De rondreis door Italië in 2001 was toch wel aardig bevallen. Dus besloten mijn vrouw en ik om in 2002 opnieuw een rondreis te maken met Peter Langhout Reizen. Ditmaal naar Duitsland. Dat is in ieder geval niet zo ver weg en ik vind het wel handig dat ik de taal spreek. Duitsland is niet zo populair als vakantieland, maar dat is niet terecht. Er is enorm veel te zien. We zagen onderweg prachtige steden en natuurgebieden. Jammer vond ik het wel dat je met een busrondreis erg aan schema's gebonden bent en je soms plaatsen voorbijrijdt die je best zou willen bezoeken, terwijl je ook weleens ergens naar toe wordt gebracht, wat je toch wel als zonde van de tijd beschouwt. Al met al was het een aardige excursie door het land van onze oosterburen.
Het is vandaag onze trouwdag. Zeven jaar geleden gaven mijn vrouw en ik elkaar het jawoord. Een mooie dag dus om aan een ontspannende rondreis te beginnen. Duitsland ditmaal. Een bestemming die in Nederland ten onrechte met een zwak imago kampt. Want onze oosterburen hebben veel te bieden. Meer dan menigeen denkt. Dat blijkt vooraf wel uit het reisgidsje dat ik bij de bibliotheek gehaald heb.
Net als vorig jaar kiezen we voor deze rondreis vanwege het vergaande gemak. Omdat we over de rondreis door Italië zeer tevreden waren, hebben we ook deze reis geboekt bij Peter Langhout. Tien dagen laten we de zorgen over aan de buschauffeur die ons de mooiste plekjes van Duitsland mag laten zien. Liever zouden we een dergelijke reis met de eigen auto maken, maar we hebben allebei geen tijd en zin gehad om de daarvoor benodigde voorbereidingen te treffen. Daar komt bij dat zo’n busreis niet alleen makkelijker, maar ook veel goedkoper is dan eigen initiatief.
De dag begint vroeg. Half vijf staat mijn vrouw al op om nog wat extra spullen in de al ruim twintig kilo wegende koffers te proppen. Al twee weken is zij bezig met kleding uitzoeken en bedenken wat er aan voedselvoorraad mee moet. Dat je alles ook in Duitsland kunt kopen, wil er niet in. Kwart over zes belt mijn schoonvader op. Hij zou ons naar de opstapplaats, Haarlem Waarderpolder, brengen, maar zijn auto wil niet starten. Dan maar met onze eigen auto. Het wordt nu wel haasten, want zeven uur vertrekt de bus.
Met een flinke vaart snellen we naar Vogelenzang om pa op te halen en dan via Heemstede naar Haarlem. We hebben geluk dat de meeste verkeerslichten nog niet werken. Kwart voor zeven zijn we er. Een Peter Langhoutbus staat al passagiers in te laden, maar het blijkt niet onze bus te zijn. Die komt tien voor zeven. Ik merk dat ik mijn camcorder thuis heb laten staan. Jammer, want het is altijd leuk om direct na thuiskomst de beelden te kunnen bekijken. Op mijn Kodachromedia’s moet ik altijd weken wachten.
Tien over zeven vertrekken we. Het is prachtig weer vandaag. Een wolkenloze hemel en een waterig zonnetje dat net opkomt. Op de A9 staat de vrijdagochtendfile, maar we zijn toch redelijk snel op het Stadionplein in Amsterdam waar nog wat extra passagiers opstappen. Dan rijden we in één keer door naar Eindhoven. Zoals ik al verwacht had, zijn we de eerste van de circa dertig bussen die nog zullen komen. Ik begrijp niet waarom we zo vroeg moesten vertrekken uit Haarlem. Nu moeten we ons enkele uren in het niet bepaald gezellige restaurant De Tongelreep zien te vermaken. De traditionele ‘overheerlijke’ appelnotentaart staat al klaar.
Het wachten duurt lang. Eerst moeten alle bussen zijn aangekomen. En dan mag er nog gerookt worden ook in het kleine zaaltje, waar alleen Duitsland-reizigers en strandtoeristen voor Blanes zitten. Dan volgen rond half twaalf eindelijk de verlossende omroepberichten. Ik ben benieuwd wat voor bus en wat voor chauffeur wij zullen krijgen. Het valt een beetje tegen allemaal. De bus is redelijk oud en de chauffeur ziet er niet naar uit dat hij geweldig veel zin heeft in deze reis. Het gezelschap is behoorlijk op leeftijd. Ik schat dat de jongste 55 jaar is en dat de gemiddelde leeftijd tussen de 65 en 70 zal liggen. In Italië waren we ook de jongste twee, maar toen reisden er toch ook nog wel mensen van in de veertig mee. Misschien zijn wij twintig jaar te vroeg begonnen aan dit soort reizen.
Als de grote parkeerplaats van de Tongelreep zo goed als leeg is, zet eindelijk onze bus zich in beweging. Ik had snel de voorste plaatsen geclaimd voor het geval er niet gerouleerd zou worden, zoals tijdens onze Italiëreis. Toen zaten we de hele rondreis achter de chauffeur.
De vakantie is begonnen. Via Venlo verlaten we Nederland en gaan we op weg naar Koblenz waar we de Rijn zullen oversteken. De chauffeur zegt weinig. Hij stelt zich voor als Ton en al vrij snel komen we er achter dat hij deze week eigenlijk vrij zou hebben, maar voor een zieke collega moest invallen. Dat belooft wat. De weg is ook niet bijster interessant tot Koblenz. Eindeloze snelweg door een zacht glooiend gebied. We beginnen aan de eerste van vele krentenbollen. Na Koblenz volgen we de Rijn. Nu wordt de omgeving prachtig. Ook is het schitterend weer. Ton wil de rechter Rijnoever volgen naar St. Goarshausen, waar we op de boot zullen stappen. Maar een omleiding gooit roet in het eten. We zijn gedwongen om landinwaarts te rijden en dat gaat op een gegeven moment fout. De omleidingroute blijkt niet geschikt te zijn voor bussen. Dus moeten we na een lange weg vol haar-
speldbochten rechtsomkeert maken. Het humeur van Ton wordt er niet beter op. Na nog een uurtje slingeren over prachtige wegen vinden we de Rijnoever terug en rijden we verder zonder problemen naar St. Goarshausen. We zijn net op tijd voor de boot die ons via het mooiste gedeelte van de Rijn naar Rüdesheim zal brengen.
De boottocht is een onverwacht genoegen. We weten nog net twee stoeltjes op het bovendek te vinden. Zo varen we eerst langs het kleine beeldje van de beroemde Loreley. Gelukkig kan het beeldje niet zingen, anders waren we wellicht ook op de klippen gevaren. St. Goarshausen is een berucht punt in de Rijn, al zijn de vele gevaarlijke rotsen jaren geleden opgeruimd.
We zitten op een soort waterbus die bij elk stadje even aanmeert. In het Duits en Engels wordt iets verteld over de plaatsen die wij aandoen. Langs beide oevers rijden treinen en op de meeste met druivenstruiken begroeide heuveltoppen staan kastelen, waarop soms met grote witte letters oneerbiedig ‘hotel’ staat gekalkt. We bestellen maar geen drankjes aan boord, want ook in Duitsland vormde de euro voor de horeca de gelegenheid om de prijzen flink naar boven af te ronden. Rond zes uur komen we in Rüdesheim aan. Helaas is er geen tijd meer om het leuke
stadje te bekijken, want de chauffeur wil op tijd in Wiesbaden aankomen.
Zo rond zeven uur rijden we Wiesbaden binnen. Eerst zien we alleen industrieterrein. Ik hoop vurig dat wij niet net als vorig jaar in Frankrijk in een hotel op het industrieterrein worden gedropt. Want dan heb je niets aan je avonden. Maar gelukkig rijden we verder en stoppen we uiteindelijk voor een fraai, ouderwets hotel dat vlakbij het centrum tegenover een groot park staat. Hoe het hotel is weten we nog niet, maar met de locatie is in ieder geval niets mis. Ook Hotel Fürchter valt niet tegen. Alleen is er geen lift en zitten we in de verste vleugel. Dat wordt dus sjouwen met twee koffers van 18 en 23 kilogram. Als ik een verre reis met de rugzak maak, heb ik in de regel niet meer dan acht kilogram bij mij. Maar dan laat ik mijn vrouw ook thuis en dat scheelt.
Voor het eten wil ik nog even door de stad wandelen. Mijn echtgenote wil wel mee, maar moet zich eerst nog even opfrissen. Een half uur later wandelen we via het park naar de stad. We passeren het indrukwekkende Kurhaus van de rijke stad Wiesbaden en het casino. Alles is gesloten, maar toch is het heel levendig op straat. Via wat steegjes bereiken we het hart van de stad, waar een enorme roodbruine kerk staat. Helaas vindt net renovatie van de buitenkant plaats, zodat het gebouw grotendeels in steigers is verpakt. Dat zullen we nog vaker gaan meemaken in Duitsland.
Veel tijd om te lopen hebben we niet, want we moeten om half negen terug zijn voor het diner. Maar we hebben in ieder geval een eerste indruk opgedaan. Het is leuk dat we nu al zo ver van huis zijn. Het lijkt wel alsof we al enkele dagen op reis zijn.
Het eten smaakt redelijk. Het is niet zo slecht als in Italië vorig jaar. Na het diner wandelen we nog wat door het park tegenover het hotel. Het is er heerlijk rustig nu. Vogels zingen en bloemen geuren. Een echte zwoele zomeravond. In de verte zijn wat jongens aan het voetballen en af en toe puffen wat trimmers voorbij. Pas als het donker is gaan we terug naar het hotel.
We moeten redelijk vroeg op, want 8 uur staat het ontbijt klaar. Het valt niet tegen. Een luxe buffet met yoghurt, croissants en ander vers lekkers. 9 uur vertrekt de bus voor een ritje door de omgeving. We zitten nu niet meer voorin, want collectief is besloten om elke dag twee plaatsen met de klok mee te verschuiven. Zo komen wij op de tweede rij stoelen aan de rechterkant te zitten. Er komt ook een gids aan boord. Een kleine Duitse vrouw van een jaar of vijftig die goed Nederlands spreekt.
We rijden een klein stukje en stoppen dan voor het Kurhaus en het Casino. De begin twintigste eeuw gebouwde monumenten zijn aardig om te zien, maar moeten de concurrentie in veel andere steden het hoofd bieden. We sukkelen verder door de drukke stad. Volgens de gids is Wiesbaden een van de rijkste steden van Duitsland. Dat is ook wel te zien. Overal lommerrijke lanen met kapitale villa’s. Eenmaal buiten de stad zetten we koers naar de Neroberg om de Griechische Kapelle te bezoeken. Dat is een in Russisch Byzantijnse stijl gebouwde grafkerk uit 1845.
We stoppen op het kerkplein en ik ren als een van de eersten de bus uit om wat foto’s zonder vervelende mensen op de voorgrond te maken. Helaas wordt ook dit gebouw gerenoveerd. Er staan weliswaar geen steigers omheen, maar wel bouwhekken. Met de nodige moeite weet ik nog wat foto’s te maken, waarop in ieder geval de vijf gouden koepels tot hun recht komen.
We moeten betalen om naar binnen te mogen, maar het is de 60 eurocent wel waard. Het interieur is prachtig. Tenminste, als je barok kunt waarderen. Binnen zit in het schemerdonker een baardig heerschap dat entreebewijzen, ikonen en ansichtkaarten verkoopt. Als zijn aandacht even afgeleid is, zet ik hem op de foto.
We zetten de tocht voort naar Heidelberg. Onderweg merken we nog net dat het gaat regenen. De rest van de rit liggen we te slapen tot we rond het middaguur op de plaats van bestemming aankomen. Het is weer droog gelukkig. We krijgen twee uur de tijd om het stadje langs rivier de Neckar te verkennen. Mijn grootmoeder ging hier vroeger op vakantie naar toe. Dat was in een tijd dat vliegen alleen nog voor de allerrijksten was weggelegd.
We kijken even naar de fraaie villa’s aan de overkant van de rivier en lopen dan naar de enige, maar wel heel lange hoofdstraat van de stad. Daar zijn de winkels en de broodjeszaken en daar is het gezellig. De sfeer is prima. Veel trendy zaakjes en bezienswaardige jongeren. Vanuit de hele stad is een grote kasteelruïne boven op een hoge berg te zien. We zouden er naar toe kunnen klimmen, maar misschien gaan we er later nog met de bus naar toe. We gokken maar op het laatste. In een zijstraatje kopen we wat blikjes drinken en op een bankje op een pleintje rusten we even uit. Als we tenslotte aan het einde van de winkelstraat zijn is het alweer half twee. Tijd om terug te lopen naar de bus. Mijn vrouw is bang dat we het niet zullen halen, dus wil zij behoorlijk de pas erin zetten. Veel te vroeg komen we dus bij de standplaats, waar meer bussen staan te wachten. Die van ons is er echter nog niet. Wel staan er al wat mensen van het gezelschap, die nog banger dan mijn vrouw zijn om in Heidelberg achter te moeten blijven.
Tien over twee rijdt de bus voor. Er komt weer een andere gids aan boord. Een Antwerpse. Lieve de Cok heet zij. De vrouw is ook een jaar of vijftig en heeft rood geverfd haar dat behoorlijk uitgegroeid is. Een oud meisje noemt zij zich, wat mijn vrouw behoorlijk op de lachspieren werkt. Bij het keren van de parkeerplaats rijden we bijna een Mercedes de Neckar in. De haastige automobilist wilde er nog net even langs. Het gaat allemaal net goed.
In de stad is verder weinig te zien, dus rijden we meteen naar het kasteel. Gelukkig zijn we daar niet naar toe gelopen, hoewel we achteraf ook een kabeltreintje hadden kunnen nemen. Lieve praat onderweg honderd uit over haar geheime gratis parkeerplaats in de stad waar parkeren overal praktisch onmogelijk is en natuurlijk heeft zij ook de nodige anekdotes over Hollanders te vertellen.
In het kasteel, of wat daarvan over is, kunnen we een kamer bezichtigen waar zich het grootste wijnvat ter wereld bevindt: het Heidelberger Fass met een inhoud van 220.000 liter. Wij geven echter de voorkeur aan het uitzicht over de stad, dat vanaf de kasteelmuren prachtig is. Het kasteel zelf stelt een beetje teleur. Het moet ooit heel mooi geweest zijn, tot de Fransen het in 1693 grotendeels hebben verwoest. Jammer, want het gebouwencomplex heeft als door een wonder de Tweede Wereldoorlog doorstaan. Het leukst is het plein bij de ingang. Daaromheen staan allerlei gebouwen die bouwstijlen uit verschillende tijdperken vertegenwoordigen. Gotiek, renaissance en barok zijn op een zodanige wijze gecombineerd dat het niet stoort.
Mijn vrouw is kwart voor zes al op. De koffers moeten weer dicht, want vanavond slapen we in een ander hotel. Ik blijf nog een uurtje liggen, hoewel ik door het doorgezakte bed en het dunne kapokkussen wel rugpijn heb gekregen. Half acht zit ik weer achter een schaaltje yoghurt met honing en muesli. Heerlijk. Om half negen begint de lange rit naar München.
Een groot deel van de 400 kilometer leggen we slapend af. Het is de vermoeidheid van vele weken te hard werken die eruit komt. En erg spannend is het ook niet onderweg. Na tien kilometer snelweg met bos rondom wordt het wel een beetje veel van hetzelfde. We stoppen twee keer bij een wegrestaurant, waar de prijzen schandalig hoog zijn. 1,30 euro voor een blikje cola, dat in een gemiddelde supermarkt een euro goedkoper is.
Als we kwart over twee in München aankomen is het zwaar bewolkt geworden. Het ziet ernaar uit dat elk moment een bui kan losbreken. Chagrijnig ploegt Ton de grote bus door het drukke stadsverkeer. Hij zoekt de straat waar hij de gids moet oppikken. Dat kost het nodige gemanoevreer. Ik begrijp niet waarom ze zo’n bus van 200.000 euro niet met een navigatiesysteem van pakweg 1000 euro uitrusten. Eindelijk weten we de gids te vinden. Een vrouw van rond de vijftig voor de verandering. Het blijkt een Indonesische te zijn die volledig buiten adem naar binnen komt strompelen. Als ze weer een beetje bijgekomen is begint ze aan de beschrijving van de straten die wij passeren. Helaas vertelt ze meer over zichzelf dan over de stad. Zo weten we na een uurtje alles van haar en bijna niets van München. Voor wie het weten wil: ze is twee keer getrouwd en twee keer gescheiden. In elke zin zegt ze minstens twee keer ‘weet u’. Intussen passeren we diverse kerken waarvan de geschiedenis voor ons een goed bewaard geheim blijft. Het begint mij te vervelen als we bij het prachtige Schloss Nymphenburg niet even de bus uit mogen om wat foto’s te maken. We blijven wel een half uur staan om het geklets van de gids aan te horen. Nu gebiedt de eerlijkheid mij te zeggen, dat we de bus wel uit hadden gemogen, als iedereen dat had gewild. Maar er blijken er van het hele gezelschap maar vier belangstelling te hebben, dus gaat het uitje niet door.
We sukkelen verder langs het park waar in 1972 de dramatisch verlopen Olympische Spelen hebben plaatsgevonden en stoppen uiteindelijk voor het classicistische operagebouw dat er oud uitziet, maar pas in 1963 is gebouwd. Onder begeleiding van de gids lopen we naar de beroemde Mariënplatz, waar om vijf uur het klokkenspel van het stadhuis begint. Het is een drukte van belang. Het klokkenspel met de bewegende figuurtjes is aardig om te zien, maar niet twintig minuten lang. Wij lopen door een van de regenachtige winkelstraten in de richting van één van de vier stadspoorten. Omdat het zondag is zijn de meeste winkels gesloten. Maar een La Placeachtig restaurant is nog wel open. We kopen er ieder een origineel Mövenpickijsje. Heerlijk. Om zes uur komen we als laatste bij de bus aan. Nog even snel een foto maken en dan op weg naar Bobingen. Een dorp van niets, even ten zuiden van Augsburg. We vinden het jammer dat we feitelijk niets van München gezien hebben. De hoofdstad van Beieren heeft zoveel bezienswaardigheden dat je je er makkelijk een dag of drie kunt vermaken. We moeten dat maar eens een keer overdoen.
Bobingen is echt niets. Toch maken we na het eten nog even een wandelingetje door de saaie omgeving. Het enige wat beweegt is het drukke verkeer op de hoofdweg die dwars door het dorp loopt. Dat is wel wat anders dan Wiesbaden. De bediening in het hotel is bijzonder matig. Zahlen roept de waardin als het tijd is om af te rekenen. Die hebben duidelijk geen zin in de Peter Langhoutgangers.
Tijdens de terugreis halen we weer wat slaap in en rond vijf uur zijn we terug in Wiesbaden. Af en toe motregent het. We blijven maar in het hotel, want zes uur staat de schnitzel met tortellini en Balinese groentemix klaar. Na het eten wandelen we nog even naar de Altstadt. Het is inmiddels weer droog. We lopen langs een fonteintje boven een warme zwavelbron. Het stinkt behoorlijk en heel het trottoir is uitgebeten door het agressieve goedje. De warmte voelt wel lekker aan, want de zomer lijkt al weer voorbij. Via de oude straatjes en het nu bijna verlaten park wandelen we terug naar het hotel. We hopen dat de andere hotels ook op zulke goede locaties staan.
Waarom we zo ver naar het noorden zijn gereden is mij een raadsel, want vandaag gaan we weer helemaal naar het zuiden. Naar Füssen aan de Oostenrijkse grens. Het had heel wat uren rijden gescheeld als we daar in de buurt een hotel hadden gekregen. Als we kwart voor acht de ontbijtzaal binnen komen, is het buffet al grotendeels leeggeplunderd. Het mag niet teveel kosten voor Peter Langhout, dus er is niets teveel besteld. Gelukkig is er nog wat pudding en worden zelfs nog wat broodjes gebracht.
Rond negen uur vertrekken we en rijden we tot mijn verrassing langs een mooie route met aardige dorpjes naar het zuiden. In de meeste plaatsjes staat op het dorpsplein de traditionele meiboom. Alleen aan het weer is het niet te merken dat het mei is. Het lijkt eerder maart of november. Maar een vleugje blauwe lucht in de verte stemt tot hoop. Pas als we rond elf uur bij Füssen aankomen, beginnen de bergen. Het verbaasde mij de hele weg al dat het landschap zo vlak was, terwijl we toch aan de voet van de Alpen reden. We stoppen bij het station. Vandaar uit kunnen we twee uur ons gang gaan.
Met een hoogte van ruim 800 meter boven zeeniveau is Füssen een echt bergplaatsje. Het is er fris en de lucht ruikt zuiver. Gelukkig is het grootste deel van het centrum autovrij, zodat de lucht ook fris blijft. We wandelen langs de wit bruisende rivier de Lech en zien in de verte de Oostenrijkse bergen liggen. Dit is pas echt vakantie. We klimmen de heuvel op, die over het stadje uitkijkt, en bezoeken het Schloss zu Füssen. Dit klooster is rond 1500 gebouwd en voorzien van barokke schilderingen volgens Italiaans voorbeeld. De schilderingen vormen een goedkoper alternatief voor barokke beeldhouwkunst langs de vensters. Helaas is het complex uitgerekend op maandag gesloten. Ook de wallen, met uitzicht op de stad, zijn voor het publiek gesloten vandaag.
We bezoeken natuurlijk ook de bij het klooster behorende voormalige benedictijnenkloosterkerk. Van buiten is dat een sober gebouw, maar binnen is het een ware schatkamer aan beeldhouwen schilderkunst. Vanaf een galerij doe ik een poging om een foto te maken, als twee mensen vlak voor mij in beeld gaan zitten. Dat houden ze lang vol. Ik maak wat andere foto’s en keer van tijd tot tijd terug om de foto van de dag te maken, maar de twee blijven op hun plaats zitten. Als ze eindelijk opstappen gaat mijn vrouw op hun plek zitten, terwijl ik net vijf seconden had voordat de volgende ploeg in beeld komt. Het levert bijna een knallende ruzie op. En dat in de kerk! Na nog eens een kwartier ongeduldig wachten, kan ik eindelijk de foto maken. De lol is er wel af vandaag.
We eten nog wat krentenbollen en lopen dan terug naar de bus voor de rit naar Schloss Neuschwanstein. Al snel zien we het sprookjesachtige kasteel liggen op een van de mooiste plekjes die je je maar kunt voorstellen. Ton zet de bus op een overvolle parkeerplaats aan een diepzwart meer. Het is drie kwartier lopen naar het kasteel, maar mensen kunnen ook voor veel geld een paardenkoetsje nemen. Wij zijn zuinig, dus besluiten we maar te gaan lopen.
Het is waanzinnig druk. Ik had niet gedacht dat zo’n kasteel uit de negentiende eeuw zoveel belangstelling kon trekken. Het moeten duizenden toeristen per dag zijn. Jong en oud. Al na twintig minuten zijn wij boven. Dat valt mee. Zoals inmiddels gebruikelijk staat een deel van het gebouw in de steigers. Het lijkt wel alsof heel Duitsland dit jaar gerestaureerd wordt. Op borden lezen we dat het herstel nog tot 2005 zal duren.
We sluiten ons aan bij de rest van het groepje en wachten tot wij aan de beurt zijn om via de sluizen naar binnen te mogen. Op ons kaartje staat de tijd vermeld. Wij zijn samen met nog zo’n 80 mensen groep 260. Als het getal zichtbaar wordt op de digitale displays, is het onze beurt om naar binnen te gaan. Het lijkt de Efteling wel. Binnen kunnen we kiezen uit een Duitsof een Engelstalige rondleiding. We kiezen de Engelstalige rondleiding, waardoor we wel even een minuut of tien moeten wachten. Er zijn kennelijk niet zoveel Engelstalige gidsen.
Als twee Duitse groepen zijn gepasseerd, zijn wij eindelijk aan de beurt. Er lopen ook aardig wat bezoekers uit het Verre Oosten mee. Een meisje met opvallend brede wenkbrauwen is
onze gids en zal ongetwijfeld in de gaten houden dat ik niet stiekem foto’s maak in het kasteel. Want dat is verboden. Bezoekers mogen alleen foto’s door de ramen maken, van het rondom
betoverend mooie uitzicht. Dat is ook wel de moeite waard, moet ik zeggen.
Eerst schuifelen we naar de troonzaal. Die is overweldigend. Koning Ludwig II van Beieren, die het kasteel rond 1875 heeft laten bouwen, moet aardig in de slappe was hebben gezeten.
Elke vierkante centimeter van het vertrek is rijkelijk bewerkt met beeldhouw en schilderkunst. Op het plafond is een enorme Bijbelse schildering aangebracht. Alles verkeert in een perfecte
staat van onderhoud. Het lijkt erop dat eerst de binnenkant is gerenoveerd en dat men nu met de buitenkant begonnen is. Via rare smalle wenteltrapjes lopen we naar de tweede verdieping waar het slaapvertrek van de koning is. Opvallend is dat veel van de kunst geïnspireerd is door opera’s van Richard Wagner. Niet zo vreemd, want koning Ludwig II was idolaat van deze
componist. Hij had zelfs homoseksuele gevoelens voor Wagner, maar die waren niet wederzijds. Het is een vreemde geschiedenis. Slechts een half jaar nadat het kasteel voltooid was,
is de koning een nabij gelegen meer ingewandeld en verdronken. Een bizarre legende, want zekerheid is er niet. Ik vertel de gids dat het waarschijnlijker is dat hij is omgekomen toen hij belastingbetalers tegen kwam, maar zij snapt de mop niet. Duitsers en humor zijn twee verschillende grootheden.
De muziekzaal met een rijk bewerkt plafond is de laatste attractie. Hier staat de opera Parsifal van Wagner centraal. Via weer een smal wenteltrapje komen we in de museumwinkel terecht, waar ik een setje dia’s koop. Even later staan we weer buiten. Ik stel voor om naar de Mariënbrücke te lopen. Die brug hangt boven een ravijn en geeft een prachtig uitzicht op het kasteel. Het is een pittige wandeling. Eenmaal bij de brug blijken we er bijna niet meer bij te passen, zo druk is het. Mijn vrouw durft in eerste instantie niet mee. Zij heeft hoogtevrees en dan is het geen pretje om de duizelingwekkende diepte van het ravijn te zien. Zo’n 150 meter onder ons kolkt een woeste rivier. En recht voor ons staat trots het kasteel Neuschwanstein.
We hebben nog mooi een half uur om naar de parkeerplaats te lopen. Nu beginnen we toch wel moe te worden. Beneden is het nog altijd even druk. Hoewel het al niet zo vroeg meer is, beginnen nog tientallen mensen aan de wandeltocht naar boven.
Tijdens de terugweg laat de chauffeur de leuke dorpjes links liggen. Via de snelweg haasten wij ons naar Bobingen, waar om 7 uur het eten klaar staat. Veel te vroeg komen we aan. We hebben nog anderhalf uur om een ommetje door het dorp te maken. Twee meisjes zitten tegenover het hotel spulletjes van zolder te verkopen. Na de maaltijd van schnitzel, aardappelkroketjes en blikgroenten, houden we het voor gezien voor vandaag.
Ik presteer het om het halve hotel zonder stroom te zetten als ik probeer een tosti in het broodrooster te bakken. Ik doe maar net alsof ik dom ben. Gelukkig waren we vanochtend wat eerder dan de anderen, zodat we overvloedig konden ontbijten. Geen overbodige luxe, want het wordt vandaag weer lang in de bus zitten.
Als de koffers eindelijk in de bus liggen, rijden we naar het noorden via de Romantischer Strasse, die tegenwoordig niet meer zo romantisch is als in de tijd dat de naam werd bedacht. De weg is recht en saai en van de dorpen die we passeren zien we weinig meer dan industrieterreinen en supermarkten. Na een tijdje rijden we langs Nördlingen, waar we tijdens de Italië reis overnacht hebben. We vangen net een glimp op van de prachtige stadpoorten rond het historische centrum. En ik kijk nog even vol aandacht naar het stoomlocomotievendepot op het station. Jammer dat we direct verder rijden.
Om ongeveer 11 uur komen we in Rothenburg ob der Tauber aan. Ton probeert met de bus het centrum in te komen, maar dat lukt hem niet. De poorten zijn net groot genoeg voor een klein bestelbusje. Naar de parkeerplaats dan maar, net buiten de stadsmuren. Via een klein poortje lopen we de Altstadt van Rothenburg in. We beklimmen meteen de wallen, vanwaar we een aardig uitzicht over de stad hebben. Het is gelukkig schitterend weer vandaag. Eindelijk eens een vrijwel wolkenloze hemel.
Helemaal rond lopen via de stadsmuur lukt niet. Op een gegeven ogenblik moeten we via een trap naar beneden en komen we weer op straat terecht. We slenteren op ons gemak in de richting van het centrum en proberen zoveel mogelijk in de schaduw te blijven, want het is warm. Er zijn veel toeristen. Niet zo vreemd, want het stadje is beslist de moeite van een bezoek waard. Alles binnen de muren oogt authentiek, hoewel praktisch alles binnen de stadsmuren na de oorlog herbouwd is. In april 1945 werd Rothenburg nog even met de grond gelijk gemaakt. De bevolking was daarvan zo ontdaan, dat men besloot een moderne stad te bouwen en de geschiedenis te laten voor wat die was. Gelukkig is men later op dat besluit teruggekomen en verdient men nu een aardig bedrag aan het toerisme. De 13.000 inwoners ontvangen per jaar zo’n drie miljoen toeristen. Dat neemt niet weg dat het een enorme klus moet zijn geweest om zo’n stad met zoveel mogelijk gebruik van ouderwetse materialen weer op te bouwen. Dankzij de stadspoorten blijft het leefbaar. Anders zou het vol staan met bussen. Auto’s zijn ook niet toegestaan is de middeleeuwse straatjes. Behalve dan de auto’s van de bewoners en dat zijn er helaas ook nog heel wat.
Na een tijdje komen we op de grote markt uit. We hadden het kunnen verwachten. Het prachtige stadhuis staat in de steigers. Ik vraag mij af of wij in Duitsland nog een monument zonder steigers zullen gaan zien. Is 2002 het jaar van de grote restauraties? Om het fotograferen helemaal onmogelijk te maken is voor het stadhuis ook nog een grote, lelijke tent geplaatst.
We hebben nog even de tijd voordat de rondleiding begint. We lopen nog wat steegjes in noordelijke richting door. Vooral de stille, afgelegen straatjes zijn prettig om te wandelen. Via een straatje dat onder de grote kerk doorloopt, wandelen we terug naar het marktplein waar we om twee uur moesten verzamelen. Mooi nog even tijd voor een ijsje. De gids is ditmaal geen vrouw van rond de vijftig, maar een jonge rechtenstudent. Hij spreekt geen Nederlands. We mogen kiezen uit Duits of Engels. De meerderheid kiest Duits.
De lange verhalen over de gebouwen die we bekijken, kunnen mij niet bijzonder boeien. Meestal heeft iedere gids zijn eigen verhaal en is de helft van de geschiedenis verzonnen. De belangrijkste anekdote van Rothenburg is de Meistertrunk om maar even het niveau aan te geven. De man die in 1631 burgemeester was moest in één teug een bokaal wijn van 3,25 liter leegdrinken om de stad voor verwoesting te behoeden. Dat lukte. Een mechanisch poppenspel in de Raadszaal herinnert aan het voorval met de wijnbokaal. Na een tijdje haken we af van de rondleiding en zoeken we in het park met uitzicht op de rivier een bankje in de schaduw om een broodje te eten. De krentenbollen beginnen mij inmiddels een beetje tegen te staan. Later dwalen we nog wat door de straatjes met hun schitterende patriciërshuizen, totdat we rond vijf uur weer bij de bus moeten zijn.
Rond half zeven komen we bij Bad Windsheim aan, waar we de komende twee nachten zullen verblijven. Het is even zoeken naar het hotel, waarbij Ton zich met de bus door de meest onmogelijke straatjes wringt. Uiteindelijk komt hij op het briljante idee om maar even de weg te vragen. Zo komen we tenslotte toch nog bij Hotel Reichstadt aan. We verblijven in een bijgebouw aan de overkant van de straat.
Het hotel is vrij nieuw en met een soort splitlevel verdiepingen gebouwd. De lift heeft daarom twee deuren die niet tegenover elkaar, maar haaks op elkaar staan. Dat heb ik nooit eerder gezien. Erg snel gaat het niet. Er passen krap twee mensen met koffers in en het duurt een eeuwigheid voordat de lift weer beneden is. Mijn vrouw heeft de trap al vast gepakt, terwijl ik met de koffers op de lift wacht.
We hebben nog anderhalf uur om te wandelen voordat het tijd is voor het diner. Mijn vrouw is het echter na een half uurtje al zat. Alleen wandel ik nog even verder in de richting van het station. Bad Windsheim is klein, maar wel mooi en lekker rustig. Ik ben blij dat we weer een hotel hebben dat midden in het centrum van een aardig plaatsje staat.
Het hotel is prima, maar op het eten wordt bezuinigd. Dat het driegangen menu niet zoveel voorstelt, vind ik nog niet eens zo erg. Wel vind ik het vervelend dat we niet op het vrijwel lege terras op de binnenplaats mogen zitten. We zitten weer als een stel ouden van dagen in het bejaardentehuis opeen gepakt. Na het eten wandel ik nog een uurtje door het dorp. Ik kan er geen genoeg van krijgen. Het is ook veel te mooi weer om vroeg naar bed te gaan. Voor ik ga slapen rust ik nog lekker even uit in het riante ligbad. Aan de kamers van het hotel is niets verkeerd.
We zitten al weer op de helft van onze vakantie. Jammer, want dan lijken de dagen ineens veel sneller om te gaan. Als we wakker worden schijnt de zon naar binnen. We kunnen dus weer een heerlijke dag verwachten. Gisteren zagen we op televisie dat we alle geluk van de wereld hebben, want in grote delen van Duitsland is het erg slecht weer. In de omgeving van Berlijn moesten zelfs kelders worden leeggepompt, terwijl ook in Beieren straten waren ondergelopen na stortbuien.
Na het uitgeklede Peter Langhoutontbijtje vertrekken we rond negen uur richting Wurzburg. Althans, dat was de bedoeling, want in het eerste dorpje is Ton de weg al kwijt. Een boer helpt ons in de goede richting, want na een tijdje komen we bij een provinciale weg uit, waar op een wegwijzer de stad Wurzburg staat vermeld.
Het is anderhalf uur rijden over de snelweg. Ik kan niet wakker blijven. Eenmaal in de stad, stapt direct de gids op. Het is een Nederlandse vrouw, Janine. Over de leeftijd zal ik het niet meer hebben. De bedoeling was om ons bij de oude Mainbrug af te zetten. Dan loop je zo de Altstadt in. Maar Janine vindt het een beter idee om bij het enorme Bisschoppelijk Paleis af en op te stappen. Dan kunnen we dat eerst bezoeken. Ook het Bisschoppelijk paleis is niet ongeschonden door de oorlog gekomen. Alleen een kapel is overeind gebleven. Gelukkig maar, want die was vrijwel niet te herbouwen geweest. Wat een pracht en praal! Het lijkt wel één gigantisch, uiterst complex beeldhouwwerk. Ik ben blij als de uitleg voorbij is en iedereen naar buiten loopt, voordat de volgende groep naar binnen komt. Het lukt net om een paar foto’s te maken zonder tientallen fleurig geklede toeristen erop.
We slenteren achter de groep aan naar de Altstadt, waar we de schaduw opzoeken van een paar enorme kerken, die zoals we inmiddels wel gewend zijn, in de steigers staan. Janine begint aan haar uitvoerige beschrijving van de omgeving. Elke steen heeft zijn geschiedenis, en van elke steen worden wij ook geacht die geschiedenis te kennen. Na een minuut of twintig, vind ik het welletjes. We nemen afscheid van de rest en wandelen verder. Aan de hand van een plattegrond stippel ik een route uit langs de belangrijkste bezienswaardigheden. In de namiddag willen we naar de vesting Mariënberg, die op een hoge heuvel aan de overkant van de Main staat.
Dat Wurzburg een belangrijk geloofscentrum is geweest, mag blijken. Op bijna iedere straathoek staat wel een monumentale kerk. Veel van de gebouwen hebben twee torens en twee kruisende
schepen. Ook deze kerken zijn in de oorlog grotendeels verwoest en later op zeer zorgvuldige wijze herbouwd. Elke keer staan we weer te kijken van de authentieke middeleeuwse sfeer als we even een kerk induiken om het interieur te bewonderen en bij te komen van de warmte. Het is een vermoeiend dagje. Vooral voor mijn echtgenote, die ook nog vrij slecht tegen warmte kan. En dan staat ons ook nog de klim naar de Mariënberg te wachten. Via de oude Mainbrug vol heiligenbeelden lopen we er naar toe en na even zoeken hebben we het begin gevonden van een lange trap die naar de ingang van de vesting voert.
We zijn eerder boven dan we verwacht hadden. Tot onze verbazing hoeven we geen entree te betalen. Alleen als je ook het museum wilt bezoeken, maar daarvoor hebben we geen tijd meer. Vanaf de muren genieten we van het prachtige uitzicht over Wurzburg. Op het grote plein van de vesting staat een hoge toren. Je kunt er wel naar binnen, maar er is helaas geen trap meer naar boven. We bekijken nog even de Mariënkirche, waarvan delen uit 706 dateren. Het is daarmee een van de oudste kerken van Duitsland. Dan is het weer tijd om terug te keren naar de stad. Het is wel heerlijk dat we zoveel de tijd hebben om alles te bekijken. München was de enige tegenvaller tot nu toe.
We lopen terug langs een paar kerken, die vanochtend nog niet, maar nu wel goed in de zon staan. Om vijf uur moeten we terug zijn bij het paleis, waar de bus ons weer oppikt. Dat lukt makkelijk. Mijn vrouw blijft bij wat andere mensen van de groep zitten, terwijl ik nog even de Versailleachtige tuin achter het paleis bekijk. Vooral de enorme poorten en smeedijzeren hekken maken indruk. De vegetatie is niet op zijn best in deze tijd van het jaar. Bovendien ligt de tuin nu in de schaduw. Om kwart over vijf moet ik met een holletje terug naar het plein, waar inmiddels de bus is gearriveerd.
De anderhalf uur naar Bad Windsheim breng ik weer grotendeels slapend door. Zo ben ik na aankomst voldoende uitgerust om nog even door het oude stadje te wandelen en een ijsje te kopen. Mijn vrouw gaat liever vast douchen. Na het avondeten met opnieuw aardappelkroketjes en blikgroenten, zien we op televisie de aankomst van president Bush in Berlijn. De halve stad is afgezet. Gelukkig zal hij weer vertrokken zijn als wij overmorgen in Berlijn aankomen.
Vandaag hebben we een lange rit voor de boeg. We gaan naar de voormalige DDR. Ik ben benieuwd. Gelukkig zitten we weer voorin. De rit begint weer met moeizaam gemanoeuvreer door de smalle straatjes van Bad Windsheim. Daarna is het zowat alleen nog snelweg. Erg saai. Bij weer zo’n vreselijk wegrestaurant langs de E45 bij Wehrda gaan we drie kwartier aan de kant. Even wandelen kan niet en het eten is onbetaalbaar. We zijn blij als we weer in de bus zitten en verder rijden. Bij de Kirchheimer Dreieck begint de rit naar het oosten.
De passage van het vroegere IJzeren Gordijn gaat bijna onopgemerkt. Van de versperringen is niets meer te bekennen en de omweg langs een uitstulpseltje van Oost-Duitsland is rechtgetrokken. Zo passeren we de oude grens driemaal zonder dat het opvalt. Geen wachttorens en geen prikkeldraad meer te bekennen. Wel is te zien dat de weg nog maar pas is vernieuwd en dat er langs de weg veel gebouwd wordt. Ton vertelt door de microfoon dat er een verandering in het programma komt. We overnachten niet in Leipzig, maar in de buurt van Dresden. Dat vind ik erg jammer. In Leipzig zouden we een hotel in het centrum krijgen en wat ons in Dresden staat te wachten, moeten we nog zien. Rond 1 uur arriveren we in het centrum van Erfurt. We worden afgezet op de grote Domplatz, bij de Domkerk die boven de stad uittoornt.
We kunnen twee uur lang met een gids mee, maar daar hebben wij geen zin in. We gaan meteen op pad in de richting van de Andreaskirche, waarop een reliëf uit 1370 te zien moet zijn. Ik ben meteen dolenthousiast over Erfurt. Er is veel gemoderniseerd, maar veel huizen dragen ook nog de sporen van het socialisme. Het klinkt gek, maar het ziet er op een boeiende manier armoedig uit. Niet zo voorspelbaar en klinisch als in het westen van Duitsland. Er rijden nog volop stokoude trams op enorme wielstellen, terwijl ook de ultramoderne Combino door Erfurt rijdt.
Om het reliëf met daarop de kruisiging afgebeeld te kunnen fotograferen, moet ik de kerkdeur even sluiten. Binnen zagen wij niemand, maar nu komt direct een vrouw kijken wat er aan de hand is. Als zij ziet dat wij het reliëf willen fotograferen, is het in orde. We lopen terug naar de Domplatz om de Dom en de ernaast gebouwde kerk te fotograferen. Nu staat de zon nog goed. Dan wandelen we door een van de drukke, autovrije winkelstraten naar de Fischmarkt, waar een prachtig neogotisch raadhuis staat. Fotograferen valt niet mee, want er staan allerlei lelijke palen op het toch al niet te grote pleintje. En dan zijn ook nog overal draden gespannen. Van binnen is het raadhuis nog mooier dan van buiten. Alle vertrekken zijn rijkelijk gedecoreerd. Ik kan er niet achter komen of het gebouw na de Tweede Wereldoorlog herbouwd is, maar dat zal ongetwijfeld. De belangrijkste zaal is helaas in gebruik. Een groot aantal bejaarden zit te wachten op een diavoorstelling. De drukte en de fel brandende kroonluchters maken het onmogelijk om van de raadzaal een fatsoenlijke foto te maken.
De volgende verplichte attractie is de Krämerbrücke. Dat is een winkelstraatje dat op een brug gebouwd is. Vroeger kruiste hier een belangrijke handelsroute de Gera. Vanaf het straatje merk je trouwens niet dat je de rivier oversteekt. En in de 32 piepkleine kunstnijverheidwinkeltjes is niet veel te zien. Je zou verwachten dat het hier wel druk zou zijn, op zo’n doodgewone donderdag, maar het is bijna uitgestorven. Op het pleintje bij de 600 jaar oude Agidienkirche rusten we even uit om een broodje te eten. Daarna wandelen we met een ommetje langs de zijkant van de Krämerbrücke verder naar de kerk waar Maarten Luther van 1505 tot 1511 monnik was, de Augustinerkirche. Het begint zachtjes te regenen.
Binnen in de Augustinerkirche is het stikdonker. We hebben zelden een zo sobere kerk gezien. Ik probeer buiten nog een foto te maken, maar met het donkere weer zal het bijna zwarte mergelstenen gebouw uit 1300 er niet mooi op komen te staan. Met zijn tweeën lopen we onder de veel te kleine paraplu naar het gezellige centrum van Erfurt. De Leninstrasse heet nu Johannesstrasse. Het houdt gelukkig weer op met regenen.
Het Angerplein heeft de laatste jaren een enorme metamorfose ondergaan. Het ziet er voor deze stad ongewoon modern uit. Alleen het oude postkantoor is behouden. En terecht, want het is een prachtig gebouw. Auto’s mogen hier niet rijden. Trams wel en dat zijn er vele tientallen per uur. Erfurt is echt mijn stad geworden. Geweldig. Na een tijdje moeten we even rusten. Ik zou bijna mijn vrouw vergeten, die mij niet meer kan bijhouden als ik eenmaal in een enthousiaste bui door een stad loop die ik leuk vind.
Aan de hand van het reisgidsje lopen we verder naar de Kurmainzische Statthalterei. Dat is een markant gebouw waarvan de gevel door bizarre beelden gedragen wordt. Via de Hermannplatz en het Domplein lopen we daarna via een fraai gerestaureerd stukje oude stad weer terug naar het Angerplein. We passeren nog de ruïne van de grote Barfüsserkirche, waarvan alleen het koor na de oorlog gespaard is gebleven. Maar vanwege de nogal forse entree van 4 euro, laten we deze bezienswaardigheid maar links liggen.
Het is intussen tijd om naar de Dom te gaan, als we die nog van binnen willen bekijken. 5 uur moeten we weer in de bus zitten en de tijd begint al aardig te dringen. Ik koop nog snel een ijsje dat ik nog sneller naar binnen moet werken om het op te hebben voordat we de naast de Dom gebouwde St. Severikerk in kunnen. Het altaar is prachtig en de muren zijn versierd met enorme beelden. Hoogtepunt van de tussen 1278 en 1500 gebouwde kerk is een doopvont uit 1467.
Ik maak snel wat foto’s, want we hebben nog maar een kwartiertje om de Dom te bekijken. Eerst denk ik dat de kerk gesloten is, omdat ik de enorme deuren niet open krijg. Maar dan komt een man die met behoorlijk wat kracht de vleugeldeur toch in beweging krijgt. Wij lopen achter hem aan naar binnen. Mijn vrouw schiet snel wat plaatjes en gaat dan al vast naar de bus. Ik neem de tijd. Meestal komt het niet op vijf minuten aan en de Dom is van binnen veel mooier dan ik verwacht had. Van buiten maakt het gebouw een verweerde indruk, maar binnen lijkt het wel een grote schatkamer. Het grootste deel van de kathedraal is trouwens sober. Alleen de hoofdvleugel is rijk gedecoreerd. Vooral de vijftien meter hoge gebrandschilderde ramen zijn werkelijk prachtig. Met een bezoek van tien minuten doe ik het markante monument weinig eer aan. Als je je in de details gaat verdiepen, kun je makkelijk een halve dag in de Dom doorbrengen. Om even over vijven ren ik de trappen af om als laatste bij de bus te arriveren. Met een enorme omweg rijden we Erfurt uit. Onderweg zie ik nog de vele woonkazernes uit de DDRtijd. Met vrolijke kleuren probeert men nog iets te maken van de sombere betonwoestijn. Ik neem mij plechtig voor om nog eens terug te keren naar Erfurt.
Als we na lang dwalen de stad uit zijn, komen we in een korte file terecht. Er is een ongeluk gebeurd. Een Audi staat met vermorzelde voorkant omgekeerd op de middelste rijbaan. De man zet doodgemoedereerd een gevarendriehoek voor het voertuig, terwijl zijn vrouw in shocktoestand in de auto blijft zitten. Een uurtje later zijn we getuige van nog een ongeluk. Een kop staart-botsing. Twee honderd meter verder staat een auto tegen de vangrail gedrukt. Volgens mij is er iets niet in orde met de rijstijl van de ‘Ossies’.
We passeren bekende steden als Weimar en Jena. Helaas zien we er weinig van vanaf de met geluidschermen omgeven E40. Ook Chemnitz, dat in de tijd van Honecker Karl Marx Stadt heette, blijft voor onze nieuwsgierige blikken verborgen. Mijn teleurstelling over Leipzig wordt er niet minder op als we rond acht uur het industrieterrein van Kesselsdorf oprijden. We zijn nog vijftien kilometer van Dresden verwijderd en er is geen noemenswaardig vervoer naar die prachtige stad. Als dan ook nog de hemelsluizen opengaan, beschouwen we deze avond maar als verloren. Het Astronhotel ziet er in ieder geval erg goed uit. Al om half negen kunnen we aan tafel. ’s Avonds heeft mijn vrouw hoofdpijn van de drukke dag. Ik probeer die liefdevol weg te masseren.
Gelukkig blijven we maar één nacht in Kesselsdorf. Mijn vrouw staat daarom al om half zeven de koffers in te pakken. We moeten weer naar een apart zaaltje waar een uitgekleed Peter Langhout buffet staat uitgestald. Toch is dat nog heel behoorlijk. Na drie bordjes vruchtenyoghurt hoor je mij niet meer klagen. Kwart voor negen vertrekt de bus richting Dresden.
De regen is gelukkig opgehouden, maar de straten zijn nog drijfnat. Via de provinciale weg rijden we naar het centrum van de oude stad die bij wijze van wraak in februari 1945 met de grond gelijk werd gemaakt. Van Florence aan de Elbe was na de oorlog niet veel meer over. Enkele van de prachtige gebouwencomplexen zijn echter herbouwd.
We stoppen op de Theaterplatz, waar een gids aan boord komt. De vrouw van rond de vijftig stelt zich niet voor en spreekt alleen Duits. Het is niet duidelijk wat de bedoeling is. Het zal toch niet weer alleen een rondrit met de bus worden? We rijden rond de Altstadt en dan in steeds groter wordende cirkels rond het centrum. De gids vertelt intussen over de historie van de diverse gebouwen en ruïnes waar we langs rijden. Een reusachtig, volledig uitgebrand gebouw schijnt gerenoveerd te worden om als hotel te gaan dienen. Het lijkt mij onbegonnen werk. Maar het is wel goed van de regering dat men wat er nog over is zoveel mogelijk probeert te behouden. Ik zie ook nog een tot limousine verlengde Trabant voorbij rijden.
Langs de oever van de Elbe stoppen we regelmatig om de kastelen aan de overkant te bekijken. Eindeloze verhalen, die mij niet echt kunnen boeien. Ik hoop dat er nog tijd over blijft om even door de oude stad te wandelen en wat foto’s te maken, want we moeten vandaag ook nog naar Potsdam. Op de terugweg naar de Altstadt stoppen we bij een antiek melkwinkeltje, dat gezien het aantal bussen in de straat een topattractie moet zijn. Ik kijk even door de etalageramen naar binnen, want ik heb geen zin om door de mensenmassa heen te worstelen. En met al die drukte zie ik een foto ook niet zitten. Helaas let ik even niet op en ben ik net te laat om een passerende Trabant te fotograferen. Die rare autootjes zijn intussen een zeldzaamheid geworden in de voormalige DDR.
Op de Theaterplatz mag ik even de bus uit om foto’s te maken. Een kwartier had Ton gezegd, maar als ik na een kwartier terugkom is de bus nergens meer te bekennen. Gelukkig heb ik het telefoonnummer van Ton en mijn mobieltje op zak. We spreken om half een af op de Theaterplatz. Dat vind ik prima, dan heb ik ruim een uur om foto’s te maken. Nu is het wel weer handig dat het centrum niet zo groot is.
De hoofdstad van Saksen doet met zijn zwarte mergelmuren, paleizen, smalle straatjes en rijk bewerkte luchtbrug meer aan Venetië dan aan Florence denken, vind ik. Wat moet dit vroeger een prachtige stad zijn geweest. In de DDRtijd is niet veel aan de restauratie gedaan. Daarom staan veel gebouwen nog steeds in de steigers. Een indrukwekkend bouwproject is het herstel van de Frauenkirche. Daar stond voor de oorlog een 95 meter hoge koepel op en die zijn ze nu aan het herbouwen. Het is een controversieel project, want veel inwoners van Dresden zagen in de Frauenkirche het equivalent van de Gedächtniskirche in Berlijn. Het was hún herinnering aan het leed van de Tweede Wereldoorlog.
Ik maak foto’s van de schilderingen op de wanden van de Langer Gang, van het Slot, het Cultuurpaleis en de verschillende andere monumentale gebouwen. Het is jammer dat het somber weer is. De verweerde gevels lijken nu wel zwart. De gids had uitgelegd dat het zwarte de steen beschermt tegen verdere corrosie en dat de gevels daarom niet worden gereinigd. Als ik nog eens terugkom in Dresden wil ik er een paar dagen doorbrengen om ook de prachtige kunstschatten te kunnen bekijken. De stad is namelijk een van de belangrijkste cultuurcentra ter wereld.
Voordat ik er erg in heb is het al weer half een. Ik hol terug naar de Theaterplatz, waar ik de Trabantlimousine zie. Het is een auto voor bruiloften, maar ik denk dat het bruidspaar net de kathedraal binnen is gegaan, want de vreemde auto staat geduldig te wachten. Erachter staat nog een lichtblauwe Trabant met reclame van het bedrijf dat de limousine verhuurt. Dan komt de bus aanrijden en zit Dresden erop. Jammer. Ik had ook nog wel het Japanse paleis aan de overkant van de Elbe en de Russischorthodoxe kerk willen bekijken, maar daar is geen tijd meer voor. Via wat achterbuurten rijden we de stad uit op weg naar het 200 kilometer verder gelegen Potsdam.
De weg van Dresden naar Berlijn is niet best, maar er wordt aan gewerkt. Na dertien jaar zijn de sporen van het DDRtijdperk nog lang niet uitgewist. Na een stop bij een tankstation zonder restaurant komen we rond 4 uur in Potsdam aan. Onderweg werd het weer beter en nu kijken we naar een wolkenloze hemel en een stralende zon. Terwijl we op de gids wachten hol ik een brede straat over om een grote koepelkerk te fotograferen. Misschien rijden we er straks langs, maar dat weet je nooit zeker. Ik heb in ieder geval een mooie foto gemaakt van de Nicolaikirche en van een grote obelisk die ervoor staat.
Als ik na vijf minuten terug kom bij de bus, is de gids gearriveerd. Het is een Duitse die bijzonder goed Nederlands spreekt. Er is veel te zien onderweg, maar er wordt niet gestopt. Ik zie een mooie muurschildering met socialistische propaganda. Goed dat dat bewaard is gebleven. Het is toch een stukje geschiedenis. We rijden verder door de Hollandse en Russische wijken. In de Russische wijk stoppen we gelukkig even. Ik had een halve kilometer terug een prachtig bewerkt houten huisje gezien. Het wordt rennen om er even een foto van te maken en dat valt niet mee, want het is behoorlijk warm geworden.
Via de Verboden Stad, waar tot 1989 de Russische Geheime Dienst zat, rijden we naar het Sanssouci-park. Daar rijden we een rondje om wat gebouwen in de periferie te bekijken, waarna we op de grote parkeerplaats de bus uit mogen. De eerste attractie is een Hollandse molen. Niet geweldig, maar wel vrij bijzonder in dit deel van Europa. Hoogtepunt van het park is de in 1744 gebouwde orangerie, bovenop een kunstmatige heuvel met terrassen waarop wijndruiven worden geteeld. Naast de orangerie staan pergola’s waarop wijnranken groeien. We dalen de trappen af naar een grote fontein waaromheen beelden staan. Het is net Italië, vooral omdat het nu ook van dat mooie weer is. Helaas is ook voor Sanssouci te weinig tijd ingepland. Er is geen gelegenheid om de marmeren interieurs van de paleizen te bewonderen en ook de rijke kunstverzameling zal op een volgend bezoek moeten wachten. Maar ja, dat weten we intussen. We mogen overal even aan snuffelen, ter voorbereiding van een volgend en langer bezoek aan Duitsland met de eigen auto. We kijken nog even bij het grote Neues Palais dat nog in een vroege fase van herstel verkeert. Het hoofdgebouw begint er aardig op te lijken, maar de tuin is nog een rommeltje. Dat moet ooit weer een Versaillaanse schoonheid krijgen. Een Griekse zuilengalerij aan de overkant van de tuin is nog zo bouwvallig dat er voor de veiligheid hekken omheen staan. We kregen voor deze attractie tien minuten, dus we moeten met een holletje weer terug naar de bus.
Het is een kort stukje naar Brandenburg, waar we de komende twee nachten zullen verblijven. Dit is gelukkig weer een leuke stad, al ziet het meeste er bijzonder vervallen uit. Aan een groot deel van de stad is sinds de oorlog geen onderhoud meer gepleegd en veel gebouwen zitten nog vol kogelgaten. Het Sorat-hotel ligt in het hartje van de stad. Daar ben ik wel blij om. Mijn echtgenote is minder blij, want men is net bezig met de opbouw van een kermis op het pleintje voor het hotel. Zij is bang dat zij de komende twee nachten geen oog dicht zal kunnen doen.
Voor het hotel staat nog een andere Peter Langhoutbus. Het is een groep die vandaag is vertrokken en op weg is naar Polen. Dat lijkt mij ook nog wel eens leuk, maar dan niet met de bus. We krijgen de sleutel en weten met veel moeite de kamer te vinden. Die ligt ergens ver achter in het complex. Dus wel op een behoorlijke afstand van de kermis, zodat we van het lawaai op straat niet al te veel last zullen hebben. Voor het eten maak ik nog een wandeling door de vervallen wijken van Brandenburg. Er heerst nog een echte DDRsfeer met stille, sombere straten en heel weinig auto’s.
De maaltijd stelt weinig voor. De schnitzel is wel aardig, maar de aardappelpuree, blikgroenten, het halve kopje soep en het halve glaasje dode cola zijn van een on-Duitse kwaliteit. Na het eten gaat mijn vrouw met hoofdpijn naar bed. Het is een te drukke dag voor haar geweest. Ik heb er nog steeds niet genoeg van. Ik vind het geweldig om in zo’n oude, historische stad als Brandenburg te komen. Tot het donker wordt blijf ik zwerven door de verlaten straten. Als ik terug kom bij het hotel, is men nog steeds bezig met de opbouw van de kermis.
Vandaag is het de laatste hele dag in Duitsland. We gaan naar Berlijn. Het ontbijt in het Sorat Hotel is beter dan het diner. We nemen het er maar goed van, dan kunnen we de lunch overslaan. Het is even lopen naar de bus, want die kan niet meer op het pleintje komen. Hij staat nu aan een brede weg door een park, waar ik gisterenavond nog langs gelopen ben. Het is nu wel wat drukker op straat.
Via de provinciale weg rijden we naar Berlijn. Flits. De bus staat op de foto. Volgens Ton heeft de flitspaal de bus voor een vrachtwagen aangezien en die mogen maar 60 over deze weg. Hij verwacht geen bekeuring. Na een stukje snelweg rijden we het oostelijke deel van Berlijn in. We moeten op de Alexanderplatz de gids oppikken. In de verte zie ik de televisietoren al, die over heel Berlijn uitkijkt. De chauffeur weet kennelijk niet dat dankzij die televisietoren de Alexanderplatz altijd makkelijk te vinden is, want we rijden helemaal de verkeerde kant op. Ik wil er wel wat van zeggen, maar vandaag zitten we bijna achterin de bus. Ton moet het maar aan een voorbijganger vragen. Elke Berlijner weet waar de Alexanderplatz is.
We passeren oude, vervallen wijken. Stukken stad, die nog volop in wederopbouw zijn. Ook rijden we langs een restant van de Berlijnse muur, dat nog helemaal onder de graffiti gespoten is. Eindelijk stopt de chauffeur om de weg te vragen. Nu rijden we in de goede richting. Via een brede boulevard met aan weerszijden grote Oostblokflats komen we op de Alexanderplatz aan. Nu nog even de gids zien te vinden.
De gids is snel gevonden. Geen vrouw van rond de vijftig ditmaal, maar een man van die leeftijd. Reinhout. Met een duidelijke homostem begint hij in perfect Nederlands te vertellen over de omgeving van de Alexanderplatz. Het is een uitstekende gids. Hij vertelt over de geschiedenis van het Oost-Duitse parlementsgebouw dat op het moment afgebroken wordt. Het is een verschrikkelijk lelijk gebouw, met bruin glas rondom, dat als een puist tussen het restant van de historische binnenstad van Berlijn is neergezet. De Duitsers hebben gelijk dat ze het afbreken, ook al heeft het geschiedkundige waarde. Als het asbest eruit is, gaat het parlementsgebouw tegen de vlakte en komt er een gebouw dat er aan de buitenkant uitziet als het keizerlijk paleis dat er ooit heeft gestaan. We stoppen voor een onopvallend kantoorgebouw, waar de DDR leiders vroeger buitenlandse staatshoofden ontvingen. Het ziet er van buiten niet interessant uit. Je zou er zo voorbij lopen. Maar binnen is het pure geschiedenis. Op enorme gebrandschilderde ramen zijn de zegenen van het socialisme te zien. En daarvoor hangen vaandels waarop onder ander Gadaffi geëerd wordt, omdat die het eerste staatshoofd was dat zich officieel positief heeft uitgesproken voor hereniging van Oost en WestDuitsland. Ik vind het allemaal een beetje bizar. Mijn vrouw moet naar het toilet en ik wijs haar naar een gang, waar ongetwijfeld toiletten zullen zijn. Maar daarvoor moet ze toestemming vragen aan een hele strenge DDR portier, die het maar niets vindt, al die vreemdelingen in zijn gebouw. Buiten regent het. Dus het komt wel mooi uit dat we nu een binnenattractie hebben gevonden.
Het is weer droog als we onze tocht voortzetten. We rijden over de Unter den Linden naar de Brandenburgertor die net als veel andere gebouwen in de steigers staat. De oude poort is echter zodanig ingepakt, dat we er helemaal niets van zien. De Reichstag is echter vrij van steigers. Een unicum. Er staat een enorme rij mensen voor de deur voor de rondleiding. Volgens de gids is de wachttijd gemiddeld 1,5 uur. En dan is de mooie glazen uitkijkkoepel op het dak ook nog gesloten. Om veiligheidsredenen. Dan had ik in 1998 meer geluk. Toen kon ik zo naar binnen en waren de koepel en het dak geopend.
We rijden verder door het voormalige OostBerlijn, waar alles is vervangen door nieuwbouw.
Boven bijna alle straten hangen in opvallende kleuren als roze geschilderde pijpleidingen. Dat heeft met de afvoer van grondwater te maken, zegt de gids. Ik hoop niet dat die buizen er altijd zullen moeten blijven, want een erg fraai gezicht is het niet. We rijden ook langs de nu voltooide Potsdammerplatz, die in 1998 nog een enorme bouwput was. Het is een indrukwekkend complex van ultramoderne gebouwen. Het Manhattan van Berlijn.
Er zijn ook nog enkele straten over die er net zo uitzien als voor de Tweede Wereldoorlog. Zo is ongeveer te zien wat een geweldige grandeur de stad vroeger gehad moet hebben. De oude buurt schijnt ook ’s avonds het enige gezellige deel van Berlijn te zijn. Dat heb ik al eens ervaren. Het nachtleven van deze wereldstad is niet makkelijk te ontdekken. Zelfs de bekende Kurfürstendamm is ’s avonds zo goed als uitgestorven.
Als laatste bezoeken we een museum over de geschiedenis van de Berlijnse muur. Naast het museum is nog een klein stukje van de muur te zien. Nu lachen we erom, maar in het museum is te zien hoe zwaar de Berlijners tientallen jaren geleden hebben onder het bouwwerk. Gezinnen werden verscheurd en duizenden huizen moesten wijken voor de gril van de Sovjet-leiders. Zelfs in de jaren zeventig werd nog een mooie kerk met drie torens opgeblazen, omdat die te dicht bij de muur stond.
Bij Bahnhof Zoo mogen we de bus uit om op eigen gelegenheid nog een paar uurtjes rond te zwerven. De oudjes gaan de tijd op een terrasje doden, maar mijn vrouw en ik willen onze tijd goed gebruiken om nog zoveel mogelijk van Berlijn te zien. Eerst maar even naar de KaiserWilhelm Gedächtniskirche, want daar zijn we nu toch vlakbij. Het gebouw geeft een indruk hoe enorm de verwoestingen in Berlijn zijn geweest tijdens de oorlog. Van de eind negentiende eeuw gebouwde kerk is alleen de 63 meter hoge westelijke toren gespaard. En die is mooi. Vooral van binnen. Naast de kerk staat een achthoekige toren, die als nieuwe kerk moet dienen.
Met de metro gaan we naar het deel van de Berlijnse muur dat we vanuit de bus al hadden gezien. Het is makkelijk te vinden al moeten we nog een behoorlijk stuk lopen vanaf het station. Het is intussen flink warm geworden. De zon staat te stralen aan een bijna wolkenloze hemel. De volgende attractie is de Alexanderplatz. Ik stel voor om van daar via de Dom naar de Unter den Linden te lopen, omdat je dan de mooiste monumenten van de stad passeert. Mijn echtgenote vindt het best, zolang we maar niet in de televisietoren hoeven.
We maken wat foto’s bij de Dom en het operagebouw en lopen dan via de Unter den Linden naar de Französische Kirche en de Deutsche Kirche op de Gendarmenmarkt. Ik wijs mijn vrouw waar het hotel is waar ik in 1998 gelogeerd heb. Vlakbij de Gendarmen-markt stappen we op de metro om terug te rijden naar het westelijke deel van Berlijn. Dat lukt nog net, want ons kaartje was twee uur geldig. Het is half vier als we uitstappen in de bijzonder drukke winkelstraat die overgaat in de Kurfürstendamm. Van H&M zijn op dit korte stukje wel vier winkels. Er zijn bijna alleen modewarenhuizen in deze buurt. Ik vind er niet veel aan.
Als we langs Bahnhof Zoo lopen, vindt mijn vrouw het al bijna tijd om terug te gaan naar de plaats waar we op de bus moeten. Ik zeg dat we nog bijna anderhalf uur hebben en dat we best nog meer kunnen bekijken. Mijn echtgenote begint steeds erger te zeuren, dus na twintig minuten keren we maar terug. Boos breng ik haar naar de bushalte, waar ze van mij veertig minuten mag blijven wachten, terwijl ik nog de winkelstraat doorslenter. De winkels interesseren me dan wel niet, maar ik vind het gewoon leuk om naar de mensen te kijken en de gezelligheid te beleven. Morgen moeten we nog de hele dag in de bus zitten.
Boos loop ik terug naar de bushalte, waar we nog twintig minuten moeten wachten. Iedereen blijkt op tijd te zijn, zodat we meteen kunnen vertrekken. Via de Kurfürstendamm rijden we de stad uit naar de snelweg. Weer terug bij het hotel, zien we dat de kermis klaar is. Dat wordt feest vanavond. Mijn vrouw is doodmoe, maar ik ga toch nog even wandelen. Met de tram rijd ik naar het station van Brandenburg, om vandaar terug te wandelen naar de Altstadt. Ik trakteer mijzelf maar op een lekker ijsje om van mijn chagrijnige bui af te komen. Dat werkt altijd. Net op tijd ben ik terug in het hotel voor het dagelijkse Peter Langhoutdinertje. Een stukje droge kipfilet, rijst met praktisch geen saus en blikgroenten ditmaal. Het toetje geloof ik wel voor vandaag.
Ik ga naar de kermis, waar het feest inmiddels is begonnen. Het schijnt te draaien om een sierfontein die vanavond officieel in gebruik gesteld wordt. Wat een gedoe. Daar krijg je in Nederland de mensen de deur niet mee uit, maar hier in Brandenburg hebben de mensen nu eenmaal weinig anders. Ik vind het erg gezellig. De hele stad komt naar het pleintje, lijkt het wel. Op verschillende plaatsen treden bandjes op. Er is een rommelmarkt en er zijn natuurlijk wat kermisattracties. Ik vind het ontroerend om te zien hoe blij die Brandenburgers zijn met hun fonteintje. Het wordt laat vanavond.
We moeten extra vroeg op, want de bus mag volgens Ton maar tot acht uur voor het hotel staan. Daarna moet hij weg zijn vanwege de kermis. Om zeven uur zitten we al aan het overvloedige ontbijt. Net als gisteren proppen we ons vol om de dag zonder lunch door te kunnen. Want lunchen in zo’n Duits wegrestaurant is niet echt een feest en het diner in Eindhoven vanavond zal wel een latertje worden.
Langzaam rijden we door de straten van Brandenburg, die ik door mijn lange avondwandelingen wel ben leren kennen. Nog even brand ik de oude gebouwen op mijn netvlies, voordat we aan de eindeloze rit over de doodsaaie snelweg beginnen.
Even buiten Brandenburg rijden we de voormalige Koridor op. Dit was de weg die WestBerlijn tot 1989 met West-Duitsland verbond. Het prikkeldraad is inmiddels verwijderd, maar aan het begin van de weg staan nog wel de wachttorens en het douanekantoor. Nostalgie denk ik.
We zitten vandaag in het midden van de bus, naast de wc. En dat is te ruiken ook. Ton heeft het chemisch toilet geen van de tien dagen aangeraakt. Niettemin maken er nog steeds mensen gebruik van. Wat een stank. We kunnen helaas niet ergens anders gaan zitten, of het moet helemaal achterin zijn. Ik baal ervan dat we zo vroeg vertrokken zijn. Het is duidelijk dat Ton het zat is. Hij wil naar huis. Nu ziet het er naar uit dat we al rond het middaguur terug zijn in Eindhoven, waar we ons dan uren lang in restaurant De Tongelreep moeten zien te vermaken. Dat is niet echt een geweldig vooruitzicht.
De rit is ook niets aan. De hele tijd kijken we tegen dikke rijen bomen en geluidsschermen aan. Na twee uur rijden stoppen we even bij een benzinestation, waar we de benen kunnen strekken, maar waar verder niets te doen is. Ik ga maar wat euromuntjes ruilen om wat buitenlandse muntjes te krijgen voor mijn verzameling. Het meisje achter de kassa neemt er rustig de tijd voor. Ik krijg een handvol munten, met onder andere centen uit Spanje en Oostenrijk. De tweede stop is leuker. We staan nu bij een groot wegrestaurant, dicht bij een dorpje. Er staat ook een bus met allemaal kinderen in balletpakjes. Heel grappig.
Wij gaan een stukje wandelen naar het dorpje. Er staan prachtige huizen, maar overal hoor je het geraas van de snelweg. De bomen houden maar weinig van het geluid tegen. We dwalen wat rond tot het langzaam maar zeker tijd wordt om terug te gaan naar de bus. We nemen nog een ijsje en kijken naar de balletmeisjes die zich intussen hebben omgekleed en een beetje rond de bus lopen te vervelen. Op het moment dat wij vertrekken moeten de meisjes aantreden voor het appél. Echt Duits.
Ik ben blij dat we lang gepauzeerd hebben. Dan hoeven we straks niet zo lang in Eindhoven te wachten. Even voorbij de grens stoppen we bij een benzinestation. Ton gaat afrekenen met de passagiers die koffie en frisdrank in de bus hebben gekocht. Ze hebben bijna alles netjes aangestreept op het lijstje. Er is een klein verschil, maar dat laat de chauffeur maar zitten. We rijden verder langs Venlo en komen tenslotte om vier uur als eerste bus aan bij de Tongelreep. Dat had ik wel verwacht. De bus komt bijna de parkeerplaats niet op, omdat die vol staat met auto’s van bezoekers aan een vlooienmarkt in de buurt. De vlooienmarkt is inmiddels afgelopen, maar het bezoek is nog niet vertrokken. De bussen werden pas na vieren verwacht. We zijn blij als we kunnen uitstappen en van de wc-stank verlost zijn. We hebben in totaal 3400 kilometer afgelegd met deze bus.
Na anderhalf uur vervelen wordt eindelijk de tomatensoep opgediend. Als ik met de auto naar Eindhoven was gekomen, waren we nu al thuis geweest. Het laatste Peter Langhoutdiner smaakt niet slecht, ondanks de beroerde ambiance van de Tongelreep. Kwart over zeven hebben we de kip met aardappelpuree en blikgroenten op en kunnen we vertrekken. Met een splinternieuwe bus rijden we met een slakkengangetje naar Haarlem terug. Omdat de bus zo nieuw is, mag de chauffeur er niet harder dan tachtig mee. Dat hebben wij weer. Ik ben blij als we rond kwart voor tien eindelijk het busstation van de Haarlemse Waarderpolder oprijden en pa zien staan, die ons komt ophalen. De tien dagen Duitsland zitten erop. Ik ben blij dat we het hebben meegemaakt, want na één seizoen heeft Peter Langhout deze interessante rondreis al weer uit het programma geschrapt.