Cuba

Cuba: het land van Fidel Castro, revolutie, oude Amerikaanse auto’s, Hemmingway, sigaren en vooral muziek. Van 6 maart tot en met 29 maart 1998 had ik het genoegen om mijn tijd op dit heerlijke eiland in de Caribische Zee door te brengen. Omdat ik mij had laten wijsmaken dat het onmogelijk was om alleen door het land te reizen, had ik een rondreis geboekt met aansluitend 16 dagen om er zelf op uit te trekken. De rondreis was leuk, maar was achteraf niet nodig geweest. Trekken door Cuba is niet eenvoudig, maar ook niet onmogelijk. Met dollars en vooral geduld kom je overal waar je wezen wilt.
Het leukste van Cuba vond ik de ‘jaren 50 sfeer’. Niet alleen de met enorme vleugels uitgeruste Amerikaanse auto’s deden aan de tijd van Rocking Billy denken, ook het straatleven had nog de ouderwetse gezelligheid van vijftig jaar geleden. ’s Avonds komt Cuba helemaal tot leven, als in de Casas de las Trovas en op de binnenhoven van de vervallen gebouwen de muziek begint.
Muziek met een mengeling van Latijnse en Afrikaanse klanken, in beeld gebracht met exotisch dans. De muziek is een troost voor de bittere armoede in het economisch geruïneerde land, dat al veertig jaar zwicht onder wanbestuur en een handelsembargo.
Wie de moeite neemt wat Spaans te leren, geduld en begrip kan opbrengen voor een bevolking die het zeer moeilijk heeft en wie flink gespaard heeft (want goedkoop is Cuba bepaald niet) zal er de tijd van zijn leven meemaken. De vlucht er naar toe is voor rond de 800 euro te regelen en op het eiland zelf is het nodige te besparen door zoveel mogelijk gebruik te maken van de diensten die de bevolking levert, zoals overnachten in een casa particular en eten bij de plaatselijke paladar. Het levert de mensen een aardig centje op en de hartelijkheid en warmte wordt nog niet door het beste hotel geëvenaard.

Proloog

Als liefhebber van de jaren 50 – hoewel ik die niet heb meegemaakt – is Cuba een voor de hand liggende bestemming. Na mij georiënteerd te hebben besloot ik voor een verzorgde rondreis te kiezen met een uitgestelde terugreis, zodat ik ook nog op eigen gelegenheid kon rondreizen. Dat was praktisch even duur als een los vliegretour. Zo vloog ik dus op 6 maart 1998 een nieuw avontuur tegemoet. De eerste week ging het per bus met een noodgang langs de belangrijkste plaatsen. Overal even rondkijken en dan weer een paar uur rijden. Het was wel gezellig, maar ik was toch blij toen ik zeven dagen later, op vrijdag de 13de, in Camagüey afscheid kon nemen van de groep om er verder alleen op uit te trekken. Er traken natuurlijk al meteen problemen op, toen de trein naar Santiago maar niet kwam opdagen en niemand wist wanneer die zou komen. Maar uiteindelijk kwam ik toch elke keer waar ik zijn wilde en vormde ook het vinden van accommodatie geen probleem, dankzij de hulpvaardigheid van de uiterst vriendelijke bevolking. Toch was ik wel een beetje opgelucht toen ik uiteindelijk op tijd het vliegveld voor de terugreis bereikte. Ik kon terug kijken op een fantastische reis. Een reis over de Atlantische Oceaan en een reis veertig jaar terug in de tijd.

Vrijdag, 6 maart 1998

Mijn reis naar Cuba begint op Schiphol in de Boeing 767 ‘Koningin Beatrix’ van Martinair. Omdat ik gehoord had dat reizen in Cuba heel moeilijk is door gebrek aan vervoer, heb ik een rondreis geboekt met een verlenging om ook nog op eigen houtje het land te kunnen verkennen. Eerst ga ik met een bus acht dagen geheel verzorgd langs de highlights van het land en daarna heb ik nog zestien dagen om mijn eigen plan te trekken. Vanaf mijn plaats 30a, net achter de vleugel, zie ik dat er een dichte bewolking hangt tot halverwege de Atlantische Oceaan. Tot aan Canada wordt de bewolking wat lichter en boven het vaste land klaart het eindelijk een beetje op. Er ligt flink wat sneeuw in de diepte en voor de Canadese kust drijven grote ijsvelden. De stewardess komt langs met kipfilet, aardappels, prei en een broodje selderie. De verzorging aan boord is lekker nog van ouderwetse Martinair-kwaliteit. Zo’n vijfenhalf uur na het vertrek bereiken we de grens met de Verenigde Staten. Nog altijd is het landschap ondergesneeuwd. Ik probeer wat te lezen, want ik heb weinig zin om met mijn buurman te kletsen.
We vliegen over New York, meldt de captain, maar door de bewolking zie ik er weinig van. Jammer. Nog een paar uur later naderen we de Bahama’s. De wolken zijn nu verdwenen en het doffe grauw van de oceaan maakt plaats voor een prachtig smaragdgroen met helder blauw langs de witte zandstranden. Het vliegtuig begint langzaam aan de daling, terwijl in de verte Cuba in zicht komt. Het is een totaal ander landschap dan dat van de VS. Erg groen, bijna geen wegen en al helemaal geen auto’s. We landen op de enige landingsbaan van het Frans Pais-vliegveld van Holguín. Op het platform wordt een trap naar het toestel gereden, zodat we er eindelijk uit kunnen.

Buiten is het zeer heet. De lucht is helder blauw en het is praktisch windstil. De overgang van de late winter van Nederland naar de vroege zomer van Cuba valt niet mee. Over het platform sjok ik naar het moderne luchthavengebouw waar het lange wachten op de douane begint. Alles wordt grondig gecontroleerd en er wordt driftig gestempeld. Welk hotel, blaft de beambte nadat hij uitgebreid mijn landingskaart bestudeerd heeft. Ik zou het niet weten. Het moet op de routebeschrijving staan die ik van Neckermann heb ontvangen, maar daarop kan ik geen hotelnaam ontdekken. De beambte vindt het uiteindelijk wel goed en wijst mij door naar de uitgang. De bagage is nog altijd niet gearriveerd, dus ga ik eerst maar buiten op zoek naar een bord of een kiosk van Neckermann, maar ik vind niets.

Wel staan op de parkeerplaats twee prachtige klassieke Amerikaanse auto’s, waar ik direct een foto van maak. Ik loop weer naar binnen op zoek naar mijn rugzak en de rest van het reisgezelschap. In de hal tref ik een jonge dame aan die bevestigend antwoordt als ik haar vraag of zij van Neckermann is. Enkele andere toeristen weten haar ook te vinden en als het groepje compleet is, kunnen we naar de bus. Dat is een oud geval met zeer zachte stoelen. De reisleidster neemt voorin plaats en stelt zich voor als Diana. Het is een lief kind, heel vrolijk en gelukkig spreekt zij zeer goed Engels. De bus draait een landweg in waar we alleen enkele fietsers en een paar ezelkarren tegenkomen. We zijn veertig jaar terug in de tijd.
In de bus blijk ik zo ongeveer de enige alleen reizende. De rest van het gezelschap bestaat uit stelletjes. Het maakt mij niet uit, want ik weet mij altijd prima alleen te vermaken en ik heb eigenlijk alleen voor deze luie manier van reizen gekozen uit angst anders nergens te komen in dit land waar het aan van alles ontbreekt, tenzij je heel veel dollars op tafel legt.
Buiten Holguín staat het nogal afgelegen hotel, waar we de eerste nacht van de rondreis zullen doorbrengen. Het is geen al te best hotel. Er is geen water. Wel een zwembad, maar dat is te vies om in te zwemmen. Dit belooft niet veel goeds. De kamer is wel mooi, maar ik had na de lange vlucht en de hete busreis graag even een frisse douche genomen. Ik kan even rusten, want we zouden pas half zeven bijeen komen voor een introductiepraatje. Op de parkeerplaats staan weer prachtige klassieke Amerikanen, die zo te zien goed onderhouden worden.
Het diner valt niet tegen. Rijst, bonen en vrij veel vlees. Best lekker allemaal. Beneden begint intussen een soort disco. Er dansen alleen Cubanen, maar na een tijdje besluit ik mee te doen. Met zulke aanstekelijke muziek kan je niet stil blijven zitten. Om 9 uur houd ik het voor gezien. In Nederland is het intussen 3 uur ’s nachts. De muziek gaat vrolijk door. Toch lukt het mij ondanks het geschetter uit de luidsprekers in slaap te vallen.

Zaterdag, 7 maart 1998

Rond 2 uur word ik al weer wakker. Door de Jet Lag denk ik. In Nederland is het nu 8 uur ’s morgens. Er is weer water, geen warm water, maar in ieder geval kan ik nu douchen en mijn haar wassen. Het ontbijt bestaat uit stukjes brood, een soort omelet en uitstekende koffie. Met de bus rijden we naar het centrum van Holguín. Het is een mooie stad met veel kleine parkjes en smalle straatjes vol Amerikaanse auto’s uit de jaren vijftig. Het is precies zoals ik mij Cuba had voorgesteld. Er rijden bussen, maar ook open vrachtwagens die als bus dienst doen. De mensen gaan over het algemeen goed gekleed, wat je in zo’n arm land niet zou verwachten. De muren van de huizen zijn in vrolijke pasteltinten gesausd en op veel van de kale houten deuren zijn posters geplakt met een afbeelding van de paus.
Holguín is met 225.000 inwoners de op drie na grootste stad van Cuba. De eerste attractie is de Kruisberg, die officieel La Loma de la Cruz heet. De top is te bereiken met de bus of via een trap met 468 treden. Ik besluit de sportieve route te kiezen. Dat valt niet mee, want hoewel het pas half tien is, begint het al behoorlijk warm te worden. Boven op de top staat een ruim tweehonderd jaar oud kruis, maar interessanter vind ik het prachtige uitzicht vanaf de hoge heuvel. Veel tijd heb ik helaas niet, want we hebben maar een half uur om Holguín te bekijken. Dus na een paar foto’s van het uitzicht gemaakt te hebben, ren ik weer naar beneden voor een korte verkenningstocht door de stad.

Ik zie onder andere een uit Lada’s samengestelde limousine. De straten zijn smal en kaarsrecht. Er staan veel monumentale gebouwen, maar bijna geen enkel gebouw is hoger dan één verdieping. Alleen de fraaie Catedral de San Isidoro steekt overal hoog boven uit. Dan is het tijd om te sprinten. Ik ben net op tijd terug bij de bus, die op het centrale plein Calixto Garcia staat te wachten. Dat is zo’n typisch Spaans pleintje met rondom statige gebouwen en een plantsoentje in het midden rond een groot standbeeld van generaal Calixto Garcia, die de stad tweemaal bevrijd heeft. Eerst joeg hij in 1872 de Spanjaarden de stad uit, waarna hij in 1898 hij de Amerikanen het veld liet ruimen.

We rijden via de bijna verlaten Carretera Central naar het plaatsje Bayamo, dat 70 kilometer van Holguín ligt. Daar mogen we maar twintig minuten rondkijken, dus verder dan het centrale plein Plaza del Himno National komen we niet. Behalve een aardige kerk en het gebruikelijke monument van een volksheld, is er weinig te zien in het stadje. We rijden verder naar Santiago de Cuba en stoppen onderweg voor de lunch in een uit bamboe opgetrokken restaurant. Na een dikke kip verslonden te hebben, tuffen we verder. Aan het einde van de middag komen we bij Santiago de Cuba aan. Een prachtige en zeer gezellige stad met een geslaagde mix van Spaanse, Afrikaanse en Caribische invloeden. Elke keer hoop ik dat de bus zal stoppen en we het hotel hebben bereikt, maar helaas rijden we via de brede boulevards de stad al weer uit. Op één van de heuvels rond de stad staat motel Versailles, waar we de tweede nacht doorbrengen. Ik baal ervan, want van hieruit is de stad bijna niet lopend te bereiken. Er staan wel taxi’s voor het hotel, maar ik vind het wat omslachtig om op die manier de stad in te gaan. Ik besluit maar tot acht uur op mijn kamer te blijven. Een mooie kamer met een warme douche. Erg rustig is het niet. De airco’s maken veel lawaai en de hele avond blaffen er honden rond het bungalowcomplex.
Het eten in het schemerachtige restaurant is niet veel bijzonders. Het kost moeite iets acceptabels te kiezen uit het magere buffet. We hebben maar een uurtje, want om negen uur vertrekken we met de bus naar Club Tropicana Santiago voor een cabaretavond. Deze tent is alleen voor toeristen bedoeld die niet van de echte Cubaanse cultuur houden. Omdat een bezoek een vast ingrediënt is van elk toeristisch arrangement, staat de parkeerplaats vol toerbussen. Er is een zaal voor toeristen die 30 dollar betalen en een zaal voor Cubanen die voor 50 pesos naar binnen mogen. Het zaaltje voor de Cubanen is zo goed als leeg. Ik vind ook weinig aan de low budget Las Vegas-immitatie en het kost mij grote moeite om niet in slaap te vallen. Ik ben nog niet aan het tijdverschil gewend. Ditmaal is dat wel een voordeel, want anders had ik niet door het geblaf van de honden en gereutel van de airco in slaap kunnen vallen.

Zondag, 8 maart 1998

Na het ontbijtbuffet rijden we met de bus naar het centrum van Santiago de Cuba. Eerst bezoeken we het revolutiemuseum, waar de kogelgaten van de revolutie nog in zitten. Tenminste, dat lijkt zo. Na de aanval door Fidel Castro en consorten op 26 juli 1953, nam de regering de toenmalige Moncada-kazerne weer over en werden de kogelgaten hersteld. Nadat Castro definitief de baas over het land was geworden, liet hij nieuwe kogelgaten in de gevels maken.

De collectie stelt niet veel voor. Het zijn voornamelijk foto’s van de Cubaanse vrijheidsgeschiedenis. Het enige aardige vind ik een schaalmodel van de kazerne, waarop met miniatuursoldaatjes de aanval wordt uitgebeeld.
De tweede attractie van vandaag is het kerkhof Cementerio Santa Ifigenia met enkele reusachtige grafmonumenten. Het heeft weinig communistisch. We lopen onder andere langs het graf van Bacardi, de grondlegger van het rum-imperium. Ook Cuba’s nationale held José Martí rust hier. Wel communistisch is dat een deel van de begraafplaats gereserveerd is voor de Revolutión airen die tijdens de aanval op de Moncada-kazerna zijn omgekomen.

Na de verplichte bezienswaardigheden mogen we nog even drie kwartier de stad verkennen. Veel te kort natuurlijk, want voor Santiago de Cuba heb je minstens een week nodig. Ik word achtervolgd door vervelende jongens die op dollars uit zijn. Ik heb niets aan Cubaanse pesos, dus ik probeer ze steeds weer af te poeieren.
Vroeger reden trams door Santiago de Cuba. In veel straten liggen nog sporen, maar trams zijn er niet meer. Oude auto’s wel. Volop zelfs. Vanaf een dakterras maak ik nog snel wat uitzichtfoto’s, maar dan is het weer de hoogste tijd om naar de bus te draven. We rijden naar Castillo De San Petro del Morro voor de lunch. Dit kasteel is tegen de bergwand aangebouwd en vanaf het terras hebben we een prachtig uitzicht over de Caribische Zee. Na de lunch rijden we door de bergen naar het Baconao-park dat bekend staat om zijn standbeelden van dinosauriërs.

De oerbeesten zijn op ware grootte uitgebeeld te midden van een vegetatie die heel goed voor prehistorisch kan doorgaan. Er zijn ook mammoeten nagebouwd en oermensen. Het wordt weer rennen om foto’s te maken, want na een half uur vertrekt de bus alweer.

We rijden naar een automobielmuseum. Daar blijkt weinig aan te zijn. Meer dan een roestige verzameling wrakken is het niet. De collectie miniatuurauto’s is wel leuk om te zien. Maar voor een echt automuseum moet je in Cuba gewoon op straat zijn. Buiten bewonder ik de reusachtige bougainvilles die tegen de gevel van het museum groeien.
We rijden verder naar het vliegveld van Santiago de Cuba, van waar we met een vliegtuig naar Havana zullen vertrekken. Het is bijna 800 kilometer naar Havana en dat is met de bus niet in een redelijke tijd af te leggen. Om vijf uur komen we aan bij de moderne, maar wel heel lelijke luchthaven van de stad. Het is een binnenlandse vlucht, dus de formaliteiten vallen dit keer mee. Terwijl we op het vertrek wachten probeer ik via reisleidster Diana wat meer te weten te komen over het leven in Cuba. Maar ze is goed geïnstrueerd en laat weinig los. Ik kom wel te weten dat ze in een arme wijk in de buurt van Havana woont in een betonnen woondoos, waarvan er talloze zijn gebouwd om mensen uit de krottenwijken te halen. Diana is nog nooit in het buitenland geweest en komt niet in aanmerking voor een paspoort. Hoewel ze heel vrolijk overkomt geeft ze toe niet gelukkig te zijn. Ze heeft Spaanse letterkunde gestudeerd, maar kan daar geen werk in vinden. En van het loon als reisleidster is nauwelijks rond te komen, maar dat geldt voor de meeste beroepen in Cuba.

Het vliegtuig van Aerocaribbean op het nauwelijks verlichte platform ziet er weinig vertrouwenwekkend uit. Het is een stokoude Iljoetsin 18 die de Russen waarschijnlijk niet meer durfden te gebruiken. Het interieur is volledig versleten. De rugleuningen zitten overwegend los en klapperen heen en weer als de vier oude motoren rokend beginnen te brullen. Met moeite weet het toestel los te komen en pas na een minuut of tien komen we boven het wolkendek uit. Het lawaai is oorverdovend. De stewardessen zijn het comfort gewend en delen onverstoorbaar snoepjes uit, zodat de passagiers de druk uit hun oren kunnen sabbelen. Onderweg breekt een hels onweer los. Het vliegtuig danst op de luchtzakken en veel passagiers haasten zich naar het toilet om over te geven. Dat gaat zo door tot en met de landing tweeënhalf uur later. Zelfs tijdens het taxiën staat er nog een rij voor het toilet. Buiten is het intussen pikkedonker geworden. Een bus rijdt ons over het donkere platform naar het luchthavengebouw, waaraan sinds het vertrek van de Amerikanen niet veel onderhoud meer is gepleegd.
De meeste leden van het reisgezelschap zijn nog steeds misselijk van de vlucht als we met een vrij nieuwe bus naar hotel El Comodoro in Havana rijden. Dat is al weer heel ver van het stadscentrum. Een kilometer of 15, hoewel het niet buiten de stad is. In de bus hangt een vreemd geurtje en ondanks de airconditioning blijven de ramen beslagen. Bij het er nogal erg luxe uitziende hotel aangekomen moeten we lang wachten voordat we een sleutel krijgen. Het hotel zit nagenoeg vol en het is puzzelen om iedereen onder dak te krijgen. De kamer ziet er perfect uit. Het is een compleet appartement met woon- en slaapvertrek en een decadente hoeveelheid ruimte. Alleen krijg ik het licht niet aan. De nachtwaker lukt het ook niet, maar hij weet iemand van de technische dienst erbij te halen, die het probleem verhelpt. Na het eten wil ik nog een stukje wandelen. Het stadscentrum is te ver weg, maar er is wel een discotheek in de buurt, waar je als gast van het El Comodoro gratis naar binnen mag. Diverse meisjes klampen mij aan met de vraag of ik ze mee uit wil nemen naar de disco. Dat lijkt mij niet zo’n goed idee. Ook in de disco heb ik weinig rust. Ik houd mijzelf voor dat de dames meer gecharmeerd zijn van mijn dollars en mijn paspoort dan van mijn uiterlijk. Het is ook moeilijk converseren, want andere talen dan Spaans worden niet gesproken en mijn kennis van het Spaans is uiterst beperkt. De muziek is goed en de disco ziet er modern uit. Een heel contrast met de omgeving, waar niet eens straatverlichting brandt. Na een uurtje taai ik weer af naar het hotel. Morgen wordt weer een drukke dag. Op de kamer is het ijskoud en het lukt mij niet de airco uit te schakelen. Zelfs nadat ik de zekeringen heb uitgeschakeld, blijft de koude lucht blazen.

Maandag, 9 maart 1998

De Jet Lag wil niet over gaan. Al om vijf uur ben ik wakker en kan ik niet meer slapen. Zeven uur is het tijd om op te staan en te ontbijten. Om half negen vertrekken we met de bus voor een rondrit door Havana. Eerst stoppen we bij een begraafplaats, waar net zulke grote monumenten staan als op het kerkhof in Santiago de Cuba. De tweede stop is op het Plaza de la Revolutión. Het gaat regenen, dus we duiken snel het revolutiemuseum in. Dat is een stuk interessanter dan het museum in Santiago de Cuba, terwijl daar de revolutie begonnen is. Binnen zijn films te zien, die tijdens de revolutie gemaakt zijn. Verder is het een enorme verzameling propaganda voor het communistische regiem, dat er maar niet in slaagt het volk welvaart te brengen.

Na het museum mogen we nog een uurtje rondzwerven. Ik hoef mij nu niet te haasten, want ik kom hier toch nog terug. Met de bus rijden we via de Wetenschapswijk naar Marina Hemmingway, waar de beroemde schrijver vroeger vaak kwam. Het is een gezellig gebied met kleine kanaaltjes waar boten liggen die als drijvend hotel of restaurant dienst doen. In een van de vele restaurantjes gaan we zitten voor het middageten.
Helaas is het eten van toeristische kwaliteit. Met moeite weet ik een taaie biefstuk naar binnen te werken. De middag mogen we vrij besteden. Ik wil terug naar het centrum om daar wat foto’s te maken. Het regent nog steeds en er waait een koude wind. Maar daardoor laat ik mij niet afschrikken. Het eerste stuk leg ik wandelend af, maar het centrum is ver weg. Gelukkig komt er een stadsbus. Ik weet niet waar die naar toe gaat, maar hij rijdt in ieder geval de goede richting uit. Het is een antieke bus met houten stoeltjes.

In het centrum maak ik een lange wandeling. Het ziet er treurig uit. Vooral nu het regent. De meeste huizen moeten vroeger erg mooi zijn geweest, maar verkeren nu in een vergaande staat van verval. De mensen doen werkelijk niets aan het onderhoud. Veel statige herenhuizen zijn opgedeeld in vele kleine woningen en niemand bekommert zich om de buitenkant van de gebouwen. Het zal ook wel een kwestie van geld zijn. Dat hebben de mensen niet.

Terug naar het hotel kan ik geen bus krijgen. Ik heb ook geen zin om de zeven kilometer te lopen. Dan maar een collectieve taxi, waar ik als buitenlander eigenlijk geen gebruik van mag maken. Gelukkig doet de chauffeur niet moeilijk, maar ik moet wel wachten tot alle plaatsen bezet zijn. Als de zesde passagier is gearriveerd, kunnen we vertrekken. De oude Amerikaan maakt een behoorlijke omweg. Zo krijg ik nog een mooie rondrit voor mijn ene dollar. Ik ben net op tijd voor het uitgebreide, luxe, maar vrij smakeloze dinerbuffet in het Hotel Comodoro. Na het eten neem ik nog even een kijkje in de discotheek, waar het rond een uur of acht al volle bak is. Ik geniet in een hoekje van mijn ene colaatje met rum, want met vijf dollar per glas is dit niet echt een gelegenheid om uitgebreid je dorst te lessen.

Dinsdag, 10 maart 1998

Het lijkt alsof ik al weken onderweg ben, maar vandaag ben ik pas op de helft van de rondreis. Na het ontbijt, rijden we naar Pinar del Rio. We hebben twee chauffeurs vandaag. Ik zit voorin. Met hoge snelheid rijden we over de driebaans Auto Pista, die afgezien van wat fietsers en ezelkarren praktisch verlaten is. Onderweg zien we een in brand gevlogen Lada langs de kant van de weg. Typisch zijn ook de nutteloze viaducten. Aan beide kanten loopt er geen weg naar toe. Ik dacht dat je dat alleen in Wallonië had. Op veel punten staan groepen lifters te wachten totdat zij achterop een vrachtwagen mee mogen. Echt openbaar vervoer is er nauwelijks in Cuba. Niet voor de overwegend straatarme bevolking in ieder geval.

Verkeersregels zijn er niet. We komen regelmatig spookrijders tegen. Ik ben blij dat we het er zonder ongelukken van af hebben gebracht als we het parkeerterrein van een toeristische tabaksplantage op rijden. Er staan nog vijf andere bussen voor de deur. Het is zwaar bewolkt, waardoor ik nauwelijks foto’s kan maken. Ik struin maar wat over de grote souvenirmarkt, die naast de plantage is opgezet. De plantage kan mij niet echt interesseren. De sigarenfabriek die we vervolgens in Pinar del Río bezoeken ook niet. Het hoort wel bij de cultuur van het land, maar ik houd niet van tabaksproducten. Ik wandel wat door het stadje. Er staat een kathedraal. Meer een kathedraaltje eigenlijk, met twee Romaanse torens en een soort Grieks tempelfront als hoofdgebouw. Binnen zit iemand zijn bromfiets te repareren. Iets verder staat een schooltje. De leerlingen zitten vrolijk te klappen. Ik kan er niet achter komen wat daar de bedoeling van is.
Met de bus rijden we verder naar Viñales. Dat ligt in een prachtige vallei die op de Werelderfgoedlijst staat. Erg prettig is de rit niet. De chauffeurs hebben nogal haast, want met een halsbrekende vaart razen ze over de bochtige bergwegen, soms rakelings langs de afgrond. Eenmaal in Viñales kunnen we bijkomen in een klein restaurantje in de open lucht, waar we een mooi uitzicht hebben op een reusachtige rotsbeschildering die de evolutie uitbeeldt.

Die schildering schijnt nog door de indianen gemaakt te zijn. Na de locale specialiteit, geroosterd varken met zeer sterke drank, geproefd te hebben, lopen we naar de indianengrot. Veel is daar niet te zien. De natuur is wel erg mooi. Vooral als we uit de grot komen en met een bootje door een kloof varen. Na een uurtje zijn we terug bij de bus en begint de race terug naar Havana. Rond een uur of zes komen we aan. Ditmaal heb ik weinig zin om er na het eten nog op uit te gaan. De discotheek heb ik nu wel gezien en verder is er binnen tien kilometer in de omtrek van het hotel niets te beleven.

Woensdag, 11 maart 1998

Vandaag verlaten we Havana weer, dus moet ik al mijn spullen inpakken. De Varkensbaai staat op het programma, waar Fidel Castro in 1963 een door Amerika georganiseerde aanval door Cubaanse emigranten wist af te slaan. Het is een lange rit die weer met bloedstollende vaart over de Auto Pista wordt afgelegd. Langs de bermen weer het gebruikelijke circus met vele wachtenden op vervoer. Diana babbelt intussen vrolijk verder. Ze weet enorm veel van het land. Ik kan het allemaal niet onthouden wat ze zegt.
Na een paar uur stoppen we bij een dierentuintje voor toeristen. Erg boeiend is het niet. Een paar beklagenswaardige kippen in kooitjes. De enige slang komt zijn hol niet uit. De tweede stop is bij een krokodillenfarm. Daar worden handtasjes en dure schoenen gekweekt. Aan het grote aantal bussen op de parkeerplaats te oordelen, moet het een belangrijke attractie zijn, maar ik vind het nauwelijks de moeite waard.

Dan komen we eindelijk bij de Varkensbaai aan. Het is er prachtig. Volop tropische beplanting en een glanzend groene Caribische Zee op de achtergrond. Er is vrijwel niets meer dat aan de historische strijd herinnert. Wel is er een klein monument opgericht om de Cubaanse gevallenen te herdenken. Er moet 40 kilometer verderop ook een museum zijn, maar daar gaan we niet naar toe. We hebben nog een lange en gevaarlijke rit voor de boeg naar Sancti Spíritus. Daar eenmaal aangekomen, kunnen we een half uurtje rond lopen. Ik beklim een hoge toren die een prachtig uitzicht biedt op het schilderachtige stadje. Dan rijden we verder naar het hotel, dat zoals gewoonlijk zo’n vier kilometer buiten de stad staat. Naast het hotel is een kleine openluchtdiscotheek. Ik ga daar maar wat drinken, want ik heb geen zin om naar Sancti Spíritus terug te lopen.

Donderdag, 12 maart 1998

We rijden ’s morgens nog even door Sancti Spíritus, maar te snel om nog veel van het stadje te kunnen zien. De volgende stop wordt Trinidad. Onderweg stoppen we even bij een uitkijktoren, die een geweldig uitzicht biedt over de vallei, met uitgestrekte suikerrietvelden.

Dit is het hart van de suikerindustrie. Voor het eerst is het eens schitterend weer. Erg warm ook. Ik mag een foto maken van een oud opaatje, die uit zijn eenvoudige woninkje leunt. Overal kan je suikerrietstengels kopen om op te sabbelen. De bus rijdt weer verder over de Auto Pista. Even later komen we in Trinidad aan. Hier staat het vol met bussen in het centrum. En de chauffeurs laten allemaal de stinkende dieselmotoren draaien om de airco aan de gang te houden. De straat is vergeven van de uitlaatgassen.

Trinidad is erg toeristisch, maar ook erg mooi. Zeer pittoreske straatjes met in vrolijke pastelkleuren geschilderde huizen. Ik bezoek een museum, dat ook over een uitkijktoren beschikt. Vanaf de top heb ik een mooi uitzicht op het centrum. Erg groot is de stad niet, maar een half uur is toch te kort om alles te bekijken. Hier zal ik dus ook moeten terugkeren als ik er individueel op uit ga. Ik kijk nog naar binnen bij een school, waar overal posters van Che Guevara hangen. Dan is het tijd om terug te lopen naar het plein, waar de groep zich zou verzamelen. Ik zie niemand, maar na even zoeken zie ik het clubje in de schaduw staan. Het is vandaag te heet om in de zon te staan. We lunchen in een patiorestaurant en dan zit Trinidad er al weer op. Langs vele suiker- en ananasplantages racen we richting Camagüey. We stoppen ook nog even in een industriestadje, waar de grootste suikerfabriek van Cuba staat. Het is al donker als we Camagüey bereiken. De bus raast toeterend door de donkere straten. In het felle licht van de koplampen, zien we voetgangers wegstuiven voor het snel naderende gevaarte. Bij het hotel worden we gastvrij onthaald. De manager nodigt ons direct uit voor een dansavond na het eten. Ik heb er wel zin in. De rest van de groep niet. Met Diana sluit ik mij aan bij de twee dansende Cubaanse koppeltjes. De muziek is geweldig. ’s Avonds kom ik moeilijk in slaap. Morgen neem ik afscheid van de groep, die terug naar Holguín gaat. Vanaf dat moment sta ik er alleen voor.

Vrijdag, 13 maart 1998

De laatste dag met de groep. De laatste keer ‘¿Buenas días, comes sta?’ als collectieve begroeting in de bus. Na een karig ontbijtje rijden we naar het centrum van Camagüey. We kunnen weer even rondwandelen door de vervallen stad. Sommige gebouwen worden wel gerestaureerd, maar zo’n restauratie kan rustig twintig jaar in beslag nemen. Als het geld halverwege niet op raakt, want dan blijven de steigers rustig staan. Het is een kabaal van jewelste in de stad.
Dan is het tijd voor afscheid. Ik maak nog snel wat foto’s van Diana en zwaai dan de bus uit. Met mijn rugzak op, wandel ik naar het station in de hoop een kaartje naar Santiago de Cuba te kunnen bemachtigen. Het is vrijdag de dertiende, dus ik verwacht geen problemen.
Op het station word ik echter niet veel wijzer. Een dienstregeling is er niet en met het personeel valt met mijn kennis van de Spaanse taal niet te communiceren. Een beambte zegt dat er misschien om twee uur een trein komt. Ik loop terug naar een schaduwrijk pleintje, achtervolgd door jongens die wat aan mij hopen te verdienen. Een oude man gaat naast mij zitten en stelt zich in het Engels voor als een professor in de biologie. Ik ben blij iemand te ontmoeten die Engels spreekt. Misschien kan hij mij helpen om informatie over de trein te krijgen. De professor heet Michael Callé en hij vindt dat ik nog wat langer in Camagüey moet blijven. Maar daar voel ik weinig voor, zeker nu het weer begint Propagandate regenen. We kletsen nog wat, als er een meisje naast mij komt zitten. Zij spreekt alleen Spaans, maar Michael vertaalt wat zij zegt. Ze wil met mij mee naar Santiago de Cuba, waar ze mij aan een goed adres kan helpen. Ik zou wat wantrouwender moeten zijn, maar ik laat mij toch door de professor overhalen om mee te gaan naar zijn huis. Voor vijftien dollar smeert de professor mij een kamer aan, want hij vindt dat ik moet rusten voordat ik aan de lange treinreis begin. Wel helpt hij mij aan een treinkaartje. De trein naar Santiago de Cuba zal rond middernacht vertrekken. Tenminste, dat is dan te hopen.
Ik wandel nog wat door de stad, maar het gaat alweer regenen. Ik begin te balen van de regen en het lawaai in Camagüey. De bezienswaardigheden heb ik nu wel gezien. Ik wandel naar mijn kamer en probeer nog wat te slapen, maar dat lukt niet. De professor loopt met mij mee naar een restaurantje en laat zich door mij trakteren. Aan het einde van de dag ben ik 34 dollar armer. Geld dat ik mij makkelijk had kunnen besparen. Het is wel goed tegen de naïviteit. De rest van de reis zal ik wat argwaniger zijn. Ik moet natuurlijk niet vergeten dat ik in de ogen van de Cubanen een wandelende portemonnee ben. Michael loopt nog mee naar het station. Gelukkig komt de trein redelijk op tijd en is mijn kaartje in orde. Op weg naar Santiago de Cuba!

Zaterdag, 14 maart 1998

Om half twee vertrekt de trein. Ik heb een soort ligstoel, maar ik betwijfel of ik zal kunnen slapen in de trein. Naast mij zit een Iers meisje met haar vader. Zij spreekt vloeiend Spaans, wat erg handig is in dit land. De trein rijdt rustig, wat een verademing is na de wilde busritten. Af en toe dommel ik even in, maar echt slapen lukt niet. De trein stopt een aantal keer op stations waar het zo donker is, dat er niets is te zien. Ik ben blij dat ik er niet uit hoef. Als we Santiago de Cuba bereiken, zal het al licht zijn.
Als we ’s morgens rond half acht de stad inrijden, lopen er jongens door de trein die kamers aanbieden aan de toeristen. Na mijn avontuur in Camagüey durf ik daar niet direct op in te gaan. Om kwart voor acht sta ik wat slaapdronken op het perron. Via het nieuwe stationsgebouw loop ik naar een plein, waar ik opnieuw door vele ronselaars wordt aangesproken. Het zal niet veel moeite kosten om hier onderdak te vinden. Uiteindelijk ga ik in op het aanbod van een aardige jongen die perfect Engels spreekt. Hij stelt zich voor als Marco Antonio en biedt mij voor 10 dollar een kamer aan in het huis van zijn oom en tante. Ik mag vrijblijvend een kijkje nemen.
Door zeer pittoreske straatjes wandelen we naar een wijk net buiten het centrum. Intussen vertelt Marco dat hij psychologie studeert. Zijn oom blijkt een mooi huis te hebben, dat gunstig gelegen is. Dat is al direct weer een voordeel van het individueel reizen. Voor mij geen hotels meer die op een onredelijke afstand van de gezelligheid liggen. Voor slechts twee dollar geniet ik van een vorstelijk ontbijt met heerlijk vers fruit. Dan ga ik de stad in. Ik ben wel moe na de slechte nacht, maar ik heb geen slaap.

Het is vandaag droog, maar wel zwaar bewolkt en snikheet. Ik zweet als een otter. Ik kijk eerst even rond bij Plaza de Dolores. Dat is het gezelligste plein van de stad en vlakbij mijn pension. Rust wordt mij niet gegund. Voortdurend vallen ronselaars, taxichauffeurs en gidsen mij lastig. Of ik een hotel, een taxi of een vrouw nodig heb.
Ik probeer beleefd te blijven, maar dat gaat wel steeds meer moeite kosten. Ik wandel verder op zoek naar een kapper. Bij een grote zaak laat ik voor één dollar mijn haar knippen. Spiegels hangen er niet, dus ik ben benieuwd hoe het wordt. Na afloop laat de kapper mij in een klein spiegeltje het resultaat van de knipbeurt zien. Het valt mij niet tegen. Keurig.
Buiten regent het intussen weer even en dan klaart het weer op. Het blijft wisselvallig. De vermoeidheid begint nu haar tol te eisen, dus besluit ik terug te gaan naar mijn kamer om een paar uur te slapen. ’s Middags is er weinig te doen in de stad, dus ik kan beter wat kracht opbouwen voor vanavond als Santiago de Cuba pas echt tot leven komt. Om vijf uur sta ik weer op en wandel ik naar Plaza de Dolores. De sfeer is nu heel anders, hoewel het nog niet donker is. Overal flaneren al mensen op weg naar de talloze uitgaansgelegenheden van de stad.
De regen is opgehouden en overal klinkt vrolijke muziek. Dit is het echte Cuba. Ik wandel wat heen en weer en kom dan het Ierse stel weer tegen. We stellen ons nu pas aan elkaar voor. Het meisje heet Alison. De vader heet Wesley. Ze willen morgen een auto huren om een excursie te maken. Ze vragen of ik mee wil. In principe voel ik daar wel iets voor, maar ze willen twee dagen en dat past niet in mijn reisplan. Bovendien zal het mij veel geld kosten, want een auto huren in Cuba is bepaald niet goedkoop. Zelfs niet als je maar een derde van de kosten hoeft te betalen. Voor wie het kan betalen is een huurauto echter ideaal. Het zijn overwegend nieuwe auto’s en je kan tanken bij speciale tankstations die altijd voldoende benzine hebben.

De Cubanen zijn aangewezen op geluk als ze benzine nodig hebben. Het avondleven houdt verrassend vroeg op. Rond tien uur gaat alles dicht en verdwijnen de vele eetstalletjes van de straat. Het is ook wel een mooie tijd om terug te gaan. Ik ben nog steeds erg moe en ik heb geen sleutel van het huis. Ik wil niet midden in de nacht mijn gastheer moeten wakker maken.

Zondag, 15 maart 1998

Doordat er geen glas in de vensters zit, word ik al vroeg gewekt door het straatlawaai. Buiten kraait een haan, blaffen honden en rijden auto’s toeterend door de straten. Bij het ontbijt blijk ik niet de enige gast. In het huis verblijft ook een Japans meisje dat Aikitsu heet.
Ik wandel als eerste naar het station om een treinkaartje te kopen. Daar kom ik een kaal mannetje tegen dat ik ook al in de trein had ontmoet. Hij heet Frank Rodriquez en vertelt mij in gebrekkig Engels dat ik er goed aan heb gedaan om niet met een van de ronselaars in de trein mee te gaan. Die zou vanochtend door de politie zijn opgepakt. Het mannetje legt niet uit waarom. Hij helpt mij aan een treinkaartje naar Guayos vanwaar ik met een bus verder kan naar Trinidad. Ik hoop het maar, want ik kom midden in de nacht bij dat station aan. Van andere reizigers krijg ik een adres in Trinidad. Ik rijd met een fietstaxi naar Parque Cespedez. Het blijft zwaar bewolkt, zodat ik de camera maar in de tas laat. Ik hoop dat ik nog eens zon ga meemaken. Een beetje toevallig weet ik het locale muziekhuis, Casa de Trova, te vinden, waar geweldige rumba wordt gespeeld.

In een soort ballroomjurken geklede danseressen voeren een opwindende dans op voor het decor van haveloze gevels. De sfeer is fantastisch en het is nog niet eens avond. Rond een uur of zes wandel ik verder en kom ik bij de kathedraal uit die open blijkt te zijn. Half zeven begint een mis en maak ik discreet wat foto’s. Ik eet vanavond bij de oom en tante van Marco. Het eten is weer voortreffelijk. Beter dan in welk hotel dan ook. Ik vraag mij af of ik het de rest van mijn reis nog eens zo goed zal treffen. De tante heeft een soort cordon blue gemaakt op een schotel met diverse soorten vlees en vis, zwarte rijst, salade, fruit en gebakken bananenschijfjes.
Na het eten loop ik door de donkere straten terug naar Plaza de Dolores. In Parque Cespedez treedt een leuk orkestje op met jazz en rumba. Weer die fantastische sfeer. Als het om negen uur is afgelopen, duik ik een discotheek in op het dak van het cultuurpaleis van Santiago de Cuba. Er worden goedkope cocktails geschonken in plastic bekertjes. Het is niet moeilijk om contacten te leggen in Cuba. De jongeren zijn erg geïnteresseerd en spreken meestal voldoende Engels om een gesprek met mij te kunnen voeren. Ik ga nog naar een andere discotheek waar alleen een paar tl-balken hangen, maar waar het desondanks toch ook heel gezellig en sfeervol is. Ik raak in gesprek met economiestudenten en begrijp niet wat je met economie in een land als Cuba kan. Ze weten het zelf ook niet, maar beloven mij dat er betere tijden zullen komen. Als ik na middernacht naar mijn kamer terugkeer heb ik gelukkig een sleutel, want iedereen is al diep in slaap.

Maandag, 16 maart 1998

Vandaag is het voor de verandering zonnig. Eindelijk. Na een overvloedig ontbijt wandel ik naar Plaza de Revolutión. Ik maak foto’s bij het busstation, waar vrachtwagens vol mensen vertrekken. Reizen is geen pretje in Cuba. Er rijden ook volop paardenkoetsen en fietstaxi’s om mensen door de stad te vervoeren. Ik loop verder, maar raak een beetje verdwaald zodat ik pas na een flinke omweg in het centrum aankom. Het is weer bloedheet in de stad.
Later op de ochtend wordt het weer bewolkt. Ik loop terug naar mijn kamer voor een lunch. Ik eet nergens anders meer dan bij de oom en tante van Marco, die ik trouwens al een hele tijd niet meer gezien heb. Druk aan het studeren waarschijnlijk. Maar na de lunch is hij er ineens om mij achter op een bromfiets naar het station te brengen. Het is al weer gaan regenen. Op het station kom ik Frank Rodriquez weer tegen. Aikitsu, die in de kamer naast mij logeerde, is er ook. Zij reist in dezelfde wagon als ik, maar we zitten niet naast elkaar.

Dinsdag, 17 maart 1998

Ik krijg de slaapstoel niet in de ligstand. Toch weet ik een paar keer in te dommelen. Rond half drie zouden we moeten aankomen, maar al om 1 uur word ik door de conductrice gewekt. Ik wil blijven zitten tot de trein het station bereikt heeft, maar ik moet de conductrice volgen naar de eerste wagon. Het kost mij grote moeite om met mijn rugzak overeind te blijven in de slingerende trein. Het is een behoorlijk eind lopen op mijn nog half slapende benen en als ik eindelijk voorin ben moet ik nog een half uur staan, voordat de trein eindelijk het station bereikt. Het is dan half twee in de nacht.
Op het station van Guayos is het een drukte van belang, maar buiten is geen kip te zien. Zoals ik al verwacht had, staat er geen bus. Het ziet er ook niet naar uit dat er een bus zal komen en ik ben nog ver van Trinidad af. Gelukkig ontmoet ik een Italiaans stel dat ook naar Trinidad wil. We besluiten samen een taxi te nemen. Met 30 dollar is dat niet goedkoop, maar het is wel leuk om eens in zo’n oude Amerikaan te zitten met vleugels achterop. Op de kilometerteller zie ik dat de wagen er al meer dan 700.000 kilometer op heeft zitten. Ik hoop dat hij de zestig kilometer naar Trinidad ook nog haalt.
Het gaat goed, al rijdt de chauffeur niet echt verantwoord. Na een uur rijden we het toeristische stadje in, dat rond deze tijd natuurlijk compleet uitgestorven is. Het adres waar ik naar toe wilde, blijkt vol te zijn. Maar natuurlijk weet de chauffeur ook nog wel wat adresjes. Het eerste blijkt eveneens vol, maar bij het tweede adres is nog een kamer vrij. Het is een wat vreemd Casa Particular met vier kamers op een rij. De Italianen willen nog verder kijken, maar ik vind het best zo. Ik kijk morgen wel verder, want na Santiago de Cuba is dit wat accommodatie betreft wel een flinke stap terug. Ik slaap uit tot negen uur en ga dan op zoek naar een ontbijt.
In Trinidad is een station waar een toeristische stoomtrein vertrekt. Het is nog dezelfde trein uit de tijd dat de stad op het landelijke spoorwegnet was aangesloten, maar sinds dat niet meer het geval is, is de tijd op het stationnetje stil blijven staan. Ik probeer er achter te komen wanneer het treintje rijdt en of ik alvast een kaartje kan kopen. De monteurs die er aan het werk zijn, hebben echter weinig zin om mij van dienst te zijn. Ik moet om drie uur maar eens terugkomen. Dan kan ik misschien een kaartje kopen.
Eerst verhuis ik naar een betere kamer aan Cienfuegos 126, waar ik de was doe. Dat was hard nodig. Helaas is het al elf uur. Het mooie ochtendlicht heeft plaats gemaakt voor de felle middagzon en de bussen met toeristenhordes zijn alweer gearriveerd. Ik slenter wat door de schilderachtige straatjes en doe op het heetst van de dag een dutje in mijn kamer.

Aan het einde van de middag ontmoet ik mijn buren. Twee meisjes uit Denemarken, waarvan een van Zuid-Koreaanse afkomst. Zij blijken in een circus te werken. Ze verblijven een half jaar in Cuba om nieuwe kunstjes te leren. Het blonde meisje Anne studeert voor clown, terwijl haar Koreaanse collega Suzanna kunsten op de trapeze vertoont. Ze hebben nu net twee weken vakantie, die zij in Trinidad doorbrengen.
Ik ga nog een uurtje slapen en rond een uur of acht gaan we met zijn drieën wat eten in de stad. Na het eten zoeken we wat vertier. De grotdiscotheek valt af omdat je daar alleen voor de toegang al drie dollar betaalt. Op een berg zou een leuk hotel zijn met een discotheek, maar na de flinke klim blijkt daar niets te beleven, terwijl de drankjes behoorlijk aan de prijs zijn. Door de duisternis lopen we via kronkelpaadjes langs een spookachtige kerk terug naar het centrum. Daar vinden we een leuk tentje op een patio in de open lucht. Er wordt prima muziek gespeeld, die pas rond middernacht ophoudt. Dan is het ook wel tijd om te gaan slapen. Gelukkig hebben we een sleutel, zodat we niet de halve buurt hoeven wakker te maken.

Woensdag, 18 maart 1998

Ik ontbijt al om half acht en loop daarna naar het oude station van Trinidad voor een ritje met de stoomtrein. Op het station is echter weinig te beleven. Er staat een defecte stoomlocomotief en de paar mannen die er rond hangen kunnen mij geen kaartje verkopen of inlichtingen verschaffen.

Dan verschijnt er onverwacht een dieseltreintje in het station. Kennelijk rijdt er nog wel een gewone passagiersdienst, al is het lijntje afgesloten van het spoorwegnet van Cuba. Ik stap in en koop bij een dikke zwarte conducteur voor twee dollar een kaartje. Het is wel geen stoomtrein, maar dan kan ik in ieder geval toch het ritje maken. Ik ben niet de enige passagier. Het treintje loopt aardig vol. Ik ben benieuwd waar dit avontuur mij naar toe zal brengen. Dan zet het treintje zich met een indrukwekkend gebrul in beweging. Slingerend wringt het zich door scherpe bochten langs afgronden en over gammele bruggetjes. De rails is overwoekerd met onkruid.
Na een klein uurtje komen we in het dorpje met de slaventoren. De conducteur zegt dat ik er hier uit moet, maar het is nog niet het eindpunt. Ik heb geen zin om uren te wachten tot het treintje terugkeert, dus besluit ik verder te rijden. Na weer een tijdje stopt de trein bij een stationnetje, waar we op een nog kleiner treintje moeten overstappen. Daarmee rijden we nog een kwartiertje verder tot we een station bereiken waar de spoorlijn ophoudt. De rest is opgebroken. We zijn in het plaatsje Manaca Iznaga. Ik stap uit met de overige reizigers, waarna het treintje meteen wegrijdt.

Ik vraag mij af wat ik nu moet doen. Komt het treintje nog terug vandaag? Ik zou niet weten hoe ik anders terug in Trinidad moet komen. Ik probeer bij het personeel wat inlichtingen te krijgen. Met mijn beperkte kennis van het Spaans weet ik er achter te komen dat ik tweeënhalf uur geduld zal moeten hebben. Ik besluit maar een eindje te gaan wandelen over de oude spoordijk in de richting van de bergen. Af en toe kom ik mensen met paarden tegen. Verder is er weinig te zien en te beleven. Na een half uur kom ik twee ruiters tegemoet die om mijn identiteitsbewijs vragen. Ik heb geen zin om mijn paspoort tevoorschijn te halen, dus doe ik alsof ik ze niet versta. Ze sommeren mij om mee te lopen, terug naar het dorp. Daar baal ik wel van, want wat moet ik daar? Meer dan drie huizen staan er niet en de trein komt voorlopig niet terug.

Eenmaal in het dorp laten de ruiters mij verder met rust. Ik wandel de andere kant op, langs het roestige spoor. Als ik terugkom in het dorp staan er al mensen op de trein te wachten. Die komt keurig op tijd en vertrekt ook stipt om 1 uur voor het korte ritje naar de trein die naar Trinidad rijdt. Die heeft echte vertraging. Het duurt een kwartier voordat we verder rijden.
Rond 3 uur ben ik weer terug in Trinidad. Ik neem een douche en trek schone kleren aan, want door de hitte heb ik behoorlijk getranspireerd vandaag. Anne en Suzanna zijn ook in het pension. Ze komen net terug uit Cienfuegos, waar de dichtstbijzijnde bank is. Want vreemd genoeg heeft het toeristische Trinidad geen bank. Gelukkig heb ik voldoende dollars over. Ik heb trek in een cocktail bij de Canchachagan. De meisjes hebben geen zin om mee te gaan. Ze vinden het veel te warm vandaag. Ik ga wel, maar het is inderdaad een behoorlijk eind lopen door de hitte. De toeristen zijn al weer vertrokken, maar de muziek speelt nog vrolijk verder. Ik neem ook nog een biertje en loop tegen een uur of vijf terug naar het pension. Ik kom de Deense meisjes weer tegen en samen kopen we een kokosijsje. Verder is er niet veel te doen vandaag. Trinidad heb ik nu wel zo’n beetje gezien.

Om acht uur eet ik ergens droge kip met soep vooraf. Ik wil toch nog wat vertier op deze laatste avond in deze stad, maar ik zal er alleen op uit moeten gaan. Eerst zoek ik het kroegje op waar ik gisterenavond heb gezeten. De band is goed, maar pauzeert meer dan dat er gespeeld wordt. Als de zoveelste pauze begint, houd ik het voor gezien en neem ik een kijkje in de grotdiscotheek. Daar is echter weinig te doen. Er zijn twee Duitse stelletjes. Verder is er niemand. Zonde van mijn drie dollar. Ik besluit de avond in een dansgelegenheid in de openlucht. Een politieman in uniform staat er als portier. Het lukt mij niet een gesprekje met iemand aan te knopen, dus na een uurtje ben ik het daar ook wel zat. Terug naar het pension maar weer. Een beetje vroeg slapen maar, want morgen staat er weer een reisdag op het programma.

Donderdag, 19 maart 1998

Ik schrik als ik wakker wordt. 9.29 staat er op de display. Dan zie ik tot mijn opluchting dat ik mij niet verslapen heb, maar dat het wekkertje op zijn kop staat. Het is nog geen half zeven. Ik probeer nog een half uurtje te slapen, maar dat lukt natuurlijk niet. Ik zit vanochtend alleen aan het ontbijt. Iedereen slaapt nog. Ik betaal de behoorlijk opgelopen rekening van 47 dollar, gesp mijn rugzak vast en ga op zoek naar het busstation. Onderweg maak ik nog wat foto’s in het prachtige ochtendlicht. Op het busstation is het niet mogelijk een kaartje te kopen. Niemand weet ook wanneer en of de bus komt. Die komt dus niet. Om half tien sta ik nog te wachten. Dan besluit ik maar een taxi te nemen naar Sancti Spíritus. Dat kost wel weer acht dollar, maar lopen is ook niet echt een optie. Aan de andere kant is acht dollar natuurlijk niet duur voor een taxirit van een uur. Onderweg neemt de chauffeur nog een paar liftende politiemannen mee. Ik laat mij bij het station afzetten. Volgens de taxichauffeur rijdt er geen trein vandaag, maar het lijkt mij verstandiger dat ook even bij het loket te vragen. Er rijdt volgens de lokettiste wel een trein en zij kan mij nog een kaartje verkopen ook. Daar staat een verkeerde datum op zie ik gelukkig. Zonder excuses aan te bieden ruilt het meisje het kaartje om. Ik kan mijn rugzak achterlaten op het station en nog even te voet Sancti Spíritus verkennen. Ik heb daar ruimschoots de tijd voor, want het duurt nog wel even voordat de trein komt. Na een uurtje heb ik de hoogtepunten gezien en slenter ik nog wat door de buitenwijken van de stad. Vandaag is het wat minder warm. Er drijven grote wolkenvelden over en pas later in de middag breekt de zon weer door. Ik koop twee te dure broodjes tegen de ergste trek en probeer voor onderweg een paar flessen bronwater te bemachtigen. Ik moet helaas genoegen nemen met kleine, relatief dure flesjes. In een parkje raak ik in gesprek met Barbara, een oudere, wat gezette vrouw die mij uitnodigt voor het avondeten. Ik ben intussen wel wijzer geworden en sla het aanbod beleefd af. Bovendien moet ik vanavond weer op het station zijn. In de bioscoop draait Titanic. De entree is slechts twee pesos. Dat is voor niets.

Natuurlijk ga ik niet naar de bioscoop. In een klein restaurantje eet ik een pizza. Ik loop verder naar het station, waar ik de komst van de trein afwacht. Helaas komt die niet. De trein is geannuleerd, maak ik uit een Spaanse mededeling op. De volgende komt morgenochtend om 6 uur. Tenminste, dat is te hopen. Ik pak mijn rugzak en ga op zoek naar onderdak. Onderweg kom ik ene Judith tegen. Zij wil mij helpen, maar door mijn slechte kennis van het Spaans kunnen we elkaar nauwelijks begrijpen. Ze wil met mij terug naar het station om te informeren wat er aan de hand is. Ze komt niet meer te weten dan wat ik al wist. We lopen terug de stad in, waar we een jongen tegen komen die mij voor 15 dollar aan onderdak kan helpen. Het pension blijkt niet veel soeps te zijn, maar voor één nacht kan ik mij daar niet al te druk over maken. Het is wel hinderlijk dat het allemaal weer behoorlijk lawaaiig is. Een blaffende hond, luid pratende buren en een radio die een soort marsmuziek speelt houden mij nog lange tijd wakker, terwijl ik er morgen om half vijf uit moet.

Vrijdag, 20 maart 1998

Half vijf gaat het wekkertje. Ik ben meteen klaar wakker. Ik had de kamer al betaald, dus ik kan meteen op pad. Het heeft geregend vannacht en de straten zijn nog kleddernat. Ik hoop dat de trein nu wel rijdt, want ik vind het zonde van de tijd om nog een dag extra in Sancti Spíritus door te brengen. Er lopen al behoorlijk wat mensen op straat op dit vroege uur. Op het station is het helemaal druk. Dat vind ik een goed teken. En inderdaad, om kwart over zes, met slechts een kwartier vertraging, rijdt de trein het station binnen. Slechts de helft van de plaatsen raakt bezet, wat vrij ongebruikelijk is in Cuba, waar aan alles een tekort is. Vooral aan vervoer. Ondanks het vroege tijdstip vertrekt de trein luid toeterend uit Sancti Spíritus. Ik ben blij dat ik weer onderweg ben. Het begint buiten te schemeren en half zeven komt de zon op. Na drie kwartier stopt de trein bij de aansluiting op de hoofdlijn van Santiago de Cuba naar Havana en na een tijdje rijdt hij in de andere richting verder. Het weer wordt intussen slechter en nog even later barst een hevig onweer los. De regen komt met bakken uit de lucht. Door de wagons patrouilleren gewapende politieagenten, zonder dat daar een zichtbare aanleiding voor is. Twee jongens tegenover mij vervoeren levende kippen in hun weekendtassen. Gelukkig klaart het na een tijdje weer op. De trein stopt helaas vaak, zonder dat er een station is. Ook wordt vaak op plaatsen gestopt waar wel een station is en waar allerlei handelaren instappen om eten en allerlei spullen te koop aan te bieden. Kort voor het vertrek, stroomt het handelsvolkje weer naar buiten. De trein rijdt verder en het wordt steeds heter. Alle ramen staan open, maar dat geeft nauwelijks verkoeling. Ik vind de reis leuk, maar ben toch blij als na negen uur, zo rond kwart over drie, de trein in Havana Centraal stopt. Dat heb ik dan ook weer gehad. Het weer in Havana is prachtig, dus besluit ik te voet naar het Lido Hotel te gaan.

Ik loop onder andere langs het Capitool, dat zeer veel lijkt op het Capitool in Washington. Het ziet er mooi uit, wat niet opgaat voor de meeste andere monumenten in Havana. De stad maakt een haveloze indruk. Ik had dat natuurlijk al eerder gezien, maar nu ik rustig door de straten wandel, valt het nog veel meer op. Onderweg word ik verschillende malen aangesproken door enge mannen die mij een Casa Particular aanbieden, maar het lijkt mij verstandiger om eerst het hotel te proberen. Ik krijg daar geen spijt van, want het Lido Hotel ziet er goed uit. Mijn kamer heeft geen ramen, maar daar staat tegenover dat het er erg rustig is. Eindelijk zal ik eens kunnen slapen zonder lawaai. Voor mijn zestien dollar per nacht heb ik bovendien een eigen douche, waar ik direct maar even gebruik van maak. Met schone kleren aan wandel ik als herboren naar het Plaza de Revolutión. Onderweg blijkt het mooie, zonnige weer zijn langste tijd gehad te hebben. Aan de blauwe hemel verschijnen dreigende onweerswolken en al snel vallen de eerste spetters. Door de beginnende regen loop ik via La Rampa naar de Malecón, de beroemde flaneerboulevard langs de Caribische Zee. Op een aantal irritante ronselaars na, is de Malecón verlaten. Logisch met dit weer. Als ik bijna bij het hotel ben, barst het helemaal los. Ik besluit er niet meer uit te gaan vandaag en eet wat in het hotel. ’s Avonds zit ik nog wel even op het dakterras. De regen is weer opgehouden.

Zaterdag, 21 maart 1998

In de stille kamer weet ik uit te slapen tot acht uur. Ik word wakker van de koude. Beneden in de cafetaria van Hotel Lido gebruik ik een karig ontbijtje. Dat is wel wat anders dan het vorstelijke maal dat ik elke ochtend in Santiago de Cuba achter mijn kiezen kon proppen. Ik raak in gesprek met ene Beatrice die naar Cayo Largo wil reizen. Zij komt uit Londen en is maar tien dagen in Cuba. Ik zeg dat ik door de stad wil wandelen, maar daar voelt zij niet veel voor. Dan maar alleen op pad. Ook niet erg. Het is zwaar bewolkt vandaag en de straten zijn nog kletsnat van een flinke bui die net opgehouden is. Ik krijg de pest in. Is dit nu het Caribische gebied, waar op folders altijd de zon boven een diepblauwe zee straalt? Via de oude stad loop ik naar het station om een kaartje naar Pinar del Rio te kopen. Er staat een lange rij voor het loket. Als ik eindelijk aan de beurt ben, hoor ik dat de enige trein per dag ’s avonds rond kwart voor tien vertrekt om rond drie uur ’s nachts aan te komen. Dat zijn geen tijden. Ik besluit te kijken of er ook een busverbinding is. Eerst koop in een moderne supermarkt water, bier en koek om de dag door te komen. Het is een goed gesorteerde winkel, die duidelijk niet voor de arme Cubanen is bedoeld.

Winkels voor Cubanen zijn meestal leeg. Mensen staan er in rijen te wachten tot er weer eens wat levensmiddelen worden geleverd. Een triest gezicht. Ik rust wat uit op een bankje in het park en staar naar de wolken in de hoop dat die eindelijk eens plaats zullen maken voor wat zonneschijn. Dat helpt. Langzaam maar zeker wordt het lichter en na een uurtje breekt zowaar de zon door. Ik sprint in een recordtempo langs de belangrijkste bezienswaardigheden om foto’s te maken. Ik heb tot nu toe weinig gelegenheid gehad om foto’s met zonlicht te maken, dus nu moet ik mijn kans grijpen, ook als is het vermoeiend om in looppas door de vochtige hitte te rennen. Het is niet voor niets, want al een uur later neemt de bewolking weer toe. Er steekt een harde wind op die de golven over de Malecón slaat. Ik ben doodmoe en wens een fiets te hebben. Maar fietsen zijn niet te huur in Havana.
Er zijn wel bussen, maar die zitten altijd overvol als ze al rijden. Bij iedere bushalte staan drie keer zoveel mensen in de rij als er met de bus meekunnen. Die bussen zijn trouwens ook een verhaal apart.

Er rijden vreemde bouwsels rond, die kamelenbus worden genoemd. Het lijkt inderdaad alsof ze twee bulten hebben. Ook rijden er gele bussen rond uit Nederland. Soms zitten de Nederlandse kentekenplaten er nog op.
Aan het eind van de middag ziet het er naar uit dat het weer zal gaan regenen. Ik waag het er maar niet op om nog naar Plaza de Revolutión te lopen. Dat is een behoorlijk eind en ik ben inmiddels doodmoe. Taxi’s zijn er niet. Fietstaxi’s wel, maar die zijn met vijf dollar per rit nog duurder dan een normale taxi. Ik blijf maar wat rond de Malecón rondhangen. ’s Avonds krijgt de zwaar verwaarloosde boulevard een prachtige gloed als de zon laag boven de zee staat. Ik maak snel nog wat foto’s van de krotten, die ooit prachtige villa’s zijn geweest.

Langs het water lopen is bijna niet mogelijk, want de golven slaan metershoog over de muur langs het trottoir. Om half zeven heb ik afgesproken met Beatrice om samen te gaan eten in het Vietnamese restaurant Hanoi. Dat is wel weer eens gezellig. Het restaurant stelt helaas niet veel voor. Het eten is beroerd en met zes dollar niet goedkoop. Na het eten lopen via de toeristische Obio naar de Plaza Armaz en de kathedraal. De sfeer op het plein is geweldig. De opzwepende muziek van straatmuzikanten doet de troosteloze bebouwing snel vergeten. Ik blijf tot tien uur genieten op het plein en sleep mijzelf dan met moeite terug naar het Lido Hotel. Ik heb geen benen meer. Tijd voor rust is het echter nog niet. Boven op het dakterras klinkt vrolijke herrie. Nieuwsgierig ga ik even kijken. Er treedt een dansgroepje op. Helaas is de voorstelling net afgelopen als ik ga zitten. Er komt nog een goochelaar. De rest van de avond wordt tropische muziek gespeeld. Erg gezellig, maar na een tijdje ben ik toch blij dat de herrie niet tot mijn inpandige slaapvertrek doordringt.

Zondag, 22 maart 1998

Weer slaap ik uit tot acht uur. Vandaag ga ik naar Pinar del Rio omdat wat beter te kunnen bekijken dan tijdens de rondreis. Met de trein was geen optie, dus vandaag maar eens kijken of er ander vervoer is. Met een Lada-taxi rijd ik naar het busstation. Daar blijkt geen bus naar Pinar del Rio te vertrekken, maar ik kan wel mee met een collectieve taxi. Het is een Mockbah, of zo iets. Een wrak van een voertuig. Als er niemand meer bij kan, vertrekken we richting Auto Pista. De meters blijven tijdens het rijden op 0 staan. Ik hoop dat het oude voertuig de lange rit kan volbrengen. Ik hoop ook dat niemand wil roken, want het stinkt een uur in de wind naar benzine in de auto.

Het gaat gelukkig goed en al na twee uur zijn we in het stadje van de sigarenfabrieken. De overige passagiers stappen uit. Ik rijd verder naar Vinales. Dat is nog eens veertig minuten langs een slingerweg door de bergen. De chauffeur stopt voor een pension, dat waarschijnlijk van zijn familie is. Het is met 20 dollar per nacht niet goedkoop, maar het ziet er wel goed uit. Er is goed eten en ik kan gratis over een fiets beschikken. Vooral met dat laatste ben ik wel blij, want mijn benen hebben na al die dagen slenteren niet veel zin meer. De dochter van de verhuurder spreekt goed Engels. Zij is telecom-ingenieur en woont met haar man achter het huis van haar ouders. Zij is drie maanden zwanger. Ik ga een eindje fietsen. Het is voor de verandering weer eens zwaar bewolkt vandaag. Na de lunch wandel ik wat door het dorp, maar veel is er niet te zien. Bij het busstation zie ik dat er een bus naar Havana rijdt. Die besluit ik te nemen als ik terug ga naar de hoofdstad. Ik doe vandaag een beetje rustig aan en ga ’s middags wat zitten lezen op het terras. Daar zit ik in ieder geval droog, want het is weer beginnen te regenen. Meteen wordt het heel koud. Zelfs met een sweater aan zit ik te rillen. Rustig is het niet. De omgeving lijkt wel een dierentuin en aan de overkant hebben de buren de hele dag keiharde muziek aan staan. Ondanks de herrie val ik toch in slaap als ik even op bed ga liggen. Pas om acht uur word ik weer wakker. Het is donker en hoog tijd om wat te eten te zoeken, want restaurants gaan vroeg dicht in Cuba. Ik heb het nog steeds ijskoud en voel mij een beetje koortsig. Het eten smaakt ook al niet best. Ik krijg het royale portie met geen mogelijkheid op. Op televisie zie ik later dat het in het oosten van Cuba noodweer is. Ik zit in het westen en hier is ook niet al te best. Het blijft de rest van de avond hard regenen. Ik ga vroeg naar bed.

Maandag, 23 maart 1998

Dankzij mijn oordopjes tegen hanengekraai en muggengezoem weet ik tot acht uur in slaap te blijven. Ik voel mij nog steeds niet best als ik aan het droge, sobere ontbijt begin. Ik eet alleen droog brood om mijn darmen weer onder controle te krijgen. Het weer is iets beter dan gisteren. Het klaart zelfs even op als ik mijn fiets pak om naar het noordwesten van de vallei te gaan. Daar is een prachtig karstgebergte. Ik maak een paar foto’s als de zon even doorbreekt, maar de bewolking houdt de overhand.
Als de heuvels beginnen, merk ik hoe uitgeput ik ben. Ik heb niet meer genoeg kracht om de hellende weg te vervolgen. In Laos had ik nog slechtere fietsen, maar daar kwam ik toen wel verder mee. Omdat het weer steeds dreigender wordt, keer ik vroeg terug naar het dorp, waar ik rond half twee aankom. Ik rust even uit en rijd dan naar het westen van de vallei. Ik begin nu zadelpijn te krijgen en vermoeide benen van het fietsen. Ik laat mij echter niet kennen en ploeter de heuvels op naar het hoger gelegen Los Jazminez. Vandaar heb ik een prachtig uitzicht over de vallei. Het weer knapt even op, maar de harde noordenwind houdt het koud en garandeert dat er vandaag nog wel meer regen zal vallen. Ik maak nog wat foto’s van een boer met een ossenspan.

Ik heb geluk dat de zon net even doorbreekt. Dan fiets ik terug naar de ‘muur van de prehistorie’ met de prachtige beschilderingen. Rond vijf uur is de lucht weer donker, maar dan klaart het ineens onverwacht helemaal op. Ik zoek een mooie plek om de zonsondergang te zien. Op het laatste moment besluit ik nog even naar Los Jazminez te fietsen. Mijn inspanningen worden echter niet beloond. Als ik eindelijk boven ben is de zon al weer achter een dikke wolk verdwenen. En dan zijn de batterijen van mijn camera ook nog leeg, terwijl ik natuurlijk geen reservebatterij heb meegenomen. Het fietsje moet het flink ontgelden als ik met grote haast terug naar het dorp rijd. Ik wil voor het donker wordt de gevaarlijke weg vol kuilen achter mij hebben. Het lukt net. Om acht uur is het donker als ik aan een maaltijd met een heel taai varken begin. Morgen probeer ik maar eens vegetarisch te eten. Het diner is niet de vijf dollar waard die ik er voor moet betalen. ’s Avonds kijk ik met de familie van het pension naar de televisie. De mensen hebben het hier gemiddeld beter dan in Havana. De familie heeft kleurentelevisie, een stereo-installatie en een motorfiets. Dat is in Cuba alleen met toeristendollars bij elkaar te verdienen. Er is verder niets te doen in het dorp, dus ga ik maar weer vroeg naar bed.

Dinsdag, 24 maart 1998

Als ik ’s morgens om zeven uur de houten jaloezieën opendraai, kan ik mijn ogen niet geloven. Het is mooi weer! Schitterend zelf. Iedereen slaapt nog, dus er is geen ontbijt. Ik ga daar ook niet op wachten, want over een uur kan het weer bewolkt zijn. Ik fiets naar de muur van de prehistorie en voel mij geweldig vandaag. Het lijkt wel alsof mijn depressie van de afgelopen dagen als sneeuw voor de zon verdwenen is.
Fietsen valt niet mee, want ik heb nog pijn van de tochtjes van de afgelopen dagen. Ook zijn mijn benen moe en is mijn buikpijn nog niet over. Maar ik laat mij door die ongemakken niet tegenhouden. Niet nu het eindelijk prachtig weer is. Ik wil ook nog naar Los Jazminez voor een paar uitzichtfoto’s met zon. Ondanks mijn vermoeidheid weet ik de heuvel opnieuw te bedwingen en boven prachtige foto’s van de vallei te maken. Daarna weer terug naar het dorp voor mijn ontbijt en een flesje water. Als het zo mooi blijft, blijf ik nog een dagje langer in Vinales. Ik fiets weer in noordelijke richting. Als de weg ophoudt ga ik te voet verder. Ook hier vandaan is het uitzicht prachtig. Door de dennenbomen zie ik in de diepte het groene dal liggen. Terug naar het dorp gaat het gelukkig makkelijker. Ik laat mij door de zwaartekracht voortbewegen. Bergop fietsen gaat mij nu echt niet meer lukken. De kracht is op. Uitgeput en uitgedroogd kom ik weer in Vinalez aan. Er komen weer wat wolken aandrijven en terwijl ik van een biertje geniet, besluit ik vandaag toch weer terug te keren naar Havana. Ik pak mijn spullen in, betaal de forse rekening van 67 dollar, drink nog een glas vruchtensap en loop dan naar de halte, waar om half drie de bus naar Havana vertrekt. De bus staat klaar. Ik stap in, maar wordt even later door de chauffeur naar een kaartverkoopkantoortje gestuurd. Dat kantoortje staat niet bij de halte. Ik moet mij haasten, want de chauffeur zegt dat hij elk moment wil vertrekken. Natuurlijk staat er een flinke rij voor het loket. Ik geef de hoop al bijna op, maar krijg toch nog mijn kaartje. De prijs van 12 dollar valt mij een beetje tegen. Dat is maar een fractie goedkoper dan de veel snellere en comfortabelere collectieve taxi. Ik ben benieuwd waar ik in Havana uit zal komen. Het gaat in ieder geval een tijdje duren, want de bus stopt om de haverklap. Intussen is het weer geheel bewolkt geworden en ben ik blij dat ik vandaag terug ga naar de hoofdstad. Daar is ook altijd wel iets te doen als het wat minder weer is. De bus stopt om de paar kilometer langs de Auto Pista. Soms zelfs aan de linkerkant. De mensen die staat te wachten, hebben echter liever een gratis lift. Pas tegen zes uur rijden we de buitenwijken van Havana in. Via een flinke omweg komen we bij het busstation aan, vlakbij Plaza de Revolutión. Het is al weer donker geworden. Met een Lada-taxi laat ik mij naar het Lido Hotel brengen, wat volgeboekt blijkt te zijn. Reserveren is niet nodig, had de receptioniste een paar dagen geleden gezegd. Ik ben er niet blij mee. Ik reserveer maar wel vast voor de volgende nacht. Dan loop ik naar Hotel Caribbean. Daar is nog wel een kamer vrij, maar die kost 31 dollar en biedt minder comfort. Ik loop nog wat door de stad, waar een koude wind is opgestoken. Via de Malecón loop ik terug naar het hotel.

Woensdag, 25 maart 1998

Het is een stuk minder rustig in Hotel Caribbean. Daarom word ik al half zes wakker. Ik probeer nog even te slapen, maar om zeven uur beginnen bouwvakkers lawaai te maken. Ik ben blij dat ik hier maar één nacht heb hoeven doorbrengen. Buiten ziet het er zonnig uit, maar de zon in het oosten zit net achter een wolk. Ik maak wat foto’s van het paleis, dat vlak bij het hotel staat. Daar schijnt alleen ’s morgens vroeg de zon op.

Na een uurtje rondlopen ontbijt ik in Hotel Caribbean. Als ik mijn spullen naar het Lido Hotel heb gebracht, maak ik een lange wandeling door de oude stad van Havana. Ik kom ook weer langs Plaza de Revolutión en het Capitool. De stad ziet er heel anders uit als het zonnig is. Wel branden mijn voeten. Het is erg vervelend dat ik in Havana geen fiets kan huren. Af en toe rust ik even uit met een biertje of een Cuba Libre op een terrasje. Van San Christobal loop ik via Calle 12 naar het begin van de Malecón, die ik over de volle lengte van zeven kilometer afloop naar het centrum. Het begin is echter niet de moeite waard. Alleen de twee kilometer vanaf het centrum zijn echt mooi. Tenminste, als je de verruïneerde huizen mooi vindt.

Het trottoir is nog nat en op sommige plaatsen spekglad. Hier en daar zitten paartjes te knuffelen op de betonnen balustrade. Met pijnlijke voeten bereik ik tegen zeven uur het einde van de lange boulevard. De zon gaat prachtig onder tussen de vervallen wolkenkrabbers die de skyline van Havana vormen. Ik neem een douche in het hotel en ga dan op zoek naar een tentje om te eten. Het goedkope spaghettirestaurant heeft helaas geen spaghetti meer. Met een kaal mannetje loop ik mee naar een privérestaurant. Het is er erg gezellig, maar met 15 dollar wordt het mijn duurste diner van deze reis. Daarvoor krijg ik wel een reusachtige kreeft. Heel lekker ook. En wat een sfeer, zo om de hoek van de kathedraal. Via de Plaza de Armas en de Obsio loop ik terug naar het Lido Hotel. Dit wordt weer een rustige nacht.

Donderdag, 26 maart 1998

Hoewel de kamer heel stil is, slaap ik toch slecht. Ik word steeds wakker van vreemde dromen. Ik ben nog doodmoe als ik om negen uur opsta. Vandaag moet ik maar eens wat minder gaan lopen, want mijn benen willen niet meer. Ik wandel naar de veerpont die naar Casa Blanca vaart. Daar bewonder ik het reusachtige beeld van Jezus en loop ik naar het stationnetje om te informeren of het elektrische treintje van Hershey nog rijdt. Met dat treintje kan ik naar Matanzas, dat vlak bij Varadero ligt, waar ik weer op het vliegtuig naar huis zal stappen. Het zal een vroegertje worden, want half tien ’s morgens rijdt de enige trein van de dag. Ik vaar terug naar de oude stad, wandel naar het Capitool en koop een flesje Cola in de dollarwinkel aan de Bolivar. Ik maak een foto van een oude NZH-bus. Er is nauwelijks iets aan veranderd, sinds het voertuig Nederland verlaten heeft. De bussen zijn overigens niet populair, hoor ik, omdat ze geen airconditioning hebben en de ramen niet open kunnen. De oude stad verveelt nooit, dus ik wandel weer verder om tenslotte weer bij de Malecón uit te komen.

Met mooi weer is het daar veel leuker. De ruines staan mooi in de zon vandaag. Ik wil alvast bronwater kopen voor morgen. Een donkere jongen loopt met mij mee. Hij wil mijn vriend worden, zegt hij. Hij heet Louis en ik verdenk hem ervan dat hij mij nepsigaren wil verkopen. Dat is ook een soort nationale sport in Cuba. Ik raak Louis niet makkelijk kwijt. De winkels verkopen geen water, dus er zit weinig op dan weer naar de dollarwinkel aan de Bolivar te lopen. Dat is niet in de buurt. Als Louis merkt dat hij aan mij niet veel gaat verdienen, zeurt hij nog om een dollar. Die heb ik niet, lieg ik, waarna hij eindelijk afdruipt. Ik moet trouwens toch zuinig aan gaan doen, want ik heb nog maar 200 dollar over voor de rest van mijn reis. En ik moet ook nog naar Varadero en de luchthaven. Om geld te besparen eet ik ’s avonds bij restaurant Hanoi. Het is niet veel bijzonders, maar wel heel goedkoop. Ik wandel terug naar Lido Hotel voor mijn laatste nacht in Havana.

Vrijdag, 27 maart 1998

Het zit er bijna op. Ik ga met een paar Cubaanse jongeren naar Playa del Este, een strand in de buurt van Havana. Het is een mooi strand, waar de Cubanen naar toe gaan, omdat Varadero voor hen te duur of zelfs verboden is. Onderweg plenst het van de regen, maar als we aankomen met de collectieve taxi, klaart het op en breekt zelfs de zon door. Het waait wel heel hard en er is een gevaarlijke stroming in de zee. Tegen het einde van de middag komt er weer regen aan en keren we terug naar Havana.

Ik slaap tot een uur of acht en ga dan op zoek naar een particulier restaurant, voor een laatste maaltijd in de Cubaanse hoofdstad. Het eten is er goed. Een soort rundvlees met rijst en zwarte bonen. Gebakken bananenschijfjes doen dienst als groente. Op de muur staan honderden namen geschreven. Ik zet mijn naam er ook tussen. ’s Avonds is er weer cabaret op het dak van het hotel.

Zaterdag, 28 maart 1998

Ik ben gebroken als kwart voor zeven de wekker gaat. Ik pak snel mijn spullen in, kleed mij aan en eet in de cafetaria wat toast met omelet en kaas. Ik heb geen zin om met mijn zware rugzak te lopen, dus laat ik mij met een fietstaxi via een omweg naar de pont brengen. Om kwart voor negen ben ik aan de overkant. Mooi op tijd. Ik loop het laatste stukje naar het station, waar al veel mensen zitten te wachten. De trein is er echter nog niet. Er schijnt iets aan de hand te zijn met de rails of zo. Gelukkig hoef ik vandaag niet met het vliegtuig mee. Ik heb nog de hele dag om in Varadero te komen en morgen zou ook nog kunnen. Ik kan eventueel ook in Matanzas blijven, wat dichter bij het vliegveld is. Tijdens het wachten word ik gek van de herrie die door drilboren wordt veroorzaakt. Ik heb echte niet voor niets gewacht, want rond tien uur rijdt de trein het station binnen. Even later gaat het loket open en kan ik zonder ingewikkeld gedoe een kaartje kopen. Ik maak wat foto’s van de trein en zoek dan een plaatsje op. Helaas zit ik niet echt gunstig, maar kan ik via de voorkant van de wagon een beetje naar buiten kijken. De trein zit bijna vol als we om half elf het station uit rijden. Helaas vindt al na zeven minuten een technische storing plaats. De luchtleiding is losgeschoten en de machinisten gaan op hun gemak tot reparatie over. Het wordt al snel erg heet in de trein, nu de wind niet meer door de wagons waait. Na tien minuten is het euvel verhopen en sukkelen we verder. De trein stopt vaak. Ook als er geen station is. En soms rijden we een stukje achteruit om daarna weer vooruit verder te rijden. Het is al over drieën als we eindelijk aankomen in Matanzas. Het was in ieder geval wel een leuke en ontspannende rit. Vooral de laatste kilometers voerden door een prachtig natuurgebied. Het is alleen jammer dat er nauwelijks naar buiten gekeken kan worden. Eenmaal aangekomen kijk ik wat rond in het stadje. Veel is er niet aan en de paar mooie gebouwen die er staan zijn vanwege de verkeerde stand van de zon niet echt te fotograferen. Ik word veelvuldig lastiggevallen door ronselaars, die mij een pension willen aansmeren. De jongens zijn vervelender dan muggen, waardoor ik Matanzas al na een kwartiertje zat ben. Ik kijk hoe ik in Varadero kan komen. Er lijkt geen bus te gaan. Wel taxi’s, maar die vind ik met 15 dollar een beetje te duur. Dan klampt een donkere jongen van de busmaatschappij mij aan. Hij houdt een van de oude Astra-bussen aan. Ik kan voor slechts zes dollar mee naar Varadero. Dat is dan ook weer geregeld. Helaas gaat de bus niet naar het busstation. Hij rijdt er met hoge snelheid voorbij en gaat voort in oostelijke richting. Ik blijf zitten tot het eindpunt en kan dan gratis mee met een bus die naar Matanzas rijdt. Die bus stopt vlakbij een aantal hotels waar ik mijn geluk wil beproeven. Helaas worden in Varadero toeristische prijzen berekend. Onder de 41 dollar weet ik niets te vinden. Dat is veel duurder dan ik verwacht had. Pensions zijn er hier niet. De kamer is wel comfortabel en er is een warme douche. Ik ga op zoek naar een restaurant en merk dat er in Varadero geen fluit te beleven is. Alleen toeristen die een week in de zon liggen te bakken. Dit heeft niets met Cuba te maken. Ik heb al spijt dat ik niet nog een nacht in Havana ben gebleven. De maaltijd is een voordeelmenu met visfilet omdat de kip op was. Ook ’s avonds is er niets te doen in deze badplaats. Verveeld loop ik terug naar het hotel.

Zondag, 29 maart 1998

Erg rustig is het niet in het hotel. Om één uur ’s nachts gaat de telefoon. Geïrriteerd neem ik op. Er klinkt Spaans gebrabbel aan de andere kant. Ik hang weer op. Een uur later wordt er op de ramen en de deur geklopt. Ik probeer het te negeren, maar het kloppen houdt aan. Woedend sta ik uiteindelijk op, open de jaloezieën en scheld de lawaaischopper verrot. Het blijkt een dronken toerist te zijn die zich in de kamer had vergist.
Slapen lukt niet echt meer. Dat wordt geen uitgerust vertrek naar huis. Ik begin Varadero behoorlijk te haten. Die plaats kan je beter links laten liggen als je naar Cuba gaat. Om vijf uur ben ik klaarwakker en ga ik maar lezen. Wat later prop ik mij vol bij het ontbijtbuffet, zodat ik voor de hele dag genoeg voedsel in mijn maag heb. Ik ga nog twee uur naar het strand. Nog even van de Caribean genieten. Varadero ligt wonder boven wonder precies onder een groot gat in het zware wolkendek.
Ik neem nog even een douche in het hotel en check dan uit. In het hotelwinkeltje zie ik tot mijn schrik dat ook de Cubanen de zomertijd hebben ingevoerd. Dat wordt haasten naar het vliegveld. Gelukkig doet de receptioniste er niet moeilijk over dat ik een kwartier te laat heb uitgecheckt, anders had ik nog 41 dollar kunnen bijbetalen. Er zit weinig anders op dan een taxi naar het vliegveld te nemen. Kost weer 20 dollar en eenzelfde bedrag ben ik op het vliegveld kwijt aan luchthavenbelasting. Mijn geld is nu echt zo goed als op. De douane vertrouwt mij niet echt, dus alles moet uitgepakt en onderzocht worden. De intensieve controle neemt zeker een kwartier in beslag. Ik kan mij er niet meer over opwinden. Dit is een typisch afscheid van Cuba. Gelukkig heb ik verder niets te maken gehad met de niet altijd even vriendelijke overheid in dit land. Ik ben blij dat ik een goede raamplaats heb gekregen in het vliegtuig. Minder leuk is het dat we bijna twee uur te laat vertrekken.
Het is bijna donker als we om kwart over zes opstijgen. We vliegen eerst naar Jamaica, waar ik van boord moet. Ik koop een ansichtkaartje om naar huis te sturen. Ik zal allang thuis zijn als het aankomt. Al na een uurtje is het tijd om weer aan boord te gaan. Het vliegtuig stijgt op en een uur later vliegen we opnieuw over Cuba alleen is daar op wat lichtjes na vrijwel niets meer van te zien. De Boeing zet koers richting noordwestelijk Afrika.

HomeDisclaimerPrivacybeleidOver de auteur
Contact