In 2001 besloten mijn vrouw en ik een rondreis door Italië te gaan maken. Het was voor mij zakelijk een erg drukke periode. Daarom had ik geen tijd om een en ander voor te bereiden. Dus besloten we een georganiseerde rondreis met de bus te gaan maken. Bij het toenmalige Peter Langhout Reizen, dat dergelijke arrangementen voor een uiterst betaalbare prijs aanbood. Eigenlijk houd ik niet zo van georganiseerde reizen en zeker niet in een bus vol bejaarden, maar we hadden behoefte aan vakantie en het alternatief was twee weken niets doen aan een of ander strand geweest. Dus boeken, koffers pakken en gaan met die banaan.
Vrijdag de dertiende. Een mooie dag om een rondreis met een touringcar te beginnen. De koffers zijn al ingepakt, maar mijn vrouw vindt het toch nog nodig om al tien over vijf op te staan. Het grootste deel van de dik anderhalf uur voor vertrek zal ze in de badkamer doorbrengen, dus ik blijf lekker nog even liggen. We zijn net klaar als kwart voor zeven mijn schoonvader komt om ons naar het station van Haarlem te brengen, waar wij rond half acht op de bus zullen stappen. Met onze volgestouwde koffers van elk twintig kilo en veel te grote handbagage komen we ruim op tijd aan op het nog stille, donkere en ijskoude Haarlemse stationsplein met zijn prachtige artdecostation en zijn foeilelijke overkant. De wind snijdt door onze kleren, maar we zijn al blij dat het eens niet regent.
De bus is keurig op tijd. De passagiers ook, dus kunnen we meteen vertrekken. Het is een zogenoemde servicebus die ons naar het verzamelpunt in Tongelre nabij Eindhoven brengt. Aan boord hebben we dus ook mensen die naar andere bestemmingen gaan. Gelukkig is de verbinding rechtstreeks en hoeven we niet eerst heel Noord en ZuidHolland af om passagiers op te halen. Het is goede vrijdag en de lange reeks van spoorstakingen is net beëindigd. Dus komen we zonder files even voor negen uur aan in het sportcentrum De Tongelreep dat onderhand beter het Peter Langhout Centrum genoemd kan worden. Niet minder dan 25 bussen staan er te ronken met bestemmingen als de Friese meren en Euro Disney, maar ook verder weg, naar Polen, Tsjechië en natuurlijk Italië. Te midden van het onuitgeslapen buspubliek sjokken we naar het sportcentrum waar appelgebak en ondrinkbare koffie op ons staan te wachten.
We schuiven aan bij een tafeltje waarop een bordje met onze rondreis staat. Zo kunnen we al kennis maken met onze toekomstige reisgenoten. De zaal stroomt vol met zo’n 300 reizigers, die straks allemaal tegelijk naar hun bus zullen dringen. Het is geen lolletje om tussen dergelijk publiek te zitten. Ventilatie is er nauwelijks, dus al na een kwartier staat de benauwde ruimte vol rook. Dan duurt het nog allemaal zo lang ook. Pas rond half elf klinken de verlossende woorden door de omroepinstallatie. Wij staan dan al buiten, waar ook luidsprekers zijn gemonteerd. We moeten naar bus 6. Ik wil een beetje doorlopen, want dan hebben we in ieder geval voor deze eerste zeer lange rit naar Midden-Frankrijk een goede plaats, voorin. Terwijl ik de koffers uit de servicebus haal en naar onze aan de andere kant van het parkeerterrein geparkeerde rondreisbus sjouw, bezet mijn vrouw twee plaatsen achter de chauffeurszetel. Prima.
Als een ware uittocht begint de enorme karavaan Peter Langhout-bussen te rijden. Ik sta ervan te kijken dat het gemanoeuvreer op de relatief kleine parkeerplaats niet tot ongelukken leidt. Maar de routine van de chauffeurs doet wonderen en al snel gaat iedere bus zijn eigen weg. Wij kiezen de A2 naar Maastricht. De chauffeur, die zich voorstelt als Joop de Rooij, vertelt in het kort wat ons vandaag te wachten staat en waarschuwt voor strenge grenscontroles in verband met de Mond- en Klauwzeercrisis, die Nederland al weken teistert. Het einddoel van deze dag is het dorpje Sausheim vlakbij Mulhouse in het oosten van Frankrijk. Buiten begint het licht te sneeuwen.
Naar mate we de Belgische grens naderen, wordt Joop zenuwachtiger. Hij vertelt over eerdere avonturen waarbij de douane een halve Albert Heijn aan levensmiddelen te voorschijn wist te toveren uit de spullen van de passagiers. Wij zondigen ook een beetje, want we hebben krentenbollen met kaas in onze handbagage. Als er echt controle komt stoppen we die snel achter onze kiezen, spreek ik met mijn vrouw af.
Na de Tupolev-verzameling van Maastricht-Aachen Airport gepasseerd te hebben loopt het verkeer even vast op de derdewereldsnelweg door de Limburgse hoofdstad. Joop vreest dat we al in de file voor de grens staan, maar dat blijkt niet het geval. Al snel kunnen we doorrijden over een vrijwel lege weg en bij de grens is geen beambte te bekennen.
Rond half twaalf rijden we België in, dat er op deze hoogte al meteen heel buitenlands uitziet. Direct al zijn alleen nog maar Franstalige opschriften te zien. Ik wist niet dat Wallonië nog zo dicht bij de Nederlandse grens lag. De rit door het Maasdal is prachtig. Vooral aan de linkerkant begint het landschap al op een waar gebergte te lijken. De bewegwijzering is typisch Belgisch. Een tijdlang volgt Joop de borden Luxembourg, maar ineens staat het groothertogdom nergens meer aangegeven. Na lang nadenken zit er weinig anders op dan rechtsomkeert te maken en terug te rijden naar Luik. Dit gaat over een bijzonder ingewikkeld verkeersplein, dat wel bedoeld lijkt om aspirantautomobilisten te leren sturen.
Vanaf Luik komen we weer op de goede weg terecht. Even na enen stoppen we voor een pauze van drie kwartier bij een smerig en veel te duur ACrestaurant. De bedoeling is om hier te lunchen, maar mijn vrouw en ik hebben het snel gezien en besluiten daarom maar een eindje door de omgeving te wandelen. Via een aardig weggetje langs schuurtjes en kleine bedrijfjes komen we in een dorpje aan. Nou ja, dorpje. Het is meer een provinciale weg met wat huizen erlangs. Het maakt een armoedige indruk allemaal. Dit is niet het meest welvarendste deel van België. Vanwege de koude houden we de wandeling kort en lopen we via dezelfde weg terug naar het smoezelige restaurant. Nog een kwartiertje wachten en dan rijden we weer verder.
De weg naar Luxemburg is saai. Af en toe val ik even in slaap. Mijn echtgenote is bijna continu in dromenland. Ook de andere passagiers lijken weinig om Oost-België te geven. Met 100 kilometer per uur rijden we Luxemburg binnen. En dat is met je ogen dicht te merken. Het kruimelige Belgische gatenasfalt gaat exact op de grenslijn over in een perfect onderhouden wegdek.
Van Luxemburg zien we bitter weinig. Ik herken nog het Shellstation waar we twee jaar geleden na een eclipsexcursie in NoordFrankrijk voor 1,60 gulden (70 cent) per liter de tank hadden volgegooid. Bij de Franse grens begint Joop weer aardig nerveus te worden. Het kan zijn dat de hele bus ontsmet moet worden, roept hij weinig hoopvol door de microfoon. Maar ook de Fransen hebben een goede bui. Met een norse blik manen de beambten de chauffeur om door te rijden.
Het landschap verandert nu ingrijpend. Ver in het oosten zijn de Duitse heuvels te zien. Net voor de grens staat een enorme kerncentrale. De Duitsers zullen er blij mee zijn. De omgeving wordt hier bepaald door zware industrie. We herkennen het punt waar we in 1999 de snelweg verlieten om in Maizières les Metz naar de zonsverduistering te kijken, die vanwege de dichte bewolking behoorlijk was tegengevallen. Vandaag is het weer hetzelfde als twee jaar geleden. Voorbij Straatsburg wordt het landschap mooier. Opvallend is dat alle plaatsnamen Duits zijn. Ook het landschap en de huizen zien er Duits uit. Wat taal betreft is het echter allemaal Frans wat de klok slaat. Rond vier uur stoppen we weer bij een wegrestaurant. Dit is kwalitatief vergelijkbaar met het AC-restaurant in België, dus zijn we blij dat we na een half uurtje weer kunnen vertrekken. De laatste etappe. Nog even valt wat natte sneeuw, maar als we Mulhouse naderen, breekt de heldere hemel door de wolken.
De omgeving van Mulhouse en Sausheim is een en al industrie. Zelfs het Mercurehotel waar we de eerste nacht zullen doorbrengen is op een industrieterrein gevestigd. Het hotel kan er prima mee door, maar de omgeving is een complete verschrikking. Ik had mij op een idyllisch Frans dorpje verheugd, maar hier staan tot ver in de omtrek alleen lelijke bedrijven. Als we ons geïnstalleerd hebben, gaan we toch nog een klein stukje wandelen om even de spieren los te maken na de lange busrit. Er is echter niet veel aan. Langs de wegen zijn niet eens trottoirs.
En hoewel we bijna 800 kilometer naar het zuiden zijn gereden is het ook hier nog behoorlijk koud. We zijn dus ruim voor het diner weer terug in het hotel.
Mijn vrouw wil stipt op tijd in de eetzaal zijn om niets van het diner te missen, maar het duurt nog ruim een half uur voordat het voorgerecht wordt opgediend. Het wordt een speciaal Peter Langhoutmaal met zuinige porties, maar de smaak is goed. Als voorgerecht krijgen we een soort paté met zemeltjes. Het hoofdgerecht is een moot zeer zoute ham met een lekkere grillsaus. Het toetje bestaat uit ijsbolletjes met een soort perenlikeur, die ze in Frankrijk levenswater noemen. Het is de eerste echte gelegenheid om eens onze medepassagiers te bestuderen. Het is een nogal gevarieerd gezelschap. Het meest opvallend is een groepje buitenlanders, dat uit Oman blijkt te komen. Daarnaast zitten er ZuidAfrikanen en Canadezen in de groep. Deze mensen zijn niet blij met het hoofdzakelijk uit varkensvlees samengestelde menu, maar het hotelpersoneel vindt het niet erg om iets anders voor te zetten. De gemiddelde leeftijd is hoog. Meer dan de helft van de reizigers is bejaard. Een hele oude baas met een wandelstok voert het hoogste woord.
De paar muntjes aan Frans geld die ik nog had zijn net genoeg om de absurd dure fles bronwater te betalen. 27 franc, ofwel ruim vier euro. Een flesje wijn had meer dan twaalf euro gekost. Mijn echtgenote vraagt aan de fraaie receptioniste in het Engels of het leidingwater drinkbaar is. “Qui, qui o yes”, antwoordt zij, maar op de kamer blijkt er bruinig water uit de kraan te komen. We genieten voor het slapen gaan nog even van de luxe van het ligbad. Dat zullen we in de Italiaanse hotels wel niet meemaken.
Half zeven staat mijn vrouw op. Ik volg een kwartiertje later nadat ik toch mijn bed uitmoest om de wektelefoon tot zwijgen te brengen. Het ontbijt is voortreffelijk. Het is een volgens Peter Langhouttradities uitgekleed buffet, maar wel met heerlijke, verse croissants en stokbrood. Ook staan er grote kannen jus d’orange en kan ik met heet water een soort chocoladedrank maken. De ‘normale’ gasten zitten in een andere zaal en genieten ongetwijfeld van yoghurt, fruit en andere ontbijtlekkernijen. Maar wij hebben lekker veel minder betaald.
Stipt om acht uur draaien wij het industrieterrein af richting Basel. De snelweg voert door dit laatste stukje Frankrijk van onze reis door prachtige naaldbossen. We kunnen er volop van genieten, want omdat ieder zijn plekje wil behouden in de bus, kunnen wij de rest van de reis voorin zitten. Na een minuut of tien stoppen we voor de Zwitserse grens. Hier bestaat geen vrees meer voor MKZcontroles, maar krijgt Joop wel de schrik van zijn leven als hij hoort dat de tien daagse tolpas ‘iets’ duurder is geworden. Het was 13,50 euro en is nu 90 euro. Maar ja, je kunt niet even omrijden en dat weten ze bij de grens ook wel. Betalen dus maar. We hobbelen Basel in. De stad lijkt wel op Den Haag. Alles is opgebroken en de straten zijn verlaten. Via een aantal half voltooide tunnels rijden we naar de andere kant van de stad waar de snelweg naar het zuiden begint. Van de stad zelf zien we nauwelijks iets. Behalve als we twee maal via een hoge brug de Rijn passeren. Jammer, want de bochtige tunneltjes vormen voor wat het uitzicht betreft bepaald geen verbetering. Als we de snelweg oprijden is het eindelijk even uit met de tunneltjes. Zwitserland is in dit deel nog relatief vlak, maar de hoge bergen van de Alpen zijn al vaag zichtbaar. In de buurt van Luzern hebben de bergen al een aardige hoogte bereikt. Helaas zien we ook van het prachtige Luzern niets. Daar is de tunnel al voltooid. Wel prettig voor de mensen die er wonen, maar niet voor ons. Het landschap na Luzern maakt echter veel goed. Afgezien van de vele fabrieken langs de snelweg is buiten veel moois te zien. Op de toppen ligt nog volop sneeuw. Helaas is het ook vandaag bewolkt, koud en zelfs een beetje mistig. Langs de weg ligt verse sneeuw.
Net voorbij de Vierwaldstätter See pauzeren we even bij een benzinestation. Er is een klein wegrestaurantje, maar mijn vrouw en ik gaan liever een klein stukje wandelen. Helaas zijn er niet veel mogelijkheden. Te laat ontdekken we dat we een leuk stukje langs een mooi bergriviertje hadden kunnen lopen. Maar dan rijdt de bus al weer.
We gaan de eindeloze Gotthardtunnel in. Dat wordt 17 kilometer duisternis. We zijn blij dat er geen verkeersopstoppingen zijn vandaag. Halverwege kondigt Joop aan dat we nu in het Italiaans sprekende deel van Zwitserland zijn aangekomen en dat het aan de andere kant van de tunnel wel eens heel mooi weer zou kunnen zijn. Hij krijgt gelijk. Het daglicht aan het eind van de tunnel is oogverblindend. Meteen straalt de zonnewarmte de bus in. Een half uurtje later bij Bellinzona stoppen we voor de lunch. Ditmaal bij een Mövenpickkwaliteitsrestaurant. Binnen doet het sterk aan het Nederlandse La Place denken van V&D. Prachtige buffetten met heerlijk voedsel. Wij houden het bij een Mövenpickijshoorn zoals je die alleen in Zwitserland kunt kopen. Het is het lekkerste ijs van de wereld. Op het zonovergoten terras laten wij het ons smaken. Het is gedaan met de kou. Het ijsje is een hele maaltijd. Ik krijg het net op tijd op, want na drie kwartier is het weer de hoogste tijd om te vertrekken. Joop is een man van de klok. De volgende stop zal in Italië zijn, waar we nu vlakbij zijn gekomen. De bergen worden al weer lager sinds we de Gotthard zijn gepasseerd. We zien nog wel het indrukwekkende Lago di Lugano. Het is nog Zwitserland, maar de omringende bergen liggen in Italië. Via het zuidoostelijkste puntje Zwitserland rijden we naar de grens bij Como. Hier is helemaal geen controle van betekenis. Eindelijk zijn we in het land van bestemming aangekomen.
Met de bergen is het nu gedaan. Door het begin van de Povlakte rijden we naar Villoresi waar we weer pauzeren. Omdat het inmiddels een gewoonte is geworden, maken mijn vrouw en ik weer een wandelingetje. Ditmaal vergezeld door onze naaste buren in de bus, Aad en Vera Muller. De dames houden het al snel voor gezien, maar Aad en ik lopen nog een stukje verder om de Italiaanse sfeer eens goed op te snuiven. Als we via een ommetje terugkomen bij het wegrestaurant moeten we door een gat in een gaashek klimmen. Het is niet netjes, maar het scheelt twintig minuten teruglopen. Dus dan mag het. Bij het restaurant staat een zeer hoge, markante reclamezuil op ranke poten. Het doet vaag aan de zonnige jaren vijftig denken. Misschien stond die zuil er toen ook al. Richting Milaan passeren we rijstvelden. Orizzarijst, zegt Joop. Van Milaan zien we ook niets. Niet vanwege tunnels, maar gewoon omdat we er met een zeer wijde boog omheen rijden. We vervolgen de rit zuidwaarts richting Genua. Een stukje om, maar volgens Joop een mooie route.
Rond drie uur komen we bij het ongeveer 30 kilometer lange Genua aan en aan het einde van de weg zien we de helderblauwe Middellandse Zee. Een prachtig gezicht. Helaas gaat het hier tunneltje in tunneltje uit. Een mooiere weg loopt vlak langs de kust, maar dat schijnt niet bepaald een snelle route te zijn. We houden dus de snelweg aan die door ruim vijftig tunnels loopt richting La Spezia. In de late namiddag passeren we de marmergroeven van Carrara. Overal langs de weg staan hoge stapels met het kostbare gesteente. Joop legt uit hoe het gewonnen wordt en hoe het met langzame, speciale vrachtwagens van de berg naar zee wordt gebracht. Langs de weg staan talloze marmerfabrieken, waar de brokstukken tot glanzende platen en beelden worden verwerkt. Bij Viareggio verlaten we de kustweg en het uitzicht over de Middellandse Zee. Iets later is heel ver in de verte Pisa te zien. De beroemde Scheve Toren is slechts een streepje op deze afstand, maar wel te zien. We zijn nu in Toscane, al ziet het er vanaf de snelweg nog niet zo lieflijk uit als in de boekjes. Toch is het wel erg mooi. Vooral de sierlijke reuzenconiferen. Tegen half zeven rijden we Montecantini di Terme binnen, waar we twee nachten zullen verblijven. Het verkeer staat hier behoorlijk vast. Als we eindelijk de dorpskern naderen, moet de bus een parkeerterrein op. De bus mag de stad binnen, maar dat kost dan wel 40 euro. Minister Netelenbos zou ervan kwijlen als ze zou zien hoe hier het verkeer wordt afgeperst, zegt Joop. Na betaling mogen we weer aansluiten in de file richting centrum. Het is ongeveer zeven uur als Joop een parkeerplaats heeft gevonden, maar dat is wel ruim vijf minuten lopen van het hotel. Dat wordt dus sjouwen. We zitten in hotel Marina, dat - zoals we al verwacht hadden - aanzienlijk minder luxe is dan het Mercurehotel van de vorige nacht. Het lijkt wel een beetje op een jeugdherberg. Tot overmaat van ramp logeert er ook nog een jeugdvoetbalelftal. Een aantal gasten wordt in een nabijgelegen hotelletje ondergebracht, dat van horen zeggen achteraf beter bleek dan Marina. Maar wij hadden geen zin om nog verder met onze bagage te slepen. We worden ondergebracht in een gelukkig nog enigszins rustig uithoekje van de derde en meteen hoogste etage. We passen met zijn tweetjes net in het kleine liftje. Op de kamer valt het tegen dat er nauwelijks ramen zijn. Alleen kleine luikjes op plinthoogte. Maar goed. Het is schoon. We zullen het wel overleven. In de eetzaal wordt flink gemopperd. Het is ook niet leuk om met zijn allen aan tafeltjes te zitten die voor kinderen gemaakt lijken te zijn. Het eten is ook geen reden om voor naar Italië te gaan, maar het is naar binnen te krijgen. We weten nu dat we niet voor een dubbeltje op de eerste rang zitten.
Na het eten maken we nog een wandelingetje door het gezellige dorp. Jammer dat het zelfs hier in het zonnige zuiden nog behoorlijk koud is. Montecantine di Terme is vrij klein en we hoeven dan ook niet zo ver te lopen. Aan bezienswaardigheden heeft het plaatsje niet zoveel te bieden, alleen een fraai termenbad en een bergtreintje. Maar deze attracties zijn nu beide gesloten. Tien uur liggen we in bed. Te vroeg voor een zaterdagavond.
Het was bepaald niet warm op de kamer en het piepkleine radiatortje zal de temperatuur niet meer dan een halve graad hebben kunnen verhogen. Verkleumd en stijf stappen we onder de douche, die gelukkig wel warm is. Helaas veroorzaken we een overstroming omdat het water niet wegloopt, maar we zijn in ieder geval weer in staat onze ledematen te bewegen.
Het ontbijt is driemaal niks. Het is eerste paasdag, maar in hotel Marina heeft het personeel daar geen boodschap aan. Niet eens een eitje. Alleen zoutloos en dus oneetbaar brood, één klein kuipje jam per persoon en zeer vieze koffie. Het gemopper van gisterenavond heeft plaatsgemaakt voor cynische commentaren. Vooral omdat de helft van het gezelschap een groot deel van de nacht heeft mogen meegenieten van de vreugde onder de leden van het jeugdvoetbalelftal. Mijn echtgenote heeft nogal wat werk na het ontbijt, zodat we vrij laat het hotel verlaten. Joop had gisteren nogal onduidelijk uitgelegd waar we op de bus moesten stappen, zodat we helemaal verkeerd lopen. Nergens is de bus te bekennen. We hebben het dagje Florence al bijna op onze buik geschreven, als ik op het idee kom om naar de plaats te rennen waar we gisteren zijn uitgestapt. En ja hoor, daar staat de bus. We zijn op tijd, maar mijn vrouw is volledig uitgeput van het rennen door de smalle Italiaanse straatjes.
Met ongekende behendigheid weet Joop de bus door de zeer smalle straatjes naar de snelweg te loodsen. En dat zonder de overal slordig geparkeerde auto’s te raken. Onderweg naar Florence, zo’n 30 kilometer van Montecantini, vullen we ons ontbijt aan met een paar krentenbollen. Ook in de hoofdstad van Toscane is men gek op geld. Het kost Joop 45 euro om de stadsgrens te passeren.
De stad is prachtig met zijn terracotta gepleisterde huizen en schitterende subtropische bomen. Vooral de platanen, cipressen en ceders doen het lijken alsof Florence door een tuinarchitect is ontworpen. Het is redelijk rustig in de stad, ondanks de eerste paasdag die volgens Joop meestal behoorlijk wat drukte met zich meebrengt. Na een Nederlands sprekende locale gids opgepikt te hebben is de eerste attractie het hooggelegen Piazzale Michelangelo. Dit is de favoriete plek voor fotografen van ansichtkaartenfabrikanten. Vanaf de heuveltop is het uitzicht over de stad adembenemend. Helaas denkt iedereen er zo over. Dus barst het van de toeristen. Het indrukwekkende standbeeld van Michelangelo fotograferen is vrijwel onmogelijk zonder dat er een of andere mongool voor staat te poseren. Zo sta ik met een snel afnemend geduld te wachten tot eindelijk het zoveelste toergezelschap klaar is met elkaar voor het beeld te kieken. Mijn vrouw schaamt zich dood voor mijn steeds ruwere taalgebruik als ik er na tien minuten kokend van woede nog niet in geslaagd ben een artistiek verantwoorde foto te maken. Maar het vloeken heeft effect, want een halve minuut voordat we moeten vertrekken, staat er even vijf seconden niemand voor het beeld.
Beneden stoppen we aan de rivier de Arno om te voet de stad te verkennen. In marstempo lopen we achter gids Reno met zijn rode stafje aan op weg naar de fraaie Ponte Vecchio, ofwel de Oude Brug. Dit bijzondere bouwwerk is aan beide kanten van de rijweg bebouwd zodat je nauwelijks in de gaten hebt dat je een rivier passeert als je er overheen loopt. Terwijl de gids over de ongetwijfeld interessante geschiedenis van de brug vertelt, hol ik naar het andere eind van de rivieroever om een plaatje te schieten.
Als ik na vijf minuten terugkom is de groep verdwenen. Ik ga maar meteen zoeken, want ik had mijn vrouw beloofd vandaag eens niet weg te zullen lopen. In de Via de Tornabuoni heb ik het gezelschap snel teruggevonden. Het staat voor het Orsanmichele. Aan de buitenkant stelt het gebouw, afgezien van een paar mooie beelden, niet veel voor, maar binnen is het prachtig. Geen overdadige barok, maar een fraaie evenwichtige aankleding die helaas nogal verstoord wordt door verbouwingswerkzaamheden. Achter een enorm tentdoek aan de linkerkant wordt groot onderhoud verricht, maar vandaag ligt het werk uiteraard stil. Ik begin al een beetje het geduld voor de langdradige gids te verliezen en probeer mijn vrouw mee te krijgen om er op eigen houtje op uit te gaan. Maar daar wil zij niets van weten. De rondleiding duurt gelukkig maar twee uur. Daarna hebben we nog zo’n vier uur de tijd om zelf Florence te verkennen. Het is trouwens schitterend weer vandaag.
De volgende attractie is het Loggia del Mercato Nuovo. Zoals de naam al zegt is dit het marktplein. Ook vandaag is het markt, maar dan alleen met toeristentroep. Vooral voetbalshirtjes. Grappig is een schort waarop het lichaam van een spannend geklede dame is afgebeeld. Zo krijgt de keukenprinses ook nog wat amoureuze charme. Terwijl Reno met zijn zware Italiaanse accent de geschiedenis van het plein bij elkaar verzint, bedenk ik hoe ik redelijke foto’s kan maken nu de zon zo ongunstig staat.
Het loopt inmiddels tegen half elf en van alle kanten beginnen de kerkklokken te beieren. Het is een prachtig gehoor dat versterkt wordt door de echo’s in de smalle straten. Bomen om het geluid te dempen zijn er nauwelijks in dit voetgangersdomein rond het Domplein. Dan is de Dom zelf aan de beurt voor een bezichtiging. Het is een buitengewoon mooi gebouw, bestaande uit talrijke kostbare natuursteensoorten. Alleen al de bronzen deuren zijn kunstwerken op zich. Vanwege Pasen is er van alles te doen rond het gebouw, maar wij blijven op een grote afstand staan om het verhaal van Reno aan te horen. Ik weet nu wat ik vervelend vind aan georganiseerde vakantiereizen. Dan staat de zon ook nog eens behoorlijk verkeerd. Om de Dom te kunnen fotograferen moet je in de namiddag naar het plein komen, maar dan zitten wij al weer in de bus op weg naar het hotel. Helaas, maar aan de andere kant loopt Florence niet weg denk ik dan maar. De rondleiding eindigt op het Piazza della Signoria, waar we het Palazzio Vecchio en de Galleria degli Uffizi bekijken. Ik ben blij als ik met mijn echtgenote eindelijk de eigen gang kan gaan. Al snel blijkt dat we wat gebouwen betreft het mooiste wel hebben gezien nu. We lopen de als bezienswaardigheden aangemerkte objecten langs, maar die vallen van buiten vaak tegen. Het zal vooral de binnenkant zijn die interessant is, maar daar komen we vanwege de korte tijd en de vaak enorme wachtrijen voor de deur niet aan toe. Bovendien is het meeste gesloten vanwege Pasen en wat open is gaat rond het middaguur dicht.
We rusten even uit op het fraaie Piazza Annunziata waar we omringt zijn door misschien wel de mooiste musea ter wereld. Helaas is alles nu dicht. De Galleria dell Accademia met de wereldberoemde David van Michelangelo is nog wel open, maar dat duurt nog maar een half uur terwijl er nog steeds een flinke rij voor de ingang staat. Langs de Via della Servi lopen we terug naar het Domplein waar de festiviteiten inmiddels beëindigd zijn. We lopen door naar het station, waar nog een mooie kerk in de buurt moet staan, maar ook die kerk is niet echt heel bijzonder.
Bij een fastfood naast McDonald’s kopen we een stuk pizza, want de meegebrachte krentenbollen beginnen me inmiddels een beetje de keel uit te hangen. De pizza houdt ook niet over. De bodem lijkt wel van rubber. Als de kerkklokken twee uur slaan hebben we wel zo’n beetje alles gezien. Daarbij neemt de bewolking flink toe en wordt het direct een stuk kouder. Vanmorgen was het al behoorlijk frisjes, maar zonder zon is het met hooguit 9 graden niet leuk meer. Met een flinke omweg langs de oude stadsmuren dwalen we terug naar het Domplein om van daar uit naar de Ponte Vecchio terug te lopen.
We bekijken nog even het oude stadsdeel aan de overkant van de Arno, maar dat haalt het niet bij de omgeving van de Dom. Mijn vrouw wil zo zoetjesaan wel weer naar de bus, want dat kan nog een aardig stukje lopen zijn. We zijn bovendien niet geheel zeker waar deze staat. Joop is niet altijd even duidelijk met zijn uitleg. Het moet bij een torentje zijn, maar daarvan staan er meer langs de Arno. We gaan op mijn gevoel af en dan blijkt het inderdaad nog een flinke wandeling. Kwart voor vier zijn we er. Ruim op tijd.
Vier uur vertrekken we en vijf uur zijn we weer terug in Montecantini. Mijn echtgenote en ik gaan meteen op stap. We willen nog een ritje maken met een kabeltreintje dat naar een nabije bergtop rijdt. Het is even zoeken, maar in het uiterste noorden van het dorp weten we het stationnetje te ontdekken. Elk kwartier gaat er een treintje omhoog en komt er gelijktijdig weer een treintje omlaag. Halverwege passeren ze elkaar. 8000 lire is niet goedkoop voor een retourtje, maar het is nu eenmaal Italië, dus kopen we toch maar twee kaartjes. Het ritje is leuk. Het 125 jaar oude treintje doet het nog goed. Het is een vreemd bouwsel dat een beetje aan een rijdende trap doet denken. De twee wagons trekken elkaar voort, zodat het relatief weinig energie kost om boven te komen. Een geniaal, energiezuinig systeem dus. Boven is het beslist de moeite waard. Het uitzicht is prachtig, maar ook de top zelf is leuk met zijn fraaie huisjes en gezellige pleintjes. Helaas is het veel te koud om op een terrasje te zitten, anders waren we hier nog wel gaan eten ook. De maaltijd van hotel Marina is de moeite van het terugkeren niet waard.
Na een uurtje hebben we het gezien en pakken we weer het treintje naar beneden. Ik sta op het voorbalkon, maar mijn vrouw stapt liever in de coupé, waar het iets minder koud is. Op de terugweg naar het hotel passeren we een groot bronnencomplex. Het lijkt wel zo’n grote Romeinse badinrichting. Nieuwsgierig nemen we een kijkje en we zijn verbaasd dat we zomaar voor niets naar binnen mogen. We zijn blij dat we deze bezienswaardigheid ontdekt hebben, want het is beslist het mooiste dat in Montecantini te zien is. Mijn vrouw en ik zijn het er zelfs over eens dat een complex met een dergelijke schoonheid Florence nog in de schaduw zet. De grote centrale gang is geheel met glanzend gepolijst marmer afgezet. Ook het plafond is schitterend bewerkt. Overal staan enorme beelden en via een reusachtige zuilengalerij kunnen we naar de prachtige tuinen rond het complex lopen. Aan de andere kant zijn de wasinrichtingen. De wastafels zijn geheel van marmer met erboven fraai beschilderde tegelmoziëken. Helaas gaat het complex om zeven uur dicht. Ik maak nog snel wat foto’s zonder mensen erop en loop dan mijn vrouw achterna naar het hotel. Weer is het eten niets. Vooral de sla met azijn vind ik ronduit smerig. De moslims eten helemaal niets. Zij ondergaan de kwelling gelaten. Na een half uur hebben we het ‘eten’ op en wandelen we nog een stukje door het dorpje, waar het ondanks de kou nog erg gezellig is op straat. We nemen een kijkje in de uit 1962 stammende kerk die langs dezelfde straat als het station is gebouwd. Er is net een dienst aan de gang. Dan verlekkeren we ons nog even langs de etalages met onbetaalbare, maar buitengewoon fraaie Italiaanse mode. Negen uur proberen we in slaap te komen, terwijl de jeugdvoetballers hun best doen om dat met klappende deuren en geschreeuw op de gang te verhinderen.
Opnieuw zet mijn echtgenote met een lange douche de badkamer, de kamer en een deel van de gang blank. Hotel Marina doet zijn naam eer aan. Het begint echt op een haven te lijken. Gelukkig was dit de laatste nacht hier. Het moet niet slechter worden. Na wat het ontbijt moet voorstellen is het weer koffers sjouwen naar de bus. Ditmaal weet ik waar hij staat, dus valt het nog wel mee. Helaas is het zachtjes gaan regenen en blijft de thermometer op 8 graden staan.
De bus rijdt via Florence naar het zuiden. In de verte is nog duidelijk de enorme koepel van de Dom te zien. De snelweg is hier niet erg spannend en al snel ligt de halve bus te slapen. We stoppen rond tien uur bij het brugrestaurant Montepulciano, waar ondanks een plasgeld van 1000 lire de rij voor de vieze toiletten de volledige ingang blokkeert. Het lijkt wel of je voor een fatsoenlijk wegrestaurant alleen in Zwitserland terecht kunt. We bestellen niets, want ik weet dat de toiletten vaak iets zeggen over de hygiëne in de keuken.
In de bus stillen we onze trek weer met krentenbollen. Het landschap is niet meer interessant in dit deel van Italië. Bovendien lijkt de omgeving van de snelweg wel op een langgerekt industrieterrein. Joop wijst ons op de hoge hekken voor elk viaduct over de snelweg. Ook heeft elk viaduct een nummer, dat duidelijk aangegeven staat op grote bruine borden. Een paar jaar geleden hebben vandalen stenen naar auto’s gegooid vanaf een viaduct over een snelweg. Er is toen een ongeluk gebeurd, waarbij vijf doden vielen. De daders zijn gepakt en kregen dertig jaar gevangenisstraf, maar om niettemin herhaling te voorkomen zijn langs alle viaducten hoge hekken geplaatst. De nummers zijn bedoeld om snel de politie te kunnen informeren als automobilisten toch nog iets verdachts op de viaducten zien gebeuren.
Van Rome is niets te zien als we er langs rijden. Bovendien is het steeds harder gaan regenen. Even voorbij Tivoli stoppen we voor de lunch. Omdat er in de omgeving niets te doen is, het buiten regent en het restaurant er aardig uitziet, bestellen we wat te eten. We willen iets van 5800 lire, maar we krijgen iets van 8300 lire. Het stond allemaal erg onduidelijk aangegeven. Nou ja, het eten smaakt in ieder geval prima al is het wel een beetje koud. Als we alles op hebben ontdekken we een magnetron waarin je je maaltijd op temperatuur kan brengen. Dat is handig om te weten voor de volgende keer.
Het is nog een klein uurtje rijden naar de eindbestemming van vandaag, Fiuggi. Al snel verlaten we de snelweg en rijden we door een heuvellandschap naar het bergplateau waar het kuurplaatsje ligt. Ook dit is een mooi dorp, al lukt het bijna niet om het hotel te vinden. Het blijkt uiteindelijk aan het einde van een heel smal straatje te liggen. Joop maakt het zichzelf moeilijk door achteruit te rijden. Aan beide kanten van de bus is nog ongeveer 2 centimeter ruimte over, maar onze chauffeur maakt zich er niet druk om.
Hotel Toarmina blijkt tot onze grote opluchting een stuk beter te zijn dan het vorige hotel. Het gebouw is nog zo goed als nieuw en we zijn er de enige gasten. Mijn vrouw en ik krijgen een nette kamer op de eerste verdieping met een mooi uitzicht over het dal. Hier zijn we natuurlijk dik tevreden over. Hopelijk is het eten ook goed, want we hebben flinke trek gekregen.
Maar omdat het pas drie uur is, gaan we eerst nog even te voet het dorp verkennen. Dit blijkt grotendeels uit hotels te bestaan. Daarbij zijn ook op deze Tweede Paasdag praktisch alle winkels gesloten. Veel is er dus niet aan. We wandelen langs een park en begrijpen niet waarom het 6000 lire kost om naar binnen te mogen. Er is door de hekken volstrekt niets bijzonders te zien. We lopen al snel weer terug naar het hotel om een uurtje uit te rusten op de kamer. Vlak voor het eten wandelen we nog een keer naar het centrum, waar nu wel wat winkeltjes open zijn. Opvallend zijn de vele getekende ansichtkaarten met wildplassers. Een beetje vreemd. Het zal te maken hebben met het bronwater van Fiuggi, dat erg goed voor de nieren schijnt te zijn, maar dat je volgens de ansichtkaarten dus beter alleen op de WC kunt nuttigen.
Het eten is inderdaad beter, al gaat de fantasie van de kok ook hier niet verder dan een pastavoorgerecht en een lapje vlees als hoofdmaaltijd. Na het eten kun je nog gezellig in de TVkamer zitten, maar daar wordt zoveel gerookt, dat mijn vrouw en ik de gezelligheid maar op de kamer opzoeken. Buiten tikt de regen op het balkon.
’s Morgens regent het nog altijd en niet zo’n beetje ook. Het komt met bakken uit de donkergrijze lucht. Dat belooft wat voor vandaag. Het ontbijt is weer een verschrikking. Ik probeer de kelnerin tot een glimlach te verleiden, maar ze blijft als een strenge schooljuffrouw met de armen over elkaar over het toeristenvolk waken. Als we rond 8 uur vertrekken klaart het in de verte iets op. Het is al direct behoorlijk druk op de weg, maar wij zijn blij want hier en daar breken de wolken nu open en komt de blauwe lucht tevoorschijn. De dag is dus nog niet verloren. Op de ring rond Rome loopt het verkeer van alle richtingen in de soep. Er zijn verschillende ongelukken gebeurd, wat niet vreemd is als je het verkeersgedrag van de Italianen bekijkt. Ik ben blij dat ik het allemaal vanuit een betrekkelijk veilige positie kan aanschouwen. Wat je in Nederland op ‘Blik op de weg’ ziet, is hier heel normaal. De vluchtstrook en verdrijvingvakken worden intensief gebruikt door automobilisten die teveel haast hebben om het oplossen van de file af te wachten. Anderen wurgen zich via een slalomrace tussen andere auto’s door, waarbij vrachtwagens en bussen niet het minste respect afdwingen.
Als we metrostation Paulentina bereiken schijnt de zon volop. In deze voor een nooit gerealiseerde wereldtentoonstelling gebouwde wijk vol Mussolini-architectuur stoppen we even zodat Joop contact kan leggen met de stadsgids Loes. Even later rijden we weer tot we Loes met een rode vlag langs de kant van de weg zien staan. Ze loodst ons naar de plek waar de gebruikelijke hoge tol moet worden betaald en daarna rijden we verder naar de kerk van St. Paulus buiten de muren. Tijd om het gebouw te bekijken is er nauwelijks want we moeten overstappen op de speciale oranje toeristenbus, die in verband met het jubeljaar 2000 is ingesteld. Touringcars mogen het centrum niet meer in.
Na een dik kwartier is de oude toeristenbus er eindelijk. Voor 5000 lire per persoon kunnen we daar de rest van de dag gebruik van maken. De eerste rit voert naar het Colosseum. Onderweg probeer ik nog wat indrukken van Rome op te vangen, maar dat valt niet mee vanuit de overvolle, aftandse stadsbus. Ik zie onder andere een grote piramide. Vrij onverwacht komen de oude stadsmuren en het Colosseum in zicht. De bus stopt bij het metrostation, waarna het gezelschap uitgebreid aan de koffie gaat. Wij vinden dat zonde van de tijd en lopen vast in de richting van een grote triomfboog. Het is nu zonnig en over een kwartier kan het wel weer bewolkt zijn.
Rond het Colosseum is het een drukte van belang. Honderden mensen staan in de rij om naar binnen te mogen. Dat zit er voor ons niet in vandaag. Ook lopen overal verklede Romeinen rond. Voor veel geld mag je met ze op de foto. Voor nog meer geld kun je een ritje in een soort Romeins koetsje maken. Wij beperken ons tot het bekijken van het enorme circus en de prachtige
triomfboog. Tijd om rond het complex te lopen hebben we helaas niet, want we willen op tijd terug zijn bij de groep.
Gezamenlijk lopen we terug naar het Colosseum om een lange uitleg aan te horen. Loes vertelt hoe de zware beschadigingen zijn ontstaan. Eeuwenlang is het gebouw gebruikt als bouwmarkt. Vrijwel alle marmeren platen zijn van de muren gesloopt om gebruikt te worden in nieuwe gebouwen, waaronder de St. Pieter. Helaas zien we alleen de schaduwkant van het Colosseum want het is te ver om naar de andere kant te lopen. In plaats daarvan wandelen we de trappen op naar het naastgelegen Forum Romanum. Ik ben blij dat dat bij de rondleiding is inbegrepen, hoewel ik mij er iets meer van had voorgesteld dan ik nu te zien krijg. Het is bovendien idioot druk. Het lijkt wel of we met de vierdaagse van Nijmegen meelopen. Ons besluit om nog eens voor langere tijd naar Rome te gaan, staat nu wel echt vast.
Terwijl Loes de historie van het oude Forum opsomt, zonder ik mij af om foto’s te maken. Ik volg de groep op afstand, maar na een tijdje zie ik dat ik mij lelijk aan het vergissen ben. Ik loop nota bene achter een verkeerde groep aan. De gids ziet er op een afstandje echter hetzelfde uit als Loes met ook nog precies hetzelfde rode vlaggetje. Ik herinner mij nog dat we elkaar op de drukke Via Fori Imperiale weer zouden ontmoeten dus hol ik die richting op. Weer denk ik aan mijn vrouw die nu wel behoorlijk boos zal zijn. Maar het valt mee. Het groepje loopt op de Via Fori Imperiale te zoeken naar de drie oudste leden van het gezelschap die de wandeling over het Forum Romanum niet zagen zitten en om waren gelopen. Twee groepsleden gaan op zoek,
terwijl wij met zijn allen in de richting van de Trevifontein lopen. De bedoeling was om een halte met de jubelbus te gaan, maar die komt gewoon niet opdagen.
De Trevifontein ligt er schitterend bij in het blakende zonlicht. Het is waanzinnig druk op het kleine pleintje dat alleen via smalle straatjes te bereiken is. In het heldere water liggen de wensmuntjes te schitteren. Als je een muntje over je schouder gooit betekent dat dat je weer terug zult keren naar Rome. Als je twee muntjes werpt ga je binnenkort trouwen, maar als je
drie muntjes werpt betekent dat echtscheiding op termijn. Ik laat het verhaal van Loes aan mij voorbij gaan en maak een paar mooie detailfoto’s van de indrukwekkende beelden van de fontein. Het is officieel lunchtijd, maar mijn vrouw en ik houden het bij een ijsje.
De volgende attractie is het Parthenon. Van buiten is dat een vrij lelijk gebouw, maar binnen is het prachtig. Door een rond gat in de enorme koepel schijnt daglicht op de natuurstenen vloeren en wanden. Het zonlicht valt als een brede straal naar binnen. Als ik met een milkshake van McDonald’s aan de overkant terugkeer is de groep al weer vertrokken. Waar zijn ze nu weer naar toe? Net op tijd hoor ik mijn echtgenote schreeuwen. Ik hol haar richting in en samen snellen we achter de groep aan een straatje in waar priesterkledingwinkels zitten. Bij een pleintje stappen we weer na lang wachten op de toeristenbus voor een korte rit naar Vaticaanstad. Onderweg vang ik een glimp op van de prachtige gebouwen en witte bruggen langs en over de Tiber. Verder zien we bar weinig van Rome. Dit overvolle veevervoer is geen ideale manier van sightseeing. Na een paar haltes zijn we bij Vaticaanstad. Zoals ik verwacht had, hadden we het rondje beter andersom kunnen doen. Dus eerst naar Vaticaanstad en als laatste pas naar het Colosseum. De zon staat nu namelijk net achter de St. Pieter, zodat een geslaag-
de foto er niet in zit. Toch schiet ik maar een paar plaatjes op goed geluk. Wat dat betreft bof ik dat er weer wolken zijn komen opzetten. We krijgen ruim een uur om de enorme kathedraal te bezichtigen en die tijd zullen we hard nodig hebben. Helaas wil mijn echtgenote uit beleefdheid eerst het verhaal van Loes aanhoren. Maar als de eerste spetters beginnen te vallen krijg ik haar makkelijk mee naar binnen de kerk in.
Binnen in de St. Pieter is het overweldigend. Door de enorme grootte vallen de talloze toeristengroepjes nauwelijks op. Wij lopen rustig via een van de zijbeuken naar het midden van de kathedraal om de gigantische koepel en het metershoge altaar te bekijken. In verschillende kapellen vinden diensten plaats. Het is nog steeds een beetje Pasen, al zal het hier een paar dagen geleden wel een gekkenhuis zijn geweest. Onder de koepel valt ineens op hoe druk het is als ik nauwelijks een foto vanaf de grond kan maken.
Als we langzaam terugwandelen naar de uitgang, merken we dat de tijd al bijna om is. Mijn vrouw moet nog plassen en ik wil het souvenirwinkeltje wel even bekijken. Het winkeltje wordt beheerd door nonnen, maar ik sta te kijken van de afschuwelijke kitsch die ze verkopen. Het is nog niet zo erg als wat ik in Portugal bij de kerk van Fatima heb gezien, maar veel scheelt het niet. Wie wil er nu van die plastic heiligenbeeldjes met een lampje erin? Ach, er zal wel markt voor bestaan.
Buiten is de regen gelukkig weer opgehouden al komt de zon nu niet meer terug. Als laatste film ik nog even het wisselen van de pauselijke wacht, links van de kathedraal. Het stelt niet bijzonder veel voor, maar ik wilde het toch wel even zien. Het is daardoor al over vieren als we terugkeren op het St. Pietersplein. We zien nog net de groep weglopen. Snel er achter aan. We wachten op een pleintje op de jubelbus die opnieuw lang op zich laat wachten. Als de oude, oranje bus eindelijk voorrijdt zit hij al overvol. Wij persen ons naar binnen en onderweg proberen nog meer mensen in te stappen. Rome maakt wel reclame voor zichzelf. De martelrit duurt ruim een half uur. We zijn blij als we eindelijk kunnen uitstappen en weer kunnen ademhalen. Ik maak nog wat foto’s van de St. Pauluskerk en loop dan achter mijn vrouw aan onze eigen Peter Langhoutbus in. Weer even normaal vervoer. Heerlijk. Zonder oponthoudt rijden we terug naar Fiuggi. Onderweg zien we nog twee regenbogen als het weer begint te regenen, terwijl zonnestralen nog door een gat hoog in de wolken weten door te dringen. Kwart voor zeven zijn we terug in het hotel. Ik loop nog snel even naar het dorpje om water en cola te halen bij een klein supermarktje. Het eten is prima vanavond. Stevige maaltijdsoep en lekkere karbonade met boontjes. Na het eten wandelen we nog even het centrum in waar het dankzij het mooie weer nu iets gezelliger is dan gisterenavond. Toch blijft Fiuggi een vrij levenloos gehucht.
Vandaag doen we niet veel, dus hoeven we pas om 8 uur op te staan. We kauwen het vieze ontbijt weg en stappen om 9 uur in de bus. We gaan vandaag opnieuw naar Rome, maar niet om de stad te bekijken. In plaats daarvan is het de bedoeling om de catacomben en de Via Antigua te bezoeken. Die attracties liggen net buiten de stad. Het weer is heel aardig vandaag en we rijden nu eens gelukkig via een provinciale weg naar de stad. Er is al direct veel meer te zien dan vanaf de snelweg. We passeren allerlei leuke dorpjes en zien onderweg verschillende campers staan die volgens Joop als bordeel dienst doen. Sommige dorpjes zijn als een soort burcht bovenop een heuveltop gebouwd. Na het met hoge muren omringde zomerverblijf van de paus gepasseerd te hebben komen we in het dorp Frascati aan, midden in het Albano gebergte. Ook Frascati ligt op een berg, zodat rondom een schitterend uitzicht te bewonderen is. Vanaf de noordwestzijde is in de verte Rome te zien. Het stadje zelf stelt echter weinig voor. Bij een ansichtkaartenstandaard kijk ik of er wellicht bezienswaardigheden zijn, maar dat blijkt nauwelijks het geval. Ze verkopen er dan in ieder geval geen ansichtkaarten van. Toch moeten we ons hier twee uur zien te vermaken en dat valt niet mee. Terwijl de groepsleden een lunchadres gaan zoeken, dwalen wij door de nauwe straatjes om een beetje rond te kijken. In een parkje rusten we even uit op een ijzeren bankje en eten we wat krentenbollen. Het valt gewoon op hoe schoon de lucht is op deze hoogte. Frascati is dan ook een kuuroord voor rijke Romeinen. Vanaf de randen van het dorp zijn op omliggende heuveltoppen luxe kuurpaleizen te zien. We wandelen nog even naar een bos met op een heuveltop een fraaie fontein. Vermoedelijk is dit vroeger een badinrichting geweest. Nu ziet het er tamelijk vervallen uit, hoewel de oorspronkelijke schoonheid nog lang niet weggevaagd is.
Rond 1 uur zijn we weer bij de bus. We rijden verder richting Rome door dorpjes met straatjes die zo smal zijn dat de bus er maar net doorheen past. Uiteindelijk komen we weer bij de gedeeltelijk ingestorte muren van de oude stad aan. Daar blijkt dat de catacomben gesloten zijn. Joop kan niet ontdekken wat er aan de hand is en of andere ingangen misschien wel open zijn. Omdat hij vrijwel nergens in mag rijden met de bus besluit hij om het complex heen te rijden. Ook dit leidt nergens toe en uiteindelijk worden de catacomben maar van het excursieprogramma geschrapt. Jammer. Ook de Via Antigua is niet te bereiken met de bus. Dat vind ik nog jammerder. Dat moet allemaal maar aan bod komen tijdens onze volgende reis naar Rome. Het wordt een steeds grotere puinhoop en Joop weet het ook niet meer. Intussen wordt luidkeels gemopperd in de bus. Niet terecht, vinden wij. Joop had beloofd de mensen uit Oman ergens in de stad af te zetten waar zij door bekenden opgehaald zouden worden. Hij heeft nu al flinke spijt van zijn belofte, maar besluit uiteindelijk maar tegen de regels in toch de overvolle stad in te rijden. Het gaat allemaal goed en via een flinke omweg weten we uiteindelijk de ringweg weer te bereiken. Vanaf de ringweg rijden we weer Rome in om opnieuw bij de St. Paulus kerk te stoppen. Het was nog te vroeg om alweer naar Fiuggi te rijden, dus wil de chauffeur ons nog even in de gelegenheid stellen de kerk te bezoeken. Daar was gisteren geen tijd voor. Het blijkt bijzonder de moeite waard. De kerk is van binnen veel mooier dan de sobere buitenkant doet vermoeden. In Italië is meestal of de buitenkant, of de binnenkant van kerken heel mooi. Een uitzondering vormt natuurlijk de St. Pieter. Die is in alle opzichten prachtig. De binnenkant is trouwens ook wel sober, maar dan van een uitmuntende schoonheid. De enorme zuilen en het glanzende natuursteen zorgen voor een uniek lichtspel. Door de afgelegen ligging wordt de St. Pauluskerk kennelijk sterk onderschat, want veel toeristen zijn er niet. Met drie passagiers minder rijden we tot slot voor de derde maal richting Fiuggi. We zijn al vroeg weer in het hotel, dus besluiten wij nog een stuk te gaan wandelen. De bedoeling was om naar een van de twee bronnen van het dorp te lopen, maar de wegwijzers maken niet duidelijk hoeveel kilometer het nog zal zijn. We laten de bron dus maar voor wat die is en lopen in de richting van het oude gedeelte van Fiuggi, dat boven op een heuveltop ligt. Het wordt een zware klim, maar die blijkt de moeite waard als we eenmaal boven zijn. Behalve het fraaie uitzicht, is ook het dorpje zelf bijzonder leuk om te zien. Het is net alsof het door Anton Pieck ontworpen is. Smalle straatjes, trappetjes en hele leuke, kleine huisjes met heiligenbeeldjes in kleine nisjes. Sommige huisjes zijn versierd met mooie bloempotten en klimrozen. Een paar oude, kromme Italiaantjes met wandelstok maken het beeld compleet. Niemand is kennelijk zo gek om naar boven te klimmen, want we komen geen toerist tegen. Althans. Op een gegeven moment stuiten we op een groep Duitsers. Het is meteen gedaan met de rust. Via een andere route lopen we weer naar beneden en via het nieuwe centrum van Fiuggi terug naar het hotel.
We lopen stevig door want het is bijna 7 uur en mijn vrouw is erg bang een deel van de maaltijd te missen. Het eten is niet zo bijzonder vanavond. Gortdroge kip, wat pasta en een abrikozentaartpunt als toetje. Na het eten lopen wij als enigen nog even het verlaten centrum van het dorpje in. In het hotel blijven is vanwege de rokers niet prettig. Terug op de kamer pakken we de koffers in want na drie overnachtingen in Fiuggi is het morgen weer tijd om naar de volgende bestemming te rijden.
Na het gebruikelijke armzalige ontbijt met zoutloos brood vertrekken we precies om acht uur uit Fiuggi. Het regent weer, maar in de verte is beter weer op komst. We kunnen de route naar Rome wel dromen intussen. Via de A1 rijden we richting Florence. Op een lang stuk met snelheidsbeperking na kunnen we achter elkaar doorrijden. Joop vermaakt ons met een paar ingewikkelde raadsels. Hij heeft negen bollen die er precies hetzelfde uitzien. Een van de bollen is zwaarder dan de andere. Hoe kun je met een balans uitzoeken welke de zware is als je de balans maar tweemaal mag gebruiken? Denk er maar even over na. Het antwoord volgt later. Het tweede raadsel was hoeveel keer je het cijfer 7 tegenkomt als je tot 100 telt. Het duurde even voordat een van de slimmere passagiers het raadsel van de bollen had opgelost. Je maakt drie groepjes van drie ballen. Twee groepjes leg je op de balans. Als deze in evenwicht blijft, zit de zware bal in het derde groepje. Als de balans doorslaat, is ook bekend in welk groepje de zware bal zit. Neem dat groepje en leg daarvan een bal in iedere schaal. Als de balans in evenwicht blijft, is de bal die niet op de balans ligt de zware bal. Het aantal 7ens gokte iedereen fout. Het waren er twintig.
Tegen 10 uur stoppen we bij een van de vele Autogrillrestaurants langs de weg. Koffietijd.
Wij lopen wat rond door de souvenirwinkel waar je behalve normale spullen ook enge zwarte beelden van Mussolini kunt kopen. De dictator vormt een groot contrast met de talrijke heiligenbeelden die de planken van de winkel vullen. Jozef en Maria zijn in alle vormen en kleuren te koop met of zonder ingebouwde verlichting. De drie kwartier pauze duren lang. We kijken een beetje rond en bewonderen de enorme viaducten waarover de snelweg een rivierdal passeert. Het is een dure weg geweest, maar de investering zal met de niet geringe tolbedragen inmiddels wel terug zijn verdiend. Want druk is het wel op de Italiaanse A1. Eindelijk rijden we weer verder. Na een tijdje passeren we Florence. Ver in de verte is vaag de koepel van de Dom te zien. We blijven op de A1 en tellen de genummerde viaducten af terwijl we verder richting Bologne rijden. Na Modena verlaten we de A1 en rijden we recht naar het noorden via de 45 naar Verona. Hier rijden we door de Povlakte, wat een weinig spectaculair landschap is. Er komt steeds meer industrie langs de snelweg. Als we de Po zijn gepasseerd stoppen we bij de Autogrill voor een lunch. Het is inmiddels 1 uur en we hebben al heel wat kilometers afgelegd. Ik bestel lasagne en mijn vrouw neemt tortellini’s. Het zijn lauwe muizenhapjes die je in de magnetron zelf op moet warmen. Twee keer vijftien seconden is echt wel nodig om de maaltijd een beetje op temperatuur te krijgen. Bij Verona passeren we het vliegveld van Villafranca waar tijdens de Joegoslaviëoorlog de jachtvliegtuigen opstegen. Van de stad zien we niets, omdat ook hier het fenomeen rondweg is doorgedrongen. Maar de route wordt voorbij Verona wel mooier. We rijden via een provinciale weg naar de bergen, waar we via een lange haarspeldbochtenweg uiteindelijk in San Zeno di Montagne aankomen. Een klein dorp dat op vrijwel geen enkele kaart is terug te vinden, maar dat door wegwijzers redelijk goed wordt aangegeven. Veel meer dan een kerk, een winkeltje, ons hotel en wat boerderijen is het niet. Beneden in de diepte is het Gardameer te zien.
Het hotel Solo is bepaald niet slecht. Drie sterren en dat is wel te zien. Heel wat meer luxe dan we tot nu toe hebben gehad in Italië. We gooien de spullen op de kamer en beginnen meteen aan een wandelingetje. Dat kan nog net voor het eten. We lopen in de richting van het meer. Het meer zelf is onbereikbaar omdat we hier op zo’n 700 meter hoogte zitten. Het zou een halve dag kosten om heen en terug te lopen. Helaas begint het zachtjes te regenen. We steken de paraplu op en lopen de andere richting in naar de bergen. We volgen een mooie bosweg die langs Oostenrijkachtige huisjes loopt. Het moet toch wel geweldig zijn om hier een tweede huisje te hebben. De huisjes die er staan hebben allemaal een tuin met uitzicht op het Gardameer. Half zeven maken we maar weer rechtsomkeert om niet te laat voor het diner te komen. Het gaat steeds harder regenen.
De maaltijd valt niet tegen. Pasta met het inmiddels gebruikelijke varkenslapje en een puddinkje toe. Ik had wel weer eens soep gelust, maar dat lijkt een zeldzaamheid in het Italië van Peter Langhout. We maken ditmaal geen avondwandeling. Het is te koud en te vochtig. Misschien morgen, als het mooier weer is. We informeren pessimistisch naar de weersverwachting voor morgen als we naar Venetië gaan.
Half zeven staan we op. Ik film het uitzicht over het nu duidelijk zichtbare Gardameer. Het weer ziet er goed uit. Jammer dat de stilte verstoord wordt door ronkende tourbussen. Het ontbijt is hier in het noorden stukken beter. Het brood is vers en niet zoutloos en we krijgen nog jus
’d orange ook. Om 8 uur vertrekken we via Verona en Vicenza naar Venetië. De passagiers die altijd achter ons zitten zijn er vandaag niet bij. De vrouw is ernstig ziek geworden en de man blijft bij haar. Ik vind het wel lekker dat ik nu de stoel in de luierstand kan zetten zonder daar iemand mee te hinderen.
De A4 is behoorlijk druk met vooral vrachtverkeer richting Slovenië. De andere richting staat het verkeer vast, maar wij kunnen nog wel doorrijden. Rond 10 uur komen we bij Mirano waar de meeste Venetianen wonen. Het is een bijzonder armoedige stad vol sterk vervuilende industrie en woonkazernes. Wat een contrast met wat ons vermoedelijk straks te wachten staat. Via de dijk langs de spoorlijn rijden we verder naar het oude Venetië, waar we met de bus uiteraard niet in mogen. Daarom stappen we over op een boot. De tientallen tourbussen die al op de parkeerplaats staan geven een vage indicatie van de drukte die we kunnen verwachten. Het zal nog moeilijk worden om vanmiddag de bus terug te vinden.
We lopen naar de taxiboot langs een enorme in aanbouw zijnde parkeergarage. Het wordt hier een soort superterminal voor toeristen die naar Venetië willen. In de haven ligt een roestbak van een schip. Het is niet eens meer te zien uit welk land het gevaarte afkomstig is. Ik zou er niet de oceaan mee opdurven. Met veel kabaal varen we verder en na een tijdje zijn de eerste mooie huisjes en bruggetjes over de talrijke kanaaltjes te zien. Na ongeveer een minuut of twintig passeren we het beroemde St. Marcoplein en een paar huizenblokken verder leggen we aan. Ik prent goed in mijn geheugen waar we zijn, want hier zullen we vanmiddag ook weer moeten opstappen. Op de kade is het nog vrij rustig. Er zitten allerlei souvenirverkopers uit Afrikaanse landen die bijna allemaal dezelfde rommel verkopen. Ook hier weer de keukenschorten met blote dame. De boeken over Venetië zijn misdadig duur. Ik had er een bij de Witte Boekenmarkt moeten kopen. Daar kosten ze bijna niets. Joop loopt nog een stukje mee om ons de weg naar de Rialtobrug te wijzen. Officieel mag hij hier niet gidsen en het was te duur om een echte gids in de arm te nemen. Drie bruggetjes verder zijn we bij het kanaal langs de gevangenis en zien we de beruchte Brug der Zuchten. Gevangenen liepen vroeger zuchtend over deze brug want het was hun laatste kans om een blik op de vrijheid te werpen. Er is al geen doorkomen meer aan. Duizenden mensen lopen kriskras door elkaar heen en doen hun best om elkaar te fotograferen zonder een voorbijganger op de voorgrond te krijgen. Een welhaast onmogelijke opgave.
Op het St. Marcoplein is het echt duwen. We hebben geluk dat het geen hoogwater is, want dan overstroomt het plein en moet je over een soort plankenstellage lopen. Dat zou met deze drukte onmogelijk zijn. We bekijken even de St. Marcokerk, maar al snel moeten we verder achter de groep aan. Het kost mij de grootste moeite om de anderen niet uit het oog te verliezen. Voor de St. Marcokerk staat een enorme rij van mensen die naar binnen willen. Ik denk dat je er dan beter ’s morgensvroeg kunt gaan staan, want nu duurt het uren voordat je naar binnen kunt. En dat in de brandende zon.
We hollen achter Joop aan door de smalle steegjes vol glaswinkeltjes. Iets anders dan sierglas en bizar dure kleding is niet te koop in deze stad. Bij de Rialto-brug kunnen we eindelijk onze eigen weg gaan. Wij lopen eerst een stukje terug naar McDonald’s voor een milkshake en een plasje. Dan bekijken we de afgeladen Rialto-brug over het grote kanaal waardoor honderden scheepjes varen. De beroemde zwarte gondels zijn sterk in de minderheid. Wij besluiten geen gondeltochtje te maken, want een tarief van 50 euro voor een kwartiertje schijnt geen uitzondering te zijn. En dat hebben we er nu ook weer niet voor over. Wel kunnen we met de riviertaxi. Die gaat alleen door het grote kanaal, maar dat is ook leuk en kost maar 6000 lire. Het lijkt ons echter beter om eerst te gaan lopen en dan de boot terug te nemen. We moeten dan naar het Piazza di Roma. Een flinke wandeling, die langs veel van de bezienswaardigheden van Venetië voert.
De stad is mooi, maar het is jammer dat de meeste gebouwen sterk verwaarloosd zijn. Kennelijk heeft men er niet veel vertrouwen in dat Venetië ooit nog van de dreigende ondergang kan worden gered en laat men alles maar voor wat het is. Vooral door de olieraffinaderij aan de overkant van de lagune wordt veel grondwater onttrokken, waardoor de stad steeds verder wegzakt. De kanaaltjes en de bruggetjes zijn dus erg leuk, maar de monumenten zijn op een enkele uitzondering nauwelijks de moeite waard. Ook hier valt dat weer uit het aantal ansichtkaarten af te leiden. Dat houdt niet over. Alleen het St. Marcoplein en de enorme kathedraal San Maria della Salute zijn veelvuldig op de prentbriefkaarten terug te vinden. En de gondels natuurlijk.
Oriënteren valt niet mee met al die kronkelsteegjes. We moeten naar het noorden, maar vaak komen we in doodlopende steegjes terecht. Ook aan de kaart hebben we niet veel. Kerken die erop staan kunnen we niet vinden en kerken die we wel vinden kunnen we niet op de kaart ontdekken. Hier en daar staat de richting naar het Piazza di Roma aangegeven, maar even verderop is er dan weer een splitsing en mag je zelf uitzoeken hoe je verder moet. Zo dwalen we uren rond door een feitelijk niet bijzonder interessant deel van de stad. Het plein waar we op de boot zullen stappen blijkt uiteindelijk erg moeilijk te vinden, maar het lukt toch. Eindelijk kunnen we even rusten. Het Piazza di Roma is trouwens niet meer dan een verschrikkelijk verkeersknooppunt met een treinstation en een busstation. Je moet de riviertaxi pakken om weer in het echte Venetië te komen. Dat doen wij dan ook. Net op tijd, want het begint weer te regenen. De ochtend hadden we mooi weer en brak zelfs af en toe de zon door, maar nu is het weer grijs, grauw en nat. Bij de Rialtobrug moeten we uitstappen. Ik had nog verder gewild tot de Accademia, waar je de San Maria della Salute kunt zien, maar deze boot gaat niet verder. We lopen terug naar de brug en dan een wijk in waar volgens de kaart veel kerken moeten zijn. Weer komt de kaart niet overeen met onze beleving. Maar wel is deze buurt veel leuker dan het gedeelte richting Piazza di Roma. Alleen is het inmiddels wel al drie uur en moeten we kwart voor vier terug zijn bij de boot.
We lopen weer terug naar het pleintje bij de Rialtobrug en vandaar verder naar het oosten. Ik hoop op die manier de Ponte Accademia te kunnen bereiken, maar dat lukt dus niet. We kunnen totaal niet opschieten door de met mensen dichtgepropte steegjes. Kwart over drie besluiten we haastig terug naar het St. Marcoplein te lopen, maar mijn vrouw wil eerst nog plassen. Dat moet bij McDonald’s bij de Rialtobrug, want openbare toiletten kent Venetië niet. Er wijzen wel bordjes naar toe, maar die zijn net zo handig als alle andere bordjes in deze stad. Bij de eerst volgende splitsing mag je het verder zelf uitzoeken. Pas half vier hebben we de McDonald’s terug gevonden. Het wordt nu echt spannend. We moeten in looppas terug naar het St. Marcoplein, maar dat blijkt helemaal niet makkelijk te vinden. De bordjes zijn even nutteloos als mijn kaart. Ik weet alleen dat we naar het zuiden moeten, omdat daar de haven ligt. Tegen kwart voor vier hollen we eindelijk over het overvolle St. Marcoplein. Op de kade kunnen we weer even opschieten, maar het lijkt verder dan verwacht. Na vier bruggetjes begin ik te twijfelen of we niet te ver zijn gelopen. Maar dan zie ik het restaurant Gabrielle, waar we vanochtend zijn uitgestapt. De boot en de groep zijn echter nergens te bekennen. Dat is niet zo gek, want het is inmiddels vijf voor vier. Mijn echtgenote is doodop en wanhopig. Ik bel het mobiele nummer van Joop. Ze zitten al op de boot. De schipper wilde niet langer wachten, maar wij kunnen met de volgende boot mee. Ik zoek een man met een rood jack en zeg dat we van Peter Langhout zijn. Hij gebaart en roept “okay, five minutes”. We wachten af. Na een kwartier kunnen we op een boot vol schoolkinderen. Maar Joop weet in ieder geval dat we er aan komen dus hij zal niet wegrijden met de bus. We varen weer langs de huisjes en de kanaaltjes en komen na een dik kwartier in de haven met de enorme roestbak aan. Als de boot eindelijk met heel veel moeite heeft kunnen aanleggen, gaan wij als eersten van boord en hollen we in de richting van de busterminal, waar Joop ons al staat op te wachten. Het lijkt hem gelukkig niet veel uit te maken dat we wat later zijn. Ook het commentaar in de bus valt mee. Moe vallen we neer op onze stoel.
Onderweg naar San Zeno di Montagne begint het weer flink te gieten, maar als we aan komen schijnt de zon. Ik wil nog wat foto’s maken van de omgeving, maar mijn vrouw duikt met zware hoofdpijn meteen haar bed in. Het is nu helder, dus ik kan een paar mooie uitzichtfoto’s van het Gardameer maken. Half acht is het tijd om te eten. Eindelijk soep. En nog lekkere minestronesoep ook. Mijn vrouw ging wel mee naar de eetzaal, maar na twee happen soep gaat zij toch maar weer liever naar bed. Ik eet haar maaltijd op, zodat ik eindelijk eens behoorlijk kan eten. Het hoofdgerecht stelt niets voor. Wat botjes met vet en doperwten. Een peer is het toetje van vanavond. Daar heeft mijn echtgenote niet veel aan gemist. Ik praat nog wat met de familie uit Oman die bij mij aan tafel zit. Het vrouwtje met de hoofddoek zegt dat ik beslist eens naar Oman op vakantie moet gaan. Maar dat lijkt mij een beetje duur en veel zal er niet te zien zijn. Al om negen uur liggen we allebei te slapen. Morgen wordt het weer de hele dag in de bus zitten, als we naar Duitsland rijden.
Vandaag begint de terugreis naar Nederland. Maar eerst zullen we nog in ZuidDuitsland overnachten. Mijn vrouw is gelukkig al weer opgeknapt en voor de laatste keer ‘genieten’ we van het Italiaanse ontbijt. Op de vaste tijd van 8 uur rijden we San Zeno di Montagne uit richting Brennerweg. Onze achterburen zijn weer van de partij, maar zullen in Duitsland opgehaald worden om meteen door naar Nederland te kunnen rijden.
Na slechts een half uurtje zien we al de eerste Duitstalige plaatsnamen. We zijn in Alto Adige aangekomen, waar zowel Italiaans als Duits wordt gesproken. Om ons heen liggen de enorme bergen van de zuidelijkste uitlopers van de Alpen. Dan begint het te sneeuwen. Eerst een beetje, maar al vrij snel vallen de vlokken zo dik dat het landschap om ons heen wit kleurt. Het lijkt wel kerstmis. Voor de reis is dat jammer, want het was aanvankelijk de bedoeling om via de oude Brennerpas te rijden en het schilderachtige plaatsje Vipiteno te bezoeken. Dat gaat nu allemaal niet door. Te riskant vindt Joop. Voorbij Bolzano stoppen we bij een klein wegrestaurant. Het wordt de laatste stop in Italië. Wij besluiten een stukje te wandelen door het sneeuwlandschap. Om ons heen liggen de enorme witte bergen en de dorpjes zijn hier schattig met hun Tiroler huisjes. Het zal het enige zijn dat we van de Alpen meemaken, want hierna rijden we in een keer door naar Duitsland. Joop houdt niet van Oostenrijk en is niet van plan er een stop in te lassen. Bovendien heeft natuurlijk niemand Oostenrijks geld bij zich.
Via de Brennerpass en de grote Europabrug rijden we richting Innsbruck. De grens tussen Italië en Oostenrijk merken we nauwelijks op. Van het uitzicht is helaas niet zoveel te zien vanwege het slechte weer. Pas bij Innsbruck wordt het iets beter, maar dan hebben we de mooiste bergen gehad. Nog een keer puffen we een haarspeldbochtenweg op om via de Zillerpass naar Duitsland te rijden. Om het gemis van de oude Brennerroute goed te maken, besluit Joop deze fraaie weg te nemen in plaats van de makkelijkere weg langs Füssen. De bus redt de steile helling van 16 procent maar net in de eerste versnelling. Eenmaal boven passeren we de grens en rijden we het eveneens spierwitte Duitsland binnen. Het is een vreemd idee dat we een paar uur geleden nog door het zonnige Italië reden.
In Garmisch Partenkirchen stoppen we voor de lunch. Het is precies 1 uur en om 2 uur vertrekken we weer. Wij lopen niet achter de groep aan maar gaan de andere kant op. Daar vinden we een Italiaans restaurant. We gaan eens kijken of we hier lekkerder Italiaans kunnen eten dan in Italië zelf. Ik bestel lasagne en een groot glas donker bier. Mijn vrouw neemt een vier seizoenenpizza. Of we nu iets moeilijks besteld hebben weet ik niet, maar het wachten duurt lang. Half twee zitten we nog op ons horloge te kijken. Over een half uurtje moeten we weer in de bus zitten. Maar vijf minuten later wordt eindelijk het eten opgediend. En het is voortreffelijk. Onze beste maaltijd sinds we vertrokken zijn uit Nederland. We schrokken alles naar binnen en hollen vijf voor twee terug naar de bus. We zijn nog niet de laatste, maar precies om twee uur vertrekken we wel.
We rijden nu door een vlak en nog steeds wit landschap. Via de zogenoemde Romantischer Strasse rijden we richting Augsburg. Erg romantisch is het trouwens niet. Ondanks de sneeuw is het een saai en verlaten landschap. In de weinige dorpjes die wij passeren is geen mens te zien. Dat is ook niet zo gek. Het is prima weer om lekker bij de kachel te zitten. Onderweg moeten we ruim tien kilometer omrijden wegens werkzaamheden. Joop wordt er behoorlijk humeurig van. Toch zijn we rond vijf uur in Nordlingen. Het blijkt dat het hotel in de ommuurde oude stad ligt en dat de wegen ernaar toe door vrij lage stadspoorten lopen. Zo blijven we een beetje rondjes om de stad rijden, waarbij we ook het station passeren dat wel een spoorwegmuseum lijkt, compleet met stoomlocomotieven. Uiteindelijk komen we bij een poort aan die eruit ziet alsof de bus er wel onderdoor past. Joop kent de hoogte van zijn bus kennelijk goed, want hij gaat met een behoorlijke vaart onder de poort door.
Nordlingen zelf blijkt prachtig. Het is een goed bewaard gebleven of gerestaureerde stad met schitterende vakwerkhuisjes. Het lijkt wel een openluchtmuseum. Het is geen straf om hier een nachtje te moeten blijven. Na wat zoeken en moeilijk gemanoeuvreer door de smalle straatjes, vinden we het hotel. Het overtreft al onze verwachtingen. Superdeluxe. De mensen achter ons nemen afscheid van de groep en stappen bij hun zoon in de auto. Ik vraag mij af of dat nu prettig is om na zo’n bustocht nog eens 600 kilometer in een auto te zitten. Ze moeten het zelf maar weten. Wij gaan natuurlijk meteen aan de wandel. We lopen door het buitengewoon schilderachtige stadje en volgen een beetje de stadsmuur om zo ongeveer alles te kunnen zien. Helaas hebben we maar een half uurtje. Na het eten moeten we de rest maar gaan bekijken. We zijn net op tijd voor het voortreffelijke diner. Het is wel een apart Peter Langhoutdiner, want mensen die de volle mep hebben betaald eten in het weldadige buffetrestaurant. Toch valt op het eten weinig aan te merken. Heerlijke roomsoep en rijst met een soort goulash. Een bramenprutje met een toefje namaakslagroom is het toetje. De drankjes zijn helaas niet goedkoop. Een colaatje en een glaasje bronwater komen op 11 mark. Zoveel had ik niet meer. Dus moet ik met mijn creditcard betalen. Het is niet anders. We maken de wandeling af, maar helaas wordt het nu snel donker. We besluiten de rest van de avond van de overweldigende luxe van het hotel te gaan genieten. Onze kamer lijkt wel een presidentiële suite.
De laatste dag van onze korte vakantie alweer. We staan vroeg op want we willen lekker van het Duitse ontbijt genieten. Al 7 uur breng ik de koffers naar de bus. Het ontbijt is beter dan we waar dan ook in Italië hebben gehad. Al is het natuurlijk wel weer een aangepast low-budgetontbijt. Toch zijn er cornflakes, verse melk en pepermuntthee. Wij ergeren ons aan de mensen die zelfs in de ontbijtzaal nog moeten roken. Onbegrijpelijk dat zulke verstokte rokers met een niet-rokers-reis meegaan.
Op de gebruikelijke tijd van 8 uur vertrekken we weer. Helaas kunnen de stoelen nu niet in de slaapstand, want een raar mannetje met een videocamera heeft de plaats van de gisterenavond vertrokken reizigers ingenomen. Met een flinke vaart stuiven we onder de slechts 3,25 meter hoge stadspoort door. Joop imiteert de verwoesting van het dak door de microfoon. Buschauffeurhumor. Buiten valt weer natte sneeuw en het landschap om ons heen is spierwit. Zo snellen we voort via hoofdzakelijk provinciale wegen richting Heilbronn. Het landschap is vrij saai en mensen zijn nergens te bekennen. Na een uur houdt ook de sneeuw op. De natte sneeuw is inmiddels in regen overgegaan. Maar een half uur later breekt ineens de zon door en als we vlak bij Heidelberg een koffiestop maken is het stralend weer. Het wegrestaurant ligt vlak bij een autoracecircuit. In de verte is het geloei van de racewagens te horen en bij het wegrestaurant is het zo druk dat de politie het verkeer staat te regelen. Wij kiezen voor een boswandeling in plaats van de Duitse koffie. Naast de snelweg ligt een prachtig wandelbos. Het is alleen jammer dat de natuurgeluiden overstemd worden door het racegeweld.
Om kwart voor elf rijden we weer verder. Ditmaal door een echt lentelandschap. Via een grote spankabelbrug kruisen we de Rijn. ZuidDuitsland zit erop. We rijden nu recht naar het noorden langs de westelijke Rijnoever. De omgeving is prachtig met zijn hoge heuvels en vele kastelen. Bij St. Goar stoppen we voor de lunchpauze. We zijn nu in de beroemde bocht van de Rijn bij de Loreleyrots. We hebben nog krentenbollen, dus besluiten we de omgeving te gaan verkennen in plaats van de lokale horeca. Het plaatsje is bijzonder toeristisch. Er zijn talloze mogelijkheden om Rijntochtjes te maken, maar daarvoor hebben we geen tijd. Langs de oever lopen we terug naar de bocht, waar aan de overkant het standbeeld van Loreley te zien is. Loreley is een legende uit deze streek en gaat over een vrouw die zo mooi kon zingen dat ze alle aandacht opeiste van de stuurlui van de schepen. Daardoor zouden heel wat schepen op de verraderlijke rotsen zijn gelopen.
Om kwart over een zouden we moeten vertrekken, maar een aantal gasten is nog niet komen opdraven. Joop krijgt al weer direct last van zijn zenuwen. Na een kwartier zijn de drie oudjes nog nergens te bekennen en gaan twee andere reizigers op onderzoek uit. Nog eens vijf minuten later komen ze eindelijk aankakken. Ze hadden zo lang op het eten moeten wachten, zeiden ze. Met een rotvaart jaagt Joop de bus het dorp uit richting Nederland. Na een laatste blik op de Rijn draaien we een haarspeldbochtenweg door de bossen op. Via een pas kruisen we het gebergte langs dit deel van de Rijn, waarna we weer de Autobahn oprijden. Ditmaal is het de A61. Venlo staat al aangegeven. We zijn bijna thuis. We stoppen nog een keer bij een wegrestaurant in Eppingen, waar ik precies drie pfennig tekort kom om een ijsje te kopen. Mijn vrouw had een nogal royale fooi aan de toiletjuffrouw gegeven. Nog een keer kiezen we onze riante plaatsen voorin de vertrouwde bus, want nu rijden we direct door naar Eindhoven.
Het is nog steeds prachtig weer als we bij Venlo de grens passeren. Vreemd om weer terug in Nederland te zijn. We rijden langs een uitgestrekt bedrijventerrein met een als Indiaas paleis vermomde tapijtenhal.
Door de bebouwde kom van Venlo bereiken we de A67. Joop merkt inmiddels dat door al het gehaast we veel te vroeg in Eindhoven dreigen aan te komen. Dus rijden we met een slakkengang van 70 kilometer per uur verder. Joop vat alle gebeurtenissen van de afgelopen tien dagen samen. We kunnen concluderen dat het een leuk uitstapje is geweest. Een kennismaking met Italië, dat bewezen heeft een wel wat langer bezoek waard te zijn.
Als een van de eerste bussen komen we in ‘restaurant’ de Tongelreep aan. Helaas hebben we in deze donkere, rokerige zaal ons afscheidsdiner. Weinig ambiance, maar in dat opzicht heeft deze reis toch al niet uitgeblonken. In tegenstelling tot wat we in Italië te consumeren hebben gekregen, is het eten in deze enorme bejaardensoos wel smakelijk en het is toch wel gezellig om nog even bij Aad en Vera aan tafel te zitten.
In enorme colonnes lopen we weer maar een van de 26 bussen terug. We hebben een andere bus die ons via Amsterdam Sloterdijk naar Haarlem terug zal brengen. Als we de A2 oprijden passeert een lang Peter Langhoutkonvooi, dat bij elk verkeersknooppunt verder uitwaaiert.