overvolle trein. De ramen staan wijd open en gelukkig zijn de tweepersoons banken gestoffeerd en redelijk comfortabel. Helaas draaien de plafondventilatoren alleen als de trein rijdt. Maar dan waait er ook wel voldoende wind door de open ramen. Daardoor leiden de plafondventilatoren een nogal nutteloos bestaan.
Ik probeer te vergeten dat het in Nederland nu half twee in de nacht is en dat ik in het vliegtuig geen oog heb kunnen dichtdoen. Ik was wel heel moe maar had teveel om over na te denken. Ook werd ik door neerslachtigheid gekweld. Misschien vanwege de overdosis Lariam voor vertrek. Toen ik ze haalde bij de dokter hoorde ik dat ineens drie in plaats van een week voor vertrek met de kuur moest worden begonnen. Drie van die pillen achter elkaar kan nooit gezond zijn. Je zou leuk kunnen kletsen tijdens zo’n lange vlucht, maar mijn buurman, die zijn kennis van het Thais zat bij te spijkeren, vond ik daarvoor niet het meest ideale gezelschap.
In de trein ziet alles er een stuk vrolijker uit. Eenmaal in beweging waait er een zachte bries door de wagons die de warmte goed dragelijk maakt. En bij ieder station – de Rapid stopt erg vaak – bestormt de locale bevolking de trein met verse maaltijden, fruit, water en snacks. Uit angst voor voedselvergiftiging beperk ik mij tot op het station gekochte koekjes en water, hoewel de saté-achtige snacks en kippenpootjes er verleidelijk uitzien.
Het landschap blijft vele uren hetzelfde, maar rond de middag zijn aan de horizon vaag de bergen te zien. Deze sluiten zich als een hoefijzer rond het uitgestrekte Thaise laagland. Toch duurt het nog tot zo’n vier uur in de middag voordat de trein de vlakte verlaat en aan het bochtige, stijgende traject begint. De meeste mensen hebben de trein onderweg verlaten en er komen weinig nieuwe passagiers bij. Wel een lawaaiige schoolklas. Ik heb nog een kort babbeltje met een van de onderwijzeressen. De eerste vraag is natuurlijk ‘where do you come from’. Dit is Azië.
De zon gaat fraai onder in de bergen. Of het door vonken van de treinen of sigarettenpeuken komt weet ik niet, maar onderweg staat op verschillende plaatsen de berm in brand. Blussen gebeurt niet. Kennelijk lopen dergelijke brandjes nooit uit de hand.
Al snel is het buiten donker. Het wordt nu ook kouder. Ik heb echter geen zin om alle ramen dicht te schuiven. Dat kan ook niet altijd. Sommige ramen zitten muurvast. Ik trek dus maar wat warms aan. De schoolkinderen weten zich behoorlijk te gedragen. Ondanks dat de vele uren durende treinreis voor hen toch knap vervelend moet zijn. Volgens het onderwijzeresje zijn ze vandaag naar een natuurpark in Midden-Thailand geweest.
Aan de steeds langere wachttijden op de stations is te merken dat we de eindbestemming naderen. Vanwege het enkelspoor moet dikwijls op tegenliggers of snellere Express-treinen worden gewacht. Ongeveer acht uur ’s avonds, met dus bijna twee uur vertraging, rijdt de trein het eindstation van Chiang Mai binnen. Het eerste stuk zit erop.
Buiten volgt de bestorming door taxi- en tuktuk-chauffeurs. ‘Centre, hotel, guest-house!’ schreeuwen ze in koor. Ik heb geen belangstelling. Ik wil zuinig aan doen en ik weet dat het centrum vlakbij is. Als ik geluk heb komt er nog een bus. Die kosten bijna niets in Thailand. De bus komt niet. Dus het wordt lopen. In de buurt van het station zijn ook wel hotels, maar de buurt ziet er niet gezellig uit. Chiang Mai schijnt een leuk centrum te hebben, dus lijkt het mij beter verder te wandelen. Via een fel verlichte en met verkeer verstopte brug kom ik het ommuurde centrum binnen. Het valt allemaal wat tegen. In een boekje had ik al gelezen dat de ‘Roos van Noord-Thailand’ behoorlijk aan het verwelken was, maar nu kon ik het met eigen ogen zien. Met een kaartje uit hetzelfde boekje zoek ik naar het aanbevolen ‘Your House Guesthouse’. Het duurt even om het te vinden, maar uiteindelijk lukt dat toch, via een netwerk van steegjes. Ik begin nu toch wel vermoeidheid te voelen. Gelukkig is er nog een kamer voor weinig geld, zodat ik mijn spullen kan neerzetten om het centrum van Chiang Mai te verkennen.
Nu het avond is en lekker koel, is het toch wel erg leuk om in Thailand te zijn. Het is hier echt de tropen met die typische oriëntaalse sfeer. Ik verheug me al op het heerlijke eten dat hier te koop is. Alles verloopt perfect tot nu toe.
Toch valt Chiang Mai tegen. Een te hoog Mallorca-gehalte. Teveel toeristen van het soort dat je hier eigenlijk liever niet tegenkomt. Dikke, oude, lelijke Europeanen met heel jonge Thaise meisjes en brallerige Engelsen en Duitsers. De ‘evening-market’ is waarschijnlijk ook niet meer wat het ooit geweest is, want veel meer dan waardeloze toeristenprullen hebben de uitbaters niet. Biefstuk met patat, bradwürst met sauerkraut, het is allemaal te koop in Chiang Mai. Maar ik heb meer interesse in Tom Yam, de heerlijke lemon-grass soup met kokos en verse ingrediënten. Na een tijdje zoeken plof ik neer in het minst onaantrekkelijke restaurant van de drukke uitgaansbuurt. De soep wordt geserveerd, met verse schaaldieren. Toch heb ik in Nederland wel eens lekkerder Tom Yam gegeten. Ik denk dat de Thais hier het niet meer de moeite vinden om zich culinair uit te sloven.
Wat mensen zo geweldig vinden aan het ‘paradijselijke’ Chiang Mai begint mij steeds meer te verbazen. Ik ben blij dat ik er morgen al weer weg ga. Ik loop via een ommetje terug naar het guesthouse, dat nu gelukkig veel makkelijker te vinden is en zoek na een uitgebreide, koude douche mijn bed op.

Zondag, 2 februari 1997

Ondanks de jet-lag heb ik goed geslapen en sta ik rond acht uur uitgerust op. Het is nog vroeg, maar toch al behoorlijk warm. In een dun T-shirt geniet ik van een eenvoudig, maar smakelijk Frans ontbijt. De ontbijtzaal is een soort patio met golfplatendak. Verder zijn er alleen Franse toeristen die een groepsreis door Thailand maken. Ook het personeel is voornamelijk Franstalig. Dat komt omdat de eigenaar een met een Thaise getrouwde Fransman is.
Ik wandel naar de hoofdstraat om daar een fietstaxi naar het busstation te zoeken. Tuktuk- en taxichauffeurs bieden natuurlijk ook hun diensten aan, maar ik weet dat fietstaxi’s goedkoper en bijna even snel zijn. Het duurt even voordat ik er een gevonden heb en het duurt nog langer voordat ik het oude mannetje duidelijk heb kunnen maken dat ik naar het busstation wil. Busstations liggen in Thailand altijd op grote afstand van de stadscentra en vaak zijn er aparte busstations voor bussen naar de verschillende windstreken. Ik moet nu naar het Arcade busstation voor de bussen naar het noorden.
De chauffeur begrijpt niets van mijn uit het reisboekje voorgelezen Thaise vertaling van busstation. Eerst brengt hij me naar het spoorwegstation. Lezen kan hij ook niet. Dan bedenk ik mij dat ik gewoon Chiang Rai moet roepen. En ja hoor. Hij begrijpt het. Dat ik niet met zijn fietstaxi naar Chiang Rai wil is duidelijk en zo kom ik op het busstation terecht. Een lange rit overigens.
De bus naar Chiang Rai is snel gevonden. Het is een kleurrijk model met een bijzonder rijkelijk met kitsch versierde bestuurderscabine, zeer donker glas en gordijntjes. De airconditioning houdt het interieur op diepvriestemperatuur. Vlak voor het vertrek blijkt dat ik vooraf een kaartje had moeten kopen in het busstation. Dat is nu te laat. Mijn bagage ligt al in het ruim en ik heb geen zin om het risico te lopen dat ik de bus mis. Uiteindelijk moet ik van de conducteur toch naar het loket lopen, vanwaar hij mij vervolgens weer terugroept, waarna ik het kaartje alsnog van hem persoonlijk krijg. Thaise logica denk ik.
De rit naar Chiang Rai is niet echt leuk. Er is buiten niets te zien vanwege het donkere en vrij smerige glas. Bovendien doen de passagiers al snel de gordijntjes dicht om te kunnen slapen. De rit duurt drie uur en voert over een bochtige weg door de bergen.
Eenmaal in de betonwoestijn van Chiang Rai kan ik gelukkig op hetzelfde busstation overstappen op de bus naar Chiang Khong, de eindhalte in Thailand. Ik ben blij dat dit een gewone bus is zonder airconditioning. Dat is veel goedkoper en naar mijn mening ook heel wat comfortabeler. De verkoeling komt nu van de buitenlucht die via de opengeschoven ramen naar binnenwaait.
Onderweg babbel ik wat met een meisje dat er nogal Chinees uitziet. Ik denk dat zij tot een van de noordelijke minderheden behoort, maar zij ontkent dat. Later zitten nog wat andere mensen naast mij, maar die spreken geen westerse talen. Het geeft niets. De omgeving, waardoor de bus rijdt, is bijzonder boeiend.
Na een tijdje zie ik bergen in de verte. Volgens de kaart moeten die aan de overkant van de Mekong in Laos liggen. Leuk! Ik probeer foto’s te maken door het geopende raam, maar dat is moeilijk vanwege de hoge snelheid en het gehobbel.
Ongeveer om drie uur rijdt de bus een zijstraatje in met aan de overkant een flink aantal taxi’s en tuktuks. We zijn bij de eindhalte in Chiang Khong gearriveerd. Ik pak mijn spullen en zoek langs een warenhuis aan de hoofdstraat de schaduw op om even op mijn gemak het gidsje te kunnen lezen. Intussen zeuren de tuktuk-chauffeurs al aan mijn hoofd om mij een ritje te kunnen aanbieden. Ik besluit naar Ta-mi-la-guesthouse te gaan, omdat ze daar meteen mijn visum voor Laos kunnen verzorgen.
Het is een kort ritje, want Chiang Khong is niet erg groot. Ta-mi-la ligt prachtig aan de Mekong. Terwijl ik via een fraai aangelegde tuin op de helling van de rivierover naar de lobby loop, zie ik de beroemde Mekong voor het eerst. Aan de overkant ligt Huay Xai, Laos.
Het personeel van Ta-mi-la spreekt goed Engels. Helaas is er geen 1-persoonskamer meer beschikbaar. Wel een ‘double-room’, maar die kost 200 bath. Ik besluit die toch maar te nemen, omdat het guesthouse voor gasten redelijk voordelige visaservice biedt. 1600 in plaats van 1700 bath. Dat is ongeveer 35 euro. Erg duur, maar wel binnen een etmaal geregeld. Het kan nergens sneller.
Aanvankelijk wilde ik wat plaatsen in de buurt bezoeken. Het is bijvoorbeeld mogelijk om met de bus naar het drielandenpunt te reizen. Van daaruit kun je Thailand, Laos en Birma zien. De grens oversteken is echter niet mogelijk, want die wordt door rivieren gevormd en oversteken is verboden.
Maar nu ik eenmaal in Chiang Khong ben en aan de overkant van de Mekong mijn bestemming zie liggen, hoeft het allemaal niet meer zo. Ik besluit er een rustig middagje van te maken. Eerst het dorp verkennen en mijn voor de tropen veel te lange haar laten knippen. De kapster, die uit oogpunt van hygiëne een mondkapje en handschoenen draagt, levert goed werk af. Er is ook een postkantoor, maar dat is op zondag gesloten. Wel kan ik geld uit de muur halen. Dat verbaast mij best wel in deze uithoek van het Rijk van Siam. Meer dan 1000 bath geeft het apparaat echter niet, zodat ik morgen toch nog even langs het postkantoor moet. Overal adverteren de guesthouses met visaservice en tochtjes door Laos.
Het avondeten bestel ik bij een Chinees restaurantje. Daar ontmoet ik Frans, een nogal forse Duitser uit de omgeving van Hamburg. Hij gaat net als ik naar Laos, om daar op de bonnefooi rond te reizen. Ik zeg hem dat ik wel wat Duits spreek, maar hij vindt het geen bezwaar om in het Engels met elkaar te praten. Ik vind het best, want Engels gaat mij beter af dan Duits.
Ik wil vroeg naar bed gaan, maar ontdek al snel dat dit niet zoveel zin heeft. Ik heb geen slaap (het is net middag in Nederland) en de bedden zijn keihard. Eigenlijk ongeschikt om op te liggen. Bovendien maakt een groepje op het terras nogal lawaai. Ook anderen schijnen er last van te hebben, want ik hoor de buren mopperen.

Uiteindelijk sta ik maar op en sluit ik mij aan bij het gezelschap. Dat is gezelliger dan wakker liggen. Bovendien biedt het terras van Ta-mi-la een ongekende ambiance. Het is er werkelijk geweldig. Omringd door tropische planten in een prachtige tuin op een patio onder een bamboedak, met uitzicht over de Mekong-rivier. Bediening is er natuurlijk niet meer, maar ik kan zo een fles Singa-bier uit de koelkast pakken. Die reken ik morgen wel af. De rest van het gezelschap bestaat uit een Engels meisje, Margareth, en een Belgisch stel dat niet naar Laos gaat. Dat vind ik weer echt iets voor Belgen om tijdens een rondreis op de motor door Thailand in deze uithoek verzeild te raken. Buitenlanders komen hier normaal alleen om naar Laos te gaan.
Zo rond een uur of een ’s nachts zit ik als enige nog op het terras. Ik besluit toch maar naar mijn kamer te gaan in de hoop nog enige uren te kunnen slapen.

Maandag, 3 februari 1997

Als de zon opkomt ben ik al wakker. Ik heb slecht geslapen op de harde bedden, maar ik voel mij gelukkig niet moe. Ik bestel brood, ei en koffie en ga in afwachting van de maaltijd naar het postkantoor om geld op te nemen en een luchtpostbrief te kopen. Van het personeel van Ta-mi-la hoor ik dat het visum rond elf uur klaar zal zijn.
Het wachten duurt lang. Ik schrijf een brief en breng die naar het postkantoor. Als ik terugkom staat een zilvergrijze pickup klaar. Ik moet snel mijn spullen pakken. Afrekenen komt wel aan de overkant. De pickup rijdt mij en enkele andere avonturiers naar de haven, waar we in kleine long-tail-bootjes moeten overstappen. Het meisje van het guesthouse heeft de paspoorten en zorgt voor de emigratieformaliteiten in het gebouwtje van de Thaise douane. Voor 20 bath brengt het bootje ons naar de overkant. Eindelijk ben ik in Laos.
De grensformaliteiten gaan niet erg snel hier. Er zitten wel heel veel ambtenaren in het betonnen gebouwtje, maar wat die zitten te doen is niet duidelijk. Ze zijn met heel veel formulieren in de weer en de grote stapel paspoorten blijft onaangeroerd liggen. Na een half uur of zo, krijg ik onverwacht mijn paspoort terug. Het is in orde. Op een aangehecht velletje papier staat het provinciestempeltje, dat bij elke provinciegrens gehaald moet worden.
Samen met Margareth en een Japans stel loop ik naar de hoofdstraat om vervoer naar de ongeveer twee kilometer van het centrum gelegen haven te zoeken. Margareth komt er heel toevallig een studiegenote tegen, die in Laos studeert en nu in Huay-Xai verblijft. Dat meisje, dat Lao spreekt, houdt een jumbo voor ons aan, die ons na enig onderhandelen over de prijs naar het haventje brengt.
Van mijn eerdere voornemen om van hieruit per bus naar Luang Nam Tha te reizen, ben ik teruggekomen. Die reis is erg vermoeiend en riskant, terwijl er een bijzonder prettige bootverbinding met Luang Prabang bestaat. Bovendien kan ik met de boot meteen vertrekken, terwijl de bus pas de volgende dag gaat. Dus eerst maar naar Luang Prabang.

Bij het haventje is niet veel activiteit te bespeuren. Beneden aan de hoge oever liggen wat speedbootjes, maar de schippers zijn nergens te bekennen. Ook het provinciegrensgebouwtje is verlaten. Volgens een gebrekkig Engels sprekende Lao komt er vanmiddag wel iemand en is het geen probleem om naar Pakbeng te varen.
Dat Laos geduld vereist, wordt al snel duidelijk. Tot twee uur in de middag blijft het een verlaten boel bij de haven, maar dan verschijnen enkele speedbootschippers. Het onderhandelen over de prijs begint, maar veel krijgen we niet af van de prijs van 500 bath. Uiteindelijk is 400 bath ook goed, maar dan moeten we wel met acht personen in één bootje. En dat is krap. De politieagent voor de stempeltjes is inmiddels ook verschenen en na aandachtige bestudering van de paspoorten krijgen we het verplichte provinciestempeltje. Voorzichtig lopen we naar beneden over een gevaarlijk pad langs de steile oever. Ook het instappen in de boot moet heel voorzichtigheid gebeuren. Voor je het weet lig je in de Mekong.
Na nog een half uurtje wachten wordt de motor gestart en varen we met veel lawaai de rivier op. Vanwege een ongeluk, enige jaren geleden, is het verplicht om zwemvesten en helmen te dragen. Maar zwemvesten zijn nergens te vinden en de helmen hebben geen halsriempjes meer, zodat ze in feite nutteloos zijn. Toch staat de bestuurder er op dat we een helm opzetten. Dat moet van de politie, zegt hij.
Onderweg stoppen we een paar keer. De ene keer om water te hozen. De andere keer om provinciestempeltjes te halen. Toch gaat het heel snel en ruim voor zonsondergang zijn we in Pakbeng, een dorp halverwege Huay-Xai en Luang Prabang.

Pakbeng is een typisch Lao-dorpje. Klein, maar wel belangrijk omdat het op een splitsing van rivieren ligt en aan het einde van de weg naar het noorden. De ongeveer vijfhonderd huizen staan op een kleine oppervlakte omsloten door steile hellingen, de rivieren en het regenwoud. De sfeer is jungle.
Volgens de Lonely Planet is er een goed hotel in Pakbeng, het Soukchareun. Maar dit blijkt in renovatie. Tenminste, zo lijkt het. Het kan ook uitgebrand zijn, want zo ziet het er ongeveer uit. Ik volg de hoofdstraat, die het begin van de weg naar het noorden vormt, en zoek verder. Langs de weg passeer ik eerst een markt. Dit is het centrum van Pakbeng. De huisjes zijn gebouwd tot halverwege de steile berghelling. Zijstraten lopen ook steil omhoog. De hoofdstraat volgen is makkelijker. Er zijn diverse restaurantjes en een paar winkeltjes met huishoudspullen en souvenirs.

Uiteindelijk kom ik bij het Phu Vieng Hotel. Dit ziet er op het eerste gezicht niet onaardig uit, hoewel een oppervlakkige beschouwing duidelijk maakt dat je hier geen westers comfort hoeft te verwachten. Feitelijk is het een groep gebouwen van beton en bamboe. De bamboedeuren zijn niet lichtdicht en bieden dus niet veel privacy. Met een groot Chinees hangslot zijn ze af te sluiten.
De wat morsige beheerder zegt alleen een tweepersoonskamer te hebben. Tenminste, dat maak ik uit zijn woorden op. Hij sloft voor mij uit naar een van de gebouwen en laat mij een kamer zien. Inderdaad, er staan twee bedden. Op een gescheurd blaadje papier schrijft hij het getal 5500. De kamer kost dus 5500 kip, ongeveer vijf euro. Dat is niet goedkoop voor dit comfortniveau.
Een peertje aan het plafond zorgt voor de verlichting in de kamer. Ik voel aan de matrassen en die zijn zoals ik al had verwacht, flinterdun. Ze geven nauwelijks bescherming tegen de keiharde bedden. Ik leg één van de matrassen daarom maar boven op de andere. Daaroverheen span ik het muskietennet, dat via wat draadjes aan wanden en plafond is bevestigd. Buiten dreunt de generator voor de elektriciteitsvoorziening.
Buiten is het net een boerderij. Overal lopen kippen rond. Hier en daar snuffelt een biggetje in het afval. Kippen zijn overigens de enige vogels die ik tot nu toe in Laos heb gezien. Tijdens de boottocht vloog er af en toe wel wat over, maar dat waren iedere keer vleermuizen.
De toiletten zijn niet makkelijk te vinden. Ze blijken ergens achteraf te liggen in een betonnen hok. Als ik dichterbij kom ruik ik waarom het hok zo ver van het slaapgebouw af staat. Met de badaccommodatie is het al niet veel beter gesteld. Die bestaat uit een grote betonnen bak met water. Er staan wat emmertjes naast waarmee je het koude water over je heen kan gooien. Enkele meisjes zijn het kennelijk wel gewend, want zij staan vrolijk hun haar te wassen. Met een grote emmer water spoelen zij de shampoo uit.
Het begint langzaam donker te worden nu de zon achter de bomen verdwijnt. Ik loop nog even het dorpje op en neer om wat foto’s te maken. Ook verder de weg op, bestaat Pakbeng uit verschillende hoogteniveaus. Beneden aan de weg bevindt zich een straatje dat naar een tempeltje leidt. Ik ga voorzichtig op verkenning uit. Tenslotte weet ik nog niet hoe de bevolking zich tegenover mij zal gedragen.
Er is weinig volk op de been in de achterafstraatjes. In de hoofdstraat is het veel drukker. Mensen staan er achter hun stalletjes met koopwaar, maar veel lust om klanten te trekken hebben ze niet. De zon staat nu laag boven de bergen. Ik besluit nog even naar de haven te lopen om naar de boten te kijken. Op de terugweg schuif ik bij wat mensen van de boot aan in een Chinees restaurant. Ik zit tegenover twee Australiërs die op weg zijn naar Huay Xay. Het wachten op het eten duurt eindeloos. Het lijkt wel alsof ze mij vergeten zijn. Ik bestel daarom nog maar een keer. Weer duurt het heel lang, maar dan krijg ik eindelijk een bordje rijst met botjes. Het is nauwelijks te eten. Ik begrijp er niets van. Het eten van de Australiërs zag er uitstekend uit, en ook een Italiaan naast mij kreeg een goede maaltijd geserveerd. Ik had toch niets vreemds besteld. Gelukkig heb ik niet zoveel trek. De rijst spoel ik met bier weg. Als het bijna aardedonker is, start de man van het restaurant buiten een generator. Het duurt even, maar dan floepen een voor een de lampen aan. We kunnen weer wat zien. Ik dacht er even over om nog iets te bestellen, maar bedenk mij als ik aan de lange wachttijden en slome bediening denk. In het dorp is het inmiddels donker geworden. Overal hoor ik generatoren brommen. Mensen kijken naar de televisie, die zij op een accu aansluiten. Hier en daar zijn bedrijfjes waar men accu’s oplaadt. Dat is voor mensen die zelf geen generator hebben. Die kunnen daar een accu huren. In het hotel is nog licht, maar de generator zal na een tijdje wel uitgaan. Ik probeer te slapen, want ik heb sinds mijn vertrek uit Nederland nauwelijks een oog dicht gedaan. Toch ben ik niet moe genoeg. Ik kan mijn draai niet vinden en de herrie werkt ook niet bevorderlijk voor de nachtrust.

Dinsdag, 4 februari 1997

Op een gegeven moment word ik weer wakker. Ik hoor gestommel bij de buren. Die komen zeker nu pas thuis. Er is geen licht meer want de generator is uit. Ik besluit om maar even op te staan om een wandelingetje te maken. Later probeer ik weer verder te slapen, maar inmiddels zijn de hanen wakker geworden. Ik kijk op mijn horloge. Drie uur in de nacht. Ik probeer uit te rekenen hoe laat het nu in Nederland is, maar ik geef het snel op. Ik ga weer liggen. Doodmoe. Maar slapen lukt niet meer. Hoezeer ik ook mijn best doe. Had ik nu maar een goed boek gehad.
Ik wandel nog wat over het erf en ga dan weer liggen. De herrie van de dieren lijkt steeds erger te worden. Toch zal het nog een paar uur duren voordat het tijd is om op te staan. Gelukkig hoef ik hier maar één nacht te blijven.
Om zes uur sta ik maar op. Dan ben ik mooi op tijd. Ik ben in ieder geval de eerste bij de waterbak. Ik maak mijn gezicht voorzichtig nat en spoel wat water over mijn armen. Het water is werkelijk ijskoud. Langzaam wordt het licht en al snel komt ook de zon op. Ik bestel een eenvoudig ontbijt van oud stokbrood, omelet en een glaasje Ovaltine. Het eten valt gezien de omstandigheden nog wel mee.
Dan mijn rugzak pakken. Ik zet de luikjes van de kamer open om wat licht te hebben, want de generator draait alleen ’s avonds. Ondanks de slechte nachtrust, voel ik mij niet moe. Gelukkig hoef ik mij vandaag niet in te spannen. Het wordt de hele dag op de boot luieren.

Ik wandel langs de ochtendmarkt naar de haven en zie beneden in de rivier de verschillende boten liggen. Een hiervan zal om acht uur naar Luang Prabang vertrekken. Maar eerst moet ik nog een stempeltje halen bij het immigratiekantoor. Anders krijg ik in Luang Prabang problemen. Ze schijnen de stempeltjes nog erg serieus te nemen in dit deel van Laos. Pas tegen achten is de beambte van het kantoortje er. Gelukkig moeten alle andere passagiers ook wachten. De boot zal dus voorlopig nog niet vertrekken. Het stempelen duurt een hele tijd en langzaam maar zeker begin ik te ervaren dat mijn geduld toeneemt. Dat is wel nodig in Laos.
Dezelfde mensen van gisteren zitten nu ook weer op de boot. Ik neem plaats op het nog van de dauw natte zinken dak. Al snel nemen ook andere jongeren zo’n plaats in beslag. Beneden in de eigenlijke passagiersruimte is dan al lang geen plaats meer. Er gaan veel meer mensen mee dan verantwoord is. Eigenlijk is één boot ook veel te weinig voor zo’n druk en belangrijk traject. Welgestelde waaghalzen kunnen altijd nog een speedboat nemen. Dan ben je in drie uur in Luang Prabang.
Ongeveer negen uur vertrekt de boot. Eerst varen we de verkeerde kant op, maar na vijf minuten maken we een scherpe draai van hondertachtig graden waarna we koers zetten naar Luang Prabang. Het is ijskoud op het dak. De zon is nog niet te zien, vanwege de lage bewolking die als een deken over de bergtoppen ligt. Bovendien waait het hard, vanwege de beweging van de boot. De snelheid valt niet tegen. De boot heeft een flinke motor en bovendien varen we stroomafwaarts.
Tegen een uur of tien trekt de mist op en breekt de zon door. Die schijnt dan ook wel meteen genadeloos. Ik verbrand snel, ondanks dat ik mij met factor 15 heb ingesmeerd. Maar het is zo lekker op het dak, dat ik geen zin heb om in de benauwde en overvolle passagiersruimte naar een plaatsje te zoeken.
Af en toe varen we door een kleine stroomversnelling. Links en rechts zijn de steile, dichtbegroeide oevers te zien. Dorpjes liggen er nauwelijks langs dit deel van de Mekong. Als er een dorpje nadert, stoppen we meestal, maar we stoppen ook zonder duidelijke reden langs een eilandje van grind. Voor velen is dat een welkome plaspauze, want toiletten zijn er niet aan boord.
Bij een van de stops slaat de boot bijna om. Ik kan mij nergens vasthouden en glijd van het gladde zinken dak het water in. Ik probeer nog mijn videocamera te redden, maar ik kan niet voorkomen dat er water in komt. Dat is balen. Hij doet het gelijk niet meer. Ik zet hem maar naast mijn rugzak te drogen. Hopelijk werkt hij weer als het water verdampt is.
Ondanks het voorval ben ik niet humeurig geworden. Daarvoor is de boottocht veel te mooi. Wel duurt het erg lang. Het is te hopen dat we voor donker in Luang Prabang zijn, want anders moeten we onderweg een slaapplaats zien te vinden. Het is namelijk verboden om ’s nachts te varen. De politie zal dan zonder pardon het vuur openen, hoor ik van de schipper.

Rond vier uur passeren we de grotten van Pak Ou. Deze liggen op een afstand van 25 kilometer van Luang Prabang en zijn één van Laos’ culturele en religieuze hoogtepunten. Helaas vaart de boot doodgemoederd voort. Even stoppen bij zo’n attractie, zoals in China gebeurt, is er hier niet bij.
Nog een uur later sommeert de schipper ons van het dak af te komen. Police, fine, police, fine. Roept hij om ons duidelijk te maken dat het verboden is om op het dak te zitten en dat in Luang Prabang de politie op de loer ligt. Op een bordje staat ‘no climbing’. Het valt echter niet mee om op het benedendek plaats te nemen. Het lukt eigenlijk maar net, maar ik voel mij als een haring in een ton. Dan passeren we twee torentjes die de haven markeren. Boven aan de steile, hoge oevers zie ik huisjes. We zijn in Luang Prabang aangekomen. En net op tijd. Want de zon is al achter de bergen verdwenen.
Ik loop de lange trap op naar boven. Margareth loopt mee. Zij had van een van de Australiërs een guest house aanbevolen gekregen. We besluiten het samen op te zoeken. Het staat in ieder geval niet in de Lonely Planet vermeld. Na verschillende straatjes vinden we eindelijk het aangeduide guest house, maar er blijken geen kamers meer te zijn. Margareth zegt nog wel iets anders te weten, maar het lijkt mij beter om mijn aanvankelijke plan op te pakken en naar een van de guest houses uit de Lonely Planet te gaan. In de regel is dat een garantie dat het goed zit.

Meteen valt mij de bijzonder plezierige atmosfeer van Luang Prabang op. Vooral nu het in de vroege avond niet meer zo heet is en de fraaie avondlucht door de hoge, oude bomen schemert. Langs de hoofdstraten staan vele tempels en ook huizen uit de Franse tijd. De straten zijn breed en het enige verkeer bestaat uit brommers die met een vaartje van hooguit twintig kilometer per uur voortsukkelen.
Een tuk-tuk brengt mij naar het aanbevolen Boun Gning Guest House, maar helaas zit alles daar vol. Pal er naast is echter het Vannida Guest House en daar was nog wel een kamer over. Voor een eenpersoonskamer betaal ik hier 8000 kip per nacht, wat ongeveer 8 dollar is. Wel is het een erg mooi gebouw. Het is in de koloniale tijd gebouwd door de Fransen. De Lao hebben het verbouwd tot guest house door met bamboevlechtschermen tussenwanden te maken. Het bed is redelijk comfortabel en ook hier is aan een muskietennet gedacht. Het toilet en de douche bevinden zich op de gang. Ik ga natuurlijk eerst douchen en omkleden, want ik wil er niet als een barbaar uitzien in deze prachtige stad. De douche blijft lauw, omdat de elektrische warmwatervoorziening verkeerd is aangesloten. Als je hem inschakelt gaat het licht op halve kracht branden. De elektrische installatie ziet er bijzonder onveilig uit.
Dan loop ik naar een van de hoofdstraten op zoek naar een restaurantje. De Lonely Planet neem ik mee om alvast een plan voor morgen te kunnen trekken. In ieder geval zal ik achter vliegtickets aanmoeten.
De straten in de stad zijn donker. Er is nauwelijks straatverlichting. Als er licht is, komt dat uit een van de vele winkeltjes die er geen sluitingsuren op na schijnen te houden. In een ervan, eigenlijk een videotheek, koop ik negen ansichtkaarten. De postzegels moet ik er met plaksel opplakken en dat is nogal een klus, want het zijn grote zegels en op elke kaart moeten er twee. Ik schuif de beplakte kaarten in mijn Lonely Planet en ga verder op weg.
Het is wel uitkijken in de duistere straten, want de trottoirs zitten vol gaten. Hier en daar kijk je zo de riolering in, aangezien putdeksel niet lijken te bestaan in dit land.
Na een tijdje vind ik een restaurantje met Engelstalige menukaart. Dat lijkt mij wel wat. Ze hebben zelfs cola. Een vriendelijke serveerster neemt de bestelling op.
Het eten was prima en niet duur. Ik besluit nog wat naar vertier te zoeken. Het is hier tenslotte een stad. Aan de overkant ligt het Rama-hotel. Daar bevindt zich de enige nachtclub van Luang Prabang. En die schijnt volgens mijn boek best de moeite waard te zijn.
De nachtclub is alleen toegankelijk via het hotel, maar ik waag het er toch maar op. Voorzichtig open ik de zware, houten deuren, maar binnen blijkt het uitgestorven. Een orkestje speelt muziek en aan het plafond draait moderne discoverlichting, maar mensen zijn er niet. En toch is het al tien uur. Half twaalf moet de nachtclub sluiten van de overheid. Ik betwijfel dus of het vanavond nog gezellig zal worden.
Ik strompel terug naar het guest house. Strompelen, want mijn rechtervoet begint erg pijn te doen. Ik had in Pakbeng al last van blaren, maar nu met het lopen wordt het snel erger. Vanuit het guest house hoor ik in de verte een hoop lawaai. Ik ben nog lang niet moe, dus nieuwsgierig ga ik weer op pad. Via de hoofdstraat kom ik op een open terrein even buiten het centrum terecht. Daar lijkt een soort kermis aan de gang te zijn. Het is er behoorlijk donker, maar het ziet zwart van de mensen. Langs de paden staan stalletjes waar eten en huishoudelijke spulletjes worden verkocht. Elders zijn podia met live-acts. Luide, oorverdovende en sterk vervormde muziek en licht van gekleurde tl-buizen. Ik begeef mij in de mensenmassa en probeer er achter te komen wat de mensen hier zo amuseert. Al snel begin ik er plezier in te krijgen. Het is allemaal heel flauw. Promotiestands voor wasmiddelen en batterijen, marktkraampjes met kleding en een paar informatiestands van milieu- en overheidsorganisaties. Maar de mensen hebben pret voor tien. Het is niet te geloven hoeveel publiek een wedstrijd ballonnen blazen kan trekken. De standwerkster, een wat oudere vrouw met een heel typisch gezicht, probeert mij naar voren te roepen, want zo’n buitenlander is natuurlijk helemaal dolle pret. Maar ik besluit om zuinig te zijn op mijn waardigheid en blijf voorzichtig op de achtergrond staan.
Ik krijg dorst en neem plaats aan een tafeltje bij een van de live-optredens. De mensen beginnen te dansen. Steeds staan een tot drie meisjes op, nadat een man met microfoon hen daartoe uitgenodigd heeft. Ze blijven verlegen staan, terwijl de man doorratelt. Zijn microfoon is op een overdreven sterke echoversterker aangesloten, zodat het lijkt alsof de presentator in een kathedraal staat te schreeuwen. Na iedere zin lacht hij even om zijn eigen grapjes. Na ongeveer een minuut komen de jongens naar voren, groeten de meisjes en beginnen te dansen. Direct begint ook de muziek te spelen met afwisselend zangers en zangeressen. Steeds meer mensen gaan dansen, totdat de dansvloer uiteindelijk geheel vol is. De muziek klinkt zeer vals. Het is een kakofonie van lawaai van zwaar overbelaste luidsprekers. Het is een bizar gezicht in het licht van de vele gekleurde tl-buisjes en kerstboomlampjes.
Als een liedje is afgelopen gaat iedereen zitten en begint de presentator weer te ratelen. Dit ritueel blijft zich de hele avond herhalen. Ik begin steeds meer te merken hoe ontzettend lief de Lao zijn. De mensen zijn bijzonder vriendelijk en bezondigen zich gelukkig niet aan hinderlijk gedrag jegens buitenlanders zoals in China en Birma voortdurend gebeurt.
Ik krijg er steeds meer plezier in en loop rondjes over het terrein. Mensen staan lang in de rij bij een houten toren vol Marlboro-reclame. Het schijnt iets met autoracen te maken te hebben en maakt heel veel lawaai. Maar vanwege de drukte besluit ik er niet te gaan kijken. Er naast staat een klein kermisrad, zonder verlichting. Het is een spookachtig gezicht om dat ding in de rondte te zien draaien.
Ik loop langs de informatiestands naar het andere deel van het terrein. Daar staan nog meer kermisattracties. Ik verbaas mij over twee draaimolens. Deze worden door een paar kerels aan de gang gebracht, waarna drie kleine ventilatoren hem in beweging lijken te houden. Verbazingwekkend is dat. Na een tijdje remmen dezelfde kerels het apparaat weer af, waarna de volgende ploeg kinderen mag plaatsnemen op de hobbelpaardjes en miniatuurvoertuigen. Het wordt wel erg laat. Om twaalf uur is het circus nog volop aan de gang. Ik vind het jammer dat ik dit niet kan filmen. Fotograferen kan ook niet, want daarvoor is het veel te donker. Ik strompel weer terug naar het guest house, neem een douche en begin met het schrijven van de kaarten. Het is over enen als ik het licht uit doe. Hier in Luang Prabang is de hele nacht elektriciteit.

Woensdag, 5 februari 1997

Vandaag moet ik eerst naar het immigratiekantoor bij de haven om een stempeltje te halen. Onderweg kom ik Margareth weer tegen. Zij heeft afgesproken met mensen, maar die zijn niet komen opdagen. Margareth vraagt of ik mee wil om te ontbijten. Ze weet een leuk adresje. Maar ik heb inmiddels niet zulke geweldige ervaringen met haar vaardigheid in het vinden van adresjes, dus ga ik toch maar mijn eigen weg. Bovendien rammel ik van de honger. In de hoofdstraat, de Thanon Wisunalat, kom ik nog andere passagiers van de boot van gisteren tegen. Ze vragen of ik zin heb in een gezamenlijke maaltijd vanavond in een restaurantje bij de rivier. Ik zeg dat ik niets beloof, maar dat ik mijn best zal doen om er op tijd te zijn.
Het ontbijt lijkt iedere dag hetzelfde te zijn. Stokbrood, gebakken ei en koffie. Ditmaal is het stokbrood redelijk vers.
Ik moet nog even langs het guest house om mijn reisplan op te halen. Daarmee wil ik naar Lao Aviation om vliegtickets te bestellen. Het valt echter niet mee om het kantoor van de luchtvaartmaatschappij te vinden. De plaats staat niet duidelijk aangegeven in de Lonely Planet. Uiteindelijk vind ik het. Het is een koloniaal gebouw.
Binnen is airconditioning. Twee beambten in tropen-outfit zijn druk in de weer met het invullen van stapels formulieren. Aan de wand hangen toeristische posters.
Een wat oudere man geeft mij een foldertje met de dienstregeling. Er blijken niet veel overeenkomsten te zijn met de dienstregeling uit mijn reisgidsje. Dat is wel jammer, want ik moet mijn reisplannen nu volledig aanpassen.
Het is niet eenvoudig om binnen vijftien dagen op een efficiënte manier door heel Laos te reizen. Maar na een half uurtje puzzelen weet ik toch een route in elkaar te zetten. Het is helaas niet de goedkoopst mogelijke route. Ik moet een omweg maken omdat Lao Aviation op sommige trajecten maar tweemaal per week vliegt.
Ik bestel de tickets, maar de beambte zegt dat ik alleen in dollars kan betalen. Het komt neer op een bedrag van 283 dollar en dat heb ik niet contant op zak. Travellercheques accepteert hij niet. Ik moet dus eerst op zoek naar een wisselkantoor. Gelukkig is dat vlak om de hoek, tegenover de overdekte Dala-markt.
Het personeel van de Lane Xang-bank is niet erg genegen om contante dollars uit te betalen. Ik leg uit dat het voor Lao Aviation is en dat ik beslist dollars moet hebben. Pas tegen een absurd hoge commissie van 5,5 procent is de baliemedewerkster bereid de Amerikaanse groene briefjes uit te tellen. Dat maakt mijn vliegtickets nog elf dollar duurder. Ik had achteraf beter wat meer contanten mee kunnen nemen in plaats van travellercheques. Als ik met mijn geld terugkom in het kantoor van Lao Aviation is de baliemedewerker verdwenen. Op de desk ligt een aan mij gericht briefje waarin hij aankondigt om twee uur weer terug te zijn. Goede service! Met de pest in ga ik maar weer op pad. Ik kan moeilijk al die uren gaan zitten wachten.
Het is inmiddels elf uur en in de zon is het al bijna niet meer uit te houden. Ik vlucht de koelte van de overdekte Dala-markt in. Ik loop langs de paden met koopwaar, maar veel nuttigs kan ik er niet vinden. Veel kleding en huishoudelijke artikelen. Net als in Birma worden ook hier de medicijnen als snoepjes verkocht. De kleurige pilletjes en capsules zitten in plastic zakjes van minstens een ons.
Van de markt wandel ik verder naar de nabij gelegen Wat Winsunalat, de tempel waarnaar de hoofdstraat is genoemd. Dit is een van de oudste tempels van de stad met ernaast de That Makmo, een grote, grijze stupa.

De Wat Winsunalat is prachtig van binnen. In de hal staat een grote verzameling Boeddhabeelden. Het grootste beeld wordt geflankeerd door vele kleinere Boeddha’s, olifanten en andere dieren. Naast de beeldenpartij staat een ruime collectie stenen Boeddhabeelden opgesteld. Sommige zijn werkelijk prachtig. Toch lijkt het alsof de beelden hier bij gebrek aan een vaste plaats slechts tijdelijk zijn opgeslagen. Het is meer een opslagloods dan een tempel.

Vanuit de Wat Wisunalat wandel ik naar de Wat Aham, een wat kleinere tempel met binnenin prachtige schilderingen van de geschiedenis van Boeddha. Vanaf de grond begint het met schilderijen die het straffen van de zondaars voorstellen. De plaatjes zijn verschrikkelijk wreed. Op sommige afbeeldingen branden mensen als porties saté in een vlammenzee.

Andere plaatjes geven weer hoe bij een vrouw de tong wordt uitgerukt, hoe mensen door midden worden gezaagd of in een grote pot tot het kookpunt worden gebracht. De bovenste schilderijen geven daarentegen weer wat er in het hiernamaals met brave gelovigen gebeurt. Dat ziet er een stuk vriendelijker uit. De wanden en plafonds zijn schitterend bewerkt met houtsnijwerk en lak. Ook de deuren en luiken zijn ware kunstwerken van nijverheid. Er moet heel wat tijd gaan zitten in de bouw van zo’n tempel. Buiten de Wat Ahan staan hele bijzondere bomen in het park, banyan’s genaamd. De kroon bestaat uit zeer dikke takken die over een grote afstand horizontaal uitdijen.

Inmiddels begint mijn maag te knorren en ga ik op zoek naar een restaurant. De Lonely Planet beveelt de Kehm Karn Food Garden aan. Die is vlakbij, maar vraagt wel een steile klim de heuvel op. De zon brandt genadeloos aan de nu vrijwel onbewolkte hemel. Hier en daar spelen kinderen op straat en nergens kun je lopen zonder bromfietsen te horen.
Het restaurant Kehm Karn Food Garden ligt prachtig aan de top van een helling met wijds uitzicht over de Nam Khan-rivier. Langs de helling aan de overkant zijn akkerterrassen aangelegd. Beneden in het water spelen kinderen en nemen jonge monniken een bad. Het water in de rivier staat erg laag. Dat komt door het droge seizoen, dat al in november begonnen is. Ik bestel een soort soep. Een groepje Franstaligen probeert mijn aandacht te trekken. Ik knik vriendelijk terug, maar voel er niet voor om aan te schuiven. Ik heb net een prima plekje gevonden met het mooiste uitzicht en toch nog wat schaduw van het uit bamboe gevlochten dak. Om mij heen staan prachtige tropische planten ter versiering van het etablissement.
De soep is lekker, maar zo gekruid dat de tranen in mijn ogen springen. Ik moet heel voorzichtig eten om te voorkomen dat mijn maag zich omdraait. Eigenlijk is de soep best lekker. Jammer dat er zo krankzinnig veel sambal in zit.
Het lukt mij om mijn bord leeg te eten, waarna ik weer terugwandel naar het kantoor van Lao Aviation. Ik krijg al spijt dat ik geen fiets heb gehuurd, want mijn rechtervoet loopt op zijn eind, zo voelt het. Mijn vijf vliegtickets liggen klaar.

Ik vervolg mijn wandeling waar ik voor de lunch gestopt was en zie de Wats Thammo, Si Muang Khun en Khili. Deze tempels staan op een soort schiereiland tussen de twee rivieren in. Dit deel is het mooiste dat Luang Prabang te bieden heeft. Want behalve de tempels zijn er ook de mooiste voorbeelden van koloniale architectuur te vinden, de fraaiste tuinen en het minste verkeer. Het is tenslotte een ‘doodlopend’ gebied.

De mooiste en bezienswaardigste tempel van de stad is de Wat Xieng Thong (tempel van de Gouden Stad). Het is inmiddels vijf uur en de zon staat al laag boven de horizon. In de tempel lopen veel monniken rond. Toeristen zie je niet meer om deze tijd.
Het tempelcomplex omvat een groot aantal gebouwen. De oudste dateren van 1560 en zijn tot 1975 Koninklijk domein geweest. Die status ging verloren toen in dat jaar de communisten aan de macht kwamen. Nu vervullen de tempels en het nabij gelegen Koninklijk paleis een museale rol.
Ieder gebouw is een juweel om te zien. Met de grootste aandacht zijn de meest schitterende details aangebracht. Indrukwekkende reliëfs, houtsnijwerk, lak en mozaïek. Binnen is een prachtige verzameling Boeddha’s te zien. Buiten zie ik een in mozaïek uitgevoerde levensboom. Andere gebouwen bevatten een zwarte, liggende Boeddha, een symbolisch drakenschip en vele min of meer beschadigde, maar nog altijd zorgvuldig gekoesterde Boeddhabeelden. Tussen de tempels staan enorme vruchtenbomen in volle bloei. Met de lichtinval van de laagstaande, oranjegekleurde zon is het een feest om naar te kijken.
Ik had wat mensen van de bootreis toegezegd te zullen deelnemen aan een gezamenlijke maaltijd in een van de restaurantjes langs de Mekong. Maar zoals ik al verwacht had is er niemand. Eigenlijk ben ik daar wel blij om. Ik loop verder de ondergaande zon tegemoet en daal af langs de steile helling van de Mekong-oever. Beneden leggen de vissers hun boten aan en sjouwers brengen de balen met lading naar boven via een van de trappen op de helling. Hier en daar branden wat kampvuurtjes. Het is een idyllisch gezicht. Een eindje verderop staan wat vrouwen zich te wassen in de rivier. De Mekong is er schoon genoeg voor. Ze zepen hun haar in met shampoo en gieten het water met emmertjes over hun hoofd. Ik maak er wat foto’s van vanaf een van de kano’s die aangemeerd liggen. De vrouwen vinden het wel grappig, die aandacht van een buitenlander. Ik denk dat zo’n toneeltje fotograferen in Nederland minder geapprecieerd zou worden. Maar in Nederland wassen we ons niet in de rivier. Je zou er ziek van worden.

In de Thanon Wisunalat vind ik een restaurantje waar hoofdzakelijk reizigers zoals ik zitten. De bediening is helaas niet bepaald vriendelijk, maar het eten is goed. Alle nationaliteiten komen hier bijeen en de voertaal is Engels. Ik ontmoet Frans weer, de Duitser uit Hamburg. Hij is net als ik erg enthousiast over Laos, maar waarschuwt dat die vriendelijkheid best schijn kan zijn. Overal haten ze buitenlanders, zegt hij. En in Thailand en Vietnam laten ze dat merken ook. Maar in Laos verbergt men de haat achter een masker van vriendelijkheid. Ik ben het niet met hem eens, maar ik heb ook geen zin om over het onderwerp in discussie te gaan. Ik kan mij vanuit de geschiedenis voorstellen dat de Lao een hekel hebben aan blanken. Eerst de Franse overheersing, toen de verwoesting door de Amerikanen. Maar toch kan ik mij niet voorstellen dat de vriendelijkheid en spontaniteit van deze bevolking niet oprecht is. Dan zou mijn mensenkennis toch behoorlijk tekort schieten.
Na de maaltijd wandel ik weer naar het feestterrein. Het is net buiten de stad, maar gelukkig niet ver van het guest house. Mijn rechter voet doet zo zeer dat ik er niet meer op kan steunen. Strompelend loop ik met de massa mee op weg naar het lawaai in de verte. Lawaai uit de duisternis.
Een klein jongetje spreekt mij aan. ‘Where you go?’, vraagt hij. Ik wijs lachend in de richting van het feestterrein. Het jongetje gaat door met vragen stellen. Hij kent meer Engels dan het zinnetje dat iedereen wel weet op te dreunen. Ik verbaas me erover. Ik vraag hoe oud hij is. Tien jaar, zegt hij. Dan holt hij zijn vriendjes achterna.
Op het feestterrein heerst dezelfde sfeer als gisteravond. In Nederland zou zo’n festijn niemand trekken, maar hier zuigt het de hele stad leeg. Jong en oud loopt zich te vergapen of staat in de rij voor een van de attracties.
Ik drink op mijn gemak een Beer Lao en kijk naar het ritueel van ten dans vragen op zijn Laotiaans. Het echoënde commentaar van de presentator duurt langer dan de muziek. Afwisselend zingen mannen en vrouwen. Het is een heel aparte stroming in de popmuziek. Ik begin de liedjes een beetje te herkennen. Het is een ritme dat in Nederland ook wel succes zou scoren. Niet typisch Aziatisch, hoewel?
Om twaalf uur houd ik het voor gezien en strompel ik terug naar het guest house. Weer dichte drommen mensen in de duisternis. Ik neem mij heilig voor morgen een fiets te huren. Het maakt niet uit wat het kost. Lopen kan ik echt niet meer. Zelfs niet op mijn makkelijke schoenen die ik normaal in de stad draag. Nog wat kaarten schrijven en dan naar bed.

Donderdag, 6 februari 1997

De fietsenverhuurder weet dat zijn product schaars is. Normale mensen hebben liever een brommer of een auto. Zeker als het buitenlanders betreft. Als ik dan toch per se een fiets wil, moet ik er voor betalen ook. Afdingen lukt niet. 4500 kip per dag, veel te duur eigenlijk. Maar lopen kan ik ook niet meer.
De fiets heeft in zijn bestaan niet te veel onderhoud gehad. Een van de trappers zit niet recht tegenover de andere, wat het fietsen er niet makkelijker op maakt. Natuurlijk is het voertuig ook veel te klein voor mijn lengte. Ik zit nog net niet met mijn knieën tegen het stuur. Het zadel kan echter niet hoger, omdat de zadelpen geheel verroest is.
Zo goed en zo kwaad als dat kan fiets ik naar het postkantoor om de ansichtkaarten op de bus te doen. Het is al weer negen uur en een stralend blauwe dag. Ik ontbijt in een van de restaurants met Engelse menukaart en merk dat de bediening lang niet zo hartelijk is als in de traditionele restaurants. Het begint langzaam maar zeker een beetje toeristisch te worden in Luang Prabang.

Op de fiets rijd ik naar het stadsdeel aan de andere kant van de Nam Khan-rivier. Over de rivier ligt een grijze vakwerkbrug die sterk aan een jungle-oorlogsfilm doet denken. De inwoners zijn er erg trots op, want het is een echte verkeersbrug. Maar naar westerse maatstaven is het eigenlijk net iets beter dan niets, want de brug swiept enorm en heeft maar ruimte voor verkeer in één richting. Aan beide kanten bevindt zich daarom een politiepost met wel een stuk of tien agenten die om beurten het verkeer doorlaten. Voor auto’s en brommers is de brug goed te gebruiken, maar driewielers moeten er bonkend overheen, omdat de rijbaan uit evenwijdige planken bestaat met daartussen een ruimte met dwarslatjes. Driewielers maken niettemin gebruik van de brug, maar houden met hun noodgedwongen lage snelheid behoorlijk het verkeer op.

Aan de overkant verlaat ik de nieuwe asfaltweg naar het vliegveld om een onverharde zijstraat in te slaan op weg naar de Wat Tao Hai-tempel. Deze ligt er nogal verlaten bij. Er spelen wat jonge monnikjes omheen en een heel oude monnik zit onder een zwarte paraplu van de schaduw te genieten.
Ik fiets verder en volg eerst de stroom van de Nam Khan en daarna van de Mekong. De weg gaat steeds verder omhoog en wordt steeds moeilijker begaanbaar. Langs de route liggen diverse kleine dorpjes met leuke, maar niet erg interessante tempeltjes. Ik voel mij een echte bezienswaardigheid hier en dat ben ik ook als ik op de belangstelling van de mensen afga.

Na een fraaie tempel met vier verdiepingen en indrukwekkende schilderijen van de Boeddhistische geschiedenis bekeken te hebben, fiets ik terug naar de stad.
Het lijkt erop alsof er een nieuw Luang Prabang moet komen. Ten oosten van de oude stad bouwt men driftig aan nieuwe, geasfalteerde wegen. Nou ja driftig. De graafmachines staan er verlaten bij op dit uur van de dag. De nieuwe wegen liggen nu nog in de wildernis, maar daar waar ze het oude Luang Prabang verlaten is de boel al kaal en staan grote hijskranen klaar om de stad mee te nemen in de vaart der volkeren. Er is ook een nieuwe brug over de Nam Khan-rivier. Een brede, betonnen brug met twee rijstroken. Het is allemaal nog zo nieuw, dat er niets van op de kaarten staat.
Het is inmiddels etenstijd en ik geniet van een heerlijk kopje kokossoep. Wel is het jammer dat er steeds meer wolken aan de hemel verschijnen. Vanmiddag wilde ik tempels fotograferen en had ik op stralend helder weer gerekend. Ik besluit toch maar niet van mijn plan af te wijken. Ik pak het fietsje weer en zwoeg naar het zuiden van de stad om aan een route langs de Mekong te beginnen. De Wat Pha Baat Tai is de eerste en meest zuidelijke tempel. Veel stelt het niet voor. Het is een aan de ‘zuidelijke voet’ van Boeddha gewijd gebouwtje in een verdord parkje.
De tempels Wat That en Wat Ho Siang zijn aardig, maar ook nog niet heel bijzonder. Wel is het er opvallend rustig, ondanks dat beide complexen midden in het centrum liggen. Door de vele hoge bomen rondom is het er aangenaam koel.

Indrukwekkend is de Wat Mai Suwannaphumaham, een tempel met een dak op vijf niveaus. Het minstens honderdvijftig jaar oude gebouw is een typisch voorbeeld van de bouwstijl van Luang Prabang. In de schaduw op de veranda hangen wat jonge monniken verveeld rond. Verderop, even voorbij het paleis, zie ik nog de Wat Chum Khong, Wat Xieng Muan en Wat Paa Phai. Ieder van de tempels is een kunstwerk op zichzelf, met prachtige reliëfs en schilderingen. In sommige tempels zitten mensen net te bidden of brengen zij een offer aan het grote Boeddhabeeld.
Het is inmiddels vijf uur geweest en ik haast mij naar de uitzichtheuvel voor het bewonderen van de zonsondergang boven de Mekong-valei. Het is een enorme klim naar boven, over een goed onderhouden trap door een park met prachtige oude bomen. Boven op de heuvel staat de Stupa die vanuit de hele stad te zien is.
Het uitzicht over Luang Prabang is betoverend. Als in een Bijbels tafereel stralen de lage huizen en brede straten een sfeervolle avondrust uit. De brommers zijn op deze hoogte niet meer te horen. Hier en daar stijgen witte rookpluimen op die laag over de stad verwaaien. De lome warmte is bijna zichtbaar.
Aan de andere kant van de heuvel is de zon te zien, die laag boven de bergen staat en haar licht in de brede Mekong weerspiegelt. Een fantastisch gezicht. Natuurlijk ben ik niet de enige die dit plekje weet te waarderen. In iedere reisgids wordt de klim naar de top van de heuvel aanbevolen. Toch is het niet te druk. Voor oudere en luie mensen is de heuveltop waarschijnlijk te hoog en er is gelukkig nog geen kabelbaan naar boven.
De meesten blijven wachten tot het donker is, want ook na de zonsondergang blijft het uitzicht schitterend. Als ik in de bijna duisternis naar beneden loop, kom ik het vrouwtje van de kaartverkoop tegen. Zij is met een grote zaklantaarn onderweg naar boven om de laatste bezoekers naar beneden te brengen. Over vijf minuten zie je hier geen hand meer voor ogen.
Eenmaal beneden pak ik weer de fiets en rijd ik terug naar het guest house om nog even te rusten. Na een schaal heerlijke soep ga ik weer op weg naar het feestterrein. Ook vanavond is er weer feest. Hetzelfde als gisteren en eergisteren, maar nog net zo leuk. Iedere avond stromen heel Luang Prabang en omstreken leeg om het festival te bezoeken. Weer verbaas ik mij erover hoe makkelijk Laotianen te vermaken zijn. Ik schuif aan bij een groepje studenten en drink een flesje bier. Ze spreken geen woord Engels, maar door de herrie zou zelfs dat niet te verstaan zijn geweest. Ze vinden het wel grappig, een buitenlander op hun feestje. De muziek is niet onaardig, maar klinkt vreselijk vanwege de overbelasting van apparatuur en luidsprekers. Het lijkt bijna een bizarre droom, al die honderden mensen in de vrijwel volslagen duisternis.

Vrijdag, 7 februari 1997

De videocamera doet het weer. Nog niet feilloos en met een vrij slecht beeld, maar de meeste functies werken weer. Om het beeld beter te krijgen ga ik op zoek naar alcohol en wattenstaafjes. Maar die spullen zijn niet zo makkelijk te vinden in Laos. Toch heeft een man op de markt wel een reinigingssetje voor cassetterecorders met een flesje alcohol erbij. Dat moet te gebruiken zijn. Nu nog wattenstaafjes. Ik probeer het bij een kraampje met drogisterijspullen. Ik imiteer met mijn handen de vormen van een wattenstaafje en peuter in mijn oor. De marktdame begrijpt gelukkig direct wat ik bedoel en tovert een pakje, charmant roze gekleurde wattenstaafjes tevoorschijn.
Ik ga weer terug om het videoapparaat schoon te maken en dan op pad. Na het ontbijt fiets ik globaal hetzelfde rondje als gisteren om alle high lights ook nog even op video vast te leggen. Ik film onder andere een schooltje. Dat is altijd erg leuk in Zuidoost-Azië. Maar als ik weer wegfiets begeeft de rem het. Nu ja, gezien de staat van onderhoud van de fiets was iets dergelijks wel te verwachten. Heuvelafwaarts moet ik gevaarlijke capriolen uithalen om de fiets tijdig tot stilstand te brengen.

In de namiddag fiets ik naar het zuiden van de stad en blijf de weg volgen tot deze vrijwel onbegaanbaar wordt. Ik kan mij nu wel voorstellen hoe vreselijk de busreis naar Vientiane moet zijn. Langs de weg liggen wat eenvoudige dorpjes met bamboe-boerderijtjes. De bewoners lijken niet thuis, want het is uitgestorven. Alleen zwerven er wat klein vee en kippen rond.
Ik neem dezelfde weg weer terug. Auto’s die passeren veroorzaken grote stofwolken die het ademen bemoeilijken. Ik doe nu alles op de fiets, want de paar stappen die ik in een van de dorpjes zette deden mij al bijna gillen van de pijn. Ik hoop niet dat mijn rechtervoet er straks helemaal af moet. Het lijkt er onderhand wel op.
In het guest house neem ik eerst een douche en prik dan maar weer eens mijn blaren door. Voorzichtig plak ik ze strak af met pleisters en leukoplast. Morgen moeten mijn voeten weer beter zijn want ik zal ze hard nodig hebben in het noorden. Toch maak ik mij steeds meer zorgen over mijn onderste ledematen.
Het zou misschien goed zijn om vandaag te rusten, maar ik kan het niet opbrengen om mijzelf te ontzien. Weer maak ik de lange klim naar boven om vanaf de Luang Prabang-heuvel de zonsondergang te bewonderen. Ik ben ditmaal precies op tijd.
Als de zon net onder is, zie ik halverwege de westelijke helling van de heuvel een jongen en een meisje die via een alternatieve route proberen boven te komen. Dat is bijna onmogelijk vanwege het dichte struikgewas. Toch zetten ze door, tot hilariteit van de zonsondergangbewonderaars. Als ze eindelijk boven zijn krijgen ze aardig wat spot te verduren. Ze verontschuldigen zich dat ze een weg hadden gevolgd die doodliep en dat ze geen zin hadden om terug te lopen.
Nog even langs de fietsverhuurder om nog een nachtje huur extra te vragen. Hij vindt het best. Kost weer 1000 kip. Ertegenover duik ik een restaurant in voor een soepmaaltijd. Ik bestel ook nog iets anders, maar dat duurt zowat een uur voordat ik het krijg. De service is nog lang niet op niveau, of zou die al weer achteruit hollen? Waarschijnlijker is het dat ze van nature zo traag zijn in dit land.
De laatste avond in Luang Prabang wil ik toch weer naar het festival. Gelukkig hoef ik het niet te lopen want dat had ik niet gered. Ditmaal neem ik de videocamera mee om ook wat van de herrie te kunnen vastleggen. Door de duisternis zullen het wel geen al te mooie opnames worden.
De laatste avond geniet ik nog even van het eenvoudige, maar toch best luxe guest house in Luang Prabang. Het is een fraai koloniaal gebouw met veel bamboe en hardhout. Het zal niet meer zo mooi zijn als in de Franse tijd en ook de indeling in kamers met bamboeschotten draagt niet echt bij tot de verfraaiing van het interieur, maar sfeervol is het wel. Je voelt je zo echt in de tropen. Dat heb je met moderne, westerse hotels niet. Die zijn er trouwens inmiddels ook in deze stad.

Zaterdag, 8 februari 1997

Vandaag vertrek ik naar het noorden van Laos. Na het ontbijt in het guest house, stokbrood met jam, een omelet en koffie, breng ik de fiets terug. Vandaar pak ik direct een jumbo naar het vliegveld. Er zijn op deze tijd nog niet veel taxi’s en dat merk ik aan de prijs. Voor minder dan 1500 kip mag ik gaan lopen van de chauffeur.
Het vliegveld is verrassend modern. Het strakke, architectonische witte gebouw vormt een schril contrast met de bontgekleurde jumbo’s, tuk-tuk’s en gedeukte oldtimers op de parkeerplaats. Het gaat kennelijk goed met Lao Aviation. Als de vliegtuigen van dezelfde kwaliteit zijn als het luchthaven, mag ik niet klagen.
Binnen is het ook allemaal heel modern. Ik kom tot mijn verrassing Frans weer tegen. Hij kon geen boot naar Vientiane regelen en gaat dus nu maar met het vliegtuig. Ik ontmoet ook een Australiër met een Frans meisje. Zij gaan net als ik naar Luang Nam Tha. Hij heet heel deftig James. Het meisje heet Valerie. Ze hebben elkaar op reis ontmoet en trekken nu enkele weken samen op.
Het wachten duurt eindeloos. Ik kan niet mijn immigratiestempeltje halen voordat het officiële tijdstip is aangebroken. Eigenlijk kun je rustig te laat komen als je in Laos moet vliegen, want ze zijn echt nooit op tijd. Ook nu niet. Als ik eindelijk mijn stempeltje heb, schrijft iemand met krijt op het mededelingenbord dat de vlucht 40 minuten vertraging heeft. Toch is het toestel al gearriveerd. Er staan twee vliegtuigen op het platform. En vanuit de verte is al te zien dat die beslist niet zo modern zijn als het luchthavengebouw. Het zijn Chinese kopieën van de toch al niet zo goed bekend staande Russische typen Antonov 12 en 24. Het grote toestel, een Y7 zal het eerst vertrekken en gaat naar Vientiane.
Dan worden we opgeroepen om naar de gate te gaan. Onder begeleiding van een man met een indrukwekkende witte pet en een hoop goud op de schouders lopen we naar het kleine vliegtuigje. Buiten staan de piloot en de co-piloot. Beiden hebben een wit uniform aan met ook al een overdaad aan gouden franje. Ze kijken alsof ze een 747 naar de andere kant van de wereld gaan brengen.
Binnen is het krap bemeten. Buiten hoor ik intussen het aanzwellende lawaai van het andere vliegtuig. Het staat met brullende motoren aan het begin van de startbaan, klaar om naar Vientiane te vertrekken.
Het duurt even voordat iedereen zit, maar dan is het zover. Tot mijn verbazing gaat er zelfs een echte stewardess mee in het piepkleine vliegtuigje. Ze ziet er charmant uit in haar prachtige zijden sarong.
De piloten voeren eerst een test uit en laten de motoren een paar keer op volle kracht draaien. Dan rijden we langzaam naar de startbaan. Ik houd mijn hart vast. In het toestel zitten vrijwel alleen buitenlanders. Wel Aziaten, maar geen Laotianen. Die kunnen zich geen vlietticket veroorloven. Het interieur boezemt niet veel vertrouwen in. Er staan verschillende soorten stoelen. Alles is versleten en veel is provisorisch gerepareerd. Hier en daar zijn panelen met plakband vastgezet en alles trilt vervaarlijk als de propellers in beweging komen. Alle waarschuwingen en andere boodschappen zijn in het Engels en het Chinees vermeld. Er zijn geen Laotiaanse opschriften in het vliegtuig.
Dan gaat het volgas en na een paar honderd meter kiest het vliegtuig het luchtruim. Het gaat allemaal heel rustig en ik zie beneden heel fraai Luang Prabang liggen. Dan gaat de koers richting het noorden en maakt de Mekong-vallei plaats voor uitgestrekte oerwouden. Af en toe slingert zich een zandweg als een bruine slang door het landschap. Voertuigen zijn nergens te bekennen, evenmin als andere tekenen van leven.
Na een minuut of veertig komt er een einde aan het oerwoud. Het vliegtuig begint te dalen en in de verte zie ik al een paar dorpjes. Na een ruime bocht maakt het toestel een perfecte landing. We zijn in Luang Nam Tha.
James en Valerie gaan ook naar Muang Sing. We nemen samen een jumbo naar het zeven kilometer verderop gelegen centrum van Nam Tha. Daar moeten we vervoer zien te regelen. Maar dat blijkt niet zo eenvoudig. Er staan wel wat vrachtwagentjes startklaar, maar die vertrekken pas bij voldoende passagiers. De chauffeur verwacht niet voor drieën te gaan rijden. Dat betekent nog zo’n vijf uur wachten. Niet echt aantrekkelijk.
Ik maak van de nood een deugd en duik aan de overkant van de straat een Chinees restaurantje in. Met wat moeite lukt het mij een menu samen te stellen, maar als het eten wordt opgediend blijk ik toch niet helemaal besteld te hebben wat ik mij van een smakelijk maal had voorgesteld. Ik eet het toch maar op en kijk intussen naar de mensen die voorbij lopen. In Nam Tha kom je veel minderheden tegen. Ze zijn herkenbaar aan hun felgekleurde klederdracht en in het geval van de Hmongs ook aan hun typische gelaatstrekken. De Hmongs hebben een wat aapachtig gezicht. Ze lopen in groepjes met zware manden vol handelswaar op de rug. De vrouwen hebben erg dik haar, dat zij met een scheiding in het midden opzij kammen. Ze hebben een opvallend hoog voorhoofd.

Na het maal loop ik nog even de markt over en wandel dan verder naar de rivier die langs het dorp stroomt. Het is een prachtig tafereeltje. Een heldere rivier, een bamboe bruggetje, vrouwen die de was doen en kinderen die in de verte de grootste pret beleven. Ik maak wat foto’s en wandel dan weer rustig naar het busstation.
Maar net als ik aankom zie ik een afgeladen bus vertrekken. Op een van de banken is volgens mij nog een plaatsje vrij, dus ik hol er achter aan en weet hem nog tot staan te brengen. Het vrachtwagentje dat als bus dienst doet, blijkt naar Muang Sing te gaan dus ik ren het restaurantje in om mijn rugzak te pakken en spring achterop.
Het is een lange rit over een bochtige weg door de met oerwoud bedekte bergen. Ik raak in gesprek met Marethe, een stevige Deense meid die bezig is met een lange rondreis door Zuidoost-Azië. Ze is min of meer bij toeval in Laos verzeild geraakt en heeft het net als ik bijzonder naar haar zin. Iedereen die je hier spreekt laat zich trouwens vol lof uit over dit land en zijn mensen.
Onderweg ligt een dode koe op de weg met twee van zijn poten omhoog. Het lijkt wel alsof het beest van de steile helling naar beneden gevallen is. Dat zal wel flink gaan stinken in de brandende zon.
Na twee uur zijn we in Muang Sing. De bus stopt bij de markt, waar volgens het kaartje in de Lonely Planet het busstation is gevestigd. Ik pak de spullen en loop met Marethe het dorp in op zoek naar goedkope accommodatie. Het eerste adres is met zeven dollar per nacht wat aan de dure kant voor deze contreien. Dus zoeken we verder. Na een paar guest houses vinden we er een voor 1,5 dollar per nacht. Dat is niet onredelijk. Wel is het comfort wat minder. De matrassen zijn ongeveer twee centimeter dik en dus keihard en de douche is niet meer dan een kraantje op hoofdhoogte in een houten hok beneden. Ook het toilet is niet wat je in een gemiddeld Amerikaans hotel aantreft. Maar ja, het is voor drie nachten en in Vientiane zal ik wel weer wat beters vinden.
Muang Sing begint behoorlijk toeristisch te worden. De diverse restaurantjes spelen handig in op de grote stroom buitenlanders en bieden inmiddels Engelstalige menu’s, ansichtkaarten en fotorolletjes. Ik loop met Marethe het dorpje door en we komen James en Valerie tegen. Die logeren aan de overkant. We gaan gezamenlijk wat eten in een van de restaurantjes, waar twee heel oude mensjes het personeel vormen. De familie zit rond een televisietoestel met Thaise uitzendingen. Vooral tekenfilms en reclame. De spotjes tonen spullen die in Muang Sing (gelukkig) nog nooit zijn waargenomen.
De bediening is niet bepaald snel, maar het eten is goed. Bovendien hebben ze hier goedkoop Chinees bier, dat net zo smaakt als het alom geprezen Beer Lao. Er zijn veel buitenlanders in Muang Sing, maar het is dan ook een leuk plaatsje. Er zijn geen groepstoeristen. Ieder reist individueel en de reizigers komen werkelijk uit alle windstreken. Ik zit nu met een Australiër, een Canadees die op Marty Veldman lijkt en een Deense aan tafel.
Om negen uur gaan de generatoren uit en is het pikkedonker in Muang Sing. Er branden zelfs geen kaarsen meer. Alleen de sterren geven nog wat licht. Gelukkig had ik een zaklampje meegenomen.
De sterren zijn hier schitterend en ik neem er even de tijd voor om ze te bewonderen. Maar dan merk ik hoe snel het hier koud wordt. En ik moet nog douchen! Met koud water natuurlijk. Het is afzien, maar ik wil toch ook niet bezweet mijn bed in kruipen. Ik hoop dat ik vannacht niet door de hanen gewekt word.

Zondag, 9 februari 1997

Van Engelsen had ik gisteren gehoord dat het niet moeilijk of gevaarlijk is om de nabijgelegen Chinese grens over te steken. Het is dit weekend Chinees Nieuwjaar, wat al te merken was aan het afsteken van vuurwerk door in Laos wonende Chinezen. Marethe gaat mee. Na ruim een half uur zoeken hebben we eindelijk fietsen die de ruim twintig kilometer lange rit mogelijk zullen overleven. De meeste fietsen van Muang Sing zijn echt onbruikbaar.
Helaas kan mijn zadel niet omhoog en zit ik erg ongemakkelijk op de oude, versleten Chinese tweewieler. Maar de tocht verloopt voorspoedig. Onderweg stoppen we bij enkele Jiao-dorpjes. Ook bezoeken we een tempel die bijna voltooid is. We bewonderen de prachtige, nieuwe schilderingen en vragen de monniken of zij die gemaakt hebben. Dat blijkt niet het geval. Er is speciaal een schilder vanuit Vientiane voor langs gekomen. Die zal wel vaker tempels beschilderen, want de schilderijen zijn vrijwel gelijk aan die ik in Luang Prabang gezien heb.

De monniken bieden ons lichte, maar gloeiend hete thee aan. Een van hen spreekt redelijk Engels. Hij voert het woord voor de andere monniken. We spreken onze bewondering uit voor de prachtige schilderijen. De rest van de tempel is niet zo geweldig. Zo bestaat het dak uit ijzeren golfplaten in plaats van uit het schitterend bewerkte hout dat je in zoveel andere tempels ziet. Maar voor zo’n klein dorpje is dit natuurlijk een kathedraal. De monniken zijn bijzonder vriendelijk en nieuwsgierig. We leggen uit dat we naar China gaan.
Na een tijdje rijden we verder. De weg wordt steeds zwaarder, want we naderen de bergen die de natuurlijke grens tussen Laos en China vormen. De weg wordt intussen ook steeds slechter met steeds diepere kuilen. Bovendien doen mijn benen zeer, omdat ik ze vanwege het veel te lage zadel niet kan strekken.
De grens van Laos is verlaten. De slagboom staat open, dus fietsen we vrolijk verder. Dan na een lange en bochtige klim zien we de grenssteen. Hij staat precies langs het hoogste gedeelte van de weg. We rusten even uit en kijken naar de mensen die voorbij lopen en fietsen. Vrijwel iedereen draagt hier een of andere klederdracht.

Na een paar foto’s bij de grenssteen fietsen we verder. Het gaat nu razendsnel naar beneden. We komen nog een slagboom tegen, maar ook daar is niemand te bekennen.
Bij een dorpje rusten we even uit. De mensen dragen ook hier prachtige klederdrachten, maar ze hebben heel andere gezichten dan in Laos. Het zijn echte Chinezen. Het lijkt ook al meteen veel drukker. De hellingen van de heuvels zijn bewerkt voor de landbouw en de weg is keurig geasfalteerd. De mensen nemen ons nieuwsgierig op. Buitenlanders zijn hier geen alledaags verschijnsel. Enkele jongens hebben geen klederdracht aan. Ze staan op typisch Chinese wijze een sigaretje te roken en nemen ons met een wat spottende blik op.

De mensen uit het dorpje zijn niet zo gecharmeerd van fotografie. Het kost moeite om ze met mijn telelens op de foto te krijgen. De ambiance is buitengewoon. Het lijkt nog wel een beetje op Laos, maar toch is het volstrekt anders. Overal zijn de bamboe huisjes versierd met rood lakwerk en Chinese karakters.
We fietsen verder. Onderweg worden we gepasseerd door jongens in militair uniform. Ze zitten met zijn drieën op een motor en schreeuwen wat naar ons. We verstaan het niet, dus ik roep vrolijk Ní-Hâo terug. Ze lachen en rijden verder.
Na een tijdje laten we de bergen achter ons en bereiken we een klein stadje. Er staan moderne gebouwen, waaronder een ziekenhuis met betegelde muren en typisch Chinese daken met opkrullende hoeken. Hier is de laatste grenspost. Hierna zijn we echt in China.
We besluiten een poging te wagen om de stad Ma-Ling te bereiken en daar de nieuwjaarsfestiviteiten bij te wonen. Maar dat lukt niet. Na ongeveer een kwartier fietsen worden we ingehaald door een douanepatrouille. Met ons blanke uiterlijk maken we natuurlijk geen enkele kans om voor Chinezen door te gaan. De beambte schreeuwt, maar wij verstaan er niets van. Na een tijdje begrijpt hij dat wij zijn taal niet verstaan. Hij roept Laos. Wij antwoorden Laos en knikken bevestigend. Wij bieden aan rechtsomkeert te maken. De douanier gebaart ons hem te volgen naar de grenspost. Daar moeten we op een bankje zitten en de inhoud van onze tas laten zien. Hij wil ook onze paspoorten, maar ik adviseer Marethe die niet af te geven. Zonder paspoort ben je nergens meer.
De douanier weet zich geen raad met de situatie. Hij pleegt beraad met collegae. Na een tijdje komt een groepje jonge meisjes naast ons zitten. Ze giechelen. Een van hen spreekt wat Engels, maar durft nauwelijks iets te zeggen. Ze vertaalt voorzichtig wat de douaneman zegt, maar we worden er nauwelijks wijzer van. Als de beambte opnieuw om de paspoorten vraagt, laten wij die voorzichtig zien. Hij kijkt even en loopt dan weer terug naar zijn kantoortje. Na een tijdje pakt hij mijn fiets en gaat er vandoor. Ik probeer via de meisjes wat meer te weten te komen, maar zij durven niet echt een gesprek met ons aan te gaan. Hier komen vrijwel nooit buitenlanders. Voor hen zijn wij marsmannetjes.
Als de douanier eindelijk terugkomt, trek ik Marethe aan haar arm mee en pakken wij de fiets. De twee mannen zeggen er niets van dat wij weer richting Laos fietsen. We hebben ons trouwens niet een keer bang gevoeld. Het was eigenlijk wel grappig en ik weet zeker dat bijna dagelijks toeristen de illegale oversteek zullen wagen.
De weg terug is weer net zo zwaar. De weg kronkelt eindeloos omhoog. De hitte is ook bijna ondraaglijk. Na een tijdje rusten we even uit en vervolgen dan onze weg naar de grens. Eenmaal voorbij de grenssteen gaat het weer naar beneden. Het is heerlijk om de wind langs mijn oververhitte lichaam te voelen suizen, terwijl de zwaartekracht mij vooruit drijft.

We bezoeken nog een groot dorp langs de weg naar Muang Sing. Er moet daar ook een Akka-dorp in de buurt zijn. We zien er toevallig een paar lopen. Zij wijzen ons de weg naar het dorp. Omdat we via smalle boomstammetjes de vele bergstroompjes moeten oversteken, laten we de fietsen maar in het dorp achter. Een slot zit er niet op, maar stelen doen ze hier volgens mij niet. Dat hopen we dan maar.

Het is een lange wandeling langs de opiumvelden. We blijven de weg volgen, maar die splitst zich steeds en we weten op het laatst niet meer of we nog wel de goede kant oplopen. Het lijkt ons beter om maar weer terug te gaan. Het wordt bovendien al later ook. Weer in het dorpje lachen we om de vele kinderen die ons Sabadee! toewensen. Sommige hollen achter ons aan, maar ze blijven op een veilige afstand. De fietsen staan er nog en we beginnen aan de laatste etappe van vandaag.
Het is nog een aardig eindje rijden en als we bijna in Muang Sing zijn raakt Marethe’s rok in de ketting verstrikt. We proberen het kledingsstuk nog te redden, maar het is zodanig in de schakels verstrikt geraakt, dat lostrekken de enige manier is om de ketting weer vrij te krijgen zodat we verder kunnen fietsen. Marethe leert mij een aantal Deense vloeken. Haar rok is verloren. Maar na veel inspanning lukt het mij de ketting weer vrij te krijgen. Gelukkig voor haar, droeg zij er een korte broek onder. Het laatste stukje naar het dorp is heel zwaar. Ik heb geen billen en benen meer over. De amper dertig kilometer hebben mij behoorlijk genekt. Dan verlies ik nog de helft van mijn trapper ook. Ik neem niet eens meer de moeite het restant van de weg te rapen. Deze fiets heeft zijn tijd gehad.
In het dorp frissen we ons even op en bestellen dan een maaltijd in het restaurant aan de overkant. We vormen weer een leuk internationaal en multicultureel gezelschap. Dan wordt ineens mijn aandacht getrokken door een optocht door de hoofdstraat. Ik zie een ceremonie die ik al eerder in Myanmar gezien had. Jonge jongens gaan vorstelijk versierd op de schouders van hun vader naar het klooster. De stoet trekt snel voorbij en ik moet rennen om enkele foto’s te kunnen maken.
De jongetjes vinden het allemaal niets. Morgen moet hun haar eraf en dan kunnen ze zich tot hun twintigste in de leer van Boeddha verdiepen. Leuk voor de ouders, maar of de kinderen ervoor zouden kiezen??
De eerste dag in Muang Sing zit erop. De reisgidsen hadden gelijk. Het is hier bijzonder leuk. Ik ben verbaasd over wat je hier in één dag kunt meemaken. Negen uur is het afgelopen. De generator stopt. De lichten gaan uit en iedereen gaat naar bed. Ditmaal had ik gedoucht toen het nog warm was buiten.

Maandag, 10 februari 1997

’s Morgens rond zes uur is de sfeer eindeloos op de kleurrijke markt van Muang Sing. De in fel gekleurde dracht geklede minderheden moeten al heel vroeg in de ochtend aan de tocht naar het dorp begonnen zijn. Op verschillende plekken nuttigen mensen aan houten tafels hun warme ontbijt.

De zon komt net op en werpt haar stralen door de dikke wolken damp die van de grote pannen en woks afkomen. De markt zelf is overdekt, maar door gebrek aan verlichting nog erg donker op deze tijd. De meeste mensen zitten dan ook buiten, ondanks de koude. Ik denk dat het net enkele graden boven het vriespunt is. Iedereen is dik gekleed. Ik loop in een T-shirt rond. De fietsenverhuurder is ook al op. Ditmaal heb ik de eerste keus, maar veel maakt dat niet uit. Het zijn allemaal wrakken. Ik zoek er een uit met naar schatting het minst aantal defecten. Alleen is het zadel natuurlijk weer te laag en daar is vanwege het roest niets aan te doen.
Na een ontbijt van stokbrood, omelet en heerlijke koffie ga ik op weg. Ik sla een weg in westelijke richting in vanuit Muang Sing. Deze gaat in de richting van de meest nabij gelegen bergen. Eerst bekijk ik wat dorpjes waar mensen van de Shan-minderheid wonen. De weg gaat steeds verder, langs landerijen en over kleine riviertjes. Het wordt echter steeds stiller en na een uur of twee fietsen houdt de weg midden in een totaal verlaten landschap op. Alleen een boer met een zeer lang geweer kom ik tegen. Ik besluit terug te fietsen om een andere route te proberen.
Het is vandaag een glasheldere dag en ondanks de zonnecrème begin ik aardig te verbranden. De temperatuur zal inmiddels de dertig graden hebben bereikt. In Muang Sing rust ik even uit, neem een kop soep als lunch, koop water en ga weer op weg. Ditmaal in noordelijke richting.
Langs de weg naar China liggen meer dorpjes. Steeds als ik er doorheen fiets roepen kleine kinderstemmetjes mij vrolijk na, sabatie! sabatie! Sommigen roepen bye, bye en steken hun duim op. Ook als ik langs een schooltje loop merk ik dat de kinderen nog niet aan buitenlands bezoek gewend zijn. Van lesgeven komt niets meer. De scholen zijn overigens zeer pover ingericht. Er is wel onderwijs, maar de kwaliteit ervan is erbarmelijk. Lesmateriaal is er nauwelijks en de kinderen moeten vooral een beetje zelf hun gang gaan. Licht is er ook niet. Om de warmte buiten te houden zijn de houten luiken gesloten. In de duisternis is het bijna niet mogelijk om een boek te lezen. De kinderen zullen hier wel vroeg aan de bril moeten.
Iets later komt een stel Fransen langs. Een van hen demonstreert kunstjes met een diabolo op een koord. In no-time is de school leeggestroomd. Iedereen kijkt vol belangstelling naar de vreemde kunsten van de Fransman. De leraar wil het ook wel even proberen, maar die brengt er natuurlijk niets van terecht. De kinderen liggen dubbel van het lachen bij het zien van zijn gestuntel.
Ik fiets verder naar het noorden en bereik na een half uur het dorpje met de tempel die ik gisteren met Marethe bezocht had. Van hieruit moet het Akha-dorp te vinden zijn. Terwijl ik de weg van gisteren probeer terug te vinden, nodigt een Jao-familie mij uit voor een kopje thee. De man van de familie spreekt verrassend goed Engels. Hij is bijzonder geïnteresseerd in de reden van mijn bezoek aan zijn dorp. Eigenlijk was ik liever verder gefietst want de dag vordert snel. Het is inmiddels vier uur en de zon zakt al naar de westelijke bergrug. Maar het is erg gezellig en ik vind dat ik de gastvrijheid van deze mensen moet respecteren.
Dan vind ik de juiste weg weer terug. Ik fiets langs de opiumvelden, waar een boertje op zijn gemak bezig is de witte bloemen te oogsten voor de opiumproductie. Er zijn veel opiumvelden is deze omgeving. De weg slingert zich er als een lint doorheen. Af en toe moet ik met de fiets op de schouders door kleine riviertjes waden. Soms ligt er een dikke boomstam overheen en weet ik met de fiets in de hand balancerend de overkant te bereiken.
Na een paar keer verkeerde wegen ingeslagen te zijn, hoor ik in de verte de geluiden van een dorp. Ik sla het eerste het beste paadje in de goede richting in en zie dan eindelijk het Akha-dorp. De bewoners zijn kennelijk in een ander deel van het dorp, want ik zie niemand. Wel is er veel lawaai te horen.
Ik zet mijn fiets op een verdekte plaats neer en ga lopend het dorpje in. Het lijkt wel Astrix. De huisjes zijn zeer primitief en gebouwd van hout, bamboe en stro. Dan merken enkele kinderen mij op. Zij beginnen direct te schreeuwen en meteen komt de hele dorpsgemeenschap mij tegemoet.

Verlegen zijn deze mensen bepaald niet. In andere dorpen blijven de mensen en vooral de kinderen op een veilige afstand van buitenlanders, maar hier staan ze meteen op mij heen. De kinderen beginnen in mijn zakken te voelen en proberen mijn buiktasje met camera-apparatuur open te maken. Anderen hebben het op mijn horloge en ring voorzien. Niets is veilig bij deze mensen. Ik probeer ze weg te meppen alsof het lastige vliegen zijn. Steeds meer mensen komen om mij heen staan. De oudere vrouwen bieden mij aan om opium te komen roken. Zij proberen mij naar een van de huizen te trekken. Uiteindelijk loop ik maar mee. Binnen liggen een paar oude mannen uitgestrekt op een bed van bamboe. Het zijn versleten mensen, die het lijden van de oude dag mogen verzachten aan de opiumpijp. Ik weet dat het onbeleefd is, maar ik weiger resoluut een trekje te nemen. Toch lijken de Akha’s daar wel begrip voor te hebben. Hoewel ze voortdurend uitnodigende rookgebaren blijven maken.

Buiten maak ik wat foto’s. Een van de jongens pakt echter mijn toestel af en begint zelf wat foto’s te maken. Het is volgens mij niet de eerste keer dat hij een camera aanraakt, want hij weet er aardig mee om te gaan. Intussen trekken de moeders van de stam mij weer een ander huis binnen. Dit is echt een hele bijzondere ervaring. Ze willen mij masseren. Dat maken ze duidelijk door in mijn armen en benen te knijpen en naar een van de rustbedden te wijzen. Een oude man van het dorp ondergaat intussen ook een massage. Ik besluit er maar mee in te stemmen. Misschien helpt het mij van de pijn af, die ik de afgelopen dagen door het fietsen heb opgelopen.

De massage gaat bepaald niet zachtzinnig. Vier zeer gespierde Akha-vrouwen proberen mijn botten te breken en mijn huid af te stropen. Het doet extra pijn vanwege de verbrandingen die ik vanochtend in de felle zon heb opgelopen. Maar alle ongemakken vallen in het niets bij deze geweldige sfeer. Het lijkt wel de oertijd, het stenen tijdperk. De stralen van de ondergaande zon schijnen door het bamboe van de muren en verlichten de rook van het kampvuur dat midden in de hut brandt. Toch maak ik mij af en toe zorgen. Dit is een gebied zonder wet of gebod. En ik ben hier alleen. De overheid zou het beslist afkeuren dat ik mij in zo’n risicovol avontuur stort. Maar ik had dit niet willen missen.
Tot mijn verrassing werkt de massage echt. Het doet nog wel zeer, maar ik voel mij alsof ik net aan een nieuwe, frisse dag begin, terwijl ik ervoor uitgeput was van de lange fietstocht. Ik moet nu snel opstappen, want het is nog minstens anderhalf uur fietsen, terwijl het over een uur pikkedonker zal zijn. Ik houd even geen rekening meer met de ouderdom en invaliditeit van mijn fiets. Genadeloos stuur ik het oude Chinese rijwiel over de slechte wegen langs de opiumvelden. De zon gaat net onder.
Gelukkig weet ik de hoofdweg te bereiken voordat het helemaal donker is. Toch is het nog minstens een half uur fietsen tot Muang Sing. Ik hoop dat de fiets het overleeft, daar ziet het niet naar uit. Onderweg stop ik nog even voor wat foto’s van de schitterende avondlucht die zich weerspiegelt in een meertje. Op de achtergrond een huisje, een dijkje en een paar boeren die het vee terug naar de kraal brengen.

Het dorp is nog niet in zicht als het al helemaal donker is. Er is geen maan vanavond en ik moet steeds voorzichtiger fietsen om niet van de weg af te raken. Gelukkig houdt de fiets het vol. Na nog eens een half uur zie ik lichtjes in de verte. De energie van de massage is er intussen al weer uit. Doodmoe lever ik de fiets in bij de verhuurder en ga naar het guest house om mij wat op te frissen.
Ik kom Merethe tegen. Zij moet ook nog eten. We lopen samen naar het Chinese guest house aan de overkant en schuiven aan bij een aantal travellers uit verschillende landen. Het eten is eenvoudig maar lekker. Zo wordt het tien uur. Tijd om te gaan slapen, vindt de eigenaar van het restaurant. We worden naar buiten gesommeerd en we zijn nog niet op straat of overal gaan de generatoren uit. Het is meteen pikkedonker. En erg koud bovendien. Ik neem maar geen koude douche meer. Ik zou amper het douchehok kunnen vinden. Ook spullen inpakken lukt niet meer. In het licht van een zaklantaarn tel ik 45.000 kip uit voor Merethe. Ze was praktisch door haar geld heen en kon in Laos niets meer met haar creditcard opnemen. We spreken af dat ze me in Bangkok terugbetaalt.

Dinsdag, 11 februari 1997

Half acht vertrekt de bus naar Luang Nam Tha. Dus moet ik heel vroeg op vanochtend. Tijd om te eten is er niet meer. Ik zal moeten proberen om bij het vliegveld iets te vinden. Ik prop mijn rugzak vol, neem afscheid van Merethe en sjouw richting markt waar de bussen staan. Voor zeven uur sta ik al bij de bus. Ik koop een pak koekjes van een van de marktkooplui. In het oosten staat een waterig zonnetje. Het is nog heel koud, maar over een uur zal het alweer tropisch warm zijn.
De bus van vandaag is weer een pickup. Ook een groepje Engelsen gaat mee. De Loatianen blijven wachten op de vrachtwagens die ongetwijfeld nog iets goedkoper zullen zijn.
Een van de Engelsen aan boord is al twintig maanden onderweg. Hij heet Chris en pakt hier en daar werk aan om in zijn levensonderhoud te voorzien. Hij zegt dat hij blijft reizen tot hij het helemaal zat is of totdat hij niet meer aan geld kan komen. Hij heeft dan een open ticket terug naar Londen.
De rit is prachtig. Er hangen neveldekens boven het regenwoud en de waterige ochtendzon werpt prachtige schaduwen over de heuvels. De weg slingert zich langs bergen en valleien en af en toe passeren we kleine dorpjes met slechts enkele huizen. Er zijn al veel mensen te voet onderweg naar de markt in Muang Sing. Na een tijdje zien we de dode koe weer liggen. Alleen zijn inmiddels wel zijn achterpoten eraf gezaagd. Die zullen nu wel op de markt liggen.
De rit duurt twee uur en het is afzien. Ondanks dat de chauffeur voorzichtig rijdt, doet het Loatiaanse wegdek zich behoorlijk gelden. De vering van de Toyota heeft het jaren geleden al opgegeven.
Half tien ben ik weer in Luang Nam Tha en probeer ik verder vervoer te krijgen naar het zeven kilometer buiten het centrum gelegen vliegveld. Dat valt niet mee. Er gaat bijna geen verkeer richting vliegveld. De paar auto’s en bussen die er rijden gaan allemaal de andere kant op. Maar na twintig minuten kan ik eindelijk op een overvolle pickup springen. Ik weet niet of hij naar het vliegveld gaat, maar hij rijdt in ieder geval de goede kant op.
Ik heb geluk. De pickup komt vlakbij het vliegveld. Het is nog maar vijf minuten lopen. Ik ben behoorlijk op tijd. Toch zitten er al verschillende mensen te wachten. Ik laat mijn ticket zien, maar de beambte van de grenspolitie is er nog niet, dus moet ik wachten. Ik kan wel al vast mijn rugzak op de weegschaal zetten.

Er is geen restaurantje bij het vliegveld dat uit niet meer dan een betonnen hut en een startbaan bestaat. Wel is er verderop een hotel, maar ik heb niet zo’n zin om daar te gaan eten. Binnen in de hut staan wat houten tafels. Aan de wand hangt een groot schoolbord waarop met krijt in het Laotiaans de theoretische vertrektijden staan aangegeven. Boven de enige uitgang hangt een bordje waarop ‘gate 1’ staat. Ze hebben wel humor in Laos.
Het vliegtuig moest tien voor half een vertrekken, maar zelfs half een is het nog in geen velden of wegen te bekennen. De overige passagiers maken zich niet druk. Iedereen weet wel hoe punctueel Lao Aviation is. Ik hoop alleen wel dat de vlucht doorgaat, want als het vliegtuig defect is, heb je mooi pech en kun je een paar dagen later vertrekken.

Rond een uur of een hoor ik gebrom naderen vanuit het zuiden. Heel in de verte zie ik een stipje verschijnen. Daar is het vliegtuig. Met een fraaie bocht draait het toestel naar de landingsbaan en tien minuten later stappen de passagiers uit. Het is een grote Y7 ditmaal, een vliegtuig dat nu niet direct vertrouwen opwekt, maar ja, er is niets anders. Het doet een beetje denken aan de plaatjes in jongensboeken uit de jaren vijftig.
Het wachten duurt weer eindeloos. Het vliegtuig is inmiddels volgetankt, de instapkaarten zijn uitgedeeld, de provinciestempeltjes gezet en de piloot en stewardess staan gezellig met de beambten van het vliegveld te keuvelen. Na nog zo’n drie kwartier loopt de bemanning ineens naar het toestel en de passagier volgen direct. Ik loop snel vooruit om een mooie plaats te bemachtigen, want het ziet er naar uit dat zo’n beetje alle plaatsen bezet zullen raken.
Ik zit linksvoor aan het raam en zie kort na het opstijgen de dorre vlakten rond Luang Nam Tha weer plaats maken voor de uitgestrekte regenwouden. Het vliegtuig zet koers naar het zuiden op weg naar Vientiane, waar het ruim een uur later zal landen.
Er is een schattige stewardess in een prachtige sarong aan boord. Maar haar aanwezigheid lijkt slechts formeel. Ze deelt een verfrissingdoekje uit, een zuurtje en halverwege de vlucht zelfs een plastic bekertje met namaakcola. Het is natuurlijk povertjes, maar de Laotianen doen wel geweldig hun best.
Tijdens de landing komt ineens overal rook uit. Gelukkig ruik ik geen brand. Ook de andere passagiers reageren verbaasd op de nevel die al snel de hele cabine vult. De stewardess maakt zich in ieder geval niet druk. Het zal dus wel niet ernstig zijn.
De landing verloopt perfect. Een beetje verkreukeld wandel ik over het gloeiend hete platform naar het moderne luchthavengebouw van Vientiane. Dit is het enige internationale vliegveld van Laos. De hitte is hier enorm. Een wereld van verschil met het hoge noorden.

Na de formaliteiten pak ik een taxi naar het Phornthip guest house. Het is een lange rit en ik spreek van tevoren een prijs af van 2000 kip. De oude Lada sleept mij hobbelend naar het drukke centrum. Het straatbeeld wordt helemaal door bromfietsers beheerst. Ook zijn er vrij veel vrachtwagens. Bussen zie ik echter niet.
In het centrum valt mij meteen op hoeveel tempels er zijn en hoeveel die op de tempels in Thailand lijken. Ook in andere opzichten doet deze stad aan Thailand denken. Dat is niet zo gek want je bent hiervandaan sneller in het Thailand aan de overkant van de Mekong dan in de rest van Laos.

De straat naar het Phornthip guest house is niet geasfalteerd. De chauffeur rijdt voorzichtig over de keien en zandhopen en stopt keurig voor de deur.
Helaas is er geen kamer meer vrij. Ik kijk in mijn Lonely Planet en besluit het bij het Mixai guest house te proberen. Dat ligt aan de Mekong en moet een geweldig uitzicht bieden. Helaas. Het beroemde Mixai-café is er nog wel, maar het guest house is verdwenen.

Om de hoek is echter het Lao International guest house. Dat is wel iets duurder, maar ze hebben in ieder geval een kamer. Het personeel spreekt alleen Frans, dus dat zal wel moeilijk worden. Maar ‘un chambre pour un person’ begrijpen ze wel, want ik krijg de sleutel van een prachtige kamer met grote ventilator aan het plafond. Een eigen douche kan er niet af voor die acht dollar per nacht, maar de gemeenschappelijke douches zijn vlakbij. Ik fris mij dus eerst maar eens lekker op, voordat ik de hoofdstad van Laos ga verkennen.
De stad blijkt niet echt leuk. Het is er te druk. Teveel verkeer. Teveel lawaai, te heet en teveel stank. Misschien valt het wel mee, maar na het rustige, frisse en koele noorden is het een groot contrast. Ik doe mijn best om het toch mooi te vinden. En het is ook mooi. De stad bestaat uit schaduwrijke lanen met grote, oude bomen en weliswaar verwaarloosde, maar toch nog schitterende Franse villa’s uit het koloniale verleden.
Ik koop een ansichtkaartje en probeer een travellercheque in te wisselen. Dat laatste lukt niet meer. Zelfs niet op de enorme overdekte morning-market. De meeste wisselkantoren zijn al dicht. Wel is er nog een open waar ik bath’s kan wisselen. Dan heb ik in ieder geval weer genoeg kips om vanavond te kunnen eten.
Ik maak nog wat foto’s terwijl de zon al weer ondergaat. Ik ben veel later in Vientiane aangekomen dan ik verwacht had, dus aan deze dag heb ik niet veel meer.
De drukte begint mij wat te vervelen. Het lijkt wel een buitenwijk van Bangkok. Er lopen ook enorm veel buitenlanders. Het zullen wel rondreizigers zijn die vanuit Thailand een paar dagen Vientiane doen.
Ik eet Thaise soep in het Mixai-café. Het is een enorme pot met eronder een houtskoolvuurtje. De bediening is heel koel, maar het uitzicht over de Mekong is hier fenomenaal. De reisboeken overdrijven niet als ze het uitzicht van het Mixai-café roemen. Langzaam gaat de zon onder. Aan de overkant zie ik Thailand liggen.
De soep is niet echt lekker en ook het bier dat hier per liter in grote plastic kannen geserveerd wordt, is niet om over naar huis te schrijven. Maar zo’n hoeveelheid drinken is wel lekker met deze hitte en de behoorlijk gekruide soep. Margareth, die ik op de boot had ontmoet, zit er ook, maar ik heb niet zo’n zin in een praatje met haar of met wie dan ook. Ik heb last van een lichte cultuurshock.
Na de maaltijd wandel ik nog een uurtje langs de rivier. Van wat ooit een mooie Franse boulevard geweest moet zijn, is niet veel meer over. Hier en daar liggen nog resten trottoir, maar het meeste is verdwenen. Ook het ruige uitgaansleven van vroeger is verdwenen. De tijden van Mama Lulu zijn voorbij. ‘Warm beer and oral sex’ past niet meer in dit streng socialistische land. In een van de weinige supermarkten van Vientiane koop ik een reep Zwitserse melkchocolade. Peperduur (2500 kip), maar wel heel lekker. De winkels behoren tot de weinige plaatsen waar airconditioning is. Daar kom ik echt van bij. Ik voel me niet fit genoeg voor het uitgaansleven, dus kruip maar redelijk vroeg mijn bed in.

Woensdag, 12 februari 1997

Twee dagen is niet veel om een stad te bekijken. Ik sta dus heel vroeg op en loop direct naar het busstation in het centrum van de stad. Ik wil vandaag naar het Boeddhapark dat even buiten Vientiane ligt. Er is nog nauwelijks verkeer op de weg. Alleen de bromfietsers, die rijden dag en nacht door. In het winkeltje bij het busstation koop ik een pak koekjes en een fles bronwater. Echt ontbijt is nog nergens te krijgen rond deze tijd.
De bus vertrekt als hij vol is. De verkeersdrukte is inmiddels al behoorlijk toegenomen en het kost de chauffeur moeite om zonder ongelukken de hoofdstraat in te rijden. Overal gaan de winkeltjes open en begint het drukke leven.
Er zitten voornamelijk vrouwen in het kleine Japanse busje. Maar ook een oude man met een levende kip. Ik weet niet wanneer ik moet uitstappen. Ik let extra goed op, want als ik te ver doorrijd zal ik terug moeten lopen. Er rijden maar heel weinig bussen.
Na zo’n drie kwartier passeren we de toegang naar de Friendship-bridge. Dit is de enige vaste oververbinding met Thailand en een van de zeer weinige bruggen over de beroemde Mekong.
Na ruim een uur stopt de bus voor het Boeddhapark. De kaartjesverkoper zat ook in de bus en doet het hek voor mij open. Ik moet apart betalen voor mijn camera’s. Dat kost nog meer dan de entree. Gelukkig ben ik de eerste en kan ik rustig foto’s maken.

Helaas is het allemaal nauwelijks de moeite waard. De van brokkelig cement vervaardigde beelden zijn lukraak neergezet en doen in niets denken aan de prachtige Boeddha’s die je in de tempels ziet. Ook de tuin stelt niet veel meer voor. Die moet ooit prachtig zijn geweest, maar verkeert nu in dezelfde deplorabele staat als de beelden.
Toch is het een grote toeristentrekker. Dat blijkt al snel als de eerste rondreistoeristenbusjes voor de poort stoppen. Schreeuwerige buitenlanders nemen bezit van het park. Echt irritant is een dik oud wijf met een knauwstem die door het hele park weerklinkt. Zo kan ik het filmen met geluid wel vergeten.
Ik beklim nog een soort stenen gebouw. Dat is eigenlijk een grote klomp stenen met binnenin een gangenstelsel dat naar het dak leidt. Het is heel moeilijk om zonder je hoofd te stoten boven te komen, maar het lukt. Het park is inmiddels volgestroomd met toeristen. Ik houd het verder voor gezien.
De bus terug laat lang op zich wachten. Intussen stoppen er steeds meer toeristenbussen voor het park. Ik begin Vientiane en omgeving nog minder leuk te vinden.
Als ik bijna bevangen ben door de hitte, komt er eindelijk een busje aan. Er zit bijna niemand in, dus ik denk dat het eindpunt niet ver is. Wel bevinden zich twee toeristen onder de passagiers. Zij komen net uit Thailand, via de Friendship-bridge en hadden de bus de verkeerde kant op genomen. Zij willen naar Vientiane. Ook zit er een heel vrolijke Thaise vrouw in de bus. Zij is met schoenen en stof op weg naar de markt in Vientiane. Er wonen hier veel Thai’s. Je onderscheidt ze makkelijk van de Laotianen, die heel andere gelaatstrekken hebben. De vrouw praat honderduit en spreekt verrassend goed Engels.
Op de morning market wissel ik travellercheques in. Ik bekijk ook de rest van de markt, maar er is werkelijk niets te koop dat ik graag zou willen hebben. Het aanbod bestaat hoofdzakelijk uit kleding en drogisterijartikelen. Ook is er veel Japanse elektronica te koop.
Ik verlaat de koelte van de morning market en loop in de richting van de Laotiaanse Arc de Triomf. Bij het visumkantoor probeer ik mijn visum te verlengen, maar dat blijkt niet mogelijk. Ik zou dan terug moeten naar Huay Xai. De beambte legt uit dat zij alleen visa verlengen die ze zelf hebben verstrekt. Hij raadt mij aan om de tijd gewoon te laten verstrijken en bij vertrek uit het land een boete te betalen. Dat kost vijf dollar per dag. Zelf naar de ambassade gaan heeft ook geen zin dus besluit ik maar het advies van de man van het visumkantoor op te volgen.
Ik loop verder in de richting van de Arc de Triomf, die gekscherend ook wel de verticale startbaan wordt genoemd. De kolossale poort is eind jaren vijftig gebouwd met beton dat de Amerikanen hadden geschonken voor de aanleg van een startbaan bij het vliegveld. De Amerikanen dachten slim te zijn door hiervoor geen geld te schenken. Dat zouden de Laotianen tenslotte wel eens aan andere doelen kunnen besteden, terwijl van beton alleen een startbaan kon worden vervaardigd.
Vanaf de poort loop ik terug naar het centrum. Om twee uur ’s middags gaan de tempels open en dat is het nu bijna. Dan baal ik wel even. Mijn fototoestel hangt open. Het sluitinkje van het filmdeksel blijkt afgebroken. Deze film kan ik dus wel afschrijven. Ik zal nu eerst naar het guest house moeten om het toestel provisorisch weer bruikbaar te maken. Dat lukt uiteindelijk met een breed elastiek, dat ik er driemaal omheel wikkel. Ik heb wel pech met mijn apparatuur deze reis. Eerst mijn videocamera in de Mekong. Nu mijn fototoestel kapot. Thuis zou ik merken dat een groot deel van mijn dia’s overbelicht was geraakt, doordat na een eerdere val van het toestel de diafragmaregeling niet goed meer werkte.
Eerst bezoek ik de Haw Pha Kaew, de vroegere Koninklijke tempel van Laos. Nu is het een museum en wordt het complex niet meer voor religieuze doeleinden gebruikt. Volgens de Lao dateert de oorspronkelijke tempel uit 1565 en was hij gebouwd om een Boeddha van smaragd te huisvesten. Dit beeldje bevindt zich thans in Bangkok. Helaas is de tempel in 1828 verwoest en pas tussen 1936 en 1942 herbouwd. Bij die herbouw is uitgegaan van de moderne architectuur uit die tijd. Tekeningen van het oorspronkelijke gebouw waren kennelijk niet meer beschikbaar.
Heel bijzonder is de Haw Pha Kaew niet, maar de museumverzameling maakt het bezoek toch de moeite waard. Hoewel het geen religieus gebouw meer is, moeten binnen toch de schoenen uit. Eigenlijk vind ik dat wel prettig, nu mijn voeten nog steeds zo’n pijn doen. De uit 1818 daterende Wat Si Saket ligt naast de Haw Pha Kaew en is de oudste tempel van Vientiane. Binnen en buiten bevinden zich omvangrijke verzamelingen Boeddhabeelden. Sommige van de beelden zijn van massief zilver. In totaal herbergt de tempel 6840 beelden! De architectuur is gelijk aan die van Thailand. De tempel zou in Bangkok niet misstaan.

De Wat Si Muang is voor het geloof de belangrijkste tempel van de stad. Velen komen hier dagelijks bidden. Anderen brengen fruit- en bloemenschalen als offer voor in vervulling gegane wensen. Het gebouw is versierd met een overdaad aan verguldsel. Binnen is het net een markt. Overal zijn bloemen en staan schalen met vruchten voor de talrijke Boeddhabeelden. Een man met een klein kind steekt wierookstokjes aan en buigt vele malen diep voor een van de beelden. Ongemerkt maak ik wat foto’s.
Ik loop langs de Mekong terug naar het guest house. Weer brandt mijn rechter voet. Het is tijd voor avondeten. Ditmaal kies ik voor een restaurant dat naar de naam Thai Food luistert. Het ligt aan een van de hoofdstraten die parallel aan de Mekong lopen. Het eten stelt echter bitter weinig voor en het personeel lijkt niet erg blij met mij. Morgen ga ik maar weer bij Mixai eten. Dat is ook niet best, maar wel een stuk gezelliger en met in ieder geval een prachtig uitzicht.
Voor het slapen gaan, bestel ik nog een plastic kan bier bij het Mixai. Het is inmiddels donker geworden. Ik schuif aan bij een groepje toeristen uit Thailand. Een van hen is Lin, een vrouw die eigenares is van een fabriek in een van de buitenwijken van Bangkok. Zij spreekt goed Engels en is verrast als zij hoort dat ik uit Nederland kom. Zij kent Nederland wel. Zij is er ook wel eens geweest. Voor haar werk moet zij veel reizen en nu is zij met een aantal vrienden en vriendinnen voor de aardigheid een paar dagen in Vientiane. We gaan nog even naar een disco, maar we zijn zowat de enige gasten. Het wordt niet echt gezellig. Na een half uurtje stappen we op. Het gezelschap neemt een taxi, maar ik loop naar het International guest house dat net om de hoek ligt.

Donderdag, 13 februari 1997

Het guest house kon mij wel aan een fiets helpen. Maar helaas is het er weer zo een die volgens Aziatische maatstaven is gebouwd. Het is ditmaal een soort mountainbike voor mensen tot 1,60 meter. Het zadel zit los en de rem doet het slechts een beetje. Maar ja, lopen gaat niet meer, dus moet ik fietsen met wat er te huur is.
Ik ga eerst in de richting van het vliegveld omdat daar een paar prachtige tempels zijn. De eerste die ik bezoek is de Wat Tai, een nieuw complex met een indrukwekkend, uit meerdere lagen opgebouwd dak. De tempel is helaas gesloten. Misschien is hij van binnen nog niet af. De drumtoren is zelfs nog in aanbouw.
Vrijwel direct komt een jonge leerling op mij af die mij in goed Engels aanspreekt. Hij zegt Engels te studeren aan een van de avondscholen in de stad. In kan bijna niet geloven dat hij daar pas twee maanden mee bezig is. Ik zou in zo’n korte tijd onmogelijk Lao kunnen leren. Ik maak een foto van de jongen en fiets verder richting centrum. Onderweg passeer ik de Wat In Paeng, een van de mooiste tempels van Vientiane, met prachtige tuinen rondom en enorme bijenkorfen onder de dakranden.
Nu ik toch een fiets heb besluit ik via de zeer drukke Thanon Tha Deua helemaal naar het uiterste zuiden van de stad te rijden. Daar gaat geen toerist naar toe, terwijl er toch genoeg te bezichtigen is. Ik bekijk de Wat Ammon en fiets via stoffige achterafstraatjes terug naar het centrum. Onderweg zie ik de Wat Si Amphon met een prachtige zilveren pagode.
Helaas begint nu het loszittende zadel te irriteren. Vanwege het roest op de bouten is daar niets aan te doen. Bovendien doet het zitten ook al behoorlijk pijn op het keiharde zadel. Ik probeer maar zoveel mogelijk gewicht op mijn benen zetten. Het is in dit deel van de stad rustig. Er is vrijwel geen verkeer.
Ik bezoek ook nog de in een bos gelegen Wat Sok Pa Luang, waar veel mensen voor massage naar toe gaan. Na een wijk met diverse ambassades doorkruist te hebben, fiets ik via een dijkje verder richting centrum. Hier kom ik eindeloos veel fietsers en brommers tegen. Bij de morning market bezoek ik de Far Eastern Bank om geld te wisselen. Ook moet ik naar het kantoor van Lao Aviation om informatie over mijn vlucht van morgen in te winnen. De portier bij de toegangspoort trekt meteen de ketting omhoog als ik met mijn fiets het parkeerterrein van het luchtvaartkantoor wil oprijden. Lopen zegt hij. Helaas is nu al bekend dat de vlucht van morgen vertraagd zal zijn.
Vermoeid, maar nog steeds enthousiast fiets ik naar de Arc de Triomf om die nog eens te bekijken en dan verder naar de Pha That Luang, een belangrijk heiligdom in Laos. Jammer genoeg is de tempel rond de schitterende gouden stupa nog gesloten. Ik fiets daarom eerst maar even naar de nabij gelegen Thang Khan Kham markt, waar het een drukte van belang is. Het stinkt er behoorlijk, vooral waar vis wordt verkocht.
Lunchen doe ik in de hoofdstraat bij een klein maar voortreffelijk Vietnamees restaurantje. Het vrouwtje dat kookt, bedient en schoonhoudt helpt mij met het mengen van de mie en de groente als zij mij ziet stuntelen. Het eten is heerlijk gekruid. Daarna fiets ik weer naar de Pha That Luang die nu wel geopend is.

Terwijl ik wat foto’s maak, komt een jonge monnik op mij af. Hij spreekt mij aan in het Engels en zegt dat hij het leuk vindt om met buitenlanders in het Engels te praten. Op die manier kan hij zijn lessen in de praktijk brengen. Hij nodigt mij uit een bezoek aan zijn tempel te brengen. Die ligt in het centrum van de stad. Ik zeg dat dit vandaag niet zal lukken en dat ik morgen vroeg al weer op het vliegtuig stap. Hij is erg nieuwsgierig naar waar ik vandaan kom, hoe het daar is en waar ik naar toe ga. Ik probeer hem uit te leggen welke steden ik in Laos bezoek. Hij kan het maar moeilijk geloven. Hij vraagt of ik de Playboy ken. Hij vindt het jammer dat die niet in Laos te koop is. Ik vertel hem dat ik de Playboy niet echt passende lectuur vind voor een monnik. Hij begrijpt wat ik bedoel en moet erom lachen. Hij loopt nog een rondje met mij mee om de stupa. Dan nemen we afscheid.

Ik ben blij dat de weg terug bergafwaarts gaat, want ik kan bijna niet meer zitten op het zadel. Nu zit ik op een dij en laat mij door de zwaartekracht voortbewegen.
Ik wil nog even naar de morning market, maar daar blijkt nu rond half vijf in de middag de ‘morning’ toch echt voorbij te zijn. Overal klappen de rolluiken dicht. De wisselkantoren zijn al allemaal gesloten. Ik fiets daarom maar weer terug. De zon gaat bijna onder en ik wil een paar foto’s van de Pha That Luang-stupa maken als het nog net niet donker is en de schijnwerpers aangaan.
Het wachten duurt lang, maar eindelijk gaat dan de zon onder. Helaas blijft het donker rond de stupa. De schijnwerpers gaan niet aan. Ook niet als de korte schemering voorbij is en de lucht inktzwart is geworden. Ik fiets maar weer terug.

De Arc de Triomf blijkt gelukkig wel verlicht. Dat is een mooi gezicht. Het eigenlijk best een heel fraai gebouw met zijn mengsel van Franse en Aziatische invloeden. Ik ben net op tijd om een foto te maken, want kort daarna gaan de schijnwerpers uit en is het omstreden gebouw nog slechts een vierkant silhouet in de duisternis van het onverlichte plein. Ik eet in Mixai-café en geniet nog eens van het prachtige uitzicht over de Mekong. Ik zie geen bekenden en ga vroeg slapen.

Vrijdag, 14 februari 1997

Ik sta vandaag heel vroeg op en zie dat het buiten wat regenachtig weer is. Maar meestal zijn dat hier korte buitjes. Ook nu. Ik neem een douche, prop mijn spullen in de rugzak en wandel richting vliegveld. Vandaag vertrek ik naar de Vlakte der Kruiken in het oosten van het land. Op dit uur is er nog vrijwel geen verkeer in Vientiane. Het valt dan ook niet mee om een taxi te vinden. Gelukkig kan ik na tien minuten een tuk tuk aanhouden.
Aanvankelijk zou mijn vlucht om acht uur vertrekken, maar bij het luchtvaartkantoor zei men dat het vertrek pas om half elf zou plaatsvinden. Ik neem toch maar het zekere voor het onzekere en zorg ervoor dat ik voor achten aanwezig ben.
Het luchtvaartkantoor had gelijk. Op het schoolbord staat dat het vliegtuig naar de Xieng Khuang Province om half elf zou vertrekken. In Laos mag je er dan nog wel een uur bij optellen.
De tijd is te kort om nog even de stad in te gaan, dus dood ik de tijd met het lezen van mijn boekje over Cambodja. Daar zit ik over ruim een week. Ik kijk intussen naar de vele mensen in de wachtruimte. Ze wachten op verschillende vluchten. Af en toe loop ik even naar buiten om naar aankomende en vertrekkende vliegtuigen en oude legerhelikopters te kijken. Het is nog niet zo lang geleden dat je per helikopter naar Xieng Khuang ging. Maar tegenwoordig is er weer een goed vliegveld, waar ook kleine verkeersvliegtuigen kunnen landen. Af en toe regent het even. Het is zwaar bewolkt en fris.
Mijn ontbijt stelt weinig voor vandaag. In Vientiane was om half acht nog niets te krijgen en hier op het vliegveld moet ik het met kleffe zoete broodjes en zoete sojamelk doen. Een behoorlijk restaurant heeft het internationale vliegveld van de hoofdstad van Laos niet.
Zoals verwacht is er weer vertraging, maar het valt mee ditmaal. Ongeveer rond elf uur stijgt de kleine Y12 op om via een wijde boog over Vientiane koers naar de Vlakte der Kruiken te zetten. Na ongeveer een kwartier zitten we boven het dichte wolkendek onder de stralend blauwe hemel. Gelukkig wordt de bewolking iets dunner als we de bestemming naderen.
Ineens zie ik het dorre landschap van Xieng Khuang. Het is een barre woestenij vol bomkraters. Het landschap is zodanig verwoest tijdens de Vietnam-oorlog, dat er niets meer wil groeien. Naar dit Siberië van Laos zijn de hmongs verbannen omdat zij tijdens de burgeroorlog aan de kant van de verliezende partij hadden gestaan. Vanwege de hmongs is het ook nog steeds gevaarlijk om over land van Vientiane of Luang Prabang naar Xieng Khong te reizen.
De landing verloopt weer keurig en eenmaal buiten merk ik dat het weer aanzienlijk beter is geworden. Ik loop naar het betonnen hok wat het luchthavengebouw moet voorstellen en wacht op mijn rugzak. Intussen word ik besprongen door allerlei lieden die mij flyers van guest houses en hotels in mijn handen drukken en mij mee proberen te trekken naar hun auto of tuk tuk. Een van hen is mr. Vieng-khong, een hmong. Hij nodigt mij uit in zijn guest house, het Vieng Thong Guest House te logeren. Dit staat echter slecht aangeschreven in de Lonely Planet. Ik raak in gesprek met vertrekkende reizigers die bij hem hebben gelogeerd, en zij zeggen erg enthousiast te zijn over het verblijf. Ze wisten van de vermelding in onze reisbijbel, maar zeggen dat er in de tussentijd veel verbeterd moet zijn. Ik waag het er maar op. De prijs die mr. Viengkhong vraagt is ook erg aantrekkelijk. 4000 kip inclusief transfers van en naar het vliegveld. Dat is bijna voor niets.
Met een tuk tuk rijden we naar Phonsavan, de hoofdstad van de provincie Xieng Khong. De redelijke weg voert door een dor en woest landschap. Het lijkt wel een beetje op het wilde westen van Amerika. Ook de huizen doen Amerikaans aan. We passeren het bekende Auberge de Plaine de Jarres, waar welgestelde en verwende toeristen hun intrek nemen. Maar mijn voorkeur gaat toch uit naar een van de vriendelijke pensionnetjes in het centrum. De hoofdstraat is precies Gun Smoke City uit de cowboyfilms. Kleurige, houten huizen. Niets wijst erop dat we hier in het Verre Oosten zijn, in het mysterieuze Laos. Alle huizen zijn vrij nieuw, want het oude Phonsavan is in 1969 door de Amerikanen van de aardbodem geveegd. Opmerkelijk zijn de vele raketten en bomfragmenten, die hier als versiering in de voortuinen staan opgesteld. Souvenirs van een verschrikkelijke oorlog die pas twintig jaar geleden beëindigd is.
Het Vieg Thong Guest House ziet er leuk uit. Het is een charmant gebouw dat echter weinig comfort belooft. Een dametje van middelbare leeftijd lijkt het etablissement te beheren. Zij geeft mij de sleutel van een ruime, tweepersoons kamer met wanden van gevlochten bamboe. Het is te hopen dat ik geen luidruchtige buren krijg.
Iets later komen er nog meer gasten. Tot mijn verrassing zie ik weer de op Marty Veldman lijkende Canadees die ik ook al in Muang Sing had ontmoet. Een andere jongen komt uit Engeland, maar is van oorsprong Kroaat. Hij noemt zichzelf Sonny en werkt voor de BBC. De Canadees heet John.
Ook twee vriendinnen, een uit Engeland en een uit Canada, nemen een kamer in het Vieng Thong Guest House. We besluiten om met zijn allen een busje met chauffeur te regelen voor een bezoek aan de Vlakte der Kruiken. Makkelijk is dat overigens niet, maar uiteindelijk spreken we tijdens de lunch iemand die een neef met een busje heeft. Hij haalt de neef en na een half uur zijn we het eens over de prijs. Zes dollar per persoon. Heel duur, maar toch nog veel goedkoper dan met de tuk tuk. De neef rijdt een zeer oude Russische minibus voor, die waarschijnlijk nog de Vietnam-oorlog heeft meegemaakt. Het voertuig kraakt en piept van alle kanten, maar het rijdt. De wegen in dit deel van Laos zijn zo slecht dat het lijkt alsof ze het Amerikaanse bombardement nog hebben meegemaakt. We worden continu tussen dak en stoel heen en weer gestuiterd. De chauffeur trekt zich echter nauwelijks iets aan van de wegomstandigheden.

Het blijkt dat de Vlakte der Kruiken uit drie hoofdlocaties bestaat die ieder een behoorlijk eind van Phonsavan afliggen. Er zijn ook nog wel kleinere locaties, maar daar liggen weinig kruiken, terwijl er bovendien nog onontplofte bommen liggen.
We gaan eerst naar site 3. Deze is niet de grootste, maar wel de mooiste. Het busje brengt ons tot een nabij gelegen dorpje, waarna we via dijkjes langs natte rijstvelden naar een bos lopen. Daar liggen de kruiken. Het lijkt wel Bijbels. Het mag een wonder heten dat deze lieflijke plek gespaard is gebleven, want al het omringende land is dor en woest. Het kost de bevolking moeite om hier weer wat landbouw te bedrijven.

Na een half uur lopen we terug naar het busje en rijden we naar site 2. Die ziet er heel anders uit. De kruiken lijken wel op die van site 3, maar het landschap is heel anders. Site 2 ligt op twee vrij hoge heuvels. Het is opmerkelijk hoe gaaf de oude kruiken nog zijn. En het blijft een groot mysterie waar ze vandaan komen. Inmiddels is de zon weer doorgebroken en kunnen we mooie foto’s maken.
We bezoeken een van de dorpjes in de omgeving, waar we bij de plaatselijke markt een hapje eten. De mensen zien er kleurrijk uit in hun fraaie hmong-klederdracht. Ze vinden ons nog interessanter dan wij hen.
Als laatste rijden we door het surrealistische landschap naar site 1. Dit is de grootste en meest bezochte locatie. Maar vandaag is er behalve ons groepje vrijwel niemand te bekennen. Locatie 1 ligt in het lelijkste landschap maar heeft de mooiste kruiken. Er zijn nog restanten te zien van een oud vliegtuig. Hier zijn veel bommen gevallen, maar toch hebben nog heel wat kruiken de strijd overleefd.

Ik laat mijzelf fotograferen terwijl ik in de grootste en meest gefotografeerde kruik van de Vlakte der Kruiken hang. Het is een exemplaar van zo’n zes ton. Ik moet aan de rand hangen, want de kruik zit half vol water.
Tijdens de terugreis naar Phonsavan gaat de zon onder. Het wordt nu snel donker. We eten ’s avonds in het kleine Chinese restaurantje waar we de neef van de chauffeur hadden ontmoet. Een geweldige keuken hebben ze niet in deze uithoek van Laos. De kippensoep komt uit blik en de kip met gember is ook geen reden om naar Phonsavan te komen. De sfeer in het restaurant is echter geweldig. We zitten er met zijn allen en maken lol met een van de gidsen, die een kostbare, massief gouden ketting om zijn nek heeft hangen. Hij wil later naar de Verenigde Staten, zegt hij. Dat heb ik vaker gehoord. Omdat er verder niets te beleven is in de stad, gaan we allemaal maar vroeg naar bed. De douche is ijskoud.

Zaterdag, 15 februari 1997

Echt geweldig geslapen heb ik niet in de oncomfortabele kamer van het Vieng Thong Guest House. Maar het personeel heeft zich rustig gehouden. De Lonely Planet had het over lawaaiige kerels die tot laat in de nacht zaten te drinken en te schreeuwen. Dat is kennelijk veranderd.
Het ontbijt is weer het gebruikelijke met omelet en oud brood. Wel is de koffie erg goed. Het groepje van John en Sonny blijft nog een dag en gaat vandaag een excursie maken door de omgeving van Phonsavan. Ik had ook nog wel een dag langer willen blijven, maar dan had ik morgen mijn vlucht naar Pakse niet kunnen halen. Die vertrekt al voordat de eerste vlucht uit Xieng Khuang in Vientiane aankomt.
Langzaam maar zeker realiseer ik mij dat ik de vroege vlucht had moeten nemen. Nu moet ik mij de halve dag in Phonsavan zien te vermaken en echt veel is er niet te doen. Ik zoek het kantoor van Lao Aviation op en probeer mijn ticket om te ruilen, maar het blijkt dat het daarvoor al te laat is. De beambte zegt dat ik die vroege vlucht nooit op tijd kan halen en dat ik beter de late vlucht kan afwachten. Het zij zo.
Ik slenter maar wat over de overdekte markt, maar veel is er niet aan. Er zijn geen bijzondere producten en geen mensen in traditionele kledij. Ik verbaas mij af en toe over de slechte kwaliteit van wat de marktkooplui aanbieden. Het zijn soms spullen die in Nederland direct langs de straat worden gezet. Ik vraag mij ook af waar ze het vandaan halen. Ik kan mij nauwelijks voorstellen dat in deze dorre provincie enige vorm van productie plaatsvindt. De enige zichtbare nijverheid is die van het toerisme.
Ik rust nog maar een paar uurtjes uit en kijk hoeveel geld en films ik nog heb. Het gaat hard. In 2 weken heb ik er zestien films doorheen gejaagd. Ik heb er nog maar 9 over. Ik moet dus zien dat ik aan diafilms kom, want er valt nog heel wat te fotograferen voordat ik over een week weer in Bangkok ben.
Mr. Viengkhong komt niet meer opdagen. Half een zie ik wel zijn compagnon. Ik betaal hem maar de rekening. Mr. Viengkhong staat waarschijnlijk al weer op het vliegveld om gasten te ronselen.
Hobbelend brengt de tuk tuk mij weer naar het vliegveld. Het lijkt verder dan op de heenreis. In het betonnen hok van het vliegveld is het een drukte van belang. Ik haal mijn stempeltje en zet de rugzak op de grote weegschaal. Het is in orde. Er zijn veel Vietnamezen die op een wat plagerige manier aandacht proberen te trekken. Een buitenlander, daar moet je wel lol mee kunnen hebben. Anderen staan verveeld een sigaretje te roken. Ik vraag mij af wat ze in Laos te zoeken hebben. De vertraging beloopt ditmaal ruim een uur. Maar dan kunnen we de kleine Y12 van Lao Aviation binnengaan. Het interieur met verschillende stoelen en met plakband uitgevoerde reparaties komt mij inmiddels bekend voor.
Onderweg val ik bijna in slaap door het monotone geronk van de propellermotoren. Lao Aviation heeft voornamelijk dit soort toestellen. Propellervliegtuigen van de typen Y7 en Y12, Chinese kopieën van Russische Antonovs. Verder hebben ze nog een aantal helikopters van de laatste oorlog en een echte Boeing 737. Op dat laatste vliegtuig zijn ze trotser dan Air France op haar Concorde. De oude 737 maakt het mogelijk om diensten op Bangkok, Phnom Penh, Yangon en Mandalay te onderhouden. Ook waren er plannen om op China en Vietnam te gaan vliegen. Ik vraag mij af of ze nog wel tijd voor het noodzakelijke onderhoud overhouden.
Na de landing zie ik tijdens de wandeling over het gloeiend hete platform een van de vele gaten over het hoofd. Ik struikel en haal mijn knokkels open. Gelukkig valt het mee en kan ik de verwondingen zelf verzorgen met betadine en pleisters.
Met een tuk tuk rijd ik naar het Lao International Guesthouse, waar men mij nog wel van de vorige keer kent. Ik krijg tot mijn grote tevredenheid dezelfde kamer.
Na een noodzakelijke douche wandel ik nog even het oude centrum van Vientiane door. Ik kan er nu beter tegen dan toen ik net uit het rustige en lieflijke noorden kwam. Ik koop twee dure diafilms (7000 kip) en bestel eten bij de Vietnamees. ’s Avonds pak ik nog even een biertje bij het Mixai-café om nog een laatste keer van het betoverende uitzicht over de Mekong te genieten. En ik wandel nog een keer naar die gekke Arc de Triomph. Onderweg passeer ik een aantal night clubs, maar ik zie al aan de wachtenden voor de deur dat ik daar behoorlijk uit de toon zou vallen. De Laotianen zien er tip top verzorgd uit en ik loop erbij alsof ik een jungletocht van enkele dagen erop heb zitten. Bovendien lijkt het mij niet zo gezellig om in mijn eentje uit te gaan in dit land waar ik slechts twee woorden van de taal beheers.
Bij de Arc de Triomph is het wel gezellig. Ik krijg makkelijk aanspraak van studenten die wat Engels willen spreken. Maar natuurlijk beperkt ook hun kennis van de Engelse taal zich tot Wheeh you flom? en Wheeh you go? Het is natuurlijk wel heel gezellig. Ik wou dat ik wat Lao kon spreken. Als de schijnwerpers om negen uur doven loop ik maar weer terug naar het hotel.

Zondag, 16 februari 1997

Vandaag vertrek ik naar Pakse in het zuiden van Laos. Ik moet heel vroeg op, want het vliegtuig gaat al om zeven uur. Tenminste, dat vermeldt de dienstregeling. Helaas heb ik niet best geslapen. De hele nacht hoorde ik honden blaffen.
Al om zes uur ga ik de deur uit. De receptioniste ligt languit te slapen op een van de banken in de lobby. Hoewel ik gisteren al betaald heb, moet ik haar helaas toch wekken. De buitendeur is namelijk op slot.
Met een van de weinige tuk tuk’s rond dit uur rijd ik naar het vliegveld. De chauffeur vroeg 3000 kip voor dit ritje, maar ik ken de prijzen inmiddels en geef hem zonder discussie een briefje van duizend. Het is goed.
Op het vliegveld is het al verrassend druk. Ik moet dringen om bij de balie te komen. Bijna vergeet ik nog mijn provinciestempeltje te halen. Dat is belangrijk, anders kom je onderweg naar het vliegtuig niet langs de douane. Ik zie ook het Japanse stel weer dat ik op de boot naar Luang Prabang heb leren kennen. De overenthousiaste man en het volgzame vrouwtje dat de hele dag het kind op de arm draagt, gaan naar Savannakhet.
Het ontbijt kan ik vergeten vandaag. Er is alleen uitgedroogd stokbrood te koop op het vliegveld. Intussen loopt de vertraging weer aardig op. Pas anderhalf uur na het officiële tijdstip van vertrek, worden de passagiers van mijn vlucht opgeroepen om naar het vliegtuig te gaan. Ik kan met moeite het woord Pakse in de Loatiaanse woordenbrij herkennen.
Op het platform staat onder de dichtbewolkte hemel een grote Y7 klaar voor vertrek. Ik kan als een van de eersten naar binnen en weet een mooie plek voorin aan het raam te bemachtigen. Al snel zie ik Vientiane verdwijnen in de wolken. Het toestel zet via de Mekong koers naar het zuiden.
Onderweg serveert de stewardess zowaar een zoet broodje bij de koffie. Het is toch wel erg schattig allemaal. Lao Aviation wordt vast nog wel eens een echte luchtvaartmaatschappij. Na ruim een half uur vliegen lost de bewolking op en zie ik in de diepte de Mekong stromen. We volgen voortdurend de loop van de rivier. Na iets meer dan een uur landt het toestel. We zijn in Pakse, in het zuiden van Laos.
Het is bloedheet. Door de trillende lucht zie ik dat er net voor ons nog een Y7 is aangekomen. Waarschijnlijk uit Savannakhet. Ik worstel mij door de mensenmenigte naar buiten en klim op een van de jumbo’s die straks richting stad zal rijden.
Ik ga op zoek naar het Pakse Hotel, dat schuin tegenover het busstation moet liggen. Het is makkelijk te vinden, maar het ziet er verlaten uit. Ik vrees dat er een verbouwing aan de gang is, of dat het geheel is gesloten.
Mijn vrees blijkt niet gegrond. Alleen bevindt de receptie zich in een winkelpand naast het hotel. De goedkoopste kamers blijken allemaal vol te zitten, maar er is nog een kamer die slechts 1000 kip duurder is. Voor dat extra geld zit ik dan dichter in de buurt van de gemeenschappelijke doucheruimte.
Het betonnen gebouw van het Pakse Hotel doet denken aan een soldatenkazerne. Er is niets gedaan om het sombere interieur ook maar iets op te vrolijken. Een bewaker zit lamlendig op een houten stoeltje en kijkt mij lodderig aan. Ik laat hem de kamersleutel zien en hij verwijst mij naar een trap aan het andere eind van een grote hal. Via een doolhof van houten trappetjes weet ik mijn kamer te vinden. De kamer is gelukkig wat beter van kwaliteit dan je op het eerste gezicht van dit hotel zou verwachten. De douche is inderdaad naast de deur.
Ik ga snel op zoek naar vervoer, want ik wil nog vandaag de beroemde Khmer-tempel Wat Phu bezoeken. In de haven vang ik helaas bot. De laatste veerschepen naar Champasak zijn al vertrokken. Er gaat om twee uur ook nog wel een boot, maar dan heb ik geen vervoer meer terug naar Pakse. Ik besluit dan maar naar het busstation te lopen. Helaas vergis ik mij in de afstand. Bovendien is het smoorheet. Steeds denk ik dat ik er bijna ben en laat ik tuk tuk’s die voor mij stoppen doorrijden. Dom. Onderweg passeer ik een leuk Chinees tempeltje. Typisch, want ik ben hier heel ver van de Chinese grens af.
Dan kom ik eindelijk bij het busstation aan. Helaas lukt het mij niet een geschikte bus te vinden. Er gaan wel bussen naar Champasak, maar die vertrekken pas om een uur. Als ik dan ook nog de tempel wil bezoeken, zal ik geen bus terug meer kunnen krijgen. Een man op een brommer probeert mij te helpen, maar ook hij krijgt te horen dat het vandaag niet meer mogelijk is om per bus heen en terug naar Wat Phu te gaan.
Dan word ik aangesproken door twee mannen met een tuk tuk. Zij lijken direct te begrijpen waar ik heen wil, want zonder dat ik een woord heb kunnen zeggen bieden zij mij een rit naar Wat Phu aan. Ze vragen in eerste instantie 30 dollar, maar dat vind ik veel te duur. Ik kijk nog even of er andere tuk tuk’s zijn, maar er is niet een chauffeur die nu nog naar Wat Phu wil rijden. Uiteindelijk kom ik weer bij de eerste tuk tuk uit. We worden het eens over 25 dollar. Ik vind het nog steeds erg duur, maar de tempel schijnt echt de moeite waard te zijn.
Het eerste deel van de rit over een asfaltweg verloopt wel aardig, maar dan verlaten we de route 13 om via een eindeloze stofweg verder te rijden. De hobbels zijn niet eens het ergste. Iedere keer als er een tegenligger passeert krijgen we een dikke wolk rood stof over ons heen. Uiteindelijk ben ik geheel, van mijn haar tot mijn schoenen, roodbruin. Het afzien duurt een uur. Dan zijn we bij de Mekong, die we per veerpont moeten oversteken. De pont is echter net weg, zodat we een half uur zullen moeten wachten. We drinken intussen maar iets bij een dame die een kennis van de chauffeur blijkt te zijn.
Ik maak kennis met de chauffeur. Hij heet Joy. Tenminste, zo noemt hij zich. Hij spreekt niet zo geweldig Engels, maar we kunnen toch redelijk converseren. Joy vertelt over de schoonheid van de Wat Phu. Hij zegt dat ik geen spijt van zal krijgen, dat ik deze tocht ondernomen heb. Ik ben benieuwd.
Aan de overkant van de Mekong is de weg aanzienlijk beter. Ik denk er maar even niet aan dat deze route ook per schip gevolgd kan worden en dat dat een prachtige tocht is. Alleen had ik voor het schip al ’s morgens om 8.00u in Pakse moeten zijn. Dat was zelfs niet gelukt als het vliegtuig op tijd vertrokken was.
Via redelijke wegen door een prachtige natuur bereiken we het tempelcomplex. Van een afstand ziet het er uit als een hopeloos beschadigde ruïne, maar van dichtbij vallen de talrijke decoraties van de eeuwenoude muren op. De beelden verkeren nog in een redelijke staat en zijn prachtig om te zien.

Wat Phu bestaat uit twee grote gebouwen met een enorm binnenplein. Het is vanwege instortingsgevaar echter niet toegestaan de gebouwen binnen te gaan. Toch kan ik de verleiding niet weerstaan om wat te klimmen over de her en der verspreide blokken, die ooit een van de muren hebben gevormd.
Tussen de twee gebouwen door loopt de hoofdweg die via een eindeloze trap de berghelling opgaat. De trap wordt geflankeerd door de zeldzame witte plumeria-bomen. Als leuning dienen twee Naga’s, mythische meerkoppige slangen die de tempels bewaken.
Vanaf de trap is te zien dat het complex nog veel meer gebouwen omvat. Ook zijn er twee nieuwe gebouwen aan een zeer grote vierkante vijver. Deze zijn gebouwd door de vroegere Laotiaanse vorsten, om van daaruit bootspelen op de vijver te kunnen aanschouwen. Inmiddels zijn ook die nieuwere gebouwen tot ruïnes vervallen.
De regering wil het Wat Phu-complex restaureren, maar de Laotianen kennende zal dat nog wel vele jaren op zich laten wachten. Gelukkig maar, want je kunt dit soort monumenten beter met rust laten.
Boven aan de trap is een bos met daarin centraal gelegen een van de mooiste tempels van het Wat Phu-complex. Het is de tempel van de heilige bron. Dit gebouw is zeer oud. Een gedeelte dateert uit de zesde eeuw, het Chenla-tijdperk. In die tijd was de tempel nog Hindoeïstisch, wat ook blijkt uit de beelden van Vishnu, Shiva en Kala. Later is het complex boeddhistisch geworden. In de twaalfde eeuw, de Angkor-tijd, is het gebouw uitgebreid met een Boeddhistisch gedeelte.
De sfeer is heel bijzonder. Ik ontmoet een jong Duits stel en maak kennis met ze. We verbazen ons over de jonge Laotianen die rond het complex hangen en geen enkel respect lijken te tonen. Met schoenen aan zitten ze elkaar achterna door de gangen van het tempeltje. Toch wordt het Boeddhabeeld in het gebouwtje goed onderhouden. Er branden verschillende wierookkaarsjes bij het beeld. Een Laotiaans vrouwtje zit te bidden.
De Duitse jongen heet Dieter. Hij is met zijn vriendin Isabel op wereldreis. Ook zij vinden Laos een geweldig land, vanwege de vriendelijke sfeer. Het blijkt dat zij per boot zijn gekomen vanochtend. Ik vraag of zij nu ook weer terug kunnen met de boot, maar dat blijkt niet mogelijk. Dieter zegt dat zij niet de eerste boot hadden genomen en daardoor over land terug moeten naar Pakse. Waarschijnlijk zouden zij overnachting in Champasak zoeken. Ik neem afscheid van Dieter en Isabel en loop weer naar beneden via de lange trap. Beneden maak ik nog stiekem wat beelden met de camcorder. Daar had ik eigenlijk apart voor moeten betalen.
Half vier ben ik weer terug. Joy wil terug naar Pakse. Hij is bang dat wij het anders niet voor donker zullen halen. Maar dan mis ik ineens mijn statief. Ik had het beneden laten staan in het vertrouwen dat in Laos niet gestolen wordt. Dom natuurlijk. Joy gaat zoeken en komt tot mijn verrassing al snel weer terug, met het statief. Hij had kennelijk een gegrond vermoeden wie het had meegenomen.
Snel rijden we weer terug naar de pont. Maar het duurt even voordat we naar de overkant kunnen. De pont is in reparatie zegt Joy. Een andere mogelijkheid om in Pakse te komen is er niet. Als we dan eindelijk aan de overkant zijn, zet Joy er behoorlijk de vaart in. Met een onverantwoordelijke snelheid racen we over de kuilen en hobbels van de stofweg. Het ongemak maakt het onmogelijk om van de schitterende natuur in dit vruchtbare deel van Laos te genieten. Foto’s maken onderweg is er al helemaal niet bij en dat is jammer, want we passeren via ijzeren vakbruggen een aantal schitterende rivieren.

Als we met het invallen van de schemering hoofdweg 13 hebben bereikt ben ik zo smerig van het stof, dat ik betwijfel of ik ooit nog schoon zal kunnen worden. Mijn witte T-shirts zullen wel nooit meer wit worden. Zelfs het ademhalen doet pijn.
Pas om zes uur, het is inmiddels donker, zijn we terug in Pakse. Joy zet mij af voor het hotel en ik dank hem voor de rit. Ik moet hem achteraf gelijk geven. Het was onmogelijk geweest op een andere manier heen en terug naar de tempel te reizen.
Voordat ik naar binnen ga klop ik mij uitgebreid uit. Ik sla mijn T-shirt uit en probeer mijn tas weer een beetje stofvrij te krijgen. Het blijft bruin allemaal. Gelukkig zit ik niet in het Hilton. De receptionisten kijken nauwelijks op van mijn uiterlijk.
Na een uur douchen en vergeefse pogingen om mijn kleding weer toonbaar te krijgen zoek ik een restaurantje. Ik kom het Duitse stel weer tegen. Zij eten een hapje mee. De bediening is weer typisch op zijn Laotiaans. Je moet schreeuwen om het personeel van de TV weg te krijgen.
Met de Duitsers zoek ik een discotheek op. Er is er maar een in Pakse, maar dat is wel een mooie. Binnen is live-muziek. Een draadloze microfoon gaat rond zodat gasten om beurten de zanger kunnen vervangen.
Er zit heel wat zangtalent tussen het publiek. Het verbaast mij ook dat de gasten de liedjes feilloos uit hun hoofd kennen. Het zal wel elke avond hetzelfde repertoire zijn. De consumptiekaart biedt niet veel keus. We nemen uiteindelijk maar lauw bier met ijsklontjes. Iets smerigers bestaat gewoon niet. Ik had liever lauw bier zonder ijsklontjes gehad, maar dat is het personeel niet aan het verstand te brengen.
We raken in gesprek met een Duits sprekende Laotiaan, die in zijn eentje bezig is een fles whiskey van 50 dollar soldaat te maken. Zijn stem is al aardig aangetast door de sterke drank, maar ik kan hem nog verstaan. Hij woont in Berlijn en is nu op bezoek bij familie. Zeventien jaar geleden is hij via Thailand naar Duitsland gevlucht, waar zijn broer woonde. In Duitsland heeft hij zijn vrouw leren kennen, een half Vietnamese en half Laotiaanse.
Ik dans wat met de Laotiaanse meisjes en Isabel. Het is heel plezierig in de discotheek. Ook hier manifesteert zich weer het lieve karakter van de Laotianen. Middernacht gaat het tl-licht aan en begint het personeel te vegen. Het is sluitingstijd. Doodmoe wandel ik terug naar het Pakse Hotel. Morgen moet ik weer vroeg op.

Maandag, 17 februari 1997

Als je met de bus ergens naar toe wil moet je in Laos vroeg opstaan. Zo ook vandaag. Ik wil naar het prachtige natuurgebied Tat-lo, nabij de stad Salavan. Daar komt onder andere een groot deel van de koffie vandaan. Volgens de Lonely Planet rijden er vanaf zes uur bussen. Helaas is dat omgekeerd ook zo. ’s Morgens vroeg vertrekken er bussen van Salavan naar Pakse, maar ’s middags is er geen vervoer meer. Afijn, ik zie wel.
Wetend hoever het busstation is, pak ik een tuk-tuk. Er staat een groot aantal bussen gereed voor vertrek. Enkele daarvan rijden volgens een Engels sprekende Laotiaan naar Salavan. Het is niet uit de opschriften op te maken, want die zijn allemaal in Laotiaans schrift. Veel passagiers zijn er nog niet rond deze tijd. Het is zes uur. Maar de man verzekert mij dat ze om zeven uur gaan rijden.

Bij een van de stalletjes koop ik een pak koek voor onderweg. Ook koop ik ijskoffie. Een meisje verkoopt die in plastic zakjes waar een rietje uitsteekt. Het is heerlijk. Extreem sterke koffie, zonder suiker in de vorm van vergruisd ijs. Je kunt het veilig drinken, want het is van gekookt water gemaakt.
Naarmate het tijdstip van vertrek nadert, stromen de mensen toe. Al snel moet ik de bus in om nog een zitplaats te kunnen bemachtigen. Voor mij neemt een stel reizigers plaats. Ik maak kennis met hen. Een nogal intellectueel ogende jongen met dun blond haar stelt zich voor als Patrick. Hij komt uit Berlijn, woont in Brussel en heeft de Duits/Belgische nationaliteit. Ik wist niet dat dat kon. Hij stelt een Franse vrouw aan mij voor, Christianne. Zij hebben gisteren kennis met elkaar gemaakt. Patrick zegt een Laotiaanse tegengekomen te zijn die ons naar Tat-lo wil gidsen en voor vervoer terug naar Pakse kan zorgen. Dat is handig. Er reizen ook twee Japanse meisjes en een Chinees meisje met ons mee. De meisjes studeren Laotiaans in Vientiane en hebben op het moment vakantie. Gelukkig spreekt iedereen wel redelijk Engels, al wordt vanwege Christianne meer Frans gesproken. Patrick spreekt ook vloeiend Japans. Hij heeft die taal zes jaar gestudeerd in Japan.
Tegen half acht kan er geen muis meer bij. De bus kan vertrekken. Ronkend draait de zeer oude, tot bus omgebouwde Japanse truck de hoofdweg op. De bus is duidelijk berekend op de gesteldheid van de Laotiaanse wegen. Het is een onverwoestbaar voertuig, dat volgens mij zelfs een val in een ravijn nog zou overleven. Erg comfortabel is het allemaal niet. Het is niet berekend op Europeanen. Zelfs de Aziaten zitten krap.
Gelukkig is de weg uitstekend. De weg tussen Pakse en Salavan schijnt de enige fatsoenlijke weg van heel Laos te zijn. Waarom begrijp ik niet. Het is geen belangrijke route of zo. Het is ook geen verbindingsweg naar bijvoorbeeld Thailand of Vietnam. Misschien de gril van een ambtenaar?
Na twee uur rijden door een overweldigend mooie natuur zijn we bij Tat-lo aangekomen. Ik loop mee met het kleine groepje achter de Laotiaanse vrouw aan. Zij spreekt geen buitenlandse talen, maar de meisjes, de Japanse Tomoko en Chinese Chau Cun, vertalen haar woorden naar het Engels. Het tweede Japanse meisje, Satoko, zegt niet veel. Een beetje verlegen, volgens Tomoko die voor tien praat.
We kopen eerst wat bronwater in en beginnen dan aan een lange wandeling langs koffie- en bananenplantages. We volgen een weg die naar een grote waterval leidt. Alleen staat die waterval in deze tijd van het jaar helaas zo goed als droog.
Het bekende Tat-lo-resort laten we links liggen. Het is een groot bungalowcomplex voor welgestelde toeristen. Die kunnen per olifant een ritje door de prachtige omgeving maken. Voor reizigers is het complex echter niet bijzonder interessant.

Na ruim twee uur lopen komen we bij een dorpje aan. De zeer vriendelijke Laotiaanse probeert ook met Patrick en mij te communiceren, maar dat lukt toch niet zonder hulp van de twee Japanse meisjes. In het dorpje woont de Alak-stam. Het vrouwtje legt uit hoe deze mensen leven. Hun huizen staan in een grote cirkel rond de buffelplaats. Midden op die plaats is een grote gemeenschappelijke ruimte gebouwd. Daar worden de oogst- en slachtfeesten gehouden. Ook bruiloften vinden in de gemeenschappelijke ruimte plaats. De bruid en bruidegom geven elkaar en hun ouders dan varkens bij wijze van bruidschat. Vaak moeten de jongeren eerst jaren hard werken om de voor het huwelijk benodigde varkens bijeen te sparen.
We lopen verder. We passeren enkele stofwegen en lopen dan via een klein kronkelpad de jungle in. Onderweg passeren we een snelstromende rivier waar veel mensen zich op dat moment aan het wassen zijn. Het is een prachtig gezicht.
Via stenen moeten we de overkant kunnen bereiken, maar de stenen zijn rond en spiegelglad. Je moet wel heel behendig zijn om hier met droge voeten aan de overkant te komen. Uiteindelijk geef ik het maar op. Het risico om uit te glijden en lelijk te vallen is te groot. Met natte, sompende schoenen bereik ik de andere oever. Niemand van het gezelschap lukte het overigens om droog de rivier over te steken.
Helaas zien we geen olifanten. Die dieren worden hier nog voor de bosbouw ingezet. Maar het schijnt in deze streek nu geen kapseizoen te zijn. Als ik per se olifanten zou willen zien, zou ik genoegen moeten nemen met die van het Tat-lo-resort. En dat hoeft nu ook weer niet. We komen weer terug in het dorpje Tat-lo. De vrouw gaat haar broer halen die ons met een nieuwe Toyota-pickup terug naar Pakse zal brengen. We moeten achter in de laadbak plaatsnemen. De vrouw legt er matrassen en kussentjes in om ons nog enig comfort te bieden, maar we zullen ons onderweg goed moeten vasthouden.
We stoppen halverwege nog bij een dorpje. Hier woont weer een andere minderheid van Laos, het Katu-volk. Ook deze mensen bouwen hun huizen rond een centraal plein, alleen is dat plein hier rechthoekig in plaats van rond. Er is ook geen centraal gebouw voor festiviteiten. In plaats daarvan zijn er vierkante plateaus gebouwd waarop koffiebonen liggen te drogen. We nemen nog een zakje ijskoffie.
Bij een van de huisjes van het dorp heeft zich een menigte mensen verzameld. Een jongen heeft een grote open wond aan zijn been opgelopen. Het ziet er vreselijk uit. Als de mensen ons zien beginnen ze meteen om geld te vragen voor het ziekenhuis. We geven ze wat briefjes, maar we betwijfelen of ze de jongen naar een ziekenhuis zullen brengen. Ik vraag me af of er een ziekenhuis is in deze afgelegen provincie.
We lopen verder. De Laotiaanse legt uit dat de mensen hier onder hun op palen gebouwde huizen hun lijkkist bewaren. Ik zie inderdaad enkele fraai bewerkte houten kisten onder enkele van de huizen liggen. Hoe hoger de status, des te mooier de kist. Vrouwen bieden ons weefwerk aan, maar vragen daar bijzonder veel geld voor. Ik vraag mij daarom kritisch af wat ik er eventueel mee zou kunnen doen en besluit dus maar niets te kopen.
We kruipen weer in de Pick-up en rijden terug naar Pakse. Ik ben blij dat de weg zo goed is, anders zouden we met deze snelheid, 100 km/u, zeker uit de laadbak geslingerd zijn.
Terug in Pakse informeer ik naar de plannen van Patrick en de anderen. Op Christianne na blijken ze allemaal naar Don Khong te willen, net als ik. Het lijkt mij gezellig en handig om gezamenlijk te reizen. Dat is goed. In de overdekte markt wissel ik travellercheques om, zodat ik de komende dagen genoeg geld zal hebben, want in Don Khong is geen bank.
’s Avonds eet ik met het kleine gezelschap in een locaal restaurantje. Goed eten, voor belachelijk weinig geld. Later kom ik op straat het Duitse stel weer tegen. Ik vraag of zij ook nog naar Don Khong gaan, maar zij kiezen voor Savannakhet. Ik waarschuw hen voor de beruchte weg tussen die stad en Pakse, maar daar zijn ze van op de hoogte. We gaan weer naar dezelfde discotheek van gisterenavond. Tomoko gaat ook mee. De rest van het clubje wil vroeg slapen, omdat we er morgen al weer om vijf uur uitmoeten. Na twee walgelijke biertjes met ijsklontjes, houden we het voor gezien. Ik neem afscheid van de Duitsers en wandel met Tomoko in de richting van het Pakse Hotel.

Dinsdag, 18 februari 1997

Ondanks mijn grote vermoeidheid ben ik al wakker voordat de wekker gaat. Het is bijna vijf uur. Ik pak mijn laatste spullen in en loop naar buiten. Ik had gisteren het hotel al betaald. Buiten is het redelijk druk. Bij het kleine busstation in het centrum staan de tuk-tuk’s met hun slapende chauffeurs te wachten op klanten en door de straten duwen kooplieden hun waren naar de markt. Rond half zes komen de anderen, die elders een hotel hadden gevonden. We wekken een tuk-tuk-chauffeur en laten ons naar het busstation rijden.
Het is hetzelfde tafereel als gisteren. Alleen moeten we nu een andere bus hebben. Ik neem weer een zakje van de heerlijke ijskoffie. De rest van het ontbijt bestaat uit een lekker Frans stokbroodje met zeer kruidige paté. Op aanraden van Tomoko haal ik de pepertjes eruit, maar het blijft uiterst pittig.
Net als gisteren vertrekt de bus als alle plaatsen maximaal bezet zijn. Dat betekent dat je ingeklemd zit tussen je medepassagiers. Tomoko maakt een praatje met de chauffeur. Als ze naar ons toekomt zegt zij alsof zij het zelf zo bepaald heeft, dat de bus er vijf uur over zal doen. Maar dan voegt ze er veelbetekenend ‘he says’ aan toe, terwijl ze over haar schouder naar de chauffeur wijst. Gewend aan de punctuele dienstregelingen van Japan, moet Laos voor dit meisje een ramp zijn.
Even na half acht beginnen de bussen te dringen om het busstation te kunnen verlaten. Ook onze bus worstelt zich door de drukte heen en al snel hobbelen we over het verschrikkelijke wegdek van de route 13.
Al na een uur weet ik niet meer hoe ik zitten moet. Het lijkt op vervoer van varkens naar de slacht. Die kunnen het nauwelijks slechter hebben dan de mensen die met ons de bus delen. Pas na bijna drie uur houdt de bus een rustpauze. We staan in een klein dorpje met enkele restaurantjes die het volledig van buspassagiers moeten hebben. Maar omdat wij niet precies weten hoelang de bus blijft wachten, dat hangt van de chauffeur af, blijven we maar een beetje in de buurt.
Terwijl we verder hobbelen, zien we dat op verschillende plaatsen aan een nieuwe weg wordt gewerkt. Dat is geen overbodige luxe. Wel is het jammer dat er veel natuur voor moet wijken. Ik hoor van een Thaise man die voor ons zit, dat de nieuwe weg van groot economisch belang wordt voor Laos, evenals een nieuwe spoorweg die Pakse in de nabije toekomst met Vietnam moet verbinden.
Intussen komen we behoorlijk onder het stof te zitten. De weg is hier net zo beroerd als die naar Wat Phu. En omdat in de ramen geen glas zit, waait alles naar binnen. Ik begrijp nu waarom vooral de vrouwen zich geheel in lakens gewikkeld hebben. Die kennen deze bus.
Na vijf uur hobbelen komen we bij de oever van de Mekong aan. Aan de overkant zien wij het eiland Don Khong liggen. Patrick heeft tijdens de rit een poos met de Thaise man zitten praten en vertelt ons nu dat we zijn uitgenodigd om een begravenisritueel bij te wonen van een familielid van hem. Hij is reisleider in Thailand, maar een deel van zijn familie woont in Zuid-Laos. Nu een vrij belangrijk familielid van hem is overleden, moet hij wel naar Laos.
Op het eiland is de weg ongelooflijk slecht. De truck moet nu stapvoets rijden om niet om te vallen. Het lijkt wel een maanlandschap. Het scheelt nog dat het nu de droge tijd is. Tijdens de moeson lijkt mij op dit eiland geen wegverkeer mogelijk. Dan zul je wel op een buffel moeten rijden, of zo. We rijden bijna tot aan het eindpunt en stappen dan uit bij een klein tempelcomplex. We wandelen verder en komen bij de andere oever van het eiland Don Khong aan. Met een kleine motorboot steken we over naar het eiland Don Hinyai.
Natuurlijk ben ik benieuwd naar de begrafenisplechtigheid van vanavond, want zo’n gebeurtenis toont bij uitstek iets van de cultuur van de Laotianen en is in geen enkel opzicht te vergelijken met een Europeaanse begrafenis. Maar toch vertrouw ik de Thaise gids niet helemaal. Hij spreekt behalve Thais alleen Frans en alleen Patrick kan hem verstaan. Ik vraag mij intussen af hoe we straks weer terug moeten naar Don Khong. Want een officiële bootverbinding is er niet tussen de eilanden.
Dan begint het lange wachten. We zitten op een grote bamboe varanda op de oever van de Mekong. Het is een mooi gezicht, maar ik kan er slecht tegen dat er niets te doen is. Patrick zegt dat ik mij niet moet opwinden, maar hij is de enige die het allemaal best lijkt te vinden. Rationeel gezien is er ook niets aan de hand, maar voor mijn gevoel had ik beter op Don Khong kunnen blijven. Nu voel ik mij op een of andere manier erg afhankelijk van de Thaise man, die ons uitgenodigd heeft.
Ik raak geïrriteerd. Er wordt vrijwel alleen nog in het Frans en Japans gesproken. Japans vanwege Tomoko en Satoko en Frans vanwege Franscesco, een Italiaanse jongen die wij op Don Hinyai hebben leren kennen.
Na enkele uren zien wij de Thaise man weer. Hij stelt ons voor aan zijn familie en zegt dat wij bij hem onderdak kunnen krijgen voor de nacht. Intussen serveert de vrouw des huizes ons kleefrijst met visjes en sla. Het zit samengeperst in een bamboe koker en het is de bedoeling dat je het er met je vingers uitgraait.
Het begrafenisritueel is pas ’s avonds. Om de tijd te doden maken we nader kennis met elkaar. Franscesco heeft een half jaar uitgetrokken voor een reis door Thailand, Laos en de Philippijnen. Patrick heeft net zijn zesjarige studie Japans erop zitten en reist nu een jaar rond voordat hij weer terug naar Europa gaat. Hij heeft tijdens zijn studie voor Japanse bedrijven gewerkt om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien.
Tomoko is de leukste van het stel. Ze spreekt uitstekend Engels. Ik schep op dat ik ook wel wat Japans spreek en dreun de woorden op die ik met karate heb geleerd. Zij vindt het erg grappig en zegt dat ze zelf ook de karatesport beoefend heeft. Als ik vraag waarom zij Laotiaans studeert, antwoordt zij lachend dat zij dat doet, omdat niemand anders Laotiaans wil studeren. Ik vraag haar of het waar is dat in Tokio functionarissen bestaan die mensen in de metro moeten duwen en of je daar echt in de muur kunt slapen. Ja natuurlijk, antwoordt ze alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. Het in de muur slapen is een oplossing voor mensen die de peperdure hotels van de Japanse hoofdstad niet kunnen betalen. Je krijgt dan een kastje met tv en airconditioning, dat net groot genoeg is om in te liggen.
Tegen de avond komt de Thai terug. Hij heeft een man bij zich die hij voorstelt als politiefunctionaris. De politieman wil onze paspoorten zien. We laten die zien, maar dan wil hij de documenten ook meenemen. Voor een provinciestempeltje, vertaalt Patrick. Iedereen geeft zonder meer zijn paspoort af, maar ik protesteer. Het is gevaarlijk om in Communistische en dictatoriale landen niet over een paspoort te beschikken. Ook in een vriendelijk land als Laos kun je zonder paspoort of visum in grote problemen komen. Het duurt een kwartier en al die tijd proberen Patrick, de Thai en de politieman mij ervan te overtuigen dat ik het paspoort snel weer terug krijg. Ik bied aan om met de politieman mee te lopen. Maar dat kan niet. Uiteindelijk vertrouw ik er maar op en geef ik het paspoort af. Daar zou ik nog spijt van krijgen.
Het duurt nog wel even voordat het avond is. Ik besluit een rondje om het eiland te lopen. Er is een pad. Maar na een uur wandelen blijkt het eiland toch groter dan ik aanvankelijk had gedacht. Het is ook niet zo’n leuk eiland. De mensen gedragen zich vreemd tegenover mij, bijna vijandig. Groeten en vriendelijk glimlachen is er hier niet bij.

Als de zon begint te dalen, besluit ik een zijweg in te slaan om het eiland dwars over te steken en zo een stuk af te snijden. Maar helaas gaat het pad slechts tot aan de rijstvelden. Ik moet verder door een bos, maar ik ga toch door in de wetenschap dat als ik de zon aan mijn linkerkant houd, ik toch uiteindelijk bij de andere oever moet uitkomen.
Het valt tegen. Het lijkt wel alsof ik nooit aan de andere kant kom. Is dit wel een eiland? Ik loop maar weer terug, nu met de ondergaande zon aan mijn linkerzijde, en kom uiteindelijk weer bij de rivier uit. Nog een half uurtje wandelen en dan ben ik weer terug bij het huisje. Terwijl het donker wordt neem ik met Patrick nog een duik in de Mekong.
We eten even later gezamenlijk op de veranda en kijken uit over de rivier. Helaas kan ik weinig waardering opbrengen voor het natuurschoon en de unieke sfeer. Thuis zou ik er misschien heel wat voor over hebben om eens zo’n avond als nu te mogen meemaken, maar nu zit ik in over mijn paspoort, dat nog steeds niet is teruggegeven.
Rond een uur of tien gaan we naar de begrafenisplechtigheid, waarvoor we naar dit eiland gekomen zijn. We volgen de man over dijkjes tussen de rijstvelden en horen na een tijdje luide muziek in de verte.
Dan komen we op het feestterrein bij de tempel aan. Het is een bijzonder gezicht. Er zijn honderden mensen, waarvan de meesten niet op dit eiland wonen. De Thai leidt ons rond en stelt ons voor aan familieleden. Er is geen teken van rouw te zien.
Het terrein is verdeeld in een feestterrein met een soort kermis zoals ik die ook in Luang Prabang heb meegemaakt. Het andere deel bestaat uit een markt waar je allerlei begrafenisversierselen en consumpties kunt kopen. Nieuwsgierig wandel ik rond. Voor de tempel is een enorme brandstapel gebouwd met boven in de kist met de overledene. Het geheel is schitterend opgetuigd met slingers, kleden en andere versierselen. Het moet inderdaad wel een belangrijk persoon zijn geweest. Op het feestterrein zijn optredens van zangers en dansgroepjes. Er wordt gedanst op live-muziek en de verlichting bestaat weer uit schaarse gekleurde tl-lampen en slingers met kleine gloeilampjes. De elektriciteit komt van een grote generator.
De prijzen zijn niet gering hier. Een flesje bier kost 2000 kip. Dat moet voor een Laotiaan nauwelijks te betalen zijn. Toch wordt er aardig wat gedronken.
De kermis is veel minder gezellig dan die van Luang Prabang. Dat komt vooral omdat de mensen minder aardig zijn. Ook zijn ze duidelijk nog niet aan buitenlanders gewend. Nergens in Laos werd ik zo aangegaapt als hier.
We blijven tot ongeveer middernacht. Dan zoeken we iedereen weer bij elkaar om via de rijstvelden terug te lopen naar het huis aan de rivier. We weten intussen nog niet precies hoe het met de overnachting geregeld is, maar we zullen vast wel ergens kunnen slapen.
De Thai nodigt ons uit in het huis van zijn familie. De meeste mensen liggen intussen al te slapen. We stappen over hun lichamen heen en zoeken een plaats om te gaan liggen. Hopelijk zijn er geen muggen, want klamboes hebben ze hier niet. Ik zie ook geen mogelijkheid om mijn eigen klamboe in het pikdonkere huis op te hangen. Er is geen bed en er zijn geen dekens. Wel vind ik een kussen waarop ik mijn hoofd kan leggen. Buiten hoor ik in de verte de boten met feestgangers vertrekken.

Woensdag, 19 februari 1997

Slapen lukt nauwelijks op de harde vloer. Om vijf uur begint het hanenconcert. Ik draai mij nog een paar keer om, maar sta op als het om zes uur licht begint te worden. De meeste mensen slapen nog, maar Patrick is ook al op. We zwemmen wat en doen de was. Het gaat wat klungelig met mijn tube wasmiddel en de tijdens stoffige ritten bruin geworden T-shirts krijg ik niet meer wit, maar alles ruikt straks wel weer fris.
Ik overleg met de rest van het groepje hoe we aan een boot moeten komen. De boot waarmee we zijn overgestoken ligt nu aan de overkant. De Thai is nergens te bekennen. Ik maak mij zorgen om mijn paspoort. Er staat tenslotte een inmiddels verlopen visum in.
Dan komt ineens de Thai terug. Patrick overlegt met hem in het Frans. Later vertelt hij mij dat er pas rond twaalf uur een boot zal zijn. Rond die tijd krijgen we ook pas onze paspoorten terug. Als ik mijn pas niet had afgegeven, was ik misschien wel naar de overkant gezwommen. Ik wil van dit eiland af. We wachten maar weer verder. Iedereen zit verveeld voor zich uit te kijken. De vrouw des huizes serveert weer bamboe kokers met kleefrijst.
Ik vraag mij af of ik nog iets aan deze voorlaatste dag in Laos zal hebben en of ik nog iets van de andere eilanden zal zien. Morgen moet ik echt terug naar Thailand om een geboekte vlucht naar Cambodja te kunnen halen. Als de Thai rond het middaguur zonder paspoorten terug komt is mijn geduld op. Hij spreekt dan wel geen Engels, maar ik spreek hem toch aan in die taal. Ik dreig naar de overkant te zwemmen en de politie in te lichten. Hij probeert mij te kalmeren en Patrick moet tussen beiden komen. Patrick begint er nu ook genoeg van te krijgen. De Thai belooft zo snel mogelijk met de paspoorten en een boot terug te komen.
Het zo snel mogelijk is anderhalf uur. Half twee komt hij met een bootje aanzetten. Hij wordt vergezeld door de man die gisteren onze paspoorten had meegenomen. Eindelijk krijgen we de passen terug. We nemen direct afscheid van de familie en stappen in. Eindelijk weg.
Na een half uurtje varen worden we afgezet aan de haven van Don Khong. Gelukkig maar, want we hadden nu geen bus kunnen krijgen naar het stadje en het zou een paar uur lopen zijn geweest. Als we voet aan land zetten is mijn boosheid al weer over.
Met Patrick, Franscesco, Tomoko, Satoko en Chau Cun nemen we onze intrek in een luxe resort. Het is met 15.000 kip eigenlijk boven budget, maar ik deel mijn kamer met Patrick en Franscesco, terwijl ook de meisjes met zijn drieën één kamer nemen. We krijgen wel waar voor ons geld. De kamers zijn keurig met heerlijke bedden. Dat moet kunnen na een nacht op een harde vloer. Ik huur meteen een fiets bij de dame van het hotel.

Het eiland Don Khong is fantastisch. Het is weer echt Laos met kinderstemmetjes die je Sabadee, Sabadee achterna roepen en mensen die vriendelijk groeten. De natuur is ook overweldigend. Kon het hier maar altijd zo mooi blijven. Maar helaas zijn er plannen om er een luxe toeristenoort van te maken met golfbanen en grote hotels. Het zou eeuwig zonde zijn. Ik geniet van de natuur, terwijl ik de weg rond het eiland volg. Af en toe passeer ik een tempel. Ze liggen allemaal prachtig aan de Mekong, omzoomd door oude bomen.
Ik zou natuurlijk kwaad op mijzelf kunnen zijn dat ik één van mijn kostbare dagen in Laos min of meer verloren heb laten gaan, maar nu ik mij weer zo gelukkig voel kan ik alleen maar genieten van wat ik om mij heen zie.
Inmiddels vordert de namiddag. Het wordt tijd om weer terug te keren, want zoiets als straatverlichting kennen ze hier nog niet. Ik steek het eiland dwars over via een weg door prachtige rijstvelden. De buffels trekken de ploegen door het water en overal staan gebogen vrouwtjes met Vietnamese hoedjes de rijst in te planten.
Aan de andere oever loopt ook de ringweg weer. Maar ik besluit een andere weg te nemen als de ringweg landinwaarts verder gaat. De zijweg blijft de oever volgen en loopt door schitterende dorpjes aan het water. Kinderen hollen mij na en roepen Sabadee. De weg wordt echter alsmaar slechter en uiteindelijk moet ik door een van de dorpjes en een aantal rijstvelden de goede ringweg zien terug te vinden. Dat lukt. Ik zet er direct de vaart in om nog voor donker het zuiden van het eiland te bereiken, waar een paar mooie tempels staan en vanwaar je de Cambodjaanse oever van de Mekong kunt zien.
Als ik het plaatsje Muang Saen bereikt heb gaat net de zon onder. Ik wil een paar foto’s maken, maar het valt niet mee om in de buurt van de rivieroever te komen. Tussen de weg en de oever liggen allemaal omheinde akkers. Uiteindelijk vind ik een paadje dat naar een steiger loopt.
Een dorpsjongen loopt naar mij toe en vraagt of ik Engels kan spreken. Ik knik bevestigend. Hij lacht en vraagt of ik ook Lao spreek. Ik zeg ja, twee woorden. Hij lacht nog harder. Sabadee en khawp jai, raadt hij. Hallo en dankjewel. Het klopt. Hij zegt dat hij net begonnen is met Engels studeren, maar dat hij het erg moeilijk vindt. Toch vind ik dat hij het aardig redt. Hier in Laos durven ze in ieder geval met je te praten. In China zijn de mensen veel te bang om woorden verkeerd uit te spreken en iets belachelijks te zeggen. Ik wijs naar de overkant en vraag aan de jongen of dat Cambodja is. Hij lacht weer, kijkt en bevestigt mijn vermoeden. Ja, dat is Cambodja. Ik zie het woeste landschap trillen in de warmte van de avondzon.
Ik moet nu snel terug naar Muang Khong. Over een kwartier zal het donker zijn en dan wordt het heel moeilijk om nog de weg te vinden. Ik zet weer alles op alles, maar het gaat steeds moeilijker. Zoals alle fietsen in Laos, loopt ook deze op zijn eind door gebrekkig onderhoud en ruwe wegen. En ook deze fiets is veel te klein en heeft een loszittend zadel. Ik ga nooit meer naar Laos zonder klein gereedschap.
In het laatste restje schemering vind ik de hoofdweg terug. Het is nu nog ruim zes kilometer fietsen. Helaas is de hoofdweg minder goed geasfalteerd dan de ringweg. En dat terwijl deze weg nog wel de verbinding vormt tussen de belangrijkste plaatsen en het vliegveldje.
Ik oriënteer mij op de rode lichten boven op de hoge radiomast van Muang Khong. Ik had die mast overdag ook al gezien. Verder is er geen licht. Er is werkelijk niets te zien. Het enige licht komt van de sterren en de maan. Af en toe passeert een langzaam rijdende auto. Dan heb ik weer even licht. Ik ben blij dat mijn banden heel blijven, want plakken zou ondoenlijk zijn in deze duisternis. Met opengesperde ogen rijd ik verder.
Rond zeven uur ben ik terug in Muang Khong. Tot mijn verrassing hoor ik dat Satoko besloten heeft een eigen kamer te huren en dat zij morgen op de bus naar Pakse wil stappen. Zij heeft een beetje genoeg van de vakantie gekregen. Ik vraag mij af of het te maken heeft met wat wij op het eiland hebben meegemaakt.
Ik fris mij op, lever de fiets in en ga met Patrick, Tomoko en Chau Cun eten in een Chinees restaurantje bij de veerpont. We lopen langs het enige luxe hotel van Muang Khong. Dat zal wel snel gaan veranderen. Want het duurt meestal niet lang voordat de massa zo’n paradijsje ontdekt.
In het restaurant treffen we nog wat andere reizigers die in een goedkoop guest house verderop slapen. Dat adres hadden wij ook geprobeerd, maar het was er toen vol. Bovendien zag het er niet bepaald aantrekkelijk uit.
We babbelen wat met de Philippijnse Barbara, die vrijwel constant aan het woord is en al de hele wereld lijkt te hebben gezien en een heel dikke Japanse, Nuoko. We besluiten met zijn allen een boot te huren voor morgen. Dan kunnen we de afgelegen eilanden en de watervallen zien. Ik wil graag naar de eilanden Don Det en Don Khon, die via een oude Franse spoorbrug met elkaar in verbinding staan. Daar heeft ooit de enige spoorweg van Laos gelopen. Terug in de bungalow loten we wie er op de grond moet slapen. Franscesco is de klos, maar gelukkig was er ook voor hem een dikke matras.

Donderdag, 20 februari 1997

Vijf uur word ik wakker van het klokje van mijn walkman. Ik scheld mijzelf uit. Maar gelukkig zijn de andere jongens niet wakker geworden. Zes uur staan we op en lopen we naar het restaurant bij de ferry voor ons ontbijt. Het is weer het gebruikelijke, bananapancake of stokbrood met gebakken ei.
Het onderhandelen met de eigenaar van de boot duurt lang. Tomoko voert het woord in het Laotiaans. Pas half negen zijn wij het eens over de prijs. We dalen af langs de steile oever en nemen plaats in de grote longtail-boot. Tegelijkertijd vertrekt een luxe boot met toeristen uit het dure Auberge Sala Don Khong.
Dan begint de lange tocht naar Don Det. De route is moeilijk te volgen op het kaartje van de Lonely Planet. Maar dankzij de talenkennis van Tomoko en Chau Cun weten we dat we goed gaan.
Na ruim een uur varen op de lawaaiige boot leggen we aan bij de vroegere spoorweghaven van Don Det. Vroeger, in de Franse tijd werden scheepsvrachten per trein langs de grote Mekong-watervallen gevoerd. De goederen gingen hier op de trein en werden naar Don Khon gereden, om vandaar weer op schepen geladen te worden voor de verdere reis door Cambodja. Het casco van de hijsinstallatie is er nog, maar de rails zijn inmiddels verdwenen. De bewoners van de eilanden hebben er tuinhekjes en loopbruggetjes van gemaakt. Af en toe passeren we zo’n bruggetje.
Op het eiland zien we de armoedigste huisjes die we tot nu toe in Laos hebben gezien. Don Khong was nog redelijk welvarend, maar hier leven de mensen in armoede.

Het verandert echter als we in de buurt van de oude, Franse boogbrug komen, waar vroeger de treinen overheen reden. Ook op de brug ligt geen rails meer. Maar er moet nog wel ergens een half vergane stoomlocomotief staan. Je hoeft maar locomotive te roepen of de kinderen slepen je er naar toe. En inderdaad. Op een kleine open plek staat nog een roestig karkas van wat ooit een schattig Efteling-locomotiefje geweest moet zijn. Als ze de lijn in stand hadden gehouden, hadden ze gratis en voor niets een mooie toeristische attractie gehad.

We lopen verder over Don Khon op zoek naar de kleinste van de twee Mekong-watervallen. Die bereiken we na een lange en soms gevaarlijke klimtocht over gladde rotsen. Het is een prachtig gezicht. Het water komt donderend naar beneden. Eigenlijk bestaat de waterval uit vele kleinere watervallen van drie rivierenarmen die op dit punt samenkomen. Op de achtergrond zien we de bergen van Cambodja.

We lopen terug en bezoeken op de terugweg het stadje Ban Khon waar nog veel koloniale huizen uit de Franse tijd staan. Sinds het vertrek van de overheersers is helaas niets meer aan het onderhoud gedaan. De oude, statige villa’s staan er verveloos en vervallen bij. Luiken hangen aan de ramen en de bewoners zitten lui voor hun huisje van de middagzon te genieten. We lopen het hele eind terug naar het haventje en stappen weer op de boot. We varen naar Ban Nakasong, een plaatsje aan de Mekong op de vaste oever. Vandaar moeten we vervoer naar de grootste van de twee watervallen zien te vinden. Het lijkt wel alsof het in Ban Nakasong veel heter is dan op de eilanden. Wellicht is dat ook zo. Vervoer vinden lukt intussen niet. Er is geen bus en brommers huren kost veel te veel geld. Daar ben ik overigens wel blij om, want ik zie mijzelf niet op een brommer rijden. Ik haat die dingen en weet niet hoe ik ze moet besturen.
Na een uur zien we in de verte een tankauto rijden. Hij stopt bij een benzinestation om benzine af te leveren. We lopen er naar toe en Tomoko vraagt de chauffeur of hij ons naar de waterval kan brengen. Het is goed. Voor een redelijk bedrag kunnen we meerijden in de ruime, airconditioned cabine. Het is wel krap, want vrouw en kind van de chauffeur reizen ook mee, maar het lukt om de deur dicht te krijgen.
De vrachtwagencabine is de comfortabelste vorm van wegvervoer die ik tot nu toe in Laos heb meegemaakt. Dankzij de luchtvering merken we niets meer van de deplorabele staat van het Laotiaanse wegennet. Wel moet de chauffeur heel voorzichtig rijden om niet te kantelen met het gevaarte.
Na een half uurtje zijn we bij de waterval. Ditmaal is het één grote waterval. Het gebied eromheen is tot natuurgebied verklaard. Om die reden moeten we ook entree betalen. Eenmaal binnen blijken bezoekers niet veel respect te hebben voor het fenomeen natuurgebied. Rond het uitzichtpaviljoen lijkt het wel een vuilnisbelt. Ik vraag mij af wat de beheerders met het entreegeld doen. Ze geven het in ieder geval niet aan onderhoud en schoonmaak uit.
We kunnen ook weer terug met de tankauto. De chauffeur brengt Patrick, Franscesco en mij terug naar Muang Khong. Tomoko en Chau Cun kunnen tot hun grote blijdschap helemaal tot Vientiane meerijden. Dat is een buitenkansje voor hen. Goedkoper en veel comfortabeler dan de bus.
Terug in Muang Khong zie ik dat mijn Laotiaanse geld bijna op is. Ik heb nog net genoeg voor wat eenvoudig eten en de bus naar Pakse. Hotel Auberge Sala Don Khong heeft wel een wisselkantoor, maar dat is volgens de medewerker alleen voor gasten. Na het avondmaal in het restaurantje bij de ferry zoeken we ons bed op. Het wordt mijn laatste nacht in Laos.

Vrijdag, 21 februari 1997

Overmorgen vertrekt mijn vliegtuig van Bangkok naar Phnom Penh. Als ik dat wil halen moet ik vandaag vertrekken uit Laos. Het gaat wel aan mijn hart. Ik ben erg veel van dit land gaan houden.
Na het pancake banana-ontbijt moeten we nog een uur wachten voordat de bus komt. Het is dan inmiddels acht uur. Patrick besluit nog een tijdje op Don Khong te blijven. Ik kan het mij voorstellen. Ik neem afscheid en stap met Franscesco op de pont. Aan de overkant kunnen we op de bus stappen, die ook op de pont meevaart.
Ik zit naast een vrouwtje met een kind aan de borst. De bus lijkt nu nog voller dan op de heenweg en ik moet mij af en toe aan een paal ophijsen om weer wat bloed door mijn gepijnigde billen te laten stromen. Het is afzien, vijf uur lang.
Ik baal ervan dat ik weer zo smerig word, want ditmaal kan ik niet douchen na aankomst. Ik zal meteen vervoer naar Thailand moeten zien te vinden.
Tegen half twee zijn we in Pakse. Ik neem afscheid van Franscesco, die direct door naar het Bolovan-plateau gaat. Ik ben jaloers op wat hij nog voor de boeg heeft. Zelf neem ik een tuktuk naar het centrum van Pakse, waar ik met veel moeite travellercheques in contante dollars omwissel. Tot mijn verbazing rekent het meisje maar een half procent commissie. Dat heb ik wel anders meegemaakt.
Ik loop nog even de markt over en langs wat tempels om nog even te genieten van dit laatste uurtje in dit lieve land. In een naast het sombere Pakse Hotel gelegen winkeltje koop ik nog een T-shirt. Ik had een beer lao T-shirt willen hebben, maar dat hadden ze alleen in lelijke kleuren. Niet met het originele etiket erop.
Dan loop ik naar de rivier om met de veerpont naar de overkant te varen. Aan de andere oever moet vervoer naar de grens te vinden zijn. Dat valt echter tegen. Er rijdt welgeteld één jumbo en die gaat niet naar Thailand. Maar aangezien terugvaren geen optie is, besluit ik maar verder te lopen. Misschien is verderop een busstation. De Lonely Planet helpt mij hier niet verder.
Na een dik kwartier wandelen zie ik een soort taxistandplaats, waar verschillende jumbo’s klaar staan voor vertrek. Ik informeer bij de chauffeur of hij naar Thailand rijdt en kan instappen. We vertrekken als de maximale capaciteit van het voertuig met een factor twee overschreden is. Gelukkig zakt de truck niet door zijn wielen. Ik tel vierentwintig passagiers en een hoeveelheid vracht. De jerrycan’s met brandstof staan voor mijn voeten. Dit is geen Nederland. De rit duurt nog behoorlijk lang. Het is ongeveer veertig kilometer van Pakse naar de grens. Ik had gelukkig nog wat Thais geld in kips kunnen omwisselen, want ook dit ritje kost 700 kip. Onderweg zie ik talloze kinderen in uniform van school naar huis fietsen.
Na ruim een uur zijn we bij de grens. De meeste passagiers zijn onderweg al uitgestapt. Slechts enkelen zijn tot het eindpunt doorgereden. Ik loop nog even over de markt en koop van mijn laatste geld nog een T-shirt. Ik had eigenlijk niet meer genoeg, maar de koopman vond het best zo. Hij begreep wel dat ik ging vertrekken en mijn laatste geld wilde opmaken.
Dan loop ik naar de gesloten hekken van de grens. Voetgangers kunnen echter zo doorlopen. Er is geen controle. Mensen lopen hier van het ene land naar het andere land alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. Er is geen grenscontrole te bekennen. Het gebouwtje is verlaten. Ik besluit daarom maar gewoon door te lopen en geen exitvisum te halen. Dat zou mij inmiddels twintig dollar aan boete hebben gekost. In Thailand moet ik wel een stempeltje halen, anders kom ik op het vliegveld in de problemen.
Buiten staat een luxe touringcar te wachten. Ik zie tot mijn blijdschap dat hij naar Bangkok gaat. Wat een verschil tussen Laos en Thailand. Niets geen gezoek. Comfort en efficiëntie binnen handbereik. Toch heb ik nu al heimwee naar Laos.
Eerst wil ik naar Ubon. Ik koop een kaartje bij de bitcherige hostess en neem plaats. Ik kijk nog voor de laatste keer naar het lieve Laos, dat vanuit de bus al nauwelijks meer te zien is. Ik hoop er nog een keer naar toe te kunnen.
Er stappen verschillende andere passagiers in die zo te zien allemaal uit Thailand komen. Ik verbaas mij erover dat zij allen dikke jassen aanhebben. Het is wel winter, maar ik kan mij nauwelijks voorstellen dat zij het koud hebben. Dan vertrekken we. De airconditioning gaat op vol vermogen en al snel daalt de temperatuur in de bus tot diepvriesniveau. Ik begin mijn medepassagiers te begrijpen. Die reizen vaker met deze bus.
Kort na vertrek komen agenten de bus binnen om papieren te controleren. Ik wil mijn paspoort pakken, maar ze knikken dat het in orde is. Ze zijn kennelijk op zoek naar eventuele illegale immigranten uit Laos en zo zie ik er niet uit.
Als we Ubon naderen besluit ik maar in de bus te blijven. Volgens de hostess ben ik dan morgenochtend vroeg al in Bangkok. Dat is handiger dan met de trein, want dan kom ik pas tegen de avond in de Thaise hoofdstad aan.
De hostess vindt mij maar een vreemde knakker als ik nu weer besluit om verder te reizen. Zij overlegt met de chauffeur en komt dan tot de conclusie dat ik 300 baht moet bijbetalen. Dat is geen geld voor zo’n lange reis. Het vervoer is hier nog goedkoper dan in Laos, terwijl het comfortverschil nauwelijks in woorden is uit te drukken. Ik sla vier dekens om mij heen en kijk met afgunst naar mijn Thaise medepassagiers. Die hebben zich in hun dikke kleren en jassen gehuld en liggen lekker te slapen. Bij ieder busstation onderweg blijven we ruim een kwartier staan en kan ik buiten in de zwoele warmte van de tropische avonden even bijkomen. Slapen lukt niet. Misschien ben ik onbewust bang voor wat er in mijn slaap zou kunnen gebeuren. Wel probeer ik zo goed mogelijk uit te rusten, want morgen zal het een zware dag worden. Dan zal ik proberen om Bangkok in één dag te bekijken.

HomeDisclaimerPrivacybeleidOver de auteur
Contact