Indonesië is eigenlijk een verzameling landen met grote onderlinge verschillen. Het bekendst zijn ‘hoofdeiland’ Java en toeristenparadijs Bali. Maar de voormalige Nederlandse kolonie heeft nog veel meer te bieden. Je kan er maanden rondreizen, zonder dat het een moment zal vervelen. Zoveel tijd had ik niet. Daarom besloot ik het minst bekende, moeilijkst te bereizen en volgens mij interessantste deel te bezoeken: Irian Jaya. Dit deel viel nog tot het begin van de jaren zestig onder Nederland, waarna het onder internationale druk aan Indonesië werd overgedragen. Jammer voor Nederland, want het gebied is rijk aan bodemschatten. Dat is ook meteen een nadeel voor de bevolking, want juist vanwege de hoge opbrengsten van de mijnbouw is het uitgesloten dat de Indonesische regering ooit zelfbestuur of zelfs onafhankelijkheid zal toestaan. In plaats daarvan dringt men de eigen cultuur op aan de bevolking die praktisch nog in de oertijd leeft, maar door moderne maatregelen als geboortebeperking en doordachte landbouwmethodes een bestaan zonder honger en ellende leidt. Ik heb nog veel van deze eeuwenoude cultuur mogen beleven, maar het is duidelijk dat het een aflopende zaak is. Kinderen zijn verplicht om naar school te gaan, leren daar Indonesisch en dienen ‘westers’ gekleed te gaan. Die gaan later niet meer in peniskoker of rieten rokjes rondlopen. Dat is jammer voor toeristen, maar meer nog voor de bevolking die gedwongen wordt een nieuw tijdperk in te stappen, afscheid te nemen van vertrouwde gewoontes en die onzekere tijden tegemoet gaat. Ik begon mijn reis in Bali om te acclimatiseren. Drie dagen later vloog ik met een klein groepje Nederlanders en België naar Wamena in Irian Jaya om van daaruit twee trektochten door de bergen langs authentieke dorpen te maken. Na Irian Jaya bezocht ik nog de eilanden Biak en Yapen. Op Yapen maakte ik een jungle tour, die een ware uitputtingsslag werd. De laatste week verbleef ik op Sulawesi, waar ik Tana Toradja met zijn bijzondere cultuur bezocht.
In de zomer van 1998 was Indonesië aan de beurt. Mijn hoofddoel was de meest oostelijke provincie Irian Jaya, die tegenwoordig West-Papua heet. Ik bezocht daar gebieden waar mensen nog praktisch in het stenen tijdperk leven. Om te acclimatiseren bracht ik eerst drie dagen op Bali door. Uitrusten kwam er niet van, want als ik ergens ben wil ik wel meteen alles zien.
Via een aantal etappes vloog ik vervolgens naar Wamena in de Baliem-Valei waar ik gedurende bijna drie weken twee lange trektochten maakte. Daarna bracht ik nog een week op het natuurparadijs Yapen door en een week op Sulawesi, waar ik het prachtige Tana Toradja bezocht. Java en Sumatra, waar iedereen naar toe gaat, heb ik links laten liggen. Die eilanden komen later nog wel eens.
Het leven in het voormalige Irian Jaya is verbluffend. Je kunt je niet voorstellen dat je anno 1998 voor zeven varkens een vrouw kunt kopen, dat bruiden worden geschaakt en dat primitieve mensen nog volgens een eeuwenoude, maar niettemin succesvolle cultuur kunnen leven. Aan dat laatste zal wel snel een einde komen, want de Indonesische regering laat er niets aan gelegen om de Papua-cultuur de kop in te drukken. Bovendien doet de westerse ‘beschaving’ haar intrede. Vooral de min of meer gedwongen immigratie van Javanen en Sulawesiërs brengt de Papua-cultuur weinig goeds. Het duurt misschien nog een paar jaar, maar dan hebben de Papua’s een GSM in plaats van een peniskoker.
Afscheid nemen van het thuisfront is altijd een vervelend begin van een verre reis. Ik zwaai nog een keer naar mijn vrouw Diana als zij de vertrekhal van Schiphol uitloopt en sluit mij dan aan bij een lange rij Chinezen voor de vlucht naar Hong Kong. Na lang wachten ben ik eindelijk van mijn rugzak verlost en kan ik nog snel filmrolletjes en videocassettes kopen. Ik heb de slechte gewoonte om altijd een rug- en nekwervels vernietigend gewicht aan foto- en filmapparatuur mee te nemen. Die spullen, die ik in een buiktasje draag, zijn minstens zo zwaar als de rest van mijn bagage. Na mijn aankopen in de fotowinkel van Schiphol, slenter ik naar gate G3 waar de grote, groene Boeing 747 van Cathay Pacific staat te wachten. De lounge zit vol. Vooral Chinezen, maar ook Nederlanders die hoofdzakelijk – net als ik – doorreizen naar Bali. Indonesië is nog steeds in trek, ondanks de politieke instabiliteit, de voortdurende rellen, bosbranden en economische malaise.
Het is een vreemd idee. Zo’n lange vlucht over Oost Europa, Rusland en China om ruim tien uur later in Hong Kong te landen. Ik zit net achter de vleugel aan het raam aan de rechterzijde. Naast mij zit een lawaaiige groep Nederlanders die eindeloos van plaats wisselen om maar zo dicht mogelijk bij elkaar te kunnen zijn. De porseleinen popjes van stewardessen lopen veiligheidsgordels controlerend van voor naar achter, terwijl op de beeldschermen aan het plafond en in de stoelen voor ons de veiligheidsinstructie wordt vertoond. Het valt mij op dat het cabinepersoneel een behoorlijk aantal nationaliteiten vertegenwoordigt. Chinees, Japans, Thais, Filippijns….
Op tijd starten we vanaf de Kaagbaan. Ik zie Hoofddorp, Nieuw-Vennep en zelfs nog even mijn woonplaats Hillegom. Diana moet ondertussen al lang en breed thuis zijn. Dan glijden de eerste wolken onder ons voorbij. De Jumbo klimt snel en zet met een statige bocht koers naar het oosten. Door gaten in het wolkendek herken ik Utrecht en Amersfoort nog, maar als na ruim een half uur de bewolking weer openbreekt, kan ik niets meer herkennen in de brei van wegen, landerijen en rivieren. Waarschijnlijk vliegen we al boven Duitsland.
Het is een super-de-luxe vliegtuig, maar het beeldschermpje in de stoel voor mij weigert de menuinstructies te gehoorzamen. Ik probeer vluchtinformatie op te vragen, maar het systeem lijkt een geheel eigen leven te leiden. Van alles komt er op het scherm, behalve een kaartje van Europa met daarop de positie van het vliegtuig. Pas als we ergens ten zuiden van Moskou vliegen, lukt het mij om het juiste kanaal te selecteren. Ik durf het apparaat meteen niet meer aan te raken.
Als ik het op porseleinen servies met metalen bestek geserveerde diner achter de kiezen heb ga ik op zoek naar mijn dekentje en kussen en probeer ik wat te slapen. Het is pas half zeven, maar buiten is het al nacht. Aan het begin van de vlucht werd een pakketje uitgedeeld met groene oversokken, een masker, oordopjes en een koptelefoon. Ook zat er een minuscuul tandenborsteltje en een piepklein tubetje tandpasta in. Alle luxe kan echter niet verhinderen dat ik de slaap niet kan vatten. Lezen lukt ook niet.
We vliegen noordelijk van de Himalaya China binnen. In de zwarte diepte zie ik hier en daar lichtjes van kleine steden fonkelen. Het geeft mij een gevoel van sensatie om na slechts een paar uur vliegen China te zien. Boven in de inktzwarte lucht zijn vaag wat sterren zichtbaar. Om twee uur ’s nachts Nederlandse tijd zullen we in Hong Kong landen. Geen prettig vooruitzicht. Het is daar dan allang ochtend.
Ik zet mijn horloge vooruit als het buiten begint te schemeren en zie dat het in Hong Kong nu 6 uur in de ochtend moet zijn. In de diepte zijn de noordelijke uitlopers van de Himalaya te zien. Het beeldschermpje doet het weer en ik zie dat we de zuidelijke provincies van China naderen. Het licht gaat aan en de stewardessjes komen langs om gloeiend hete doekjes uit te delen. Ze zijn zelf wel zo handig om een lange tang te hanteren, maar de passagiers branden bijna hun handen. Terwijl het ontbijt wordt geserveerd vergaap ik mij aan het Chinese landschap dat beneden te zien is. Ik herken het grillige karstgebergte van Guilin en de kronkelende Li-rivier waarin ik vijf jaar eerder op een grote binnenband heb liggen dobberen. De verstedelijking neemt nu snel toe, evenals de duidelijk zichtbare luchtvervuiling. Ik prop het Engelse ontbijt met championomelet en witte bonen in tomatensaus naar binnen, zonder mijn aandacht voor het uitzicht te laten verslappen. De bewolking is vrijwel geheel verdwenen, zodat ik een prachtige rondvlucht boven zuidelijk China krijg aangeboden.
Tegen acht uur zet het vliegtuig de daling in. De zon schittert op de enorme torenflats waarmee de heuvelachtige bergen rond Hong Kong zijn volgebouwd. Ik zie de vierbaanswegen en het links rijdende verkeer. Nog maar een jaar zal de kroonkolonie Brits zijn, want in 1999 wordt het eiland aan China teruggegeven.
De zee komt steeds dichterbij en ineens is het kunstmatige eiland te zien waarop het gloednieuwe Chek Lap Kok vliegveld is gebouwd. Het is nog maar net een maand open. Het is dus afgelopen met de spectaculaire landingen op het levensgevaarlijke vliegveld Kai Tak, waarvoor de Boeings zo ongeveer tussen de wolkenkrabbers door moesten vliegen.
Het is buiten 29 graden, maar daarvan is binnen in de kille grijze hallen van het nieuwe luchthavengebouw weinig te merken. Overal is airconditioning. Wat een luxe. Hier en daar steken nog bossen elektriciteitskabel uit de muren. Het gebouw is nog niet helemaal af. Chinese werksters sloffen met hun trolleys over de paars-grijze vloerbedekking. Engels design domineert nog altijd het interieur. Je voelt je hier niet in China. Nergens zijn Chinese karakters te zien en de talrijke taxfree-winkels in de transithal hebben het assortiment dat je op alle grote internationale luchthaven ter wereld aantreft.
Twee uur moet ik wachten voordat mijn aansluitende vlucht naar Bali vertrekt. Ik voel mij eenzaam en verlaten in deze kille omgeving waarin iedereen met zichzelf lijkt bezig te zijn. Hong Kong heeft weinig in gezelligheid geïnvesteerd op zijn nieuwe luchthaven. Ik stuur een kaartje met de groeten uit Hong Kong naar huis en loop dan naar de gate waar het vliegtuig staat waarmee ik voor het eerst in mijn leven de evenaar zal passeren.
We mogen op tijd aan boord, maar het duurt erg lang voordat we vertrekken. Het is smoorheet in het toestel dat tot de laatste plaats gevuld is. Ik zit bijna helemaal achterin aan het raam en ben blij dat ook op deze vlucht niet gerookt mag worden.
Buiten is niet veel te beleven. Na vijf minuten was Hong Kong uit het zicht verdwenen en nu is tot aan de kust van Kalimantan alleen maar zee te zien. Ditmaal werkt het schermpje in de stoel voor mij uitstekend, zodat ik kan zien wanneer ik de evenaar passeer.
Een nadeel van achterin zitten is de herrie, maar het uitzicht is natuurlijk perfect. Niets geen last van de vleugels en zo. Weer een vliegtuigmaaltijd. De flauwe hap begint mij nu toch echt tegen te staan. Azië is het werelddeel met het lekkerste eten, maar dat geldt niet op 10 kilometer boven de zeespiegel. Het voedsel is niet slechter dan bij andere maatschappijen, maar wel net zo smakeloos.
Na twee uur zie ik eindelijk de kust van Kalimantan, het vroegere Borneo. Ik ben in Indonesië! Nou ja, bijna. De Gordel van Smaragd ziet er niet gastvrij uit. Kale heuvels, waar ooit het tropisch regenwoud domineerde. Droge rivieren en hier en daar een zanderige weg. Op het schermpje zie ik na een tijdje dat we de evenaar passeren. Beneden is daar natuurlijk niets van te zien. De groen-grijze hel van Kalimantan verraadt niets van de lijn waarop het noordelijk in het zuidelijk halfrond overgaat. In de verte is al weer de Javazee te zien. Het duurt nu niet zo lang meer naar Bali. Ik ben daar wel blij om, want ik ben helemaal verstijfd van het veel te lang in één houding zitten. Het is namiddag als ik in het helder blauwe water het groene met sawa’s bedekte Bali zie liggen. We volgen de kust en lijken dan in zee te landen. De landingsbaan op het zuidelijkste puntje van het bekende vakantie-eiland begint namelijk in zee.
Het is een chaos in de aankomsthal van het vliegveld van Denpasar. Taxichauffeurs en geldwisselaars proberen elkaar te overstemmen in hun honger naar klanten. Ondanks het lange wachten voor de douane heb ik nog even tijd nodig om te wennen aan deze nieuwe wereld. Indonesië. Een typische droombestemming voor Nederlanders. En daar loop ik dan. Ik wil naar Sanur, een badplaats aan de oostkust. Het lukt echter niet om een bus te vinden. Dan maar een minibusje, dat in Indonesië bemo wordt genoemd. Voor 30.000 rupia wil de chauffeur mij graag naar Sanur brengen. Ik bereken dat ik dan ongeveer 2,5 euro kwijt ben. Geen bedrag om moeilijk over te doen. Later kom ik er achter dat ik toch wel een beetje ben opgelicht, omdat een taxi mij minder dan 1 euro gekost zou hebben. Daarom vond de chauffeur het kennelijk ook niet nodig om andere passagiers te ronselen.
Al snel lopen we vast in het verkeer. Alleen met ongehoorde brutaliteit is nog vooruit te komen. Brommers en motorfietsen moeten maar zien dat ze uitwijken, want de jonge buschauffeur toont geen genade voor medeweggebruikers die een kleiner voertuig hebben dan hij. Er wordt links gereden, maar dat lijkt zo ongeveer de enige verkeersregel te zijn die nog enigszins nageleefd wordt. Tenzij er natuurlijk op de rechter weghelft even ruimte is. Dan ziet de chauffeur altijd nog wel kans om met een fraaie snijmanoeuvre nog snel even een ander busje in te halen.
Het lukt nauwelijks om betaalbare accommodatie te vinden in Sanur. Het Ananda Beach Hotel behoort met 11 euro per nacht tot de goedkoopste opties. Omdat het inmiddels te laat is om buiten Sanur op zoek te gaan, besluit ik hier maar een kamer te nemen. Het is geen slecht hotel. Het bestaat uit bungalowtjes aan het strand in een mooie tuin. Ik neem een douche, trek schone kleren aan en begin dan aan een lange zwerftocht om een beetje aan de nieuwe omgeving te wennen.
Sanur is een doolhof. Een paar keer loop ik verkeerd en moet dan terug wandelen omdat het soms kilometers lijkt te duren voordat er weer een zijstraat komt. Het wordt donker.
Aan een lantaarnpaal hangt een reclamebord voor zuivel met een Hollands meisje en een Friese vlag erop. Verder is er eigenlijk niets meer te bespeuren wat nog herinnert aan Nederland, ondanks de pas vijftig jaar geleden beëindigde eeuwenlange overheersing. Dure hotels met dollarprijzen, goedkope restaurants met rupiaprijzen, souvenirwinkeltjes en weer hotels en restaurants. Dat is zo ongeveer Sanur. Personeel van de horecagelegenheden staat op straat te schreeuwen om klanten op hun zaak te attenderen. Wie niet luistert wordt half meegetrokken. Het is een vervelende en onbeleefde manier van klantenwerving. Jammer, want de zaakjes zijn van zichzelf al aantrekkelijk genoeg. Het eten ziet er overheerlijk uit en kost bijna niets. Ik plof ergens neer en bestel voor een euro of vijf een heerlijke maaltijd die ik bijna niet op kan. Alleen de gado-gado had minder zout gemogen. Na het eten is het echt donker geworden. Ik moet ingespannen turen tijdens het lopen om niet in een van de diepe gaten in het trottoir te vallen. Steeds stoppen brommers en auto’s naast mij om vervoer aan te bieden, maar ik loop nu eenmaal liever. Met een ruime omweg keer ik terug naar het Anandahotel. Ik douche het zweet van mij af en val daarna direct in slaap.
Drie dagen om Bali te bekijken. Dat is erg kort. Ik wil mijn tijd dus zo efficiënt mogelijk benutten. Wel ben ik nog moe na een nacht met weinig slaap. Steeds werd ik weer wakker van de warmte en van het lawaai van toeterende bromfietsers midden in de nacht. Ik ontbijt in het Anandahotel. Het typische trekkersvoer: bananapancake, twee grote glazen bananenshake, kaas, tomaat en omelet. Wat een overvloed!
Zin om nu al op het kleine strand van Sanur te liggen heb ik niet. Dat zou ik zonde van mijn tijd vinden. Ik besluit een bezoek aan Denpasar te brengen, de hoofdstad van Bali. Voor nog geen euro brengt een bemo mij er naar toe. Dat was trouwens niet eenvoudig te regelen. De bemo’s hebben een soort busstation, maar daar is het bijna onmogelijk om de goede te vinden. Tenzij je perfect Indonesisch spreekt natuurlijk, maar dat is bij mij niet het geval. Daarnaast stoppen er veel bemo’s langs de stoep. Vooral als de chauffeurs een rijke buitenlander zien. Dan is het gewoon een kwestie van vragen of het busje naar de gewenste bestemming rijdt en wat het moet kosten.
Pas in Denpasar merk ik dat ik mijn videocamera en fotorolletjes in Sanur heb achtergelaten. Zin om terug te gaan heb ik niet. Maar al gauw zie ik dat foto- en filmmateriaal niet echt nodig zijn in deze stad. Alles is lelijk. Zelfs de markt. Ik weet niet hoe andere markten er in Indonesië uitzien, maar ik hoop dat die niet lelijker zijn dan die van Denpasar. Zelfs ‘mooi van lelijkheid’ gaat hier niet op. Interessant is de markt wel. Textiel is een van de belangrijkste producten, maar wat mij het meest intrigeert zijn de vele apothekers. Zoals in meer Aziatische landen, worden medicijnen in plastic zakjes verkocht alsof het snoepjes zijn. Kleurige capsules met antibiotica gaan over de toonbank alsof het om zuurtjes gaat en om een doktersrecept wordt niet gevraagd. De medicijnen zullen wel hard nodig zijn, want als ik op de levensmiddelenafdeling kom en zie onder welke onhygiënische omstandigheden het vlees wordt verkocht… Ik ben blij als ik de uitgang van de donkere betonnen bouwval heb gevonden. Ik zwerf een beetje door de vuile straten. Bij een tempel maak ik een foto van het indrukwekkende houtsnijwerk. Bali is het enige Hindoeïstische eiland van Indonesië en Hindoeïstische tempels zijn altijd versierd met een overvloed aan barokke kunst. Mijn smaak is het niet, maar kunstig vind ik het wel. Er komt een schare kinderen met opgestoken hand achter mij aan. Ze willen voor geld op de foto. Ik loop snel door. Hier houd ik niet van.
Geld pinnen lukt niet. De automaat accepteert mijn Postbank-pasje niet. Dan maar ergens geld zien te wisselen bij een bank of zo. Ik heb girobetaalkaarten bij mij, maar die zijn door de hyperinflatie niet veel meer waard. Het maximale op te nemen bedrag is namelijk niet veranderd en vertegenwoordigt nu een waarde van nog slechts zo’n 15 euro. Daarmee kan je het ook in Indonesië niet lang uitzingen.
Tegen het einde van de ochtend ben ik Denpasar zat. Ik loop via een aardig buurtje terug naar de bemoterminal. De openbare bemo kost nog maar 1000 rupiah, wat neerkomt op 9 cent. Het wordt steeds goedkoper of ik word steeds handiger in prijsbewust reizen. Snel is echter anders, want het busje maakt een behoorlijke omweg. Zowat alle passagiers zijn verwisseld als ik anderhalf uur later eindelijk vlak bij mijn hotel kan uitstappen. Ik zoek een eenvoudig eettentje om te lunchen.
De tomatensoep is goed, maar de gado-gado smaakt een stuk minder. Het kleine beetje satésaus lijkt op iets heel anders. Een fiets huren vind ik niet meer de moeite waard. Daarom ga ik maar een stukje langs het enige mooie gedeelte van het strand lopen. Dat ligt voor het peperdure Bali Beach Hotel. Dat is de duurste accommodatie in deze plaats. Ik ga op het grove zand liggen om mijn Lonely Planet te lezen, maar val al vrij snel in slaap. Als ik wakker word is er een flinke tijd verstreken. De zon is inmiddels verdwenen achter het hoge Bali Beach Hotel. Ik moet er nog even aan wennen dat hier – op het zuidelijk halfrond – de zon via het noorden van oost naar west trekt. In de schaduw is het echter heerlijk na zo’n warme dag. Ik loop rustig terug naar het Anandahotel om mijn camera’s achter te laten. Ik wil nog even in zee zwemmen en dan laat ik niet graag mijn spullen achter op het strand. De zee is warm en vies. Ik knap er niet echt van op. De koude douche in het hotel is lekkerder.
’s Avonds loop ik met mijn camera naar het Bali Beach Hotel om een dansvoorstelling te filmen. Ik ga gewoon tussen de gasten zitten, ofschoon dat natuurlijk niet echt de bedoeling is. Het is misschien toeristisch, maar ik geniet wel van de voorstelling. Ook de muziek is niet verkeerd. Het geeft toch nog een beetje Indonesiëgevoel, want verder is er in Sanur weinig traditionele cultuur te beleven.
In een klein restaurantje geniet ik van een Thais menu. Het is heerlijk, al zijn het wel muizenhapjes. Ik ben blij met de hyperinflatie in Indonesië, want anders was dit een heel duur etentje geworden. De rupia is in een half jaar tijd ruim vijfhonderd procent gedevalueerd. Zo komt het dat ik nu voor 4 euro heerlijk zit te eten, terwijl ik anders minstens 20 euro kwijt was geweest. Ik zet het heerlijk avondje nog even voort met een groot biertje en zoek dan mijn hotel weer op. De ergste vermoeidheid is voorbij. Het middagslaapje had mij goed gedaan. Zin om uit te gaan heb ik echter niet. Er is ook niet zo bar veel te beleven ’s avonds in Sanur. Er zijn aanzienlijk minder toeristen dan normaal en dat is in alle opzichten te merken. Ik ben er niet rouwig om, maar voor de Indonesiërs is het triest. Het is hun bestaan.
Het is pas de derde dag, maar voor mijn gevoel lijkt het alsof ik al veel langer in Bali ben. Ik had naar gedroomd vannacht. Een bende jongeren die met gestolen auto’s de gevel van mijn ouderlijk huis probeerde te kraken. Een onzinnige droom, want ik woonde in mijn jonge jaren op de eerste etage van een flat. Mijn reiswekkertje brengt mij een uur te vroeg terug in de realiteit.
Het is half acht, maar in Nederland is het half twee in de nacht. Ik pak mijn spullen in en na hetzelfde ontbijt als gisteren loop ik naar de plaats waar kwart voor negen de lijnbus naar Ubud zal vertrekken. Gisteren had ik al besloten om naar dat door de Lonely Planet gerecommandeerde dorpje in de heuvels te gaan. Mijn plannen zijn schijnbaar van mijn gezicht af te lezen, want ik word door tientallen bemochauffeurs aangesproken die mij geheel op eigen initiatief naar Ubud willen brengen. Ik weet echter inmiddels dat de lijnbus voor die rit 7500 rupia rekent. Een bedrag van niks. Ik vertel dat de schreeuwende chauffeurs die meteen verontwaardigd afdruipen. Op een prijsbewuste Nederlander zit niemand te wachten.
De bus is op tijd. Behalve mij zitten er maar vier andere backpackers in. De rest van de passagiers zijn Indonesiërs. Veel is er helaas niet te zien onderweg. Ik had mij een paradijselijk landschap voorgesteld, maar de hele route zie ik niets anders dan verkeersopstoppingen, hutjes en zieke palmbomen. Na drie kwartier van halsbrekende toeren stopt de bus bij een busstation dat enkele kilometers ten zuiden van het centrum van Ubud ligt. Dat is wel vervelend, want nu heb ik weer ander vervoer nodig om een hotel te bereiken. Dat andere vervoer wordt ook meteen opgedrongen en wel op zo’n vervelende manier dat ik alsnog besluit om te voet te gaan. Hopelijk leren de riksja- en bemobestuurders er iets van, maar dat zal wel niet. Wat doe ik mijzelf aan? Na een kwartier lopen door dezelfde straat, ben ik nog niet in het centrum. Ik ben blij als ik uiteindelijk oververhit bij de Anom-bungalows aankom. Erg aantrekkelijk ziet het door de Lonely Planet aanbevolen complex er echter niet uit. Ook is er geen personeel te bekennen. Een jongetje op een fiets ziet mij staan en vraagt of ik met hem mee wil gaan naar een ander complex. Kijken kan geen kwaad, dus ik loop achter hem aan. Hij brengt mij naar de Pelangi Bungalows, die naast het Anom-complex liggen. Het ziet er niet slecht uit al heeft onderhoud bij de beheerder niet de hoogste prioriteit.
Een klamboe en oordopjes zullen onmisbaar zijn in de eenvoudige houten hutjes, maar wat mag ik verwachten voor 15.000 rupia? Veel meer dan een euro per nacht kosten de bungalowtjes niet. De aardige jongen, die Nomad heet, brengt een thermoskan met heet water, theezakjes en oploskoffie. Ik neem snel een koude douche om mijn gloeiende lichaam af te koelen en ga dan op zoek naar een fiets om de omgeving te verkennen. Het moet erg mooi zijn rond Ubud, dat de backpackersplaats bij uitstek is.
Veel keuze is er niet bij de fietsenverhuurder. Alleen veel te kleine mountainbikes. Ik zoek er een uit waarvan het zadel nog ietsje omhoog kan, maar het blijft behelpen. Erg stabiel is het roestige fietsje ook niet en ik moet wennen aan het (meestal) links rijdende verkeer. Ik kijk op het kaartje in de Lonely Planet en besluit eerst maar eens in westelijke richting te fietsen.
Er is veel te zien in Ubud. Tegen het centrum aan liggen de schitterende tuinen van het Puri Lukisan Museum. Ik zet mijn fiets op slot en begin aan de klim over een lange trap die via een aantal bruggetjes door een prachtige verzameling tropische gewassen leidt. De tuinen vind ik trouwens meer de moeite waard dan het museum zelf. De lotusvijvers en bijzondere planten zijn met een perfect gevoel voor compositie gepositioneerd en toch is het alsof alles spontaan is ontstaan. Bovendien is het lekker rustig en bieden de gewassen een heerlijk verkoelende schaduw. In de paviljoens van het museum bekijk ik de verzameling Balinese kunstwerken. Veel houtsnijwerk, maar ook schilderijen en wandkleden. Ik ben echter te weinig kunstliefhebber om het tentoongestelde passend te kunnen waarderen. Het lijkt mij te veel op datgene waarmee de talloze souvenirwinkels zijn volgestouwd.
Ik fiets verder naar het westen en dat valt niet mee. Andere backpackers hebben er verstandig aan gedaan om een bromfiets te huren. Want eigenlijk is het gewoon veel te heet om te fietsen. En dan gaat de weg nog op en neer ook. Om kosten te besparen zijn geen hoge bruggen over de rivierdalen gebouwd, maar alleen kleine bruggetjes. Om daar te komen gaat de weg steil naar beneden, tot aan de rivieroever om na het passeren van de brug weer net zo steil omhoog te gaan. Ik voel mijn maag knorren en zoek een restaurantje op. Weer tomatensoep met gado-gado. Dat is lekker en geeft weinig risico voor voedselvergiftiging. Het eten is hier duurder dan in Sanur, maar de accommodatie is daarentegen veel goedkoper.
Liters bronwater verslindend fiets ik langs Ubud naar het oostelijk gebied naast de stad. Ik begin zadel- en rugpijn te krijgen van het veel te kleine fietsje. Na een tijdje stop ik bij de zogenoemde olifantengrot. Op heel Bali is geen olifant te vinden, dus ik vraag mij af waar de naam vandaan komt. Officieel heet het parkje Goa Gajah. Veel is er niet te zien. Het is een grot met wat Hindoeïstisch beeldhouwwerk en een totaal vervallen tempelgebouw. Maar ondanks de treurige toestand is het complex nog altijd heilig en moet ik een roze sarong rond mijn blote benen slaan voordat ik naar binnen mag. Het meest de moeite waard is het uitzicht over de Petanu-rivier die beneden in het dal stroomt. Op de andere oever zie ik de grillige rijstsawa’s liggen. Dit ziet er echt Indonesisch uit. Buiten koop ik een veel te duur flesje bronwater om niet uitgedroogd in Ubud terug te keren.
In Ubud zelf staan de mooiste tempels. De gebouwen zijn behangen met uit zandsteen gehakte beeldjes van Hindoeïstische goden en heiligen. Gelukkig is het inmiddels namiddag en begint de gloeiende zon enigszins te luwen. Maar intussen ben ik wel volkomen uitgeput geraakt. Met mijn laatste krachten fiets ik terug naar de bungalow om lang onder de koude douche te gaan staan, mijn kleren te wassen en even goed uit te rusten. Ik werk mijn dagboekje bij op het terras van het bungalowtje en geniet van een pakje chocolademelk. Naast mij komt een geweldige herrie uit een gebouw waar volgens mij de beheerder met een aantal gezinnen woont. Aan de andere kant staat een groepje Fransen bij een bungalowtje met de receptioniste te onderhandelen over de prijs. Schandalig. Onderhandelen over één euro!
Ik kijk in de Lonely Planet wat het beste restaurant van de stad is. Nu de rupia zo laag staat, kan ik mij een dergelijke uitspatting wel veroorloven. Het blijkt het Wayan-restaurant te zijn. Eenmaal daar aangekomen, blijken meer mensen op hetzelfde idee te zijn gekomen. Er zitten tientallen buitenlanders en er zijn nog maar enkele stoelen vrij. Ik bestel tomyam-soep en een kipschotel. Het eten, dat na zeer lang wachten wordt opgediend, is zeker niet slecht, maar ook niet top. Allerlei bijsmaakjes bederven de smaak. Ik hoop dat het door bijzondere kruiden komt en dat ik er niet ziek van zal worden. Het toetje ‘death by chocolate’ spreekt mij wel aan op de menukaart. Het blijkt om een soort chocoladecake te gaan.
Het avond- en nachtleven stelt weinig voor in Ubud. Ik bestel een kokoscocktail in Nomad’s bar en wandel daarna nog even langs de Regea-bar, waar live-muziek wordt gespeeld. Het is te merken dat de klad in het toerisme is gekomen. De sfeer is alom treurig. Alleen die hards, zoals ik, bezoeken in deze roerige tijden nog de Gordel van Smaragd. Al om half twaalf duik ik mijn bed in.
Acht uur sta ik op. Ondanks de warmte is mijn was nog nat. Het lijkt wel of het geregend heeft vannacht, maar ik heb daar niets van gemerkt. Ik fiets naar Nomad voor ontbijt en voel al meteen weer de rug- en zadelpijn van gisteren terugkomen. Ik begin het fietsje behoorlijk te haten. Ik moet toch eens leren brommerrijden voor als ik naar dit soort landen ga. Ontbijt heeft Nomad niet, maar wel toetjes. Ik bestel twee porties yoghurt met honing.
Ik fiets naar het apenbos dat aan het einde van de hoofdstraat ligt. Het is een klein stukje regenwoud dat de massale ontbossing op Bali overleefd heeft. In het bos leven honderden grote apen. Er zijn brutale apen die bij de ingang zitten te bedelen en schuwe apen die zich hoog in de bomen ophouden. Het is nauwelijks mogelijk om een aap in zijn natuurlijke omgeving te fotograferen. En als dat al lukt hebben de beesten er een handje van om fotografen consequent de rug toe te keren.
Ik fiets terug naar de bungalow om uit te checken want vanavond moet ik weer terug naar Sanur. Gelukkig kan ik mijn rugzak laten staan. Ik rijd verder naar een gedeelte van Ubud dat ik nog niet gezien heb en waar diverse Hindoetempels staan. Weer een zware afdaling en klim om een ravijn te passeren. Ik bedenk mij dat ik die toer op de terugweg opnieuw zal moeten uithalen. Aan de overkant kom ik uit bij een hoofdweg waaraan diverse tempels liggen. Ik bezoek er een aantal en fotografeer de zandstenen versieringen die prachtig afsteken tegen de azuurblauwe lucht.
Het is weer bloedheet en ik begin aan mijn derde fles bronwater als ik naar het noorden fiets, waar ik de Tampaksiring- en Penelokan-tempel wil bezoeken. De weg blijft maar stijgen en na ruim een half uur fietsen moet ik het voor gezien houden. Het is niet te doen. Als ik nog eens in Bali kom zullen die tempels er ook nog wel staan en dan huur ik wel een bromfiets om er te komen. Zonder inspanning rijd ik terug. Ik hoef twintig minuten niets anders te doen dan te sturen, want de zwaartekracht zorgt voor de aandrijving. Het is heerlijk om de wind langs mijn drijfnatte lichaam te voelen.
Ik stop bij de fraaie Hindoetempel Pura Penataran Sasih, waar ik opnieuw een doek moet omslaan om naar binnen te mogen. Een oude man heet mij welkom in het Engels en vraagt of ik het gastenboek wil tekenen en een kleine donatie wil doen. In het gastenboek zie ik namen van andere Nederlanders staan. De vriendelijke man leidt mij rond en vertelt over de geschiedenis van het Hindoeïsme op Bali. Het liefst zou hij hebben dat ik de rest van de dag zou blijven, maar ik leg uit dat het mijn laatste dag is in Ubud en dat ik graag nog wat andere tempels wil bezoeken. Hij nodigt mij uit om nog eens terug te komen en dan ’s avonds een ceremonie bij te wonen. Hij schrijft zijn naam en telefoonnummer op.
Het begint ineens bewolkt te worden. De zon verdwijnt terwijl ik nog wat andere tempels bezoek. Bij een ervan moet ik een soort sjaal om mijn heup binden voordat ik naar binnen mag. Ik ben blij dat het afkoelt, want ik kan niet meer douchen voordat ik terug naar Sanur ga.
Ik lunch in een Thais restaurant en bezoek nog het paleis van Ubud. Dat ziet er prachtig uit. Het is nog net zo ingericht als toen de koning van Bali er woonde. Helaas struikel ik over de Japanse toeristen die er met bussen tegelijk worden gedropt. Een dagtochtje vanuit Kuta denk ik.
Het doet mij weinig verdriet als ik eindelijk afscheid van het fietsje kan nemen. Ik heb fysiotherapie nodig om weer wat normaal gevoel in mijn lichaam te krijgen. In afwachting van de laatste bus naar Sanur bestel ik nog een Bintang-biertje op een terras. Het is donker als rond zes uur de bus arriveert. Ik raak in gesprek met drie leuke Japanse meisjes, maar na een paar haltes stapt er een vervelende vent in die natuurlijk vloeiend Japans spreekt, in Tokio woont en de conversatie wel even overneemt. Nog vervelender vind ik het als ik halverwege moet overstappen op een andere bus. Die zit mudvol. Ik ben blij als ik eindelijk weer in Sanur ben waar ik meteen op zoek ga naar het complex van Alit Beach Bungalows. Daar is voor vannacht een bungalow voor mij gereserveerd. Tenminste, dat dacht ik. Ik sta niet op de lijst en de receptionist weet niets van enige reservering. Hij heeft ook nog nooit van Sawadee Reizen gehoord, dat de reservering geregeld moet hebben. Ik laat de voucher zien, maar ook dat roept geen herkenning op. Een oudere Nederlander die Indonesisch spreekt, probeert mij te helpen, maar de verwarring wordt alleen maar groter. Misschien moet ik in Kuta zijn, zegt de receptionist. Ik baal van de situatie. De Nederlander belt naar de Alit Beach Bungalows in Kuta, maar daar weet men ook van niets. De receptionist kijkt nog eens naar mijn voucher en merkt op dat de straatnaam overeenkomt met het adres van de vestiging in Kuta, maar dat er als plaatsnaam Sanur onder staat. Ik vraag hem nogmaals te bellen en door te vragen naar een Nederlands reisgezelschap. Ditmaal gaat het goed. Ik krijg de reisbegeleidster van Sawadee aan de telefoon en die raadt mij aan een taxi naar Kuta te nemen. De kosten mag ik declareren. Ik zoek buiten een taxi, die mij in ruim een half uur voor slechts twee euro naar Kuta brengt, het Torremolinos van Bali. Onderweg biedt de chauffeur aan te stoppen bij een prachtig monument dat midden op een groot verkeersplein staat. Maar ik rijd liever door. Ik heb het monument gezien en geconstateerd dat het niet mogelijk is er een goede foto van te maken. Dan hoef ik ook niet uit te stappen.
Bij Alit Beach Bungalows in Kuta krijg ik de sleutel van een prachtige, super de luxe bungalow met airconditioning. Ik voel mij verplicht om te douchen en schone kleren aan te trekken. Op het enorme bed ligt een briefje van de reisbegeleidster Carola met de naam van een restaurant waar ik haar vanavond met de andere leden van het reisgezelschap kan vinden.
Het is een flink eind lopen naar het restaurant en het kaartje uit de Lonely Planet is niet erg duidelijk. Maar uiteindelijk vind ik het toch. Ik zie een groepje buitenlanders zitten en omdat het het enige groepje is, zal het wel het goede groepje zijn. Ik stel mij voor en maak kennis met Carola, een bijdehante tante met een pinnig vierkant montuurtje op haar neus. Het overige gezelschap bestaat uit nogal uiteenlopende types. Een Papoea, die volgens Carola haar stiefbroertje is en tot de Dani-stam van Irian Jaya behoort, een oud en een jong stel uit Nederland, een Fries, twee alleen reizende Belgen en een Amerikaan die zo gek als een deur is. De Amerikaan heet Frank en ziet eruit als een acteur in een Steven Spielberg-film. Aan de Belg Sjef moet ik ook even wennen. Hij lijkt mij wel erg aardig, maar is van het type dat je alleen in België zult aantreffen. De andere Belg is Elly. Zij is een vrouw van een jaar of dertig, die niet bepaald een gelukkige indruk maakt en er wat ziekelijk uitziet. Achter een dikke bril gaan twee doffe ogen in een bleek gezicht schuil. Het jonge Nederlandse stel, Pascalle en Ronnie, zijn van het vrolijke Brabantse type en zowaar; ze komen ook uit Brabant. Uit Waalre. Het oudere Nederlandse stel, Louis en Trudeke, lijkt mij niet bestand tegen zware jungletochten. Het houdt zich een beetje afzijdig. Met de Fries, Fetze, zal ik het wel kunnen vinden. Een sympathieke jongen die als een rechtgeaarde Fries bij Douwe Egberts werkt.
Het groepje is net aangekomen uit Nederland en ziet er net zo verkreukeld uit als ik drie dagen geleden. De man van het oudere stel rookt sigaren. Ik hoop niet dat hij de komende weken het tempo gaat bepalen, want daar heb ik niet al te hoge verwachtingen van. Ik voel dat ik al een beetje spijt krijg van mijn besluit om een groepsreis te boeken. Ik ben er geen type voor. Maar Irian Jaya vond ik toch wel een beetje te ingewikkeld om individueel te doen. We lopen terug naar het Alit-complex en onderweg maak ik nader kennis met mijn reisgenoten voor de komende vier weken. Volgens Carola moeten we morgen om vijf uur opstaan en zullen we een aantal binnenlandse vluchten gaan maken om Irian Jaya te bereiken.
De muggen steken in mijn voeten. Dwars door de slecht passende klamboe heen. Als ik half vijf wakker word is het bloedheet in de kamer. Ik had de lawaaiige airco niet aan willen laten gisterenavond, maar daardoor drijf ik nu wel in mijn eigen zweet. Buiten klinkt het gejammer van de naast het Alit-complex gelegen moskee.
Vijf uur wordt op de deur gebonsd. Het is tijd om op te staan. Ik douche, verzamel mijn spullen en loop naar de ontbijtzaal waar een Indonesië onwaardige maaltijd van kurkdroge toast en nauwelijks drinkbare koffie wordt voorgeschoteld. De andere leden van het gezelschap lijden nog duidelijk aan hun jet-lag.
Carola heeft een busje besteld dat ons keurig op tijd door het drukke verkeer naar het nabij gelegen vliegveld van Denpasar brengt. De grote stapel rugzakken gaat achterin. Helaas voel ik mij niet echt top. Mijn darmen hebben problemen met het ongeregelde voedsel van de afgelopen dagen.
We zijn ruim op tijd op het vliegveld, maar we horen al meteen dat de vlucht van 7 uur een vertraging van 3,5 uur heeft. Heel normaal voor Merpati, zegt Carola. Ik vind het wel vervelend, want er is geen barst te doen. Nou ja, het naar de mensen kijken is ook wel leuk. Het zijn bijna alleen Indonesiërs die op een vliegtuig zitten te wachten. Gelukkig blijft de vertraging beperkt tot de aangekondigde 3,5 uur en kiezen we precies om half elf het luchtruim in een overvolle, sjofele Fokker F28. Het meubilair heeft zijn beste tijd gehad, maar de stewardessen zien er beeldig uit in hun diepblauwe, zijde uniformpjes. Ze brengen lunchpakketjes rond die verpakt zijn in kartonnen doosjes.
Om twaalf uur landen we op het vliegveld van Ujung Pandang (tegenwoordig Makassar), de hoofdstad van Sulawesi (het vroegere Celebes). Slurven zijn er niet, zodat we over het gloeiend hete platform naar het luchthavengebouw moeten lopen. Men heeft een Toradja-huisje nagebouwd dat naast de betonnen aankomsthal staat. Binnen vind ik een geldautomaat. Volgens Carola zullen we voor de komende tijd minstens 1,5 miljoen rupiah’s nodig hebben. Dat is iets meer dan 100 euro. Het apparaat weigert echter meer dan 200.000 rupia te geven, zodat ik elke keer opnieuw moet pinnen.
Dan komt Carola met vervelend nieuws. De aansluitende vlucht is afgelast. Ook dat is niet uitzonderlijk bij het ernstig onder de recessie lijdende Merpati. We zullen in Ujung Pandang, het tegenwoordige Makassar, moeten blijven tot morgenochtend vroeg de eerst volgende vlucht naar Jayapura op Irian Jaya vertrekt. Dat is mooi balen, want door deze vertraging komt het oorspronkelijke reisschema in gevaar en dat was al behoorlijk krap gepland. Aan de andere kant is het misschien wel leuk om even de hoofdstad van Sulawesi te bekijken.
Na eindeloos wachten kunnen we in een haveloos, van alle kanten gedeukt busje stappen dat ons naar de stad zal brengen. Ik ben nu wel blij met Carola, want als ik alleen had gereisd had ik wellicht niets kunnen regelen en op het vliegveld moeten slapen. De buschauffeur heeft misschien ooit een rijopleiding gehad, maar daar laat hij weinig van merken. Met een ongekende agressie loodst hij zijn gehavende voertuig door de chronische verkeersopstoppingen op de weg van het vliegveld naar de stad. De verkeerslichten en overige weggebruikers zijn lucht voor hem. Alleen voor zware vrachtwagens en bussen toont hij respect. De omgeving ziet er verschrikkelijk uit. Alles is zwaar vervuild en de overkant van de straat is door de dikke roetwolken nauwelijks te zien. De bebouwing bestaat uit krotten en eindeloze hoeveelheden winkeltjes en eettentjes. De dolle rit eindigt na bijna twee uur bij het super-de-luxe Marannu City Hotel. Binnen kijk ik mijn ogen uit. Dit is geen budget-hotel. Daar staan we dan in ons tropenkloffie op het glanzende marmer. Het in witte zijde geklede personeel weet zijn afkeer voor ons avontuurlijke uiterlijk met moeite te verbergen. Sawadee Reizen zal wel blij zijn dat de rekening in dit geval naar Merpati gaat!
Na een uur wachten kunnen we lunchen. Rijst, groente, aspergesoep en gelukkig grote flessen bronwater. Daar was ik hard aan toe. Direct na het eten ga ik de stad verkennen. Ik wil de schaarse tijd zoals gewoonlijk optimaal benutten. Eerst maar even naar het postkantoor. Met het kaartje uit de Lonely Planet is dat makkelijk te vinden. Ik wil een luchtpostbrief, maar de beambte van het postkantoor begrijpt er niets van. Hij verwijst mij naar buiten, waar kooplieden enveloppen, briefpapier en balpennen verkopen. Echt handige spullen zitten er niet tussen. Ik koop de meest bruikbare enveloppe, die met aangehechte koordjes moet worden afgesloten en een stapeltje briefpapier. Ik schrijf een lange brief aan Diana, verpak hem in de ingewikkelde enveloppe en loop het postkantoor weer binnen om postzegels te kopen, want die hadden ze buiten niet. Het blijkt dat de posttarieven vanwege de hyperinflatie enorm gestegen zijn, maar dat men nog geen nieuwe zegels met een hogere waarde heeft. Ik moet dus ongeveer de hele enveloppe volplakken met kleurige zegels met insecten erop. Er blijft nog net genoeg ruimte over om het adres op te schrijven.
Buiten is het niet te harden van de hitte, de vochtigheid en de luchtvervuiling. Het verkeer staat in alle richtingen vast. Alleen riksjarijders weten er doorheen te komen en proberen keer op keer mijn aandacht te trekken. Voorbijgangers groeten mij met ‘hello mister’, zo’n beetje de standaardgroet van Indonesiërs aan buitenlanders. Na een paar dagen schijnt de groet met zijn spottende ondertoon behoorlijk hinderlijk te worden, maar voorlopig kan ik het nog opvatten als vriendelijk bedoeld.
Ik wandel in de richting van Fort Rotterdam. Dat is de belangrijkste bezienswaardigheid van de stad en een van de weinige overblijfselen uit de Nederlandse koloniale tijd. Onderweg passeer ik de ‘shopping mall’, een bijzonder vieze overdekte markt met opnieuw een ruim aanbod aan twijfelachtige medicijnen in plastic zakjes. Het Fort blijkt gesloten. Maar dat is niet zo erg, want over vier weken ben ik weer in deze stad en dan heb ik meer tijd. Ik loop terug langs een goed aangeschreven wandelboulevard, waar het ’s avonds heel gezellig moet zijn. Maar ook die boulevard blijkt een zwaar vervuilde stinkzooi te zijn. Ik wil de orchideeënkwekerij van de Nederlandse vrouw Clara Bundt bezoeken. Een kleine oase in de stad, volgens de Lonely Planet. Daar ben ik nu wel aan toe. Het is even zoeken, want de straatnamen staan slecht aangegeven en de voorbijgangers kijken mij alleen maar verbaasd en meewarend aan als ik de weg vraag. Maar na een tijdje heb ik de achter een garage gelegen kwekerij gevonden. Het valt echter zwaar tegen. De bloeitijd is over en al wat er te zien is zijn kale struiken. Wel is het leuk om even met Clara te praten. Ze raadt meteen dat ik Nederlander ben, nog voordat ik een woord heb gezegd. Zij leidt mij rond en laat mij een verzameling prachtige schelpen zien waarvan zij er een probeert te verkopen. Ik leg uit dat ik nog een zware reis voor de boeg heb en dat het niet handig is om nu al allerlei breekbare souvenirs te kopen. Ik zeg niet dat ik nog terugkom in Ujung Pandang, want ik ben echt niet van plan om geld uit te geven aan zo iets als sierschelpen. Dat is leuk als je een aquarium hebt, maar dat heb ik niet. Bovendien schijnt de Nederlandse douane niet zo gecharmeerd te zijn van dit soort souvenirs.
Weer buiten begint het zachtjes te regenen. Ik had de wolken al aan zien komen maar had gehoopt dat het desondanks droog zou blijven. Terug naar het hotel dus maar weer, dat niet ver van de kwekerij staat. Ik ga wat zwemmen in het hotelzwembad dat uitzicht biedt op twee grauwe betonnen binnenmuren. Gezellig. Vier anderen van het groepje zijn ook in het zwembad. Zij hoefden Ujung Pandang niet zo nodig te zien. Ik vertel dat zij er weinig aan gemist hebben en denk er over om mijn reisprogramma aan het einde iets aan te passen. Ik was van plan om nog twee dagen in deze stad te blijven, maar ik denk nu dat één dag meer dan genoeg is. De muggen weten mij uit het zwembad te verjagen. Ik ga terug naar de kamer, die ik met de Amerikaan Frank deel. Hij ligt al de hele middag in bed en is nog niet van plan om op te staan, ook al is het inmiddels etenstijd. Als Amerikaan heeft hij waarschijnlijk meer last van de jet-lag dan de Nederlanders. Beneden zit de rest van de groep rond een grote tafel naar Carola te luisteren die haar politieke mening over Indonesië ventileert en uitlegt hoe het haar lukt om in feite illegaal in het land te verblijven. Een kwestie van corruptie begrijp ik uit haar woorden.
Frank komt ook opdagen en we worden naar een apart tafeltje geleid. Het buffet is mager en staat niet in verhouding tot de luxe van de ambiance. Een orkestje begint te spelen. Er treedt zelfs een hele mooie zangeres op. Frank wil met haar dansen, maar daar is de dame niet zo van gediend. De Amerikaan verbergt zijn teleurstelling en gaat maar alleen staan dansen. Hij is vreemd, maar wel grappig. Als het bandje met zijn op Cubaanse muziek lijkende Sumatraanse repertoire is gestopt, treedt een organist op die een compleet orkest uit zijn elektronische orgeltje weet te toveren. Het klinkt echter nogal geroutineerd en de muzikant straalt niet uit dat hij er veel plezier aan beleeft. Frank wordt intussen steeds gekker en vervelender. Hij holt achter een paar serveersters aan die gillend op de vlucht staan. Wij lachen ons rot, maar in feite is het natuurlijk beschamend om je zo te gedragen. Binnen de islamitische samenleving van Indonesië is dat heel ongepast. Rond tien uur gaan we al slapen, want we moeten er morgen weer extreem vroeg uit.
Half twee gaat de telefoon. We moeten opstaan. Ik heb slecht geslapen. Op de gang klonk voortdurend lawaai en Frank maakte mij een paar keer wakker omdat hij schreeuwt in zijn slaap. Het leek wel of hij door de duivel bezeten was. Een nachtmerrie, verontschuldigde hij zich. Ik kan mij voorstellen dat Frank vrijgezel is. Zo’n slaapkamergenoot houdt niemand lang vol.
Er is geen ontbijt. We moeten meteen naar het busje dat ons door nachtelijk Ujung Pandang naar het vliegveld zal brengen. Er gaan nog wat andere Merpati-slachtoffers mee. De stad is nu uitgestorven en we kunnen zonder problemen met 100 kilometer per uur door de straten scheuren. We zijn dan ook binnen een half uurtje op het vliegveld. De vlucht staat aangekondigd en er is nog niets bekend over vertraging. We hebben onze nachtrust dus niet voor niets opgeofferd.
Het vliegtuig arriveert tot onze verbazing op tijd, maar het vertrek wordt uitgesteld omdat er een enorme verwarring is met overstappers. Wat een puinhoop, verzucht Fetze. Als we eindelijk kunnen vliegen begint het in het oosten al te schemeren. Beneden is niets anders dan zee te zien, dus probeer ik wat te slapen. Dat lukt echter niet. De gong die om de vijf minuten klinkt, de omroepinstallatie en het gedreun van de motoren van de oude 737 houden mij wakker. De stewardessen komen weer met de kartonnen doosjes langs. Er zit een walgelijk ontbijt in bestaande uit een mislukte omelet, niertjes, worteltjes en een gaar gekookte tomaat.
Na 2,5 uur landen we op het vliegveld van Timika bij de beruchte kopermijnen van Irian Jaya. Dit is voor buitenlanders streng verboden gebied vanwege de vele omstreden praktijken rond de koperwinning. Het milieu wordt verpest, er wordt slavenarbeid verricht en de opbrengsten verdwijnen in de zakken van rijke Amerikanen en corrupte Indonesische ambtenaren. We moeten het vliegtuig verlaten en lopen door een met hoge hekken en prikkeldraad beveiligde corridor naar de transitkooi. Er zijn hier geen hallen, maar kooien waar de passagiers moeten wachten. Een aantal papoea’s loopt naar de aankomstkooi, waar zij op ijzeren bankjes kunnen wachten tot zij opgehaald worden voor transport naar de mijnen.
Na een half uurtje wachten – het is gelukkig droog – mogen wij de kooi weer uit en worden wij met een opleggerbus naar het vliegtuig terug gebracht. We stijgen al snel weer op en zien dan wat de mens hier aan het milieu heeft aangericht. Kilometers regenwoud zijn verwoest door erosie. Het is een drama. Maar de ellende duurt slechts kort. Na de vernietiging volgt een eindeloos oerwoud, afgewisseld door hoge bergen. Af en toe zijn rivieren en meertjes te zien. Wegen ontbreken evenals andere tekenen van menselijke beschaving. Op deze vlucht bestaat de meerderheid van de passagiers uit papoea’s, met hun typische brede en platte neuzen en vriendelijke ogen.
Na een uur zijn we aan de noordkust van het op een na grootste eiland ter wereld aangekomen en zet het vliegtuig de daling in voor het vliegveld van Sentani, vlakbij Jayapura, het vroegere Hollandia, dat nog tot 1962 Nederlands grondgebied is geweest. Het eiland heette in die tijd Nieuw Guinea. Tegenwoordig wordt het West-Papoea genoemd, maar officieel staat het nog steeds als Irian Jaya op de kaart. Het oostelijke deel van het eiland heet Papoea New Guinee en behoort bij Australië. Ik weet niet waarom Jakarta dat deel nooit opgeëist heeft.
We moeten lang wachten in het moderne luchthavengebouw. Na een dik uur brengen twee terreinwagens ons naar het vlak bij het vliegveld van Sentani gelegen pension Ratwa dat over zeer eenvoudige kamers beschikt. Er lijkt mij weinig aan om hier de nacht door te moeten brengen, want er is niets te beleven in de omgeving. Carola zegt dat zij naar de hoofdstad Jayapura moet om voor ons de visa te regelen. Dat zijn de zogenoemde Surat Jalans, reisdocumenten die nodig zijn om door het binnenland van Irian Jaya te mogen reizen. Wij kunnen, als wij dat willen, met een bemo naar het nabijgelegen Sentani-meer gaan, waar een goed restaurant is. Dat lijkt mij wel wat. Om een uur komen we bij het prachtig gelegen Joga-restaurant aan, waar de oude beheerder nog goed Nederlands blijkt te spreken. Hij zet het bier koud en regelt een boot voor ons waarmee wij een paar eilanden in het meer kunnen bezoeken.
De boot maakt een oorverdovend lawaai en we moeten plastic over ons heen trekken om ons tegen de over het dek spattende golven te beschermen. Na een tijdje de kust gevolgd te hebben, meren we aan bij een van de eilandjes. De dorpelingen hollen ons meteen tegemoet en begroeten ons vriendelijk, terwijl oudere vrouwen dekens over de grond uitspreiden, waarop zij hun zelfgemaakte souvenirs uitstallen. Het zijn voornamelijk kunstige schilderijtjes van boomschors. Aardig om te zien, maar natuurlijk niet praktisch om mee te nemen. De kinderen vechten intussen met elkaar om op de foto te mogen.
De huizen zijn krotten, maar ze bieden wel een betoverend uitzicht over het meer. De mensen zien er ook haveloos uit en leiden een Spartaans bestaan. Ze zijn bijzonder vriendelijk en lopen vrolijk om ons heen te dartelen. Aan de oever staat een enorm kruisbeeld. Het is duidelijk dat de zendelingen behoorlijk hun best hebben gedaan om deze mensen tot het Christendom te bekeren. De papoea’s zijn zelden moslims. Na een minuut of twintig stappen we weer op de boot die ons terugbrengt naar het restaurant, waar inmiddels het bier koud is en een lekkere groentesoep wordt opgediend.
Na het eten kiezen de groepsleden ervoor om de rest van de middag te luieren aan het meer. Ik vind dat echter zonde van de tijd en pak een bemo naar Hamadi. Dat is een voorstadje van Jayapura, waar volgens de Lonely Planet een interessante markt moet zijn. Ik moet twee keer overstappen, maar de ritjes met de minibusjes kosten gelukkig bijna niets.
Na een kleine twee uur van roekeloos inhalen en andere verkeersstunts, stopt het derde busje in het kleine stadje dat gedomineerd wordt door een lelijke moskee met potsierlijke groene koepels. De papoea’s zijn dan wel geen moslims, maar in de steden vormen allochtone Indonesiërs de meerderheid. De meeste inwoners zijn op Sumatra of Java geboren.
De markt is wel aardig, maar niet erg fotogeniek. En de stank van de vis is bijna niet om uit te houden. Kinderen spelen voetbal met een lekke bal. De mensen zijn bijzonder vriendelijk en vinden het leuk om handen met mij te schudden. Ze denken zeker dat buitenlanders in hun eigen land de hele dag niets anders doen. Ik bekijk ook een deel van de rest van het tegen de steile bergwand aangebouwde stadje. Het valt mij op hoe onnoemelijk veel karaokebars er zijn. Halve bordelen, volgens mij.
Ik ga weer op zoek naar het bemostation. Een bijzonder mooie vrouw helpt mij het juiste busje te vinden. Zij werkt in een hotel in Jayapura, woont in Sentani en spreekt perfect Engels. Terwijl ik bij een druk verkeersknooppunt op het tweede busje staat te wachten, raak ik in gesprek met een indrukwekkende papoea. Hij stelt zich voor als Ekalimen en is gids in Nabive. Hij wil mij wel naar de Wisselmeren gidsen. Dat is een interessant gebied op het westelijke deel van het eiland. Ik zeg hem dat dat deze reis niet gaat lukken, maar misschien een volgende keer?
Het is donker als ik rond zes uur bij het restaurant terugkom. Pascalle en Ronnie zijn al terug naar het pension. De rest zit nog steeds niets te doen. Ongelooflijk. Er is zoveel te beleven. Maar ja, niet iedereen durft alleen op pad te gaan. Even later komt Carola terug. Ze heeft haar lange zwarte haar nu los hangen, wat haar al meteen minder pinnig maakt. We eten in het Joga-restaurant en genieten van de magische ambiance aan het meer dat nu inktzwart is onder de donkere, bewolkte hemel. Rond acht uur keren we met de bemo terug naar het pension, waar het mij niet lukt de klamboe op te hangen. Hopelijk houdt de ijskoude airco de muggen weg. Omdat er geen dekens zijn houd ik mijn kleren maar aan vannacht. Ditmaal is Fetze mijn kamergenoot.
Het is uit met het comfort. Geen luxe badkamer meer, maar een stenen bak met koud water. De mandie. Een gedeukt busje brengt ons via de stoffige straten van Santani naar het vliegveld, waar een oude F27 Friendship staat te wachten. Met dit toestel vliegen we naar Wamena in de Baliem-vallei die het hart van Irian Jaya vormt. Onderweg is niet veel te zien door de vuile ramen. Het is zwaar bewolkt boven het tropische regenwoud van voormalig Nieuw Guinea. De stewardess brengt een in bananenblad verpakte minimaaltijd. Gelukkig kunnen we landen, want bij zware bewolking wordt vlak voor de landing ook wel eens rechtsomkeert gemaakt. De piloot moet het namelijk zonder navigatiehulpmiddelen zien te redden.
Het luchthavengebouwtje van Wamena bestaat uit drie groene koepels en moet om toeristen te plezieren iets weg hebben van papoeahutjes, die officieel trouwens honay heten. Buiten staan wat oude mannetjes met peniskoker, die tegen betaling op de foto willen. Het is erg druk op het vliegveld, maar buitenlanders zijn er vrijwel niet te zien. Of je moet de Javanen en Sumatranen als buitenlanders beschouwen.
Ik kijk mijn ogen uit naar de kleurrijke mensen die ons over de brede straat op weg naar het hotel tegemoet lopen. Bij de ‘losmen’ Syahrial Jaya Makme, maken we kennis met enkele dragers en de kokkin, die ons de komende dagen tijdens de expedities zullen begeleiden. Carola moet nog het een en ander regelen, maar ik heb mooi even de tijd om alvast het stadje te verkennen.
De markt is net als de meeste markten die ik tot nu toe gezien heb zeer lelijk, maar wel interessant. Slechts een enkeling loopt hier traditioneel gekleed, omdat de Indonesische overheersers de peniskokers en rietenrokjes in feite niet dulden.
In het Nayak Hotel koop ik elf ansichtkaarten en bij het postkantoor 77 postzegels om erop te plakken. Er blijft nog net genoeg ruimte over om wat op te schrijven. Ik wandel verder en merk op dat alle winkels, restaurants en hotels door Indonesiërs worden gedreven. Ik heb nog geen papoea als winkelier gezien. Sterker nog, de papoea’s mogen de meeste winkels niet eens betreden. Zij moeten buiten wachten tot iemand van het winkelpersoneel hen buiten komt bedienen. Het is een schandelijke vorm van apartheid. Volgens mij niet minder erg dan het ooit in Zuid-Afrika is geweest. Alleen op de markt is iedereen gelijk.
Wat ook opvalt is het enorme aantal militairen of politieagenten. Het verschil is nauwelijks te zien. De Indonesische bezetters voelen zich kennelijk niet erg op hun gemak in hun geroofde land. Tijdens een wandeling naar een traditioneel dorpje in de buurt hoor ik van Carola dat de onderdrukking nog veel erger is geweest. De laatste jaren begint de situatie voor de papoea’s iets beter te worden, maar van de oorspronkelijke cultuur is al niet zoveel meer over. Kinderen krijgen op school les van Indonesische onderwijzers, moeten Bahasa Indonesia spreken en door Jakarta voorgeschreven schooluniformpjes dragen. Bij elk officieel gebouw (ook scholen) hangt de Indonesische tweekleur (rood wit) in top.
In de buurt van het dorpje maken we kennis met de handelsgeest van de papoea’s. We zijn bij een dorp van de Lani-stam aangekomen. Mensen zijn er nauwelijks, alleen een paar vrouwen die voor 2000 roepia graag op de foto willen. Het is misschien niet zo goed om geld te geven, maar het gaat hier om 10 cent.
We steken een hangbrug over de snelstromende Wamena-rivier over. Het is een eng gezicht om door de losse planken het water voorbij te zien flitsen. Maar de brug is versterkt met staalkabels, dus valt er weinig te vrezen. Naast de brug staat een elektriciteitscentrale die op waterkracht werkt. De stroom zal wel rechtstreeks naar Wamena gaan, want in de dorpjes is van elektriciteit niets te bespeuren.
Het begint zachtjes te regenen terwijl we teruglopen naar het hotel. In het stadje bel ik naar huis, wat dankzij de inflatie maar heel weinig kost. De posttarieven zijn meegegaan met de inflatie, maar de telefoontarieven niet. Diana krijg ik niet te pakken. Haar ouders zijn wel thuis. Ik hoor van hen dat er een grote overstroming heeft plaatsgevonden in Irian Jaya en dat ze erg ongerust waren. Ik vertel hen dat ik op zo’n 1000 meter boven zeeniveau zit en dus geen reden heb om bang te zijn voor overstromingen.
’s Avonds eten we met de hele groep in een groot restaurant, waar ik kip met gado-gado bestel. Carola praat over de militaire onderdrukking in Irian Jaya en over de drooglegging van de Baliemvallei. Elders in Irian Jaya zijn de Papoea's zo ongeveer chronisch aan de drank. In de Baliemvallei is alcohol echter zwaar taboe. En omdat aanvoer van goederen alleen via de luchtbrug kan, is het alcoholverbod redelijk makkelijk te handhaven. We gaan vroeg slapen, want morgen begint vroeg de eerste trekking naar het noorden van de vallei.
De Belg Sjef is verliefd geworden op Annie, de receptioniste van het hotel en bijna niet meer bij haar weg te slaan. Maar na het ontbijt met wit brood, jam en ei moet hij toch echt met ons mee.
Met minibusjes rijden we naar het noorden. De weg wordt steeds slechter en bestaat uiteindelijk nog uit slechts zand en modder. We lopen vast op een steile helling, maar een stel vriendelijke Papoea's van de Dani-stam helpen bij het lostrekken van ons busje. De rit eindigt bij een roestige, stalen hangbrug over de Baliem-rivier. De elf dragers, twee gidsen en vier kokkinnen zijn er al. Carola heeft goed werk geleverd. Alles is geregeld voor de vierdaagse trekking, waarbij we wel volledig op onszelf zullen zijn aangewezen. In de vallei zijn geen hotels en restaurants. Zelfs winkels zijn er niet of nauwelijks. Al het eten voor onderweg, flessen bronwater en kookgerei gaan op de rug. Ik maak kennis met Bennie de gids en met Posen Yoman, die de komende weken mijn rugzak zal dragen. Het lijkt koloniaal, maar de dragers zijn zeer sterke, getrainde Papoea's, die dankzij hun spierkracht en handigheid een redelijk goed leven hebben. Zelf de rugzak dragen is niet vol te houden, vanwege de tropenhitte en het zware terrein.
De wandeling begint met de oversteek via de oude hangbrug. Sommige planken ontbreken en de planken die er nog liggen zien er verrot uit. Ik loop voor de veiligheid maar over een deel waar de kabels onder liggen. Na de brug lopen we via een wirwar van paadjes langs akkers en aardappelveldjes. De Papoea's zijn niet lui. Overal wordt landbouw bedreven. Ook op de steile berghellingen, waar de akkers als terrassen zijn aangelegd. Carola wijst ons op het geniale irrigatiesysteem dat al sinds de oudheid de akkers bevloeit. Dit werkt ook op de berghellingen. De Nederlanders hebben het succes van dit primitieve systeem nooit kunnen verklaren. Pogingen om het met moderne middelen na te bootsen zijn nooit gelukt.
Bij een dorpje zijn we te gast bij de onderwijzer voor de lunch. Ook hier is de onderwijzer een Indonesiër. Er is ook een kerk. Hoewel de Indonesiërs Irian Jaya (zelfs de naam is door Indonesiërs verzonnen en betekent ‘nieuwe overwinning’, wat slaat op de ‘verovering’ in 1960 op de Nederlanders) onderdrukkers, hebben ze nooit geprobeerd om de papoea’s de islam op te dringen. Waarschijnlijk uit minachting voor dit prachtige volk. Daardoor is het noorden nog steeds protestants-christelijk, terwijl het zuiden van het eiland rooms-katholiek is. Dit is weer door de Nederlanders zo bepaald.
Ik wandel naar een nabij gelegen dorpje met Honay-hutjes. Het is vrijwel verlaten. Iedereen is naar de landerijen op de berghellingen. Het dorpje is buitengewoon goed verzorgd. Nergens ligt afval (als je dat vergelijkt met de rest van Indonesië…) en de tuinen rond de huisjes zijn keurig onderhouden. Het lijkt wel alsof er een landschaparchitect aan te pas is gekomen. Na een uurtje rondstruinen is de lunch gereed en keer ik terug naar de onderwijzerswoning.
Na de lunch van rijk gevulde groentesoep wordt de wandeling een stuk zwaarder. Het tempo ligt nog net zo absurd hoog als vanochtend, maar de paden zijn veel moeilijker begaanbaar geworden. Verschillende keren moeten we via glibberige boomstammen snel stromende riviertjes met glashelder water oversteken. Zonder hulp van de dragers is dat bijna niet te doen. Ik heb mijn camera’s maar in plastic verpakt, want tijd om te fotograferen is er toch niet. Na een tijdje heb ik genoeg van de haast. De expeditiestoet is inmiddels behoorlijk uitgewaaierd en ik besluit met mijn drager een korte rustpauze in te lassen om wat foto’s te kunnen maken van de schitterende omgeving. Een uurtje later komen we bij het grote dorp Jilok Tokodi aan waar we zullen overnachten. We kunnen terecht in het enige betonnen gebouw van het dorp, het huis van de onderwijzer.
Door de warmte van vandaag ben ik hard aan een bad toe. Twee dragers lopen mee en wijzen mij de plek in de rivier waar de mannen mogen baden. Zelf blijven zij op de kant zitten, terwijl ik mij laat afkoelen in het heldere water. Opgefrist voel ik mij meteen een stuk beter. De kokkinnen zijn inmiddels begonnen aan de bereiding van de avondmaaltijd, terwijl de dragers gezellig zitten te neuriën.
’s Avonds is het erg gezellig bij het licht van de grote petroleumlamp. Als ik mijn eten op heb ga ik in de honay zitten waar de dragers eten en slapen. Buiten barst intussen een tropische regenbui los die maar liefst een uur aanhoudt. De dragers zingen ritmisch en meerstemmig en lijken helemaal in trans te komen. Ik ben blij dat ik mijn videocamera bij mij heb. Dit is prachtig.
Hanen houden mij de halve nacht wakker. Oordopjes helpen niet. Terwijl iedereen nog ligt te slapen loop ik naar de rivier om een bad te nemen. Het is koud, maar heerlijk. En het licht is prachtig als de zon net boven de bergrug uitkomt. Wat een schitterende ongerepte wereld is dit. Niets wijst erop dat dit gebied maar een paar honderd kilometer van de evenaar ligt. Een van de dragers komt mij ophalen. De nasi is klaar. Ik dacht alleen te zijn, maar de papoea’s houden ongemerkt een oogje in het zeil. Buiten staan drommen kinderen nieuwsgierig naar ons huisje te staren. Meisjes lopen met hun jongere broertje of zusje te zeulen.
Als we na het eten langs de markt lopen breekt er ineens een vechtpartij uit. Drie mannen gaan met elkaar op de vuist en slaan er flink op los. Vrouwen bemoeien zich ermee en al snel staat het hele dorp er omheen. Carola probeert de vechtenden uit elkaar te halen, maar blijft op veilige afstand. Want als het op knokken aankomt, gelden in Irian Jaya gelijke rechten voor mannen en vrouwen. Uiteindelijk weten vier mannen de grootste vechtersbaas in bedwang te houden. Het draaide allemaal om jaloezie. De dorpsonderwijzer verdient wat geld aan het huisvesten van toeristen en anderen vinden dat zij daar ook wel een graantje van mee mogen pikken. We vinden het vervelend dat de vechtpartij vanwege ons is uitgebroken, maar er wordt al weer gelachen. De mannen zijn ineens niet meer boos op elkaar. Misschien hebben zij een deal kunnen sluiten.
We beginnen aan een korte, maar zware wandeling over slecht begaanbare en soms nauwelijks zichtbare paden door de jungle. De dragers moeten ons verschillende malen helpen de riviertjes veilig over te steken, want bruggen zijn er niet. Het gaat via gladde rotsblokken of via nog gladdere boomstammen. Het tempo ligt weer bijzonder hoog. Het lijkt wel een wedstrijd. Ik heb medelijden met de dragers en de kokkinnen, die op blote voeten over dit ruwe terrein lopen. En de kokkinnen dragen dan ook nog voor drie dagen levensmiddelen op hun rug. Net als alle papoeavrouwen hebben ze een gehaakte draagtas op hun rug, die aan een hoofdband hangt. De vrouwen moeten ijzersterke nekken hebben. Soms dragen ze ook hun kinderen in zo’n gehaakte tas.
Na twee uur komen we bij het dorp Kamouloek aan. Hier gaan we lunchen. Het is weer prachtig, vooral nu na een ochtend vol bewolking de zon doorbreekt. Er groeit een felrode sierplant, die er vooral in het zonlicht schitterend uitziet. Ik maak foto’s op de momenten dat de zonnestralen door de wolken heen breken. De rest van het groepje zit in het huis van de dorpsdominee, waar het middagmaal wordt bereid.
’s Middags is de tocht zwaarder. Het pad gaat voortdurend steil omhoog en omlaag en een paar keer kan Posen nog maar net voorkomen dat ik de afgrond in glijd. Als we na een pittige klim eindelijk over de bergpas zijn, ligt beneden het stadje Wollo. Daar zullen we de komende nacht doorbrengen.
Wollo is redelijk groot en heeft naast honay’s ook ‘westerse’ huisjes en zelfs een startbaan voor kleine vliegtuigjes. In het centrum staan alleen vierkante huisjes. In een daarvan nemen wij onze intrek.
In het keukengebouwtje ernaast beginnen de kokkinnen onder leiding van chef Otomina aan de avondmaaltijd. Ik loop intussen wat door het stadje. Op een kaal veldje zijn jongens aan het volleyballen. Een touw dient als net. Verderop staan meisjes te zingen. De meerstemmige liederen zijn prachtig.
Het eten is elke avond weer heerlijk. Meestal rijst met een gekruide groentesoep en hele kleine stukjes vlees. Als de vrouwen klaar zijn met onze maaltijd, beginnen ze aan het eten voor zichzelf en voor de dragers. Die eten hetzelfde als wij, maar zitten liever in hun eigen huisje. ’s Avonds ga ik weer bij hen zitten om naar hun gezang te luisteren. De ritmische klanken werken hypnotiserend. Vannacht slaap ik in dezelfde kamer als Frank, die intussen al weer bezig is met het ophangen van zijn klamboe. Om een of andere reden is hij daar altijd minstens een uur mee bezig. Ik hoop niet dat hij nachtmerries krijgt vannacht.
Ik heb weer een slechte nacht gehad. Frank heeft niet in zijn slaap gegild, maar wel de hele nacht wild liggen bewegen. Na drie uur zorgden de hanen voor het nodige lawaai om wakker te blijven.
Wassen gaat een beetje lastig in Wollo. Er is wel een rivier, maar die biedt niet de privacy van een badinrichting. Na de nasi gaan we meteen op pad. We volgen nu een onverharde autoweg, die van Wollo naar het zuiden loopt tot het plaatsje Manda. Het wandeltempo is nu zo hoog dat ik af en toe in looppas moet. Genieten van de prachtige natuur om ons heen is er niet bij. Na een uurtje geloof ik het verder wel. Dankzij de weg is verdwalen onmogelijk en de dragers lopen nog een halve kilometer achter ons. Met een rustig gangetje wandel ik verder en maak ik af en toe wat foto’s van het Australisch aandoende landschap. Twee papoea’s met peniskoker passeren. Een van hen lijkt mij een hoofdman. Hij heeft een mooie verentooi op zijn hoofd.
Na een tijdje kom ik terug bij de groep die zit te rusten. Hier sluit de autoweg van Wollo aan op een geasfalteerde weg naar Wamena. We zijn in Manda. Bij een winkeltje koop ik een blikje cola. Na een eenvoudige lunch volgen we nog even de asfaltweg om daarna weer de bush in te duiken. Er klinkt een concert van vogels.
We komen bij een brede rivier aan die we over moeten steken in een uitgeholde boomstam. De gidsen onderhandelen lang met de schippers en intussen verpak ik mijn camera’s in plastic. Ik heb niet veel vertrouwen in de wankele scheepjes. Een oude man met peniskoker biedt ons de overtocht op zijn wrakke vlot aan, maar dat lijkt mij nog gevaarlijker dan de uitgeholde boomstammen. Het gaat allemaal net goed, hoewel de boot zover overhelt dat er water in stroomt. Twee dragers waren met het vlot meegegaan en vallen in de rivier. Dat was te voorzien. Weer op de kant, maak ik foto’s van de Papoea met peniskoker en in zijn hand een plastic jerrycan.
Na dit spannende avontuur moeten we nog een paar kilometer door de jungle, om dan weer bij een rivier uit te komen. Aan de overkant ligt het volgende overnachtingsdorp. Hier zijn geen bootjes. We moeten lopen over de door het troebele water onzichtbare grindbodem. In het dorp zijn we uitgenodigd om in het gemeentehuis te slapen, maar daar is het zo vies dat Carola een ander huisje probeert te versieren. Dat lukt. Het wordt een kliniek, wat overigens alleen te zien is aan de gezondheidsposters die er aan de betonnen muren hangen. Terwijl de kokkinnen aan hun dagelijkse arbeid beginnen, lopen wij een heel stuk de rivier af om een geschikte badgelegenheid te vinden. We moeten een half uur lopen, voordat we eindelijk alleen zijn en geen last meer hebben van overnieuwsgierige blikken. De dragers zonderen zich af als zij zien dat wij er geen problemen mee hebben om gemengd te baden.
Na het avondeten zoek ik meteen de honay van de dragers op. Het is heerlijk om na een zware dag en een goede maaltijd naar hun prachtige liederen te luisteren. Frank krijgt vannacht een eigen kamertje, zodat de rest van de groep rustig kan slapen.
Voor wat comfort had ik een luchtbedje meegenomen, maar dat is lekgeraakt. Ik word ’s morgens dan ook met zere botten wakker. Het is net licht geworden en een waterig zonnetje schijnt zwak door de mistbanken die boven het riviertje hangen. Ik wandel naar het kiezelstrand voor een koud ochtendbad. Iedereen slaapt nog, behalve Posen, die voor de veiligheid mee wil lopen. Ik leg beleefd uit dat ik liever even alleen ben.
Als ik na een uurtje terugkom wordt net de ochtendnasi opgediend. Iedereen lijkt stokstijf geworden te zijn de afgelopen nacht. Pas om 11 uur gaan we weer lopen voor de laatste etappe. De mist is nu verdwenen en de felle zon zorgt voor tropische temperaturen. In het gebruikelijke hoge tempo marcheren we naar de hoofdweg richting Wamena. De laatste 35 kilometers leggen we per auto af. Dat scheelt zes uur lopen.
In Wamena ga ik naar de markt om wat foto’s te maken en wat spullen te kopen voor de volgende expeditie. Voor foto’s wordt inmiddels al 1000 roepia in rekening gebracht. Nog altijd minder dan 10 cent, maar het is duidelijk dat de commercie ook tot de papoeabevolking is doorgedrongen. Toch blijft het goedkoop, want het gaat hier om professionele ‘fotomodellen’, die speciaal voor toeristenfoto’s in traditionele kledij naar de markt gaan. Ze lopen zelfs een zeker risico, want in de hele stad hangen discriminerende en beledigende posters waarmee de Indonesische autoriteiten uiting geven aan hun afkeer van peniskokers. Het toch in peniskoker door de stad lopen, wordt al vrij snel als provocatie opgevat en kan tot problemen met de militairen leiden.
Het is duidelijk dat het gebrek aan toeristen vanwege de Indonesische crisis de plaatselijke handel parten begint te spelen. De marktkooplieden lijken met de dag opdringeriger en vervelender te worden. Kinderen achtervolgen mij en proberen mij zelfgemaakte souvenirtjes te verkopen of mij naar winkels van familieleden mee te nemen. Door het relatief deftige Nayak-hotel binnen te gaan, weet ik de lastposten af te schudden. Ik koop een plattegrond van de Baliem-vallei en bekijk de dure souvenirs.
Terug in het hotelletje hangt Sjef nog steeds bij Annie aan de lippen. Ik bestel een colaatje en wacht af tot het tijd is om naar het restaurantje te lopen voor het avondeten. Vanuit het noorden naderen donkere onweerswolken. De kans is groot dat het gaat regenen. Het is goed dat we dat niet tijdens de expeditie hebben gehad. Onderweg naar het restaurant loop ik nog even bij de Wartel langs, het kantoortje voor internationale telefoongesprekken. Helaas lukt het niet om verbinding te krijgen. Bij een vrij groot restaurant aan de noordelijkste straat van Wamena bestel ik de gebruikelijke gado-gado met nasi. Op de terugweg probeer ik weer te bellen. Maar nog altijd blijft de satellietverbinding dood. Ineens barst met alle hevigheid een tropisch noodweer los. Het regent zo hard dat de overkant van de straat niet meer te zien is. Enkele voorbijgangers zoeken een droog heenkomen onder het luifeltje van de Wartel. Na een kwartier is het weer droog en loop ik via de nu modderige straten terug naar het Syahrial Jaya Hotel. Een colonne souvenirverkopers probeert weer allerlei houtsnijwerk aan de man te brengen. En omdat er vrijwel geen buitenlanders in Wamena zijn, concentreert de hele toeristenindustrie zich vanavond hier. Een oude Dani is zelfs bereid zijn mooi versierde hoofdtooi van kippenveren aan mij te verkopen. Anderen kopen mondharpjes, waar de Dani’s mooie klanken uit weten te toveren. Van de westerlingen slaagt alleen Carola erin wat klanken uit het eenvoudige muziekinstrument te krijgen.
De nachtrust wordt niet gerespecteerd in Wamena. De hanen beginnen ’s morgens rond drie uur met hun ochtendconcert. De imam van de moskee vindt half vijf een mooie tijd voor het eerste gebed en om zeven uur beginnen de vliegtuigen hun motoren warm te draaien.
Vandaag is het een rustdag, zoals dat heet. Na het ontbijt met kokosbrood en ei rijden we met een bemo naar Jiwake. Dat is een traditioneel dorpje dat voor toeristen in stand gehouden wordt. Mensen die voor luxe gaan en slechts enkele dagen in Wamena doorbrengen, kunnen via de geasfalteerde weg comfortabel naar dit dorpje rijden om mensen in peniskokers en rieten rokjes te zien. Er is zelfs een heuse mummie te bewonderen, die tegen betaling even in het zonnetje gezet wordt zodat je ermee op de foto kan.
Hoewel toeristisch, is Jiwake zeer de moeite waard. In een half uur tijd maak je kennis met alle tradities van het Dani-volk, inclusief uit verdriet afgehakte vingerkootjes en een gemummificeerd stamhoofd. En wij hebben dan nog het geluk dat we met een heel klein groepje de enige bezoekers zijn. Een paar vrouwen met blote borsten komen te voorschijn om gefotografeerd te worden. Een van hen heeft borsten van totaal verschillende afmetingen. Een raar gezicht. De Dani-vrouwen laten trots de stompjes aan hun handen zien. Het is gebruikelijk om in tijden van rouw, bijvoorbeeld na de dood van een van de kinderen, een vingerkootje af te hakken.
Een van de vrouwen mist maar liefst zes vingers. Het is interessant en diep triest tegelijk. Een oude Dani haalt de mummie tevoorschijn.
Het gaat met meer respect dan ik verwacht had. Met het zachte zonlicht van de vroege ochtend levert het tafereel prachtige foto’s op.
Vanuit Jiwake wandelen we de bergen in naar een meertje waar op traditionele wijze zout wordt gewonnen. Het is een hele zware klim door de prachtige natuur. Kinderen uit Jiwake vergezellen ons en helpen bij het klauteren over de glibberige rotsen. Af en toe komen we een Dani tegen. Op hun brede, blote voeten lijken ze geen enkel probleem te hebben met het ruwe terrein. Ook de kinderen lopen als berggeiten over het verraderlijke pad. Na een dik half uur kom ik buiten adem bij het meertje aan. Twee vrouwen en een man in peniskoker filteren met bananenbladeren het zout uit het water.
De rest van de groep is nog nergens te bekennen. Alleen gids Bennie heeft mijn tempo kunnen bijhouden. Ik maak een paar foto’s. De werkdag voor de zoutwinners zit er bijna op, dus ik heb geluk gehad vandaag. Als de overige leden van de korte expeditie eindelijk boven komen, houden de Dani’s het voor gezien. Ze gaan van het zonnetje zitten genieten, terwijl wij niet weten waar we de schaduw vandaan moeten halen. Het is gloeiend heet in de zon.
De wandeling naar beneden is minder zwaar, maar vereist wel een behoorlijke voorzichtigheid. Je moet hier in de jungle geen been breken. Beneden bestel ik een colaatje bij een van de winkeltjes van Jiwake.
Met de bemo rijden we weer terug naar Wamena, waar Fetze en ik direct de Wartel opzoeken om naar huis te bellen. In Nederland is het nu ongeveer zeven uur in de ochtend. Zeven uur tijdverschil dus. Opnieuw laat de telecommunicatie het afweten. De omstandigheden zijn gelijk aan die van gisteren toen er ook pikzwarte wolken kwamen aandrijven. En alsof de duivel ermee speelt, barst opnieuw een noodweer los. Ditmaal gaat de regen zelfs vergezeld van grote hagelstenen. En dat op een paar honderd kilometer van de evenaar. Gelukkig zitten we net in een restaurantje aan de Chinese vermicellisoep.
Als vijf minuten later de zon weer doorbreekt, wandelen Fetze en ik terug naar de Wartel. Ditmaal lukt het wel om verbinding met Nederland te krijgen. Diana moet intussen al op haar werk zitten, dus bel ik haar daar op. Eindelijk weer contact met mijn echtgenote. Voor het eerst sinds twaalf dagen hoort zij weer iets van mij. Ik vertel snel wat ik heb meegemaakt en wat de plannen voor de komende dagen zijn.
Later in de middag loop ik met Frank naar het reisbureautje Best Tour in de hoofdstraat van Wamena, even voorbij de markt. We willen iets meer weten over het Baliemfestival dat van 10 tot 13 augustus zal plaatsvinden. De vriendelijke Indonesische beheerder legt ons in perfect Engels uit wat er te gebeuren staat en wijst ons op andere mogelijkheden in Irian Jaya. Hij weet onze nieuwsgierigheid te wekken met expedities naar het nog onontgonnen zuiden van het eiland, waar in de bomen de Amats en nog primitievere volken leven. Het lijkt geweldig, maar het zijn wel erg dure expedities. Alleen al een watervliegtuigje charteren komt op 600 dollar. Met een klein groepje zou het misschien te doen zijn, maar ik leg de man uit dat het er dit jaar niet meer van zal komen.
Ook het Baliem-festival past niet in het reisschema. Ik besluit om Carola te vragen of ik niet van het oorspronkelijke schema kan afwijken om zo het festival te kunnen meemaken. Ik kan dan niet mee naar het eiland Yapen, maar dat interesseert mij niet zo veel.
Buiten zien wij dat de volgende bui in aantocht is. De zon verdwijnt achter inktzwarte stapelwolken en in de verte is de dichte sluier van het naderende noodweer te zien. Ik haast mij naar het hotel. Frank wil eerst nog batterijen kopen in de supermarkt. Net op tijd weet ik het Syahrial te bereiken. Terwijl de regen op het golfplaten dak roffelt, vermaak ik mij met enkele andere groepsleden om een dwaze oude Dani met een mooie muts op zijn hoofd. De door een respectabele ouderdom getekende man is gefascineerd door de werking van een wegwerpaansteker.
Een donderende onweerklap maakt een eind aan de stroomvoorziening. Annie sloft weg om kaarsen te halen. Het is nu pikkedonker in het hotelletje, terwijl de avond nog lang niet begonnen is. Sjef ligt te gieren van het lachen om de oude man, die maar weinig lijkt te begrijpen van de meligheid.
Van Carola hoor ik dat ik niet in Wamena kan blijven voor het Baliem-festival. Ze heeft een Surat-Jalan – een soort verplicht verblijfsvisum – voor de hele groep. Voor een individuele Surat-Jalan zou ik eerst terug naar Jayapura moeten gaan en zonder dat document zou ik zo door de politie opgepakt kunnen worden. Bovendien kom je zonder geldige Surat Jalan het vliegtuig niet in. Ik ben diep teleurgesteld. Ik zou nog wel weken in deze prachtige vallei willen blijven met zijn geweldige natuur en vriendelijke mensen.
Het blijft regenen. Zelfs als we ’s avonds naar het restaurant lopen, regent het nog. Hopelijk is het morgen beter, want dan moeten we weer op pad voor de tweede grote expeditie. Ik eet zeer magere saté, nasi-goreng en miesoep bij het kleine Chinese restaurantje van vanmiddag, terwijl de rest van de groep naar het grote, duurdere restaurant in het noorden van het stadje gaat.
De Surat-Jalan-kwestie zit mij behoorlijk dwars. Om 2 uur word ik zwetend wakker na een bizarre droom over een vliegtuig dat over smalle laantjes door een villawijk taxiet en vanaf een veel te kort weggetje probeert op te stijgen. Ik kan niet meer slapen. Om half vijf hoor ik het gejank van de moskee door mijn oordopjes heen. Maar als ik om 7 uur op sta om mij bij de mandie te wassen, voel ik mij niet eens echt moe. De dragers arriveren om ons op de tweede expeditie te begeleiden. Om de hoek staan drie terreinwagens die ons een dag lopen naar het zuidelijke deel van de Baliemvallei zullen besparen.
Met een flinke snelheid rijden we Wamena uit. De weg is redelijk, maar af en toe worden we gelanceerd als de wagens met onverminderde snelheid over een grote hobbel rijden. Al na een kwartier moeten we stoppen voor een van de vele politieposten. Weer wat later moeten we aan de kant voor een soort militaire parade. Achter de soldaten loopt een regiment schoolkinderen in niet altijd even fraaie schooluniformen. Bij het plaatsje Kukima stoppen we. De weg houdt hier op, want we hebben het zuidelijke einde van de Baliemvallei bereikt. Bij het ‘busstation’ is een kleine markt waar ze naast levensmiddelen en kleding ook horloges en balpennen verkopen. In de verte neemt een militair een appel af. Niet op de kazerne, maar op de middelbare school van het plaatsje!
Het begin van de wandeling is bijzonder zwaar. Via een zigzagpad beklimmen we een honderden meters hoge berg. De ijle lucht op deze hoogte maakt de inspanning extra moeilijk. En dan brandt de zon ook nog genadeloos.
In deze streek lopen de mensen nog overwegend in traditionele kleding. De mannen in niets meer dan een peniskoker en de vrouwen met een rietenrokje en een gehaakte draagtas op de rug. Het bedekken van de niet altijd even fraaie borsten vindt niemand nodig.
Na ruim een uur houdt het pad eindelijk op met stijgen. We rusten even uit en bewonderen het weidse uitzicht over de vallei. Ver in de verte klinkt het gezang van een Dani-stam. Onze dragers leven meteen op. Ze beginnen te krijsen en te springen. Met hun kreten en meerstemmige liederen kondigen ze onze komst aan als wij een klein, traditioneel dorp naderen. Met de kreten vanaf de velden laten de bewoners weten dat wij welkom zijn. Zonder aankondiging is het in deze streken niet beleefd om vreemd grondgebied te betreden. De gids en de dragers weten dat en houden daar rekening mee. En dat is ook nodig, want met gebrek aan respect wordt niet altijd even zachtzinnig omgegaan door de papoea’s.
Het dorp is van een verrassende schoonheid. De enige dissonant zijn de roestige golfplaten daken op de vierkante rieten huisjes. De dorpelingen zijn vrijwel allen op de velden bezig.
Het mooist zijn de tuinen rond de huisjes. Er is op een geniale wijze gebruik gemaakt van verschillende kleuren sierplanten waarbij rood op veel plaatsen de boventoon voert. Het huisje waar wij voor de (zelf meegebrachte) lunch zijn uitgenodigd lijkt wel een tuinbouwtentoonstelling. Aardig is dat vanaf de hoge heuvel in het dal een typisch traditioneel Dani-dorpje te zien is met aan de ene kant de aparte hutjes (honai’s) voor mannen en vrouwen, aan het hoofd de hut van het dorpshoofd en rechts het langwerpige huis voor gezamenlijke activiteiten. Rond het dorp is een puntig hek van bamboe geplaatst. Bij de Dani’s wonen mannen en vrouwen apart. Kinderen wonen in een vrouwenhut. Jongens verhuizen naar een mannenhut als zij twaalf jaar worden. Gemeenschap wordt buiten de ‘compound’ bedreven.
Toen wij aankwamen was het dorpje verlaten, maar nu krioelen drommen kinderen om ons heen. Nieuwsgierig naar die vreemde blanken met hun rare gewoontes. Pascalle speelt voor kleuterjuffrouw en probeert de kinderen een liedje te leren.
Na de lunch klimmen we verder over een eng pad. Aan beide zijden gaapt een diepe afgrond. Aan de overkant van de kloven zijn de steile hellingen te zien waarop ingenieuze akkers zijn aangelegd met een primitief maar uiterst vernuftig irrigatiesysteem.
Door efficiënte benutting van de beschikbare grond, hoogwaardige landbouw en geboortebeperking hebben de Dani’s hongersnood lange tijd buiten de deur kunnen houden. Alleen de afgelopen jaren zijn heel moeilijk geweest. Drie jaar droogte heeft vele mensenlevens gekost. Maar nu de regen is teruggekeerd, slaagt men erin om de landbouw weer snel op het oude pijl te brengen.
Wat de geboortebeperking betreft: als een vrouw een kind heeft gekregen mag zij vijf jaar lang geen gemeenschap met haar man meer hebben. Hierop wordt zeer nauw toegezien. Beide partijen zullen hier niet altijd blij mee zijn, maar de wet wordt gerespecteerd. Mannen die echt niet tegen de onthouding kunnen, mogen echter meerdere vrouwen huwen. Ze moeten dan wel de bruidschat van minstens zeven varkens kunnen opbrengen. Vrouwen mogen overigens niet meerdere mannen huwen. Ook al hebben zij nog zoveel varkens.
Op de pas die de twee dalen verbindt is het ijskoud. Een felle wind jaagt wolkenflarden langs ons heen en af en toe is de mist zo dik dat we elkaar niet meer kunnen zien. Vooral de dragers hebben het koud in hun armzalige kleding. Zij gaan zingen om het van binnen een beetje warm te krijgen. Twee dragers hebben zelfgemaakte gitaartjes meegenomen.
De klim viel niet mee. De afdaling is misschien nog wel zwaarder. Af en toe daalt het glibberige pad met meer dan 45 graden. Het is geen lopen meer, maar omlaag hijsen. Gelukkig kennen de dragers de kritische punten en staan zij daar klaar om ons veilig verder te helpen. In de diepte ligt het dorpje voor de volgende overnachting. Duidelijk zichtbaar is de landingsbaan van gras.
Het begint te regenen. En hard ook. Onderweg ontmoeten we een grote groep Dani’s. Er worden aardappels gepoft en wij krijgen ook een paar gepofte aardappels aangeboden. De paden veranderen in modderstromen en met zwarte voeten lopen wij op het einde van de middag het dorp in.
Een paar Dani’s in peniskoker is bezig met het bouwen van een honai. Het is interessant om te zien hoe dat gaat. Rond een boompje buigen ze takken om die vervolgens met gras worden bedekt. Als een van de Dani’s ontdekt dat wij foto’s maken, komt hij snel naar ons toe om wat geld te bedelen.
Het blijft regenen. We overnachten in het huis van de onderwijzer, dat als een van de weinige bouwwerken uit steen is opgetrokken. Ik loop met Posen naar de rivier aan de rand van het dorp om mij te wassen. Het is koud en mistig. Hopelijk wordt het morgen beter. ’s Avonds zitten we gezellig rond het houtvuurtje in de hut van de dragers te luisteren naar hun ritmische liederen. Met gitaarbegeleiding klinkt de muziek nog mooier dan tijdens de eerste expeditie.
Ik word wakker met rugpijn. Mijn luchtbedje raakt steeds meer lek, zodat ik na een paar uur al op het keiharde beton lig. Ik probeer verder te slapen, maar dan breekt in de kamer naast mij de hel los. Frank heeft weer een nachtmerrie en gilt het halve dorp bij elkaar. Gelukkig houdt het al snel op. Een ander groepslid zal hem wel een tik hebben verkocht. Als ik half zeven drager Arie op zijn gitaartje hoor spelen sta ik maar vast op. De kokkinnen zijn al weer met het ontbijt bezig.
De regen is gelukkig opgehouden, maar de paden zijn nog erg glibberig. Weer moeten we steil omhoog klimmen. Deze tocht is veel zwaarder dan die van een paar dagen geleden, toen het terrein overwegend vlak bleef. De dragers zingen opgewekt hun liederen.
Na een tijdje wordt de groep steeds langgerekter. En nog wat later loop ik alleen met Posen door de wildernis. Hij helpt mij langs de gevaarlijkste plekken langs de afgrond. Gelukkig geven de hellingen nog wat schaduw zo vroeg in de morgen. In de verte ligt een dorpje waar we zullen stoppen voor de lunch.
Gevolgd door de zingende colonne dragers wandelen we het dorpje binnen. De schoolmeester waar we zouden lunchen blijkt echter nergens te bekennen. We gaan dan maar picknicken aan de rivier. Dat is ook gezellig. Terwijl de kokkinnen zich met de soep bezighouden, probeer ik wat te slapen, maar de vliegen houden mij wakker. Een oud vrouwtje met nog maar een paar vingers komt bedelen. Ze vertelt via de gids dat zij drie kinderen verloren heeft. Uit rouw heeft ze haar vingers afgehakt. Ze wil van ons wat geld om met haar zere ogen naar de dokter te kunnen. En andere expeditie met een zeer groot aantal dragers passeert.
De middagtocht gaat weer steil omlaag. Het lopen lukt alleen met behulp van de sterke dragers. Gelukkig komen we vrij snel in het dorpje aan waar we de komende nacht zullen doorbrengen. De gids gaat hier proberen om de dorpsbewoners een varkensfeest te laten organiseren. Vaak lukt dat wel, mits de toeristen bereid zijn om het varken te schenken. In dit dorpje zal het zeker wel lukken, want men is gewend om toeristen te ontvangen. Er is zelfs een speciale honai die dienst doet als hotel. Niet dat er enig comfort is, maar de dubbelwandige rieten hut is wel schoon. Voor het baden zijn we zoals gewoonlijk op de rivier aangewezen. Ben, onze gids, knutselt een soort douche van bananenbladeren in elkaar. Grappig is ook een kwekerij met kalebassen. Hiervan worden de peniskokers gemaakt.
Buiten het dorp wordt een stenen huis gebouwd. We horen de bouwvakkers zingen. Het moet een ingewikkelde operatie zijn want de bouwmaterialen zijn hier niet voorhanden. Die worden waarschijnlijk te voet uit Wamena gehaald.
In het dorpje is niet veel te doen. Ik wandel wat door de omgeving en maak foto’s van traditioneel geklede boeren die op de kleine groentenakkertjes langs de steile hellingen staan te werken. Naar mate de middag vordert komen de boeren terug van het land. Het wordt steeds drukker in het dorpje. Frank filmt met een van zijn twee videocamera’s voor de zoveelste keer de maaltijd als die wordt opgediend. Het moet een saaie reportage worden, want we eten iedere dag hetzelfde. Ben zit intussen te onderhandelen over het varkensfeest. Hij lijkt het niet eens te kunnen worden met de dorpssecretaris die ook hoofd van de feestcommissie is. Als we ’s avonds voor de hut van de dragers naar hun muziek zitten te luisteren is nog steeds niet bekend of morgen het varkensfeest zal doorgaan. We kunnen ons wassen onder een geïmproviseerde douche die Ben met wat grotere bladeren in elkaar heeft geknutseld. Aan de rand van het dorp houden kinderen een feestje in een van de vierkante hutten. Ze zingen en joelen in het pikkedonker.
’s Morgens hangt er een zware mist in het dal. Het is koud. Enkele Dani’s lopen verkleumd rond terwijl ik als eerste naar de rivier wandel voor mijn ochtendbad. De door Ben geknutselde douche functioneert nog steeds. Terug in het dorp zit Arie weer op zijn gitaartje te spelen, zijn de meeste dragers aan het kaarten (om geld) en is Ben nog druk aan het onderhandelen met de dorpssecretaris. Carola stookt de gids op, maar kan zelf niet meedoen met de onderhandelingen. Dat hoort een vrouw niet te doen, vinden de Papoea’s.
Na het ontbijt horen we dat we voor twee kleine varkens ons varkensfeest krijgen. Volgens Carola is het oplichterij, maar we gaan uiteraard akkoord omdat het nog altijd om een heel luttel bedrag gaat. Rond tien uur komt Ben ons halen. We moeten achter hem aanlopen naar een ander deel van het dorp.
Als wij over een paadje door het lange gras lopen komt ineens een woest uitgedoste Dani-krijger tevoorschijn. Luid gillend staat hij met zijn speer te zwaaien. Het is het teken om de ‘oorlog’ te beginnen.
Van alle kanten blijken wij nu omringd te zijn door woeste krijgers met speren, schilden en pijl en boog. Ze komen op ons afrennen en trekken zich dan weer snel terug om meteen weer een nieuwe aanval te openen.
Met in mijn ene hand mijn videocamera en in de andere hand mijn fototoestel probeer ik zoveel mogelijk van het bijzondere schouwspel vast te leggen.
Na een minuut of vijf besluit het stamhoofd dat wij de oorlog verloren hebben en worden we in gevangenschap naar een ander dorp geleid.
Daar heeft iedereen zijn traditionele pakje aangetrokken. Langs de randen van het dorp zitten met prachtige veren versierde krijgers die de wacht houden.
Vrouwen staan op een rijtje en zingen rituele liederen. Ze zijn opgemaakt met een plak witte verf rond hun ogen. Onder het zingen gaat een pakje sigaretten rond. De Dani’s roken als ketters.
We worden naar een heuvel gebracht vanwaar we een mooi uitzicht hebben op de voorbereidingen van het varkensfeest. Ze maken er wel werk van. Het gaat helaas mis als het vuur wordt aangemaakt. Het natte gras veroorzaakt een verstikkende rook en het is gewoon niet mogelijk om op de heuvel te blijven zitten. Ik zoek mijn heil beneden, waar ik ook veel mooiere foto’s kan maken. Fetze maakt een foto van mij met aan beide handen een Dani.
Even later komt een van de hoofdmannen met het eerste varken. Het blijkt een klein biggetje. Nu voelt Carola zich helemaal geflest. Ons maakt het niet uit. Het gaat om het schouwspel en niet om het varken. We zitten niet in een restaurant. Het is wel zielig voor het feestvarkentje. Het gilt moord en brand. Kennelijk weet het dat het niet lang meer te leven zal hebben.
Op een gegeven moment pakt een van de krijgers zijn pijl en boog. Een ander houdt het varkentje in de lucht, waarna de eerste van dichtbij een pijl afschiet. De krijger zet het varkentje weer op de grond, dat vertwijfeld om zich heen kijkt. Het gilt zachtjes en valt dan om. Nog wat stuiptrekkingen en dan is het voorbij. Een tweede varkentje, nog kleiner, ondergaat even later hetzelfde lot. Het bloed dat uit de wonden stroomt wordt opgevangen in een blikje.
Dan beginnen de mannen en vrouwen met een ingewikkeld ritueel. In het vuur liggen stenen die inmiddels roodgloeiend zijn geworden. Met dunne boomstammen halen de mannen de stenen uit het vuur om ze in een kuil ernaast te gooien. Dat gaat zo door tot er een stuk of twintig stenen in de kuil ligt. De vrouwen gooien er droog gras overheen en daarop wordt groenten gelegd. De mannen zijn intussen de varkentjes aan het slachten. De kleine reepjes vlees worden tussen de groenten gelegd en dan gaat er een dik pak droog gras overheen. Op die manier laat men het eten smoren. Als de smoorheuvel klaar is doven de mannen het vuur.
Het is nu afwachten. Intussen gaan wij terug naar het overnachtingdorpje om te lunchen. De hoofdkokkin, Ottomina, heeft een stuk varkensvlees achterover kunnen drukken dat zij nu voor ons zal bereiden.
Ik merk dat ik vandaag al vier filmpjes heb volgeschoten. Dat gaat hard zo. ’s Middags keren we terug naar het feestterrein. De stoofheuvels worden langzaam afgebroken en het voedsel komt weer tevoorschijn. De dorpelingen laten het zich goed smaken. We zien weinig terug van ‘onze’ varkens. Helaas wordt het nu erg rommelig. Er komen steeds meer Dani’s in moderne kleding tussen zitten, wat normaal is, maar wat niet leuk is voor de foto’s. Na een uur is de stoofheuvel vrijwel verdwenen en vindt de hoofdman het welletjes. Het varkensfeest is afgelopen. Maar wij zijn tevreden. Het was een leuke dag en gelukkig heeft het weer, dat de laatste dagen niet al te best was, ons vandaag niet in de steek gelaten.
Als we terug zijn in ons dorpje hebben de bewoners inmiddels een complete souvenirmarkt ingericht. Ze zijn hier echt commercieel geworden. Ik kijk rond en besluit een halsketting met vingerbijltje te kopen en een peniskoker met een pluim. Elly koopt wel tien peniskokers. Ik vraag mij af wat zij van plan is.
In het dorp zie ik een man die zich helemaal ingesmeerd heeft met klei. Dat betekent dat hij in de rouw is. Het is een fascinerend gezicht. Met klei insmeren is in onze ogen in ieder geval wat minder dramatisch dan het afhakken van vingers, wat vooral vrouwen doen als zij een geliefde hebben verloren.
Ik neem de foto's met mijn telelens vanaf een grote afstand. Maar de man is niet gek. Al snel heeft hij mij in de gaten. Het lijkt hem echter niet te deren dat ik wat foto's van hem maak.
Het wordt donker. De mannen zitten bij elkaar en vormen een prachtig schouwspel in het licht van de ondergaande zon. Arie zit driftig op zijn gitaartje te tokkelen. Enkele Dani’s neuriën zachtjes mee. In een hutje zitten kinderen te zingen. Steeds hetzelfde deuntje en elke keer luider tot dat zij het uitschreeuwen. Na het eten ben ik kapot. Al aan tafel val ik in slaap. Voor het eerst sinds de expedities ga ik vroeg naar bed.
Als ik na een slechte nachtrust om half zeven de hotel-honai verlaat heerst er een wat landerig sfeertje. Mistflarden liggen als dekens over het dorp. De dragers zitten te kaarten en Arie speelt een eentonig deuntje op zijn gitaartje. Ik sla mijn handdoek om mij heen en wandel naar het riviertje. Veel Dani’s zijn al op weg naar de velden. Een paar varkens zijn op zoek naar iets eetbaars. Onder het ijskoude water kom ik een beetje bij. Er ligt weer een zware dag in het verschiet, want vandaag moeten we naar het volgende dorp dat aan de andere kant van de Baliem-rivier ligt.
De tocht begint met een steile afdaling naar de hangbrug over de rivier. Stapje voor stapje gaat het naar beneden. Eenmaal aangekomen blijkt er een gloednieuwe hangbrug met staalkabels te zijn. De oude hangt er nog naast. De staat van de oude brug leert dat de nieuwe brug geen overbodige luxe is geweest. Niettemin maken enkele Dani’s nog steeds gebruik van de gevaarlijke oeververbinding, die nog slechts uit wat gerafelde lianen en rotte planken bestaat. Wij steken de rivier uiteraard via de nieuwe brug over.
We vervolgen de wandeling over een nauwelijks zichtbaar pad dat langs de rivier loopt. De kokkinnen nemen een andere route die direct de berg oploopt. Wij moeten na een tijdje ook klimmen. Het gaat moeizaam. Vooral de oudere Louis en Trudeke hebben er moeite mee. Maar ook Pascalle redt het amper. Zij is de afgelopen dagen ziek geworden en daardoor behoorlijk verzwakt geraakt. Ze wil het echter niet opgeven.
De groep wordt steeds langgerekter en al snel loop ik weer alleen met Posen, die mij trouw begeleidt. Keer op keer voel ik mijn voeten wegglijden over de modderige bodem. Ver in de diepte buldert de woeste Baliem-rivier. Ver achter ons is nog vaag het gitaarspel van de achterhoede hoorbaar.
Rond het middaguur komen we eindelijk weer in de bewoonde wereld aan. De eerste dorpjes gaan we voorbij. Op een gegeven moment komen we in een bos waar de kokkinnen inmiddels de pan soep op het vuur hebben staan. Of de vrouwen hebben heel snel gelopen, of wij hebben een omweg gemaakt. Ik weet het niet, maar ik ben blij dat we eindelijk even kunnen rusten.
Waarom we zo’n haast hebben gehad is mij niet duidelijk, want na de lunch hoeven we nog maar een klein uurtje te lopen om het volgende overnachtingdorp te bereiken.
We zijn in een ontwikkeld gebied aangekomen met mooie dorpen, siertuinen en overal vruchtbare akkers. Door de velden loopt een ingewikkeld stratenpatroon en verschillende malen moeten we over hekjes klimmen die bedoeld zijn om varkens binnen te houden.
In het dorp zijn net de voorbereidingen voor een groot feest aan de gang. De mannen zijn kuilen aan het graven en een brandstapel aan het aanleggen. Vrouwen lopen met grote zakken groente te sjouwen. De rest van het dorp staat toe te kijken. Er wordt niet op de velden gewerkt vandaag.
Van onze gids Ben horen we dat er de volgende dag een bruiloft zal plaatsvinden. We zijn uitgenodigd om die – tegen betaling van een varken – bij te wonen. Dat is een buitenkansje. Want nu zullen we een echte ceremonie zien en geen toneelstukje zoals gisteren.
Met Posen loop ik naar het huis van het dorpshoofd, een man met een paars T-shirt, een hoofdtooi met mooie veren en witte verf rond zijn ogen. Door zijn neus draagt hij varkensslagtanden die omhoog wijzen als teken dat het feest is. Als de tanden omlaag wijzen betekent dat oorlog!
De hoofdman nodigt ons uit in het ‘long-house’. Hij begint een vrolijke conversatie met Posen, waar ik natuurlijk niets van versta. En omdat Posen geen Engels spreekt en ik geen Indonesisch, kan hij het gesprek niet voor mij vertalen. De hoofdman biedt gepofte aardappelen aan en probeert mij zijn pijl en boog te verkopen.
We nemen de hoofdman mee naar Ben. Het blijkt intussen al in orde te zijn dat we een dag langer in dit dorp zullen blijven en dus een dag later in Wamena zullen terugkeren. Gelukkig maar, want ik was desnoods alleen achtergebleven met Posen.
In de namiddag begint het feest pas echt. De smoorkuilen en de brandstapel zijn gereed en nu is het tijd om de bruid op te halen. Die woont in een naburig dorpje. De Dani’s zijn bijzonder uitgelaten en rennen schreeuwend en joelend heen en weer. De hoofdman holt rondjes met een grote bijl op zijn schouder. Hij laat wel even zien wie de leiding heeft, maar is ook niet te beroerd om af en toe zelf wat brandhout te hakken.
Ik loop mee met een grote groep dorpelingen die op weg gaat naar het dorp van de bruid. Het is inmiddels bijna donker geworden. Van Ben hoor ik dat de bruid de tweede vrouw wordt van de bruidegom, die een vooraanstaande positie heeft binnen de dorpsgemeenschap. De man had al eens eerder een tweede vrouw, maar die is door mannen uit een ander dorp ‘gestolen’. Om een oorlog af te kopen heeft dat dorp de bruidegom zeven varkens geschonken, waarmee hij een nieuwe vrouw kon ‘aanschaffen’. Het is nog steeds 1998!
Van de rest van het reisgezelschap lijkt bijna niemand zin te hebben in de festiviteiten. Alleen Frank is net zo druk aan het filmen als ik. De rest zit vermoeid in het huisje van de onderwijzer, waar wij voor de komende nacht onderdak krijgen aangeboden. Na het eten loop ik weer het dorp in.
In de ‘long-houses’ is het volop feest. Dit is werkelijk geweldig. Er wordt gedanst en gezongen en ik kan meedoen alsof ik er helemaal bij hoor. Het is fascinerend om te zien hoe er in het pikkedonker feest wordt gevierd. Ik zie niets met het blote oog. Maar op mijn videocamera zit een infraroodlamp, waarmee ik een goed zwart-wit-beeld krijg van de feestelijkheden. Als ik laat terugkeer in de onderwijzerswoning, zit iedereen nog steeds somber voor zich uit te kijken. Ik drink een kopje oploscacao en ga dan nog even bij de dragers zitten. Die zijn nog steeds onverminderd vrolijk.
Mijn luchtbedje is nu zo lek dat het binnen een uur leegloopt. Midden in de nacht word ik dan ook weer wakker met forse rugklachten. Een ander probleem is de jeuk van vlooienbeten, die ik waarschijnlijk in het Syahrial Jaya Hotel in Wamena heb opgelopen. Al om half zes hoor ik Arie op zijn gitaartje spelen. Ik hoop dat ik het ga volhouden met gemiddeld vier uur slaap per nacht.
Ook dit dorp heeft een heel mooie wasrivier. Vooraan is het vrouwengedeelte maakt Posen mij duidelijk, maar verderop – bij een watervalletje – mogen de mannen baden. Het water is ijskoud. Een mooie zwart met gele vlinder fladdert voorbij. Terug in het dorp hoor ik dat Pascalle nog veel zieker is geworden. Voor haar is het goed dat we vandaag niet verder trekken, al zal ze aan de feestelijkheden niet veel hebben.
Ik zie tot mijn verbazing een blanke Papoea, een albino. De dorpelingen proberen hem zoveel mogelijk af te schermen.
Vanaf het terras voor de onderwijzerswoning hebben we een mooi uitzicht over het feestterrein. Er zijn nu drie vuurplaatsen en vijf smoorkuilen. De mannen zijn nog druk bezig met het hakken van brandhout en verzamelen van grote stenen om op de brandstapel te leggen. Het dorpshoofd loopt schreeuwend rondjes te rennen en met zijn bijl te zwaaien. Het is een goede manager want hij lijkt overal tegelijk te zijn.
Ik ga met Frank een eindje wandelen. Onderweg komen we grote groepen gasten tegen, die enorme tassen met groente meesjouwen. Sommige mannen dragen een groot varken op hun schouder of vastgebonden aan een lange bamboestok. Erg diervriendelijk is het allemaal niet. De varkens laten met hun schelle gekrijs duidelijk merken dat zij het niet eens zijn met hun behandeling.
Met een hele grote groep feestgangers lopen we terug naar het dorpje, waar het inmiddels een drukte van belang is. We zien nu ook de bruidegom, een man met een blauw jack aan. De bruid is echter nergens te bekennen. Ik vraag mij af of zij net zo blij is met de bruiloft als de rest van het dorp. In de smoorputten hangen dikke varkens ondersteboven met hun poten aan een bamboestok gebonden. Kinderen porren met takjes in de neusgaten van de arme dieren.
Korte tijd later begint het bloedbad. Een van de varkens wordt aan de bamboestok uit de smoorkuil getild en krijgt van dichtbij een lange pijl in het hart geschoten. De schutter port nog even gezellig de pijl heen en weer door het lichaam, waarna het varken op de grond wordt gelegd om te sterven. Zo gaat het ene na het andere varken er aan. Het gekrijs is vreselijk om aan te horen, maar het moet natuurlijk wel op de video. Een groot varken lijkt het niet op te geven. Zwaar gewond probeert het weg te komen, maar uiteindelijk rolt het om en maakt een tweede pijl een einde aan zijn doodstrijd.
Direct worden de dieren geslacht. Dit doen de mannen, terwijl de vrouwen zich met de groente bezighouden. De vuren worden aangestoken en veroorzaken door de natte dennentakken een verstikkende rook. Overal wordt gedanst en geschreeuwd en nog altijd komen complete volksstammen het dorp binnenwandelen. Frank en ik gaan boven op de heuvel achter de onderwijzerswoning kijken.
Er komt een enorme groep papoea’s aanlopen, die een woeste krijgsdans beginnen. Ze lijken zich niets van ons aan te trekken. Ze zwaaien met hun meegebrachte geschenken – gras, hout en groenten – en beginnen wild te springen. Dan klimmen zij een voor een over het hek dat de toegang tot het dorp markeert om hun geschenken naar beneden te gooien op het feestterrein. Midden in de dikke rookwolken zijn de mannen nu bezig om de gloeiend hete stenen in de smoorkuilen te leggen. Er komen takken overheen en in varkensbloed gedrenkte bananenboombladeren. Daarna gooien de vrouwen de groenten op het vlees en leggen de mannen er de repen varkensvlees tussen. Er gaat nog een dikke laag hooi overheen en dan is het wachten tot de maaltijd kan beginnen. Die maaltijd vormt het hoogtepunt van de dag, want de bruid en bruidegom zijn nergens meer te bekennen. De bruid heb ik trouwens helemaal niet gezien. Toch wel vreemd.
In de namiddag begint het feestmaal. Maar een klein deel van het eten wordt direct opgegeten. Het meeste verdwijnt in de tassen van de vrouwen. Ook onze kokkinnen graaien wat vlees en groenten weg. Het vlees gaat naar de keuken om nog even extra doorbakken te worden, want de hygiënische omstandigheden waaronder het slachten plaatsvond, waren niet echt conform de westerse maatstaven.
Helaas begint het te regenen. De bruiloft lijkt nu meteen ten einde te lopen. Bij de onderwijzerswoning is het echter nog steeds gezellig. Als een ware popster geeft Arie een wervelende show weg en al snel staat het halve dorp om hem heen. Dit is natuurlijk niet de bedoeling en al snel komt de hoofdman naar boven om zich te beklagen. De bruiloftgasten moeten weer naar beneden, waar het officiële feest is. Een hele gekke Dani in peniskoker en met een zwarte paraplu weet intussen de kinderen te boeien met een hele maffe show. Aanstellerig pakt hij zijn draagtas met groenten en vlees op om wankelend het feestterrein te verlaten.
Door de steeds hevigere regen verplaatst het feest zich naar de long houses. Daar is het gezellig. Dat kan van de onderwijzerswoning echter niet gezegd worden. Het reisgezelschap lijkt in grafstemming. Met Elly ga ik maar bij de dragers zitten. Daar zijn de vrouwen bezig met het avondeten en zitten de dragers gezellig gitaar te spelen, te zingen en in hun handen te klappen. Onder het eten blijft het nog steeds doodstil binnen de reisgroep.
’s Avonds loop ik nog even door het dorp. Het regent nog steeds, maar daar trekken de dorpsbewoners en de bruiloftgasten zich niets van aan. Overal wordt in het pikkedonker gedanst en gezongen. Het is geweldig. Hier komen de eeuwenoude tradities weer helemaal tot leven. Ik ben dankbaar dat ik dit mag meemaken.
Vandaag begint de terugtocht naar Wamena. We zullen nog een keer onderweg overnachten. Nog steeds ben ik niet echt moe, ofschoon ik ook de afgelopen nacht niet meer dan vier uur geslapen heb. Arie slaapt ook weinig. Tot een uur of een was het feest in de dragershut en nu om half zes zit hij al weer op een hekje zijn eentonige deuntje te spelen. Buiten heerst een onwerkelijke sfeer. Op Arie’s getokkel na is het doodstil. In het dal hangen zware witte wolken. Alles is nog vochtig, maar de regen is gelukkig opgehouden.
Ik loop alleen naar de rivier om mij goed te wassen voordat de lange wandeling begint. Als ik terugkom is net de nasi klaar. Het eenzijdige voedsel begint mij nog steeds niet te vervelen, maar dat komt waarschijnlijk omdat het net iedere dag mijn favoriete menu is, hoewel ik in Nederland natuurlijk geen nasi met oploscacao als ontbijt eet.
We nemen afscheid van het dorp en beginnen aan de steile klim naar de kam van de heuvelketen. Onderweg komen we nog vele akkers tegen. Het lopen gaat helaas niet echt makkelijk. De paden zijn nog nat van de regen en nu en dan moeten we wilde riviertjes oversteken door te balanceren op glibberige boomstammen. De Dani’s hebben er niet de minste moeite mee, maar wij buitenlanders houden ons hart vast.
Na dik twee uur klimmen zijn we op de top van de heuvel. Hier groeit hoog gras. We rusten even om op de achterblijvers te wachten. Dan begint weer de afdaling. Aan de hand van onze dragers glibberen we naar beneden. Het uitzicht op de Baliem-vallei is van hieruit schitterend. Aan de overkant zie ik het dorpje waar de expeditie een paar dagen geleden begonnen was. Uiteindelijk komen we bij de rivier aan. De vrouwen, die via de andere kant van de rivier waren gelopen, zitten al op ons te wachten met de soep. De voedselvoorraden beginnen nu op te raken, al komen we niet in de problemen omdat de expeditie met een dag verlengd is. De dragers klimmen uit baldadigheid in de bomen en schreeuwen het uit van plezier. Even later komt echter een oude dorpsbewoner die vraagt of wij weg willen gaan. We schijnen op heilige grond te zitten en dat mag natuurlijk niet. Ben is het niet met de man eens en begint een discussie. Maar Carola vindt het beter als we toch onze spullen pakken en zo gaan wij weer op weg.
Het gaat opnieuw regenen en al snel neemt het buitje de omvang van een tropisch noodweer aan. Paraplu’s helpen nauwelijks. Mijn kostbaarste spullen heb ik maar in plastic zakken gestopt, want we raken compleet doorweekt. We zijn blij als we na een paar uur in ons volgende overnachtingdorpje aankomen.
We zijn te gast in het huis van de dominee van de zevende dag adventisten, een heel aardige man die ons direct in zijn fraai gemeubileerde woonkamer uitnodigt en ons in het Engels iets over zichzelf, zijn werk en zijn school vertelt. Als het eindelijk even droog is loop ik met Ronnie en de inmiddels weer wat beter geworden Pascalle, Frank, Sjef en Ben naar de rivier om de modder van ons af te wassen. Dat wordt echter moeilijk, want na een flinke wandeling blijkt de oever in een modderbad veranderd te zijn. We kunnen ons dus wel wassen, maar onze voeten blijven smerig. Terug in het dorp zijn de dragers op het sportveld bij de school aan het volleyballen. Ze doen het niet onaardig. De dominee nodigt ons uit voor de thee. In de namiddag gaat het weer regenen en het wordt nu niet meer droog. We blijven binnen zitten in het licht van de slecht werkende olielamp. Het wordt vroeg naar bed vanavond.
De dragers zijn ongekend vrolijk. Om twee uur ’s nachts zitten ze nog te zingen. Ik lig met Frank op een kamer en verwacht elk moment weer een uitbarsting. Het blijft echter rustig vannacht. Toch houden de muggen mij wakker. De klamboes van de domineewoning zitten vol gaten en ik was te lui om mijn eigen klamboe op te hangen.
Om kwart over zes sta ik op. Het wordt net licht. Bij de mandie neem ik een bad en daarna ga ik buiten kijken naar het arriveren van de schoolkinderen, die les krijgen van de dominee. Het verbaast mij dat de kleine Papoeaatjes in hun niet altijd even nette schooluniformpjes al zo vroeg naar school komen. Het gaat echter om de ploeg die ochtendcorvee heeft. Ze doen wat kleine klusjes onder begeleiding van de dominee en hijsen dan de Indonesische tweekleur in de zeer hoge vlaggenmast. Dat vlaghijsen gaat begrijpelijkerwijs niet van harte. Eerst hangen zij het rood-witte doek ondersteboven, dan raken de touwen in de knoop en pas na twintig minuten lukt het om de vlag met veel moeite omhoog te hijsen. Het is een aandoenlijk gestuntel.
Om acht uur vindt het ochtendappél plaats. Het lijkt wel militaire dienst in plaats van school. Even later lopen de kindertjes gedisciplineerd in rijen van twee naar hun met kippengaas en houten schotten afgescheiden klaslokaaltjes. De dominee begint zijn lessen aan alle klassen tegelijk, terwijl onze kokkinnen zich voor de laatste maal over de ochtendnasi ontfermen.
De laatste wandeling stelt niet veel voor. Het is twee uur lopen naar Wamena over redelijke paden. We passeren rijstvelden en groentenakkers. De weg is nog kleddernat van de regen van gisterenavond, maar vandaag is het mooi weer. Er hangen nog wat lage wolken. De hitte van de tropenzon is al goed voelbaar. Verdwalen is bijna niet meer mogelijk. Ik loop daarom alleen met Posen. Een paar keer laat ik het zingende groepje dragers passeren om ze vanaf de kant van de weg op video te zetten.Via een nieuwe hangbrug steken we de Baliemrivier over en komen we bij de picknickplaats aan voor de lunch. We gaan op de groepsfoto. Carola maakt de foto’s met elke meegebrachte camera. Als het laatste voedsel op is, wandelen we Wamena binnen. We komen nog langs een begraafplaats met een groot Toradja-huisje dat het graf van iemand uit Sulawesi markeert. Zo’n twee kilometer verder ligt het hotel. Het zit erop. We nemen afscheid van de dragers die morgen nog terug zullen komen voor het echte afscheid en ik maak kennis met twee Nederlanders, Ronald en Anqelique, die net zijn aangekomen en die morgen een zesdaagse expeditie door de zuidelijke Baliem-vallei willen maken. Het zijn aardige mensen. Ze hebben hun trip zo gepland, dat zij ook het Baliem-festival kunnen bijwonen. We gaan met zijn drieën eten bij het kleine Chinese restaurant. ’s Avonds klets ik nog wat na met de Nederlanders op het terras van het hotel. Ik kan de kamer niet in, want Fetze heeft de sleutel en hij is eten met de rest van de groep. ’s Avonds besluit ik om toch maar met de groep naar het eiland Yapen te gaan, al vind ik het reuze jammer het Baliem-festival te moeten missen. Ik vervloek de Indonesische bezetters met hun Surat Jalan, dat alleen in Jayapura te verkrijgen is en niet daar waar je het nodig hebt.
Het was lekker om weer eens in een echt bed met matras geslapen te hebben. Slapen is echter een kunst in Indonesië. Rond een uur of half vijf klinkt het gejank van de moskee en om zes uur loeit al weer de sirene van het vliegveld. Om zeven uur begin ik aan een smakelijk ontbijt met bapao-broodjes en een soort pasteitjes. Bij het postkantoor verzilver ik weer een stapeltje girobetaalkaarten. Toch wonderlijk dat je daarmee in Irian Jaya terecht kan.
Bij Best Tours huur ik een fiets voor 15.000 rupia (ongeveer 1 euro). Vandaag ga ik er zelf op uit. Eerst fiets ik naar het dorpje Wesaput aan de andere kant van de startbaan. Daar wonen de dragers. Ik kom Izaak – de drager met een grote baard – tegen en vraag hem waar Posen woont. Hij weet het niet. Ik fiets verder. Achter in het dorp staat een klein museum, maar dat blijkt gesloten te zijn. Intussen lopen veel inwoners van Wesaput met zware lasten naar de markt in Wamena. Zij steken daarbij dwars de startbaan over. Ik heb dat ook eens geprobeerd, maar toen werd ik tegengehouden door een bewaker. De Papoea's mogen echter gewoon doorlopen. De Indonesiërs gedogen dat, maar willen niet dat een toerist het risico neemt. Twee jaar eerder, zo heb ik mij laten vertellen, is er een ongeluk gebeurd met een hoofdman van het dorp. Hij moet de waarschuwingssirene hebben gehoord, maar vond kennelijk dat hij als hoofdman voorrang had op het landende vliegtuig dat in aantocht was. Het dorp was woedend en bezette de landingsbaan. Merpati moest een schadevergoeding van 2000 varkens betalen om een oorlog af te kopen. Sinds die tijd gaat het goed met Wesaput.
Mijn fiets is van Aziatische kwaliteit (niet Japans). Dat betekent dat alles rammelt en dat diverse vitale onderdelen elk moment lijken te kunnen bezwijken. Ik probeer dus voorzichtig de vele kuilen in het asfalt te vermijden en op de hellingen de snelheid een beetje in toom te houden. Het vervelendst is de zeer lange stuurpen, waardoor het stuur veel te ver naar voren staat. Ik ben zo gedwongen om met een bolle rug te fietsen en dat gaat al snel zeer doen.
Ik laat mij echter niet kennen en besluit naar het noorden te fietsen, naar de plaatsjes Suroba en Dugum. Onderweg passeer ik eerst het luxe bungalowcomplex Honoi Resort, waar je voor iets van 40 dollar per nacht een bungalowtje in de vorm van een honai kunt huren. Ook kom ik langs Jiwake, het dorp met de mummie. Na Jiwake wordt de weg zeer slecht. Ineens vliegt het linker pedaal van de trapper af. Dat was te verwachten. Met een paar keien lukt het om een noodreparatie uit te voeren.
Bij een klein dorpje besluit ik te voet op verkenning uit te gaan. Ik zet de fiets op slot en wandel langs een ananasplantage en een verlaten dorp de wildernis in. Vanwege de bergen rondom is het makkelijk oriënteren, zodat ik niet bang hoef te zijn om te verdwalen. Toch is het niet zo eenvoudig om in het bosrijke gebied de weg te vinden. Ik kom bij een riviertje uit met twee gevaarlijke bruggen. De een is een hangbrug die eruit ziet alsof hij mijn gewicht niet zal kunnen dragen. De andere is een brug van glibberige boomstammen. Ik neem de boomstambrug en weet veilig de overkant te bereiken. Het pad langs de oever loopt na een tijdje echter dood. Een visser met peniskoker helpt mij weer de goede richting op. Hij loopt mee tot aan een prachtig, traditioneel dorpje. Dat had ik hier niet verwacht. De bewoners zijn vrijwel allemaal naar de velden. Wel zijn er een paar kinderen. Ik maak kennis met Bartol. Hij vertelt mij in het Engels dat het dorpje Soroba heet en dat hij een nog mooier dorp kent, waar veel varkensfeesten georganiseerd worden. Daar wil hij mij wel naar toe gidsen. Ik besluit mee te lopen. We gaan naar Dugum, zegt Bartol. Onderweg moeten we over een brug die zo gevaarlijk is dat het mij alleen met de hulp van twee Dani’s lukt om de overkant te bereiken. We wandelen verder en verder. Na twee uur is Dugum echter nog nergens te bekennen. Ik zeg Bartol dat ik liever terug ga. Om twee uur wil ik weer in Wamena zijn om naar huis te kunnen bellen. In Nederland is het dan zeven uur in de ochtend. Diana is dan nog net niet naar haar werk.
We lopen terug naar de grote weg en ik fiets weer terug over de hobbels en de keien naar Wamena. Ik ben op tijd bij de Wartel en weet na slechts één poging contact met Nederland te krijgen. Dat is heel bijzonder en waarschijnlijk te danken aan het prachtige weer. Ik klets een uur met Diana en doe verslag van de afgelopen week. In het stadje lukt het mij met moeite om eens een ander restaurantje te vinden. Ik bestel miesoep, die goed smaakt. Om drie uur moet ik in het hotel zijn voor een foto met de dragers. Ik kom echter pas om vier uur aan. De dragers zijn gelukkig nog later. Ik heb nog tijd om de fiets terug te brengen en twee T-shirts te kopen. Volgens Ben zijn die niet meer te koop vanwege het naderende Baliem-festival, maar dat geloof ik niet. En inderdaad, het souvenirwinkeltje van het Nayak-hotel heeft nog wel een paar aardige T-shirts liggen.
Terug in het hotel zijn eindelijk de dragers gearriveerd. Trudeke houdt een stompzinnig toespraakje dat Carola in het Indonesisch vertaalt. Ik vraag Carola of iets meer niveau misschien mogelijk is, maar volgens haar is dat aan de ‘eenvoudige’ dragers niet besteed. Onze trouwe metgezellen ontvangen een envelopje met hun loon, een pakje sigaretten en bloemen voor de kokkinnen. Iedereen heeft nette kleren aangetrokken voor deze plechtige gelegenheid. Om ons respect te tonen gaan wij op de grond zitten, terwijl de dragers op de banken mogen plaatsnemen. Dit tot groot ongenoegen van de hoteleigenaar, die Dani’s het liefst buiten de poort van het hotel houdt maar die na een felle reprimande van Carola met de staart tussen de benen afdruipt. Onze reisbegeleidster wil de dragers ook nog meevragen naar het restaurant, maar de Papoea’s die weten dat ze daar niet welkom zijn, slaan dat aanbod beleefd af. Als het donker wordt nemen zij afscheid en wandelen ze terug naar Wesaput. Ik stop Posen nog onmerkbaar voor de anderen een flinke fooi toe.
De laatste avond in Wamena moeten we maar eens flink uitpakken. We gaan in het gloednieuwe karaokerestaurant eten. Je houdt het toch niet voor mogelijk. We zijn uiteraard de enige gasten, want dit onderkomen is voor buitenlandse toeristen gebouwd en die zijn er nauwelijks. De in zijde geklede serveersters zien er schattig uit, maar getuigen niet van een goede horeca-opleiding. Vol ongeduld kijken zij mee met ons op de menukaart en wijzen zij de paar gerechten aan die zij bereid zijn klaar te laten maken. Wegens gebrek aan ingrediënten vallen de meeste keuzes op het menu af. Tijdens het kluiven aan de uitgemergelde kip hoor ik van Sjef dat Elly verliefd is geworden op Ben, onze gids. Ze hebben zelfs al gevreeën. Ik begrijp niet dat ik van die relatie niets gemerkt heb. Carola zal wel woedend zijn. Ze is er nu niet bij. Ben en Elly ook niet. Dus we kunnen openlijk ons leedvermaak laten blijken. Mijn mond valt open van verbazing als ik hoor dat Elly wil dat Ben meegaat naar Yapen en dat ze alle kosten daarvoor voor haar rekening neemt. Dan moet je toch wel heel erg verliefd zijn.
De sfeer in het restaurant is intussen niet geweldig. Er wordt een karaokeplaat opgezet en op het grote tv-scherm verschijnen beelden met Indonesische ondertitels. De muziek staat oorverdovend hard. Even later komt er een keyboardspeler. Hij zingt terwijl een van de serveersters een microfoon voor zijn mond houdt. Het is erg lachwekkend allemaal. Ik had mijn videocamera moeten meenemen. Met een prima humeur stap ik rond half elf mijn bed in.
Frank en ik staan extra vroeg op want we willen een foto van ons zelf laten maken waarbij wij verkleed gaan als Dani’s. Erg flauw en ranzig, maar ook wel grappig. En het kan natuurlijk alleen nu. Dus vooruit dan maar. We hadden het van tevoren afgesproken, dus half zeven staat Arie klaar om met ons mee te lopen naar Wesaput, waar nog honai’s staan die als decor kunnen dienen. Veel tijd hebben we niet, want half negen vertrekt ons vliegtuig. We lopen dus stevig door.
Het gaat echter niet goed. Arie begrijpt kennelijk niet precies wat we bedoelen, want we lopen helemaal verkeerd. We zijn Wesaput allang voorbij en lopen nu door de wildernis langs de Baliemrivier. Het is intussen zeven uur. Frank en ik proberen hem nog eens duidelijk te maken wat we willen. Snel lopen we terug naar het dorp. Daar vinden we een paar honai’s en een oude Dani in peniskoker. Hij wil – tegen betaling – wel met ons op de foto. Snel kleden wij ons om en maken omstebeurt foto’s van elkaar. De dorpsbewoners vinden het maar vreemd allemaal, maar Frank en ik lachen ons rot.
Met een bemo rijden we met een bloedgang naar het vliegveld. De anderen staan al klaar in de vertrekhal en hebben gelukkig onze bagage uit het hotel meegenomen. We lopen naar de oude Fokker Friendship en stappen in. Ik neem afscheid van de Baliemvallei, waar ik het de afgelopen weken zo naar mijn zin heb gehad en neem plaats op een van de voorste stoelen aan het raam. Een perfecte plaats. Ook Ben stapt in. Voor hem wordt dit de eerste vlucht in zijn leven. Wel is hij al een paar keer over land naar Jayapura en Sentani gereisd.
Tussen de wolken door zie ik af en toe de weg van Sentani naar Wamena kronkelen. De Indonesiërs bouwen er al jaren aan en ik hoop dat hij nooit afkomt. Want dan is het gedaan met de huidige manier van leven in de Baliem-vallei. Dan komt er misschien zelfs industrie naar het mooie gebied. En vooral het leger zal zich dan nog machtiger kunnen manifesteren.
Na drie kwartier landen we op het vliegveld van Santani, waar we moeten wachten op de aansluitende vlucht naar het eilandje Biak. Buiten is het smoorheet. Nu merk je dat je vlak bij de evenaar bent. In de Baliemvallei viel de hitte wel mee vanwege de hoogte, maar Sentani ligt op zeeniveau.
Met bijna 1,5 uur vertraging stijgt de 737 van Merpati richting Jakarta op om ons naar Biak te brengen. Het is de eilandhopper die ook nog in Ujung Pandang en Denpasar zal landen. De prachtige, in zijden sarongs geklede stewardessen delen de maaltijd uit: een kerstdoosje met vieze gezoete jasmijnthee, ondrinkbare chocolademelk en een in bananenblad verpakt rijsthapje. Ik zit naast Ben en wijs hem op de paradijselijke eilandjes in de helder blauwe oceaan. Maar hij kijkt liever niet naar buiten. De vlucht lijkt een lijdensweg voor hem. Na een klein uur landen we op Biak.
Ook op Biak is het tropisch heet. We wandelen van het vliegveld naar het nabij gelegen Irian-hotel dat gevestigd is in een oud koloniaal gebouw. Ervoor staat nog een grote rode brievenbus waar ‘posterijen’ op staat. Tot 1962 behoorde dit eiland nog tot het Koninkrijk der Nederlanden. In de eetzaal, die op de mess van een soldatenkazerne lijkt, wachten wij op Carola die de vlucht naar Yapen aan het regelen is. We krijgen een mierzoete fruitcocktail in een halve kokosnoot geserveerd. Het hotel ligt prachtig aan zee, maar aan onderhoud is sinds het vertrek van de Nederlanders niet veel meer gedaan. Alles ziet er aftands en verveloos uit. Zonde, want het is een monumentaal complex. Ik deel mijn kamer met Fetze en samen besluiten we met een bemo het eiland te gaan verkennen. Er moet onder andere een dierentuintje met paradijsvogels zijn. Die prachtige dieren hebben we in het wild nog niet gezien.
Maar eerst gaan we naar de hoofdstad Kota Biak, waar we wat te eten zoeken. Veel restaurants zijn er echter niet en wat er is is gesloten. Het postkantoor is gelukkig wel open. We sturen wat kaarten en brieven naar huis en zoeken dan verder naar het toeristenbureautje. Dat is echter niet te vinden. Het kaartje in de Lonely Planet zal wel verouderd zijn. In het centrum vinden we een restaurantje dat wel open is en waar we ongevraagd een rijstmaaltijd krijgen voorgezet. Het maakt niet uit. We hebben trek, dus eten we alles op.
De rest van Kota Biak is het bezichtigen niet waard. Bovendien is bijna alles gesloten. Op de markt kan ik nog wel een sarong kopen, die ik op Yapen als lakenzak wil gebruiken. Want voor de slaapzak is het te warm op dat eiland.
Het is 4 uur als we terug zijn in het hotel. Het is te laat om nog naar andere delen van het eiland te gaan, want na zonsondergang rijden er bijna geen bemo’s meer. Ik ga eens bij het strand kijken en een stukje zwemmen in zee. Het water is helder en warm. Er is geen koraal, maar ik zie wel visjes onder mij door zwemmen. ’s Avonds genieten we voor het belachelijke bedrag van 18.000 rupia (1,3 euro) van een heerlijke viergangenmaaltijd met uiensoep (in plaats van de bestelde kippensoep), loempia’s, rijst, extreem magere kip en een fruittoetje. Alleen de koffie is niet te drinken. We gaan vroeg slapen. Het was een vermoeiende dag.
Het is ’s morgens al weer tropisch warm. In de ‘mess’ krijgen we droge toastjes met ananasjam. Ik bestel er een omeletje bij, maar het blijft magertjes allemaal. Met een paar collegareizigers heb ik een bemo gehuurd die ons naar de markt in het plaatsje Bosnik zal brengen. Onder de bewolkte hemel is het drukkend warm vandaag.
Na twintig minuten zijn we er al. De markt stelt helaas niet zoveel voor. Het is voornamelijk vis wat er verkocht wordt en het stinkt er verschrikkelijk. Ik ga met Fetze naar het uitladen van de vissersboten kijken. Daarna lopen we langs het vervuilde strand verder naar het oosten. Volgens de verhalen moeten er nog schepen en andere overblijfselen uit de Tweede Wereldoorlog liggen.
Na een tijdje houdt het strand op en moeten we via de weg verder. Op een enkel roestig karkas van wat ooit een steiger moet zijn geweest, hebben we geen herinneringen aan de gevechten met Japan aangetroffen. Als de weg zich een stukje van de kust verwijdert is het alsof wij midden door de jungle lopen. Het is schitterend hier. Het ruikt zoet en we worden omringd door prachtige vogelgeluiden. Het natuurschoon wordt maar af en toe onderbroken door een krotterig huisje of een klein dorpje. Hier roepen bijna alle kinderen ‘mister’ tegen ons. Dat is meestal het enige Engels dat zij kennen. Ik maak een foto van een schattig kindje in een kruiwagen.
Als uit de donkere lucht de eerste zware regendruppels beginnen te vallen is de lol van het wandelen snel over. We pakken een bemo richting Kota Biak om een restaurantje voor de lunch te zoeken. Weer moeten we goed zoeken voordat we iets vinden dat open is. Biak lijdt zwaar onder de crisis in de toeristenindustrie. Dat is wel duidelijk. Uiteindelijk vinden we bij de markt een tentje dat nog open is. Ik wil kippensoep bestellen, maar de oudere serveerster zegt dat er alleen krabsoep is. Dan maar krabsoep met fu yong hai. En een ijskoud flesje bir bantang natuurlijk. De dochter van de serveerster komt bij ons aan tafel zitten en vraagt in gebrekkig Engels of wij Indonesisch spreken. Helaas. Ze lijkt teleurgesteld, maar blijft wel zitten. Het wordt de gebruikelijke conversatie van ‘where you from?’ en ‘how many days you stay here?’. Langs de nog altijd gesloten supermarkt lopen we naar het enige museum van de ‘stad’, dat tegenover een luchtmachtbasis ligt. Alles is vervallen. Op de luchtmachtbasis zien wij geen vliegtuigen maar wel veel soldaten die de wacht houden. Het Cenderawasih-museum heeft ook zijn beste tijd gehad, maar we worden niettemin heel officieel ontvangen, alsof wij ministers op staatsbezoek zijn. Een oude man in een verschoten uniform leidt ons rond. Hij spreekt nog een beetje Nederlands en dat is wel makkelijk. Hij verstaat ons beter dan dat wij hem verstaan. De collectie met wat Indonesische kunst en diverse restanten uit de Tweede Wereldoorlog stelt erg weinig voor en neemt nog geen fractie van het grote gebouw in beslag. Vrouwen in uniform bieden ons een bekertje bronwater aan. We danken voor de rondleiding en gaan weer op zoek naar een bemo die ons terug naar Bosnik kan brengen. De supermarkt is nog steeds dicht en uit de loodgrijze lucht barst nu een tropische stortbui los.
We laten ons afzetten bij de Japanse grot, een overblijfsel uit de oorlog. We kijken eerst bij het bijbehorende museum, maar dat is natuurlijk gesloten. De grot zelf is wel toegankelijk. Er is nog een beetje te zien hoe Japanners zich hier in de oorlog schuil hebben gehouden voor de bombardementen door de Amerikanen. In een vitrine liggen wat roestige gebruiksvoorwerpen en wapens. Ook zijn nog wat botten van gesneuvelde soldaten tentoongesteld. We hebben het snel gezien en wandelen verder over de weg naar de nabij gelegen vogeltuin Taman Burung dan Anggrek, waar wij een echte paradijsvogel hopen te zien. Het park is gelukkig open, maar maakt wel een sterk verwaarloosde indruk. Van de paar bezoekers per dag kan geen onderhoud meer worden betaald. De dieren krijgen nog wel eten, maar hoelang het overwoekerde park nog open zal blijven kun je je afvragen. We zien met moeite twee paradijsvogels zitten in een hoge kooi met fijnmazig gaas. Een fatsoenlijke foto maken is onmogelijk. Leuker zijn de vele kaketoes en twee enorme zwarte loopvogels. Ook de natuur is mooi. Het is wel verwaarloosd, maar dat vergroot het idee dat je door het tropisch regenwoud loopt. Na een kwartiertje hebben we het wel gezien. De voortdurende regen begint ook een beetje op onze zenuwen te werken. Een aardige parkwachter loopt met ons mee naar de weg om ons te helpen bij het aanhouden van een bemo. Dat lukt echter niet erg. De paar bemo’s die passeren zijn afgeladen en rijden zonder vaart te minderen door.
Pas na een half uur stopt er een vrachtwagentje. Wij kunnen meerijden in de open laadbak. Niet echt geweldig met dit weer, maar het is beter dan lopen. Halverwege houdt de regen op en kunnen we een beetje droog waaien. Het vrachtwagentje zet ons keurig bij het hotel af en de chauffeur wil van ons geen geld aannemen. Dat is toch wel erg aardig. ’s Avonds eten we met de hele groep in restaurant Cleopatra. Het is een dure tent, maar met de huidige koers van de rupia is alles betaalbaar geworden. Het eten is niet fantastisch. Maïs en een volkomen uitgemergelde kip. De zuurzak (een lokaal drankje) is wel lekker. Ik val om van de slaap en duik meteen mijn bed in als we in het hotel zijn aangekomen.
De hele nacht blijft het regenen. Ik word half zeven wakker van de sirene op het naast het hotel gelegen vliegveld. Met een bemo rijden Fetze en ik weer naar Kota Biak. Ditmaal is de supermarkt wel open. We kopen wat proviand, zeep en een paraplu voor op Yapen. Aan de overkant is een souvenirwinkel waar ik wat houtsnijwerk insla. De winkel is bijzonder goed gesorteerd en verkoopt spullen uit heel Irian Jaya, ook uit het Asmat-gebied dat beroemd is om zijn houtsnijwerk. Het is moeilijk kiezen uit al het moois dat Irian Jaya te bieden heeft.
We zijn weer op tijd terug in het hotel, want we moeten een vliegtuig halen. Een deel van de bagage laten we achter in het hotel op Biak, want we mogen maar tien kilo meenemen in het kleine vliegtuigje naar Yapen. Na lang wachten kunnen we over het platform naar de Twin Otter lopen. Het is een aftands toestel en ook de piloten hebben er kennelijk niet zo’n vertrouwen in, want ze nemen bijna een half uur de tijd om de motoren te testen. Eindelijk stijgen we dan op. Het lawaai is oorverdovend. Ben begraaft zijn hoofd bijna in zijn stoel. Zo bang is hij. Na een minuut of twintig maken we een spannende landing op de zeer korte landingsbaan van Serui, de hoofdstad van Yapen. Het toestel komt net op tijd tot stilstand. Nu begrijp ik waarom zo moeilijk wordt gedaan over bagage en dat maar de helft van de stoelen gevuld mag worden.
Serui is een heel aardig stadje en we krijgen een mooi hotel, dat overigens meer wegheeft van een motel. Het weer is aangenaam en er waait een frisse zeewind. Alleen boven land hangen wolken. We checken in bij de balie van het Merpati Hotel, gooien onze spullen in de kamer met tv en airconditioning, waarna ik met Fetze naar het centrum van het stadje wandel. Het centrum is eigenlijk de grote markt aan de haven. Er is veel te zien. Vooral vissersbootjes.
Het stadje ademt nog een beetje de sfeer uit van een Nederlandse vissershaven, maar dan op zijn Indonesisch. In een karaokebar bestellen we wat te eten. De meisjes hebben echter niets in huis, zodat er eerst gewinkeld moet worden op de markt. Het andere meisje zet de karaoke-installatie aan en begint door een draadloze microfoon met de beelden op het tv-scherm mee te zingen. Na het eten gaan we met een bemo naar een strand waar je mooi zou moeten kunnen snorkelen. We worden afgezet bij een met zeewier en rotsen bedekt strand. Het zeewater is warm en redelijk helder. Je kunt inderdaad snorkelen, maar overdreven veel is er niet te zien. Het is ook gevaarlijk las ik in mijn reisboekje. Op de vele blauwe zeesterren moet je niet met je blote voeten gaan staan, want ze hebben giftige netels. Ook de zeeslangen, waarvan ik er een zie, zijn geen lieverdjes om te dicht bij in de buurt te komen.
’s Avonds eten we met de hele groep in het karaoke-restaurant. Het eten is verschrikkelijk, maar de sfeer is goed. De karaoke-machine braakt een hels kabaal uit en moet uiteindelijk op last van onze twee oudste groepsleden worden uitgeschakeld. Jammer, want het was wel lachen met die twee meiden van het restaurant en nu horen we alleen nog het verkeerslawaai. Na het eten vinden wij dat de machine maar weer aan moet. De oudjes kiezen eieren voor hun geld en wandelen terug naar het hotel. Zo hebben we nog een paar uur lol met verschrikkelijk vals gezang en Frank die steeds achter de mooie Indonesische bardames aanzit. Na het eten maken Fetze en ik nog een avondwandeling langs de haven. Ja, Serui is een fijne stad.
Ook in Serui staat een moskee. Rond vier uur word ik wakker van het klagelijke gejank. Ik probeer nog even door te slapen, maar ik heb last van mijn linkerarm. Ik had al een paar wondjes van stuk gekrabde insectenbeten en die beginnen nu te ontsteken.
Na een goor ontbijt van oud witbrood en mierzoete thee wandelen we rond 9 uur naar de haven. Daar is het alweer een drukte van belang. De markt wordt opgezet terwijl wij op ons bootje wachten. We zullen met een van de tientallen vissersbootjes gaan varen. Het zijn een soort grote kano’s met aan beide kanten een drijver om de scheepjes stabiliteit te geven op de ruwe zee.
We passen net op het vrolijk beschilderde bootje. De stuurhut is precies groot genoeg om de bagage op te bergen. De kapitein zit aan het roer. We varen de haven uit langs de dichtbegroeide heuvels rond Serui. Het is stralend weer vandaag met een diepblauwe hemel boven een al even blauwe zee. Zo heeft het eiland echt wel iets paradijselijks. Ik steek mijn paraplu op tegen de felle zon en probeer mijn steeds pijnlijker wordende linkerarm koel te houden.
De zee is vrij onrustig vanwege de harde wind. Het scheepje stampt op de golven en af en toe moeten we een paar liter water hozen. Rond een uur of elf leggen we aan in de buurt van een onbewoond eilandje. We kunnen niet tot vlakbij de kust komen vanwege de ondiepte en de rotsen die in de weg liggen. Met veel moeite strompelen we over de rotsen en het dode koraal naar het witte zandstrand, waar we even in alle rust van het natuurschoon kunnen genieten, terwijl de bemanning de lunch voorbereidt. We kunnen intussen snorkelen in het heldere water. Alleen is het weer een kwartier strompelen voordat het eindelijk diep genoeg is om te kunnen zwemmen. Verschillende mensen uit de groep lopen verwondingen op door het vlijmscherpe koraal. En dan moet je ook nog oppassen voor de gevaarlijke blauwe zeesterren en zeer giftige zeeslangen. Erg leuk allemaal. We blijven vijf uur op het eiland, terwijl het me na twee uur al begint te vervelen. Ik probeer slaap in te halen op een gladde boomstam, maar dat lukt niet. In de namiddag varen we nog een half uurtje en komen dan bij de monding van een bergriviertje uit. Hier kunnen we even baden in zoet water om het zout van onze door de felle tropenzon gepijnigde lichamen af te spoelen. De wondjes op mijn arm zijn intussen steeds erger gaan ontsteken. Aan de overkant van de baai ligt het dorp waar wij zullen overnachten. Het wordt afzien, realiseer ik mij als we er langs varen.
De huizen zijn op hoge palen in zee gebouwd en bieden geen enkele beschutting tegen wind, regen en muskieten. Hopelijk hebben ze airconditioning en een warme douche, merk ik cynisch op.
Onze accommodatie is bijzonder beroerd. We slapen in twee uit wrakhout opgetrokken hutten. Door de verrotte balken van de vloer zie je golven tegen de kust slaan. Hopelijk gaat het niet stormen vannacht, want daartegen lijken deze huizen mij niet bestand. We hangen de klamboes op, maar veel zin heeft dat niet, want de muggen zullen ons via de vloer weten te vinden en de klamboes zijn niet zo groot dat je jezelf er helemaal mee kunt beschermen. De vele kippen die overal rondlopen doen mijn laatste restje hoop op een goede nachtrust vervagen. Ik voel mij beroerd en kan niet genieten van het overigens smakelijke avondeten. Carola snijdt met de wreedheid van een legercommando de troep uit de wondjes op mijn arm en smeert er een overdosis jodium op. Het brandt van de pijn, maar daarna gaat het wel beter. Omdat het dorp nul komma niks aan entertainment biedt, ga ik om negen uur proberen te slapen.
De nacht was een ware verschrikking. Tot laat in de avond maakten de dorpelingen lawaai, de hele nacht druppelde er van alles zonder dat het regende, ik moest twee keer mijn leven wagen om op een discrete plek een plasje te kunnen doen en ik ben bont en blauw van de harde balken waarop ik gelegen heb. Mijn luchtbedje is inmiddels volkomen onbruikbaar geworden en het zal op Yapen niet lukken om een nieuwe te kopen. Vanaf 3 uur hebben de hanen onafgebroken gekraaid. Ik begin dit eiland behoorlijk te haten en mijzelf ook dat ik niet nog een weekje in de Baliemvallei ben gebleven waar vandaag het Baliemfestival begint.
Onder het nasi-ontbijt realiseer ik mij tot mijn grote afkeer dat ik nog vier nachten op dit eiland in het vooruitzicht heb. Ik wou dat ik al op Sulawesi was. Op de boot kom ik weer een beetje bij. Het ellendige dorp ligt achter ons en we kunnen weer genieten van de prachtige, ongerepte natuur om ons heen. Ik zou het allemaal niet zo erg vinden als ik mij wat fitter voelde, maar de ontstekingen worden steeds erger en ik krijg er bovendien stevige hoofdpijn van. Carola denkt dat ik aan de antibiotica zal moeten, maar dat durf ik niet erg omdat ik ook al Lariam gebruik. Een combinatie van die medicijnen kan heel vervelende gevolgen hebben of bijvoorbeeld de weerstand van Lariam tegen malaria verminderen.
Carola verzorgt mijn wondjes weer. Even later leggen we aan bij een strandje waar we niet kunnen zwemmen vanwege de stroming en de rotsen. Rusten lukt niet, want het ongedierte heeft het op mijn wondjes voorzien. We gebruiken de lunch en varen rond twee uur weer verder. We komen langs een dorpje waar Carola bij het politiebureau een Surat Jalan regelt voor de verdere tocht. Zonder dat visum mogen we niet het binnenland in. We passeren nog een triplexfabriek – de enige industrie op Yapen – en komen dan bij het volgende overnachtingdorpje aan. Het weer is nog steeds mooi, maar aan de horizon hangen dreigende onweerswolken.
Hoe het dorpje heet weet ik niet, maar het ‘hotel’ is redelijk. Het betonnen hok met golfplatendak biedt in ieder geval wat meer comfort dan de uit wrakhout opgebouwde paalwoningen van gisteren. Met Fetze wandel ik een stukje door het dorpje, waar we zowaar een blikje cola kunnen kopen. Ik neem ook een potje balsem om op de nieuwe muggenbulten te smeren. Voordat de zon ondergaat wandelen we naar de rivier waar we in zoet water kunnen baden. Veel privacy is er niet, want zelfs hier – drie kilometer buiten het dorp – weet de bevolking ons te vinden. Ach, morgen zijn we weer weg. Na het eten plof ik uitgeput neer. Buiten wordt gitaar gespeeld. Het dorp viert feest. Ik weet niet ter gelegenheid waarvan.
Vannacht heb ik redelijk geslapen al moest ik hoop herrie maken om de hut uit te kunnen om een plasje te doen. De deur was op een primitieve manier afgesloten en het kostte aardig wat moeite om hem open te krijgen.
’s Morgens ben ik gebroken van de harde ondergrond. Mijn heupen en mijn schouders doen zeer en mijn wondjes beginnen weer te zweren. Ook mijn oren zijn pijnlijk van de dopjes die ik elke nacht in doe tegen de herrie van het pluimvee. We kopen nog wat spullen in en maken dan kennis met nieuwe dragers die ons de komende twee dagen in de jungle zullen bijstaan.
Het onweer van gisterenavond is vannacht overgetrokken. Af en toe valt er nog een fikse bui uit de donkere lucht, maar als rond negen uur de zon doorbreekt kunnen we vertrekken. Mijn drager heet Ruben en ik kan hem makkelijk herkennen aan zijn rode soldatenbaret. Via het smalle zandstrand lopen we het dorp uit op weg naar de ingang van het tropische regenwoud.
Direct als wij het strand verlaten merken wij welke omstandigheden ons de komende twee dagen te wachten staan. Het is drukkend heet, de lucht is verzadigd van vocht en de natte, glibberige paden zijn nauwelijks te belopen. Normaal zou ik er geen moeite mee hebben, maar nu ben ik ziek. Ik wilde echter niet achterblijven, wat wel mogelijk zou zijn geweest.
Af en toe kruisen we een verharde weg, maar dan gaat het weer verder het oerwoud in. Zonder gids zou dit niet te doen zijn. Het pad is meestal niet te zien en het lijkt bijna toevallig dat er steeds weer oversteekmogelijkheden zijn als we een rivier moeten passeren. Boven ons krijsen de vogels, maar er is er geen een te zien. Ook geen andere dieren of mooie planten of zo. Het is een dichte brij van rottende planten en ondoordringbare varens. Door het dichte bladerdek van de hoge bomen komt vrijwel geen zon.
Bij een riviertje maken de dragers de lunch klaar. Het is lang niet zo lekker meer als de pot van Ottomina in de Baliemvallei. Bovendien zijn de omstandigheden nu erbarmelijk.
In de namiddag komen we bij de Heilige Steen aan, een overwoekerde rots. Hier slaan we ons kamp op. Er is een soort overdekt platform gebouwd waarop wij kunnen slapen. De dragers trekken er een dekzeil overheen, zodat wij goed beschermd zijn tegen de regen die vannacht ongetwijfeld zal vallen.
Helaas is het weer niet mogelijk om onszelf te vrijwaren van ongedierte. Ik hang nog wel de klamboe op, maar nut heeft het niet want de muggen zullen vannacht zonder twijfel weer van onderaf aanvallen.
Voor het eten is het opnieuw tijd voor de dagelijkse medische behandeling. Een van de dragers schijnt het nogal amusant te vinden. Ik doe net alsof ik hem een klap voor de bek geef. Carola is keihard. Mijn wondjes beginnen inmiddels gaten te worden, maar ik weiger nog steeds antibiotica te gebruiken.
Ik begin mij aan de groepsleden te ergeren en eigenlijk aan alles. Als het begint te regenen ga ik op mijn spullen onder het afdak liggen. Overal dansen vuurvliegjes en talloze muskieten. Ik wil slapen zodat het weer een paar uur minder lang zal duren voordat ik dit eiland kan verlaten.
De nacht was een ramp. De herrie hielt geen moment op, continu kroop er ongedierte over mij heen, de ontstekingen gaven een brandende pijn en vanaf tien uur gisterenavond heeft het vrijwel ononderbroken geplensd. Gelukkig had ik de camera’s in plastic verpakt, want vrijwel alles is doornat geworden.
Ook vannacht moest ik er weer uit. Het was bijna onmogelijk om het platform af te kruipen zonder verwoestingen aan te richten onder de overal verspreid liggende trekkersuitrustingen. Alles komt ook onder de bagger te zitten. Om vier uur trekt er een bulderend onweer over. Zes uur sta ik op. De regen is opgehouden en ik wacht zittend op een boomstam tot de rest opstaat. De dragers zijn ook al wakker en proberen een kampvuur te maken met het drijfnatte hout. Tot mijn verbazing lukt dat ook nog, al worden we wel in een rookgordijn verpakt.
Iedereen staart timide voor zich uit terwijl de dragers zich voorbereiden op de voortzetting van de tocht. Baden heeft geen zin, dus dat laten we maar achterwege. We zullen nog veel viezer worden onderweg. De wandeling begint vandaag met een zware afdaling. Glibberend strompelen we omlaag, ons vasthoudend aan takken en lianen. Aan de boomtoppen is te zien dat het weer zonnig is geworden. Ik loop met drager Benjamin mee. Ruben loopt met mijn rugzak een heel eind vooruit. Als we bij een riviertje aankomen rusten we even. Ik kijk omhoog en probeer vogels te ontdekken, maar die zijn alleen te horen. We moeten onze tocht vervolgen over de bodem van het riviertje. Op blote voeten lukt dat niet en mijn bergschoenen zullen er niet mooier van worden. Wie handig is kan via de spekgladde stenen lopen, maar het lijkt mij veiliger om gewoon over de bodem te lopen, want dieper dan een centimeter of twintig wordt het niet. Het zweet gutst over mijn gezicht.
Bij een grotere rivier rusten we even uit en eten we ons lunchpakketje op. De pijn voel ik intussen niet meer. Het is nu een kwestie van overleven geworden. Gelukkig is de middagtocht niet echt zwaar meer. De twee oudjes in de groep hebben het overigens nog veel zwaarder te verduren dan ik. Ik mag ze niet, maar heb wel bewondering voor ze.
Na zo’n vier uur stevig doorlopen hebben we eindelijk de andere kant van het langwerpige eiland bereikt. Ik hoor de zee in de verte en na nog een kwartier zie ik hem ook.
Volgens de gids moeten we doorlopen, want dan kunnen we nog van de eb profiteren. Het zandstrand is dan lekker breed en makkelijk te belopen. Het strand is prachtig. Het zou een mooie badplaats kunnen zijn, maar het gebied is gelukkig nog ongerept. Ik ben geweldig blij dat het oerwoud nu achter ons ligt en dat we weer normaal kunnen lopen. Tenminste, een tijdje. Want na anderhalf uur houdt het zand op en moeten we verder over versteend koraal. Ik begrijp niet hoe de dragers dit volhouden met hun blote voeten.
Tegen de avond komen we in een dorpje aan. Carola belooft dat we hier weer een goede accommodatie zullen hebben en wordt kwaad als ze onze reacties hoort. Wat voor ons hotel moet doorgaan lijkt nog het meest op een paardenstal. Het schijnt het gemeenschapshuis te moeten voorstellen, maar het is nog in aanbouw. De vloer is van zand. Gelukkig kan het dorpshoofd ook nog wel iets anders voor ons regelen. Hij brengt ons naar een groot huis, dat van half verteerde palen is gebouwd. Het ziet er allemaal niet erg stevig uit, maar het zal ongetwijfeld meer comfort en privacy bieden dan de half afgebouwde stal.
Het lijkt alsof wij naast een inrichting voor krankzinnigen zitten. Uit het huis naast ons klinkt continu een loeihard gejammer en gekrijs. Volgens Carola zijn het mensen in de rouw. Vandaag is een familielid van hen begraven. Ik hoop niet dat het lawaai de hele nacht door zal gaan, want het is geen gehoor.
We kunnen baden in een klein riviertje waar van bamboe en bananenbladeren een soort dubbele douche is gebouwd. Ik vind het heerlijk om het vuil van de afgelopen dagen af te kunnen spoelen. De dorpelingen die in grote getale langs wandelen wenden beschaamd hun hoofd af. Zij zijn niet gewend aan halfnaakte barbaren die zich in het riviertje staan te baden. Het is al donker als we in de paardenstal ons avondeten krijgen. Er is nauwelijks licht. Alleen een haperende olielamp. Gezellig is anders. Iedereen is bekaf.
Na het eten loop ik met Frank naar het strand. Het is de tijd van het jaar dat er veel meteoren te zien zijn. We gaan op een bankje zitten en staren naar de heldere hemel. Dit moet zo ongeveer het prettigste plekje zijn op Yapen. Fris, schoon en stil. Meteoren zijn echter niet te zien. Frank gaat naar bed. Ik blijf nog een tijdje zitten en val in slaap. Als ik wakker word is het inmiddels tien uur. Door het donker zoek ik het huisje op en probeer ik tevergeefs mijn klamboe op te hangen. Het lukt niet mijn draai te vinden op de harde vloer. Om elf uur word ik wakker van een hels kabaal. Frank heeft weer een nachtmerrie. Het lijkt alsof een roedel wolven het huis is binnengeslopen. Het kost moeite om de wild om zich heen slaande gekke Amerikaan tot bedaren te brengen. Hij sliep al op de waranda, omdat inmiddels niemand meer de kamer met hem wil delen.
De rest van de nacht slaap ik nauwelijks nog. Ik erger mij aan het eiland en ben kwaad dat ik niet gewoon in de Baliem gebleven ben. De sfeer in de groep is er intussen niet beter op geworden. Carola lijkt steeds bozer te worden over de affaire tussen Ben en Els. Wij vinden het nu ook niet grappig meer.
Het blijft rustig vannacht, maar toch kan ik niet meer de slaap vatten. Om half zes is het al licht en ga ik naar de wasplaats waar het tot mijn verbazing al een drukte van belang is. We vertrekken vroeg vanochtend. Om zeven uur wandelen we alweer langs het strand. We moeten de strandetappe achter ons hebben voordat het vloed wordt.
De wandeling valt niet mee. Het tempo ligt op Olympisch niveau en al snel loop ik een paar honderd meter achter. Ik wil wel foto’s maken als ik wat moois zie. En op het strand hoef ik niet bang te zijn om te verdwalen. Het is wel hinderlijk dat we steeds riviertjes moeten oversteken. Elke keer de schoenen uittrekken, voeten afdrogen en schoenen weer aantrekken. Op het laatst houd ik mijn schoenen maar aan. Die worden er niet mooier van. Ik hoop dat ze het uithouden, want ze moeten op Sulawesi ook nog een weekje mee.
Mijn haat jegens Yapen begint bizarre vormen aan te nemen. Ik blijf bij iedereen uit de buurt, want ik ben niet meer te genieten. Ik ga echt tekeer als ik de zoveelste diepe rivier moet passeren. Het water komt tot halverwege mijn middel. En de groep blijft maar doorstappen. Alsof we een trein moeten halen. Doorweekt zet ik maar de looppas in om de rest weer in te halen. Het is vreselijk. Als er een vliegveld was, vloog ik meteen naar huis. En als ik denk dat het niet meer erger kan, moeten we het oerwoud in. Met hetzelfde tempo glibberen we omhoog en omlaag om na een uurtje bij het strand aan de andere kant van het eiland aan te komen. Nu vindt niemand het leuk meer. Behalve Ronnie. Die amuseert zich nogal, want chagrijnig zijn helpt ook weinig, zegt hij. We lopen weer langs het strand om na nog een uurtje aan te komen bij het strandhuisje van Mamma Cos.
We worden gastvrij onthaald door de bejaarde Mamma Cos. We krijgen fruit en blikjes cola en kunnen een duik nemen in zee. Ik doe mijn zwembroek aan en neem een duik. Iets verder is een riviertje waarin wij het zout van ons af kunnen spoelen. Als ik mij binnen in een klein kamertje even discreet wil aankleden, komt Trudeke binnen die met een hoop lawaai door de gammele vloer zakt zodat gelijk het halve dorp in de kamer staat. Ik zal er maar om lachen.
Binnen hangen plaatjes van Jezus aan de muur. We krijgen een prima lunch. Eindelijk weer eens behoorlijk eten na twee dagen. Je moet Mamma Cos wel goed in de gaten houden, waarschuwt Carola te laat. De gastvrouw heeft inmiddels mijn wisselgeld al achterover gedrukt. In de namiddag ga ik weer naar het riviertje om te baden. Het is nu niet zo heet meer, dus een mooi moment om het zweet van mij af te wassen.
Helaas ben je nooit alleen in deze dorpjes. Ik houd mijn zwembroek dus maar aan. Terug in het huisje trek ik mijn laatste schone T-shirt aan. Mijn rugzak stinkt als een bunzing. Ik hoop echt nog de was te kunnen laten doen voordat ik naar Sulawesi ga. Na het eten is er feest buiten. De dorpelingen maken een vreugdevuur en twee jongens zingen en spelen gitaar. We dansen mee in het licht van de olielamp, want het vreugdevuur dooft al na vijf minuten. Ik begin toch weer een beetje plezier te krijgen in de reis.
Vanochtend ga ik met een paar andere leden van de groep op zoek naar paradijsvogels. Dat betekent vroeg opstaan. Al om vijf uur staat het ontbijt klaar. Buiten giet het van de regen. Lang leve Yapen. De lucht is donkergrijs en het ziet er niet naar uit dat het nog droog zal worden vandaag. Ik verpak mijn camera’s en andere elektronica in plastic in en prop het magere Mamma Cos-ontbijt naar binnen. Twee jongens uit het dorp zullen ons naar de paradijsvogelboom brengen.
Het wordt weer een complete ramp. Het strand is nauwelijks begaanbaar en om de honderd meter moeten we door een riviertje baggeren. Vreselijk. Intussen blijft het maar doorgieten. De ellende wordt compleet als ik languit ga en de zoomlens van mijn camera kapot gaat. Ondanks de beschermende tas heeft het lenshuis zo’n opdonder gekregen, dat de schuif muurvast en scheef op de vatting is komen te zitten. Ik krijg het niet meer in orde.
Na ruim een half uur klimmen over spekgladde, omgewaaide boomstammen verlaten we het strand en gaan we de jungle binnen. Via een modderpad glibberen we heuveltje op heuveltje af. Na het doorwaden van een diepe rivier zijn we eindelijk bij een enorme woudreus. Hier leven volgens de gids de paradijsvogels. Ik pak voorzichtig mijn camera en probeer die onder mijn beschadigde paraplu droog te houden. We luisteren aandachtig en staren ruim een kwartier naar boven, maar de paradijsvogels zijn kennelijk met vakantie. Het wordt tijd om terug te gaan naar het strand waar de boot met de rest van de groep ons zal oppikken.
Terug op het strand begint het eindelijk op te klaren en als de boot arriveert houdt de regen op. Ik trek droge kleren aan en ga aan boord. Vandaag varen we terug naar Serui. Eindelijk weer naar de beschaving. Een beetje Tarzan spelen is leuk, maar het moet geen vier dagen duren zoals nu.
Rond half een leggen we aan bij een prachtig strand. Het is net Bounty-reclame. En geen rotsen en scherpe stenen ditmaal. Ik ga met een paar anderen snorkelen. T-shirts moeten aanblijven, want je bent binnen een half uur verbrand in het heldere zoute zeewater. Terwijl de lunch wordt klaargemaakt, probeer ik mijn zoomlens te repareren. Dat lukt niet echt. De zaak blijft vastzitten, maar ik weet het wel zo te wrikken dat ik weer in de 28 mm-stand kan fotograferen. Hier baal ik behoorlijk van.
Half drie varen we verder en na een paar uur komt Serui in zicht. Ik ben dolblij als ik eindelijk onder de douche sta en wat kleren kan wassen. Tegen de avond loop ik opgefrist en wel met Fetze naar de markt, waar ik een ouderwetse schoolkaart van Irian Jaya op de kop weet te tikken.
Het gaat beter nu, al heb ik veel last van mijn steeds erger ontstoken insectenbeten. Op mijn armen en benen zijn intussen behoorlijke zweren ontstaan.
’s Avonds eten we met de bemanning van de boot en de gids in het karaokerestaurant. Het diner is weer Indonesië onwaardig, maar het is wel heel gezellig. De soap met Elly en Ben gaat weer verder. Elly heeft Ben onderweg gezegd dat hij altijd veel te weinig betaald heeft gekregen en daar is Ben met zijn stomdronken kop over gaan klagen bij Carola. De ruzie liep uiteindelijk zo hoog op dat Carola hem een pets in het gezicht verkocht. We vinden het nu niet leuk meer. Elly loopt continu hand-in-hand met Ben en heeft beloofd hem binnen twee jaar naar België te zullen halen. Ze wil trouwen met de Dani-gids en kinderkes krijgen. En ze meent het serieus. Carola houdt zich in het bijzijn van de groep afzijdig. Ze weet geen raad met deze situatie. Terug in het hotel hoor ik van haar dat vanwege het slechte weer van de laatste tijd niet meer op Yapen gevlogen wordt. Dit houdt in dat wij morgen met een vissersboot in Biak moeten zien te komen. Wachten kan niet, want de meesten vliegen over enkele dagen al weer terug naar Nederland.
Vandaag is het een fijne dag, want we verlaten Yapen. Ik zweer op de Bijbel dat ik er nooit meer naar toe zal gaan. Om vier uur word ik wakker van het gejank van de moskee achter het hotel en het geroffel van de regen op het dak. Het komt weer met bakken uit de lucht. Dat belooft wat op het bootje vandaag.
Het ontbijt bestaat uit oneetbaar witbrood, ananasjam en een ei. Als we om half zeven naar de haven lopen, is het gelukkig opgehouden met regenen. De vissers zijn al weer volop bezig met het voorbereiden van een dag van hard werken. Ik maak een babbeltje met een oude man die nog heel behoorlijk Nederlands spreekt. Dat heeft hij vroeger op school geleerd, zegt hij. Heel goed mogelijk, want ook Yapen behoorde tot 1962 tot het Koninkrijk der Nederlanden. Uit die tijd is echter vrijwel niets meer overgebleven.
Ik word kwaad als ik zie dat Carola dezelfde boot heeft gecharterd waarmee wij rond het eiland gevaren hebben. Die boot is veel te klein voor een lange reis over de oceaan. Als er een storm komt, zijn we weg. Carola legt uit dat er niets anders te regelen viel en dat ze nu eenmaal een deal heeft met de vissers. Wel heeft zij een tweede buitenboordmotor gevraagd, maar die moeten de vissers onderweg nog in hun dorp ophalen.
Veel te laat steken we van wal en varen we via het dorpje van de vissers naar de westelijke punt van het eiland. We moeten helemaal om Yapen heen omdat Serui aan de zuidkust ligt terwijl Biak zich ten noorden van het eiland bevindt. Het duurt maar liefst vijf uur voordat we de westpunt hebben bereikt. Al die tijd ben ik blij met mijn paraplu die mij tegen de meedogenloze zon beschermt. Het is bloedheet vandaag. Iedereen is stil en ongerust.
Na het ronden van het eiland varen we in noordoostelijke richting. Biak is nog niet te zien. Het lijkt tergend langzaam te gaan. In de namiddag pauzeren we even bij een onbewoond eilandje dat als toevluchtsoord voor vissers dient. We kunnen even een stukje lopen en een plasje doen, voordat de lange oversteek naar Biak begint.
Rond een uur of zeven gaat de zon onder in een prachtige wolkenlucht. We hebben echt geluk gehad met het weer. Vrijwel geen wind, een kalme zee en geen regen. We zullen echter nog een paar uur door donker moeten varen en de schipper heeft geen kompas. Een van de motoren raakt defect, waardoor we op halve kracht verder moeten varen. Gelukkig hebben we twee motoren, want anders hadden we nu moeten roeien.
Iedereen is gebroken van de lange boottocht, als we rond negen uur aanmeren bij een schelpenstrandje op Kota Biak. We hebben het overleefd. In de verte flikkert weerlicht boven de inktzwarte zee. Via een oudijzerhandel met sloopbussen komen we bij de weg aan, waar Carola een bemo aanhoudt die ons naar het hotel brengt. We eten vanavond met de bemanning van de vissersboot in het luxe restaurant Cleopatra. Het wordt een uitgebreid afscheidsdiner, want voor de meeste groepsleden eindigt de reis vanavond. Morgen vliegen ze terug naar Bali om vandaar huiswaarts te keren. Carola houdt een uitgebreide speech en weet goed haar ergernis rond de kwestie Ben te verbergen. Het eten smaakt prima. nasi goreng, tjap tjoy en een soort spinazie. Frank voert het woord en we zamelen geld in voor de weeskinderen die Carola steunt op Bali. Het is een goeie meid, al hebben we haar lang niet altijd even aardig gevonden. Pas rond twaalf uur wandelen we terug naar het hotel, waar ik mijn inmiddels door alle houten beelden behoorlijk zwaar geworden bagage orden.
Ik sta extra vroeg op om nog even naar het stadje te kunnen. Bij souvenirwinkel Iriani koop ik nog twee beeldjes en bij de supermarkt er schuin tegenover sla ik wat lekkers in voor in het vliegtuig. Op de terugweg naar het hotel barst weer een noodweer los. Ik denk aan de twee schippers die nu met hun bootje op volle zee zitten op de terugweg naar Yapen.
Terug in het hotel zit de rest van de groep al te wachten. Ik pak mijn spullen en volg de groep naar het vliegveld, schuin tegenover het hotel. Het is weer droog. We nemen afscheid van Ben die vanmiddag naar Sentani terugvliegt. Elly gaat met ons mee. In de wachtruimte nemen we al min of meer afscheid van elkaar. De groepsleden en Carola vliegen door naar Bali, terwijl ik onderweg op Sulawesi uitstap. Vandaar pak ik de bus naar Rentapao, want ik heb geen zin om eerst een nacht in Ujung Pandang door te brengen. Die vreselijke stad heb ik de vorige keer wel gezien.
We horen dat het vliegtuig een uur vertraging heeft. Niet ongebruikelijk bij Merpati. Even later horen we dat er nog een uurtje bijkomt. Ook niet ongebruikelijk. Door de economische crisis verkeert Merpati in grote moeilijkheden. De overheid stelt de tarieven in rupia vast, maar de kerosine dient tegen markttarieven in dollars betaald te worden. Het is op het moment dus goedkoper om een vlucht af te gelasten dan om hem door te laten gaan.
Met twee uur vertraging komt de vlucht uit Sentani aan, maar we horen al meteen dat er grote problemen zijn geweest onderweg. Er moeten eerst reparaties aan het vliegtuig worden uitgevoerd, waarvoor onderdelen nodig zijn die uit Jakarta moeten komen. De geplande vlucht kunnen we dus op onze buik schrijven. We keren terug naar het hotel, zonder rugzak, want die was al gecontroleerd en ingeklaard. Vervelend, want anders had ik mooi nog even mijn was kunnen laten doen. Ik heb niets meer wat schoon is.
Met Ronnie en Pascale ga ik op avontuur. Een bemo zonder vering met houten dwarsbanken en enorm veel herrie brengt ons voor weinig geld naar het super de luxe Biak Hotel, dat aan een prachtig strand op het oostelijke deel van het eiland ligt. We kijken daar onze ogen uit. Het Biak Hotel is eigendom van een neef van Soeharto en gebouwd voor rijke Javanen die op weg naar Amerika een stopover op Biak maken om een paar dagen van een paradijselijk strand te genieten. Helaas voor de neef wordt Biak al enige jaren niet meer als tussenstop gebruikt, omdat moderne vliegtuigen tegenwoordig rechtstreeks van Jakarta naar Los Angeles kunnen vliegen. Het hotel staat er daarom verlaten bij. Er lopen tientallen personeelsleden rond, er treedt zelfs een gamelanbandje op, maar wij zijn de enige gasten. Volgens Ronnie betaal je hier normaal minstens honderd dollar per nacht, maar nu nemen ze met tien dollar ook wel genoegen.
We bestellen soep met knödels en heerlijke Spaghetti Bolognese. Gelukkig hebben we onze zwemkleding meegenomen, want ook het zwembad met aangebouwde cocktailbar mag er zijn. Ronnie en Pascale gaan wat eerder terug. Ik blijf tot vijf uur en rijd dan met een andere bemo terug naar Kota Biak, waar ik Diana ga proberen op te bellen. De bemo’s zijn trouwens een verhaal apart. Meestal rijdt de halve familie van de chauffeur mee, hangt het busje vol met allerlei gelukbrengende troep en staat de muziek altijd knetterhard.
Het bellen lukt. Thuis gaat alles goed. Alleen de aandelen zijn sterk aan het dalen. De effectencrisis van 1998 is begonnen in Europa. Ik besluit me daar nu maar even geen zorgen over te maken. Per bemo ga ik weer terug naar het hotel, waar ik met de groep het avondeten bestel. Weer rijst met uitgemergelde kip en een ei dat met loeischerpe sambal oneetbaar is gemaakt. Met zeven man gaan we na het eten nog even naar de stad. Enkelen willen foto’s ophalen bij de apotheek. Ik ga met een paar anderen een karaokebar in. De diskjockey zet voor ons Engelstalige muziek op, maar het blijft moeilijk om mee te zingen. De Indonesiërs vinden het leuk om buitenlanders in de zaak te hebben, maar converseren lukt niet echt, want ze spreken alleen hun eigen taal. Pas tegen middernacht keren we terug naar het hotel. Hoe lang zullen we nog in Biak moeten blijven? Op het vliegveld moet Carola mijn rugzak zien te redden. Deze was per abuis ingecheckt voor Bali en niet voor Sulawesi. Het is weer noodweer vannacht. Op het van het overvloedige water glimmende platform staat de oude, weer eens opgelapte 737 klaar om ons naar Ujung Pandang en Denpasar te brengen. De lichten branden en het ziet er hoopvol uit. Toch loopt de vertraging nog verder op. Voor de groepsleden is het slecht nieuws dat het vliegtuig niet in Denpasar zal landen. Ze moeten nu via Jakarta vliegen en zullen van nu af aan alleen nog vliegtuigen en vliegvelden zien, want het laatste nachtje op Bali zal er bij inschieten.
Kwart over twee vertrekken we eindelijk. Ik zit uiterst krap in de kleine stoel en kan niet echt mijn knieën kwijt. Het is ijskoud in het vliegtuig. Gelukkig heb ik een trui aan. De meeste mensen zitten er vernikkeld bij. Ook het eten is koud. De kleffe nasi smaakt vreselijk. Ik ben blij als we in Ujung Pandang zijn aangekomen. Ik neem afscheid van de groepsleden, waarvan de meesten liggen te slapen ondanks de kou. Carola loopt met mij mee naar de aankomsthal om mij over te dragen aan Budding, die mij de komende week zal vergezellen. Ik verontschuldig mij bij de Indonesiër voor het schandalige tijdstip van aankomst. Het is half vier in de nacht. Hij zegt het niet erg te vinden. Ik neem met een knuffel afscheid van Carola die ik inmiddels toch wel erg aardig ben gaan vinden.
Budding stelt voor dat ik bij hem thuis nog even ga slapen, want dat is dichterbij dan het geplande hotel in de stad. Ik vind het best. Budding heeft een mooi huis in een rustig zijstraatje. Ik krijg een bed in een prachtig ingerichte logeerkamer.
’s Morgens bestaat het ontbijt uit witbrood met hagelslag. Er is dus nog wel wat van het Nederlandse cultuurgoed overgebleven. We moeten snel weg om de bus naar Rantepao in Toradjaland te halen. Budding heeft een auto geregeld die ons naar het busstation zal brengen. We nemen afscheid van Budding’s vrouw en stappen in. Helaas begint nu het slaapgebrek zich te wreken. Eerst vergeet ik mijn horloge en moeten we snel terug. Vervolgens zijn we weer onderweg en ontdek ik tot mijn grote schrik dat ik mijn nekportefeuille heb laten liggen. Weer terug. Hoe moeten we op deze manier de bus halen?
We zijn toch nog net op tijd. Budding koopt kaartjes en we kunnen plaatsnemen op de laatste twee stoelen achterin. De bus is niet erg ruim en lijkt mij weinig comfortabel. Toch zullen we het ruim acht uur moeten zien vol te houden.
De rit begint met filerijden door Ujung Pandang. Dat gaat zo een uur of twee door. Dan hebben we eindelijk vrij baan. Links en rechts liggen de rijstsawa’s en af en toe passeren we een dorpje. Tegen de middag stoppen we voor een koffiepauze en weer twee uur later houden we halt voor de lunch. Ik bestel nasi en geniet van de prettige atmosfeer. Het is hier heel anders dan in Irian Jaya. Een ander klimaat, andere mensen en andere vegetatie.
Na de lunch rijden we de bergen in. De weg bestaat nu alleen nog uit haarspeldbochten en het kost mij moeite om niet misselijk te worden. Na een tijdje komen we achter een marscolonne met kinderen te rijden. We kunnen er niet voorbij en moeten ruim een half uur met een sukkeldrafje achter de stoet aanrijden. Als we weer vrij baan hebben, zijn we vrij snel bij de grens van Toradjaland. We passeren een grote poort boven de weg, die in de stijl van een traditionele tonganan is gebouwd. De tonganans zijn de typische bamboehuizen van de Toradja’s met enorme overhellende daken. De daken lijken we een beetje op een omgekeerde boot. Tegen de avond komen we in Rantepao aan. Ik ben blij dat ik nu eindelijk alleen ben. De meeste groepsleden vond ik wel aardig, maar het reizen in groepsverband vind ik eigenlijk maar niets. De bus stopt bij een steegje dat naar mijn hotel leidt.
Het hotel, Pia’s Poppies, is geweldig. Het is opgetrokken uit hout en bamboe, heel comfortabel, met een prachtig uitzicht over de rijstvelden en heeft waanzinnig lief personeel. Ik schaam mij dood als ik mijn was afgeef. Die stinkt als een beerput, net als de rest van mijn rugzak. Wat moeten de vrouwen wel niet van mij denken. Op aanraden van Budding bestel ik alvast het avondeten, want daar schijn je uren op te moeten wachten. Maar eerst ga ik naar een dokter vanwege mijn zwerende wonden. In de rijkelijk met diploma’s behangen spreekkamer kijkt hij wat er aan de hand is en schrijft dan een recept voor een breedspectrum antibioticum voor.
Ik moet ook nog geld pinnen, want ik ben al weer vrijwel blut. Helaas werken mijn pasjes niet in de enige geldautomaat van het toeristenstadje en is het postkantoor al gesloten. Ik kan wat geld van Budding lenen, waarmee ik bij de apotheek de voorgeschreven medicijnen en alcohol koop. Men waarschuwt keurig dat ik de antibioticakuur helemaal af moet maken, ook als mijn wonden intussen al genezen zijn. Terug in het hotel verzorg ik mijn wonden. Er zijn Franse gasten en dat is te horen ook. Fransen maken altijd verschrikkelijk veel lawaai als ze op vakantie zijn. Ik haat Fransen.
Niet om acht uur, maar pas kwart over negen is het eten klaar. Het is wel heerlijk en aan de in bamboe kokers verwarmde kip zit zelfs vlees. Dat is wel bijzonder voor Indonesië. De serveersters zijn echt schattig. Amper 1,40 meter hoog. Dat zijn dus Pia’s Poppies, veronderstel ik. Het eten was niet goedkoop, maar dankzij de inflatie wel betaalbaar. En ik kan mijn buikje rond eten. Ik ben te moe om nog naar het stadje te gaan. Ik heb tenslotte al twee nachten nauwelijks kunnen slapen. Door het lawaai van de Fransen duurt het echter toch nog tot half twaalf voordat ik eindelijk in slaap val.
Ik had vannacht geen oordopjes in gedaan want ik wilde op tijd wakker worden. Helaas breekt al om vijf uur een hels kabaal los van kippen en varkens. Ik kan niet meer slapen en pak maar mijn boek om wat te lezen tot het tijd is om op te staan.
Ik bestel een ontbijt en wandel naar het dorp terwijl de zeer trage keuken van Pia’s Poppies het klaar maakt. Het is half acht. Op straat marcheren geüniformeerde schoolkinderen. Het is Onafhankelijkheidsdag. De winkels zijn gewoon open, maar het postkantoor is dicht. Geld gaat nog een probleem worden hier in Sulawesi, waar ik nog geen bruikbare geldautomaat heb kunnen ontdekken.
Het ontbijt bestaat uit nasi goreng, yoghurt, thee en banana-juice. Negen uur heb ik met Budin afgesproken, die een busje zou regelen om door de omgeving rond te rijden. De ‘gids’ is mooi op tijd. Het busje ook. We gaan eerst naar het tau-tau-gebied. Tau-tau’s zijn houten poppen die bij een typisch begrafenisritueel van de Toradja’s horen. Het zijn vaak afbeeldingen van nabestaanden die bij het in de rotsen uitgehakte graf de wacht houden. Als we al onderweg zijn merk ik dat ik mijn lage schoenen aan heb in plaats van mijn bergschoenen. Dat is niet erg handig, maar het is te laat om terug te keren.
We stoppen in een mooi gebied met karstbergen. Lemo heet het dorp. Er zijn veel grotten, waarin de Toradja’s hun doden begraven. Voor de grotten staan de houten poppen in allerlei kleuren en maten. Het dal is oogverblindend groen van de frisse jonge rijst. Een vrouw met een conische hoed op haar hoofd, is bezig met de oogst.
Op de glibberpaadjes kan ik Budin niet bijhouden. Hij heeft meer aandacht voor een vriend die hij toevallig ontmoette dan voor mij. Ik ga er maar alleen op uit. Het is gelukkig nog rustig en de zon breekt net door. Na een half uur komen er wat bussen. Tientallen wit geklede toeristen stappen uit en beginnen de rust te verstoren. Ik vind het tijd om verder te gaan en zoek Budin op, die in een van de vele souvenirwinkeltjes rondhangt.
Onderweg naar de volgende attractie vertelt de gids dat de Toradja’s aanvankelijk uit Thailand afkomstig zijn. Tweeduizend jaar geleden trokken zij naar Indonesië waar zij langs de kusten van Sulawesi gingen wonen. Later kwamen daar andere volken aan, die het niet konden vinden met de Toradja’s.
Zo werd dit volk steeds meer de bergen ingedreven, waar het zich beter kon verdedigen tegen vijandelijke aanvallen. Tegenwoordig vormt Tana Toradja een stevige katholieke enclave in het overwegend islamitische Indonesië.
De volgende stop is Sangala, waar het vandaag markt is. Het is wel extreem druk en het lukt mij nauwelijks om de prachtige, zeer kleurrijke mensen op de foto te krijgen, zonder dat ik pal voor ze ga staan.
Ik probeer toch altijd wat discretie te betrachten, omdat ik mensen niet als een toeristenspeeltje beschouw.
Maar omdat mijn zoomlens kapot is, moet ik mijn telezoom gebruiken en die begint pas bij 85 mm.
Dat is niet echt handig op een zo drukke markt, waar voortdurend mensen voor de lens langslopen.
We rijden verder naar de begraafplaats van Tampangelo. Die ligt in een grot, waar her en der menselijke beenderen verspreid liggen. Het is een indrukwekkend gezicht. Bij de ingang staat een bewerkte houten kist vol botten en schedels. De rijkere mensen hebben een eigen kist die op een hoogte van tientallen meters boven de weg in een nis in de rotsen geplaatst wordt.
Maar de arme boeren komen uiteindelijk in de houten verzamelbak terecht. Helaas is het erg druk in de grot en lijken de meeste toeristen zich niet te beseffen dat zij zich op – of eigenlijk in – een begraafplaats bevinden waar enig respect toch wel op zijn plaats is.
Buiten staan typische Toradja-graven. Het zijn schaalmodellen van de huizen met hun enorme, overhellende daken. Helaas is het ineens bewolkt geworden en begint het nog te regenen ook. Over de modderige wegen rijden we naar het plaatsje Kete Kesu. Dit stelt eigenlijk heel weinig voor. Er is een traditioneel huis dat als souvenirwinkel dienst doet en er zijn mooie tuinen. Maar veel meer dan een knooppunt van de routes naar de grotten is het dorp echt niet.
We rijden terug naar Rentepao voor de lunch. Budin zet mij af bij het Celebes-restaurant en gaat met zijn vriend zelf ergens anders eten. Dat had ik zelf ook beter kunnen doen, want het eten is waardeloos en schandalig duur. Goed, veel meer dan 2,75 euro is het niet, maar dat is te danken aan de hyperinflatie van de laatste tijd.
In de middag gaan we nog naar Merante waar heel veel tau-tau-poppen te zien zijn. Het is wel erg toeristisch allemaal. Waarschijnlijk wordt met het toerisme meer verdiend, dan met welke andere nijverheid dan ook. Al zit er dit jaar vanwege de crisis wel de klad in. Dat is wel te merken aan de vele souvenirwinkeltjes die weinig te doen hebben.
Ook in Merante zijn prachtige, rijkelijk bewerkte houten kisten te zien, vol beenderen. Nangala wordt de laatste bezienswaardigheid van vandaag. Nangala is eigenlijk geen dorp, maar het huis van een zeer rijke familie. De rijkdom is af te leiden uit de tientallen rijstschuren aan de straat, waar in het midden pontificaal het schitterende huis van de belangrijkste tak van de familie staat. Aan een verticale steunbalk zijn tientallen buffelhoorns bevestigd, die net als de rijstschuren aangeven dat men hier met een welgestelde bewoner te maken heeft.
Van dichtbij is te zien hoeveel zorg aan de huizen is besteed. Al het houtwerk is met zeer fijn schilderwerk versierd. Alleen wordt het niet echt bijgehouden. Op sommige bouwwerken zijn de schilderingen zo vervaagd, dat ze alleen nog van heel dichtbij te zien zijn. In de bomen van het dorp hangen duizenden vleermuizen. Budin zegt dat zolang de vleermuizen blijven, het goed zal gaan met de familie. Als een groep zeer luidruchtige Italianen arriveert, vind ik het tijd om verder te gaan. Ik had nog wel wat foto’s willen maken, maar dat lukt nu toch niet meer zonder vervelende westerlingen erop.
Rond half vijf ben ik weer terug in het hotel. Ik ga boodschappen doen, maar geneer mij voor mijn onverzorgde uiterlijk. Mijn enige broek zit tot de knieën onder de bagger en alles stinkt. In de supermarkt koop ik een borsteltje en een spuitbus met een lekker geurtje. Daarmee wil ik mijn rugzak behandelen die sinds Irian Jaya naar beerput ruikt. Ik sla ook wat chocolade in voor vanavond en wat proviand voor morgen. Dan gaan we een lange wandeling maken langs de Toradja-dorpen.
Vanavond eet ik iets heel lekkers met garnalen. Een van de piepkleine serveerstertjes klopt aan om te melden dat het uren vooraf bestelde eten wordt opgediend. Erg grappig allemaal. Na het eten wandel ik nog even naar de dorpskern, maar er is niets te beleven. De toeristen blijven weg, dus de horeca ziet geen reden om ’s avonds open te blijven. Alleen een karaoketentje is open, maar daar bevalt de sfeer mij niet. Als ik rond tien uur terugkom bij het hotel is het hek al op slot. Gelukkig is de portier nog wakker. Op mijn kamer staat een zak met daarin mijn schone was. Heerlijk. Eindelijk kan ik mij weer beschaafd vertonen op straat. Het is nu muisstil in het hotel. In de verte klinken alleen de krekels in de rijstsawa’s. Ik val snel in slaap.
Weer maken de krijsende varkens mij rond vijf uur wakker. Dat wordt dus weer lezen in plaats van slapen. Acht uur krijg ik mijn ontbijt dat half acht klaar zou zijn, waardoor ik mij moet haasten om nog even naar het postkantoor te kunnen voor het verzilveren van een paar betaalcheques.
Vannacht heeft het flink geregend, maar nu is het weer droog. Gelukkig maar, want Budin en ik rijden vandaag met een pickup naar het dorpje Balebo. Daar beginnen we aan een lange wandeling naar Langsa. Sommige stukken gaan makkelijk, maar we moeten ook over glibberige dijkjes door de rijstvelden.
Ik ben blij dat ik vandaag wel mijn bergschoenen aan heb. In Langsa drinken we een colaatje in een prachtig restaurant, met een wijds uitzicht over het dal waarin Rentepao ligt. Het zou een tweedaagse tocht worden, maar Budin zegt dat we het ook in één dag kunnen doen als we het tempo van vanmorgen aanhouden. Ik wil het wel proberen, want om nu weer in een of andere hut te moeten slapen. Budin belooft dan wel een mooie traditionele woning, maar in de praktijk draait dat meestal op een lekkende schuur uit.
We wandelen verder door de rijstvelden langs diverse dorpjes met alleen nog Tonganan-huisjes. Helaas hebben deze huisjes een dak van roestige golfplaten en niet van riet of bamboe. Dat laatste zie je alleen in dorpjes die er voor het toerisme mooi uit moeten zien.
Uiteindelijk komen we uit in het dorpje Diri waar een grote katholieke kerk staat. Tijd om de kerk te bezoeken is er niet. Er is eigenlijk nergens tijd voor. We blijven maar door jakkeren. Met moeite kan ik nog wat foto’s maken van de boeren in de rijstvelden.
Af en toe valt er wat regen, maar echt slecht is het weer vandaag niet. We komen veel kinderen tegen in een smetteloos schooluniform. Het is vandaag Thanks Giving Day. De kindertjes dragen daarom bamboe kokertjes bij zich, met daarin aangestampte koude rijst. Die rijst eten zij op tijdens een van de feesten op de diverse kerkpleinen in de regio. We passeren toevallig zo’n feest. Iedereen zit gezellig uit zijn bamboe kokertje te smikkelen en verschillende mensen zingen liedjes. Alles is vrolijk versierd met kleurige linten.
Op de berghelling zie ik het overnachtingadres liggen voor als wij twee dagen over de tocht gedaan zouden hebben. Het is precies wat ik al vermoedde. Een oncomfortabele hut in een dorp vol lawaaiig vee. We lopen verder. Opnieuw gaat het omhoog en weer verder over de uiterst glibberige dijkjes door de sawa’s. Een keer uitglijden en je ligt in de modder. Geen prettig vooruitzicht. Ik loop voorzichtig en kan daardoor niet het tempo van de veel handigere Budin bijbenen. Ik ben blij als we weer een stuk over een verharde weg kunnen lopen.
Toch moeten we nog een stukje door de rijstvelden, want langs de weg woont een oude vrouw die de pest heeft aan Budin en hem daarom altijd uitscheldt als hij voorbij komt. Ik geloof het verhaal niet erg, maar hij is nu eenmaal de gids. We komen uiteindelijk weer op een weg die nog in aanbouw is. Het wordt hier strompelen over de grote keien die als ondergrond voor het nog aan te brengen asfalt dienen.
Zo komen we in een dorpje waar een prachtige, gloednieuwe tonganan staat. Hier woont een familie bij wie Budin een maand gewoond heeft. We worden gastvrij onthaald met mierzoete jasmijnthee. Een eindje verder zijn kinderen een dansje aan het instuderen. Het is nu nog twee uur lopen, zegt Budin, maar wellicht kunnen we met de bus mee. We volgen de route naar Rentepao, maar er komt geen bus meer. Na zes uur rijdt die waarschijnlijk niet meer, zegt de gids. Gelukkig kunnen we wel met een auto mee, want het was volgens mij nog minstens tien kilometer geweest. En dat is niet leuk als het al donker is.
Terug in Rentepao bezoek ik wat souvenirwinkels. Ik ben op zoek naar een miniatuur Tonganan, zoals ik die ook bij Budin thuis had zien staan. Het lukt niet erg. De winkels zijn afgeladen met allerlei traditionele namaakspullen. Er zijn ook wel miniatuurtonganan’s te koop, maar die zien er uit alsof ze in Taiwan zijn gemaakt. Uiteindelijk vind ik een winkeltje met een wat geheimzinnige winkelier. Hij heeft een heel mooi exemplaar, maar dat kost wel een miljoen rupiah. Dat is 72 euro. Ik zeg dat ik er nog even over na wil denken. Omdat ik doodmoe ben laat ik mij met een becak terugrijden naar het hotel. Dat is tweemaal zo duur als met een bemo, maar bemo’s zijn rond deze tijd niet meer te krijgen.
In de kamer neem ik een douche en verzorg ik mijn wonden die nu dankzij de antibiotica aardig aan het genezen zijn. Opgefrist wandel ik terug naar het centrum, want ik heb geen zin om uren te wachten op een maaltijd bij Pia’s Poppies. Met moeite weet ik een tentje te vinden dat nog open is. Het was vanmiddag nog heel druk in Rentepao, maar nu is er niemand meer te zien op straat. De toeristen eten in hun eigen hotel.
Vandaag staat er niets op het programma, omdat we gisteren zo snel gelopen hebben. Ik ga er dus maar alleen op uit. In het centrum pak ik een bemo die naar het plaatsje Londa rijdt. Daar moet een interessante begraafplaats in een grot zijn. Met een onverantwoordelijk hoge snelheid raast het kleine Kiang-busje over de bochtige wegen. Van het landschap genieten is er niet bij. Er reist ook een Papoea mee, die zegt dat hij uit Papoea New Guinea komt. Vanaf de bushalte is het nog twee kilometer lopen naar het kleine dorpje dat uit een kassagebouwtje en wat souvenirwinkeltjes bestaat. Via een glibberig paadje loop ik naar de ingang van de grot waar ik moet wachten op een gids met een grote petroleumlantaarn. Binnen is het namelijk aardedonker en aan mijn miniatuur zaklampje heb ik dan ook niet veel. Ik probeer wat te filmen maar word daarbij gehinderd door zeer luidruchtige Duitsers.
De tau-tau’s boven de grot zijn bijzonder natuurgetrouw. Het lijken wel bijna echte mensen. Ze hebben mooie kleren aan en sommigen dragen zelfs een bril. Als het eindelijk wat rustiger is ga ik met de gids naar binnen. De grot staat vol kisten. Sommige hebben geen deksel, zodat je de geraamtes ziet liggen. Toch wel vreemd. Bij andere kisten liggen offers van nabestaanden. Meestal zijn het sigarettenpakjes en colablikjes. Bij sommige kisten lijkt het wel een vuilnisbelt. Hoewel het een begraafplaats is doet niemand moeilijk over het maken van foto’s.
Na een half uur heb ik het wel weer gezien en loop ik terug naar de hoofdweg. Een hele stoet schoolkinderen loopt achter mij aan. Ze schreeuwen om snoep. Sommigen zijn brutaal en houden rustig hun handje op. Ik vind het wel grappig, maar doe toch maar net alsof ik ze negeer. Snoep heb ik niet bij me en geld geven lijkt mij ook niet zo’n goed idee.
Een roestige Kiang brengt mij verder naar het plaatsje Makale. Dit wat grotere stadje zou nog huizen uit de Nederlandse tijd hebben. De informatie klopt, maar wat er van over is, is nauwelijks de moeite van het bezichtigen waard. Een parkje met een lotusvijver is aardig. Verder heeft Makale bitter weinig te bieden. Op de terugweg naar Rentepao val ik een paar keer in slaap. Na een eenvoudige nasimaaltijd loop ik de vier kilometer naar het grote busstation van Rentepao. Ik begrijp maar niet waarom busstations in Azië altijd zover uit het centrum liggen. Goed, bij sommige steden zou het uren duren voordat je het centrum uit bent met een bus, maar in Rentepao hoef je daar niet zo bang voor te zijn. Er is wel een soort busstation in het centrum, maar dat wordt alleen door bemo’s en taxi’s gebruikt.
Ik probeer een bus naar Palawa te krijgen. Een van de chauffeurs verwijst mij naar een grote bus, waar ik 5000 rupia voor een kaartje moet betalen. Dat lijkt mij erg duur voor zo’n korte afstand, maar dat komt misschien omdat het een grote bus is. Als we een tijdje onderweg zijn, merk ik dat we niet goed rijden. Ik informeer nog eens bij de chauffeur en hoor dan dat we onderweg zijn naar Palopo. Dat is een havenstadje op tientallen kilometers van Rentepao. Logisch dat het kaartje zo duur was. Hier baal ik natuurlijk wel van. Er komen geen haltes waar ik uit kan stappen en ik heb geen zin om mee te rijden tot Palopo. Als de bus even moet stoppen voor een smalle brug, spring ik eruit en pak ik een kwartier later een bemo terug naar Rentepao. Daar lukt het mij eindelijk een busje naar Palawa te pakken, een stokoud voertuig, dat aan alle kanten rammelt en elk moment uit elkaar dreigt te vallen.
Palawa is prachtig. Het is een verzameling dorpjes in het regenwoud. Een van de dorpjes bestaat geheel uit schitterende tonganan’s met bamboedaken. De mensen leven hier van de bosbouw, wat op te maken valt uit de hoge stapels boomstammen die her en der verspreid liggen. Kinderen hebben mij al snel in de gaten en komen snoepjes en pennen bedelen. Ik ga er niet op in. Ook in de souvenirverkopers met hun batikkleedjes heb ik niet zo’n zin. Op een na dan, die mij in zijn tonganan uitnodigt. Ik vind het wel leuk om zo’n huisje eens van binnen te bekijken. Het is prachtig, maar de bewoner weet mij wel weer een bamboekokertje met koffie voor 5000 rupia aan te smeren. Wat moet ik ermee?
Het busje terug naar Rentepao heeft vijftien passagiers, terwijl er maar tien zitplaatsen zijn. Het is allemaal niet erg comfortabel, maar dat moet je er voor over hebben als je tussen de mensen van het land wilt leven. Een ander busje brengt mij terug naar Pia’s Poppies waar ik eten heb besteld. Vanavond ben ik veel te moe om uit te gaan.
Hoewel ik te moe ben om op te staan, wil ik ook deze dag niet verloren laten gaan. Na het ontbijt neem ik een busje naar Bolu, waar de markt is. Eindelijk lijkt het weer eens een zonnige dag te worden, na een week van bewolking. De markt is groot, maar niet erg boeiend. Er wordt in buffels en varkens gehandeld en zelfs in vis, hoewel hier nauwelijks plaatsen zijn waar je die kunt vangen. Dat is dan ook wel te ruiken. De varkens hebben het niet makkelijk. Ze worden aan een dikke bamboestok op de schouders van de boeren meegedragen en schreeuwen moord en brand. Er zijn relatief veel toeristen vandaag. De markt is waarschijnlijk een verplicht uitje. Al snel heb ik het gezien en pak een busje naar Kete Kesu. Ik was daar al geweest, maar nu kan ik foto’s maken met zonnig weer. Het busje zit weer overvol. Behalve bijna twintig passagiers reizen ook nog een varken, wat kippen en eenden mee. De chauffeur heeft geweldige haast, dus na amper een half uur zit de lijdensweg er al weer op. Het was nog sneller gegaan als we niet tien minuten voor een van de vele politieposten hadden moeten wachten. Bij Ketu Kesu klim ik over de medepassagiers naar buiten. Ik ben blij als ik weer vaste grond onder mijn voeten voel. Dit heb ik ook weer overleefd.
Intussen is er een grote wolk voor de zon gekomen. Hier baal ik wel weer van. Het is windstil, dus de wolk zal er nog wel even blijven hangen. Ik wandel wat rond, tot de wolk na een half uur begint op te lossen. Het wordt meteen bloedheet. Ik maak snel wat foto’s van de prachtige tonganan’s die er in het felle zonlicht veel fleuriger uitzien.
Na Ketu Kesu wil ik teruglopen naar Rentepao. Ik had op de heenweg gezien dat een traditionele begrafenis werd voorbereid. Dat is een bijzonder indrukwekkende gebeurtenis in Tana Toradja. Er wordt een compleet dorp gebouwd voor de honderden vrienden en familieleden die op het gebeuren afkomen. Dan vinden er vijf tot zeven dagen rituele dansen en maaltijden plaats, voordat het reeds maanden eerder overleden lichaam wordt gecremeerd. Pas na zo’n crematie heeft de ziel van de overledene rust, aldus het geloof. De Toradja’s zijn christelijk, maar houden er voor begrafenissen hun eigen gewoontes op na.
Na een half uur lopen door de hitte, besluit ik toch maar een bemo te pakken. De wind die door het voertuig raast doet mij goed. Ik was oververhit geraakt door het wandelen. Er viel bijna niet meer tegenop te drinken.
Het is goed dat ik het busje had gepakt, want ik kom net op tijd aan om getuige te zijn van het binnenbrengen van het lijk. Dit ligt in een prachtig bewerkte kist met een tonganan-dakje. Honderden mensen lopen er omheen te schreeuwen. Het is een spektakel van jewelste. Ik kijk af en toe om mij heen of ik Budin zie. Die zou hier ook nog naar toe komen. Maar al snel wordt mijn aandacht geheel door de rituelen opgeëist. Met vereende krachten plaatsen de dragers de kist in een grote tonganan, die aan het eind van de laatste dag in brand gestoken zal worden, waarna de rook de ziel naar de hemel zal brengen.
Ik wandel het festivalterrein op. Er zijn meer toeristen, maar die vallen nauwelijks op tussen de enorme aantallen Toradja’s. In kuilen liggen vastgebonden varkens op hun einde te wachten. Voor een grote buffel is het al afgelopen. Met één houw van een enorm zwaard gaat zijn kop eraf. De kinderen vinden het prachtig allemaal. Wat een dierenvrienden. Als het meeste spektakel voorbij is wandel ik terug naar Rentepao.
Vervoer is er niet meer te krijgen, want alles zit overvol en rijdt met een rotgang voorbij. Zelfs voor een rijke toerist met zijn zakken vol rupia’s wordt niet meer gestopt. In Rentepao bezoek ik weer de souvenirwinkel. Ik wil nog steeds de miniatuurtonganan kopen en weet na moeizaam onderhandelen 350 duizend rupiah van de prijs af te krijgen.
In het hotel ligt Budin te slapen naast zijn vrouw, die ook naar Rentepao is gekomen en onderweg ziek is geworden. Een mooie gids heb ik. Gelukkig kan ik het zonder hem ook wel af, anders had ik weinig gehad aan mijn weekje Tana Toradja. Ik loop weer terug naar het begrafenisterrein, waar op het moment helaas niet veel te doen is. Morgen begint het pas echt. Het einde zal ik helaas niet kunnen meemaken, want dan ben ik al weer terug in Nederland. Mijn laatste dagen in Indonesië zijn aangebroken.
Ik ga in een van de genummerde paviljoens zitten kijken naar wat er gebeurt op het terrein. De ceremoniemeester loopt continu bevelen te schreeuwen door een grote megafoon. Hij moet alles in goede banen leiden, wat mij geen eenvoudige klus lijkt.
Ineens komt er een lange processie aanwandelen. De mensen dragen allemaal traditionele kleding en zien er schitterend uit. Ik haast mij om een mooie fotostek te zoeken en mijn camera’s in stelling te brengen. Er lijkt geen einde te komen aan de toestroom van mensen. Het moeten er intussen al dik over de duizend zijn.
Mannen in zwarte gewaden beginnen een dans rond de slagers, die nog met de buffel bezig zijn. Het beest is al bijna geheel geslacht. Dit feest moet de familie een vermogen kosten. En je kunt je afvragen of ze blij moeten zijn met de vele geschenken die de vrienden en familieleden meebrengen. Dat varieert van pakjes sigaretten tot levende varkens.
Intussen moeten de mensen gevoed worden. In een reusachtige keuken zijn tientallen koks bezig met het bereiden van de maaltijden, die door in schitterende zijde geklede vrouwen naar de paviljoens van de familie worden gebracht.
Ik maak de foto’s van mijn leven, al word ik voortdurend gehinderd door Fransen die het steeds presteren om in mijn beeld te staan en met de keuze van hun fotoplekjes niet de minste piëteit betrachten.
De Indonesiërs doen niet moeilijk over fotograferen, maar daarom mag je toch wel enig respect tonen, lijkt mij. Wel heel lastig dat mijn telelens niet meer te gebruiken is. Die was nu wel heel goed van pas gekomen.
De hele dag gaat het feest door, waarbij ik sta te kijken van de uitstekende logistiek. Hier moet heel wat voorbereiding aan vooraf zijn gegaan.
Tegen de avond verplaatst het publiek zich naar een nabij gelegen droge rijstakker waar een buffelgevecht zal plaatsvinden. Dat hoort ook bij de ceremonie. Terwijl na een lange, hete dag eindelijk de zon achter de laaghangende bewolking verdwijnt, proberen jongens de buffels tegen elkaar op te stoken. Maar de dieren hebben helemaal geen zin om te vechten.
Het publiek wordt steeds uitzinniger en schreeuwt om bloed. Er wordt stevig gegokt. Er komen meer buffels bij, maar de dieren gaan rustig staan grazen. Misschien moeten de boeren zelf maar met elkaar gaan vechten. Uiteindelijk geven de dieren elkaar maar wat voorzichtige kopstootjes om van het gezeur af te zijn. Na een half uur getreiter zijn de buffels het zat en zetten ze het op een lopen over de smalle dijkjes. Volop paniek. Iedereen maakt dat hij uit de weg komt. Ik moet het ook op een lopen zetten, want het dijkje waarop ik sta is niet breed genoeg om het aanstormende beest te laten passeren.
Het loopt goed af. De ceremonie zit erop voor vandaag. Ik probeer vervoer te krijgen naar Rentepao, maar dat lijkt niet te lukken. Uiteindelijk stap ik maar heel brutaal in een busje dat gecharterd blijkt te zijn door een stel Javanen. Ze vinden het echter niet erg dat ik meerijd. Een van hen spreekt goed Engels en zegt al drie keer in Amsterdam te zijn geweest als hij hoort dat ik uit Nederland kom. Ze zetten mij af bij het goedkope restaurantje in Rentepao waar ik van plan was te gaan eten vanavond. Het wordt weer kippensoep, foe yong hai en bananenjuice. Terug in het hotel zie ik Budin weer. Hij verontschuldigt zich voor zijn plichtverzuim vandaag en schuift de schuld op zijn vrouw die ziek is geworden en die hij niet alleen kon laten. Ik duik er vroeg in vanavond, want morgen wordt het weer een intensieve dag.
De terugreis begint. Als ik rond half zeven de ontbijtzaal/lobby binnenkom is het hele personeel alweer druk bezig. Ook Budin en zijn vrouw zijn er. Budin maakt een foto van mij met het personeel, waaronder de piepkleine serveerstertjes die ik de Poppies blijf noemen. Om de dag door te komen en de busrit te overleven heb ik een zwaar ontbijt besteld met nasi goreng, rijstpap in kokosmelk en bananenjuice. De yoghurt is op helaas.
Volgens Budin zou iemand van de busmaatschappij ons komen halen, maar als die er tien voor acht nog niet is gaan we toch maar even kijken. Een kwartier later zien wij de Litho & Co bus met hoge snelheid voorbij denderen. Ik ben verbaasd, maar Budin is woedend. Hij rent terug naar het hotel om te bellen. Hij had de busmaatschappij gesproken en die zou er voor zorgen dat de bus in het volgende dorp, Mekale, op ons zou wachten. De oude baas van het hotel zal ons in zijn bijna even oude zwarte Mercedes naar Mekale brengen. Dat gaat echter niet vlot. Na een kwartiertje stoppen we bij een vriend van de hotelbaas om met diens modernere auto verder te rijden. De bus zal minstens een half uur op ons moeten wachten.
Eindelijk zijn we dan in Mekale. De bus staat er nog. Maar Budin moet eerst nog even naar het kantoortje van de busmaatschappij om nog even te vertellen wat hij ervan vindt. Het blijkt een misverstand geweest te zijn, waardoor men ons in Rentepao was vergeten te waarschuwen. Om het goed te maken mag ik helemaal voorin zitten. Budin en zijn vrouw zitten twee rijen achter mij. Het lukt allemaal net, met al mijn handbagage en de breekbare miniatuur tonganan. Een Indonesiër naast mij, die helaas rookt, probeert een praatje met mij aan te knopen, maar zijn Engels is net zo beroerd als mijn Indonesisch, dus dat lukt niet erg.
Onderweg val ik een paar keer in slaap. Ik moet wel heel moe zijn, want slapen zou bijna onmogelijk moeten zijn in het slingerende voertuig met zijn harde banken. De chauffeur wil het tijdverlies inhalen en rijdt daarom als een bezetene. Elke keer lukt het maar net om de scherpe bochten door het gebergte te halen en tegenliggers weten gelukkig elke keer nog net op tijd uit te wijken. Ik ben blij als na een paar uur het vlakke landschap begint en de weg zonder bochten verdergaat.
Langs de weg staan kilometerpaaltjes die de afstand tot Ujung Pandang aangeven. Het is een vermoeiende rit en op het laatst beginnen zelfs de stops mij te vervelen. Ik ben dan ook blij als we na bijna negen uur eindelijk in de hoofdstad zijn. Met een taxi rijden we naar Budin’s huis, waar ik nog een kopje thee meedrink en de spullen ophaal die ik een week geleden had achtergelaten.
Een taxi brengt mij naar hotel Wisata waar ik de laatste nacht op Sulawesi zal doorbrengen. Ik ben blij dat de auto airco heeft, want ik was aardig oververhit geraakt door de drukte van het afgelopen uur.
Na het inchecken hol ik naar de haven om de hier altijd prachtige zonsondergang te fotograferen. Ik ben nog maar net op tijd om een foto te kunnen maken vanaf het terras van het super-de-luxe hotel Makassar, met mooie Indonesische lantaarns op de voorgrond. In de ondiepe zee werpen vissers in lieslaarzen hun hengel uit.
De afkeer die ik aanvankelijk van Ujung Pandang had, is nu verdwenen. Ik ben gewend geraakt aan Indonesië en wil er de laatste twee avonden nog eens stevig van genieten. Er is nog veel te verkennen in de stad, maar eerst ga ik terug naar het hotel om te douchen en schone kleren aan te trekken. Ik vind mijzelf een beetje uit de toon vallen tussen de altijd onberispelijk geklede Indonesiërs. Mijn schone kleren raken echter ook al weer snel bezweet, want zelfs ’s avonds blijft het verstikkend heet in het op zeeniveau gelegen Ujung Pandang.
De becak-chauffeurs zijn erg vervelend en het kost moeite om ze te negeren. Ik wandel via een winkelstraat waar de meeste winkels nog open zijn, naar de strandboulevard waar over een lengte van enkele kilometers eetstalletjes zijn geplaatst. Het zijn allemaal kleine ondernemertjes die voor weinig geld saté of andere lekkernijen aan de man brengen. Bij de wartel bel ik mijn schoonmoeder die vandaag jarig is en mijn vrouw die nog thuis is, want het is nog vroeg in Nederland.
Langs Fort Rotterdam en een groot aantal restaurants en discotheken loop ik naar het noordelijke deel van de stad waar de Chinese wijk is. In een luxe restaurant trakteer ik mijzelf op de duurste gerechten van de menukaart. Door de lage koers van de rupiah kost het toch bijna niets. De Tom Yam-soep, gepaneerde kip in zoetzure saus en nasi goreng smaken voortreffelijk. Ik ben bijna de enige klant in het grote, luxe ingerichte restaurant.
Buiten op straat is het uitgestorven als ik het restaurant verlaat. Ik loop nog even naar het uitgaansgedeelte van de stad, waar ik een biertje bestel in een van de vele kroegen. Met een taxi rij ik terug naar het hotel waar tot mijn verbazing om elf uur ’s avonds nog een personeelslid in mijn kamer bezig is. Ik ben verbaasd en stuur de man weg. Gelukkig had ik al mijn spullen goed afgesloten en vastgemaakt aan het meubilair, want de bediende zo laat in mijn kamer geeft mij geen prettig gevoel. Ik ga dat morgen maar eens uitzoeken.
Al om vier uur word ik weer wakker. Zes uur sta ik op en ga ik aan de wandel. Er lopen al schoolkinderen over straat. En dat om half zeven op een zaterdagochtend. Ik wandel op mijn gemak langs Fort Rotterdam naar de oude haven die helemaal in het uiterste noorden van de stad ligt. Het blijkt een behoorlijke wandeling en na een paar uur krijg ik spijt dat ik niet met een taxi ben gegaan. Maar ja, ik zie nu wel meer.
Om bij de traditionele zeilschepen te kunnen komen, moet ik entree betalen. Maar het kost slechts 350 rupiah. Dat is een paar cent. Er liggen veel schepen, die net gelost of geladen worden. Gelukkig is het helder weer en kan ik mooie foto’s maken. Een paar jongens nodigen mij uit aan boord. Zij hebben net zakken met bloem gehaald uit Kalimantan, het grote eiland achter de horizon. Ik loop voorzichtig via de smalle loopplank het dek op. Het is een mooi gezicht. Deze vorm van scheepvaart bestaat al eeuwen en zal hopelijk nog wel enkele eeuwen blijven bestaan.
Ik wandel weer terug in de richting van het centrum en kom in een gezellige wijk terecht. Als ik een foto wil maken van een gracht vol bedrijvigheid van schippers en kooplieden, valt het mij op dat ik ondanks het zonnige weer een lange belichtingstijd moet kiezen. Ik controleer de camerainstellingen, maar daar mankeert het niet aan. Als ik naar een wolkje kijk dat net voor de zon drijft, zie ik wat er aan de hand is.
De zon is voor meer dan de helft verduisterd door de maan. Ik ben getuige van een eclips, die voor mij als een totale verrassing komt. De sikkel wordt steeds smaller. Ik ren naar een moskee in de buurt om een foto te maken van de zon met het maantje van de minaret op de voorgrond. Helaas lukt dat niet erg, omdat de straat te smal is. Mensen kijken verbaasd naar wat mij zo opwindt. Zij zien de gedeeltelijk verduisterde zon, maar lijken zich er niet druk over te kunnen maken. Geleidelijk groeit de zon weer tot zijn volle omvang en pak ik een becak naar het centrum. Het is met 5000 rupiah duurder dan een taxi, maar ik wil het wel een keer meegemaakt hebben.
In het winkelcentrum (een grauwe betonnen parkeergarage) Makassar Mall bestel ik nasi en gado-gado bij een van de vele warungs. Het smaakt goed.
Als ik bij Fort Rotterdam aankom is het pas elf uur. Ik ben tevreden over de manier waarop ik mijn laatste dag in deze stad efficiënt weet te benutten.
Fort Rotterdam heeft alle vernietigingswoede na de dekolonisatie overleefd en is prachtig gerestaureerd.
Ik bekijk de typisch Nederlandse huizen en bezoek het museum. Helaas wordt de rust nogal verstoord door luidruchtige motorrijders die om de een of andere reden hier mogen rondrijden. Veel toeristen zijn er niet. Er is ook niet zo bijzonder veel te zien.
Rond twaalf uur is het tijd om terug te gaan naar het hotel. Ik kan nog net even douchen voordat ik met Budin naar het vliegveld vertrek.
Op het vliegveld gebeurt een wonder. De vlucht naar Denpasar is op tijd en wordt niet geannuleerd. Exact volgens schema kiest de oude Fokker F28 om kwart voor twee het luchtruim. Ik had afscheid genomen van de luie Budin, die toch wel erg aardig was en zich in ieder geval niet een keer heeft opgedrongen en kijk nu weer uit over de helder blauwe oceaan tussen de groene eilanden van de Gordel van Smaragd.
Een uur later landen we op Bali. Carola zou mij ophalen, maar is nergens te bekennen. Ik heb geen zin om te wachten en pak een taxi naar Kuta, waar ik de laatste overnachting in Indonesië zal doorbrengen. De chauffeur weet de Alit Beach Bungalows op mijn aanwijzingen te vinden. Bij de receptie hoor ik weer hetzelfde verhaal. Niemand weet iets van mijn reservering af en van Sawadee Reizen heeft nog nooit iemand gehoord. Gelukkig komt op dat moment Carola er net aan, achterop de brommer bij haar Dani-vriendje. Na wat Indonesisch gebrabbel komt het in orde. We drinken wat. Carola ziet er slecht uit. Ze is nog uitgeput van de laatste reis naar Irian Jaya, waarbij het ondanks het kleine groepje bepaald niet van een leien dakje is gegaan. Nu heeft ze weer problemen met een vriend die met een defect schip ergens midden op zee zit. Ze vertelt over Frank die nog een nachtje bij haar gelogeerd had, omdat het vliegtuig naar Los Angeles een dag later vertrok dan de vlucht naar Hong Kong. Hij was in tranen uitgebarsten bij het afscheid. Als we ons welkomstdrankje op hebben loop ik naar mijn kamer om mijn spullen neer te gooien. Ik ga nog even Kuta in op koopjesjacht. Je kan er interessante spullen kopen, die met de lage rupiah-koers geen fluit kosten.
Kuta is het Torremolinos van Bali. Er zijn alleen toeristenwinkels, restaurants en cafés. En natuurlijk honderden vervelende bemo-chauffeurs.
Als de avond valt ga ik met een taxi terug naar het hotel om mij op te frissen en mijn op een na laatste schone setje kleren aan te trekken. ’s Avonds hangt er een gezellig, maar wel wat broeierige sfeer in het drukke centrum van Kuta. Overal toeristen van het type dikke buik, rode nek en bloemetjesblouse.
Ik zoek een goed restaurant om nog eens smakelijk te kunnen eten, voordat de lange reis naar huis begint. Dat valt niet mee. Een aantal goede restaurants is gesloten, omdat door de crisis het toerisme meer dan gehalveerd is. Voor die grote tenten was het niet meer mogelijk om het talrijke personeel te betalen met zo weinig klanten. Op straat is het echter heel druk. Er staat een continue file van ronkende huurauto’s en bemo’s en op de trottoirs is bijna niet vooruit te komen. Dat komt ook omdat de meeste winkeliers meer koopwaar op straat hebben staan dan in de winkel. En dan zijn er nog de talloze aanbieders van ‘leren’ riemen, horloges en cassettebandjes.
Eindelijk vind ik een redelijk restaurant, waar ik met moeite een tafeltje kan vinden. Zou de crisis ineens over zijn? Naar mate de tijd verstrijkt wordt de sfeer steeds landeriger. Iedereen hangt maar een beetje achter zijn biertje en niemand heeft echt zin in iets.
Ik ga de straat weer op. Alle winkels zijn nog open. Het is een paradijs voor liefhebbers van namaak. Merkkleding, parfum en zelfs alcoholische dranken worden nagemaakt en voor weinig geld te koop aangeboden. In een softwarewinkel staat de nieuwste versie van Windows al in het rek. 100.000 rupiah voor een perfecte kopie in een gefotokopieerde verpakking. Tegen elf uur hebben de handelaars in riemen, horloges en sierraden plaats gemaakt voor collega’s die in marihuana en ‘massage’ doen. Omgebouwde mannen bieden zwoel hun diensten aan.
De sfeer van als cowboys en piraten verklede Indonesiërs en steeds ranziger wordende toeristen begint mij steeds meer te vervelen, maar ik had mij nu eenmaal voorgenomen om het laat te maken. Ik loop nog een disco binnen, waar ik een veel te duur biertje bestel. De sfeer is niet echt geweldig. Ik houd het maar voor gezien en loop terug naar Alit’s Beach Bungalows. Over het trottoir lopen kikkers en enorme kakkerlakken. De nachtwaker van het hotel zit nog tv te kijken, als ik rond half twee het hek open doe.
Ik heb nog de hele ochtend om rond te kijken, dus ga ik zeven uur ’s morgens al weer op pad. Ik voel mij nu stukken beter, na zo een comfortabele nacht in de gekoelde hotelkamer die de afmetingen heeft van een presidentiële suite. Via een omweg loop ik naar de hoofdstraat van Kuta, de Jalan Legran. Het is al erg druk op straat, maar de winkels zijn nog dicht zo vroeg op de zondagmorgen.
Ik moet de hele straat uitlopen voor een van de zeer weinige geldautomaten in Kuta. Als ik eindelijk heb gepind, vind ik bij toeval een fotowinkel, waar ik voor slechts 65.000 rupiah per pakje lithiumbatterijen voor mijn fototoestel kan kopen. Dat is ongeveer twee euro per batterij. Voor dat geld vind ik ze nooit meer. Ik koop daarom maar de hele voorraad op, want mijn Nikon F70 weet er aardig raad mee.
Een man die ik gisteren beloofd had vandaag een riem bij hem te zullen kopen, is mij nog niet vergeten. Na lang onderhandelen koop ik vier riemen van een zo te zien behoorlijke kwaliteit. Bij een Chinees restaurantje neem ik nog een schaal soep en dan is het de hoogste tijd om terug te gaan naar het hotel. Ik kan nog net even douchen en mijn laatste setje schone kleren aantrekken. Carola is op tijd en heeft een auto geregeld die ons naar het vliegveld zal brengen. Na het inchecken praten we nog wat na over de afgelopen reis en alle ellende met Benny en Elly. Onze Belgische reisgezellin heeft met haar gestook aardig wat aangericht in Irian Jaya. Carola vraagt zich af of zij dat nog kan herstellen.
Na een paar uur wachten en drie maal strenge controle is het tijd om het vliegtuig van Cathay Pacific naar Hong Kong in te stappen. Met slechts een kwartier vertraging kiezen we tegen vijf uur het luchtruim. Ik zie Bali nog een aardige tijd liggen, maar dan is er alleen nog maar oceaan. Indonesië zit erop en het is nu lang wachten voordat ik eindelijk weer thuis zal zijn.
Het wordt geen rustige vlucht naar Hong Kong. Als we net boven Kalimantan vliegen op weg naar de evenaar, wordt het weer zo slecht dat het vliegtuig moet uitwijken. Rondom hangen pikzwarte wolken en al snel is niets meer te zien. De turbulentie wordt zo erg dat ook de stewardessen moeten gaan zitten. Met een scherpe bocht verandert het vliegtuig zijn koers in een wat veiligere richting. Waarschijnlijk bevindt zich onder ons een cycloon die miljoenen liters zeewater omhoog zuigt.
Pas na een uur ligt het noodweer achter ons. De zon gaat onder, wat een schitterend spektakel is. Een mooie afsluiting van de laatste dag. Bij het naderen van Hong Kong maakt de inktzwarte duisternis buiten plaats voor een sprookjesachtige lichtshow. De enorme gebouwen van Hong Kong-eiland en Kowloon stralen een zee van licht uit. De talloze neonreclames lijken op juwelen in een kist met goudstukken.
We vliegen laag over de stad om even later te landen op het in zee gelegen nieuwe vliegveld Chek Lap Kok. Het wordt weer een paar uur vervelen tot de volgende vlucht vertrekt, want op het gloednieuwe vliegveld van Hong Kong is weinig te beleven. Tot mijn verbazing verlaten we het toestel via een ouderwetse vliegtuigtrap.
Twee uur later ben ik blij als ik in de luxe, ruim bemeten Boeing 747 van Cathay Pacific zit. Er worden dekens, kussens, een koptelefoon en een setje met tandpasta en groene sokken uitgedeeld. Dan volgt het vertrek. De afgeladen Jumbo rijdt naar het uiterste puntje van de startbaan om een zo lang mogelijke aanloop te kunnen hebben. Met daverende motoren schiet het toestel uit de startblokken om pas aan het einde van de drie kilometer lange baan los te komen. Ik zie het land onder mij verdwijnen en krijg nog een keer een fraaie rondvlucht over het felverlichte Hong Kong. Later zie ik in de diepte nog steden van China liggen. Een wonderlijk idee, zo’n andere wereld tien kilometer onder mij.
De films kunnen mij niet boeien. Ik kijk een beetje door mijn camcorder naar de films die ik in Irian Jaya geschoten heb. Nu verlang ik toch wel terug naar huis. Als op een vreemde tijd het oosten weer licht wordt, vliegen we boven Rusland. In de diepte is een dramatische erosie te zien. Het land lijkt een eindeloze milieuramp vanuit het vliegtuig gezien. Op het stoelschermpje voor mij zie ik waar wij vliegen. Als het ontbijt wordt geserveerd, zijn wij al bijna in Nederland. En dan is het zover. Ik herken de bekende contouren van mijn vaderland. Het vliegtuig zet de daling in en om even na half zeven Nederlandse tijd eindigt mijn interessante reis van vijfenhalve week naar Indonesië.