Vietnam

De meeste mensen kennen Vietnam alleen van de oorlog die in de jaren zestig en zeventig het nieuws beheerst heeft. Het land heeft dan ook geen geweldig imago. Ten onrechte. Ondanks de verschrikkelijke verwoestingen is het een prachtig land met vele bezienswaardigheden en vriendelijke mensen. De communistische dictatuur is onder invloed van economische ontwikkelingen op de achtergrond geraakt en de toeristische infrastructuur is zonder meer goed te noemen. Ook ik wist weinig van het land toen ik besloot er naar toe te gaan. Ik boekte de vlucht en kocht op Schiphol een Lonely Planet om mij onderweg te kunnen voorbereiden. Eenmaal in het land ging alles van een leien dakje. Elke plaats heeft vele guesthouses, waar men transport, entreekaartjes en andere nuttige zaken kan regelen. Met Engels kon ik mij goed redden en hoewel ik wist dat ik voorzichtig moest zijn, heb ik mij geen moment onveilig gevoeld. Nou ja, behalve dan tijdens de ritjes met minibusjes, waarbij het tempo wordt bepaald door de maximale snelheid die het voertuigje kan halen.
Ik kan niet zeggen wat ik nou het leukste vond aan Vietnam. De kleurrijke minderheden in het hoge noordwesten. De fascinerende karstbergen die voor de kust van Halong loodrecht uit de Zuid-Chinese Zee oprijzen. De steden met hun tempels, drukke straatjes, krioelende mensen en markten. De tropische bossen en de drijvende markten van de Mekong-delta of de bloemrijke centrale hoogvlakte rond Dalat. Het is allemaal even schitterend en elk deel van het land heeft zijn specifieke bekoring. Vietnam is een land dat ik kan aanraden. Ook de minder ervaren reiziger zal het land weten te waarderen. De faciliteiten voor toerisme zijn over het algemeen redelijk tot goed, het is er niet duur en de infrastructuur voldoet prima. Er zijn nog veel herinneringen aan de verschrikkelijke oorlog, maar het land heeft zich behoorlijk hersteld. Het is nu volop in ontwikkeling, wat ook betekent dat er veel verandert en niet altijd ten goede. Ik ben blij dat ik in 2000 in de gelegenheid was om door het unieke Vietnam te reizen.

Proloog

Vietnam is een langgerekt land. Dat maakt het logisch om van noord naar zuid te reizen of andersom. Ik begon in het noorden, in de hoofdstad Hanoi. Daar vandaan ging ik verder naar het noorden tot aan de grens met China. Daar ontmoette ik de kleurrijke bergvolkeren, zoals de Hmong en de Khang. Vervolgens trok ik naar het zuiden, maar niet voordat ik het unieke, door Unesco beschermde Halong Bay had bezocht. Daarna ging ik eerst naar de voormalige hoofdstad Hue, waar de keizers zetelden. Via het schilderachtige Da Nangh, Nha Trang en Da Lat kwam ik in Ho Chi Minh City, het vroegere Saigon, terecht. Ik maakte nog een uitgebreide excursie naar de Mekong Delta om tot slot via Cambodja het land te verlaten.

Maandag 28 februari 2000

Ik tuur door het vliegtuigraampje naar buiten. Hanoi International Airport staat er in rafelige letters op het aftandse, betonnen luchthavengebouw van de Vietnamese hoofdstad. Er naast is een nieuwe behuizing in aanbouw.
Het is zo ongeveer het eerste dat ik zie van Vietnam, want de hele vlucht van Singapore naar Hanoi vond plaats boven een ononderbroken wolkendek. Als ik via het lage deurtje de gekoelde en geparfumeerde atmosfeer van de Airbus van Silk Air verlaat verwacht ik een deken van vochtige hitte. Maar het valt mee. Het is vochtig, maar niet heet. Ik stap naar buiten. Geen slurf, maar een ouderwetse vliegtuigtrap. Beneden staat een Stalinistische bus die ons naar het gebouw moet brengen waar de douane zit te wachten. Ik verwonder mij intussen over de nog uit de oorlog resterende shelters en de op het platform opgestelde Russische Tupolev’s. Ik denk terug aan de lange nacht die achter mij ligt. Die nacht begon gisterenmiddag op Schiphol.
Met branderige ogen nam ik voor vijf weken afscheid van Diana, mijn vrouw. Zij ziet zo’n backpackers-reis met veel avontuur en weinig comfort niet zitten. Zo’n ‘tot over x weken’ doet altijd pijn, maar ik kan het reizen er niet voor opgeven. Als Diana weer in haar autootje zit draai ik mij om en zoek ik de balie van Singapore Airlines op.
Mijn instapkaart heb ik zo, maar voor de douane staat een enorme rij. Het is waanzinnig druk op Schiphol. Ook bij de fotowinkel is het lang wachten. Ik zoek een vrije zitplaats en begin met het uitpakken van de dertig Kodachrome-doosjes. Los passen de filmpjes precies in de loden zak die de diafilmpjes moet beschermen tegen buitenlandse röntgenapparatuur. Ik heb niet zo heel veel tijd meer over en begin dus maar vast aan de lange wandeling naar de gate. Het vliegtuig, dat uit Manchester moet komen, is echter nog niet gearriveerd. Ik wacht af. Na een kwartier komt in de verte een grote Boeing 747 over de taxibaan aanrollen. Singapore Airlines staat er met grote letters op de romp. Over een kwartier zouden we moeten vertrekken, maar het ziet ernaar uit dat we een flinke vertraging gaan oplopen.
Ongeveer drie kwartier na de oorspronkelijke vertrektijd van 12.30u start de piloot de motoren. Ik zit aan het raam op rij 37. Ik zie net boven de vleugel de gebouwen van Schiphol aan mij voorbijtrekken. Dan stijgen we op. Ik zie nog even Hoofddorp en een stukje van de Haarlemmermeer voordat het vliegtuig in het lage wolkendek verdwijnt. 10.000 kilometer vliegen voor de boeg.
Af en toe zitten er wat gaten in de bewolking en probeer ik het land er onder te herkennen. Al snel moet ik het opgeven. De stewardess, net een popje in haar zijden uniformpje, komt langs met zakjes pinda’s. Ik bestel er een blikje Tiger Beer bij. Intussen probeer ik het tv-tje in de stoelleuning voor mij aan de praat te krijgen. Dat valt niet mee. Eerst denk ik dat ik de bediening niet begrijp, maar al snel merk ik dat de afstandsbediening vernacheld is. Maar uiteindelijk lukt het met behulp van een steward om de vluchtinformatie op het schermpje te krijgen. Ik zie dat we al boven Leipzig vliegen, op weg naar het Verre Oosten.
Na Duitsland volgt Tsjechië en even later vliegen we vanuit Bulgarije de Zwarte Zee over. Het is pas 4 uur Nederlandse tijd maar buiten wordt het al donker. De stewardess komt weer langs. Chicken or fish vraagt zij in Singaporees Engels. Ik had de keurige menukaart nog niet bestudeerd. Voor de zekerheid bestel ik maar kip. Ik vraag mij af of het eten zal lukken, want de zitplaats is uiterst krap en ik heb mijzelf nog eens flink ingebouwd ook. Gewone mensen doen hun handbagage in het vak boven hun hoofd, maar ik heb de ene helft onder mijn stoel en de andere helft op mijn schoot. Toch lukt het met moeite om het tafeltje naar beneden te klappen. Buiten is inmiddels niets meer te zien, maar op het schermpje zie ik dat we de andere kant van de Zwarte Zee hebben bereikt. Tijdens de op porseleinen servies geserveerde maaltijd vliegen we in een rechte lijn richting Pakistan, net onder Kabul door.
Op de een of andere manier heb ik geen zin om met de passagier naast mij te praten. Een combinatie van neerslachtigheid en vermoeidheid denk ik. Na het afruimen gaat de hoofdverlichting uit. Eerst probeer ik in slaap te vallen, maar al snel merk ik dat dat niet gaat lukken. Op het TV-tje moet het ook mogelijk zijn om computerspelletjes te spelen. Verder kun je er vijf speelfilms mee laten starten. Maar ik krijg het niet voor elkaar. Te veel knopjes zijn defect. Uiteindelijk lukt het mij ook niet meer om de vluchtinformatie op het scherm te krijgen. Ik roep de steward er maar weer bij, die het systeem kan resetten. Na het nodige gehannes zie ik dat we net het luchtruim van India binnenvliegen. Nog een uurtje te gaan, voordat het vliegtuig rond acht uur lokale tijd in Singapore zal landen. Met behulp van mijn leeslampje verdiep ik mij in de nog gloednieuwe Lonely Planet van Vietnam. Ik heb veel te weinig aan voorbereiding gedaan en had mij voorgenomen om dat in het vliegtuig te doen. Maar dat valt natuurlijk niet mee als je ogen kurkdroog zijn en het tijdstip is aangebroken waarop je al lang in bed hoort te liggen. Ik doe het lampje maar uit en sluit mijn ogen. Misschien lukt het nog even om te slapen. Dat laatste probeer ik nog steeds als de verlichting in het vliegtuig al weer aangaat. Meteen komt het leger stewardessen de cabine binnenstormen om gloeiend hete vochtige handdoekjes uit te delen. Op het schermpje zie ik dat we inmiddels Maleisië hebben bereikt. Het ontbijt wordt geserveerd. Ook op porseleinen servies. Ik probeer te vergeten hoe laat het in Nederland is. In Singapore is het in ieder geval 7 uur. Nog een half uur en dan landen we. Ook boven Maleisië is het dichtbewolkt. Af en toe zie ik de kustlijn. Dan gaan we dalen. Eenmaal onder de wolken zie ik een enorm eilandenrijk. Op sommige van de eilanden staan hoge torenflats. Dan is ook Singapore te zien. Een enorme stad met hoge gebouwen. Nergens zie ik de voor Azië zo kenmerkende krottenwijken. Met een ruime bocht zet het toestel koers naar de luchthaven.
Het vliegveld van Singapore is supermodern. Hierbij vergeleken is Schiphol maar een grote bende met zijn eeuwige verbouwingen. Hoewel westers, is het toch een hele andere wereld. Ik heb ongeveer drie om rond te kijken. Eerst ga ik maar op zoek naar de balie waar ik mijn instapkaart voor de volgende vlucht moet halen. De vlucht naar Hanoi staat nog niet aangekondigd, maar ik kan wel al de instapkaart krijgen. Ik zoek een bankje om de meegebrachte zaterdagkrant te kunnen lezen. Moe ben ik niet, wel neerslachtig. Het zal weer door de malariatabletten komen. Maar het totaal niet weten wat mij te wachten staat zal ook wel meespelen. Niet eerder heb ik een reis zo slecht voorbereid. Het duurt even voordat ik in staat ben om mijzelf een beetje op te beuren.
Ongeveer een uur voor vertrek loop ik maar alvast naar de gate. Daar krijg ik een enorme berg formulieren. Ik ben niet de enige die verbaasd is. Ook de Aziatische passagiers staan te kijken van de reusachtige hoeveelheid bureaucratie die zij over zich heen gestort krijgen. Weer een visumformulier. Ik had er in het vliegtuig ook al een ingevuld. En een gezondheidsverklaring, een declaratieformulier en nog een formulier dat voor het gemak helemaal in het Vietnamese is opgesteld. Gek word ik ervan. Willen ze wel toeristen in Vietnam? Na een halve balpen te hebben versleten kan ik aan boord van vlucht SQ-VN 176 naar Hanoi.
Het vliegtuig van Silk Air is stukken ruimer dan de Boeing van Singapore Airlines. Ik voel mij nu ook iets vrolijker dan tijdens de eerste vlucht. We stijgen op en al snel is er buiten niets meer te zien dan wolken met daarboven de azuurblauwe lucht. De vrouw naast mij komt uit Canada, woont in Singapore en zegt dat ze regelmatig voor zaken naar Vietnam gaat. Ze zegt dat het er prachtig is en dat ik het geweldig zal vinden. Ze doet iets in textiel. Ze heeft een heel sproeterige huid. Dat moet niet meevallen in de tropen. Na een tijdje pak ik de Lonely Planet er maar weer eens bij om te kijken wat mij na aankomst te wachten staat. Rond 2 uur in de middag begint het vliegtuig te dalen. Een tijdje is er niets te zien, maar dan komt ineens Vietnam tevoorschijn. Ik zie een zompig landschap met talloze kronkelriviertjes. Langs de velden lopen stoffige wegen zonder verkeer. De stad is nergens te bekennen. Het zal dus nog wel een uurtje rijden worden. Dan raken we de zeer hobbelige landingsbaan en komt het vliegtuig hotsend en botsend tot stilstand. Buiten zijn allerlei exotische vliegtuigen te zien. Sommige zien eruit alsof ze er al jaren staan.
Er zijn minstens tien balies. Er achter zitten de in strenge, groene uniformen gestoken douaniers driftig te stempelen. Iedere passagier neemt minstens tien minuten in beslag, maar als ik zelf aan de beurt ben gaat het best wel vlot. Ik krijg een aantal stempels en een paar gekleurde papiertjes die ik niet kwijt mag raken en dan kan ik doorlopen. Mijn rugzak is nog niet gearriveerd. Ik moet bij een andere beambte precies aangeven wat ik aan kostbaarheden bij me heb. Gelukkig heeft mijn rugzak de reis overleefd. Ik doe er een paar spullen van mijn handbagage in en wissel dan een Travellercheque om in Vietnamese dong. De koers is niet best, dus ik houd het voorlopig maar even op 50 dollar. Dan blijft de schade beperkt. Buiten staat een minibusje naar Hanoi. Een dame achter een houten tafeltje verkoopt de kaartjes. Het kost 3 dollar. Dat valt mee dus. Ik ben de enige westerling in het busje. Onderweg knopen twee Vietnamese jongens een praatje met mij aan. Natuurlijk willen ze weten waar vandaan kom, hoe oud ik ben, of ik getrouwd ben en – hoe kan het ook anders – of ik kinderen heb. Ik geef een eerlijk antwoord, wat grote verbazing tot gevolg heeft. De jongens vinden mij veel te oud om geen kinderen te hebben. Ook de bijrijder van de chauffeur is wel in mij geïnteresseerd. Hij weet wel een hotelletje voor mij. Ik leg hem uit dat ik al wat op het oog heb. “Nee, nee, dat bestaat niet meer. Gesloten”, liegt hij. Ik laat mij niet overbluffen. Na inderdaad ongeveer een uur naderen we Hanoi. Via een enorme, hevig door betonrot aangetaste brug steken we de Rode Rivier over. Dan begint de chaos. Het verkeer loopt helemaal vast. Luid toeterend baant het busje zich moeizaam een weg door de met brommers, fietsen en handkarren verstopte straten. Met ongeveer twee verkeersovertredingen per seconde weten we een wat rustiger buurt te bereiken. De rit eindigt bij het boekingskantoor van Vietnam Airlines. Dat is ongeveer om de hoek van het Lotus-hotel, dat ik uit de Lonely Planet geselecteerd heb. Buiten word ik besprongen door opdringerige jongens die mij met hun brommer naar een goed hotel willen brengen. Ik wil er niets van weten. Het is maar twee minuten lopen en als ik op een brommer aankom kan ík de commissie betalen.
Ik heb het hotel snel gevonden. En natuurlijk is het niet gesloten. Toch heb ik geluk, want er is nog maar één kamer vrij. De aardige beheerster maakt mij wegwijs en legt meteen uit hoe ik aan een Cambodjaans visum kan komen. Ik ben intussen opgelucht dat ik niet eindeloos naar een kamer hoef te zoeken. Het is tot nu toe allemaal heel voorspoedig gegaan. Ik rust even uit en drink een colaatje terwijl mijn kamer in orde wordt gemaakt. Ik gooi mijn rugzak op bed en ga op stap. Mijn eerste doel is het station om alvast een kaartje naar Hué te kopen. Maar na een half uurtje merk ik dat ik al meteen de verkeerde kant op was gelopen. Ik kom uit bij de Rode Rivier. Volgens mijn uit de Lonely Planet gekopieerde plattegrondje moet ik al langs de rivier lopend uiteindelijk bij het centrum uitkomen. Maar na een half uurtje wandelen, lijkt het mij toch beter om langs dezelfde weg weer terug te gaan. In de binnenstad moet ik weer de vele chauffeurs en straathandelaars van mij afslaan. Ik probeer mij er niet aan te storen. Het station heb ik zo gevonden, maar ik koop nog geen kaartje want ik wil eerst de alternatieven bekijken. De trein is namelijk bepaald niet goedkoop in Vietnam. Ik loop naar de toeristenwijk waar alle reisbureautjes zitten. Eerst maar eens uitzoeken wat er zoal mogelijk is. Dat blijkt nogal wat. Bij de meeste reisbureautjes kun je ook internetten. Via Hotmail stuur ik e-mails naar Diana en mijn collega’s. Ik vergelijk te prijzen bij een aantal van de bureautjes en maak een plan op voor de komende dagen. Het blijkt al snel dat reisjes via de bureaus veel goedkoper te regelen zijn dan wanneer je dat op eigen houtje doet. Ik besluit maar niet direct te boeken. Eerst maar eens Hanoi verkennen. Oriënteren blijkt echter niet makkelijk in deze vlakke stad zonder duidelijke herkenningspunten. Ik slenter rustig voort en zie hoe bedrijfstakken keurig in straten zijn ingedeeld. Langs het meer heb je de schoenenstraat. In een andere straat wordt weer textiel verkocht en natuurlijk zijn er ook de straten met groenten, fruit en vlees. Zelfs de grafsteenbeitelaars hebben hun eigen straatje.
Na heel wat omzwervingen door de drukke, rommelige buurten kom ik uiteindelijk weer in de toeristenbuurt terecht. Ik ga eten bij het bekende Queens-café, waarvan er overigens meer zijn in Hanoi. Maar dit is het echte, zegt de Lonely Planet. Tegenover mij zit een meisje uit Japan. Ze zit even twee maanden zonder werk en besloot daarom maar wat te gaan reizen. Ze is al in Thailand en Cambodja geweest en wil ook nog naar China en Laos. Ik vertel haar dat ik dat een behoorlijke onderneming vindt in zo weinig tijd. Maar ze haalt haar schouders op. Typisch Japans merk ik op. Na het eten ga ik op zoek naar een kapper. Dat is hier geen enkel probleem om half elf ’s avonds. Zo rond middernacht loop ik via een omweg langs het meer weer naar het hotel terug. Ik moet nu ongeveer 24 uur niet geslapen hebben. Toch ben ik niet echt moe. Tot mijn verbazing is het hotel gesloten. De deuren achter het traliewerk zijn echter nog open. In het eetzaaltje staat nu een bed waarop de nachtwaker ligt te slapen. Ik weet hem wakker te maken zonder het hele hotel te wekken. Hij lijkt het niet erg vinden dat ik nog zo laat kom aandraven. Ik verontschuldig mij en strompel door de duistere gang op zoek naar mijn kamer. Wel heerlijk dat ik nu eindelijk kan douchen. Hopelijk slaap ik goed, want het hotel is supergehorig. De wanden bestaan slechts uit houten schotjes.

Dinsdag, 29 februari 2000

Om half acht word ik wakker van de herrie van het personeel. Eerst baal ik ervan, maar dan vind ik het toch wel een mooie tijd om op te staan. Ik douche en trek makkelijke kleren aan. In het eetzaaltje zitten al wat andere reizigers. Sommigen gebogen over hun Lonely Planet. Anderen kauwend op hun stokbrood. Ik kijk op de menukaart en bestel brood, ei met kaas en yoghurt met Corn Flakes. Het is waar dat dat erg westers is, maar de kaart biedt weinig alternatieven. Door de kleine raampjes zie ik een kleddernatte straat. Voetgangers en fietsers banen zich gehuld in plastic een weg door de vele plassen. Het giet van de regen. Ik had gisteren op internet al de voorspellingen voor de komende dagen gelezen. Het weer zou voorlopig niet veranderen. Met de paraplu op loop ik naar de nabijgelegen ambassade van Cambodja.
Het vervallen koloniale gebouw heb ik snel gevonden, maar het lijkt alsof er niemand aanwezig is. Ik loop naar binnen en ga op zoek naar het loket waar ik een visum kan aanvragen. Er is echter geen mens. De vele ruime, luxueus ingerichte kamers zijn volstrekt verlaten. Heel vreemd dat je gewoon door een ambassade kan rondzwerven. Uiteindelijk zie ik beneden een Engelstalig papiertje hangen waarop staat dat er dinsdags geen visumservice is.
Ik besluit naar de oude stad te wandelen. Onderweg loop ik een paar winkels binnen. Vooral boekwinkels hebben mijn aandacht. Maar veel bijzonders kan ik er niet vinden. Een atlas, of tenminste een gedetailleerde landkaart, hebben ze bijvoorbeeld niet. Wel zijn er eindeloos veel boeken om Engels te leren. Het zijn dan ook voornamelijk studenten die hier komen winkelen.

Midden in Hanoi is het Hoan Kiem-meer. Een oase van rust. Via de fel rood gelakte The Huc-brug is de tempel Ngoc Son ofwel Jade-berg te bereiken. Deze stamt uit de achttiende eeuw. De brug er naar toe is in 1885 gebouwd. Aan het begin van de brug staat een wachthuisje waar een pre-revolutionair mannetje mij voor 12.000 dong een entreekaartje verkoopt. Het is de moeite waard.

Op het eilandje staat de door kleine gebouwtjes en een prachtige rotstuin omringde tempel, die naar binnen toe steeds heiliger wordt. Een ander oud mannetje probeert mij in gebrekkig Engels het een en ander uit te leggen. Helaas versta ik slechts de helft van zijn mengelmoesje van Engels en Frans. Het is een komen en gaan van gelovigen. De mensen steken hun meegebrachte wierook aan en knielen vele malen voor het lachende Boeddhabeeld. Anderen komen geld offeren. Kleine briefjes echt geld verdwijnen in het offerblok. Maar buiten staan mensen, vooral vrouwen, enorme stapels met nagemaakte dollarbiljetten te verbranden. Achter elkaar verdwijnen de aan één kant bedrukte briefjes van honderd dollar in het vuur.

Binnen in de tempel kijk ik met verbazing naar de enorme verzameling kitscherige heiligdommen. Dankzij de duisternis is het nog om aan te zien. Het is precies het tegenovergestelde van wat je in een Japanse tempel ziet. Daar heersen rust en harmonie. Maar hier in Hanoi kan het niet barok genoeg zijn. Als het even rustig is stel ik mijn statief op om een paar foto’s te maken. Gelukkig zijn overal afdakjes zodat ik niet met mijn fotoapparatuur onder de paraplu hoef te hannesen.
Het lijkt mij maar het beste om de in de Lonely Planet beschreven wandelroute door Hanoi te volgen. Het begint met de schoenenstraat. Deze gaat bij een kruising over in de textielstraat. Wonderlijk hoe alle vormen van detailhandel gegroepeerd zijn. In Nederland had je dat eeuwen geleden ook nog. Sommige zeldzame ambachten, zoals de beitelaars van grafstenen en gevelstenen, moeten het met een stukje straat doen. In de rugzakkerscafésstraat vergelijk ik de prijzen van excursies en boek ik een driedaagse reis naar Sapa en omgeving. De mevrouw van het reisbureau garandeert mij dat het een bijzondere reis is. Beter dan die van de buren. Ze maakt een blikje cola voor mij open. Ik had eerst op eigen gelegenheid willen gaan, maar dat zou veel duurder worden. En met zo’n klein busje mee, lijkt mij ook geen ramp.

Ik vervolg de route langs winkels met afschuwelijke kitcherige spullen, terwijl de regen blijft neergutsen. Om de twee meter stopt er een bromfiets of fietstaxi naast mij om vervoer aan te bieden. Maar omdat ik nog niet weet wat ik onderweg wil bekijken vind ik het handiger om te lopen. Ik bezoek wat tempeltjes, waarbij het niet altijd duidelijk is wat er aanbeden wordt. Na een paar uur wandelen begin ik het aardig te voelen. Ik denk dat ik in het vervolg maar een fiets huur.
Via de hoge torens van het Meliahotel weet ik het Lotus Guest House terug te vinden. Onderweg er naar toe drink ik nog een paar biertjes. Dat helpt het beste tegen de dorst en kost ongeveer hetzelfde als bronwater. In het Guest House bestel ik noedels met vlees en groente. Het is niet van bijzonder culinaire kwaliteit, maar mijn maag is in ieder geval weer gevuld. Ik denk dat ik morgen naar de Perfume Pagode ga. Dat is een excursie van een dag die ik voor weinig geld in het Lotus Guest House kan boeken. Dat wordt wel om half zeven ’s morgens de deur uit, zonder ontbijt natuurlijk.

Woensdag, 1 maart 2000

Ik heb niet best geslapen, ondanks de biertjes van gisterenavond. Toch voel ik mij na een hele nacht woelen niet moe. Zes uur piept mijn horloge. Ik sta meteen op, neem een douche die ik gelukkig op de kamer heb en ga eens kijken. Alles en iedereen slaapt nog. Het traliehek voor de ingang zit dicht en op de harde, houten tafel ligt de receptionist languit te slapen. Voor het eerst is de internetcomputer niet bezet. Dan merk ik dat het geen half zeven, maar pas half zes is. Ik had niet goed gekeken toen ik gisterenavond mijn horloge instelde. Ik ga nog maar even liggen. Half zeven wordt er op de deur geklopt. Een jongen van het hotel denkt dat hij mij wekt en kijkt op als hij ziet dat ik al helemaal klaar sta. Het was toch half zeven dat de bus kwam, vraag ik. Ja, half zeven Vietnamese tijd, mompelt de jongen. Als de bus eenmaal komt zie ik wat hij daarmee bedoelde. Half acht. Ik had nog wel kunnen ontbijten, maar het keukenpersoneel van Lotus Guest House is voor acht uur ’s morgens nergens te bekennen.
De bijrijder van het minibusje komt mij ophalen. Ik laat hem de kwitantie zien. Het is goed. Het busje staat om de hoek. Erin zitten twee Franse meisjes, een Franstalige Canadese met een Vietnamese man, een Japans meisje uit New York en twee Australiërs uit Perth. Achterin zitten ook nog wat mensen, maar ik kan zo gauw niet hun nationaliteit achterhalen. De bijrijder stelt zich voor als Mister Hung. Erg spraakzaam is hij niet. Na zijn officiële praatje vestigt hij zijn aandacht op het verkeer.
Voor de verandering regent het weer eens vandaag. De ramen zijn beslagen en de straten zitten alweer potdicht. Toeterend probeert het busje zich een weg te banen, maar niemand trekt zich iets aan van het lawaai. Pas na ruim een uur zijn we de stad uit. We rijden over een dijkje langs rijstvelden die vrijwel geheel onder water staan. In sommige rijstvelden staan ogenschijnlijk lukraak geplaatste grafmonumenten. Misschien precies op de plaats waar de mensen zijn gestorven. Ik vraag het aan Hung, maar die weet niet meer uit te leggen dan dat het graven zijn. Dat had ik ook wel begrepen. De Lonely Planet schrijft er niets over.
Na twee uur hobbelen over dijkjes en landweggetjes komen we in een kleine stad aan. Bij een soort tolpoort stopt het busje en koopt Hung kaartjes. Even later stoppen we bij een kruising en krijgen we te horen dat we verder moeten lopen omdat het busje niet verder kan. Het regent dat het giet. Tijdens de lange wandeling langs marktkraampjes met kitscherige toeristenrommel zien we dat doorrijden best nog wel mogelijk was geweest. We worden namelijk geregeld door busjes met andere toeristen gepasseerd. Even lopen is niet erg, maar dan moet het niet zo regenen.
We steken een bruggetje over. De rivier ligt zover het oog reiken kan vol roestige, ijzeren bootjes. De regen houdt gelukkig even op. Voordat we aan boord gaan kunnen we nog een hapje eten en achter het gebouwtje een plasje doen in een soort latrine. Het is niet meer dan een gat in de grond met een bordkartonnen schutting er om heen. En die schutting is niet hoger dan een meter.
Ik deel mijn bootje met de twee Australiërs. De rest van het gezelschap stapt in een grotere boot. Een klein, maar stevig vrouwtje pakt de twee enorme riemen en probeert ons hotsend en botsend tussen de vele onbemande bootjes naar het open water te roeien. Na een half uur komen we eindelijk vooruit, maar al na een kwartiertje stoppen we om een toeristenmarkt rond een tempeltje te bezoeken. Ik sta er weer van te kijken hoe mensen in dit door commercie onderhand onderbedolven tempeltje nog hun religieuze bezigheden kunnen beoefenen.
Het begint opnieuw te regenen. En hard ook. Ik schuil onder het afdak van het tempeltje, maar na een tijdje roept Hung dat het weer tijd is om verder te gaan. Ik installeer mij in het bepaald niet comfortabele bootje en probeer zo goed als dat kan mijn camera’s droog te houden.
Nu blijven we een uur varen. Ik heb geen kont en geen rug meer over. Ook de Australiërs zijn beter gewend. Hoe moet ons roeistertje zich voelen? Die is duidelijk meer gewend. De normaal schitterende vallei en het indrukwekkende karstgebergte zijn nu nog slechts grauwe silhouetten. In een bocht van de rivier staat boven op een zeer spitse berg een prachtig, eenzaam tempeltje. Ik schat de kansen van een geslaagde foto dermate laag in dat ik de camera’s maar in hun tassen laat zitten.
Als we eindelijk zijn aangekomen doe ik eerst vijf minuten revalidatie om mijn spieren weer tot leven te wekken. Ook hier in dit heilige gebied voert op toeristen gericht ondernemerschap de boventoon. En het gaat dan lang niet alleen om buitenlands toerisme. Met name de Vietnamese bezoekers blijken goede klanten voor de felrode prullaria. We hebben een paar uur om ons te vermaken. Omdat ik weet dat anderen mij niet bij zullen kunnen of willen houden, ga ik er alleen op uit. Eerst volg ik een kronkelig en uiterst glibberig pad naar een in de bergen gelegen tempeltje. Er moeten in dit gebied zeventien van dergelijke tempeltjes zijn, waarvan je er zo’n vier op één dag kunt bezoeken. De meeste mensen komen echter voor de heilige grot, die op zo’n anderhalf uur lopen van de haven ligt.
De klim naar het tempeltje valt behoorlijk tegen. De weg bestaat uit glibberige, onregelmatige keien en modder. En eenmaal boven valt het allemaal behoorlijk tegen. Door de regen is van het uitzicht niet veel meer te zien dan een grauwe massa. Nog voorzichtiger loop ik via een ander pad terug naar de hoofdroute. Ik volg de mensen die op weg zijn naar de heilige grot. De gehele route is aan beide zijden geflankeerd door marktkraampjes met souvenirs, religieuze rommel en voedsel. Sommige uitbaters verkopen frisdrank, maar hebben niet meer blikjes dan er in één koelbox passen. De zaken gaan niet best. Ik vraag mij af of die verkopers ook allemaal hier naar toe zijn komen roeien?
Na bijna een uur lopen wil ik het opgeven. Ik moet ook nog een keer terug. Maar dan kom ik de Australiërs tegen. Het is nog een kwartier, zeggen ze, en het is echt de moeite waard. Ik geef het voordeel aan mijn twijfels en strompel verder over het pad dat steeds steiler omhoog loopt.
Maar dan ben ik er eindelijk. Van boven op de heuvel kijk ik in de enorme grot die via een steile trap bereikbaar is. Ook hier aan weerskanten kraampjes met kleurige rommel. Ik ben natter dan nat en verlang even naar de droogte van de grot. Binnen is het vergeven van de mensen. Bijna geen toeristen. Er zijn er maar weinig die zo’n eind gaan lopen onder deze omstandigheden. Net als in Hanoi zie ik mensen namaakbankbiljetten offeren in schalen met vuur. En ook hier zijn het ‘dollars’. Dan weet je meteen hoe de Vietnamees over zijn eigen munt denkt. Of zou hij deze niet mogen verbranden omdat Ho Chi Minh erop afgebeeld staat?
Kwart over twee zou ik terug moeten zijn voor de lunch. Dat haal ik dus nooit meer, want het is al een uur. Het kost mij grote moeite om de droge, warme grot te verlaten om opnieuw door de stromende regen te glibberen. Maar als ik op goed geluk wat foto’s heb gemaakt van de monniken die in dikke boeken zitten te schrijven en van de gelovigen die met wierookstokjes diepe buigingen maken voor bolle boeddhabeeldjes, beklim ik de trap weer op weg naar de haven.
Ik ben natuurlijk de enige met haast. Laverend tussen de drommen mensen door ga ik tweemaal bijna onderuit. Er wordt hard gelachen, maar ik blijf overeind. Gelukkig maar, want ik moet er niet aan denken om zo’n sliding door de bagger te maken. Ik ben zo al vies genoeg. Half drie ben ik in het dorpje terug. Een kwartier te laat voor de lunch, maar dat vind ik niet erg. Ik ga eerst nog wat foto’s maken van een fraai tempelcomplex op de heuvel waar het dorpje tegenaan gebouwd is. Als ik een paar foto’s geschoten heb, komt de gids mij halen. Hij is hevig verontwaardigd. ‘Iedereen zit te wachten met eten omdat u er nog niet bent’, liegt hij. Ik loop maar met hem mee om de vrede te bewaren. ‘Na het eten foto’s maken’, zegt hij nog. In de grote eettent is iedereen al bijna klaar met de lunch. Ik krijg nog een bakje rijst en neem wat groenten en een blikje cola erbij. Snel schrok ik alles naar binnen.

Buiten het restaurant hangen half gevilde geiten aan een haak om de eetlust van voorbijgangers op te wekken. Het is een walgelijk gezicht, maar ik kan het niet laten er een foto van te maken.
Ik hol nog even terug naar de tempel om alsnog wat foto’s te maken. Het valt allemaal niet mee, met die telelenzen onder de paraplu. Een voordeel van de regen is wel dat het rustig is. Niemand gaat nu voor zijn lol in mijn beeld staan.
Terug gaat de boot sneller dan heen. We hebben nu de stroom mee. Het vrouwtje roeit dapper door, maar het is zo druk op de rivier dat we van tijd tot tijd in een ware verkeersopstopping komen te zitten. Terug in het stadje is het weer een half uur lopen naar het kruispunt waar we uit het busje waren gestapt. Ik babbel wat met het Japanse meisje uit New York. Ze woont daar haar hele leven al en heeft net als ik al aardig wat van de wereld gezien. Na Vietnam wil ze nog naar China.
Het is al half zes als het busje eindelijk verschijnt. Hung was al een uur wezen zoeken. Onderweg naar Hanoi val ik een paar keer bijna in slaap, maar de chauffeur slaagt er met zijn rijstijl prima in mij bij de les te houden. Bijna loopt het verkeerd af als een zandauto ineens de weg op draait. Verder gaat het goed tot aan Hanoi waar we weer hopeloos vast komen te zitten in de eeuwige verkeersopstopping.
‘Het gaat niet lukken om de mensen bij de hotels af te zetten’, zegt de chauffeur. Het busje stopt daarom voor het Poppentheater dat tegenover het centrale meer ligt. Eigenlijk had ik niet zo’n zin om te lopen, maar gelukkig is het eindelijk opgehouden te regenen. Ik informeer bij een paar rugzakkers waar ik het beste kan eten vanavond. Zij bevelen een restaurantje aan dat maaltijden voor 1 dollar serveert.
Maar eerst ga ik naar Lotus om mijn spullen terug te brengen en droge kleren aan te trekken. Na een half uur onder de hete douche kan ik er weer even tegen. Met schone kleren aan loop ik terug naar het buurtje rond het meer, waar de meeste restaurantjes te vinden zijn.
Het 1 dollar-restaurant blijkt zijn naam overigens niet waar te maken. Ik ben 30.000 dong kwijt, wat meer is dan tweeënhalve dollar. Erg smakelijk is het ook niet. Een beetje narrig loop ik nog wat richting centrum, waar ik al snel de weg kwijtraak. Het oriënteren in de donkere straten gaat mij niet makkelijk af. Ik zoek naar herkenningspunten, maar die zijn er niet. Uiteindelijk weet ik op de een of andere manier toch weer bij het meer uit te komen. Ik wandel er omheen. Rechtsom ditmaal, hoewel linksom korter is. Als ik half twaalf bij Lotus aankom, is alles al weer op slot. Ditmaal is echter ook de glazen deur gesloten. Ik tik zachtjes op het glas. Helaas slaapt de receptionist niet bepaald licht. Ik loop de hoek om en kijk of er een andere mogelijkheid is om binnen te komen. Maar dat lukt niet. Ik ga dus maar weer terug naar de hoofdingang en bons ditmaal wat harder op het glas. Dat helpt. De receptionist komt overeind van zijn houten tafel en haalt de sloten van het traliehek. Ook nu weer wuift hij mijn verontschuldigingen weg. Hij zal wel blij zijn met iemand die zulke lange dagen maakt.

Donderdag, 2 maart 2000

Eindelijk heb ik eens een hele nacht kunnen doorslapen. Nou ja, hele nacht. Half zeven word ik wakker van de herrie op de gang. Het lijkt wel alsof ze bij me in de kamer staan. Het ontbijt bestaat deze ochtend uit stokbrood met kaas en ei. Bij een kereltje schuin tegenover het guesthouse huur ik een fiets. Zoals gewoonlijk mankeert daar wel weer iets aan. Ditmaal is het de trapper die los zit. Door gebruik te maken van één been weet ik de Vietcombank te bereiken. Dit is nog zo’n echt ouderwets bankgebouw met marmeren vloeren. Een van de bewakers wijst mij het wisselkantoor voor travellercheques op de eerste verdieping. Het gaat hier sneller dan in China en het meisje achter de balie spreekt perfect Engels. Met een flinke bundel bankbiljetten op zak fiets ik naar het station om alvast een kaartje naar Hué te kopen. Ook dat gaat heel makkelijk bij het speciale loket voor buitenlanders. De trein is in Vietnam drie keer zo duur als de bus, maar lijkt mij ook drie keer zo veilig. De grote afstand tussen Hanoi en Hué wordt alleen ’s nachts afgelegd, of je nu met de bus of met de trein gaat. En nu ik zo’n bus heb meegemaakt lijkt het mij geen prettig vooruitzicht om daar de hele nacht in te zitten.
Ik fiets terug naar het guesthouse om mijn fiets om te ruilen. Helaas is er niet veel keuze meer. Ik krijg nu een soort mountainbike met een veel te laag en keihard zadel. Ditmaal doet de rem het niet, maar dat moet met de geringe te behalen snelheid niet zo’n probleem zijn. Ik besluit wat attracties op de stadsplattegrond af te gaan. Eerst naar het mausoleum van Ho Chi Minh. Dat blijkt echter al gesloten. Het sombere, natuurstenen gebouw is alleen ’s morgens van acht tot elf open. Ook de botanische tuin is gesloten. Een park met een groot beeld van Lenin is gelukkig nog open. Ik maak wat foto’s. Ik wil ook wat filmen, maar het blijkt dat de camera het natte avontuur van gisteren nog niet te boven is gekomen. Die moet ik eerst maar een tijdje op een droge plek neerzetten zodat alle condens uit de behuizing kan ontsnappen. Een oud mannetje klampt mij aan. Hij vindt het kennelijk vreemd dat ik zo’n interesse toon in het oude standbeeld van Lenin. De communicatie verloopt echter moeizaam want behalve Vietnamees spreekt hij alleen wat Frans.
Met beginnende zadelpijn fiets ik verder naar de Quan Thanh-tempel. Dit fraaie complex staat tussen hoge bomen en is gebouwd tussen 1010 en 1225. Het is gewijd aan de God van het Noorden: Tran Vo. Bij de ingang staan de entreeprijzen vermeld. Een Vietnamees betaalt 500 dong. Een buitenlander is tien maal zoveel kwijt. Net als bij de Ngoc Son-tempel wordt het complex naar binnen toe steeds heiliger. En gelukkig is het erg rustig zodat ik op mijn gemak een paar foto’s kan maken.

Natuurlijk fiets ik ook langs de beroemde One Pilar Pagode. Die is niet spectaculair, maar wel bijzonder.
De zadelpijn wordt erger terwijl ik langs het Witte Zijde-meer (Truc Bach) naar het uiterste noorden van de stad fiets. Onderweg zie ik een boot op het meer die op een drijvende Heineken-campagne lijkt. Het aangemeerde vaartuig is van onder tot boven met Heineken-vlaggen en -borden behangen.
Op een schiereilandje in het West-meer (Ho Tay) ligt de Tran Quoc-pagode. Dit was een van de oudste pagodes van Vietnam, maar de huidige dateert van 1842. Ik parkeer mijn fiets en krijg van de beheerder van de fietsenstalling een couponnetje met een hakenkruis erop. Gelukkig weet ik dat dit symbool in Azië een andere betekenis heeft dan in Europa. De pagode ligt in een prachtige tuin met enorme wierookpotten en tempeltjes met protserig versierde Boeddhabeelden. Ooit stond de 13 kilometer lange oever van het West-meer vol met dit soort tempelcomplexen, maar de Tran Quoc-pagode is de enige die de talrijke oorlogen uit het nabije verleden van Vietnam overleefd heeft.
Ik pak mijn te kleine fietsje weer en peddel via de dijk tussen het West- en Noord-meer en langs het mausoleum van Ho Chi Minh naar de in het westen van de stad gelegen tempel van de literatuur.

Deze voormalige letterkundige universiteit blijkt zo’n beetje het mooiste te zijn wat ik tot nu toe in Hanoi gezien heb. De vele paviljoens, tempeltjes en bruggetjes zijn van een voor Vietnamese begrippen ongekende schoonheid. De subtiele, strakke architectuur doet bijna Japans aan. Ook de tuinen mogen er zijn. Het is jammer dat het eeuwige getoeter op de achtergrond de plechtige stilte van deze schitterende omgeving verstoort. De bouw van de tempel van de literatuur is al in 1070 gestart. In de loop van de eeuwen is er steeds meer bijgebouwd. Het huidige complex bestaat uit vijf tuinen met hoge muren er omheen. In de Middeleeuwen was het complex verboden voor gewone mensen. Alleen de koning en hoge mandarijnen hadden toegang. Bezoekers lopen nu via het middenpad, dat in het verleden alleen door de koning betreden mocht worden. Via vijf poorten kom ik uiteindelijk bij het hoofdgebouw terecht, dat aan een groot, geplaveid plein ligt. Er is kennelijk net een of andere ceremonie in het hoofdgebouw geweest, want men is druk bezig een paar honderd vuurrode krukjes op te ruimen. Ik maak nog snel even een foto, want de krukjes misstaan niet tussen de in dezelfde kleur gelakte zuilen van het gebouw. Op de heenweg naar het hoofdgebouw heb ik gefilmd. Op de terugweg maak ik foto’s. Dit is wel zo handig, omdat ik nu niet steeds van apparaat hoef te verwisselen. Ik moet er thuis alleen op letten dat ik de foto’s weer even herschik, zodat het verhaal niet met het hoofdgebouw begint en met het poortgebouw eindigt. Helaas duurt fotograferen veel langer dan filmen, omdat ik op mijn foto’s van de gebouwen geen mensen wil hebben. En het duurt soms een eeuwigheid voordat eindelijk eens niemand in mijn beeldveld staat. Omdat ik die zeldzame gelegenheid ook nog probeer te combineren met het even door breken van de zon, zal duidelijk zijn dat de terugweg naar het poortgebouw lang geduurd heeft.

Na de tempel van de literatuur probeer ik de op de plattegrond aangegeven Kim Lien-pagode te bereiken. De route voert langs de Pho Ton Duc Thang, die tijdens de middagspits compleet verstopt is met verkeer. Honderden toeterende bromfietsen, bussen, vrachtwagens en een enkele personenauto proberen tevergeefs vooruit te komen. Via het trottoir fietsen zit er niet in, want dat staat vol geparkeerd met bromfietsen. De trottoirs staan zelfs zo vol, dat de vrouwtjes die groenten langs de kant van de weg verkopen hun nering maar op het overvolle wegdek hebben uitgestald. Op een gegeven moment moet ik verkeerd zijn gereden, want het lukt mij met geen mogelijkheid de Kim Lien-pagode te vinden. Dan maar verder naar de Hai Ba Trung-tempel die voor vandaag als laatste op het lijstje staat. Daarvoor moet ik via de Doung Dai Co Viet, een met hoge bomen omzoomde laan, waarop het zowaar vrij rustig is. De Hai Ba Trung-tempel vind ik wel, maar er is niet veel aan te zien. Het is een wat vervallen complex en het hek is op slot. Dat laatste is niet zo vreemd, want het is inmiddels zes uur en het wordt al donker. Omdat ik inmiddels bijna niet meer kan fietsen, besluit ik vanavond maar niet veel te doen. Bovendien begint morgen het drukke programma naar de bergen in het Noordoosten van het land. Ik eet dus maar iets eenvoudigs in het Lotus Guesthouse, ofschoon de menukaart hier niet echt toe uitnodigt. Ik betaal meteen de rekening. Het zijn er twee. Een voor de overnachtingen en de excursies: 44$ en een voor de genuttigde maaltijden en consumpties: 102.000 dong. Het valt mij mee. Nog geen 90 euro voor vier dagen met bijna half pension en een dagexcursie. Vroeg naar bed gaan heeft weinig zin, want de ‘lobby’ zit vol schreeuwende Vietnamezen. Ik pak maar de dikke Lonely Planet voor heel Zuidoost Azië van de leestafel om het hoofdstuk Cambodja te bestuderen. Als de enige internetcomputer eindelijk vrij komt stuur ik een e-mail naar huis. Er is nog steeds geen reactie op mijn eerste e-mail binnengekomen.

Vrijdag, 3 maart 2000

Ik begin inmiddels gewend te raken aan korte nachten, want ik voel me nauwelijks moe als ik vijf uur ’s morgens opsta. Half zes sta ik klaar. Er zijn nog twee andere gasten die ook naar Sapa gaan. Ruim een half uur te laat komt het busje en begint een uitgebreide rondrit door Hanoi. Eén van de reizigers, die onderweg bij een nogal duur uitziend hotel instapt, valt nogal uit de toon met zijn zijden bloes. Ook verder ziet hij er behoorlijk fout uit. Na dik een uur hobbelen en wachten is het gezelschap compleet en draaien we een weg op die in Vietnam voor een snelweg moet doorgaan. Gelukkig is het eindelijk eens droog vandaag al is het wel zwaar bewolkt. Het jochie naast de chauffeur gaat omgekeerd op zijn stoel zitten en stelt zich in nauwelijks verstaanbaar Engels voor als de gids op deze reis. Hij heet Wine of zoiets. Geleidelijk wordt de weg smaller en neemt het aantal dorpjes en stadjes onderweg af.
Het is een comfortabel busje. Ik zit bij de uitgang en kan daarom lekker mijn benen strekken. Dat bevalt wel zo. Naast mij zit een Australiër, die maar niet kan ophouden met kletsen. Zijn monotone betoog komt erop neer dat hij de hitte van het zuiden is ontvlucht, maar dat hij het hier in het noorden wel weer erg koud vindt. Ik ben nog de koude van Nederland gewend, dus ik kan niet met hem meevoelen. De Australiër is de enige die praat, de rest van het gezelschap is nog aan het herstellen van de korte nacht, net als ik.
Rond een uur of tien bereiken we de eerste heuvels. We stoppen even voor een korte rustpauze en een eenvoudig ontbijt in een lokaal restaurantje. Ondanks de primitieve uitstraling van het etablissement beschikt het restaurantje over een Engelstalig menu. Ik bestel een omelet en een Ovaltine. Dat laatste is een soort chocoladedrank. Niet te drinken overigens. Er stoppen meer busjes en ook een paar grotere bussen.
Dan begint de slingerrit door de heuvels. Ik moet er maar niet aan denken dat we nog zo’n acht uur voor de boeg hebben. Na een tijdje wordt een van de vrouwen van het gezelschap onwel. We moeten even stoppen. Met een wit weggetrokken gezicht klimt het type motormuis met haar lange blonde krullen het busje uit. Na een potje uitbundig braken gaat het wel weer.
Als we een schitterend uitzichtpunt passeren ben ik blij als we een paar seconden later stoppen voor de lunch. Snel pak ik mijn camera’s en loop ik een stukje terug om het uitzicht vast te leggen. Ver weg in het enorme dal is door de mist vaag een aantal meren te zien. De horizon bestaat uit het grauwe silhouet van een verre bergketen. Een paar boeren met grote bossen stro aan een draadstok passeren over de asfaltweg. Het lijkt wel of ze extra hard lopen om maar niet op de foto te hoeven.
In het restaurant, volgens Wine de nr.1 van Vietnam, bestel ik even later een flinke maaltijd. Niet dat ik zo uitgehongerd ben, maar met een volle maag is het waarschijnlijk beter uit te houden in het busje op de steeds bochtiger wordende slingerweg.
Rond een uur of drie gaan we weer verder richting Chinese grens. Langs de afgronden zijn de rijstvelden te zien met hun oogverblindende tinten groen. “Daar is China”, zegt Wine op een gegeven moment terwijl hij naar de heuvels aan de overkant van de rivier wijst. We volgen die rivier al bijna een uur, maar nu valt het mij op dat op de toppen van de volledig in cultuur gebrachte heuvels overal antennes staan. Het is vijf uur als we eindelijk Lao Cai binnenrijden. Op de kaart is deze grensplaats slechts een klein stipje, maar in werkelijkheid is het een behoorlijk grote stad aan het worden. Ongeveer de helft van de bebouwing verkeert min of meer in aanbouw. Er is een enorm aantal hotels voor reizigers die in afwachting van de formaliteiten of aansluitend vervoer naar China de nacht doorbrengen in Lao Cai.
De laatste dertig kilometer richting Sapa gaan steil omhoog. Het landschap wordt nu werkelijk adembenemend. Voor het busje ook letterlijk, want we moeten verscheidene keren stoppen om de motor te laten afkoelen. Hier is het niet moeilijk om met elkaar in gesprek te raken. Het gezelschap bestaat uit een Duits meisje dat in Londen woont en werkt, een Australisch echtpaar dat erg onder de koude op deze hoogte lijdt, Delphine die in Parijs woont maar geboren is in Bordeaux, twee Duitse studenten die eruit zien als hippies en die wegens geldgebrek voor nog geen 400 euro met Aeroflot naar Vietnam zijn gevlogen, twee Duitse mannen, waaronder die met het zijden overhemd en een Japanse vrouw die nauwelijks iets zegt gedurende de gehele reis.
Op een gegeven ogenblik rijden we een dikke mistbank in en als we daar uit komen zitten we ineens boven de wolken. Het is prachtig. We stoppen opnieuw om van het uitzicht te genieten en de motor te laten afkoelen.
Als de duisternis invalt, hebben we nog vijftien kilometer te gaan. Een uurtje, schat Wine. Gelukkig heeft het busje koplampen die het doen. Dat is in Vietnam niet zo vanzelfsprekend. Als we anderhalf uur later Sapa binnenrijden is het aardedonker.
Hoewel we met een klein gezelschap zijn is het niet mogelijk ons in één hotel onder te brengen. We blijven een tijdje wachten bij het eerste hotel, totdat daar zoveel mogelijk mensen in zo weinig mogelijk kamers zijn ondergebracht. Dan lopen we onder begeleiding van Wine een aantal andere hotels af waarbij het groepje steeds kleiner wordt. Ik deel een kamer met de twee Duitse studenten in een hotel dat niet over verwarming beschikt en dat niet geïsoleerd is tegen de felle winterse koude op deze hoogte. Dit wordt geen comfortabele nacht. Gelukkig is er wel een douche met warm water. Met de twee jongens zoek ik een restaurantje op. Het wordt het Tuan Anh-restaurant, dat rond deze tijd zo ongeveer het monopolie over de plaatselijke horeca heeft. We gaan vroeg slapen, want morgen is het markt en dan moet ik om zes uur klaar staan met mijn fototoestel.

Zaterdag, 4 maart 2000

Al heel vroeg word ik wakker van de kou. Het lijkt wel te vriezen in de kamer. Om 6 uur sta ik op en stap ik onder de douche die gelukkig warm is. Ik kleed mij aan en pak mijn spullen om naar de markt te gaan. Het ziet ernaar uit dat het eindelijk mooi weer wordt vandaag. Door de vrieskou, die in deze tijd van het jaar normaal is op deze hoogte van 1600 meter boven zeeniveau, loop ik behangen met camera’s naar de een paar straten verderop gelegen markt. Als ik half zeven aankom is de markt al aan de gang, maar erg veel stelt het niet voor. Het grootste deel bevindt zich onder een foeilelijk betonnen gebouw. Van wat zich buiten bevindt lijkt het meeste meer op een vuilstortplaats dan op een markt. Veel volk is er ook nog niet. En wat er in traditionele kleding loopt blijken over het algemeen souvenirverkoopsters te zijn.

Dit is wel wat anders dan de spectaculaire markten die ik in Thailand en Birma gezien heb.
Kinderen lopen achter mij aan en bedelen om bonbon’s en money. Ik probeer wat foto’s te maken met mijn sterke telelens, maar dat gaat niet makkelijk.

De lichtomstandigheden zijn slecht en mensen draaien zich snel om als ze mij zien aankomen. En als ik eindelijk een mooie foto kan schieten staat er altijd wel weer iemand in beeld.

Ik zoek een stalletje waar ik kan ontbijten. Een lekker maaltje overigens. Een banana pancake, heerlijke koffie en een bakje yoghurt met honing. Om negen uur moet ik terug zijn in het hotel, want dan beginnen we aan een lange wandeling naar de dorpjes van de zwarte Tai. De zwarte Tai zijn één van de minderheidsvolken die in dit deel van Vietnam leven. Hun dorpjes liggen in de Hoang Lien-bergen, die het ‘dal’ van Sapa omringen. Hier bevindt zich ook de hoogste berg van Vietnam: de Fansipan met een hoogte van 3143 meter. ’s Morgens had ik al enkele zwarte Tai op de markt gezien. Onderweg naar de bergen komen we er nog veel meer tegen. Iedereen die gisteren met het busje gekomen is wandelt mee. Intussen is de zon aardig doorgebroken en begint het behaaglijk te worden.
Na ongeveer een uur hebben we het eerste dorpje bereikt. Wine doet navraag en nodigt ons dan uit voor een bezoek aan een van de huisjes. Het is allemaal erg primitief. De huisjes bieden ook nauwelijks bescherming tegen de koude op deze hoogte. Overal waar wij lopen hebben wij een kielzog van bedelende kinderen om ons heen. Het is duidelijk dat het massatoerisme hier al zijn tol heeft geëist. We komen nog langs wat andere dorpjes waar we ook wat huizen bezoeken. De meeste bewoners van de dorpjes zijn vandaag echter naar de markt in Sapa. Buiten zwermen alleen de kinderen rond. En in de huisjes zijn alleen de oudste mensen achtergebleven die in een hoekje op de vloer groenten zitten schoon te maken. Kleine houtvuurtjes geven wat warmte in de woning, maar zorgen er ook voor dat het erg benauwd is binnen. Je moet geen astma hebben als je een zwarte Tai bent. Ik wil een foto maken van een meisje in haar traditionele dracht, staande in de deuropening van haar woning. Maar dat mag pas nadat ik van haar een armbandje heb gekocht. Vooruit dan maar, het zijn de kosten niet.
Rond een uur of twaalf rust ik even uit bij een waterval. Dan begint de terugtocht. Ook deze gaat over moeilijk begaanbaar paden met glibberige keien. En ook langs deze route bestaan de bruggen over de snel stromende riviertjes uit spekgladde keien. Zonder de goede hulp van de gids is het niet mogelijk om droog aan de overkant te komen. Onderweg komen we mensen tegen die net terugkomen van de markt. Kennelijk zijn ze teleurgesteld over een tegenvallende omzet, want ze overvallen ons bijna met hun armbandjes, kleurige mutsjes, kleding en andere spullen die wij niet nodig hebben. Oude vrouwen klampen mij aan en laten hun gouden tanden zien. Op een gegeven moment staan er wel zes om mij heen. Snel stallen zij hun koopwaar uit en probeerden zij mij op bijna intimiderende wijze ervan te overtuigen dat ik toch echt iets moet kopen. Ik schud ze van mij af en loop met een wat hoger tempo terug naar Sapa. De rest van het gezelschap is blijven hangen bij een herberg die we onderweg tegenkwamen.
Uitgeput plof ik neer bij restaurants Chapa. Ik bestel een schaal tomatensoep met een ei erin en vijf hele vette, kleine loempia’s. Na de lunch kijk ik nog even op de markt, maar daar is sinds vanochtend niet veel veranderd. Ik besluit het natuurpark van Sapa te bezoeken. Dat ligt rond een kleine zwarte berg die geheel van marmer is. Helaas is het niet de beste tijd van het jaar. De vele orchideeën bloeien alleen in de zomer. Ook van de overige bloemen staat nauwelijks iets in bloei. Dat neemt niet weg dat de omgeving bijzonder de moeite waard is. De wandeling door het park vereist wel het uiterste van mijn conditie. De meeste paden gaan steil omhoog en het klimmen valt niet mee in deze koude, toch wat zuurstofarme lucht. Ook mijn rug begint te protesteren onder het gewicht van mijn camera-apparatuur. Toch zet ik door, want ik wil een paar uitzichtpunten bereiken, die vermeld staan op het bij de ingang verstrekte plattegrondje. Dan kan ik eindelijk even uitrusten. Met een steentje kras ik op het zwarte oppervlak van de berg en zie ik hoe het spierwitte marmer tevoorschijn komt. Het uitzicht is prachtig, alleen jammer dat de stilte voortdurend verstoord wordt door de luide muziek uit Sapa.
De rest van de middag wandel ik een beetje rond door het dorp en bekijk ik de zwarte Tai, de rode Zao’s en de Color Hmongs, die nog steeds met een dekentjes en mutsjes op toeristenjacht zijn. Op de markt spreekt een kleine jongen mij aan. Hij wijst naar mijn schoenen waarvan niet meer te zien is welke kleur die ooit hebben gehad. Hij dringt erop aan om ze te mogen poetsen, maar ik vind dat ik hem dat eigenlijk niet kan aandoen. Hij blijft aandringen, zodat ik uiteindelijk maar toestem. Dan moet hij het zelf maar weten. Ter vervanging van mijn besmeurde bergschoenen leent hij mij een paar veel te kleine plastic teenslippers. Dat is geen lopen, dus blijf ik maar even zitten tot hij klaar is. IJverig gaat hij aan de slag. Hij hakt eerst de grootste stukken aangekoekte modder weg. Dan begint hij verwoed te poetsen. En zowaar, ze worden weer glanzend zwart. Intussen voel ik mij een pot stroop waar steeds meer souvenirverkoopsters als vliegen op af komen. Ik krijg tientallen armbandjes en andere snuisterijtjes onder mijn neus geduwd. Een klein meisje valt wel bijzonder op. Ze is veruit de kleinste van het stel maar ook verreweg de bijdehandste. Ze wijst verontwaardigd naar het armbandje dat ik vanochtend gekocht heb en vraagt waarom ik van haar vanochtend geen armbandje wilde kopen. Ik heb geen zin om dat uit te leggen. Ik verbaas me er over dat ze zo goed Engels spreekt. Geleerd van toeristen zegt ze. Ze is pas negen jaar en heet Mai. Ik vind haar erg grappig en besluit uiteindelijk nog maar eens 10.000 dong te investeren in de lokale nijverheid. In ruil mag ik een fotootje maken. Er zijn verder weinig toeristen. Daarom word ik steeds intenser lastig gevallen. Op een gegeven moment ben ik het wel een beetje zat en loop ik terug naar het hotel. Een van de twee studenten is nog op de kamer. Hij zit in de Bijbel te lezen, maar gaat er snel vandoor als hij de klokken van het dorpskerkje hoort luiden. Ik fris mij op en ga even op bed liggen met mijn walkman op. ’s Avonds eet ik weer bij Chapa. Het restaurant is afgeladen, terwijl de overige etablissementen zo goed als leeg zijn. Dat zal dan wel aan de kwaliteit van het voedsel liggen.
’s Avonds bezoek ik een traditionele muziekvoorstelling in de Green Bamboo Bar. Het zit er bommetje vol. Toeristen, maar vooral ook souvenirverkoopsters. Ook Mai is er weer. Ik begrijp het niet helemaal. Zo’n klein kind dat straks nog helemaal naar haar waarschijnlijk kilometers verre dorp moet lopen. De muziek is niet om aan te horen, maar de muzikanten zijn wel grappig. En het is er erg gezellig. Als de voorstelling is afgelopen is het nog erg druk op straat. Opnieuw zijn er vele verkoopsters, alleen bestaat de koopwaar niet meer uit sieraden en kleding, maar uit opium.

Zondag, 5 maart 2000

De zon is nog niet op als ik morgens om 6 uur door de vrieskou naar het Chapa-restaurant loop. Op een paar dik ingepakte Hmongs na, is de straat verlaten. Ik kom zowaar Mai weer tegen. Die slaapt kennelijk nooit. Het zal later wel een goede zakenvrouw worden. Na een ontbijtje met stokbrood en omelet vertrekken we rond half acht op weg naar Bacha. Dat dorp ligt in een ander dal en heeft markt op zondag. Ook Sapa beperkt zich met de markt niet meer tot de zaterdag. De kooplui zijn al weer druk bezig hun stalletjes in orde te maken. Het is intussen al weer erg druk op straat, ondanks de koude en het vroege tijdstip op de zondagmorgen.
Na een half uur rijden over een haarspeldbochtenweg duiken we de wolken in. In Sapa was het nog stralend weer, maar hier beneden in Lao Cai is het zwaarbewolkt. De weg richting Bacha is zo smal dat we een paar keer de berm in moeten om tegemoetkomende vrachtwagens te laten passeren. Af en toe zitten we zelf achter een vrachtwagen en rijden we lange tijd niet harder dan 15 kilometer per uur totdat we er op een van de zeldzame rechte, wat langere stukken voorbij kunnen.

Na een tijdje komen we bij een hangbrug over een snelstromende rivier. We moeten de bus uit, want die kan met passagiers wel eens net te zwaar zijn voor de brug. Lopend gaan we naar de overkant, waarna stapvoets de bus volgt. We zien al een paar Flower Hmongs in hun schitterende kleding. Het zijn overigens alleen de vrouwen die zich zo weldadig aankleden.

Als we rond 10 uur in Bacha aankomen is het een drukte van belang. Iedereen begeeft zich in de richting van de markt. Ik gun mijzelf nauwelijks de tijd om mijn spullen in de hotelkamer te leggen. Gelukkig heb ik nu weer een eigen kamer. Behangen met camera’s loop ik in hoog tempo in de richting waar de meeste mensen naar toe lijken te gaan. De mist trekt intussen weg en maakt plaats voor een azuurblauwe hemel met een stralende zon. Nu zijn de kleurige gewaden van Hmong-vrouwen helemaal oogverblindend.

Op de markt is er geen doorkomen aan. Ik speur naar wat mooie plekjes om foto’s te maken, maar die zijn er niet. Alleen de mensen en de koopwaar zijn mooi. En dan is ‘mooi’ zwak uitgedrukt. Het is werkelijk schitterend. Ik vergeet dat ik wat fotorolletjes betreft zuinig moet zijn en jaag het ene na het andere filmpje er doorheen. Er zijn maar weinig andere buitenlanders, ofschoon het hier duizenden malen mooier is dan in Sapa.

De drukte en de felle zon maken het niet makkelijk om goede omstandigheden voor fotografie te vinden. Daarnaast schijnen de mensen het niet zo leuk te vinden om voor fotomodel te spelen. Daarom schiet ik discreet met mijn sterke telelens maar zo veel mogelijk plaatjes op goed geluk.

Ik kom nog een stel Nederlanders tegen. Het is op doorreis. India, China en Laos hebben de leden van het gezelschap al bezocht. Na Vietnam gaan ze nog naar de Filippijnen. Ze trakteren mij op twee hele vette oliebollen. Ze zijn heerlijk, maar ik hoop dat ik er geen inwendige problemen mee krijg. Ik koop een Vietnamese hoed, tegen de felle zon. Het is geen gezicht en bovendien dragen in Vietnam bijna alleen vrouwen zo’n conische hoed, maar daar trek ik mij lekker niets van aan. In dit klimaat is het een zeer functioneel hoofddeksel.

Rond een uur of twee zoek ik mijn eigen clubje weer op. De markt loopt op zijn eind, dus is het een geschikt moment om aan een wandeling langs de dorpjes in de heuvels te beginnen. We worden gastvrij onthaald door de Hmongs. De mensen zijn arm, maar doen hun best om van hun eenvoudige huisjes toch iets heel fraais te maken. Oude kranten worden als behang gebruikt. Andere versiering bestaat uit foto’s van Ho Chi Mihn, die het in tegenstelling tot latere regeringen goed voorhad met deze mensen, en foto’s van filmsterren uit waarschijnlijk Vietnam zelf en uit India. Het valt mij op dat de huisjes nauwelijks bescherming bieden tegen de koude ’s nachts. Dikke dekens zie ik ook nergens. Zouden de Hmongs met al hun kleren aan slapen? Terwijl het groepje binnen in een van de huisjes een verhaaltje van de gids aanhoort, probeer ik buiten een paar kinderen in hun prachtige Flower Hmong-gewaadjes te laten poseren voor de foto. Het lijkt wel een andere wereld hier. Er is niets meer dat op westerse beschaving duidt. Binnen krijgen we thee, zelf gestookte sterke drank en een waterpijp aangeboden. Voor het laatste bedank ik beleefd, want ik weet niet wat er naast water verder nog inzit. Het schijnt overigens dat het in deze streek nog voorkomt dat bruiden worden gekidnapt als de aanstaande bruidegom niet in staat is de bruidschat in buffels te voldoen.
We lopen verder en ik probeer op te modderige paadjes mijn blinkend gepoetste bergschoenen schoon te houden. Dat lukt natuurlijk niet. We komen op weg terug naar Bacha nog heel wat dorpelingen tegen. De grappigste is een vrouw met een mand op haar rug, met daarin een klein hondje. Tegen vijf uur zijn we terug in Bacha. Ik neem een douche en haast mij dan naar het dichtstbijzijnde restaurant, want ik ben uitgehongerd. Veel horeca is er niet in Bacha. De lokale mensen eten thuis en toerisme staat nog in de kinderschoenen. Restaurant Cong Phu blijkt een goede keuze. Zo ongeveer alle buitenlanders die ik vanochtend op de markt heb gezien, zitten nu in dit restaurant. Ik bestel soep met veel groente en rijst met groente en vlees. Er is ook bier, maar een flesje Hanoi-beer is hier niet goedkoop. Het schuimt echter geweldig. En dat is al heel bijzonder voor Aziatisch bier. Om negen uur gaat de tent dicht. Omdat er verder niets te beleven is in Bacha ga ik maar eens vroeg naar bed. Het hotel is natuurlijk weer extreem gehorig. Ik denk aan de tijd dat op de bergen nog grote luidsprekers stonden waarmee de regering de bevolking wilde indoctrineren. Het is aan het belang van het toerisme te danken dat deze misdadige apparaten onlangs zijn verwijderd. Morgen is het weer om half zeven opstaan voor de terugreis naar Hanoi.

Maandag, 6 maart 2000

Al om zeven uur ’s morgens rijden we weg uit Bacha. We hebben een half uur moeten wachten tot de gids eindelijk uitonderhandeld was met twee Nederlanders die als extra passagiers met het busje meewilden naar Hanoi. Het is proppen om ze erbij te krijgen met hun grote rugzakken. Na een flinke tijd afzien met mijn lege maag langs de kronkelweg, komen we weer bij de hangbrug aan. Terwijl we wachten tot we naar de overkant kunnen, koop ik een trosje bananen tegen de ergste trek. Als we straks bij een bekende of een familielid van de gids aankomen, zullen we wel kunnen ontbijten. Maar zover is het misschien nog lang niet.
Het weer is prachtig vandaag. Ook beneden in het dal. Alleen wat sluierwolkjes ontnemen het vrije zicht op een stralend heldere hemel.
We rijden veel harder dan op de heenweg. De chauffeur ruikt de stal, denk ik. Vanwege het gejakker heeft niemand – ook ik niet – zin om te babbelen. De twee Nederlanders zitten twee stoelen voor mij, dus dat maakt een gesprek ook niet echt makkelijk. Af en toe sukkel ik in slaap, maar dan schrik ik al snel weer wakker als de chauffeur voor de zoveelste keer een noodstop moet maken. Tweemaal gaat het bijna mis, maar de gids vertrekt geen spier. Wine is deze rijstijl wel gewend.
We lunchen in een soort varkensstal, waar het eten overigens niet slecht is. De serveerster is werkelijk een plaatje. Bijna letterlijk een vlag op een modderschuit. Rond half drie krijgen we oponthoud. Een van de binnenste achterbanden is lek. Dat wordt een moeilijke klus voor de garage. Ondanks de schijnbare roekeloosheid van de chauffeur, vindt hij het toch niet verantwoord om zo door te rijden. Bij de garage krijgen we Vietnamese thee aangeboden.
Na een dik uur brult de bus weer verder. De chauffeur heeft nu nog veel meer haast, maar vanwege de toegenomen drukte op Highway nr. 6 is het niet mogelijk om op te schieten. Inhalen is ondenkbaar en het vrachtverkeer voor ons gaat echt niet opzij. Pas rond acht uur rijden we Hanoi binnen. Een rondje langs de hotels zit er niet meer in. Dat is ook bijna onmogelijk, want het verkeer in de Vietnamese hoofdstad zit muurvast rond deze tijd. Het wordt dus weer lopen vanaf het meer terug naar het Lotus Guesthouse. Ik besluit toch maar voor de somma van 1 dollar een brommertaxi te nemen. Met een omweg langs een mij wat onbekende route, brengt de oude Vietnamees mij naar het vertrouwde adres aan de Pho Tran Hung Dan. Ik krijg dezelfde kamer op de begane grond, waar ik mijn eerste nachten in Vietnam heb doorgebracht. Na gedoucht te hebben loop ik nog naar het centrum om een restaurantje en een internetcafé te zoeken. Eindelijk is er bericht uit Nederland gekomen. Ik schrijf een mailtje terug en ga niet al te laat naar het hotel, om nu eens niet de nachtportier te hoeven wekken.

Dinsdag, 7 maart 2000

Vandaag begint de reis naar Halong Bay aan de Zuid-Chinese Zee. Dat is een uniek natuurgebied met grillige rotspieken die loodrecht uit zee oprijzen. Zoals gewoonlijk is het vroeg opstaan. Nog geen ontbijt dus. Ditmaal rijdt er een vrij grote bus voor. Het is een voordeel dat het ’s morgens vrij rustig is in de stad, anders zouden wij de bus bij het meer moeten opzoeken. De bus is nog vrijwel leeg, dus het zal wel weer een rondje Hanoi worden. Dat laatste valt bij nader inzien mee. Maar wel blijven we ruim een uur voor het marionettentheater in het centrum wachten. De bijrijder loopt in die tijd het oude centrum af om de overige passagiers op te halen. Geleidelijk druppelt iedereen binnen. Er gaat een man of dertig mee. Zo rond half negen vertrekken we dan eindelijk en lopen we al snel vast in de ochtendspits. Maar tenslotte bereiken we dan toch de snelweg die in de richting van het vliegveld gaat. Na een klein uurtje stoppen we voor het ontbijt bij een restaurant waaraan een soort kunstatelier gekoppeld is. Het is er een drukte van belang. Er gaan meer bussen richting kust. Ik bekijk eerst maar eens de winkeltjes, waar je onder andere een uit hout gesneden Mariabeeld op ware grootte kunt kopen. Ook allerlei andere heiligenbeelden zijn te koop. Als ik nog eens een kerk wil inrichten weet ik waar ik zijn moet. In een ander deel van het gebouw zijn borduurwerkjes te koop met allerlei toeristische voorstellingen van Vietnam. Om te bewijzen dat het echt handwerk is, heeft de baas twee meisjes aan het werk gezet die ijverig zitten te borduren en zich niets aantrekken van de vele flitsen van de toeristencameraatjes. Snel prop ik nog wat eten naar binnen, want het is al weer bijna tijd om te vertrekken. Buiten zie ik nergens meer de bus waar ik mee gekomen ben. Even ben ik ongerust. Hij zal toch niet te vroeg vertrokken zijn. Ik kijk om mij heen of ik bekende gezichten zie. Ik herken een paar mensen die vanochtend ook in de bus zaten. Zij weten ook niet wat er aan de hand is. Maar dan rijdt de bus ineens de parkeerplaats op. Hij was zeker even gaan tanken. Ik stap nu maar meteen in. Een kwartiertje later rijden we weer. Ditmaal gaat de route over een smalle rechte weg dwars door de rijstvelden. Opmerkelijk is dat hier en daar midden in de rijstvelden grote grafmonumenten staan. Ik vraag de bijrijder naar de betekenis daarvan, maar zijn Engels is niet toereikend om mij dat uit te leggen. Ook in de Lonely Planet vind ik er niets over.
Zo tegen het middaguur zie ik aan de horizon de markante bergpieken van de Halong Bay opdoemen. We naderen Bai Chay, het westelijke deel van Halong City. Deze stad wordt van alle Vietnamese steden het meest afgekraakt door de Lonely Planet. Ik ben dus wel benieuwd. De verhalen in mijn reisgidsje hebben mij ook doen besluiten om deze complete tour al in Hanoi te regelen. Want het zelf organiseren van een boottochtje naar de eilanden moet een ware nachtmerrie zijn. Het zal in de praktijk misschien wel meevallen, maar ik ben ervan overtuigd dat het voor minder dan ik nu betaald heb niet zelf te regelen is.
Als we door de eerste straten van Bai Chay rijden, begrijp ik wel enigszins hoe de afkeer van de auteurs van de Lonely Planet ontstaan is. Het stadje maakt met zijn vele barretjes en massagesalons inderdaad een nogal ranzige indruk. De bus rijdt door tot de haven en stopt op een grote parkeerplaats bij een aantal restaurants. Ondanks de bescheiden prijs van 27 dollar zijn alle maaltijden bij het arrangement van deze reis inbegrepen. Maar omdat de bediening in de regel nogal lang op zich laat wachten in Vietnamese restaurants, wandel ik eerst het stadje in. Veel te beleven is er niet. Daarvoor is het kennelijk nog te vroeg. Bai Chay is meer het oord, dat pas na 10 uur ’s avonds tot leven komt. Op de terugweg naar het restaurant doe ik nog even een internetcafé aan om een mailtje naar huis te sturen. Er is nog geen reactie op mijn laatste mailtje zie ik in mijn Hotmail-lijstje.
In het restaurant worden net de maaltijden opgediend. Dat had ik goed ingeschat. Direct na het eten brengt de bus ons naar de boot. Het is een vrij kleine boot waar je eigenlijk niet met dertig mensen op kan. Dat gebeurt ook niet.

De buspassagiers worden over twee boten verdeeld. Even later kom ik er achter dat dit alleen gedaan is om de havenautoriteiten te misleiden. Want bij de eerste stop op een eilandje met een aantal mooie grotten, krijgen wij de passagiers van de andere boot erbij. Maar eerst beklimmen we de berg, op weg naar de Dao Go-grot. Negentig treden telt de steile, kronkelige trap naar boven. Ik gebruik mijn fotostatief als wandelstok om mijn evenwicht te bewaren. Eenmaal binnen in de grot waan ik mij in een door Walt Disney ontworpen sprookjesbos. De kamers van de grot zijn reusachtig en er hangen meterslange stalactieten aan het plafond. Veelkleurige schijnwerpers zorgen voor een theatraal effect. Ik ben wel erg blij met mijn statief. Anders was dit niet te fotograferen geweest. Ik lach een beetje om de mensen die met hun kleine prutscameraatjes zo naïef zijn dat zij denken hier mooie foto’s te kunnen maken. Natuurlijk gun ik mijzelf weer meer tijd dan door de gids geschonken is. Maar de boot is tot mijn opluchting nog niet vertrokken als ik bij de uitgang van de grot weer het felle daglicht inloop. Geen zon helaas. Maar er is gelukkig ook geen regen.
We varen verder. Aan de horizon zie ik blauwe lucht verschijnen. Ik hoop dat die deze kant op komt. Vanaf zo’n boot zie je pas echt hoe indrukwekkend dit uit zee oprijzende gebergte is. Ik neem plaats op de voorplecht om optimaal van het betoverende uitzicht te kunnen genieten. Het lijkt een eindeloos doolhof. Nu en dan zie ik tussen de vele rotspieken de open zee. Een reusachtig wit cruiseschip heeft net de haven verlaten. De blauwe lucht komt steeds dichterbij.
Zo tegen vier uur komt ineens de zon tevoorschijn. Het door UNESCO beschermde natuurwonder is nu ineens nog tien keer zo mooi. Dit is echt geweldig.
Inmiddels heeft de zon bijna de horizon bereikt en steekt er een dichte mist op. Het is aan de bemanning van de boot te merken dat deze er niet gerust op is. En inderdaad. Ineens zitten we in de dichte mist en kunnen we geen tien meter meer vooruit zien. Stapvoets varen we verder. De bootsman staat nu op de voorplecht om de schipper te kunnen waarschuwen als we tegen een rots dreigen aan te varen. Die maatregel is niet voor niets, want ineens doemt een enorme rotsmassa voor ons op en kan de boot nog maar net op tijd stoppen. De schipper lijkt de weg kwijt te zijn. Langzaam blijven we zo doorsukkelen totdat in de verte ineens lampjes te zien zijn. We zijn nog niet bij onze bestemming, de haven van Cat Ba, maar de stuurman weet nu wel weer waar we zijn. Ook de mist trekt langzaam op.
Een uurtje later lijkt het alsof we Hongkong naderen. We varen een baai binnen, die vol ligt met schepen waarvan de meeste meer op een drijvende woning lijken dan op een vaartuig. Het is een complete stad, met drijvende huizen, een kerk, winkeltjes en zelfs een drijvend benzinestation. In de verte zien we Cat Ba Village liggen. De bijnaam ‘Little Hongkong’ is niet geheel onterecht.

Nadat we zijn aangemeerd, lopen we naar het Thao Minh Hotel waar ik samen met een Duitse passagier een kamer op de vierde verdieping krijg toegewezen. We hebben nog ruim een uur voordat het eten wordt opgediend. Die tijd gebruik ik om het gezellige stadje te verkennen. Veel te verkennen valt er overigens niet, want meer dan één straat langs de haven is het niet. Ik verbaas mij over het aantal kappers dat je hier hebt. De kapsters staan voor hun winkel om klanten naar binnen te lokken. ’Masa, masa’, roepen zij. Dat is Vietnamees voor massage. Ze proberen mij een gezichtsmassage aan te smeren, maar daar zie ik de zin niet van in. Langzaam loop ik verder, bijkomend van de urenlange boottocht. Het eten is goed in het restaurant waar nu, begin maart, nog de kerstwensen en ‘Happy New Year’ de wanden sieren. Met een paar andere mensen van het gezelschap drink ik nog een biertje op een van de vele caféterrasjes. Dit is tot nu toe de meest aangename plek die ik in Vietnam heb meegemaakt, ofschoon het in schoonheid natuurlijk niet kan tippen aan het gebergte rond Sapa. Veel te laat ga ik slapen, na eerst nog het op een van de muren van de kamer geplakte vel papier met idiote gedragsregels gefilmd te hebben. Het is bijvoorbeeld verboden om explosieven en wapens op de kamer te hebben. Je bent verplicht die af te geven aan de receptie. Zie je het voor je?

Woensdag, 8 maart 2000

Het was goed slapen in het voor Vietnamese begrippen zeer rustige hotel. Na het ontbijt van stokbrood met smeerkaas en een limonadeglas met sterke koffie, lopen we naar een bus die zo te zien beide wereldoorlogen heeft meegemaakt. Het reisdoel van vandaag is het Cat Ba National Park. Steunend en kreunend beklimt het Spartaanse voertuig de steile helling die even buiten Cat Ba Village begint. Aan de linkerkant wordt het uitzicht op de Cat Ba-baai steeds mooier.
Na zo’n twintig minuten bereiken we een kleine parkeerplaats. We stappen uit en lopen achter een vrouwelijke gids van het park via een smal paadje door het oerwoud naar een nabijgelegen grot. Het is weer even klimmen want de ingang van de grot ligt op een hoogte van ongeveer twintig meter. Volgens onze eigen gids is deze grot tijdens de laatste oorlog als militair hospitaal in gebruik geweest. Via de smalle, donkere en vooral zeer warme gangen kruipen we naar een grote zaal. Ik pak mijn zaklantaarntje, maar daar heb ik niet veel aan in deze grote ruimte. Het is benauwd, vochtig en heet in de grot. Geen omstandigheden om zwaargewonde patiënten te huisvesten lijkt mij. Maar in ieder geval hoefde je hier niet bang te zijn voor een bombardement. Het zweet druipt van mijn rug en ik ben dan ook blij als we weer terug naar de uitgang lopen. De bus brengt ons verder naar de hoofdingang van het park, waar meer bussen staan. De mensen worden nu verdeeld in twee groepen. De ene groep is voor mensen die wat minder goed ter been zijn en aan een wandeling van ruim een uur voldoende hebben, terwijl de andere groep een zware wandeling van enkele uren in het vooruitzicht wordt gesteld. 18 kilometer, waarschuwt de gids. Natuurlijk sluit ik mij bij de tweede groep aan. Het eerste kwartier wandelen we comfortabel over brede, vlakke paden. Maar dan begint de ellende. Ineens gaat het pad steil omhoog en glijden we weg over glibberige, nat geregende bladerresten. De klamme hitte maakt het er niet comfortabeler op. Al snel is te zien dat een aantal mensen van de groep zichzelf overschat heeft. Het begint met twee, maar al snel kunnen meerdere mensen het hoge tempo van de gids niet meer bijbenen. Ik ook niet, maar dat komt omdat ik steeds stop om foto’s te maken en het een en ander op video vast te leggen. Op een voorzichtig drafje weet ik het slinkende groepje steeds weer in te halen. Intussen betreur ik het dat ik niet meer verstand van flora heb, want er moeten hier zo’n 745 plantensoorten, 118 soorten bomen en 160 medicinale planten te zien zijn. Voor mij is het allemaal groen.
Na een tijdje stoppen we om op de achterblijvers te wachten. Het is te hopen dat niemand verdwaalt want af en toe splitst het pad zich en moet je maar raden welke kant je op moet. Volgens de gids is dit een plek waar meestal een aap te voorschijn komt die om voedsel komt bedelen. Maar uitgerekend vandaag lijkt de aap geen honger te hebben. Niets aan te doen. We vervolgen de weg door het steeds dichter wordende oerwoud. Het pad is nu nauwelijks nog begaanbaar. Glijdend en slippend hijsen wij ons op aan uitstekende takken en stammen van omgevallen bomen. Rond een uur of een stoppen we bij een paar meertjes om te lunchen. Ieder krijgt twee kleine stokbroodje die weggespoeld worden met het meegebrachte drinkwater. Erg luxe is het niet is, maar het voordeel van zo’n eenvoudige maaltijd is dat er geen onafbreekbaar afval in de natuur achter blijft.
Het laatste stuk van de wandeling gaat bergafwaarts, maar dat maakt het er niet makkelijker op. Tijdens een glijpartij stoot ik mijn knie tegen een uitstekende boomstam. Door de pijn kan ik er niet meer op staan. Nu wordt het strompelen naar beneden. Ik denk aan wat er zou moeten gebeuren als iemand zijn been breekt. Dat is dus het laatste wat je hier moet overkomen.
Heel onverwachts komt er een einde aan het oerwoud. Aan de rand ligt het kleine dorpje Viet Hai, waar de bewoners speciaal voor idioten zoals wij een klein restaurant hebben gebouwd. Er zullen hier wel vaker buitenlanders komen, maar dat is aan de dorpskinderen niet te merken. Alles loopt uit om ons aan een nader onderzoek te onderwerpen. Vooral twee Japanse meisjes weten de aandacht te trekken met hun papiervouwkunstjes. In een handomdraai weten zij van een vierkant papiertje een fraaie zwaan te vouwen. Ik krijg ook een zwaantje. De lunch is boven verwachtingen. Beter dan in Cat Ba Village. De gids legt uit dat hier een van de vele Vietnamese minderheden wonen. Tijdens de wandeling naar een volgend dorpje lopen we over smalle dijkjes dwars door grote rijstbassins. De jonge rijst ziet er heerlijk fris uit. Helaas stoppen we niet bij de dorpjes en moet ik steeds hollen om na het nemen van foto’s het groepje weer in te halen. De wandeling gaat nu over een asfaltweg. Na een tijdje komen we bij een klein haventje aan, waar twee bootjes liggen te wachten. Eenmaal aan boord, start de schipper het luid knetterende motortje, maar er komt geen beweging in de boot. Door het gewicht van de passagiers is het vaartuigje muurvast komen te zitten. De bootsjongen probeert ons met een houten balk van de kant af te duwen, maar dat lukt niet. Uiteindelijk stappen we maar met ruim de helft van de passagiers van boord. Dan komt er eindelijk beweging in de boot en springen we weer gauw terug. De vaartocht, terug naar Cat Ba, begint.
Ook dit is een voortreffelijk boottochtje, al is het jammer dat het nu weer bewolkt is. Ook jammer is het oorverdovende lawaai van de motor. Bij dit uitzicht horen de klanken van klassieke muziek, maar geen walkman zal in staat zijn het luide geknetter te overstemmen. Dat duurt ongeveer twee uur zo. Maar het uitzicht is weer zo fenomenaal, dat het lawaai daar nauwelijks iets aan af doet.
Het loopt al weer tegen de avond als wij het eiland gerond hebben en de baai van Cat Ba invaren. Mijn maag rammelt al weer. Maar eerst neem ik maar even een douche en trek ik schone kleren aan, want van zo’n jungletocht word je niet frisser. Na de eenvoudige maaltijd in het Thao Minh Hotel, waar net als in de meeste Vietnamese hotels zeven klokken hangen die de tijden in wereldsteden horen aan te geven, maar in plaats daarvan maar willekeurige tijdstippen melden, zoek ik weer de gezelligheid van het stadje op. Er zijn cafeetjes te over en het bier is goed, hoewel de prijzen hier beduidend hoger zijn in Hanoi. Na zes glazen merk ik dat het alweer teveel geweest is en zoek ik draaierig mijn hotelkamer op, die ik vannacht voor mij alleen heb. De Duitser had voor slechts één nacht geboekt en was vanochtend naar Hanoi vertrokken.

Donderdag, 9 maart 2000

Als ik om zes uur wakker word voel ik mij nog draaierig van het bier van gisterenavond. Ik heb nauwelijks zin om op te staan, maar ik moet wel. Pas als ik beneden in de zaal met de fout lopende wereldklokken en de Merry Christmas-wensen het stokbroodje met smeerkaas achter de kiezen heb, voel ik mij wat beter. We wandelen weer in een slordige colonne naar de boot. Vandaag is het mistig en zwaar bewolkt. De uitbaters zijn al weer druk bezig hun stoeltjes buiten te zetten.Ik ben zo bescheiden om de beste plaats uit te kiezen op de boot, op de voorplecht met de mast als ruggensteuntje. Het is wel koud zo buiten in de vroege ochtend, maar een beetje ongemak moet je over hebben voor zo’n plaats. Ik zet mijn walkman op met een bandje van mijn favoriete soulmuziek en bid dat het niet zal gaan regenen. Dit is dus echt genieten.Opnieuw begeven we ons door het doolhof van rotspieken, langs de kust van Cat Ba Island. Af en toe passeren we een drijvend dorpje. We worden zelfs nog geënterd door een bootje met twee vrouwen die hun koopwaar proberen te slijten via de schuifraampjes van het passagierscompartiment. De vele bergen in de baai zelf zijn onbewoonbaar. Het mag al een wonder heten dat er zoveel bomen groeien op de bijna loodrecht uit zee oprijzende hellingen. Na ongeveer vier uur doemt Halong City op in de mist. Overal drijven de meest wonderlijke bouwsels. Helaas zit de boottocht er nu op. We lunchen weer op dezelfde plek als op de heenweg. Het eten is er niet slecht, maar de bediening is extreem traag. Na de lunch wandel ik nog even rond en weet ik weer op het nippertje de bus te halen. De lange rit naar Hanoi begint. Al snel val ik in slaap ondanks het continue getoeter van de chauffeur. Af en toe schrik ik wakker als de chauffeur weer eens vol op de rem gaat. Zo rond een uur of vier arriveren we bij het restaurant en de winkel waar ze de Mariabeelden op ware grootte verkopen. Ik maak langs de snelweg een foto van het handbeschilderde verkeersbord waarop staat dat het verboden is voor handkarren.

Veel meer is er niet te beleven als je de souvenirs op de heenweg al bekeken hebt.Tegen half zes zijn we terug in Hanoi waar de straten nog nat zijn van de regen en veel mensen nog gehuld gaan onder kleurig plastic, ook al is het inmiddels droog geworden. Opnieuw is het eindpunt voor het waterpoppentheater omdat het onmogelijk is rond deze tijd de passagiers naar hun hotel te brengen. Ik maak maar van de gelegenheid gebruik om meteen kaartjes voor de voorstelling van vanavond te kopen. De eerste voorstelling is al uitverkocht, maar voor de tweede en laatste voorstelling zijn nog een paar kaartjes over. Ik krijg er een cassettebandje met verschrikkelijke schettermuziek bij. Omdat ik niet echt moe ben ga ik te voet terug naar het Lotus Guesthouse. In de kamer die ik tot nu toe had zijn ze iets aan het repareren. Daarom krijg ik ditmaal een kamer op de eerste etage. Helaas heerst daar wel heel wat meer verkeerslawaai en heb ik geen eigen douche meer. Voor één nacht moet dat dan maar.Het blijft droog als ik terugloop naar het centrum. Ik kijk nog wat in de winkeltjes die ik onderweg passeer en eet weer bij Thuy. Voordat ik naar het poppentheater ga raadpleeg ik nog even mijn Hotmail-inbox bij Love Planet in het backpacker-straatje. Ik kijk meteen maar even wat de weersvoorspellingen zijn. Pas maandag wordt weer zon verwacht in Hanoi. Daar heb ik dus weinig aan, want tegen die tijd zit ik al lang en breed in het midden van het land. In Hué was het vandaag mooi weer. Ik hoop dat dat nog even zo blijft en dat ik de wolken en regen kan achterlaten in het noorden van Vietnam.Op een drafje begeef ik mij naar het waterpoppentheater aan de Hang Dau tegenover het tempeltje in het meer. Voor de deur is het een drukte van belang. Zo’n zes grote bussen staan continu te ronken om voor de chauffeur de airconditioning op gang te houden. Honderden mensen dringen zich intussen naar binnen om klem te komen te staan in de foyer. Er is nog een andere voorstelling aan de gang. Vijf voor acht komen eindelijk de bezoekers naar buiten en kunnen wij naar binnen. Een meisje klampt mij aan en vraagt of ik foto’s wil maken tijdens de voorstelling. Ik denk: ‘dat zal wel weer geld gaan kosten’, maar nee, zij vraagt alleen heel beleefd of ik dan zo vriendelijk wil zijn om geen flits te gebruiken. Of ze dat ook aan anderen vraagt weet ik niet, maar als ik het zaaltje binnenkom is het al een geflits van jewelste. En dan is de voorstelling nog niet eens begonnen. Als eindelijk iedereen zit, verschijnt er op een balkon opzij van het toneel een klein muziekbandje met vreemde traditionele muziekinstrumenten. Een paar mensen beginnen te zingen, terwijl anderen de exotische muziekinstrumenten bespelen. In verschillende talen wordt elk verhaal ingeleid dat straks door de poppen uitgebeeld zal worden.Het decor is steeds hetzelfde, een traditioneel Vietnamees paleisje. Er worden verschillende verhaaltjes uitgebeeld die allemaal iets te maken hebben met datgene wat de Vietnamezen bezighoudt, zoals de rijstoogst en natuurlijk intriges aan het keizerlijke hof. Sommige poppen zitten heel knap in elkaar, zoals een jongen die op een waterbuffel rijdt. Ook wonderlijk is een visser die staande in zijn bootje een strijd met een sterke vis levert. Hoogtepunt is natuurlijk de vuurspuwende draak die door een dappere prins verslagen wordt. Men had gezegd dat het heel bijzonder zou zijn, en ik kan niet anders zeggen dan dat ik die mening deel. Het schijnt een groot geheim te zijn hoe de poppen zo levensecht kunnen bewegen, maar het zal ongetwijfeld met een vernuftig mechaniekje gebeuren. Achter een scherm zitten onzichtbaar de mensen die de poppen besturen.De voorstelling duurt zo’n tweeënhalf uur en wordt verlevendigd met steeds weer andere muziek en zelfs vuurwerk. Dankzij de Engelse toelichtingen is het goed te volgen. Aan het einde van de voorstelling heb ik een compleet videofilmpje verbruikt. Langs de nu overbekende route loop ik terug van het centrum naar het Lotus Guesthouse. Ik probeer er voor elf uur te zijn. Dan hoef ik de nachtwaker niet te wekken. Voor ik ga slapen maak ik mijn rugzak in orde voor de reis van morgen naar Hué.

Vrijdag, 10 maart 2000

Ondanks mijn onmisbare oordopjes, heb ik slecht geslapen. Op de trap heeft een kat de hele nacht liggen miauwen en nu om half zes word ik al weer wakker van het volstrekt onnodige getoeter op straat. Ik ben blij dat ik maar één nacht op deze kamer heb hoeven slapen. Intussen klinkt weer het bekende gekletter van regen op het dak. Ook deze laatste dag in Hanoi is mij geen mooi weer gegund.
Omdat ik de volgende nacht in de trein zal moeten doorbrengen, wil ik vanochtend niet te vroeg opstaan, maar rond zes uur is het al zo’n lawaai op de gang dat ik toch maar alvast onder de douche kruip. Straks is die misschien continu bezet. Ik kijk nog even al mijn spullen na en strompel dan met mijn twee rugzakken en cameratassen de smalle wenteltrap af naar de lobby, die ook als ontbijtzaal en restaurant dienst doet.
Omdat het toch geen weer is om buiten te lopen, bestel ik een stevig ontbijt met twee porties banana pancake. Ik klets wat met een Deense die net uit China komt en morgen alweer naar Hong Kong vertrekt. Ze is maar drie dagen in Vietnam. Ik vraag haar of ze dat nu niet zonde van de visumkosten en de reistijd vindt, maar ze lijkt zich daar niet echt druk om te maken. ‘Het is allemaal wat anders gelopen dan ik gepland had en ik wilde per se naar Vietnam’, zegt ze. Ik neem afscheid en loop de regen in. Mijn bagage kan ik zolang in het guesthouse achterlaten.
Het is snikheet onder mijn regenponcho. Ik loop eerst het hele eind naar de bank om mijn geslonken voorraad Vietnamees geld weer aan te vullen. Morgen begint het weekend en dan zou ik zonder dongs in Hué aankomen. Hoewel mij 500 keer vervoer wordt aangeboden, blijf ik wandelen om wanneer het mij uitkomt een winkeltje in te kunnen duiken.
In het centrum rust ik even uit bij een colaatje. Dan huur ik een fietsje om eens een flink eind te toeren. Gelukkig kan dat, want op wat spettertjes na is het opgehouden met regenen. De route is vandaag naar het hoge noorden van Hanoi. Ik passeer de dijk tussen het Westmeer en het Noordmeer en fiets verder langs de noordelijke oever van het Westmeer. Dan zie ik een fraaie Chinese tempel die nergens op mijn kaartje staat aangegeven. Ik was eigenlijk op weg naar een andere tempel, maar deze wil ik ook wel even bekijken. Er is geen mens te bekennen. Zachtjes loop ik over het uit verschillende gebouwen bestaande complex en maak ik wat foto’s. Als ik even later mijn fiets weer pak, komt een oud vrouwtje tevoorschijn dat snel de poort achter mij op slot doet. Ik was weer net op tijd, want ik had het zonde gevonden als ik hier voor de gesloten poort was komen te staan.
Ik fiets verder naar de Tay Ho Pagode, die op de punt van een schiereiland in het westmeer ligt. Het is even zoeken om de juiste weg te vinden, maar het lukt. Langs de weg staan vele marktstalletjes. Het grootste deel van het aanbod bestaat uit fel rode wierookstokjes, heilige beeldjes en diverse spullen om te offeren. De weg eindigt bij de ingang van de tempel. Ik stal mijn fiets en loop door de hoofdpoort het complex op. Omdat het hier zo ver van de toeristische routes is – bussen kunnen niet draaien in dit dorp – wordt geen entree geheven. Wel moet ik een paar dong aan de stalling betalen.
Ik ben de enige buitenlander in de Tay Ho Pagode, maar het is bijzonder druk vanwege de talloze Vietnamezen die hier komen bidden en offeren. Opvallend zijn de oude bomen waarvan de gebochelde, dikke takken op slechts enkele decimeters boven de grond vrijwel horizontaal van de stam af groeien. Het is een prachtig gezicht om van een afstandje te kijken hoe de mensen hun geloof beleven. Het hoofdgebouw is anders dan de meeste pagodes. De gevel is hoofdzakelijk wit en op de bekende Vietnamees-barokke wijze met allerlei gouden ornamenten versierd.
Via het Ho Chi Minh-mausoleum fiets ik terug naar het centrum. Ik ga nog even langs het postkantoor om kaarten te posten. Hoewel het lijkt alsof de beambte Engels spreekt, kan ik haar bijna niet duidelijk maken dat ik postzegels wil. Ik wijs nota bene op de kaarten op de plaats waar mensen normaal een postzegel plakken. Een ander meisje blijkt uiteindelijk wat hulpvaardiger en verstrekt mij een velletje zegels van ieder 2000 dong.
Als ik een uurtje doelloos door het centrum heb gefietst, besluit ik de lange, ijzeren spoorbrug over de Rode Rivier over te steken. Er zijn meer fietsers die dat doen, honderden zelfs. Het is een flinke rit en het is gelukkig eenrichtingsverkeer, zodat het verkeer niet halverwege vastloopt zoals in de straten gebruikelijk is.
Aan de overkant van de Long Bien-brug gaat de stad gewoon door, al is het hier beduidend minder druk en is er geen buitenlander meer te bekennen. Ik volg de spoorlijn nog een tijdje, tot ik bij een stationnetje kom waar een personentrein staat te wachten. Ik blijf een kwartiertje staan om de trein te zien vertrekken, maar als dat niet gebeurt fiets ik maar weer terug naar het centrum van Hanoi. Ditmaal moet ik aan de andere kant van het spoor over de brug rijden. Het is vreemd dat het verkeer op de brug links houdt, terwijl in Vietnam doorgaans rechts gereden wordt.
Terug in het centrum begint het weer te miezeren. Ik zal het weer van Hanoi niet missen, verder vind ik het een erg leuke stad. Bij Queens bestel ik een lekkere kom pastasoep. Daar ben ik wel aan toe na zo’n flinke fietstocht. Dan breng ik de fiets terug en loop ik naar het restaurantje van Thuy aan de Bao Khanh voor een vroeg diner. Menu nr. 2 met beef, ananas, kip en lemongrass smaakt weer prima voor de luttele 14.000 dong. Voor de allerlaatste keer loop ik via de St. Joseph-kathedraal naar het Lotus Guesthouse om mijn bagage op te halen. Even overweeg ik een taxi naar het station te nemen, maar dan besluit ik toch te lopen. De bagage is dan wel zwaar, maar het is opgehouden met regenen en ik wil nog wel eens voor de laatste keer de brede straten van Hanoi op mijn gemak bekijken.
Half zeven kom ik in het station aan. De lange Vriendschapexpress naar het zuiden staat al klaar. Ik heb een van de laatste wagons. De slaapwagons zijn zo ver mogelijk van de locomotief in de trein geplaatst. De trein belooft trouwens weinig comfort en reisplezier. De ramen zijn afgesloten met stalen rolluiken en zo aan de opwinding van de passagiers te zien, zal het geen al te rustige nacht worden.
Als ik mijn wagon eindelijk gevonden heb, verwijst een in een streng grijs mannenpak geklede conductrice mij door naar de treinstewardess die bewijst dat de Vietnamese spoorwegen ook wel hele leuke pakjes verstrekken. Ik heb de laatste coupé, die ik moet delen met vier vrouwen en een meisje. Dat is wel geluk, want ik denk dat als je met vijf jonge kerels in een coupé zit, je je nachtrust wel helemaal kan vergeten. Het meisje en ik hebben de bovenste en dus de goedkoopste bedden. Tot mijn verdriet merk ik dat de Vietnamezen het begrip ‘hard sleeper’ wel erg letterlijk nemen. Het ‘bed’ is niet meer dan een plank met een flinterdun rijstmatje. Ik pas net tussen de plank en het plafond.
Als ik nog even uitstap om in het winkeltje op het perron wat lekkers voor onderweg te kopen, spreekt een keurige jongen mij aan. Hij vertegenwoordigt het beste en goedkoopste guesthouse van Hué zegt hij. Het kost maar acht dollar en als ik nu bij hem boek, zorgt hij er voor dat ik morgenochtend van het station gehaald wordt. Ik had eigenlijk een ander hotel in gedachten, maar dat w/as minstens zo duur en nu krijg ik er vrijblijvend transfers bij. Ik besluit toe te geven, want het kan nooit kwaad om even te kijken. Als het niets is, ben ik in ieder geval al vast in het centrum. De jongen probeert mij nog verder te overtuigen door een boekje met foto’s te laten zien, maar het is wat mij betreft wel in orde. Hij schrijft mijn naam op en verzekert mij nog eens dat het allemaal goed komt.
Om vrijwel precies zeven uur zet de trein zich langzaam in beweging. De locomotief toetert vrijwel onafgebroken. De rolluiken moeten tot mijn verdriet dicht blijven, zodat het wel lijkt alsof ik in een goederentrein vervoerd word. Het lawaai is oorverdovend en de wagons schudden zo erg dat veiligheidsriemen geen overbodige luxe zouden zijn. Ik vraag mij af of de bus toch niet comfortabeler en misschien zelfs veiliger zou zijn geweest. Het had mij in ieder geval twintig harde dollars gescheeld.
De verwachte rust blijft uit. Mijn oordoppen bieden geen weerstand tegen het gekletter en gerammel van al het loszittende ijzer en de vijf vrouwen krijsen daar nog bovenuit. Ik probeer niet te denken aan de pijn van het liggen op de harde plank en besluit maar wat in de Lonely Planet over Hué te gaan lezen. Na een uur komt de treinstewardess dekens en kussentjes brengen. Ik gebruik de deken als matras en leg mijn hoofd op het kussentje. Uiteindelijk val ik in overmand door vermoeidheid in een onrustige slaap.

Zaterdag, 11 maart 2000

Half twee word ik alweer wakker. De trein staat stil. In de verte hoor ik de locomotief toeteren. Waarschijnlijk wachten we op een tegenligger, want het belangrijkste traject van Vietnam is slechts enkelsporig. Een tegenligger komt er echter niet en na een tijdje zet de Vriendschapexpress zich weer rammelend in beweging. Slapen kan ik niet meer. Elk plekje in mijn lichaam doet pijn. De Vietnamezen zijn meer gewend. Mijn vrouwelijke coupégenoten liggen rustig te slapen. Ik tel de uren af en draai mij ieder kwartier om. Ik denk niet dat ik een vaste klant word van de Vietnamese Spoorwegen. Gelukkig hoef ik niet de hele, ruim veertig uur durende rit naar Saigon mee te maken. Als ik een paar uur later voorzichtig van mijn plank probeer te klimmen om naar het toilet te gaan, schop ik per ongeluk het rooster van de ventilator. Het maakt een hoop lawaai maar de vrouwen lijken het niet te horen. Ik doe wat oefeningen in de gang om mijn bloedsomloop weer in orde te krijgen. De treinstewardess kijkt mij vreemd aan. Rare buitenlander, zal ze wel denken. Half zeven zie ik door de kieren van het rolluik dat het licht begint te worden. Het ziet er naar uit dat het een zonnige dag zal worden. Acht uur staan ook mijn coupégenoten op. Ze zien er goed uitgeslapen uit. Zelf voel ik mij als een wrak. Ik denk dat ik onder de plekken zit van het liggen op de harde plank.
Het is nog twee uur rammelen. Eindelijk mag het rolluik een stukje omhoog. De zon schijnt door de vuile ramen. Het is prachtig weer. Tegen tienen pakken de vrouwen hun ontbijtspullen in. Zij moeten ook naar Hué. Eindelijk rijden we het station binnen. Borden met de plaatsnaam ontbreken op het perron, maar dit kan niet anders dan Hué zijn. Ik strompel met mijn tassen door het nauwe gangpad naar de uitgang aan de andere kant van de wagon. Ik groet de treinstewardess en loop de zonneschijn in. Heerlijk. Al op het perron word ik aangesproken door een jongeman die zegt dat hij van het Thai Binh-hotel is. Ik ben duidelijk de enige van de aangekomen passagiers die in aanmerking komt om voor Vincent Vreeken door te gaan. Ik vind het wel netjes. Buiten staat een minibusje waar tot mijn verbazing nog enkele andere buitenlanders in zitten. Ik had ze niet uit de trein zien komen. We wisselen wat beleefdheden uit terwijl het busje de stoffige hoofdweg opdraait.
Het hotel valt mij niet tegen. Het staat in een zijstraatje vlak bij het centrum en ziet er zeer nieuw uit. De houten balkons geven het bijna een Zwitserse uitstraling. Ik loop de lobby binnen en vul de formulieren in. Ook de lobby ziet er luxe uit. Nieuwe, geglazuurde tegeltjes en een paar lekkere luie stoelen om ’s avonds naar de in de hoek opgehangen tv te kijken. Een paar oudere Vietnamezen doen de hele dag niets anders.
Op de etages bevindt zich centraal een ontbijtruimte, terwijl ook op het balkon ontbeten kan worden. Een klein meisje met zeer lang haar brengt mij naar de kamer. Het hotel is werkelijk prima. Er gaat geen verkeer door de straat wat enorm veel herrie scheelt en de kamers zijn luxe voor Vietnamese begrippen. Ik neem een douche om een beetje op te frissen en wakker te worden en huur bij het hotel een voorwerp dat vaag iets wegheeft van een fiets. Op het voertuigje valt nauwelijks te rijden. Het is te klein, het zadel lijkt van massief ijzer en een van de trappers zit los waardoor een normale trapcadans ook niet mogelijk is.
De mensen zijn hier anders dan in Hanoi. Iedereen roept hello naar mij en kinderen hollen achter mij aan en schreeuwen ‘whele you flom’. Sommige jongens proberen een gesprekje aan te knopen en proberen al hun Engels uit. ‘Whele you flom?’, ‘How old ahe you?’, ‘What’s youh name?’, ‘are you mallied?’. Ik zal het wel snel zat worden.
Zoals gewoonlijk probeer ik met een noodgang alle attracties af te rijden. Ik bedenk een route op basis van het kaartje in de Lonely Planet en doe als eerste de Chaozhou Pagoda aan in het noorden van de stad. Onderweg passeer ik de ijzeren brug over de Perfume River en een kleine, hoge brug over een van de vele zijkanalen van de rivier. Ik rijd langs de grote markt, waarvan een deel in een op een parkeergarage lijkende betonnen bunker is gevestigd. Op stalletjes onderweg zie ik reclame voor Dutch Butter met een Zeeuws meisje, een koe en wat klompen.
De Chaozhou Pagoda is niet het toppunt van interessantheid. Wat gebouwen in Chinese stijl, zoals er vele in Vietnam te zien zijn. Monniken zijn nergens te bekennen. Ik lees dat het gebouw gedurende het Tet-offensief in 1968 vrijwel verwoest is, doordat op de Perfume River er tegenover een munitieschip in de lucht vloog. Inmiddels is het weer aardig hersteld, maar ik vraag mij af of het vroeger niet veel mooier is geweest. Het is ook jammer dat nergens meer mooie tuinen te zien zijn. Die zijn vernietigd tijdens de grote overstroming van 1999.
De meeste pagodes lijken wel wat op de Chaozhou Pagoda. Een uitzondering vormt de Tang Quang Pagode, die in Hindoestaanse stijl is opgetrokken. In een vijver voor het hoofdgebouw drijft een prachtige lotusbloem.
De belangrijkste bezienswaardigheid, de Verboden Paarse Stad, bewaar ik voor een andere dag. Ik fiets er wel langs als ik op weg ga naar een aantal bezienswaardigheden in het zuiden van de stad. Het is heerlijk rustig in Hué. De enige plaats waar het druk is, is op de bruggen over de Perfume River. Die zijn smal wat tot grote concentraties fietsen, brommers en fietstaxi’s leidt.
Na ruim een half uur fietsen kom ik eindelijk bij de oude Thien Mu Pagoda aan. Ik had het al bijna opgegeven omdat het volgens mijn boekje maar drie kilometer van de stad ligt en ik het gevoel had al meer dan tien kilometer gefietst te hebben.
Maar dan zie ik de pagode eindelijk. Ditmaal is het een echte pagode, zoals je die in China ziet. De meeste pagodes in Vietnam zijn gewone tempelgebouwen en geen torens. Helaas begint net wel de bewolking toe te nemen. Ik stal mijn fiets en loop via de brede trap naar de op een heuvel langs de rivier gelegen verweerde, 21 meter hoge, achthoekige stenen toren. De zeven verdiepingen tellende Thap Phuoc Duyen-toren is gebouwd in 1844, in de tijd dat Hué de hoofdstad was van Vietnam. Rond de toren staan diverse andere gebouwen, waaronder een zeshoekig paviljoen met daarin een ruim 2000 kilogram wegende bel. Er is net een groepje monniken en nonnen op bezoek. Discreet maak ik een paar foto’s van het tafereeltje. Dankzij de Engelstalige bordjes kom ik te weten dat de bel in 1710 gegoten is. Ook enkele andere monumenten dateren uit die tijd. Het complex zelf is in 1601 gesticht, maar door oorlogen vele malen verwoest. De laatste onlusten vonden begin jaren zestig plaats en markeerden het begin van wat de Vietnamezen de Amerikaanse oorlog noemen. Een oude, roestige wit met blauwe Austin in een aan het kloostergebouw grenzende garage herinnert aan de tocht die de monnik Thich Quang Duc in 1963 naar Saigon maakte om zichzelf bij wijze van protest tegen de Zuid-Vietnamese regering in brand te steken. Ook in de jaren tachtig kwam het complex in het nieuws, toen na een moord nabij de pagode anti-communistische betogingen werden georganiseerd. De gebouwen werden bij die acties echter gespaard en inmiddels vormen zij een oase van rust, waar een klein aantal monniken een vreedzaam bestaan leidt. Dankzij de hoge ligging is het complex niet overstroomd tijdens de watersnood van 1999. De tuinen liggen er prachtig bij. Achter in de laatste tuin staat nog een soort grafmonument. In het klooster staan de bekende drie Boeddha’s van het verleden, het heden en de toekomst.
Op de terugweg zie ik een vredig plaatje van twee oude kereltjes die in een poortje zitten te roken. Ik maak er een foto van, waarop een van de kereltjes mij in zijn huis uitnodigt. Hij heet Nguyen Ding Chau. Aan zijn getekende gezicht is te zien dat de man in zijn leven weinig ellende bespaard is gebleven. De laatste ramp was de overstroming van vorig jaar. Hij laat mij de sporen van het water op de gevel van zijn huis zien. Nou ja, huis. Het lijkt meer een tempel. Het huis is in klassiek Chinese stijl opgetrokken en heeft een groot altaar dat omgeven is met foto’s van familieleden. Ding Chau vertelt dat zijn vrouw in Parijs woont en dat zijn kinderen naar de Verenigde Staten en Frankrijk zijn geëmigreerd. Hij schenkt thee in en beschrijft de verwoestingen die de overstroming heeft aangericht. Wat ooit een prachtige tuin moet zijn geweest is nog steeds een woestenij met hier en daar een modderpoel. Geld om de zaak weer op te knappen heeft Ding Chau niet en het woord verzekering zal wel niet in het Vietnamese vocabulaire voorkomen. Ik ben niet de eerste buitenlander die hier op de thee komt. Ding Chau laat mij een schriftje zien waarin vele buitenlanders iets aardigs hebben geschreven. Meestal in het Engels, maar er zitten ook wat Franse en Japanse verhaaltjes tussen. Ik houd het maar op het Engels, in de wetenschap dat Ding Chau die taal in ieder geval kan lezen.
Als ik weer op de fiets zit, merk ik dat mijn lichaam niet veel langer meer bestand zal zijn tegen het Spartaanse comfort. Door af en toe van bil te verwisselen, is het nog net om uit te houden op het keiharde zadel, maar ik ga toch maar weer snel terug naar het centrum van Hué.
Aan de overkant van de Perfume River fiets ik langs een universiteit. De mannelijke studenten lopen er redelijk gewoontjes bij, maar de vrouwen zijn gehuld in prachtige, spierwitte gewaden. Het is een buitengewoon charmant gezicht. Helaas is de campus nu niet toegankelijk. De portier komt direct schreeuwend op mij af als ik door de poort wil gaan. Aan de andere kant van de weg voert een grote groep studenten een soort rondedans uit. Er is helaas niemand die mij het een en ander in Engels kan verklaren, dus na een tijdje fiets ik maar weer verder. Ik bezoek nog een groepje pagodes nabij het station en fiets dan via een route langs de buitenwijken naar de Notre Dame-kathedraal van Hué.
Nabij de kathedraal zie ik zowaar een karateschool. Omdat ik zelf karate beoefen lijkt het mij wel leuk even een kijkje te nemen. Helaas is er geen les. Door de open deuren kijk ik naar binnen en zie de leraar zitten. Hij draagt een volkomen versleten karatepak en ook aan de rest van de school is te zien dat het lesgeven in deze Japanse vechtkunst ook in Vietnam niet tot rijkdom leidt. Ik probeer wat met de leraar te communiceren, maar hij blijkt geen woord Engels te spreken. Bovendien laat hij merken dat hij zijn aandacht liever op zijn administratie vestigt dan op mij. Ik fiets dus maar weer verder en bereik al snel de Notre Dame de Hué.

De in het begin van de jaren zestig gebouwde kathedraal heeft een opmerkelijke architectuur met zowel Franse als Vietnamese invloeden. Het hoofdzakelijk in de kleuren wit en geel geschilderde gebouw verkeert in een erg goede staat. Helaas zijn alle hekken gesloten. Ik kan er natuurlijk overheen klimmen zoals de vele kinderen hebben gedaan die nu voetballen of dansjes maken op het kerkplein, maar dat zou in mijn geval wel erg opvallen. Op een bord staat dat er tweemaal per dag een Franstalige mis wordt gehouden. Ik weet niet of ik daar aan toe zal komen.
Hoewel het al vijf uur is en ik eigenlijk zou moeten stoppen met fietsen, besluit ik toch nog een poging te wagen om de nabij Hué gelegen overdekte Japanse brug te vinden. Helaas heb ik niet veel aanwijzingen. Ik weet alleen welke weg ik vanuit Hué moet nemen. Met een rap tempo fiets ik langs de buitenwijken de stad uit.

Aan de rand van de stad zie ik nog een pagode in aanbouw. Wat ziet dat er mooi uit als het zo nieuw is. Het wit en het goud zijn oogverblindend in de laagstaande zon.
De weg gaat over in een dijkje, maar blijft gelukkig geasfalteerd. Ik fiets en ik fiets. Het is net Nederland. Het landschap is volkomen vlak. Alleen is het niet bedekt met gras, maar met felgroene rijstvelden. Langs de weg bevinden zich aan beide zijden een rij loofbomen en een slootje. Het gaat een tijd goed, tot de weg bij een T-splitsing uitkomt. Er zijn geen bordjes en nergens is een Japanse brug te zien. Ik vraag het aan voorbijgangers, maar in deze contreien spreekt men niet anders dan Vietnamees. Volgens de Lonely Planet had de brug gewoon aan de weg vanuit Hué moeten liggen, maar dat blijkt dus niet het geval. Ik fiets nog even beide kanten van de T-splitsing op, maar de brug blijft onvindbaar. Omdat de zon intussen ondergaat, fiets ik snel terug naar Hué. Het is donker als ik terugkeer in de stad. De zadelpijn is inmiddels overgegaan in algehele gevoelloosheid. Een massage zou geen kwaad kunnen.
Ik breng de fiets terug naar het hotel, boek voor morgen een boottochtje naar de Keizerstomben langs de Perfume River en voor overmorgen een buskaartje naar Hoi-An. Ik fris mij op en ga op zoek naar een eettentje. Bij een van de vele travellercafés plof ik neer, maar het voedsel is er niet veel soeps. Jammer, want Hué schijnt de beste keuken van Vietnam te hebben. Na het eten wandel ik nog wat doelloos rond, voortdurend lastig gevallen door de talloze fiets- en brommertaxi’s. Af en toe moet ik een winkel binnengaan om van ze af te komen. Wat dat betreft had ik de fiets beter nog even kunnen houden. Redelijk vroeg kruip ik mijn bed in, doodmoe van de lange dag en de slapeloze nacht in de trein.

Zondag, 12 maart 2000

Ik word ’s nachts wakker van de muggen. Humeurig sta ik op om mijn muskietennet op te hangen. Half zeven word ik opnieuw wakker. Ditmaal van het getoeter buiten, hanengekraai en kerkklokken. Zeven uur sta ik op. Het ontbijt wordt geserveerd op het balkon, waar het nog heerlijk koel is. Ik zie dat de omelet, gebakken tomaat, jus ’d orange en zeer sterke koffie afkomstig zijn van het kleine restaurantje aan de overkant. Het hotel heeft zelf geen keuken. Een meisje zit aan een ander tafeltje haar dagboekje bij te werken.
Na het ontbijt haalt een heel klein, Vietnamees meisje mij op en brengt mij naar de rivier waar een klein passagiersbootje ligt te wachten. Er gaan twaalf mensen mee met dit volledig verzorgde tochtje waarvoor ik slechts twee dollar hoef te betalen. Goed weer zat helaas niet bij de prijs inbegrepen. Het is weer ouderwets zwaar bewolkt en de miezerregen zorgt ervoor dat we onze toevlucht in het benauwde passagierscompartiment moeten zoeken.
Het kleine meisje stalt een verzameling souvenirs uit op de grond. Er wordt niet veel gekocht. Zelf heb ik ook weinig behoefte aan dergelijke spulletjes. Een van de vrouwelijke toeristen koopt toch maar wat. Niet omdat ze de souvenirtjes zo waardeert, maar meer omdat ze het anders zo zielig voor het meisje vindt.
We vertrekken met een hoop kabaal en dikke walmen dieselrook. Na zo’n tien minuten stopt de boot alweer. Moeder stapt uit en loopt naar de markt om eten voor de lunch in te slaan. Ik raak in gesprek met het meisje dat ik op een jaar of acht had geschat, maar dat toch al dertien blijkt te zijn. Ze heet Vhau. Ik vraag haar een beetje plagerig of ze niet naar school hoeft, maar ze antwoordt heel bijdehand dat het vandaag zondag is en dat ze op zondag haar moeder helpt. Morgen moet ze weer naar school. Zo erg is het dus ook weer niet gesteld met de kinderarbeid in dit land, hoewel ik vind dat ze erg zwaar werk moet verrichten in haar vrije tijd. Met een zware houten balk duwt ze elke keer de boot van de kant en tijdens het varen houdt ze een oogje op de bovenmaatse dieselmotor.
De eerste attractie is de Thien Mu Pagode. Ik ben blij dat ik die gisteren al bezocht heb, want toen was het er uitgestorven terwijl het vandaag wel Disneyland lijkt. Ik hoef de gebouwen geen tweede keer te zien, dus ik pap aan met een Vietnamees gezinnetje, bestaande uit een vader met zijn twee dochters. Hij stelt ze plechtig voor als miss Dung en miss Phu. Wat een charmante namen hebben die Vietnamezen toch. Zelf noemt hij zich Ninh. Hij nodigt mij uit om rond een uur of acht vanavond naar zijn woning te komen. Hij wil mij uitnodigen voor een avond met traditionele Vietnamese muziek. Het lijkt mij wel wat en ik beloof te zullen komen.
Dan is het de hoogste tijd om terug naar de boot te gaan. Gelukkig ligt hij er nog en ben ik niet eens de laatste. De anderen zullen hun tijd hard nodig hebben gehad om foto’s te maken, maar dat heb ik gisteren al gedaan. De boot vertrekt weer. Hopelijk overleeft het oude vaartuig deze dag, want alles lijkt uit elkaar te trillen door de veel te zware, niet uitgebalanceerde dieselmotor. Ook de plastic stoeltjes zijn geen succes. Twee van mijn medepassagiers zakken er dwars doorheen.

Na ruim een uur stoppen we bij de Tomb van Tu Duc. Een brommertaxi brengt mij in vliegende vaart naar het tussen 1864 en 1867 door dwangarbeiders gebouwde complex. De entree is met 55.000 dong (ca. 5 euro) niet mals, maar ik krijg er een heel mooi kaartje voor. Via de hoofdpoort loop ik naar binnen en begin haastig de verschillende gebouwen te fotograferen. Er is slechts 40 minuten gegeven voor deze excursie en daar moeten de taxiritjes nog van af. Het is jammer dat er niet een beetje zon is, want met dit donkere weer zien de verweerde gebouwen er helemaal zwart en grauw uit. Het mooiste gebouw is een op palen gebouwd paviljoen in het meer. De rest van het complex maakt een nogal vervallen indruk. De communistische regering gedoogt dit imperialistische complex eigenlijk alleen maar om Vietnamezen te laten zien wat een extreem decadente praktijken de keizers er vroeger op nahielden. Tu Duc heeft dit complex zelf ontworpen en laten bouwen, waarbij vele dwangarbeiders door uitputting om het leven kwamen.
Pas na een uur keer ik terug bij de boot, waar moeder inmiddels een lunch met verse vis heeft bereid. Ik raak in gesprek met een Zweed die twee jaar in Laos gewerkt heeft in wegenbouwprojecten. De wegen worden steeds beter in Laos, zegt hij. Toen ik er drie jaar geleden was, was elke auto- of busrit een nachtmerrie en heb ik de meeste afstanden per vliegtuig of boot moeten afleggen.

De derde attractie is de Tomb van Khai Dinh, die ook weer alleen per motortaxi is te bereiken. Dit grafmonument vind ik veel spectaculairder dan de vorige twee bezienswaardigheden. De tomb bestaat uit een enorm gebouw in een Khmer-achtige bouwstijl. Via grote, brede trappen bereik ik de terrassen waarop grote bronzen beelden van bewakers, paarden, olifanten en mythologische dieren staan. De bewakers hebben duidelijk Europese trekjes, wat niet zo vreemd is want het bouwwerk is gerealiseerd rond 1920 en toen waren de Fransen de baas in Vietnam. Het hoofdgebouw bevindt zich op het laatste terras, boven op de heuvel en bestaat uit drie rijkelijk gedecoreerde hallen. In de middelste hal zit een groot bronzen beeld van Khai Dinh op de troon. In de andere hallen bevinden zich allerlei religieuze relikwieën. Een paar zeer luidruchtige groepen massatoeristen verstoort helaas de rust in het complex. Om even van het gekwetter verlost te zijn loop ik naar buiten en zie ik pikzwarte onweerswolken naderen. Dat ziet er niet best uit. Het rommelt ook al in de verte. In het donkere oerwoud aan de voet van de berg valt mij een reusachtig spierwit standbeeld op. Ver weg is de Perfume River te zien. Ik maak nog snel wat foto’s en haast mij dan weer naar beneden waar een andere bromfietstaxi staat te wachten om mij terug te brengen naar het bootje. Tijdens de halsbrekende rit gaan de hemelsluizen open. Binnen drie seconden ben ik doorweekt. Het lukt mij om mijn camera’s op te bergen in de plastic zakken die ik voor dit soort gevallen altijd bij mij heb en na vijf minuten komen we doornat aan bij de boot. De chauffeur probeert mij nog af te zetten, maar meer dan de beloofde 20.000 dong krijgt hij niet.
Volgens het programma zouden we nog naar de Tomb van Minh Mang gaan, maar ik blijk de enige te zijn die daar nog wat voor voelt. Het ziet er niet naar uit dat de regen vandaag nog op zal houden, dus besluit men maar weer terug te varen naar Hué. Jammer. Als vlak bij Hué de regen toch weer ophoudt, bezoeken we nog een klein tempeltje dat echter de entreeprijs niet waard is.

Ik kan wel een leuke foto maken van een opaatje en omaatje in een sampan en ook lukt het eindelijk om een goede foto van het bootsmeisje Vhau te maken.
Terug in Hué bezoek ik eerst de markt. De regen is opgehouden en ik val om van de trek. Helaas zijn eetstalletjes schaars. Er is er zo ongeveer één, waar ik een aantal pasteitjes bestel. Ik bekijk ook de rest van de markt die ongezellig voor het grootste deel in een donker betonnen gebouw is ondergebracht. Een meisje klampt mij aan en zegt in perfect Engels dat ik beslist even bij het kraampje van haar moeder moet komen kijken. Daar kan ik de beste T-shirts voor de laagste prijs kopen, zegt zij. Ik vind het eigenlijk vervelend, maar besluit dan toch maar even mee te lopen. De T-shirts zijn vreselijk en van belabberde kwaliteit. Er is er echter een die wel meevalt. Er is een mooi schilderij op afgebeeld, dat volgens het meisje van een beroemde Vietnamese schilder is. Het T-shirt is van de goede maat en voelt kwalitatief goed aan. Dat is mij wel twee dollar waard. Voor drie dollar kan ik twee T-shirts uitzoeken, maar ik zie er verder niet een die ik zelfs maar voor niks zou willen hebben, dus ik loop weer verder.
In het hotel trek ik droge kleren aan, waarna ik op zoek ga naar een adres voor een stevige lunch. Even buiten het hotel ontmoet ik miss Thi. Zij heeft een bedrijfje dat alles regelt, zegt zij. Op de deuren staan met krijt de aanprijzingen vermeld; in verschillende talen waaronder foutloos Nederlands. Ze verhuurt fietsen, brommers, gidsen en kan zelfs voor een helikopter zorgen als ik dat wil. Ik zeg dat ik eerst wil eten en dat ik dan wel even terugkom om te kijken.
Ik eet bij de Xuan Trang Cafeteria waar altijd een bordje buiten hing met de tekst: should be in Lonely Planet. Inmiddels is die tekst veranderd in ‘Mentioned in Lonely Planet’. Het eten moet er goed zijn en dat klopt. Alleen bestel ik het verkeerde gerecht. Ik krijg een soort fonduesetje en een bordje met vellen rijstpapier en rolletjes vlees. De bedoeling is dat ik het vlees in het rijstpapier rol, dat aan mijn vorkje prik en het geheel even in de hete olie laat bakken. Het lukt allemaal wel, maar het is een heel gehannes.
Op weg naar het hotel loop ik bij miss Thi langs. Zelden heb ik zo een uitstraling gezien. Het vrouwtje is één brok enthousiasme en praat zo snel dat ze voortdurend over haar eigen woorden struikelt. Het lijkt wel alsof Engels haar moedertaal is. Ze wil alles van mij weten en zegt dat het heel dom is dat ik niet alles via haar geregeld had. Hoe heb ik nu met zo’n bootje naar de Tombs kunnen gaan? Als ik met haar broer op een brommer was gegaan, had ik veel meer gezien. En ze stikt bijna van het lachen als zij hoort hoe ik tevergeefs geprobeerd heb de Japanse brug te vinden. Ze had mij er zo naar toe kunnen brengen op de brommer, zei ze. Ik moet er wel om lachen. Als je haar op de afdeling voorlichting in dienst neemt, zit je gebeiteld met je bedrijf. Net als Nguyen Ding Chau heeft zij een schriftje waarin ze buitenlanders aardige dingen laat schrijven. Er zitten ditmaal ook Nederlandse verhaaltjes tussen. Ik schrijf ook wat op en lees het schriftje door terwijl een groepje Australiërs met Thi een onderhandeling begint over de prijs van een dagje brommers huren met gids. Beide partijen zijn erg vasthoudend en het duurt ruim een half uur voordat zij het eens zijn over de mijns inziens erg lage prijs van 60.000 dong inclusief benzine en gids. Dat is minder dan 5 euro. Het is wel heerlijk om Thi te zien onderhandelen. Ze is een meesteractrice die op het juiste moment heel expressief kan lachen of juist weer heel verontwaardigd kijkt. In een excursie heb ik niet veel zin meer. Ik wil morgen alleen nog de Verboden Paarse Stad bekijken. Wel beloof ik morgen bij haar een fiets te zullen huren.
Ik ga naar een internetcafé waar ik de traagste internetaansluiting aller tijden meemaak. Het duurt meer dan een kwartier voordat eindelijk het Hotmail-scherm verschijnt. Intussen gaat de teller lekker door. Er is een klein briefje uit Nederland gekomen. Ik schrijf snel wat terug, wat niet makkelijk gaat op het gehavende toetsenbord dat alleen nog met geweld te bedienen is. Ik hoop dat het mailtje Nederland bereikt en ga verder op zoek naar een restaurant.
Na het eten loop ik naar de familie die ik bij de Thien Mu Pagode heb ontmoet. Ik had nog iets willen meenemen, maar ik heb geen idee wat. De winkels verkopen alleen maar nutteloze rommel, waar zo’n familie volgens mij ook niet op zit te wachten. Het blijkt een flink stuk lopen door een buurt waar aan het gedrag van de bewoners te oordelen nooit buitenlanders komen. Eindelijk ben ik er dan. Alleen de vader en miss Phu zijn er. Een moeder is er kennelijk niet. Miss Dung zou muziek spelen en is met haar instrument al naar de stad gefietst. De vader zegt dat het mij 100.000 dong zal gaan kosten. Ik heb het gevoel dat hij probeert mij te besodemieteren, maar ja. Voor een bedrag van amper 7 euro kan ik mij geen buil vallen, dus ik ga toch maar mee. Hij vraagt of ik een fiets heb. Die heb ik dus niet. Ik moet achterop bij miss Phu. Een beetje wiebelend begeven we ons op weg. De vader blijft maar tegen mij aankletsen. Ik heb er een beetje vreemd gevoel bij.
Uiteindelijk arriveren we bij een zaaltje dat gebouwd is op een soort ponton. Het ligt vlak naast de ijzeren fietsbrug over de Perfume River. Binnen zit het vol met oude mensen en een klein orkestje, bestaande uit jongeren, bereidt zich voor op het concert van deze avond. Na een tijdje begint het ponton te varen en blijft het midden op de rivier liggen. Het orkestje begint te spelen op de diverse traditionele instrumenten. Sommige liedjes worden begeleid door een zangeres. Ik ga voorin zitten om van het constante gekwebbel van vader verlost te zijn. Hij probeert mij een beetje aan miss Phu te koppelen, maar daar heb ik weinig trek in.
In de pauze praat ik met een mooi meisje dat een grote harp bespeelt. Zij is de enige van het orkest die Engels spreekt en nog heel behoorlijk ook. Ze stelt zich voor als Chau en legt mij uit hoe de instrumenten werken. Ze schrikt als ze hoort dat ik 100.000 dong voor deze avond betaald heb. Volgens Chau is het concert in principe gratis, maar geven de mensen altijd een kleine vrijwillige bijdrage. Zo’n bijdrage had ik er natuurlijk ook wel voor over gehad, maar dan was die wel voor het orkest geweest en niet voor meneer Ninh met zijn dochters. Hoewel het om een klein bedrag gaat geeft deze vorm van oplichting mij een naar gevoel. De harpiste is echter heel aardig. Ik vraag haar of de traditionele muziekinstrumenten ergens te koop zijn. Ze zegt dat dat niet makkelijk is, maar dat er bij haar in de buurt wel een winkeltje is dat mij kan helpen. Ze schrijft haar adres op en zegt dat ik morgen maar eens langs moet komen, dan brengt zij mij naar het winkeltje.
Na het concert vaart het zaaltje weer naar de kant en loop ik nog steeds boos op meneer Ninh weer terug naar het hotel. De fiets- en brommertaxi’s krijgen ditmaal een harde snauw. Ik neem mij voor de rest van de reis wat meer op mijn hoede te zijn.

Maandag, 13 maart 2000

Het weerbericht van Yahoo had voor vandaag zon beloofd. Maar de Vietnamese weergoden hebben kennelijk geen internet, want het is als vanouds. Ik ontbijt weer om de hoek bij de Xuan Trang Cafetaria. Het meisje dat op straat klanten ronselt heeft intussen door dat ik uit Nederland kom. ‘Hoe gaat het met jou?’, vraagt ze vrolijk als ik aan kom lopen. Na het stevige ontbijt met omelet, banana pancake en goede zwarte koffie loop ik terug en huur ik een fiets bij de altijd druk kwebbelende miss Thi. Het is een betere fiets dan die van het hotel. Het enige mankement is dat een van de trappers vast zit, zodat mijn voet steeds van de pedaal afrolt. Verder werkt natuurlijk ook de rem amper, maar dat is standaard op Vietnamese fietsen.Ik ga eerst richting Citadel, waar ik de Verboden Paarse Stad wil bezoeken.

Ik parkeer mijn fiets in de stalling naast de hoofdpoort en maak wat foto’s voordat ik het complex binnen ga. Het is nog lekker rustig in deze doorgaans druk bezochte attractie. De gebouwen zien er uit alsof er net oorlog is geweest. Meer dan tachtig procent van de oorspronkelijke keizerlijke stad is nagenoeg volledig verwoest.

Op sommige plaatsen is men aan het restaureren. De reeds gerestaureerde gebouwen geven echter ook een wat desolate indruk. Dat zal nog het gevolg zijn van de in 1999 buiten zijn oevers getreden Perfume River. Als je het met de Verboden Stad in Peking vergelijkt, is het keizerlijke complex in Hué een teleurstelling, maar toch vind ik het bezoek meer dan de moeite waard. Helaas zijn de paleizen net als in Peking zo goed als leeg. De wanddecoraties zijn gelukkig behouden gebleven of in ieder geval weer in de oude staat teruggebracht. Ik negeer het fotografieverbod wat niet zo snel problemen zal geven omdat er geen mens in de buurt te bekennen is. Na een uurtje of twee wordt het echter wat drukker. Een groepje studenten in prachtige kleren zorgt voor wat afwisseling. Als laatste bezoek ik een aantal hofjes en paviljoens in het afgelegen zuidelijke deel van het complex. Als ik richting uitgang ga, zijn er al honderden toeristen gearriveerd. Op het fietsje rijd ik nog even rond het complex en begeef mij dan in westelijke richting op zoek naar het huis van de harpiste. Het kost nogal wat moeite om het te vinden en als ik er eindelijk ben twijfel ik weer of ik echt wel dergelijke instrumenten wil kopen. Het wordt dan wel sjouwen, want met de post opsturen lijkt mij niet verstandig. Ik besluit er niet aan te beginnen en fiets terug naar het centrum. Voordat het minibusje naar Hoi-An komt, eet ik nog een kopje soep. Dan is het de hoogste tijd om de fiets terug te brengen en afscheid te nemen van de grappige miss Thi en het vriendelijke hotelpersoneel. De bijrijder van de minibus haalt mij op bij het hotel en vraagt meteen om mijn kaartje. Ik ben de eerste passagier en kan dus riant voorin zitten. Maar of het een comfortabel ritje wordt valt al snel te betwijfelen. De kamikazerijstijl waarmee de chauffeur door de straten van Hué scheurt, vormt waarschijnlijk nog maar een voorproefje van de risico’s die ik straks op Highway 1 zal gaan lopen. De wilde verhalen over de Vietnamese busmaatschappijen zijn kennelijk niet geheel onterecht. Op de snelweg stijgt de adrenaline in het bloed van de chauffeur tot ongekende hoogte. Woest scheldend probeert hij de roet uitbrakende vrachtwagens te passeren, maar dat is nauwelijks mogelijk vanwege de onophoudelijke stroom tegenliggers. Ik kijk eens naar mijn medepassagiers en zie dat ik niet de enige ben die deze vorm van openbaar vervoer niet gewend is.De weg wordt steeds mooier en slingert via hoge passen langs de kust van de Zuid-Chinese zee. In de diepte zijn goudgele stranden en vissershavens te zien. Langs de weg wordt de begroeiing steeds tropischer. Helaas is ook het wegdek nogal tropisch. Veiligheidsriemen voor de passagiers zouden geen overbodige luxe zijn. De hoogste pas ligt in de wolken. Het zicht is nu zeer slecht en ik ben blij dat wij dankzij een voor ons rijdende vrachtwagen een matige snelheid moeten aanhouden. Na de Hai Van Pass gaat het bergafwaarts. Al snel is de kust weer te zien. In de verte zie ik de grote stad Danang al liggen. Eenmaal in de bebouwde kom loopt het verkeer volledig vast zodat ik alle tijd heb om de enorme bende buiten te observeren. Kinderen spelen met her en der verspreide bouwmaterialen. De meeste mensen dragen een doek voor hun gezicht ter bescherming tegen het stof en de luchtvervuiling. Sommigen doen ongegeneerd hun behoefte midden op straat. Na dik een uur luid toeterend file rijden, komen we in het centrum van Danang aan. Hier gaat het weer wat vlotter omdat de wegen veel breder zijn. Een paar passagiers verlaten de bus. Een uur nadat we Danang verlaten hebben, bereiken we rond een uur of zes Hoi-An. Dit is een heel andere wereld. Prettige rustige lanen, omzoomd door tropisch groen. Zoals gewoonlijk weet de chauffeur wel een hotel. Toevallig is het een van de hotels die ik in de Lonely Planet had aangekruist, het Thien Trung Hotel dat wel iets weg heeft van een Amerikaans motel. Helaas is er alleen nog een wat duurdere kamer voor drie personen. Het kost mij 10 dollar per nacht, maar morgen zou ik een kamer kunnen krijgen die slechts 8 dollar per nacht kost. Vooruit dan maar.Het stadje is heel plezierig. Het lijkt wel een beetje op Zandvoort. Op weg naar het centrum pakt een vrouwtje mijn arm vast. Zij probeert mij haar kledingwinkel in te trekken. Die agressieve, maar niet kwaad bedoelde vorm van marketing zal ik nog vaker gaan meemaken in Hoi-An. Overal proberen mensen mij ertoe te bewegen een pak te laten maken. Misschien dat ik dat nog wel doe. Als ik na een flinke wandeling langs zo ongeveer alle straten van het centrum bij een restaurantje aan de rivier neerplof, bestel ik tegen mijn gewoonte in een visgerecht. De serveerster van het Dong Phuong-restaurants draagt twee kleine pleistertjes naast haar ogen. Ik vraag haar waarvoor dat dient. Het schijnt tegen de hoofdpijn te zijn. Het helpt goed, verzekert zij mij. Niet de pleistertjes zelf, maar wel de balsem die eronder zit. Het duurt ruim een uur en een flink aantal biertjes voordat ik mijn vis heb, maar die smaakt dan ook voortreffelijk. Wel is het een heel geklooi om met eetstokjes het vlees tussen de graten vandaan te peuteren. Omdat ik de enige klant ben, komt de serveerster – die Bué heet – bij mij aan het tafeltje zitten. Ze schrijft een brief in het Engels, maar dat gaat haar niet makkelijk af. Elke keer vraagt ze mijn raad en probeert ze uit te leggen naar welke woorden ze zoekt. Ik vind het wel gezellig.Via een omweg loop ik terug naar het hotel. Het is nog bloedheet, dus wil ik de airconditioning aan zetten. Die doet het niet. En de tv werkt ook al niet. Dan maar eens kijken of er stromend water is. Een kakkerlak zo groot als een muis weet nog net via het afvoerputje te ontsnappen. De douche werkt gelukkig wel. Ik span mijn klamboe, stop dopjes in mijn oren en ga slapen.

Dinsdag, 14 maart 2000

Mijn rugpijn is niet meer te harden. Ik probeer een extra kussen maar dat helpt weinig. Om zeven uur sta ik op, doe het gordijn open en zie dat het weer bewolkt is. Dit kan toch niet? Ik slof naar de receptie en vraag de sleutel van de goedkopere kamer die mij gisteren beloofd was. De nieuwe kamer is iets kleiner, heeft geen defecte airconditioning en televisie en kost daarom slechts acht, in plaats van tien dollar.
Naast het hotel zit een kleermaker die ook fietsen verhuurt. Ik kies de grootste mountainbike uit, die helaas toch nog een paar maten te klein is. Maar met alleen een fiets verhuren is het oude kleermaakstertje natuurlijk niet tevreden. Ik moet zeker ook even in haar winkeltje komen kijken. Een mooi pak, zegt ze. Eerst ontbijten, antwoord ik. Ik plof neer bij café Bobo en bestel stokbrood, omelet en een bananenmilkshake.
Bij de overdekte markt word ik bijna besprongen door de talrijke verkoopsters van de naaiateliers. Suit, suit, krijsen ze boven elkaar uit. Ik word bijna gevierendeeld. Uiteindelijk loop ik mee met een dikke vrouw die wat minder opdringerig was dan de meeste van haar concurrenten. Ze zet mij neer bij een tafeltje waarop grote stapels postordercatalogi liggen. Ik moet er maar wat in bladeren om ideeën op te doen. Wij kunnen alles namaken, verzekert het vrouwtje mij. Ik zie de meest idiote ontwerpen in de catalogi. Als je iets heel aparts wil, ben je hier beslist aan het goede adres. Gelukkig zijn er ook een paar boeken met normale kleding. Ik zoek een moderne snit uit en zeg dat ik er daar wel twee van wil hebben. Nu nog de stof uitkiezen. Dat is niet makkelijk. In de markthal is het zo donker dat het verschil tussen blauw en zwart nauwelijks te onderscheiden is. Ik kijk dus eerst maar wat voor soort stof ik wil en loop daarmee naar buiten om de kleur te beoordelen. Als ik mijn keuze gemaakt heb, word ik in recordtijd opgemeten en kan ik ’s middags terugkomen voor het laatste meetwerk.
De zon breekt door en meteen klaart mijn humeur op. Ik stap op het fietsje en kijk in mijn Lonely Planet wat Hoi An aan attracties te bieden heeft. Bij een winkeltje koop ik voor 50.000 dong (3,40 euro) een soort strippenkaart die toegang verschaft tot vijf tempels of andere bezienswaardigheden.

Het is nog rustig in het dorp, maar als ik bij de bekendste attractie, de overdekte Japanse brug, arriveer is net een grote bus met toeristen nagekomen. Dat wordt dus even wachten. Als de kudde weer is ingestapt heb ik het rijk voor mij alleen. Tenminste, heel eventjes. Want in de hoofdstraat zie ik te voet alweer de volgende meute naderen. Ik maak snel wat foto’s en kijk dan nog even rond in het tempeltje dat bij de brug hoort. Een oud mannetje in traditionele kleding probeert op zijn bootje wat bij te verdienen door zich tegen betaling met de Japanse brug op de achtergrond te laten fotograferen.
Op weg naar de Chuc Thanh Pagode krijg ik ongevraagd gezelschap van Nhân. Hij is veertien jaar en studeert Engels, geschiedenis en wiskunde aan de avondschool. Dat is goedkoper dan de dagschool, zegt hij. Hij gaat drie avonden in de week naar school. Ik vertel hem wat over mijzelf. Na een tijdje geef ik aan dat ik liever alleen verder ga. Maar Nhân laat zich niet wegsturen. Hij verzekert mij dat hij geen gids is en dat hij geen geld hoeft. Als ik hem op een lunch trakteer zal hij mij de mooiste plekken van Hoi An laten zien, belooft hij.

We komen aan bij de prachtige Chuc Thanh Pagode. Er is nog niemand, dus maak ik eerst een paar foto’s. Opvallend zijn de drie Chinese pagodes die er uitzien als nieuw, maar in de vijftiende eeuw gebouwd zijn. Het moet de oudste pagode van Hoi An zijn. De witte torens steken oogverblindend af tegen de nu strak blauwe hemel. Nhân blijft bij zijn fiets staan, terwijl ik het complex verder verken. Ik bezoek ook de naast de pagode gelegen begraafplaats, met indrukwekkende Chinese praalgraven. Zoiets had ik niet verwacht in een communistisch land.

Via een zandpad fietsen we via de Phuoc Kien tempel verder naar de Phuoc Lan Pagode. Links zie ik een obelisk die opgericht is ter nagedachtenis van de slachtoffers van de Japanners. De pagode zelf is niet zo indrukwekkend als de Chuc Thanh Pagode, maar ik heb er dan ook nauwelijks voor om hoeven rijden.

We rijden langs de prachtige Thiền Viện Trúc Lâm-tempel. Dit is een klooster dat behoort tot de Truc Lam Yen Tu Zen-sekte. Het klooster is verdeeld in vier gebieden: het buitenste kloostergebied, het retraitegebied, het abtskloostergebied, het binnenkloosterklooster en het nonnenklooster. Het is een uniek architectonisch werk naast het Tuyen Lam-meer.
Het is inmiddels bloedheet geworden en mijn eerste waterfles is al half leeg. Ik bied Nhân ook wat te drinken aan, maar dat slaat hij beleefd af.
De weg naar de veelgeprezen Japanse tomb is nog slechter. Het verbaast mij dat zo’n toeristisch oord als Hoi An niet iets aan de wegen naar de belangrijkste bezienswaardigheden doet. Ook zijn nergens wegwijzers te bekennen. Nhân weet de Japanse tomb echter feilloos te vinden. Veel stelt het monument niet voor. Meer dan een paar betonnen muurtjes en een zwaar betonnen deksel is het niet. In de buurt liggen nog meer van dit soort Japanse graven uit de zeventiende eeuw. Nhân laat mij een paar kogelinslagen zien. “Americans”, zegt hij. Het met schelpen versterkte beton heeft er echter nauwelijks onder geleden.
Op de terugweg naar Hoi An passeren we een school met nogal agressieve kinderen. Ongegeneerd proberen ze mijn zakken en tas te plunderen. Schreeuwen helpt niet, een flinke duw wel. Geschrokken druipen de jonge scholieren af en kunnen Nhân en ik verder fietsen. Nhân zegt dat hij nu honger heeft en herinnert mij aan de lunch die ik hem beloofd heb. Ik zeg dat ik eerst wil douchen, want ik drijf uit mijn kleren. Nhân fietst met mij mee, samen met zijn broertje die ons vergezelt. Als ik gedoucht heb staan zij mij bij de poort van het motel op te wachten. Ik fiets weer met ze mee en trakteer op de lunch, die wel zeer goed smaakt, maar vooral dankzij de blikjes Red Bull die de jongens bestellen ook meteen 95000 dong (6,30 euro) kost. Een vermogen. Nhân is de laatste Vietnamees die mijn vertrouwen heeft genoten.
Hoewel ik zou moeten rusten, besluit ik de rest van de middag de tempels en pagodes van Hoi An af te fietsen. Het zijn er nogal wat. Gelukkig hoef ik niet overal mijn strippenkaart af te laten stempelen, want dan was het snel gedaan geweest. Ik vlieg bijna in brand van de hitte en snak naar een koude douche.
De laatste tempel die ik bezoek is best een bijzondere, ook al staat hij niet in de Lonely Planet. Voor de poort staat een zeer oude Japanse bus, die er niet naar uitziet alsof hij nog kan rijden. Maar dat dacht ik van de karkassen die ik in Birma zag ook wel eens. Binnen in de tempel zingt een monnik het avondgebed. Ik weet het discreet op video vast te leggen. Na het gebed komt de monnik naar mij toe om een praatje te maken. Hij spreekt verrassend goed Engels. We filosoferen wat over het geloof en ik geniet van de vriendelijkheid en de warmte die de oude man uitstraalt.
In het hotel blijf ik langdurig onder de koude douche staan. Als ik eindelijk opgefrist ben fiets ik weer naar de markt. Mijn kostuums zijn bijna klaar. Ik pas ze aan en laat mij bewonderen door de kleermaaksters. Handsome, handsome man, roepen ze lachend terwijl ze mij in mijn arm knijpen. De pakken zien er goed uit, hoewel de haast hier en daar wel een beetje ten koste is gegaan van de afwerking. Ook zijn de mouwen een centimeter of twee te kort. No problem, verzekeren de vrouwen mij. Ik moet zeven uur weer terugkomen. In afwachting drink ik een biertje op het terras van het Tieman Hunna-restaurant, dat prachtig aan de rivier ligt. De hemel kleurt paars en roze in het laatste licht van deze hete dag. Ik bekijk meteen de menukaart, want deze locatie lijkt mij wel wat om te eten vanavond.
Het is inmiddels donker als ik mijn pakken afhaal op de markt. De vrouwen hebben ze in een enorme doos gestopt. Voor het postkantoor, zeggen ze. Ik denk echter niet dat de post blij zal zijn met zo’n ruim bemeten verpakking. Daar moet ik morgen maar iets op zien te vinden. Ik betaal het restant van de 50 dollar en fiets terug naar het motel met de grote doos voorop het stuur. Bij het Thien Trung Hotel is intussen een grote bus met nieuwe gasten aangekomen. Ik vraag mij af of ze daar voldoende kamers voor hebben. Er wordt hard onderhandeld.
Onderweg naar het restaurant word ik even afgeleid door een man met zijn zoontje op een brommer. Keihard stoot ik mijn hoofd tegen een straatnaambord. Ik duizel ervan. Dit land is niet berekend op lange mensen. Ook Hoi An niet, waar westerlingen bijna de meerderheid vormen op straat. Met een flinke hoofdpijn vervolg ik mijn weg naar het restaurant aan de rivier, waar ik voor 40.000 dong (3 euro) een fixed menu bestel. Het gaat hard met mijn geld. Tijdens het eten bedenk ik hoe ik de komende dagen een beetje kan bezuinigen.
Het blijft rustig in het restaurant. Maar drie tafels zijn bezet terwijl het restaurant aan de overkant van de straat stampvol zit. Zou het komen omdat dat restaurant wel in de Lonely Planet staat en dit niet?
De uitbaatster doet intussen haar uiterste best om passanten naar binnen te trekken. Misschien dat dat juist wel afstoot. Het eten smaakt er niet minder om en het is gezellig onder de gekleurde lampionnetjes. Nog maar zo’n vaas Vietnamees bier. Die kan er nog wel bij, want de drie flessen bronwater heb ik intussen al weer uitgezweet. Een beetje draaierig loop ik na het uitgebreide diner naar het motel terug. Morgen weer een drukke dag.

Woensdag, 15 maart 2000

De vorige avond begon het al, maar vannacht is het doorgezet: keelpijn. Ik ben er zes keer uit geweest om met 222 te gorgelen. Slapen lukt uiteindelijk niet meer. Ik neem aspirientjes tegen de hoofdpijn en de rugpijn, maar het helpt vrijwel niets. Half zeven sta ik op. Ik ben behoorlijk chagrijnig.
Vandaag ga ik naar My Son. Dat is een ruïne van wat ooit een bloeiende stad uit de Cham-pe­riode is geweest. Acht uur zou het busje komen. Het zal wel weer later worden, maar daar durf ik niet op te gokken. Eerst moet ik naar de bank om traveller cheques te verzilveren. Dat duurt weer Vietnamees lang, waardoor ik geen tijd meer heb om te ontbijten. Ik koop snel een homp stokbrood en een bananenmilkshake in een plastic zakje met een rietje.
Het busje is keurig op tijd. Als we stoppen om andere passagiers in te laten stappen, koop ik nog snel een grote fles bronwater, want het belooft een hete dag te worden vandaag. Bovendien heb ik veel water nodig voor mijn pijnlijke keel. Na een half uurtje is het busje op één klapstoeltje na helemaal vol en begeven we ons luid toeterend op weg.
Het is weer een mooi gezelschap. Naast mij zit een Amerikaan met een Roy Orbison-bril en een mooie, veel jongere Japanse vrouw. De hele weg zit hij onafgebroken te praten, terwijl zijn vrouw niets terugzegt. Zou ze wel Engels verstaan?
Er is intussen bijna geen doorkomen aan met de honderden fietsende schoolkinderen. Van de permanent werkende claxon van de bus trekken zij zich niets aan. Onderweg trekt de lucht weer dicht en het is somber als we rond half tien bij My Son arriveren.
Wegens het ontbreken van een brug kan het busje niet tot aan de ruïnes rijden. Via een gammel bamboebruggetje lopen we naar de overkant van de vrijwel droge rivierbedding en stappen we over op jeeps die met hoge snelheid wegspurten. Alleen de voorste passagiers blijven een beetje stofvrij tijdens de dodenrit over de bochtige weg door de dicht begroeide heuvels.
Het laatste stuk moeten we lopen. De ruïnes zijn nog niet te zien, maar er leidt slechts één weg naar toe, dus verdwalen zal wel niet gebeuren. Op één van de heuvels zie ik al wat restanten van ruïnes liggen. De hoofdstad van het koninkrijk Champa ligt echter nog verder. Na een klein half uur lopen zie ik wat er van over is gebleven in tien eeuwen tijd. En dat is niet veel. Een stuk of zes overwoekerde steenklompen zijn nog als gebouw te identificeren. De rest ligt in puin. Het treurigste is dat niet de tand des tijds dit op zijn geweten heeft, maar dat de verwoestingen het gevolg zijn van recent oorlogsgeweld. Tijdens de Amerikaanse oorlog had de Vietcong een basis in de voormalige Cham-stad, waardoor de Amerikanen er duizenden bommen hebben laten vallen. Pas nadat een beroemd Frans archeoloog een persoonlijk verzoek aan president Johnson had ingediend om verdere vernietiging van dit belangrijke culturele erfgoed te beëindigen, werd gestopt met bombarderen. Er stonden toen nog twintig van de 86 monumenten overeind, alle zeer zwaar beschadigd.
Ik heb slechts twee uur de tijd om alles te bekijken. Dat zou normaal voldoende zijn, maar nu maken de weersomstandigheden het heel moeilijk om behoorlijke foto’s te maken van de zwartgeblakerde objecten. En dan zijn er nog de tourgroepen die met zijn veertigen luid schreeuwend met opzichtige kleding de rust in het complex komen verstoren. Foto’s kan ik pas maken als iedereen met elk monument op de achtergrond met zijn eigen fototoestel gefotografeerd is en dat duurt lang. Erg lang. Ik kook van ergernis.
Ondanks de verwoestingen is nog aardig wat van de oorspronkelijke schoonheid van Champa bewaard gebleven. Niet omdat de mensen er zuinig op zijn geweest, maar simpelweg omdat er teveel was om allemaal te verwoesten. Hetzelfde is het geval in Angkor in Cambodja. Als door een wonder hebben enkele van de uit zandsteen gehouwen beelden alles overleefd. Verder zijn ook de her en der verspreide brokken puin nog met enkele fraaie reliëfs versierd. Het kost wel moeite om deze kunst nog te waarderen. Het is net of je door een uitgebrand museum loopt.
Tegen half twaalf vertrekken de groepen weer en breekt zelfs de zon door. Ik moet eigenlijk met grote spoed terug naar de bus, maar juist nu kan ik eindelijk behoorlijke foto’s maken. In de haast breekt de draadontspanner van mijn camera af. Daar baal ik goed van. Ik had het 100 euro kostende ding juist gekocht en waarschijnlijk nog vaak nodig gehad op deze reis. Maar helaas zijn de pinnetjes afgebroken. Zo’n reparatie kan alleen de importeur uitvoeren en dat zal in Vietnam niet gaan lukken. Niettemin maak ik met een turbovaart nog een aantal foto’s om mij vervolgens in looppas naar de parkeerplaats te haasten waar hopelijk de jeep naar de bushalte staat te wachten.
Maar helaas. Er is geen jeep te bekennen. Een grote groep Fransen staat al langer te wachten. Ik blijf tien minuten staan en kijk wel tachtig keer op mijn horloge. 12 uur zou de bus vertrekken en het is nu tien voor twaalf. Er zit niets anders op dan te lopen. Ondanks de hitte en ondanks mijn rug-, hoofd- en keelpijn. Ik loop stevig door, maar de weg is veel langer dan ik gedacht had. Na een tijdje zie ik een half platgereden slang op de weg liggen.
Pas na twintig minuten lopen komt er een jeep, maar die rijdt de andere kant op. Direct daarna passeert een minibusje. Nog eens tien minuten later keren beide voertuigen terug en pas ik nog net op de treeplank van de jeep. De bus is er gelukkig nog. De gids staat mij bij de bamboebrug op te wachten. Ik verontschuldig mij en leg uit dat er geen vervoer was. Maar het kwam natuurlijk vooral omdat ik veel te lang was doorgegaan met foto’s maken. Hopelijk is het resultaat ernaar. Op een geleende brommer brengt de gids mij naar de verderop geparkeerde bus.
Rond 1 uur zijn we weer terug in Hoi An. Ik snel mij naar het postkantoor om mijn kostuums te laten verzenden. Het koloniale postkantoortje is vlakbij en binnen is het er lekker koel. Ik schat dat het niet lang zal duren, omdat er ongeveer tweemaal zoveel personeelsleden als klanten zijn. Maar dat heb ik natuurlijk helemaal mis. Pas na een kwartier ben ik aan de beurt. Het pakketje wordt uitgepakt en nauwkeurig gecontroleerd. Intussen moet ik vier formulieren invullen en nog twee extra handtekeningen plaatsen. Alles is in het Vietnamees, dus ik hoop maar dat ik niet mijn hele vermogen overmaak. Pas na ruim een uur schrijven en stempelen is het in orde. Ik schrik mij rot als ik hoor wat het kost: 39 dollar. Per schip was goedkoper geweest, maar zelfs met de luchtpost zal het verzenden waarschijnlijk al enkele maanden duren.
Ik loop naar het reisbureautje Seventeens waar ik een excursie naar de marmerbergen had geboekt om te zeggen dat ik later kom. Het maakt ze niet uit. Eerst wil ik even stevig lunchen, want het ontbijt heeft niet veel voorgesteld vandaag. Dat lunchen wordt echter ook niets. De bediening is zo traag dat ik het na het uiterst slappe groentesoepje en een glaasje cola maar voor gezien houd.
Achterop de brommer bij reisleider Nhô snel ik richting marmerbergen (Ngu Hanh Son). Eerst rijden we met hoge snelheid in de richting van Danang. Daarna nog een stuk over een dijkje door de rijstvelden. Het is heerlijk koel met die wind die aan mijn kleren rukt, maar ik vraag mij af of mijn gezondheid beter zal worden van dit ritje. Ik houd een hand op mijn keel bij gebrek aan een sjaal.
In een dorp met vrijwel uitsluitend marmerhouwerijen stoppen we bij een winkeltje van de familie van Nhô. Mijn reisleider nodigt mij uit om een kopje thee te drinken en de collectie van het winkeltje te bekijken. Het is opmerkelijk wat de Vietnamezen van marmer vervaardigen. Naast de talloze Boeddhabeeldjes zijn er ook Christelijke beelden en zelfs een beeld van Bugs Bunny. Ook verschillende Disney-figuren zijn in marmer te koop. Erg smaakvol allemaal. Het kost bijna niets en de verleiding is groot om iets te bestellen, maar ik heb er thuis geen plaats voor en ik vind het zonde om zo’n beeld – er zitten ook hele fraaie tussen – in de tuin te zetten. En dan nog het transport. Dat kan per container, verzekert de winkelier mij. Maar nu ik weet wat het verzenden van twee kostuums kost, probeer ik maar niet eens te denken aan wat ik kwijt zou zijn als ik zo’n marmeren beeld per post zou willen versturen.
De wandeling over de vijf marmeren bergen moet ik alleen doen. Ik loop door het straatje met houwerijen naar de hoofdingang. Het verbaast mij dat er nog zoveel over is van de bergen want het is een gehak en gezaag van jewelste overal. Bij de hoofdingang word ik direct aangesproken door vervelende kerels die zeggen dat ik niet zonder gids naar boven kan. Ik schud ze af, maar één blijft net zolang volgen tot ik uiteindelijk besluit om net te doen alsof ik terug ga naar de ingang. Dat helpt eindelijk. Met mijn plattegrondje zal ik ook wel alleen de weg kunnen vinden.

Boven op weg naar een fraai uitzichtpunt zie ik het eerste tempelcomplex. Een paar monniken zitten lekker niets te doen. Ik geniet even van de schaduw terwijl ik het interieur bewonder en loop dan verder naar boven. Vanaf het uitzichtpunt is het geklop beneden nog goed te horen. Over een paar jaar zullen deze bergen wel verdwenen zijn, want het met vrachtwagens tegelijk weggehakte marmer groeit natuurlijk niet meer aan.
Een bijzondere attractie zijn de heilige grotten. Toch is er maar één zo’n grot die ik echt de moeite waard vind. Via een stikdonkere gang moet ik de gebedsruimte zien te vinden. Aan mijn piepkleine zaklantaarntje heb ik nu niet veel. De gebedsruimte zelf wordt verlicht via een natuurlijk gat in de zoldering. Er zijn twee kleine altaartjes gebouwd. Een oude vrouw plaatst wierookstokjes en begint te bidden. Als mijn ogen een beetje gewend zijn aan de duisternis zie ik dat de ingang geflankeerd wordt door barokke beelden die wachters moeten voorstellen. Er komen ook nog wat andere toeristen. Het oude vrouwtje moet goede ogen hebben, want zij waagt zich zonder licht de donkere gang in.
Ik bezoek ook de andere grotten, voor zover die op het plattegrondje staan. Ook zijn er nog wat tempeltjes. De mooiste tempel staat aan het einde van de route, waar het pad weer steil omlaag gaat. Langs een enorme pagode kijk ik uit over de Zuid-Chinese zee. Het is behoorlijk druk. Het complex bestaat uit verschillende pagodes, tempelgebouwen en een prachtige tuin met een enorm Boeddhabeeld dat gespiegeld wordt in de vijver. Ik rust even uit voordat ik aan de afdaling begin.
Beneden zit Nhô nog steeds aan de thee. Hij begrijpt niet dat ik geen marmeren leeuw van 1,5 meter hoog wil kopen. Heel goedkoop en we sturen hem zo op, zegt hij. Helaas moet ik hem teleurstellen. De terugweg gaat nog sneller dan de heenweg en het wordt snel kouder als de zon eenmaal achter de horizon verdwenen is. Drijfnat en ijskoud arriveer ik bij het motel. Ik koop eerst een kaartje voor de minibus naar Na Thrang morgen. Die vertrekt 6 uur ’s ochtends, zegt de motelbaas terwijl hij mij het kaartje overhandigt. Ik laat de hitte uit de kamer ontsnappen en fris mij op onder de douche. Met schone kleren aan geniet ik voor de laatste keer van de prettige sfeer van Hoi An. De resterende steden op mijn route zullen nu wel tegenvallen. Waar in Vietnam kun je op iedere straathoek een Mars kopen?
Ik dineer bij restaurant Yellow River, waar de Lonely Planet de loftrompet over afsteekt. Het eten valt echter tegen. Het is de slechtste maaltijd die ik tot nu toe in Vietnam genuttigd heb. De rugpijn nodigt niet uit om nog lang van het stadje te genieten, dus ik kruip al rond acht uur mijn bed in. Ongewoon vroeg helaas.

Donderdag, 16 maart 2000

Ik heb de hoop opgegeven dat ik ooit nog eens goed zal slapen in Vietnam. Vannacht ben ik er twee keer uit geweest de om te douchen en te gorgelen. Om kwart over vijf sta ik op en pak ik mijn spullen in. Ik prop alles slordig in de rugzak en zorg ervoor dat ik kwart voor zes klaarsta voor de bus. De hotelbaas loopt al door de tuin. Hij slaapt buiten op de grond onder een klamboe. Ik geniet van de koelte nu de zon nog niet op is. Mijn rugpijn en hoofdpijn zijn minder geworden al ben ik nu wel verkouden, koortsig en duizelig. Dat komt waarschijnlijk van het brommerritje van gisteren.
De bus naar Nha Trang is wonder boven wonder op tijd. Alleen is het wel zo’n ellendig klein Toyota-busje. Ik voel behoefte om verhaal te halen bij het reisbureautje dat mij een grote bus had beloofd, maar dat is natuurlijk nog gesloten zo vroeg in de ochtend. Twee Duitsers uit Frankfurt en een Deen uit Kopenhagen worden op de achterbank gezet. Ik krijg een plaats net daarvoor. Drie Vietnamese kennissen van de chauffeur krijgen de beste plaatsen voorin. Dat wordt afzien. De rit van 510 kilometer zal naar schatting ongeveer twaalf uur duren.
De weg is gelukkig redelijk, maar dat kan van de chauffeur niet gezegd worden. Hij rijdt als een maniak. Erg comfortabel is het ook niet aan boord. Ik zit ingeklemd tussen twee rugleuningen en dan heb ik nog mazzel dat er niemand naast mij zit zodat ik nog wel een beetje onderuit kan zakken. Het rijkelijk versierde busje heeft allerlei overbodige accessoires, zoals een apparaatje dat uiterst irritante melodietjes laat horen als de richtingwijzer aangaat of als het busje achteruit rijdt. De rijwind slaat om mijn oren doordat voorin alle raampjes openstaan. Ik probeer mijn keel zoveel mogelijk te beschermen, maar voel dat ik desondanks steeds zieker word. Dan steken de Vietnamezen ook nog sigaretten op, zodat ik mij genoodzaakt voel om ook het raam naast mij open te schuiven. Ondanks de ergernissen wegens het ontbreken van enig comfort, kan ik nog wel de prachtige uitzichten vanaf Highway nr.1 waarderen. Jammer dat we overal met volle vaart voorbij daveren, want op de plaatsen met de mooiste panorama’s zijn speciaal parkeerplaatsen aangelegd. Na een uur stoppen we om te ontbijten in een aftands restaurant. Er staan geen prijzen op de menukaart dus kan ik van alles verwachten. Maar het valt mee. De soep en het verse brood kosten 6.000 dong (€ 0,50).
We razen weer verder. De chauffeur vergt het uiterste van het kleine motortje, dat kreunt en sputtert onder het geweld. Bergopwaarts lukt het slechts met de grootste moeite om de naar boven kruipende, rookwolken uitbrakende vrachtwagens te passeren. Tegenliggers zijn gelukkig steeds bereid om uit te wijken. In Nederland zou je met zulk weggedrag de ernstigste verwensingen naar je hoofd geslingerd krijgen, maar in Vietnam kijkt niemand er van op.
Rond een uur of twaalf passeren we een kilometerpaal die aangeeft dat het nog 250 kilometer is tot Nha Trang. Als het mee zit zijn we er rond een uur of zes. We lunchen in een mooi, maar ook duur restaurant aan het strand. Het is weer stralend weer geworden.

Ik loop nog even terug om een interessant propagandabord te fotograferen. Dan sluit ik mij weer aan bij het gezelschap, dat net als ik heel lang op het eten moet wachten. Uiteindelijk krijg ik de verkeerde soep, die ik toch maar opeet omdat er geen tijd meer is om op een nieuwe bestelling te wachten. In het restaurant wordt uitgebreid reclame gemaakt voor Heineken.
De rest van de route gaat langs een schitterende kustweg. Af en toe vang ik een glimp op van de brede stranden beneden. We passeren ook verschillende dorpjes, maar geen daarvan staat op mijn landkaart. Naarmate de zon in de richting van de horizon gaat, rijdt de chauffeur steeds woester. We liggen kennelijk achter op schema, dus die tijd moet ingehaald worden. Er doen veel indianenverhalen over Vietnam de ronde, maar die over de busmaatschappijen zijn waar. Bijna botsen we frontaal op een vrachtwagen, na de zoveelste onverantwoorde inhaalmanoeuvre. Het was zo kantje boord dat de chauffeur er zelf van geschrokken is. Hij gaat meteen een stuk voorzichtiger rijden.
Op het moment dat de zon ondergaat rijden we Nha Trang binnen. Het is een drukte van belang op straat, vooral bij de haven waar we de brug over de Cat-rivier passeren. Tussen de vele Vietnamezen zie ik ook wat toeristen lopen. Zoals gewoonlijk weet de chauffeur wel een adres waar hij een leuke premie per aangebrachte gast kan opstrijken. Maar iedereen vindt de minimumprijs van 25 dollar per nacht toch echt te duur. Ik ben helaas te moe en te ziek om zelf op zoek te gaan naar geschikte accommodatie. De chauffeur rijdt echter verder en het volgende hotel heeft kamers vanaf 6 dollar. Dat klinkt beter. Ik schrijf me in en krijg een kamer op de tweede verdieping in een van de vleugels. Het hotel ziet er uit alsof het nog in aanbouw is, maar de kamer is in orde. Wel dringt heel veel lawaai van buiten naar binnen, maar vannacht zal het wel rustiger worden. Privacy is er niet in de kamer. Want door een groot raam kun je vanaf de gang schaamteloos naar binnen gluren. Een gordijn is er niet. Maar omdat het maar voor één nacht is, maak ik me er niet druk over. Als ik mijn klamboe wil ophangen ontdek ik dat mijn touwtje verdwenen is. Dan maar een nieuw kopen. Ik loop naar buiten en probeer via het doolhof van straatjes mijn weg naar de markt te vinden. Dat valt niet mee, want straatnaambordjes ontbreken en het kaartje van de Lonely Planet is niet erg duidelijk. Voor mijn gezondheid was het beter geweest om vroeg naar bed te gaan en de muggen met een flinke hoeveelheid DEET van mij af te houden, maar die ene avond dat ik in Nha Trang ben wil ik nog wel iets van de stad zien. Morgenvroeg ben ik al weer op weg naar Dalat. De markt blijkt gesloten en in geen enkele andere winkel kan ik een stukje touw of garen kopen. Zelfs elektriciteitssnoer is nergens te krijgen. Ik begin behoorlijk te balen van Nha Trang. Hoe is het toch mogelijk dat je in een stad met 200.000 inwoners geen stukje touw kunt kopen? Ja, bij de markt, zegt een winkelier. Maar de markt is gesloten. De chauffeurs van de cyclotaxi’s zijn vervelender dan ooit. Behalve ritjes bieden ze marihuana en vrouwen aan. Ik loop langs het strand. De boulevard is gehuld in duisternis. Een enorme krab steekt het trottoir over en probeert zelfs levend de andere kant van de weg te bereiken. Het enige licht komt van de neonreclames aan de overkant en van passerende auto’s. Maar de helft van de automobilisten heeft niet eens de koplampen aan. Om de vijf meter snauw ik een cyclobestuurder weg. Het continu hoorbare geknetter van de elektriciteitsdraden verklaart waarom de verlichting niet brandt. De stad maakt een verloederde indruk. Ik eet nog wat in het gezellige en zeer drukke centrum met zijn vele steegjes. Het eten is uitstekend, maar ik ben zo ziek dat ik er niet van kan genieten. Via de donkere boulevard loop ik terug naar het hotel. Op mijn kamer zoek ik nog even tevergeefs naar mijn touw. Ik meet ook mijn temperatuur op. 38,8 graden. Dat is niet best. Ik probeer de klamboe met veters op te hangen. Dan blijkt het tweepersoonsbed te breed. Ik geef het maar op.

Vrijdag, 17 maart 2000

Ondanks de koortsdromen slaap ik de eerste uren van de nacht goed. Ik droom over een soort kunstje waarmee je jezelf helemaal in glinsterend materiaal kunt inpakken. Iedereen kan het, maar mij lukt het niet. Dat gaat zo ongeveer de hele nacht door. Maar als ik om zes uur opsta voel ik mij een stuk beter. Ik heb nog wel koorts, maar minder keelpijn. Ik pak mijn spullen in en ga op weg naar het Hanh Café, dat voor het hotel als ontbijtzaal dienst doet. Wat ooit de ontbijtzaal moet worden is net als een aantal andere onderdelen van het hotel nog in aanbouw.
De receptioniste had het duidelijk uitgelegd en ook de cyclotaxichauffeurs wijzen de weg en zeggen dat het makkelijk te vinden is, maar ik zoek mij suf. Als ik het café, na eerst nog een keer teruggelopen te zijn naar het hotel, eindelijk gevonden heb is het te laat om nog ontbijten. Ik koop snel een stuk brood en wat drinken en stap dan in het minibusje naar Dalat, dat al klaar staat voor het Hanh Café. Een van de passagiers is Delphine uit Bordeaux. Gezellig. Ze is net als ik op weg naar Saigon en zou eerst niet via Dalat reizen, maar is later kennelijk weer van gedachte veranderd.
Rustig rijden we Nha Trang uit. De stad straalt ’s morgens een heel andere sfeer uit dan ’s avonds. Het heeft wel iets mondains. Het zou bijna een Franse kustplaats aan de Côte ’d Azur kunnen zijn, met haar brede straten, statige gebouwen en met bomen omzoomde lanen. Ik kan het goed bekijken tijdens het rondje stad om passagiers op te halen.
Even denk ik dat we nu eindelijk een redelijke chauffeur hebben, maar zodra de weg vrij is, gaat het weer plankgas vooruit. Het lijkt wel of het weggedrag van buschauffeurs steeds erger wordt naarmate je zuidelijker komt. Om het kwartier wordt het arme voertuig gelanceerd als de chauffeur er weer eens net niet in slaagt een van de vele kuilen in de weg te omzeilen. Fietsers stuiven naar de kant om het vege lijf te redden. Er is wel een soort fietspad, maar dat wordt door auto’s, vrachtwagens en bussen misbruikt om tegenliggers te ontwijken. Ik wind mijn sweater om mijn nek om mijn keel tegen de koele ochtendwind te beschermen.
Als we rond een uur of acht stoppen voor een drankje is het al behoorlijk warm geworden. Ik transpireer alweer overmatig, waarschijnlijk nog door de koorts. Er staan nog wat andere busjes, waarvan de meeste onderweg naar Saigon zijn. Veel tijd om de gore Ovaltine op te drinken is er niet, want al snel moeten we weer instappen en begint het vervolg van de rit naar het op de centrale hoogvlakte gelegen Dalat.
Highway 1 verkeert op deze breedtegraad in een goede staat. Er zijn relatief weinig kuilen en de weg is op een gegeven moment zelfs breed genoeg om zonder al te veel gevaar vrachtwagens te passeren. Wel blijft het natuurlijk spannend vanwege de manier waarop de elkaar tegemoet rijdende Vietnamezen gelijktijdig inhaalmanoeuvres uitvoeren. Bovendien wordt het verkeer steeds drukker met vooral veel stinkende vrachtwagens waarvan de lading niet altijd voor de hand ligt. Sommige zandwagens doen dienst als bus voor werknemers.
Op een gegeven moment giert onze bus de bocht om en slaan wij de bergweg naar Dalat in. Over deze route doen zich geen al te gunstige verhalen de ronde. Het zou alleen mogelijk zijn om Dalat met een vierwielaangedreven voertuig te bereiken. Maar ik denk dat dat wel mee zal vallen, want het zal beslist niet de eerste keer zijn dat dit busje deze route rijdt. Het eerste deel van de weg is in ieder geval keurig geasfalteerd. In de verte zie ik op een heuveltop uitrijzend, boven de sloppenwijken, de Duong Long Cham-torens staan. We stoppen niet.
Als de heuvels beginnen wordt de weg slechter en komt de rand van de afgrond steeds dichterbij. Op een kilometerpaaltje zie ik dat we nog 110 kilometer te gaan hebben. Het busje zal daar waarschijnlijk de rest van de dag voor nodig hebben, want nu we bergopwaarts gaan is de vaart er behoorlijk uit.
De weg is slecht, maar er wordt aan gewerkt. Om de paar kilometer zien we een werkploeg met een aantal vrachtwagens en ander zwaar materieel bezig het asfalt te vernieuwen. Soms zitten we zelf achter een vrachtwagen aan en gaat het stapvoets omhoog tot de chauffeur definitief zijn geduld verliest en er voorbij schiet. Het risico van tegenliggers in de bochten en de gapende afgrond langs de weg neemt hij voor lief.
Tot mijn verbazing stoppen we als we de top van de pas hebben bereikt om te pauzeren. En ditmaal niet om de motor te laten afkoelen, maar echt om ons even rust te gunnen.
Het uitzicht is schitterend hier en het is aangenaam koel op deze hoogte. In de verte zie ik nog de Zuid-Chinese zee, die onzichtbaar overgaat in de wolkenbanden aan de horizon. Ook in dit ruwe landschap is elke vierkante meter grond in cultuur gebracht. Ik babbel wat met Delphine terwijl wij de kinderen van ons af proberen te houden die met hun emmertjes water met daarin door ijsblokjes gekoelde blikjes lopen te leuren. Ik gun de kleintjes best wat geld, maar ook als ik een blikje voor maar liefst een dollar heb gekocht, blijven ze aandringen. Ik had nog wel een flesje water willen hebben, maar dat is op deze hoogte niet te koop. Ik maak kennis met twee Japanse meisjes, Mayuko en Yumoi, die willen dat ik een foto van ze maak met het dal op de achtergrond. Ze hebben één week om Vietnam te bezoeken. Ik weet dat zoiets voor Japanners niet zo ongewoon is, maar het blijft mij toch verbazen hoe hectisch deze mensen leven.
De rest van de route blijven we hoog zitten. We bevinden ons nu op het centrale plateau van de Vietnamese hoogvlakte. Tot mijn verrassing rijden we al om half een Dalat binnen. Ik was ervan overtuigd dat de rit langer zou duren. We stoppen voor het Mimosa Hotel, dat ongetwijfeld gerund wordt door een familielid of op zijn minst een goede kennis van de chauffeur. Maar het hotel maakt een prima indruk, dus ik neem meteen een kamer. Voor vijf dollar krijg ik een keurige kamer achter het hotel in een bijgebouw waar vrijwel geen straatgeluiden meer doordringen.
Het zachte klimaat van het op bijna vijftienhonderd meter boven zeeniveau gelegen Dalat doet mij goed. Ik heb nauwelijks geleden onder de busrit en heb zelfs behoorlijke trek gekregen. In het hotel bestel ik een schaal soep met loeischerpe tofu. Dat is dus geen succes als je keel al aan flarden ligt. Voorzichtig eet ik verder en vis ik zorgvuldig de scherpe rode pepertjes uit de soep.
De middag besteed ik maar aan het verkennen van Dalat, dat in de Lonely Planet omschreven wordt als het Disneyland van de centrale hoogvlakte van Vietnam. Ik wil eerst de markt bezoeken, maar ontdek na een kwartier dat ik de verkeerde kant opgelopen ben. Ik loop nu langs een hoge heuvel die bezaaid is met grafmonumenten. Om niet te verdwalen keer ik langs dezelfde weg terug.
Dalat ziet er welvarend uit. Er staan veel luxe huizen en er zijn winkels die je bijna doen vergeten dat je in een ontwikkelingsland bent. Er wordt letterlijk veel aan de weg getimmerd. Veel straten liggen open en af en toe stik ik bijna in de enorme stofwolken, die opgeworpen worden door de voorbijrazende vrachtwagens waarvan de chauffeurs zich volstrekt niet om de wegwerkzaamheden bekommeren.
Het stadje is als het ware op een aantal terrassen gebouwd. Het centrum staat op twee van die terrassen. Via een steil straatje kom ik op het laagste terras dat direct aan het grote meer van Dalat ligt en waarop het belangrijkste deel van het centrum is gebouwd. Ook de overdekte markt bevindt zich in dat deel.
Ik wandel langs de donkere kraampjes onder de foeilelijke betonnen kolos boven de markt op zoek naar touw om daaraan mijn klamboe op te kunnen hangen. Er wordt van alles verkocht, behalve touw natuurlijk. Ik kan echt weinig nuttigs ontdekken tussen de koopwaar, die vooral uit felgekleurde plastic teiltjes en andere huishoudelijke rommel bestaat. Ik geef het op.
Op het centrale plein zie ik wat mijn reisgids met Disneyland bedoelt. Het ronde plantsoen wordt ontsierd door felgekleurde plastic beelden, die wel wat aan Mickey Mouse doen denken. Ook op andere plaatsen in Dalat is openbare kunst te bewonderen voor mensen met een aparte culturele smaak.
Een belangrijke attractie in Dalat is het restant van de Franse spoorweg naar de kust. Van het oorspronkelijk ruim 100 kilometer lange traject is helaas nog maar zo’n 8 kilometer te berijden. Het is een flink stuk lopen en onderweg wordt mij weer tientallen keren een lift aangeboden. Maar na twee keer verkeerd gelopen te zijn, weet ik het ver buiten het centrum gelegen, koloniale stationsgebouw van de Crémaillère-spoorweg te vinden. Veel leven is er echter niet de bespeuren. De slagboom bij de poort die toegang geeft tot het stationsplein is gesloten, maar ik neem aan dat dat alleen voor voertuigen geldt.
Ik loop het station binnen en zie al snel dat ik niet op het juiste moment ben gekomen. Er zit alleen een stationschef half te slapen, terwijl een er verveeld uitziende vrouw een souvenirwinkeltje runt. Ik kijk even op het perron. Op de roestige sporen staan wat wagons, een vervallen stoomlocomotief en een treurig, doorgeroest dieseltreinstel. Alles verkeert in een nogal deplorabele staat, maar volgens de stationschef vertrekt elke ochtend rond half acht nog een trein. Dat is dan alleen voor toeristen, want een nuttige bestemming heeft de Crémaillère-spoorweg niet meer, sinds in de jaren zestig vrijwel het hele traject is verwoest. Vanwege het enige tijdstip van vertrek verwacht ik niet dat deze maatschappij het nog erg druk zal hebben. Een klein beetje marketing zou geen kwaad kunnen. Ik koop een T-shirt in het souvenirwinkeltje en neem een motortaxi terug naar het centrum omdat het net begint te regenen.
Vanuit het centrum loop ik langs het riviertje naar de kathedraal van Dalat. Kathedraal is trouwens een wat overdreven aanduiding, maar het is toch wel een vrij grote kerk. Het gebouw verkeert bovendien in een uitstekende staat. Behalve aan het prettige klimaat, zal dat voor het belangrijkste deel te danken zijn aan het feit dat hier in de oorlog geen bommen zijn gevallen. Ik rust even uit in het plantsoentje voor de kerk en kijk naar de honderden geüniformeerde schoolkinderen met allemaal dezelfde blauw met witte pakjes aan. Een ansichtkaartenverkoper blijft maar aan mijn kop zeuren, terwijl ik mij erger aan het steeds dikker wordende wolkendek en het knetterende lawaai van de nooit ophoudende stroom bromfietsen.
Hoewel de omgeving erg interessant is, valt in Dalat zelf weinig te beleven. Ik loop terug naar het hotel waar ik uitgeteld op bed neerplof na voor morgen een excursie door de omgeving geboekt te hebben. Mijn temperatuur blijkt weer ver boven de 38 graden. Ik neem voor de zoveelste keer vandaag een hoeveelheid paracetamol en multivitamines in en probeer dan een beetje te slapen. Opnieuw krijg ik de meest bizarre dromen. Heel Dalat staat vol met straatstalletjes die opgetuigd zijn als ware kunstwerken en waar ik heerlijk hapjes kan kopen. Het heeft niets met de werkelijkheid te maken.
Rond half negen word ik weer wakker en strompel ik naar de eetzaal voor een bordje sweet&sour pork met rijst. Het doet mij goed. Na het eten ben ik zo opgeknapt dat ik besluit een internetcafé te zoeken. De receptioniste zegt dat dat niet mee zal vallen, maar ze weet nog wel een adresje. Ze schrijft het voor mij op en wijst mij in de richting. Ik moet wel opschieten, want het is sluitingstijd, roept zij mij nog na. Bij het winkeltje aangekomen heeft de familie net alle spullen naar binnen geschoven. Toch mag ik nog wel even e-mailen, zegt de dochter van de winkelier die als enige wat Engels spreekt. Klimmend over kopieermachines weet ik het achterkamertje te bereiken waar een voorhistorische pc staat. Het werkt gelukkig nog wel allemaal. Er is een mailtje uit Nederland gekomen. Ik schrijf er een terug en dank de familie hartelijk voor de service na sluitingstijd.
Na een verkwikkende douche zoek ik mijn bed op. Ik zal mijn dekens nodig hebben, want het is nu al te merken dat het hier aardig koud kan worden ’s nachts. Op wat vage klanken van de karaokebar aan de overkant na, is het stil in de kamer. Uitgeput val ik in slaap.

Zaterdag, 18 maart 2000

Na een paar keer drijfnat wakker geworden te zijn ontwaak ik tegen zeven uur. Hoewel ik er geen trek in heb bestel ik als ontbijt een stokbrood, omelet en bananamilkshake. Precies om acht uur rijdt een Amerikaanse jeep voor met daarin de twee Japanse meisjes die ik gisteren in het busje naar Dalat heb ontmoet. Zo’n jeep zal geen huisarts mij aanraden met mijn koorts, verkoudheid en keelpijn, maar het is voor de gegeven omstandigheden veruit de beste vorm van vervoer. Ik installeer mij op de voorstoel naast de chauffeur. Mayuko en Yumoi zitten liever in de laadbak, waarin ook een Vietnamese vrouw met twee kleine kinderen zit.
Er ligt een uitgebreid programma voor ons, dat ons alle interessante gebieden rond Dalat zal tonen. Eerst hobbelt de jeep naar het Lang Bian-gebergte waar het Lat-volk woont. Dat is een verboden gebied dat door de politie is afgezet en waarvoor je een vergunning nodig hebt om er te mogen komen. Die vergunning is na betaling van 5 dollar snel geregeld en als we het eerste dorp bereiken begrijp ik niet waar die afsluiting voor nodig is. Het ziet er bijzonder vreedzaam en vooral verlaten uit. De inwoners zijn kennelijk naar de velden. Navraag leert dat de Lat in de oorlog aan de zijde van de Amerikanen hebben gestreden en daarom door de huidige regering als paria’s worden beschouwd.
Vlak voor het dorp ligt een grote christelijke begraafplaats. Ook deze mensen zijn dus christelijk. Ik zie zowel een katholieke als een protestantse kerk. We wandelen langs de houten huizen die met hun ruwe planken en beschaduwde waranda’s het dorp een beetje het aanzien van een Amerikaans stadje geven. Het is een beetje dezelfde bouwstijl die ik in het uiterste oosten van Laos gezien heb. Sommige schuren zijn op palen gebouwd om ongedierte tegen te houden. In het dal zijn akkers met rijst en koffie te zien.
We bezoeken een paar huisjes en de gids vertelt iets over de manier waarop de Lat leven. In een van de huisjes zit een heel oud mannetje op een ingewikkeld soort panfluit te spelen. Meer dan honderd jaar, zegt de gids. In een winkeltje zit een meisje achter een groot, houten weefgetouw. Ze glimlacht vriendelijk tegen ons, maar spreekt geen Engels. Volgens de gids weeft zij zo’n twee meter stof per dag. Dat betekent dat zij een maand bezig is met een rol stof die voor slechts 5 dollar te koop is en waarvoor de locale bevolking beslist nog veel minder zal betalen. Ik vraag mij dan af of zo’n meisje niet meer in haar mars heeft. Ik koop een handgemaakt tasje voor mijn vrouw Diana. Zij zal de felle kleuren beslist kunnen waarderen.
We keren terug naar de jeep en hobbelen naar het biologisch instituut. Dalat geniet onder andere bekendheid vanwege de rijke bloemencultuur. Er zijn verschillende wetenschappelijke instituten en ook bij kloosters en tempels worden bijzonder exclusieve bloemen, vooral orchideeën gekweekt. Het onderzoeksinstituut moet het wat mij betreft vooral van de buitenkant hebben. In de tuinen staan schitterende planten en bloemen, waarvan vele in de bloei zijn ofschoon het nog niet echt het bloeiseizoen is. ’s Zomers moet het hier nog veel mooier zijn. Binnen in het gebouw heerst een deprimerende atmosfeer. De hallen staan vol met mottige opgezette dieren, die door de jacht zijn geveld. Een dierentuin is ook geen feest voor dierenliefhebbers, maar hiervan word ik nog veel treuriger. Ik wacht buiten tot we verder rijden.
De volgende attractie is de spectaculaire Linh Phuoc Pagode. Deze tempel is met afstand het absolute toppunt van kitsch. Disney had het niet erger kunnen bedenken. Het gebouw lijkt op een grote slagroomtaart met alle mogelijke bouwstijlen door elkaar. Een soort Aziatische barok in het kwadraat. Rond het gebouw kronkelen uit flessenscherven vervaardigde draken van enkele meters hoog die voor kinderen een dankbaar speelobject vormen. 12.000 bierflesjes zijn erin verwerkt, meldt een bordje naast het twijfelachtige kunstobject. Binnen is het niet veel anders. Toch wordt er se­rieus religie bedreven. Ook de twee Japanse meisjes knielen neer voor het lelijke Boeddhabeeld en steken wat wierookstokjes aan bij wijze van offer.
Na architectuur volgt weer natuur. Hotsend en botsend pruttelt de jeep richting Tiger Leave-waterval. Er zijn meerdere watervallen in de omgeving, maar deze is de enige die het hele jaar door te bewonderen is. Vanwege het droge seizoen in het zuiden zijn veel rivieren nu in droge beddingen veranderd. De omgeving van de waterval is prachtig. Het is een groot naaldwoud dat meer op Canada lijkt dan op Vietnam. De weg wordt op een gegeven moment zelfs voor de jeep onbegaanbaar. De chauffeur parkeert en we lopen verder door het woud tot we een pad bereiken dat steil omlaag gaat. In de verte is het geruis van de waterval al te horen.
Het was de moeite waard want de waterval is schitterend. Het is bovendien lekker koel vanwege de fijne waternevel die opgeworpen wordt. De tijgers waarnaar de waterval genoemd is, leefden hier vroeger maar zijn inmiddels zorgvuldig uitgeroeid. We rusten even uit en ik geniet intens van het geluid. Dit is misschien wel de enige plek in Vietnam waar geen motorgeronk te horen is. De meisjes en de gids wagen zich op de gladde keien in het water, maar ik blijf liever aan de kant zitten met mijn dure fotoapparatuur. De klim omhoog naar de jeep valt niet mee. Aan takken en twijgen trek ik mijzelf omhoog. De koorts heeft mij nogal verzwakt, dus vrolijk omhoog huppelen is er niet meer bij.
Dan is het weer de beurt aan de architectuur. Ditmaal is het echter een prachtig tempelcomplex, dat meer Japans dan Vietnamees aandoet. De gebruikelijke kitsch ontbreekt namelijk en in plaats van door een rommelige stoep vol brommers, zijn deze gebouwen omringt door bijzonder fraaie tuinen met zeldzame bloemen. Aan een van de tempels van de Lam Ty Ni Pagode hangt een soort bloem die volgens de gids nergens anders ter wereld voorkomt. Het is de tijgerklauw die speciaal gekweekt wordt door de monniken die in dit complex wonen. Ik lach om het nogal moralistische reclamebord waarop de gedragsregels voor bezoekers staan afgebeeld. Korte rokjes en zonnebrillen worden niet op prijs gesteld.
In Dalat lunchen we rond een uur of een. Ik bestel soep en loempia’s die nauwelijks te eten zijn. En dan zit ik nog enorm te stuntelen met mijn eetstokjes ook. Mayuko legt mij uit hoe ik de stokjes beter kan hanteren en zij slaagt er inderdaad in mijn zelfaangeleerde methode te verbeteren.

Na de lunch staat het bizarre Crazy House op het programma. Het Crazy House is de bijnaam voor het Hang Nga Guesthouse dat een door waanzin gedreven bouwstijl heeft. Het houdt het midden tussen een Disney-sprookjeskasteel en een verzameling standbeelden van dieren. In het gebouwencomplex zijn een giraffe met tearoom, krokodillen die als trap dienen en nog veel exotischer dieren te onderscheiden.

Wie voor 40 dollar per nacht in het hotel verblijft kan zo doorlopen, maar wij moeten 20 dollarcent entree betalen. Daarvoor krijgen we dan wel een rondleiding langs en in de gebouwen. De kamers zijn net zo bizar als de buitenkant van het hotel. Het lijken wel Fred Flintstone-woninkjes. Het leukst is de bruidssuite. Dalat is dé bestemming voor Vietnamezen om met huwelijksreis naar toe te gaan. Wie het kan betalen verblijft in de bruidssuite van het Crazy House, maar volgens de gids zijn de meeste Vietnamezen bang voor het complex dat alleen heeft kunnen ontstaan omdat de altijd als overjarige hippie geklede eigenares Hang Nga, die tevens het gebouw ontworpen heeft, de dochter is van de opvolger van Ho Chi Minh, Truong Chinh. De paar kamers die verhuurd zijn worden bevolkt door buitenlanders.
De laatste attractie is het zomerpaleis van de voormalige keizer Bao Dai. Het lijkt wel een reis door de tijd. Het in een kenmerkende jaren 30-stijl vormgegeven gebouw is exact in de staat behouden gebleven waarin het in 1954 door de keizer verlaten werd. Dit mag een wonder heten in het communistische Vietnam. Alle kunstschatten waaronder veel meubels van beroemde ontwerpers en een spectaculaire in glas gegraveerde landkaart van Vietnam verkeren nog in perfecte staat. Het is een genot om door de prachtige kamers te lopen die geheel in strijd met de Vietnamese tradities uiterst smaakvol zijn ingericht. Waarschijnlijk heeft de keizer de volledige aankleding aan Franse binnenhuisarchitecten overgelaten.
Jammer genoeg wordt het paleis op een gegeven moment bestormd door grote groepen Vietnamese toeristen uit Saigon. Het is uit met de rust, want de bezoekers schreeuwen alsof zij vis op de markt staan te verkopen. Veel respect voor het interieur is er niet en overal wordt op geklommen, terwijl de kinderen denken dat ze in een grote speeltuin zijn beland. Ook buiten is het ineens heel druk geworden, nu kennelijk de lunchpauze voor het kuddetoerisme is beëindigd.
De jeep zet mij af bij de markt. De Japanse meisjes rijden door naar hun hotel. Ik onderhandel met een brommerchauffeur voor een ritje naar de bekende Valley of Love, waar ieder jaar duizenden pasgetrouwde Vietnamese stelletjes naar toe gaan. Helaas blijkt ook hier de schoonheid van de natuur ondergeschikt te zijn gemaakt aan het alles verpestende karakter van de Vietnamese toeristenindustrie. Het pad dat toegang geeft tot de vallei is aan beide kanten volgebouwd met kraampjes waar men de meest afschuwelijke souvenirs verkoopt. En overal zijn lawaaiige kermisattracties natuurlijk. Er zijn meerdere verveloze draaimolens met krijsende kinderen en naast het meer staat een enorm dieselaggregaat dat behalve stank een geweldige herrie produceert. De stroomvoorziening zorgt ervoor dat het nergens stil is in de vallei. Als je niet door de ronkende motorbootjes op het meer wordt gestoord, dan is het wel door het overal hoorbare, ratelende dieselaggregaat. Niettemin maak ik een lange wandeling en rust ik even uit op een picknickbankje om mijn dagboekje bij te werken.
Na opnieuw lang onderhandelen is een brommerchauffeur bereid mij naar de kathedraal van Dalat te brengen. Ik wil daar om vijf uur zijn, want dan begint de avonddienst. De chauffeur begrijpt aanvankelijk niets van wat ik wil, maar een tekeningetje van een kerk brengt uitkomst. Cathedral snauwt een oud vrouwtje dat zich er ongevraagd mee bemoeit. Met een rotvaart rijden we terug naar Dalat en al tien minuten later sta ik voor het fraaie, Franse kerkgebouw. Ik loop naar binnen en zie dat het al behoorlijk druk is. Een groepje kinderen met enorme, aan een touwtje bevestigde uilenbrillen staat te zingen onder leiding van een schooljuffrouw. Ineens stopt het zingen en marcheren de kinderen de kerk uit. Ik zoek een plaatsje waar ik onopvallend kan filmen en wacht de aanvang van de mis af.
Dan komt de pastoor en begint het koor te zingen. Het is prachtig. Jammer van het constante getoeter buiten. Dat zou verboden moeten worden. De preek is in het Vietnamees, dus ik versta er niets van. Maar soms vang ik wat bekende woorden op zoals Abraham en Maria. Grappig. Vermoeiend is het wel, want bijna de hele mis is het de bedoeling om te blijven staan. Normaal zou ik daar geen moeite mee hebben, maar nu is het onhandig met filmen en bovendien voel ik mij nog altijd niet honderd procent. Tijdens de collecte merk ik dat ik alleen nog briefjes van 50.000 dong (4 €) heb. Dat wordt dus een dure mis. Helaas. Maar het is het wel waard vind ik en de kerk zal het goed kunnen gebruiken. Terug naar het hotel laat ik mij voor 10.000 dong afzetten door de brommertaxichauffeur. Ik baal er wel van, maar ik heb gewoon niet meer de kracht om mij voor zo’n bedrag te gaan vermoeien. In het hotel wil ik de rekening voldoen, want morgen vertrek ik naar Saigon. De receptioniste is echter nergens te bekennen. Dan maar eerst even eten. Delphine stapt ook het restaurant binnen en we raken in gesprek. Zij verblijft in het Than The-hotel, dat van dezelfde eigenaar is maar veel minder comfort biedt. Het is alleen iets dichter bij het centrum. Ik ben blij dat ik voor het Mimosa gekozen heb als ik hoor dat Delphine niet eens stromend water op de kamer heeft, terwijl de Japanse meisjes in hetzelfde hotel het zonder warm water moeten doen. Delphine heeft een tour achterop een brommer gemaakt. Dat had ik niet overleefd vandaag. Ze had nog met de jeep meegekund, maar ik kan mij voorstellen dat het leuker is om op een brommer te gaan. Als je je gezond voelt tenminste.
Eindelijk is de receptioniste er. Ik betaal, regel het vervoer naar Saigon voor morgen, douche en stort uitgeput op bed neer. Het was een mooie dag met gelukkig eens geen regen.

Zondag, 19 maart 2000

Eindelijk gaat het beter, al voel ik mij nog wel een beetje zwak. Ik was gisteren niet meer toegekomen aan het inpakken van mijn rugzak, dus prop ik nu alles er maar even snel in. Als ik beneden aan mijn dagelijkse stokbroodje, omelet, bananamilkshake en zeer sterke koffie zit, komt Delphine langs. Zij heeft dezelfde bus naar Saigon als ik. Aan de overkant van de stoffige straat zie ik ons vervoermiddel al staan. Ditmaal is het gelukkig een iets grotere bus. De bijrijder meldt ons haastig dat hij kwart voor acht wil vertrekken.
Dan begint de rit. Helaas zit ik op een klapstoeltje. Dat geeft wel wat extra beenruimte, wat ook nooit weg is, maar ik begin wel al na een kwartiertje mijn billen te voelen. Het eerste deel van de rit gaat door de bergen en zoals ik al verwacht had is de chauffeur niet zachtzinnig. Na drie uur hebben we al 200 kilometer afgelegd. Dat is bijna twee derde van de totale afstand. Niemand van de passagiers moppert, maar ik merk dat iedereen wel even aan een korte pauze toe is.
Maar dan stoppen we eindelijk. We hebben de bergen intussen alweer een tijdje verlaten en zijn nu aangekomen bij een groot meer in de buurt van Bien Hoa. Even de benen strekken. De rit was trouwens best mooi. Ondanks wat dit land te lijden heeft gehad, hebben de bossen zich behoorlijk hersteld. Het is te hopen dat de bomen niet alsnog ten prooi vallen aan ongebreidelde houtkap, zoals overal in Azië. Ik heb weinig aanspraak met de rest van de passagiers. Iedereen zit maar een beetje lijdzaam voor zich uit te kijken. Ook de mensen die als stelletje meereizen. Delphine en ik zitten in hun Lonely Planet verdiept om alvast te kijken hoe wij Saigon gaan overleven. Een man zonder benen komt op zijn stompjes aangestrompeld om te bedelen. Hij krijgt wat smoezelige briefjes toegestopt. Ik maak nog een foto van het meer, dat voor een groot deel gevuld is met drijvende houten huizen en bijzonder veel afval. Dan rijden we verder voor de laatste etappe, die korter is dan de eerste maar vanwege de drukte beslist meer tijd in beslag zal nemen.
Het landschap is nu flink veranderd. De bossen hebben plaatsgemaakt voor lage heuvels met een snel toenemende verstedelijking. We zijn het ene stadje nog niet uit of we rijden het volgende binnen. Het valt mij op hoeveel kerken er zijn. Soms wel vier vlak achter elkaar. Sommige van de kerken zien er haveloos uit, maar er zitten ook vrijwel nieuwe of tenminste knap gerestaureerde exemplaren tussen. Enkele van de gebouwen hebben een zeer bijzondere architectuur. Ik kan mij nauwelijks voorstellen dat die door Vietnamezen zijn gebouwd, want die lijken na de Middeleeuwen wel afstand te hebben genomen van alles wat met architectuur te maken heeft. Alle steden lijken op elkaar en het gemeenschappelijk kenmerk van de bebouwing is functionaliteit. De grauwe flats lijken op kale casco’s waar de bewoners naar eigen smaak een krot hebben ingebouwd. Welstandcommissies bestaan niet in Vietnam. Toch zie ik bijna geen echte krottenwijken. Alleen de op het water gebouwde dorpen maken een verarmde indruk. De rest van de Vietnamese bevolking woont naar omstandigheden netjes. Tenminste, langs de route die ik volg. Ik kan mij voorstellen dat het er langs de grenzen met Laos en Cambodja anders uitziet.
Als we de buitenwijken van Saigon naderen stopt de bus voor een lunch. Wat mij betreft had de chauffeur nu wel mogen doorrijden. Maar misschien is de pauze ingelast vanwege de verwachte verkeersdrukte. Daardoor kan het best nog wel even duren voordat wij opnieuw gelegenheid voor een maaltijd krijgen.
Het restaurant maakt deel uit van een groot complex met meerdere restaurants en winkels. Beneden aan de dijk waarop Highway 20 ligt, is zelfs een kleine dierentuin ingericht met wat apen en vogels in kleine kooien. Het is bijzonder smerig in de omgeving, hoewel het restaurant ermee door kan. Nu het een uur of een is, begin ik behoorlijk de warmte te voelen. De lucht is vrijwel onbewolkt en de heiige nevel lijkt de warmte van de zon nog te versterken. Wind is er niet.
Kort na het vertrek draaien we Highway 1 op, die hier vierbaans is. Duizenden brommers, motoren en honderden vrachtwagens ronken van en naar Saigon. We passeren de lange verkeersbrug over de Saigon River en het valt mij mee dat we ondanks de enorme drukte niet vastlopen in het verkeer. Dit is een heel ander Vietnam dan ik tot nu toe gezien heb. Er staan hoge torenflats, die je ten noorden van Saigon vrijwel niet tegenkomt. De enige hoogbouw die ik tot nu toe gezien heb waren de torens van het Melia-hotel in Hanoi. Hier in Saigon zie ik er al tientallen. Een van de flats is het World Trade Center van Saigon. Nog kapitalistischer kan toch bijna niet. Naar mate we de stad verder inrijden begin ik mij af te vragen of Saigon wel zo leuk zal zijn na het relaxte Dalat.
Zonder ernstig oponthoud bereiken we het centrum van de stad. De bus stopt in District 1 voor een hotel dat de chauffeur ons bijzonder kan aanbevelen. Mij lijkt het niets. Alleen twee jongens die meegereden waren lopen naar binnen om te informeren. Ik neem afscheid van Delphine want ik ben op loopafstand van het hotel dat ik vanuit Hué gereserveerd heb en dat in tegenstelling tot de meeste budgethotels in een rustige omgeving ligt. Het hotel van de kennis van de chauffeur ligt aan een van de drukste verkeersaders van Saigon, zodat je daar met al het getoeter op straat geen oog dicht zal kunnen doen.
Eerst loop ik de verkeerde kant op. Dat merk ik pas als ik een zijstraat nader en op het kaartje in de Lonely Planet kijk waar ik ben. Geïrriteerd loop ik terug. De hitte is nu ondraaglijk geworden en ik kan vanwege de zware rugzak en het rugzakje op mijn buik mijn lichaamswarmte niet kwijt. Na weer tien minuten lopen over het nauwelijks beschaduwde trottoir kom ik bij het Hong Kong Hotel aan. Het ligt aan de rand van de toeristische zone District 1 en ziet er goed uit. Ik vertel het vrouwtje achter de balie dat ik gereserveerd heb, maar ze snapt er weinig van. Het maakt ook niet uit, want er zijn nog genoeg kamers over. De dochter brengt mij een ijskoud blikje cola en een schaal met stukjes stokbrood. ‘On the house’, zegt ze. Aardig. Na een poosje komt haar moeder weer tevoorschijn. Ze wenkt mij. Ik volg haar de trap op naar de vierde etage, waar ze een van de deuren opent. Het ziet er goed uit. Er is geen raam, maar dat vind ik vanwege het continue lawaai op straat niet erg. De kamer kost 10 dollar, maar ik mag hem voor 7 dollar hebben als ik beloof dat ik niet de airconditioning zal aanzetten. Omdat het in het gebouw niet echt heet is, durf ik die belofte wel te doen.
Na een lauwe douche ga ik de buurt verkennen. District 1 is super toeristisch, maar niet westers. Ik vind het eigenlijk wel gezellig met al die rugzaktoeristen waarvan veel er nog als overjarige hippies uitzien. Het is net Kao San Road in Bangkok. Ik bekijk de winkels die unaniem gespecialiseerd zijn in namaak. Nagemaakte merkkleding, nagemaakte CD’s en nagemaakte Vietnamese kunst. En natuurlijk eindeloos veel restaurants. Een cyclorijder die te lui is om op te staan pist vanuit zijn karretje over zijn eigen voeten.
Ik wandel een van de restaurantjes binnen en bestel een schaal groentesoep. Om de hoek aan een straat waar men al jaren bezig is met de bouw van een enorm winkelcentrum maar waar men nog niet verder is gekomen dan een hoge schutting rond het geplande complex, bestel ik een portie sweet&sour chicken en een fles Australisch BGI-bier. Dan breng ik mijn fotoapparatuur terug naar het hotel om zonder die zware last een avondwandeling te kunnen maken.
Het doel is het stadhuis, dat tegenwoordig het volkscomité huisvest. Dit prachtige koloniale gebouw ligt aan de kop van de Dai Lo Nguyen Hué waar vooral op zondagavond druk geflaneerd wordt. Onderweg er naar toe wordt mij tachtig keer vervoer aangeboden door vrij vervelende cyclochauffeurs. Morgen huur ik een fiets om van het gezeur af te zijn. Bij het busstation zie ik voormalige NZH-bussen uit Nederland. Kans om ze goed te bekijken heb ik nauwelijks, want het is een komen en gaan. Op een van de bussen zitten nog de Nederlandse kentekenplaten. Het lijkt Cuba wel.
Aangekomen bij de Dai Lo Nguyen Hué valt mij in de eerste plaats het rijkelijk met neonreclame versierde Rex Hotel op. Dit luxe hotel met zijn absolute cultstatus is onbetaalbaar en in strijd met alle communistische principes. Maar hier in Saigon is het de handel die dicteert. Een nachtje in het Rex kost tussen de 79 en de 760 dollar. Op straat is het een drukte van belang. Zoals ik had kunnen verwachten gebeurt het flaneren in Saigon op de bromfiets. Fraai opgepoetste jongens proberen met hun even fraai opgepoetste brommertjes de meisjes te imponeren. De hele avond is het rondjes rijden rond het plantsoen dat in het midden ligt van de brede Dai Lo Nguyen Hué. Ik slenter langzaam in de richting van de rivier om de vele terrasjes boven het water te bekijken. De atmosfeer is prettig. Een zwoele zomerwarmte met duizenden ontspannen mensen in fleurige kleding. De volle maan staat hoog aan de heldere hemel.
Het centrum is gezellig, maar ademt niet de sfeer van een wereldstad uit. Het leven speelt zich af in een aantal drukke straten. De zijstraten zien er weinig uitnodigend uit. Ik wandel met een omweg terug in de richting van het hotel. Veel mensen en ook kinderen lijken wel op straat te leven. Ik zie ook veel zwervers en verminkte bedelaars. Rond elf uur kom ik bij het Hong Kong Hotel aan. Het moedertje ligt al te slapen in de lobby, maar had gezegd dat ik haar rustig wakker mocht maken. Zachtjes rammel ik aan het hek. Ze staat op, lacht vriendelijk naar mij en duwt het schaarhek open. Ik neem nog even een douche en duik dan snel mijn bed in.

Maandag, 20 maart 2000

Voor het eerst sinds weken heb ik goed geslapen. De koorts is over en ik voel mij kiplekker. Hoewel we hier midden in de grootste stad van Vietnam zitten, hoor ik hanen kraaien. Het klinkt alsof ze half gekeeld zijn zo vals. Ik vraag mij af waar het kippenhok is, want het is hier zo dicht bebouwd dat er voor tuinen beslist geen plaats zal zijn. Beneden in de lobby serveert het vrouwtje mij het standaardontbijt voor 10.000 dong (€0,80) met brood, omelet, thee, jam en wat vreemd spikkeltjes fruit. Ik vraag haar of zij een fiets voor mij heeft. Die heeft zij niet zelf, maar ze kan er uiteraard wel een regelen. Na twee minuten is ze terug en staat er een voor Vietnamese maatstaven goede fiets voor mij klaar. Ik kijk er bewonderend naar en kan tot mijn verrassing geen mankementen ontdekken. Ik probeer de vrijwel nieuwe fiets uit naar het reisbureautje vlakbij waar ik voor morgen een driedaagse Mekongtour wil boeken. Zelfs de rem werkt. Ik zet de fiets zorgvuldig op slot en wandel het reisbureautje binnen. De wanden hangen vol met affiches waarop de talloze excursiemogelijkheden staan beschreven. Ook auto’s, motoren en fietsen worden verhuurd en er is een internetterminal. De jonge touroperator spreekt perfect Engels en laat mij de verschillende mogelijkheden zien. Ik kies voor een driedaagse Mekongtrip voor 29 dollar. Dat is belachelijk goedkoop, want alles is inbegrepen. Ook de maaltijden. Het kantoortje maakt wel een chaotische indruk. De jongen zoekt zich rot voordat hij alle benodigde papieren bij elkaar heeft. Hopelijk gaat de tour wat georganiseerder morgen.
Dan begin ik aan de fietstour door Saigon. Ik had al een globale route uitgestippeld. Die probeer ik nu zo goed mogelijk te volgen. De eerste stop is bij de Mariamman Hindu Temple, een van de weinige Hindoestaanse tempels in Vietnam. Het is even zoeken met al die eenrichtingsstraten, maar dan heb ik het opmerkelijke gebouw gevonden. Het is net India in het drukke straatje met zijn marktstalletjes en kleurige Hindoetempeltje. Ik parkeer mijn fiets in de stalling, wat vooral in Saigon aan te raden is, en loop het tempeltje binnen.

Het is een drukte van belang, hoewel er vrijwel geen Hindoestanen wonen in Saigon. Vietnamezen en Chinezen gaan echter ook graag naar de ruim honderd jaar oude tempel waaraan magische krachten worden toegeschreven. Het gebouw is op last van het stadsbestuur een jaar of twintig in gebruik geweest als fabriek maar is onlangs teruggegeven aan de Hindoestaanse gemeenschap. Gelukkig zijn de kunstschatten behouden gebleven. Ik bekijk de rijk versierde daken en pilaren. Overal in de hoge wanden zijn raampjes aangebracht met daarachter mystieke beeldjes. Tientallen mensen bidden voor het beeld van Miriamman. Een kindje probeert mee te doen door zijn ouders na te apen maar is steeds net even te laat met buigen. Een ander heiligdom is een lelijk verguld beeld van een leeuw vlak naast de uitgang. Mensen raken bijna in extase als ze voor het protserige ding buigen en hun wierookstokjes aansteken.

De tweede tempel is de Phung Son Tu Pagode, die een halve kilometer richting rivier ligt. Het lijkt wel alsof deze tempel nog in aanbouw is, maar in mijn boekje staat dat het gebouw al sinds 1940 bestaat. Toch is de buitenkant nog helemaal kaal en is men voor de tempel bezig bestrating aan te leggen. Het zal wel om een grote renovatie gaan. Binnen is de tempel prachtig en is ook te zien dat het gebouw er al wat langer staat. Aan de rijk bewerkte houten zoldering hangen enorme wierookspiralen die zeer langzaam opbranden en een indringende zoete geur verspreiden. Alles is goud, rood en donkerbruin hier binnen. Net een schilderij uit de Gouden Eeuw. De felle zonnestralen schijnen schuin naar binnen en zijn duidelijk zichtbaar in de dichte wierookwalm. Ook hier wordt druk gebeden door voornamelijk wat oudere vrouwen, vaak in het gezelschap van kleine kinderen. Discreet stel ik mijn statief op om wat foto’s van dit schitterende tafereel te maken. Het heiligste is een beeld van Ong Bon, de beschermgeest van geluk en vruchtbaarheid. Ook zie ik een beeld van de veelarmige boeddhistische god voor genade. De tempel heeft een sterk Chinees karakter maar ziet er toch heel anders uit als de boeddhistische tempels die ik in China zelf gezien heb. Buiten staan wat stalletjes waar mensen hun wierookstokjes kunnen kopen. Ik betaal de 1000 dong (€0,08) parkeergeld en pak mijn fiets voor de volgende attractie.
Ik wil naar het koloniale stadhuis, dat ’s morgens fraai in het zonlicht staat, maar ik rijd de verkeerde kant op. Het werkelijke Saigon zit anders in elkaar dan hoe het is afgebeeld op het kaartje in mijn reisgidsje. Ik fiets nu door een eindeloze straat met aan beide zijden marktstalletjes en bergen afval. De reinigingsdienst van Saigon gebruikt kennelijk hetzelfde kaartje als ik en komt hier dus nooit. Voor mijn gevoel moet ik linksaf, maar er komt nergens een zijstraat aan de linkerkant. Ik ben blijkbaar volledig gedesoriënteerd. Uiteindelijk sla ik maar rechtsaf en kom ik weer op de eindeloze Dai Lo Tran Hung Dao terecht. Dan begrijp ik dat ik al die tijd langs de zijrivier heb gefietst. Ik sla de Dai Lo Tran Hung Dao in en presteer het opnieuw om de verkeerde kant op te rijden. Dat merk ik ook pas na een kwartier. Ik maak rechtsomkeert en kom na nog eens twintig minuten trappen eindelijk weer op bekend terrein terecht. Ik verdenk de zon ervan stiekem in het westen op te komen in plaats van in het oosten. Een kompas is geen overbodige luxe in Saigon.
Dan kom ik eindelijk bij het stadhuisplein aan. Nu valt mij ook een beeld op van Ho Chi Minh met een kind op zijn arm. Foute propaganda, vind ik. Ik maak wat foto’s. Het is nu erg rustig in vergelijking met gisterenavond. Slechts één tourgroep loopt in de weg. Ik fiets verder in de richting van de voormalige Amerikaanse ambassade, waar het in 1975 dolle paniek was toen de Viet Cong-legers de stad binnenmarcheerden. Helaas is het historisch betekenisvolle gebouw afgebroken. Er rest nog slechts een groot braakliggend terrein dat omheind is met een hoge betonnen schutting. Elders in de stad is inmiddels een nieuwe Amerikaanse ambassade geopend.
Tegenover het braakliggende terrein zie ik een kantoor van Singapore Airlines. Misschien kan ik alvast mijn vlucht van Phnom Penh naar Singapore herbevestigen. Binnen in de ijskoude ruimte staat echter een bordje dat aangeeft dat herbevestigen niet nodig is. Ik pak mijn fiets weer en rijd naar het Cambodjaanse consulaat dat hier niet zover vandaan is. Er zijn meer reizigers. Sommigen wachten op bankjes in de grote tuin van het fraaie, wat vervallen Franse complex op hun visum. Ik meld mij bij het loket en zie tot mijn vreugde dat de procedure ‘slechts’ een halve dag in beslag neemt. Vanmiddag kan ik mijn paspoort weer ophalen. Ik betaal de twintig dollar en schat dat de visumstempeltjes voor buitenlanders wel zo ongeveer de enige bron van inkomsten zullen zijn voor dit consulaat.
Ik fiets verder naar het noorden en kom na een half uurtje bij de Jade Emperor Pagode aan. Ondanks dat dit complex ver van het centrum ligt, is het er toch bijzonder druk.
Vlak achter de poort, die net als de gebouwen zoet roze is, staan handelaren met vogelkooitjes. Bij wijze van offer kan je zo’n kooitje kopen om de vogeltjes los te laten. Boze tongen beweren dat de diertjes getraind zijn om na een korte vlucht weer terug te keren bij de handelaar. De Vietnamezen maakt het echter niet uit. Zij kopen en mas de kooitjes, knielen voor de tempel en doen het luikje open. Pas na flink schudden verlaten ook de laatste beestjes hun onderkomen. Ik zie ze niet direct terugvliegen naar de handelaar, maar het zou mij niet verbazen als in het gerucht een kern van waarheid zit.
Binnen in de tempel is het net zo zoet als buiten. Opnieuw talloze Boeddhabeelden en beelden van mythische dieren. En ook hier enorme spiralen met langzaam opbrandende wierook. Het is wel een erg mooi complex moet ik zeggen. De gebouwen zelf zijn al een indrukwekkend staaltje bouwkunst, maar ook de inrichting is fraai en moet jaren gevergd hebben aan beeldhouw en schilderkunst. Direct na de ingang zie ik aan weerskanten grote houten kasten met daarin de beelden van de goden Mon Quan en Tho Than. De eerste is verantwoordelijk voor de poort. De tweede is de god van het land. Ook de rest van de ruimte staat vol rijkelijk bewerkte beelden.
Na het poortgebouw volgen andere gebouwen, waarbij de beelden steeds heiliger worden. In het tweede gebouw staan twee vier meter hoge beelden van strijders die net een draak en een tijger verslagen hebben. Triomfantelijk staan zij met een voet op de verslagen dieren. De taoïstische jadekeizer Ngoc Hoang is het heiligste van de Jade Emperor Pagode, die officieel Phuoc Hai Tu heet. Hij is omringd door goden en wachters in prachtige gewaden. Je kunt uren rondkijken in de Jade Emperor Pagode en voortdurend nieuwe dingen ontdekken. Maar ik wil nog meer zien in Saigon en loop dus weer rustig richting fiets.
Vlakbij ligt de Tran Hung Dao Temple die ik ook maar meteen even bezoek. Dit gebouw is ook wel mooi, maar haalt het niet bij de Jade Emperor Pagode. Ik merk dat ik een beetje tempelmoe begin te worden na drie weken Vietnam. Ik fiets de eindeloze Duong Vo Thi Sau af die bij een verkeersplein overgaat in de Duong 3 Thang 2. Na een tijdje zie ik een betonnen pagode van zo’n negen etages boven de bomen uitkomen. Het is een bijzonder gezicht dus ik maak direct een foto. Even later parkeer ik mijn fiets voor het gebouw. Ik loop naar binnen en zie in de hal een groot Boeddhabeeld met een rood hakenkruis op zijn borst. Het boeddhistische symbool voor geluk. Het blijkt niet mogelijk om de etages van de pagode te beklimmen en beneden is de tempel nauwelijks de moeite waard. Een kale bedoening, zoals je die vrijwel nergens tegenkomt in Vietnamese religieuze gebouwen. Onderweg langs de rest van de Duong 3 Thang 2 koop ik een ijskoude kokosnoot met een rietje. Daar was ik wel even aan toe, want de fles bronwater die ik inmiddels opheb, heb ik al net zo hard weer uitgezweet. Het is kleverig warm op straat. Ter hoogte van Cholon sla ik linksaf om de Chinese buurt te bezoeken waar zich een stuk of tien pagodes bevinden. Het lijkt allemaal zo duidelijk op de kaart, maar ik moet heel wat blokjes om fietsen voordat ik de juiste wijk gevonden heb. Het valt allemaal wat tegen. De kleine tempeltjes staan ingeklemd tussen lelijke betonnen gebouwen. Ik parkeer mijn fiets met mijn laatste briefje van duizend en bezoek de Thien Hau Pagode, die als enige wel aardig is. Oude vrouwtjes steken bij de ingang hun hoedje naar mij toe in de hoop in iets van mijn astronomische rijkdom te mogen delen. Om niet weer te verdwalen negeer ik de eenrichtingsborden en oriënteer ik mij op de reclameborden van de winkels, waarop keurig de straatnamen en huisnummers vermeld staan. Officiële straatnaambordjes zijn er vrijwel niet.
In het uiterste oosten van de stad bezoek ik de Giac Vien Pagode, die vrijwel niet te vinden is. Dit is echt aan de rand van de stad en er is hier geen toerist meer te bekennen. De mensen kijken mij een beetje verbaasd aan. Zo’n buitenlander op een fiets met een walkman op zijn hoofd. Ik raak verdwaald in een wirwar van steegjes. Ik zie straatnamen, maar die kloppen niet met het kaartje in de Lonely Planet. Pas na lang zoeken en dwalen kom ik min of meer toevallig in de juiste straat terecht, de Duong Lac Long Quan. Tegenover nummer 247 moet het zijstraatje naar het tempeltje zijn. Dat klopt gelukkig. Ik passeer een poort en bereik via een sterk verwaarloosde weg de tempel. Een oude monnik begroet mij en biedt mij een rondleiding aan. Hij denkt dat ik Amerikaan ben maar praat Frans tegen mij. Ik volg hem nieuwsgierig en bekijk de reusachtige verzameling houtsnijwerk. Het lijkt wel het depot van een museum. Alles staat volgepakt met beelden. Aan de wand hangen zwart-witfoto’s van waarschijnlijk de geestelijken die hier de afgelopen jaren hebben gewoond of nog wonen. Een groepje jongere monniken nodigt mij aan tafel uit en biedt mij thee aan in zeer kleine porseleinen kopjes. Buiten klinkt een naderend onweer. Ik hoop dat het droog blijft, want ik ben ver van ‘huis’. Ik kijk nog even rond in de helaas erg donkere tempel en zie onder andere een soort kerstboomachtig bouwsel vol lampjes en Boeddhabeeldjes. Ook opvallend is een roodkoperen bassin met aan weerszijden drakenkoppen. Ik schat dat er meer dan honderd Boeddhabeelden in deze ruimte staan.
Met een rotvaart fiets ik via de Duong 3 Thang 2 terug naar de stad. Het is bijna vier uur en ik moet nog mijn paspoort ophalen bij het Cambodjaanse consulaat. Ik was vergeten te kijken hoe laat dat sluit. Gelukkig rijdt de nieuwe fiets soepel en snel, al drijf ik natuurlijk wel weer van het zweet. Want zelfs op een goede fiets valt het niet mee om haast te hebben als het boven de 30 graden is. Na een flink aantal verkeersovertredingen rijd ik vanaf de verkeerde kant de straat in waar het consulaat ligt. Gelukkig is het nog open. Mijn paspoort ligt klaar met de felbegeerde en bijzonder dure stempel die trouwens vrijwel onleesbaar is. Hopelijk doen ze daar bij de grens niet moeilijk over. Via de Notre Dame Cathedral rijd ik terug naar het hotel, waar de dochter mij opnieuw een cola on the house aanbiedt. Na een welverdiende douche wandel ik naar de Duong De Tham die het centrum van het rugzaktoerisme vormt in Saigon. Het is pas 7 uur maar de cyclorijders lopen alweer met ritjes te leuren. Fluisterend bieden ze vrouwen en marihuana aan. Ik kom de twee Japanse meisjes Mayuko en Yumoi tegen. Ze zijn nu in het gezelschap van een jongen die zich als Toshi voorstelt. Ze nodigen mij uit om mee te gaan eten. Dat lijkt mij wel gezellig. In een Italiaans restaurant zoeken we een tafeltje uit en bestellen bier. Als ik wil inschenken houdt Toshi mij tegen. Dat hoor je de vrouw aan tafel te laten doen, zegt hij. Japanse gewoonte. Ik pas mij aan en gun Mayuko de eer om mijn glas vol te schenken. Ik vind het wat ongeëmancipeerd maar houd mijn mond daarover. We praten verder over typische gewoontes, etiquettes en omgangsvormen in Japan en Nederland. De Japanners zijn net zo gek op reizen als ik, alleen hebben zij er nog minder tijd voor. Verder dan Zuidoost Azië komen de meesten daarom niet. En dan zijn het altijd nog tripjes van hooguit anderhalve week. Mayuko zegt dat ze verpleegster is en dat ze net haar diploma heeft behaald. Toshi studeert nog. Yumoi zegt niet veel omdat ze nauwelijks Engels kan en ik nog altijd erg slecht in Japans ben. Ik laat horen dat ik tot tien kan tellen in het Japans en krijg een klein applausje. Toshi en Mayuko proberen mij nog wat woordjes bij te leren, maar ik ben te moe om ze te onthouden. Als ik terugkom in het hotel ben ik te moe om mijn dagboek bij te werken. Morgen dan maar weer.

Dinsdag, 21 maart 2000

Na een perfecte nachtrust word ik rond zeven uur in de lobby beneden weer verblijd met de heerlijke gastvrijheid van het Hong Kong Hotel. Het ontbijt hoef ik niet te betalen en het is geen enkel probleem dat ik mijn rugzak de komende drie dagen achterlaat. Voor de driedaagse trip naar de Mekong-delta neem ik alleen het hoogst noodzakelijke mee.
In het reisbureautje om de hoek maak ik kennis met mijn reisgenoten. Het zijn twee Australische echtparen uit Perth. Ze lijken mij aardig en ik kan het wel waarderen dat zij zich ondanks hun gevorderde leeftijd aan zo’n avontuur wagen.
We krijgen een flinke bus, een grijze Hyundai, die op tijd vertrekt. Als we wegrijden neemt de gids omgekeerd plaats op zijn stoel en stelt hij zichzelf en de chauffeur voor. Hij heet Tanh, zegt hij en de chauffeur heet Vinh. In moeilijk verstaanbaar Engels vertelt hij globaal wat er de komende drie dagen gaat gebeuren en dat wij ons gelukkig mogen prijzen omdat wij bij het beste tourbureau van Saigon hebben geboekt. We krijgen een T-shirt met reclame van het reisbureau erop. “The finest quality”, liegt de gids.
Ik raak in gesprek met de Australiërs over het verkeersgedrag van de Vietnamezen. Net op dat moment verliest de chauffeur van een grote touringcar voor ons zijn geduld en vervolgt hij zijn weg over de linker rijbaan. Tegenliggers moeten wilde capriolen uithalen om het gevaarte te ontwijken. De dubbele doorgetrokken streep heeft hier minder gezag dan in de meeste andere landen. “Do that in Australia and you are gone”, zegt een van de Australiërs. Ik ben blij dat onze chauffeur minder temperament heeft. De verkeersopstoppingen vallen trouwens best mee vandaag. Na een dik half uur laten we de stad achter ons en slaan we de weg richting Mytho in. Bij een tankstation stoppen we even. Iedereen zoekt meteen de schaduw van de grote luifel op. Meisjes verkopen in een spiraal gesneden verse ananas.
Rond 10 uur komen we in de stad Mytho aan, die de twijfelachtige reputatie geniet om het meest corrupte politiekorps van Vietnam te hebben. De politie heeft hier haar eigen koninkrijkje, wat je volgens de Lonely Planet vooral merkt als je individueel reist. Overal moet je smeergeld voor betalen en zonder expliciete toestemming krijg je niets voor elkaar. De terreur is zo ernstig dat het reisgidsje adviseert Mytho het liefst links te laten liggen. Wij nemen dat advies ter harte en rijden direct de veerpont op om de meest noordelijke rivierarm van de Mekong over te steken.
De pont trilt bijna uit elkaar tijdens de overtocht. Je kunt de Vietnamezen geen gebrek aan efficiency verwijten want vrijwel elke vierkante meter van het dek is bezet. Ik kan mij goed voorstellen dat er af en toe vreselijke ongelukken met dit soort schepen gebeuren.
We zijn blij als we weer in de aircobus zitten, want het is buiten bijna niet uit te houden. Maar al snel moeten we toch weer de hitte in. We stoppen bij een prachtig stuk landschap vol felgroene tropische begroeiing. Door het dichte palmenbos lopen we naar een haventje waar we overstappen in een heel klein roeibootje, waar we net met zijn achten in passen. Een oud vrouwtje zorgt met een grote houten paal voor de aandrijving. Zo gaan we voort door een schitterend palmenbos. Dit is het plaatje dat je ziet op de talloze reclameaffiches in de reisbureaus. Na een tijdje stoppen we om een honingfabriekje te bezoeken. De imker laat ons de honingraten zien. Alles doet hij met zijn blote handen en ook een pijp om de bijen te verdoven heeft hij niet. Gelukkig voor hem zijn de bijen erg rustig, maar zelf zou ik voor geen prijs mijn handen in de geel-zwarte brij durven steken.
We lunchen bij de bijenfabriek. Ik vind het heerlijk dat je overal ijskoude cola kunt bestellen. Dat is voor mij zo ongeveer het universele medicijn tegen alle mogelijke lichamelijke ongemakken. De Australiërs nemen genoegen met een ijsje, maar ik lust best een stevige lunch. Voor het eerst in mijn leven drink ik honinglikeur. Ik moet zeggen dat het lekker smaakt, al is het wel loeisterk. Ook bananenlikeur gaat rond.
We wandelen verder door de palmenbossen en langs rijstvelden. Na een klein uurtje komen we bij een grotere boot aan. Die brengt ons naar een kokosnotensnoepjesfabriek. Onderweg passeren we het sinistere Phoenix-eiland. Hierop zijn nog de restanten te zien van het op last van de regering enige jaren geleden gesloten pretpark van de kokosnootmonnik. Het is helaas niet toegestaan het voormalige lunapark te bezoeken. Zo arriveren we na een tijdje bij de kokosnotensnoepjesfabriek waar we uiteraard de snoepjes mogen uitproberen. Het is hard werken hier. Vooral rond de grote kookpot waarin de hele dag door de dikke, hete stroop wordt geroerd. Ook hier is de omringende natuur prachtig. We komen een paar andere gezelschappen tegen, waaronder een groep Nederlanders. Ik ben blij dat ik met zo’n klein groepje ben, want voor hetzelfde geld zit je met zo’n groep van meer dan 25 mensen opgescheept. De boot brengt ons terug naar Mytho, waar we weer op de bus stappen. ‘Het is nog drie uur naar Cantho waar we zullen overnachten’, zegt de gids.

Na twee uur stoppen we voor de volgende overtocht. Hier varen drie ponten, want het is een erg drukke verbinding. Erg lang zullen deze veerboten trouwens niet meer varen want een paar kilometer verderop is een reusachtige spankabelbrug gebouwd. Ik had niet verwacht dat de Vietnamezen daartoe in staat zouden zijn en ik hoor dan ook dat niet de Vietnamezen, maar de Australiërs de brug hebben ontworpen en gebouwd. Wel zijn de Vietnamezen van plan om over een andere Mekongarm zelf een kopie van deze brug te bouwen. De brug die nog in het jaar 2000 geopend zal worden, heeft Vietnam 2,5 miljoen dollar gekost.
Bij Cantho stappen we voor de derde keer op een pont. Dan zijn we er eindelijk. De bus stopt voor het Hau Giang A Hotel dat speciaal voor deze vorm van toerisme gebouwd is, maar dat zo te zien zijn beste tijd wel heeft gehad. Ik gooi mijn spullen op bed en ga direct op pad. Eerst naar de Munirangsyaram Pagode, die in Khmer-stijl is gebouwd. De tempel is nog geen 55 jaar oud en lijkt nog steeds een beetje in aanbouw. Ik loop de hoge trappen op en ontmoet een monnik die vriendelijk vraagt waar ik vandaan kom. Als hij hoort dat ik Nederlander ben laat hij meteen vol trots zijn kennis van onze taal blijken. Ik ben verrast over zijn Nederlandstalige woordenschat. Hij zegt dat toeristen het leuk vinden om hem buitenlandse woordjes te leren en dat hij ze allemaal onthoudt. Ook Engels, Frans, Duits en Zweeds spreekt hij aardig, evenals nog wat andere talen. Hij vertelt mij dat hij Khâm heet en dat er nog zo’n 500 Khmer-tempels zijn in Zuid-Vietnam. In Cantho leven ongeveer 2000 Khmers, wat niet zo vreemd is want de grens met Cambodja is vlakbij. De aanwezigheid van deze mensen vormde in 1979 ook de aanleiding voor Pol Pot om Vietnam binnen te vallen. Dat was geen verstandig besluit, want de tegenaanval van de Vietnamezen betekende het einde van zijn schrikbewind. Gelukkig kwam daarmee ook een einde aan de massale slachtpartijen onder de Cambodjanen. Khâm leidt mij rond en schakelt al snel over op het voor hem toch iets eenvoudigere Engels. Hij laat mij de heiligste beelden van de tempel zien en legt mij het een en ander uit over de verschillende stromingen in het Boeddhisme. De trots van de tempel is het 1,5 meter hoge beeld van Siddhartha Gautama.
Ik wandel verder en hoop nog wat havenactiviteiten te zien bij de ondergaande zon. Helaas houdt het niet over bij de haven. Het water ligt ver van de openbare weg en er is niet veel gedaan om het geheel een wat pittoresk uiterlijk te geven. Ook de markt is niet bepaald fraai. Het is een grote betonnen kolos met daaronder door slechts spaarzame gloeilampen verlicht een aantal vis- en groentestalletjes. De stank is verschrikkelijk en er ligt zoveel troep op het natte beton, dat het wel een vuilnisbelt lijkt. Buiten is het prettiger. Langs de straat staan een paar stalletjes met vis, groente en kruiden. Bij een van de visstalletjes liggen een soort reuzenalen op een metalen schaal te spartelen. Af en toe valt er een uit de schaal, waarna de verkoopster hem mopperend van de straat grijpt en weer teruggooit. Erg diervriendelijk is het allemaal niet. Ik koop voor de tweede keer een Vietnamese hoed tegen de ergste zonnewarmte morgen en loop terug naar het hotel om mijn fotospullen te dumpen. Dan wandel ik weer terug naar de markt waar de enige behoorlijke eetgelegenheden van Cantho zijn.
De kelners zijn agressief aan het ronselen. Bij een restaurantje waar ze voorbijgangers met rust laten ga ik zitten en maak ik kennis met drie Nederlanders die met een Vietnamees uit Nederland een rondreis maken. Ze zijn net in Vietnam en willen net als ik het hele land zien. Erg veel zin om met een ‘vreemde’ te praten hebben ze echter niet, merk ik. Ik bedenk dat het wel handig kan zijn als je een Vietnamese gids hebt, maar dat het hier eigenlijk niet echt nodig is. Na mijn fles BGI en mijn sweet&sour pork naar binnen gewerkt te hebben, loop ik via een ommetje terug naar het hotel. Het is nog wel erg vroeg, maar er is weinig te beleven in dit stadje en ik ben bovendien doodmoe.
Ineens gaat een meisje op een brommer onderuit. Geschrokken blijft ze op straat zitten terwijl het publiek toestroomt. Een paar jongens helpen haar voorzichtig overeind en zetten haar in een cyclo, terwijl een agent op de brommer blijft passen. Als het slachtoffer al uit zicht is blijft het publiek nog lange tijd toestromen tot de agent iedereen beveelt door te lopen omdat de hele straat geblokkeerd raakt.

Op mijn kamer baal ik ervan dat de airco niet werkt, want het is bloedheet. Ik neem een koude douche, maar dat helpt maar even. Terwijl ik mijn dagboek bijwerk, baad ik alweer in het zweet. Hopelijk kan ik hier slapen, want behalve de hitte is de beneden in de kale lobby schetterende tv ook niet bevorderlijk voor de nachtrust.

Woensdag, 22 maart 2000

Om vijf uur in de ochtend word ik wakker van geschreeuw op de gang en gebons op de deuren. Zo wekken ze hier de gasten. Ik mag nog een uurtje doorslapen, maar dat lukt natuurlijk niet meer. De hitte is nog steeds ondraaglijk. Zes uur sta ik op en na een douche zoek ik de ontbijtzaal op. Het is niet erg luxe hier in het Hau Giang A Hotel. Het zal best wel eens een mooi hotel zijn geweest, maar nu ziet het eruit alsof het rijp is voor de sloop. De ontbijtzaal is morsig en vies en het ‘American breakfast’ is bijna niet te eten. Keihard brood, ondrinkbare koffie, namaakjus’d orange en een omelet die ik niet vertrouw maar toch maar opeet. Wat later komen de Australiërs erbij zitten.
Zeven uur stappen we in het busje. Direct buiten Cantho valt mijn oog op een soort Vrijheidsbeeld. Het is een trotse dame met een kind op de arm en een machinegeweer in de hand. Aan de voet staan gewapende strijders. Het ziet er dus wel wat minder vredelievend uit dan het voorbeeld in New York. Nog geen halve minuut later stoppen we om over te stappen op een bootje. Ik hol snel nog even terug om het beeld te fotograferen. De gids wandelt rustig achter mij aan. Op de terugweg legt hij uit dat dit beeld is opgericht ter nagedachtenis aan de vrouwen die in de Amerikaanse oorlog hebben meegevochten en zijn gesneuveld.
Via een wankel steigertje stappen we in een blauw bootje met tien losse bankjes. Het schommelt gigantisch dus ik doe mijn uiterste best om het bootje overeind te houden tijdens het instappen. Gelukkig zijn mijn reisgenoten ook voorzichtig. Zo varen we naar de eerste drijvende markt van vandaag. Onderweg komen we al verschillende marktgangers tegen in de prachtige kanalen van dit gebied. Het zijn meestal kleine bootjes die volgeladen zijn met groente. Waarschijnlijk worden die elders weer doorverkocht, want voor eigen gebruik lijkt het mij wat veel. De bootjes worden vrijwel altijd voortgedreven door een vrouw die achter op de plecht staat en op ingewikkelde wijze twee zware roeibomen bedient. Het lijkt mij geen makkelijke methode om een boot voort te drijven, maar ze zullen hier wel niets anders gewend zijn.

De markt zelf stelt niet zo veel voor helaas. Er liggen niet meer dan twintig scheepjes die vanwege de zonnestand niet te fotograferen zijn. Het komt waarschijnlijk omdat we veel te laat zijn. Zo’n markt is meestal van zes tot acht uur ’s morgens interessant. Daarna hoef je niet meer te komen. De watervervuiling is werkelijk ergerlijk hier. Er drijft onderhand meer in het water dan dat er op de bootjes ligt. Al na een kwartiertje houden we het voor gezien. Als je in Birma geweest bent kun je deze drijvende markt wel overslaan. Ook die in Thailand zijn veel meer de moeite waard.

De volgende stop is bij een rijstfabriek, waar de vers geplukte rijstkorrels ontpeld worden. Helaas is het gebouw geheel verlaten en snapt de gids ook niet helemaal hoe de ingewikkelde houten machines werken. Het is wel bijzonder schilderachtig om te zien. We komen ook nog langs een andere drijvende markt, die je ook beter op een vroeger tijdstip kunt bezoeken. Verder passeren we nog een fabriek waar wierookstokjes worden gemaakt. Meisjes zitten dag in dag uit cederhouten stokjes in een soort rood zaagsel te rollen. Dat levert 450.000 dong (€ 36) per maand op. Mijn baantje zou het niet zijn.
Na een busrit van een uur komen we aan bij de grens met Cambodja. We bezoeken de Tue Ho-heuvel waar flink gevochten is tijdens de Amerikaanse oorlog. We klimmen naar boven en bekijken de grotten die tijdens de oorlog als basis voor de Vietcong hebben gediend. Het is nog goed te zien hoe de natuur heeft geleden onder het geweld. De gangen zijn maar net breed genoeg om ons westerlingen door te laten.

Vanaf de andere kant van de heuvel is Cambodja te zien. Boeren wandelen langs de velden alsof er helemaal geen grens bestaat, maar voor buitenlanders is de grensoversteek hier strikt taboe. Een fraaie pagode is opgericht ter verering van Boeddha en ter nagedachtenis van de vele slachtoffers die hier zijn gevallen.
Het busje brengt ons tot slot naar Chau Doc waar we de tweede overnachting hebben van deze trip. We verblijven nu in een splinternieuw hotel dat nog niet eens in de Lonely Planet staat. Het ligt iets buiten het centrum van het stadje. Het is meer een soort motel. Ter versiering zijn in de bomen rond de tuin kerstlampjes opgehangen. We eten in het centrum van Chau Doc in een restaurantje waar miljoenen vliegjes rond de lampen dwarrelen. Een ober probeert met een DDT-spuit de overlast wat te beperken, maar het is dweilen met de kraan open. In het hele stadje is rond elke lamp zo’n waas van vliegjes te zien.
We lopen nog een rondje want we hebben nog ongeveer een half uur voordat het busje ons weer komt oppikken. Kinderen volgen ons bedelend om dollars. De markt in het stadje is nog open, maar heeft weinig te bieden. Als we terugkeren is net een grote groep Fransen gearriveerd. Het is meteen uit met de rust. Schreeuwen, zingen. Vietnamezen zijn luidruchtig, maar dat zouden ze van hun vroegere Franse overheersers geleerd kunnen hebben. Ik stop mijn dopjes in mijn oren en probeer te slapen. De airconditioning is defect, zoals gewoonlijk. Ook in een nieuw AC-hotel drijf je je bed uit van de hitte.

Donderdag, 23 maart 2000

Je kunt je hotel beter met kakkerlakken delen dan met Fransen. Tot elf uur ’s avonds was er herrie en nu ben ik alweer om zes uur wakker. Zeven uur gaan we op pad. De rest ziet er net zo gebroken uit als ik. We rijden naar Sam Mountain op de grens met Cambodja. Het is niet ver en direct na aankomst beginnen we aan de zware klim over een trap die naar een halverwege de top gelegen pagode leidt.
Het is opvallend hoe Chinees het er hier uitziet. Dat is in het uiterste zuiden van Vietnam een bijzonderheid, want de Chinese invloed is in deze regio nooit zo sterk geweest. De restaurants en vooral de beelden van dinosauriërs doen er echter geen twijfel over bestaan dat het hier toch echt Vietnam is.
Binnen in een grot achter de Chua Hang-pagode zie ik een altaar, bewaakt door twee reuzenslangen met lampjes in hun kop. Het is wel grappig, maar het roept niet direct religieuze gevoelens in mij op.
Buiten is het mooier. Vanaf het beschaduwde balkon kijk ik over de dorre velden van Cambodja uit. In de verte is vaag een gebergte zichtbaar. Helaas houden we het bezoek kort. Er zijn meer pagodes te zien op Sam Mountain, maar daar komen we vanwege de krappe planning niet aan toe.
Na Sam Mountain rijden we naar een klein stadje waar we op een bootje stappen. Een oud vrouwtje met grote roeiriemen zorgt weer voor de aandrijving. Ik vraag mij af hoe zij dit met grotere groepen doen. Meer bootjes waarschijnlijk. Af en toe moet ik bukken om niet gekeeld te worden door de laag boven het water hangende elektriciteitsdraden die de vele woonboten van stroom voorzien.
We leggen aan bij een klein dorpje waar een van de vele minderheden van de Mekong-delta woont. Tanh weet er weinig meer over te vertellen dan dat het een overwegend islamitische gemeenschap is. We wandelen wat rond door het praktisch verlaten dorpje en bezoeken een gloednieuwe moskee waar we gastvrij onthaald worden met muntthee.
Op de terugweg naar het bootje krijgen we een zwerm kinderen achter ons aan, die om pennen, snoepjes en dollars beginnen te zeuren. Op de terugweg naar het busje passeren we opnieuw het drijvende dorp met de elektriciteitskabels. De lucht trekt intussen dicht en het begint er naar uit te zien dat het wel eens zou kunnen gaan regenen. Weer in de bus zegt Tanh dat de tour erop zit. We beginnen aan de terugreis naar Saigon. Onderweg stappen we nog twee keer op de veerboot en gebruiken we een lunch, waarna we rond een uur of zes in Saigon terugkeren.
Dankzij de airconditioning in de bus heb ik het fris gehouden vandaag. Ik ga na het boeken van een nieuwe kamer in het Hong Kong Hotel daarom meteen al weer op stap. Eerst nog even een tour voor morgen boeken, maar de Caodai-tempel en het gangenstelsel van de Vietcong. Dat is allemaal wel toeristisch, maar het hoort er nu eenmaal een beetje bij. Ik verheug me op de kip met gember die ik in een van de rugzaktoeristenrestaurants bestel, maar de kok blijkt niet veel liefde voor zijn werk te hebben. Het smaakt nergens naar. Met een fles BGI-bier spoel ik de kleffe hap naar binnen, waarna ik naar het centrum wandel. De bewolking is inmiddels weer verdwenen en vaag zie ik wat sterren in de heiige lucht. Laag in het oosten is de volle maan zichtbaar.

Vrijdag, 24 maart 2000

De laatste volle dag in Vietnam is aangebroken. Hoewel ik goed heb geslapen heb ik nog veel in te halen van de afgelopen nachten. Dat voel ik nu wel. Ik bestel brood en fruit, maar het brood komt niet. De vrouwen zijn er vanochtend niet en de oude baas van het hotel is niet zo snugger. Ik koop nog snel een fles water en haast mij dan naar het tourbureautje voor het uitstapje van vandaag.
Het is een vrouwengezelschap vandaag. Ik deel de bus met vier vrouwen uit Denemarken en een vrouw uit Engeland. Gelukkig vertrekken we wel, want eigenlijk is het minimum aantal deelnemers acht. Door de enorme verkeersdrukte van Saigon worstelt het busje zich naar Highway 22 waar de lange rit langs de rijstvelden begint. Onderweg zie ik voor het eerst boeren achter buffels door de natte rijstvelden ploegen. Het is een prachtig gezicht, maar we stoppen helaas niet om foto’s te maken. Wel stoppen we bij een rijstpapierfabriek, maar daar vind ik onderhand niets meer aan. Een half uurtje later komen we aan bij de beruchte Cu Chi-tunnels. Dit is een zeer uitgebreid gangenstelsel dat in de oorlogen bedoeld was om ongemerkt troepen te verplaatsen. Behalve gangen zijn er ondergrondse verblijven en zelfs een ziekenhuis te zien. De meeste gangen zijn echter te smal voor westerlingen om doorheen te kruipen. Een enkele gang is verbreed om bezoekers toch even het Vietcong-gevoel te geven. Het graafwerk begon in de jaren vijftig tijdens de oorlog tegen de Fransen en is voortgezet in de jaren zestig om tegen de Amerikanen ingezet te worden.
Een kwalitatief zeer beroerde film in het bezoekerscentrum laat zien dat het soldatenbestaan in de oorlog geen pretje was. Er zijn bijna meer mensen door ontbering gesneuveld dan door Amerikaanse kogels. Ook kinderen en zelfs kleine meisjes vochten mee om hun land bevrijd te krijgen. Het is een van die typische Aziatische gruwelmusea hier.
We wandelen door een bos naar de tunnels. Onderweg demonstreert een broodmagere Vietnamees hoe hij zich in een van de gaten van ongeveer twintig bij twintig centimeter kan laten zakken. Mijn been past er amper in. Laat staan mijn hele lichaam. Als het damesgezelschap het mannetje uitgebreid gefotografeerd heeft, wandelen we naar een van de gangen die ten behoeve van toeristen is verbreed. Ik wil mij niet laten kennen en maak de fout door mij met mijn complete uitrusting aan de kruiptocht te wagen. Al na vijf minuten drijf ik uit mijn kleren van het zweet. Maar de gang lijkt eindeloos. Als ik eindelijk weer in de buitenlucht sta hoor ik dat ik ongeveer vijftig meter heb gekropen. Voor mijn gevoel was het meer dan een kilometer.
We drinken thee in een uitgegraven kantine van wat ooit een ondergrondse kazerne is geweest. De rook van het houtvuur wordt via ondergrondse buizen afgevoerd en kan pas een kilometer verderop ontsnappen. Op deze wijze voorkwam men dat bommenwerpers de locatie aan de hand van de rookpluim zouden ontdekken.
Na de tunnels snellen we verder naar de Caudai-tempel. We moeten er twaalf uur zijn om nog iets van de hoogmis te kunnen zien. Met een normaal tempo halen we dat niet meer, dus gaat het gas op de plank. Een paar keer word ik heen en weer gestuiterd tussen de weinig comfortabele achterbank en het plafond van de bus. Ik begin er behoorlijk van te balen en ben blij als we eindelijk bij de tempel zijn aangekomen.

Onderweg waren al diverse kleinere Caudai-tempels te zien, maar deze grote is bijzonder indrukwekkend. Caudai is een typisch geloof dat alleen in dit deel van de wereld voorkomt. Het is een mengelmoesje van katholicisme, islam, taoïsme en boeddhisme. Een soort integrale religie dus. De tempel lijkt een beetje op een sprookjeskasteel zoals je dat in pretparken aantreft, maar het heeft tegelijkertijd een bijzondere schoonheid. Binnen is het helemaal prachtig. Het straalt iets van een kathedraal uit. In het lange middenschip staan tientallen in witte en soms fel gekleurde gewaden gestoken gelovigen. Er is geen voorganger. Het ritueel wordt alleen begeleid door een muziekband en een koor op het achterbalkon. Langs het schip zijn op de verdieping galerijen waarover toeristen mogen lopen om het schouwspel van diverse kanten te bekijken.

Als de ceremonie eindigt zie ik dat ik nog zo ongeveer als enige toerist ben achtergebleven. Ik was helemaal de tijd vergeten, wat voor mijn doen niet zo bijzonder is. Ik hoop dat de bus er nog is en haast mij naar buiten. Er is echter niets aan de hand. Terwijl ik nog wat foto’s maak van de buitenkant van de tempel loopt de gids kalm naar mij toe. Hij kijkt belangstellend naar mijn apparatuur en vraagt of ik beroepsfotograaf ben. Ik vertel hem dat dat niet zo is, maar dat ik wel graag goede foto’s maak en dat reizen mijn hobby is. Terwijl we naar het busje lopen houden meisjes ijskoude blikjes cola tegen mijn gloeiend hete arm om mij lekker te maken voor hun koopwaar.
De terugweg gaat wat christelijker dan de heenweg. Ik val zelfs een paar keer in slaap. We stoppen bij een modern benzinestation met een fraaie tuin ervoor. Er is ook een uitgebreide supermarkt en achter het gebouw bevindt zich een krokodillenfokkerij. Het is bijna oogsttijd zo is aan de grote beesten te zien. Volgens de beheerder zijn ze in een jaar volgroeid en klaar voor de slacht. Ze gaan dan naar China om tot delicatesse en damestasjes te worden verwerkt. Het is goed dat de krokodillen voor dit doel niet uit de natuur gehaald worden, maar aan de andere kant is het toch triest dat dieren worden gefokt voor louter onnodige consumptiebelangen.

Om vier uur zijn we terug in Saigon. Ik wandel voor de laatste keer naar het centrum om met het mooie zonnige weer nog wat foto’s te schieten. Weer word ik gek van de taxi- en cyclochauffeurs die mij op agressieve wijze ritjes opdringen. Als het donker is geworden maak ik nog een paar sfeerplaatjes van het met neon verlichte Rex-hotel. Na een goede maaltijd in het rugzakkerskwartier stal ik al mijn spullen uit op bed om ze keurig weer in te pakken. Klaar voor de reis naar Cambodja morgen.

Zaterdag, 25 maart 2000

Ik kijk na een heerlijke douche nog even al mijn spullen na en strompel dan met mijn hele hebben en houwen de smalle trap af naar de lobby van het Hong Kong Hotel. Gelukkig is er weer brood vandaag. Ik laat het mij smaken met een uitgebreide fruitschaal met messcherpe ananasstukken. Rond kwart over acht wandel ik naar het Sinh-café, waar de bus naar Cambodja vertrekt. Ik koop nog een fles water en meng mij dan onder de grote aantallen wachtenden. De meeste mensen wachten op bussen voor een uitstapje. Bij Sinh-café gaat dat men tientallen tegelijk. Ik ben blij dat ik hier niet voor de Mekong Delta heb geboekt, want daar is weinig aan met zo’n enorm gezelschap.
Pas om negen uur komt de bus voorrijden. Phnom Penh roept de man van het Sinh-café. Alle plaatsen worden bezet. Ik denk bezorgd aan de enorme wachttijden straks aan de grens. De Lonely Planet raadt aan om een taxi naar de grens te nemen om de enorme rijen wachtenden voor te blijven. Maar ik ben op de bezuinigingstoer gegaan en heb besloten om het wachten maar voor lief te nemen.
Met de grootste moeite ploegt de veel te grote bus zich door de overvolle straten van Saigon. Het leven is al weer volop aan de gang, ook al is het zaterdag. Pas na drie kwartier zijn we de stad uit en rijden we via Highway 22 naar de grens. Het is dezelfde route als gisteren en opnieuw stoppen we bij het benzinestation met de krokodillenfarm. Ik heb geen zin om nog eens naar de beesten te gaan kijken, dus ik blijf maar een beetje in de schaduw van de grote luifel rondhangen. Vietnamees geld heb ik niet meer, dus ik kan geen drinken kopen.
Rond half twaalf zijn we bij de grenspost van Moc Bai. De bus stopt voor een restaurant waar iedereen uitstapt. Ik bestel niets, want ik heb geen geld meer en wil hier niet mijn dollars omruilen. Ik wacht even af en wandel dan op mijn gemak naar het gebouw voor de formaliteiten om Vietnam te verlaten. Ik hoop dat het goed gaat, want ik heb geen Moc Bai-stempeltje op mijn visum staan. Wel staat er ‘all ports’, dus theoretisch moet het geen probleem zijn. Als ik na ruim een half uur wachten aan de beurt ben laat ik mijn paspoort zien en geef ik het gele en blauwe papiertje aan de beambte. Er volgt weer een heel stempelcircus. Een blond meisje dat Vietnamees spreekt heeft kennelijk problemen met de douane, maar wat er precies aan de hand is kan ik niet verstaan. Ik vraag het haar, maar ze mummelt iets onverstaanbaars in het Engels. Het schijnt met export van het een of ander te maken te hebben. Mijn bagage wordt niet gecontroleerd, dus na een kwartier stempelen kan ik aan de voettocht naar Cambodja beginnen. Ik wandel onder een hoge poort door naar het Niemandsland waar in het midden de grenspaal staat.

HomeDisclaimerPrivacybeleidOver de auteur
Contact