China

China was mijn eerste echte verre reis. 24 juni 1993 vertrok ik met de trein vanuit Haarlem om na een lange treinreis door Duitsland, Polen, Witrusland, Rusland en Kazachstan op 4 juli in China te arriveren. Dat was in het uiterste noord-westen bij de grensplaats Druzhba. Van daar reisde ik verder per trein via Ürümchi, Lanzhou, Datong, Beijing, Xi’an, Chengdu, Dazu, Chongqing, Yichang, Yangshuo en Guangzhou naar Hong Kong, waarvandaan ik op 8 augustus terugvloog naar Nederland.
Ik onderbrak mijn reis regelmatig om steden te bezoeken. Zo bracht ik drie dagen in Moskou en bijna een week in Beijing door. In het zuiden van China ging mijn aandacht vooral uit naar het platte land. Geweldig waren de karstbergen bij Yangshuo en de drie kloven van de Yangzte-rivier, die vanwege het stuwdamproject bij Yichang dat jaar voor het laatst in al hun glorie bewonderd konden worden. Ook indrukwekkend was het Zhang Jia Jie-park, dat met zijn loodrecht omhoogwijzende rotspieken uniek in de wereld is, maar wegens zijn moeilijke bereikbaarheid nauwelijks door buitenlanders wordt aangedaan. Maar ook de steden had ik niet willen missen. Het zijn stinkende betonwoestijnen waar het zonlicht vanwege de smog niet meer door kan dringen, maar het was geweldig om op de fiets in de enorme stromen Chinezen op te gaan en ’s morgens rond zes uur in de parken mee te doen met de Tai Chi-oefeningen. En dan de vele tempels en paleizen die na de verschrikkingen van de Culturele Revolutie grotendeels weer uit de as herrezen zijn.

Proloog

Ik begon mijn reis naar China in Haarlem waar ik met mijn vriendin op de stoptrein naar Amsterdam stapte. Op Amsterdam CS begon het echte avontuur. Rond vijf uur in de middag nam ik afscheid van mijn vriendin en moeder en vertrok ik met de internationale trein naar Hannover. Naast een rugzak had ik twee boodschappentassen met proviand bij mij, want ik ging ervan uit dat ik in Rusland en Kazachstan alleen lege winkels zou vinden. Laat in de avond stapte ik over op de nachttrein naar Moskou. Mijn medepassagiers hadden zodanig veel handelswaar bij zich, dat ik net zo goed met een goederentrein had kunnen reizen. Na twee oncomfortabele nachten kwam ik in Moskou aan, waar ik ook twee nachten bleef. Aan het einde van de derde dag vertrok ik met de trein voor een vier nachten en drie dagen durende reis naar Alma Ata in Kazachstan. Daar kon ik twee dagen bijkomen, waarna ik verder reisde naar Ürümqi in China. Ook weer een reis van twee nachten. Tijdens de tweede dag kwam ik bij de grens met China aan. Die dag begint dit reisverslag, dat een vervolg is op het reisverslag van Rusland.

Zondag, 4 juli 1993

De trein rijdt door de steppen van oost Kazachstan als ik ’s morgens door het lawaai van de conducteur gewekt wordt. Het is bijna half negen. Vanaf negen uur kunnen we ontbijten in de restauratiewagen, enkele wagons verderop in de trein.
Het was geen rustige nacht. Ik droomde van mijn dwaaltochten door Alma-Ata. Ik had de tijd uit het oog verloren en kon de stad niet meer verlaten. Toch voel ik mij redelijk uitgerust. Ik ga als eerste van ons kleine gezelschap naar het washok, waar intussen al enkele andere passagiers, Chinezen, op hun beurt staan te wachten. Gert, Kees en Carol hadden moeite met opstaan. Zij hadden beter geslapen dan ik.
Het is een heel eind lopen naar de restauratiewagen. Af en toe vraag ik een conductrice waar de restauratiewagen is door het Chinese woord voor eten op te noemen, ‘Chifan’. Ik word steeds weer naar voren toe verwezen. Het valt mij op dat de hele trein nieuw en schoon is. Elke wagon heeft minstens twee man personeel dat er nauwlettend op toeziet dat de passagiers de trein met respect behandelen. Het personeel ziet er net zo netjes uit als de trein. Het is een heel verschil met de dikke Russische slons uit de trein naar Alma-Ata. In de restauratiewagen tref ik Gert en Kees aan. We bestellen een ontbijt waarvoor één dollar in rekening gebracht wordt. Toch typisch, in deze uithoek van de wereld wordt van buitenlanders alleen de Amerikaanse munt geaccepteerd. Gelukkig heb ik nog enkele beduimelde biljetjes bij mij.
De trein is vanochtend vroeg gestopt in Aktogay. Vandaar leidt de spoorlijn verder naar het noorden, naar Siberië. Onze trein maakte echter kop en reed een stukje terug om de zijtak naar de grensplaats Druzhba in te slaan. Vroeger was dat het eindpunt van deze lijn, maar dit jaar is eindelijk de aansluiting met het Chinese spoorwegnet opengesteld, waardoor een belangrijke verbinding tussen Kazachstan en China is ontstaan. Na het vertrek uit Aktogay viel ik weer in slaap.
Voor die ene dollar serveert de Chinese spoorwegmaatschappij bruin brood met worst en een bordje spaghetti met pittig gekruid vlees. Het is wel wat vettig allemaal, maar het smaakt niet slecht. De restauratiewagen is overigens de enige Russische wagon in de trein. De andere wagons zijn Chinees.
De trein rijdt verder door een saai, uitgestrekt steppelandschap. Zo ver als het oog reikt, is alleen lang, vaalbruin gras te zien. Dat gaat zo ongeveer twee uur door. Eindeloze grasvlakten. Geen dieren en al helemaal geen mensen. Zelfs vogels zijn in dit afgelegen deel van de wereld niet te zien.
Tot ineens bergen aan de oostelijke horizon verschijnen. Een gevoel van opwinding maakt zich van mij meester. Volgens mijn kaart liggen die nog maar wazig zichtbare bergen in China. Mijn reisdoel is in zicht! Ik laat Kees, Gert en Carol de kaart zien en wijs in de verte. “Als we het land niet inkomen, hebben we het in ieder geval wel gezien”, zeg ik bij wijze van grap. Ik wist toen nog niet hoe moeilijk het zou worden om China in te komen.
Aan het einde van de steppen ligt een reusachtig meer. Het Alakolmeer, dat zo groot is dat de overzijde achter de horizon ligt. De spoorlijn loopt hier over een dijk tussen verschillende kleine meren en baaien in. Het zwarte water klotst tegen de kant.
Even stopt de trein en kan ik een foto maken van de uitgestrekte watervlakte. Dan komen we weer in beweging. De conducteur gebaart dat het raam dicht moet. Dit mocht vanmiddag open nadat de airconditioning was uitgeschakeld. Nu we de grens naderen is het echter afgelopen met uit het raam hangen en fotograferen. Vooral dat laatste. We moeten terug naar de couchettes en de gangdeuren mogen niet meer open. Gert, Kees, Carol en ik kijken elkaar verwonderd aan, nieuwsgierig naar wat komen zal. Door de luidsprekers van het intercomsysteem klinkt voor de derde maal ‘An other brick in the wall’ van Pink Floyd. Naast de spoorlijn loopt de Chinese grens, die beveiligd wordt met drie rijen prikkeldraad en wachttorens om de halve kilometer. Stiekem maak ik toch enkele foto’s. De woestijn achter het prikkeldraad is China.

Grenswachten zie ik niet en ik kan ook niet zien of de wachttorens bemand zijn. Misschien liggen wel overal mijnen tussen de afrasteringen. Ik vraag mij af wie ze willen tegenhouden. Hier komt geen sterveling.
De trein rijdt ongeveer een uur lang met een slakkengang langs de grens. Al die tijd is buiten de trein geen mens te zien. Dan bereiken we het grensstation van Druzhba waar andere wielen onder de trein geplaatst worden. Dat duurt bijzonder lang. Eerst worden de wagons een aantal maal heen en weer gerangeerd, dan blijven we weer ruim een kwartier staan. Door de felle zon en de uitgeschakelde airconditioning wordt het snel warmer in de trein.

Na nog een paar keer heen en weer geschud te zijn wordt onze wagon op de vijzels geplaatst en langzaam omhoog getild. Hier gebeurt het wisselen van de wielen in de open lucht. Dat kan ook wel, want regen moet hier een bijzonder zeldzaam verschijnsel zijn. Om ons heen staan de sporen vol met wielstellen.
Nadat de wagon weer bijna onmerkbaar langzaam gezakt is wordt een diesellocomotief aangekoppeld, die ons naar het stationnetje terug brengt. We mogen de trein nog steeds niet verlaten, terwijl binnen de temperatuur de dertig graden al gepasseerd moet zijn.
Dan komt de douane aan boord. Het ziet er indrukwekkend uit. Het lijkt wel een razzia. Rond de trein hebben zwaar bewapende militairen zich opgesteld en binnen lopen de grenswachten schreeuwend om de paspoorten rond. We krijgen een in het Russisch opgesteld declaratieformulier waar we geen van vieren wijs uit worden. Ik pak mijn Engelstalige versie erbij en schrijf de gegevens over op het Russische biljet. Ik hoop dat de gegevens overeenstemmen, want ze lijken mij hier weinig begripvol.
Dan komt een onderofficier met het gezicht van een model-SS’er onze couchette binnen. Hij gaat tegenover mij zitten en vraagt of wij al ons geld tevoorschijn willen halen. Ik krijg een boos vermoeden dat dit een onderzoek naar het potentieel aan smeergeld betreft.
Alle cheques en bankbiljetten worden nauwkeurig geteld en vergeleken met de bedragen die op de declaratieformulieren zijn ingevuld. Ik krijg het spaansbenauwd. Ik heb nog wat roebels bij mij, de verfrommelde biljetjes die ik van Ludmila gekregen had. Die heb ik vanwege de onwaarschijnlijk lage waarde niet op het formulier ingevuld uit angst dat ik ze zou moeten afgeven.
Dan begint het gedonder. Carol had de strengheid van de lokale douane onderschat en veel te nonchalant haar declaratieformulier ingevuld. Zo was zij vergeten een tamelijk grote hoeveelheid Engelse ponden aan te geven. De onderofficier kijkt ons woedend aan, alsof wij een stel samenzweerders zijn en valt uit naar Carol. Hij roept er twee andere douaniers bij, die allen bij ons plaatsnemen in het krappe slaapcompartiment. Een lucht van transpiratie begint te overheersen. Ze kunnen ons zo van deze trein afhalen, realiseer ik mij, en ons een week in dit oord laten zitten.
Er volgt een uitgebreide ondervraging, waarbij vooral Carol het moet ontgelden. Gert, Kees en ik kijken elkaar aan en we lezen in elkaars ogen dat we allen zin hebben om hier bepaalde mensen door wurging naar de andere wereld te helpen. De douaniers eisen voor verder onderzoek dat alle bagage wordt geleegd. Dat is een ramp. Het kost enorm veel moeite om rugzakken efficiënt in te pakken, en straks zal dat allemaal opnieuw moeten gebeuren. Bovendien is er veel te weinig ruimte om alle spullen zo uit te stallen, dat onze bezittingen niet door elkaar raken.
De drie mannen doorzoeken alles grondig en maken elk doosje en elke verpakking open om te kijken of er geen geld in verstopt zit. Ik word nog zenuwachtiger als de man met het SS-gezicht overal onder begint te kijken. Ik had mijn geldtasje met daarin de roebels onder de zitting van de bank weggemoffeld. Als hij die vind zal ik heel wat om uit te leggen hebben. Gert, Kees en ik moeten de couchette verlaten en een vrouwelijke tolk gaat naar binnen. Het duurt een hele tijd en af en toe gaat de deur even open om een van de douaniers door te laten. Dan komt de SS-kop naar buiten. Hij kijkt met een gezicht van: ‘wat moet je nou met dat buitenlandse tuig’ en loopt naar de uitgang van de wagon. Carol heeft intussen slaande ruzie met de tolk. Ze mist twintig pond en verdenkt de douanier ervan ze achtergehouden te hebben. De onderofficier komt weer terug en we moeten weer de tassen legen, terwijl we ze net provisorisch weer hadden ingepakt. Er komen wat muntjes en metropenningen tevoorschijn uit het zijvak van mijn tas en de douanier kijkt mij vernietigend aan. “Roebels”, bromt hij boos. Triomfantelijk haalt hij mijn declaratieformulier tevoorschijn. “Wo roebels”, vraagt hij. Ik kijk onnozel naar het formulier. Wat had ik dan moeten invullen. Een bedrag van ongeveer zeven roebel. Dat is amper één cent! Dan begint hij te lachen en geeft de muntjes op een onbeschofte manier terug. Het declaratieformulier stopt hij weer in zijn zak.
Bij Gert, Kees, Carol en mij begint de irritatie gevaarlijke vormen aan te nemen. “We moeten er maar om lachen”, zeg ik geruststellend. “Het hoort erbij in dit soort landen.”
Na twee uur is het feest nog niet afgelopen. Terwijl we op de gang staan zien wij dat andere passagiers het minder moeilijk hebben. De douane heeft het voornamelijk op buitenlanders voorzien. Dat wil zeggen mensen die niet uit China of Kazachstan komen.
Er is blijkbaar nog tijd over want er komen weer drie kerels die met ons de couchette ingaan. Weer controle. Alle vakken van de rugtassen worden nagekeken. Ook de botertrommel van Kees moet open evenals al mijn plastic filmdoosjes. De batterijruimte van mijn zaklantaarn wordt nagekeken evenals al het andere waarin je iets zou kunnen verstoppen. We worden er gek van. Overigens worden we niet gefouilleerd. Dat valt mij mee.
Als de grenswachten de coupé even verlaten pak ik het geldtasje onder de bank verdaan en verstop ik de roebel-biljetjes in de dubbele bodem van mijn fototoesteltas. Die hadden ze al gecontroleerd.
Het is net op tijd, want daar komt de volgende ploeg met een zaklantaarn om de vloer te controleren. Ook de bagageplank wordt aan een nader onderzoek onderworpen en uiteindelijk gaan zelfs de plafondplaten eruit. Ze vinden niets. Dan komt nog een man met een herdershond binnen. Het beest moet alles met zijn neus naspeuren, maar ook die actie blijft zonder het door hen gewenste resultaat. Wij zijn het beu en wachten gelaten af wat nog meer komen zal. Inmiddels begint de zon de westelijke horizon te naderen.
Na vijf uur krijgen we onze paspoorten terug en mogen we de bagage weer inpakken. De grenswachten rijden nog een stukje mee met de trein die langzaam door een met vele rijen prikkeldraad afgerasterde corridor rijdt. Halverwege springen zij eraf. Ik hoop ze nooit meer terug te zien.

Terwijl we de grens passeren, schuif ik het raam van de coupe open om wat van de verkoelende avondlucht binnen te laten. Ik zie dat de corridor een grote lengte heeft, maar in de verte is het grensstation aan de Chinese zijde al zichtbaar.
Op het station hangt een onwaarschijnlijke sfeer. Een heldere vrouwenstem galmt ononderbroken onverstaanbare klanken over het perron en op het perron zelf staan Chinese douanebeambten in slagorde klaar om de trein te betreden. Het lijkt wel een socialistische modelkazerne. Terwijl we tot stilstand komen voel ik mij een generaal op inspectietocht. Zou de Chinese regering hier hun keurkorps gedetacheerd hebben?
Het station zelf is nieuw en blijkbaar gebouwd met de bedoeling om de reiziger een goede eerste indruk van China te geven. Behalve dat het station voor een uitgestorven uithoek als hier onwaarschijnlijk groot is, heeft men ook aan de architectuur de nodige aandacht besteed. Kleurige mozaïken verraden de Moorse invloeden in dit noordwestelijk deel van China. Terwijl de talrijke vaandels duidelijk maken dat we ons in een socialistische staat bevinden, waar vaderlandsliefde alleen door liefde voor de regering overtroffen mag worden. Het station aan de Russische kant dateerde uit 1960 en was veel soberder uitgevoerd. Het was dan ook 33 jaar lang een eindpunt gebleven, omdat rond de tijd van de bouw de betrekkingen tussen de Sovjet-Unie en China verslechterden en de Chinezen niet langer behoefte hadden aan een nieuwe verbinding tussen hun spoorwegnet en dat van de Sovjets. Nu de politieke situatie beter geworden is nemen economische belangen de overhand en is de Chinese regering er alsnog toe overgegaan om het ontbrekende traject tussen Ürümqi en de grens van Kazachstan aan te leggen. De nieuwe lijn speelt een belangrijke rol bij de export van de in de provincie Xinjiang rijkelijk aanwezige mineralen naar Rusland.
Terwijl de trein tot stilstand komt, schalt marsmuziek over het perron. Af en toe worden de schelle klanken onderbroken voor een riedel galmende woorden van de omroepster. Dan gaat het weer verder. In gedachte zie ik mij als bevrijder de grens over marcheren. Die gevoelens worden opgeroepen door de magische sfeer op dit vreemde station. Zit er soms een groot staatshoofd in deze trein? De marsmuziek schettert nog steeds als de deuren geopend worden en het Chinese keurkorps de trein binnenkomt.
Een vrouwelijke beambte glimlacht vriendelijk als ik haar met ‘ní-hâo’ begroet. Maar dan wordt het weer ernstiger. Het uitdelen van declaratieformulieren begint weer. In het Chinees ditmaal. Gelukkig staat er een Russische vertaling onder de karakters, dat maakt het een stuk eenvoudiger.
Het Engelstalige briefje lijkt in de verte niet op dit Chinese exemplaar en mijn Berlitz-boekje helpt mij ook niet verder. Ik ben blij als een Chinees uit een andere couchette zich in het Engels voorstelt en ons hulp aanbied bij het invullen van de formulieren. Een voor een worden de formulieren opgehaald. De beambte stamelt iets onverstaanbaars en wordt al snel ongeduldig als wij hem niet begrijpen. Zou hij weten dat buitenlanders een andere taal spreken? “Two dollar”, zegt de buurman. Hij wil twee dollar van ons. Administratiekosten. Ik kijk verbaasd als hij keurig een kwitantie invult.
Dan komt een kleine, gedrongen Chinees de couchette binnen. Hij wijst naar de rugzak van Gert en gebaart dat hij de inhoud wil zien. Gert neemt niet meer de moeite om de zaak netjes uit te pakken en houdt de zak omgekeerd boven zijn bed. De Chinees bladert de boeken en kranten door op zoek naar verboden lectuur of vieze plaatjes. Weer wordt al het geld nageteld. We krijgen behoefte om een willekeurige vertegenwoordiger van het instituut douane de strot af te snijden om hem vervolgens volledig te fileren.
Het ophalen van de formulieren volgt weer. We staan inmiddels al weer twee uur in het Chinese station. De gedrongen Chinees begint te schreeuwen. Ik begrijp niet wat hij wil en geef hem het declaratieformulier. Dan barst hij helemaal van woede. Hij probeert het formulier uit mijn hand te slaan. Dat gaat mij iets te ver. Ik sta langzaam op en blijk anderhalve kop groter te zijn dan de Chinees. Ik kijk hem doordringend en woedend aan. Tot mijn verbazing lijkt deze vorm van intimidatie te werken. Hij biedt iets in en haalt de buurman erbij. “Dollars”, zegt die weer. “Hij moet ook twee dollar.” Daar gaan mijn laatste twee dollar. Nu ben ik dus blut. Ik heb alleen nog geld waar ik niets aan heb in deze trein. Als ze weer komen collecteren zal ik wel gearresteerd worden. De buurman zegt dat hij denkt dat het om een soort belasting gaat. Daar bouwen ze zulke mooie stations van. “Vroeger was dat niet zo”, vervolgt hij. “Wij hebben nog nooit hoeven betalen om de grens over te komen.” Buiten zie ik een soort handelscentrum in aanbouw. Ze lijken een complete stad rond dit afgelegen grensstation te gaan bouwen. Blijkbaar op kosten van de treinpassagiers.
De formaliteiten duren even lang als in Kazachstan, maar het gaat er minder onbeschoft aan toe. De gedrongen Chinees wilde ons aanvankelijk niet met rust laten, maar de komst van een oudere officier maakte een eind aan zijn getreiter. Hij werd weggestuurd en bleef ons vanaf een bankje aan het einde van het gangpad boos aanstaren, terwijl wij probeerden de humor van de situatie in te zien.
Buiten is het inmiddels donker geworden. Een paarse streep boven de westelijke horizon is het enige dat rest van deze intensieve dag. Vrij onverwachts komt de trein weer in beweging. We gaan nu echt China in. En we zijn zonder kleerscheuren de zwaarbewaakte grens gepasseerd! Carol bekent ons tot haar schaamte dat de twintig pond weer terecht zijn. Ze had zelf verkeerd geteld. We geven haar het advies om in het vervolg beter op te letten bij het invullen van de formulieren.
Ik kijk naar buiten en zie China. Hiervan heb ik jaren lang gedroomd. En nu lijkt het allemaal zo gewoon. Een eindeloze woestenij, bijna onzichtbaar door de duisternis. Ik besluit nog een hapje te gaan eten, nadat ik al mijn spullen weer netjes heb ingepakt. Het blijkt ditmaal een stuk verder te zijn. De Russische wagen is uit de trein gehaald en heeft plaats gemaakt voor een Chinese restauratiewagon. Deze is aan het begin van de trein geplaatst, direct achter de grote diesellocomotief.
Kees en Gert zitten al te eten. Met stokjes. Carol staat bij het buffet bier te bestellen. Dat bestellen gaat op de manier van de Chinese bureaucratie. Eerst moet je bij de kassa een gerecht uitkiezen van de Chinese menukaart. Dan volgt het onderhandelen over de prijs. Het meisje accepteert echter geen dollars. Ik had er nog een opgeduikeld tijdens het inpakken van mijn bagage, maar nu kan ik er niet mee betalen. Gelukkig zie ik mijn Engelstalige buurman zitten. Hij is bereid geld te wisselen en legt met behulp van een rekenmachine uit dat de koers acht yuan voor één dollar is. Ik vertrouw erop dat hij mij niet beduvelt en neem de Chinese biljetjes in ontvangst.
Het meisje blijft weigeren. Ze kijkt minachtend naar het plukje bankpapiertjes en maakt mij duidelijk dat het eenvoudigste gerecht al tien yuan kost. Voor dat geld krijg je een bordje gekruide komkommer. Mijn Chinese medepassagiers hebben lol in mijn gekunstelde discussie met het meisje en nodigen mij uit bij hen aan tafel te komen zitten. Gert, Kees, Carol en ik sluiten aan bij de Chinezen en we genieten gezamenlijk van een maaltijd die bestaat uit paardenvlees, schapenvlees met sterk gekruide komkommer en paprika en een bordje champions. Het smaakt prima.
De Chinezen kijken gefascineerd als ik de eetstokjes ter hand neem. Zij verwachten natuurlijk dat ik er niets van terecht zal brengen als domme, westerse barbaar, maar ik moet hen teleurstellen. Ik ben niet zo handig in het hanteren van de stokjes als de Chinezen, maar het lukt mij heel aardig om zonder knoeien mijn maaltijd naar binnen te werken.
Het bier wordt in flessen van ruim een halve liter verkocht en kost slechts twee yuan (45 cent). Als we de flessen leeg hebben is het inmiddels twee uur Chinese tijd. De reizigers verlaten een voor een de wagon en gaan terug naar hun slaapcompartiment. Kees en ik zijn echter nog niet moe genoeg en blijven nog wat kletsen. Hij vertelt mij dat hij kort voor zijn vertrek een vervelende gebeurtenis heeft meegemaakt. Een goede vriendin van hem is door een ongeval om het leven gekomen. Net voor zijn vertrek had hij de begrafenis bezocht.
We praten verder over werk en school. Kees woont in Julianadorp en werkt in een apotheek in de Amsterdamse Maasstraat. Dat is toevallig. Dat is vlak bij mijn ouderlijk huis. Rond half drie gaan we slapen. De trein dreunt verder met een vaartje van zestig kilometer per uur. De uitgestrekte woestenij wordt vaal verlicht door de volle maan die laag boven de zuidelijke horizon staat.

Maandag, 5 juli 1993

Vandaag ben ik jarig. Maar om nu te zeggen dat ik mij ook jarig voel, nee. Ik ben helemaal uit mijn ritme. Mijn wereld lijkt uit deze trein te bestaan. Het bandje met Pink Floyd klinkt voor de twintigste maal. Zouden ze niet weten dat ‘An other brick in the Wall’ een aanklacht is tegen politieke systemen zoals die in Rusland en China heersen. Zou Deng Xiou Ping weten dat ze dit draaien? Behalve Pink Floyd staan nummers van de Scorpions en Queen op het bandje.
Dan wordt Ürümqi door de intercom geroepen. Ik denk dat het nog wel een uur of twee zal duren voordat we er zijn. Intussen worden de lakens en dekens opgehaald. De buurman komt onze couchette binnen en herhaalt wat de intercom al had medegedeeld. “Half a hour”, zegt hij terwijl hij naar de wijzerplaat van zijn horloge wijst. Hij heeft gelijk. Precies een half uur later rijden we de buitenwijken van een grote stad binnen en mindert de trein vaart. Dan komt de trein met hevige rukken en schokken tot stilstand. Ik kan nog maar moeilijk wennen aan het ruwe rijgedrag van de Russische en Chinese treinwagons. Het komt door de stugge koppelingen. Het verende buffersysteem van Europa kennen ze hier niet.

Op het station is het een drukte van belang. Ik inspecteer nog even het compartiment of niets achtergebleven is en loop dan naar de deur. Wij verlaten zo ongeveer als allerlaatsten de trein en Gert neemt een foto van mij terwijl ik mijn eerste stap op Chinese bodem zet. Dan gaan we even op de bagage zitten om ons gewaar te worden van het feit dat de lange treinreis er op zit en we eindelijk in China zijn.
We maken kennis met een typisch Chinees gebruik als we opgeschrikt worden door het geluid van een riool dat leeggezogen wordt. We kijken om en zien een man die net een dikke rochel uitspuwt. Luid rochelen is in China de gewoonste zaak van de wereld. Het zijn niet alleen oude mannen die het doen, ook vrouwen en kleine kinderen zie je regelmatig met het hoofd naar achteren staan terwijl een luide rochel aan hun keel ontsnapt. Steevast wordt het geluid gevolgd door het uitspuwen van het naar boven gegorgelde residu. Dit kletst meestal vlak voor de voeten van de producent op de grond, waarna die hem met zijn schoenzool vertrapt. Het gerochel klinkt meerdere keren per minuut.
Door een lange gang over de sporen slenteren we achter de overige reizigers aan. Bij de kaartcontrole word ik tot mijn verrassing in het Engels aangesproken. “You from Holland?”, vraagt de beambte. Ze zijn hier goed op de hoogte. Ik volg hem naar een klein kantoortje waar hij zich voorstelt. Hij blijkt van de CITS te zijn, de Chinese staatsorganisatie voor buitenlands toerisme. Hij verklaart mij volledig ten dienste zullen zijn en zegt dat ik voor alle informatie bij hem terecht kan. Ik vraag hem waar ik mijn kaartje voor het volgende traject kan kopen. Hij kijkt geïnteresseerd naar de voucher die ik hem overhandig en noemt dan de naam van het Holiday Inn. “Four o’clock, in Holiday Inn”, zegt hij. Ik neem afscheid en loop de enorme stationshal weer in. Het lijkt hier de Bijenkorf wel. Overal mensen en langs de wanden vele kleine winkeltjes met lectuur, snoep en tabakswaren. Het is ingesteld op passagiers die lange reizen voor de boeg hebben. Kees, Gert en Carol zijn nergens meer te zien.

Buiten zie ik dat het flink geregend heeft in Ürümqi. De lucht is nog steeds zwaar bewolkt, maar aan de horizon zie een opklaring naderbij komen. Al vanaf het perron was buiten op straat het luide getoeter van het drukke verkeer te horen. Nu op het stationsplein is het oorverdovend. Vele vrachtwagens en bussen vechten om de weinige beschikbare vierkante meters op het zich in een tamelijk slechte staat verkerende asfalt. Daar tussendoor manoeuvreren de vele fietsers die zich gedragen alsof zij alleen op de wereld zijn.
Een kaartconductrice had mij uitgelegd waar ik bus 10 kon vinden die mij naar het hotel kon brengen. Volgens mijn reisbijbel moet ik vijf haltes mee en dan een stukje teruglopen. Ik ben benieuwd.
Ik heb geluk want de bus vertrekt net, maar hij stopt nog even om mij in te laten stappen. Met moeite pers ik mij met mijn bagage door de smalle deur van de oude, Spartaanse bus, terwijl ik de chauffeur glimlachend bedank met een kort ‘xie-xie’. Het is een gelede bus zonder enige luxe of franje. Een conductrice roept mij naar achteren waar ik een kaartje moet kopen, maar een Chinese medepassagier geeft mij daartoe niet eens de gelegenheid. Hij staat zijn zitplaats af en loopt naar achteren om een kaartje voor mij te kopen. Hij wil er geen geld voor terug. Waar vind je zoveel vriendelijkheid?
Ik noem de naam van het hotel, Huaqiau Daxia (Hotel voor Overzeese Chinezen), en de chauffeur knikt bevestigend. Ik word er niet veel wijzer van en tel de haltes terwijl ik nieuwsgierig het stadse leven van Ürümqi gadesla. Het is een rommelige stad met bouwvallige huizen en overal drukke markten en bazaars. Het doet nogal oosters aan.
Fietsen zie ik in alle mogelijke variëteiten. Het meest voorkomend is de zwarte standaardfiets waarop overheidssubsidie zit, maar de kleurige city-bikes winnen snel terrein. Ook zie ik veel bakfietsen met soms de meest onwaarschijnlijke ladingen aan boord. Een man vervoert zijn hele gezin op de bakfiets.
Bij de vijfde halte stap ik uit. Ik had onderweg geprobeerd om de route van de bus op de kaart in mijn reisbijbel te volgen en volgens mij moeten we nu vlak bij het hotel zijn. Ik hoop het maar, want mijn bagage is nog steeds loodzwaar, terwijl het kwik al weer ver boven de dertig staat.
Ik sta op de halte langs een brede, drukke straat. Bijna loop ik de verkeerde kant op, maar de chauffeur wijst naar achteren en noemt de naam van het hotel. Ik kijk in de aangewezen richting en zie een groot gebouw in de verte. Dat moet het hotel zijn. Recht voor mij staat een nieuw gebouw in de steigers en zie ik de bouwvakkers halsbrekende toeren uithalen bij het verrichten van hun werkzaamheden. Veiligheidsvoorschriften kennen ze hier blijkbaar niet, want ik zie zelfs lassers zonder enige bescherming die hangend aan de stalen balken hun werk doen. De constructie ziet er niet naar uit alsof deze het gebouw langer dan tien jaar overeind zal kunnen houden.
De Xinhua Nanlu, waaraan het Huaqiao Daxia ligt, is breed en bestaat uit dubbele rijbanen vol bussen en vrachtwagens en aan weerskanten een ventweg voor het fietsverkeer. Ook de trottoirs zijn breed. Kleine dorre palmen moeten het stoffige uiterlijk van de straat wat fleur geven, maar slagen daar niet in. Onder een luifel van tentdoek staan jonge Chinezen te biljarten op versleten poolbiljarts.
In het hotel verwelkomen reclameborden op vriendelijke wijze de Engelstalige Overzeese Chinezen. Het valt mij allemaal reuze mee, want het hotel beschikt niet alleen over een fraaie lobby met airconditioning, maar ook over vriendelijk personeel dat goed Engels spreekt. Helaas snapt het meisje achter de balie niets van mijn voucher. Ze verwijst mij door naar de CITS, die volgens de reisbijbel in dit hotel gevestigd is.
Helaas is de bijbel op dat punt verouderd. Na de opening van het Holiday Inn vorig jaar, zijn de twee CITS-kantoren van Ürümqi daar naar toe verhuisd. Dan zeg ik haar dat ik uit Nederland kom. Dat helpt. Kennelijk heeft ze een instructie van de CITS ontvangen, want ze geeft mij verder zonder morren een formuliertje met mijn kamernummer. Als ik dat formuliertje boven laat zien zal het kamermeisje de deur voor mij open maken. Ik moet nog wel naar het CITS-kantoor voor mijn treinkaartje, zegt ze verder. Maar dat wil zij ook wel voor mij doen. Ik zeg dat het niet hoeft, want ik kom vanmiddag nog langs het Holiday Inn, zodat ik het net zo goed zelf kan ophalen. Van dat voornemen zou ik later nog spijt krijgen!
De kamer ziet er prima uit. Schoon, een nette badkamer met zeep, handdoeken, shampoo en zelfs een setje met kammetjes, minitandenborstel en tandpasta. Zelfs het WC-papier ontbreekt niet. Op de bril van de WC ligt een papieren hoes waarop in het Engels ‘gedesinfecteerd’ staat. Ik weet niet zeker of ik daarop kan vertrouwen.
Het kamermeisje komt zonder te kloppen binnen met een grote thermosfles met heet water. Dat is traditie in China. Zowel het binnenkomen zonder kloppen als de thermosfles. Het water kan ik gebruiken om thee te zetten, maar ik kan het ook af laten koelen om het als gewoon drinkwater te drinken. Kraanwater is daarvoor minder geschikt.
Ik besluit een kop oploskoffie te zetten om het duffe gevoel in mijn hoofd weg te spoelen. Een paar koekjes dienen als ontbijt, want daarvoor was in de trein geen tijd meer. Dan nog even de was, want deze heeft slechts één dag om te drogen. Dat zal met deze hitte wel lukken. Ik doe de was in een grote emmer die tot de kamerinventaris behoort.
Ik voel mij bijzonder prettig in de luxe hotelkamer. Tot nu toe kan ik mijn verblijf in China als behoorlijk comfortabel beschrijven. Eerst de luxe trein en nu weer een zeer redelijk hotel met alle nodige voorzieningen voor een prettig verblijf. Ik hoop dat mijn coupégenoten Kees en Gert ook snel iets zullen vinden, want die hadden nog geen hotelruimte gereserveerd.
De rest van de dag besluit ik Ürümqi te gaan verkennen. Het is de hoofdstad van de provincie Xinjiang, ofwel het ‘nieuwe land’, één van de later (1883) door de Chinezen geannexeerde provincies en ook een van de meest onherbergzame en daarom dunst bevolkte gebieden van het Rijk van het Midden (Zhong-Guo). Ürümqi is het Mongools voor ‘Fraaie Weidegrond’. Er is veel veranderd sinds de tijd dat deze stad haar naam kreeg.
Ürümqi ligt ruim 800 meter boven zeeniveau en dat is te merken. Het is ook de meest landinwaarts gelegen stad ter wereld. De atmosfeer is kurkdroog en trekt als het ware de transpiratie uit mijn lichaam. ’s Winters is de temperatuur hier gemiddeld vijftien graden onder nul, maar nu, midden in de zomer, komt het kwik niet onder de dertig. Het valt mij op dat er geen zuchtje wind is. Door de stilstaande lucht is een dikke smogdeken ontstaan die laag boven de huizen blijft hangen.
Van oorsprong behoorde het gebied rond Ürümqi tot het Ottomaanse Rijk. Dat is nog te zien aan de Moorse invloeden in de architectuur. Ook telt de stad enige, voornamelijk armoedige, moskeeën. Nu Beijing wat toleranter is geworden ten aanzien van religie, vindt in dit gebied een sterke opleving van de Islam plaats.

Midden in het centrum staat de schitterend gerestaureerde Shaanxi Moskee. Andere kerkgebouwen van de Islam verkeren in een langzaam proces van herstel. Er is weinig geld, maar veel goede wil.
De mensen zijn bijzonder kleurrijk en uit verschillende windstreken afkomstig. De Han-Chinees komt verreweg het meest voor, maar behoort niet tot de oorspronkelijke bevolking. Hun aanwezigheid hier heeft politieke redenen. Ze zijn overwegend tegen hun zin in deze streek gestationeerd om een kunstmatig Chinees overwicht te creëren en zo te voorkomen dat de lokale volkeren het gebied met succes zullen afsplitsen om een eigen staat te stichten. Daarvoor is het mineraalrijke Xinjiang te kostbaar voor Beijing.
De Islamitische minderheden zijn hoofdzakelijk Kazachen, Tajieken en Uyguren. De laatsten spreken Turks en vallen op door hun blonde haar en blauwe ogen. Een zeldzaamheid in Azië. Overigens bestaat tussen Ürümqi en Istanbul een rechtstreekse vliegverbinding! De huizen van Ürümqi vormen een allegaartje aan stijlen. Het meest zie ik de efficiënte, uit Rusland geïmporteerde bunkerarchitectuur. Soms afgewisseld door een typisch Islamitisch bouwwerkje. Ook de Chinese architectuur komt voor, maar is wel vrij zeldzaam. Langs de Xinhua Lu zijn sommige winkeltjes versierd met een gevel van gekleurd glas. Veel winkels hebben uitbundige neonreclame op de vaak verveloze gevel. De winkeliers staan buiten voor hun winkeldeur te wachten op klandizie.
De kleding van de lokale bevolking werkt soms op mijn lachspieren. Mao-pakjes dragen ze niet meer in de stad, maar je kunt je afvragen of de quasi-westerse stijl een verbetering vormt. De vrouwen dragen sinds kort minirokjes, maar ook nog steeds de tamelijk korte kousen zodat onder de rokjes nog een stukje witte dij zichtbaar is. Zo moet je in Europa gaan rondlopen. De mensen zien er overwegend wel schoon uit en dat is een hele prestatie in deze door stof en smog geteisterde stad.

De drukte op straat is een verschrikking. Het verkeer schuift onafgebroken in een eindeloze file langs en iedereen toetert of belt. Ik wilde dat ik deze reis een paar jaar geleden had gemaakt, toe auto’s nog een zeldzaamheid waren in China. Nu lijkt het wel of iedereen zich een auto kan veroorloven. Dat is wel niet zo, maar door het enorme aantal inwoners, meer dan anderhalf miljoen, vertegenwoordigt de minderheid van automobilisten toch nog een indrukwekkend grote groep.

Heel Ürümqi is een continu toeterende verkeersopstopping, met auto’s (vooral taxi’s), bussen, vrachtwagens, gemotoriseerde driewielers en motorfietsen. Zelfs de trottoirs zijn niet veilig. Ongeveer één meter twintig hoge hekken moeten de voetgangers beschermen. Ze zorgen ervoor dat de weg alleen bij oversteekplaatsen betreden kan worden. Maar die voorziening biedt weinig garanties voor de veiligheid. Auto’s die moeten laden en lossen of gewoon een parkeerplaats zoeken draaien zonder probleem bij de zebra het trottoir op om zich vervolgens luid toeterend een weg door de voetgangersstroom te banen.
Ik ben nog maar een uur in Ürümqi, maar de stad begint mij nu al op mijn zenuwen te werken. Het ruikt vies op straat, naar een soort mengsel van benzine, verbrande motorolie en stof. Bovendien is het ondraaglijk heet. Alleen in de schaduw is het nog enigszins om uit te houden. De laatste plassen zijn inmiddels opgedroogd en de zon staat vrijwel loodrecht boven mijn hoofd aan de vaalblauwe hemel te branden. Schaduw is helaas zeldzaam. Er zijn wel bomen, maar die zijn nog erg jong en hebben nauwelijks bladeren. De trottoirs zijn vol mensen die allemaal met een verschillend tempo en vaak in verschillende richtingen door elkaar lopen. Een extra hindernis vormen de vele op de stoep geparkeerde auto’s, de marktkraampjes en kiosken. Op weg naar de 910 meter hoge Hongshan-heuvel, die vanaf het hotel al te zien is, passeer ik het Holiday Inn. Het lijkt mij een goede gelegenheid om alvast mijn treinkaartje op te halen. Ik heb de voucher bij mij.
Na een stevige wandeling langs de rivier kom ik bij het Holiday Inn aan. De CITS blijkt in een gebouw ernaast te zitten. Ik ga er naar binnen, maar word direct teleurgesteld. Niemand weet iets. Ik wordt naar de vierde verdieping gestuurd en daarvandaan verwijst men mij weer naar de tweede. Gelukkig heb ik leren tellen in het Chinees. Op de tweede verdieping hoor ik dat er niemand van de CITS aanwezig is en dat ik over twee uur maar eens terug moet komen. Ik heb nog geen Chinees geld, dus ik vraag of ik dat kan wisselen. Dat blijkt ook niet te kunnen. Er is wel een wisselbalie in het Holiday Inn, maar die gaat pas vanmiddag om vier uur open. Ik zit vrijwel zonder Chinees geld.

Ik besluit mijn tocht naar het Hongshan-park voort te zetten. Dit ligt op een heuvel die bijna driehonderd meter boven de stad uitsteekt en bekroond wordt door de Hong Ding Shan Ta (Grote Rode Heuvel Pagode), een pagode van negen verdiepingen die gebouwd is tijdens de Tang-dynastie.
Als ik het park bereikt heb word ik naar een loketje verwezen waar ik voor twee yuan een kaartje moet kopen. Mijn geld, dat ik via de Chinees in de trein gekregen had, is er nu bijna doorheen. In het park, dat overigens fraai aangelegd is en in vergelijking met de stad een oase van rust vormt, wandel ik langs Chinese gebouwen die eruit zien alsof ze voor toeristen zijn gebouwd. Het zijn waarschijnlijk lelijke restauraties van de oorspronkelijke – tijdens de Culturele Revolutie in puin geslagen – gebouwen.
Boven bij de pagode kom ik zowaar Gert en Kees weer tegen. We maken een praatjes en gaan dan weer ieder onze eigen weg. Zij zijn van plan om na Ürümqi naar Turpan te gaan en vandaar via Xi’an naar het zuiden. Beijing laten zij links liggen.
Ik zoek een plekje in de schaduw op langs een grote vijver in het park. Onderweg naar beneden volgde ik een pad langs diverse bezienswaardigheden waaronder een plein met de Chinese sterrenbeelden en een in steen gehakte kalender waaruit mensen hun sterrenbeeld volgens de Chinese astrologie kunnen afleiden.
Ook zie ik een in traditionele kledij uitgedoste Chinese dame die driftig gefotografeerd wordt door een man die waarschijnlijk een beroepsfotograaf is. Al is dat niet aan zijn apparatuur te zien. Voordat ik een foto kan maken is de fraai geklede dame al weer verdwenen. Ik stap maar weer eens op, inmiddels vrijwel uitgedroogd door de grote hitte en droge lucht. Geld heb ik bijna niet meer, maar toch nog net genoeg om een blikje echte Coca Cola te kopen. Niet verstandig met deze hitte, maar wel erg lekker.
Even buiten het park is een soort markt. Het zijn eigenlijk allemaal kleine restaurantjes waar je zelf kebab kunt roosteren boven een van de vele barbecues. Het lukt mij met moeite om mij een weg te banen tussen de enorm om klanten verlegen horecaondernemers.
Afwisselend word ik met ‘hello’ of ‘change money?’ begroet. Lijk ik op een wandelende zak dollars? Ik moet ze teleurstellen. Ik heb voor duizend dollar aan traveller cheques bij mij, maar ik heb er niets aan. Ik blijf beleefd als men mij voor de twintigste keer vraagt of ik geld wil wisselen.
Als ik bij het wisselkantoor van de Holiday Inn aankom, is de verantwoordelijke functionaris inmiddels gearriveerd. Hij weigert echter mijn cheques te accepteren. In moeizaam Engels legt hij uit dat hij geen Forreign Exchange Certificates heeft, het door de Chinezen ingevoerde toeristengeld waar je als buitenlander verplicht bent mee te betalen. Hij verwijst mij door naar de Bank of China. Daar hebben ze wel FEC’s zegt hij. Ik kan hem niet overhalen. Nederlands geld wil hij ook niet.
Bij de CITS heb ik niet veel meer succes. De beambte kijkt nieuwsgierig naar mijn voucher maar begrijpt niet wat hij er mee aanmoet. Ik leg hem geduldig uit dat er een treinkaartje voor mij klaar moet liggen, maar hij blijft beweren dat hij van niets weet. Discussie heeft geen zin. Ik ga proberen of het aanbod van de receptioniste van mijn hotel nog geldt.
Buiten lijkt het alsof het alsmaar heter wordt. Voordat ik naar het hotel ga, wil ik proberen om geld te wisselen bij de Bank of China, de enige instelling waar ik traveller cheques in geld kan omwisselen.
Met de kaart uit de reisbijbel in de hand lijkt het eenvoudig om de bank te vinden, maar ik kom er geen wijs uit. De straten corresponderen niet met het patroon op de plattegrond en al snel heb ik geen idee meer waar ik ben.
Ik vraag aan voorbijgangers of zij weten waar de Bank of China is. Ik laat ze de Chinese zin in mijn Berlitz-boekje lezen, maar ze weten het niet. Ze hebben nog nooit van de Bank of China gehoord en begrijpen niet wat die vreemde buitenlander nu wil. Anderen snappen het wel en doen hun best om mij uit te leggen hoe er komen moet, maar mijn kennis van het Chinees is niet toereikend om hun verhaal te kunnen volgen. Ik loop maar in de richting die zij aanwijzen en vraag het op iedere hoek opnieuw.
Ook de toeristenkaart van de CITS lijkt niet te kloppen. Of ik ben gek. Ik loop uit te drogen met duizend dollar op zak en ik kan nog geen flesje drinken van een dubbeltje betalen. Na veel omzwervingen kom ik bij een postkantoor uit. Meer een soort telecommunicatiekantoor eigenlijk. Ik kan daarvandaan bellen als ik wil, maar dan moet ik natuurlijk wel eerst geld hebben. Het meisje achter de balie spreekt Engels en zegt dat het kantoor tot half twaalf vanavond (Beijing-tijd) open is. Ze legt mij ook uit waar de bank is. Ik begrijp niet direct wat zij bedoelt, maar haar uitleg blijkt achteraf juist geweest te zijn. Na ongeveer een kwartier lopen zie een groot gebouw met in neonletters ‘Bank of China’ langs de gevel. Voor de deur krioelt het van de zwarthandelaren die dollars willen wisselen. Het kost mij moeite om naar binnen te gaan. Ellebogend moet ik mij door de horde ‘change money’, ‘dollars’ en ‘FEC’ roepende menigte worstelen. Ik hoop dat ze de cheques aannemen.
Het valt mee. Op vertoon van een Thomas Cook-cheque word ik naar een van de achterste loketten gestuurd waar ik meteen aan de beurt ben. De beambte neemt mijn cheque, paspoort en inwisselbewijs aan en loopt naar achteren. Alles wordt uitvoerig gecontroleerd en uiteindelijk wordt tergend langzaam het geld uitgeteld. Kleurige, nieuwe biljetten met toeristische attracties als afbeelding. Het lijkt net monopoly-geld.
Buiten word ik opnieuw bestormd. ‘Change money, change money, dollars, FEC’, schreeuwen de handelaren. Ik schud ze eerst af omdat ik maar met één man tegelijk zaken wil doen. Een jongen vraagt in gebrekkig Engels of ik dollars heb. Ik laat hem een biljet van 100 FEC zien. Hij pakt zijn rekenmachine en tikt 100 in. Ik schud nee en pak het apparaatje van hem over. 140 tik ik in. Ik heb natuurlijk niet het flauwste idee wat de werkelijke ‘marktwaarde’ van het toeristengeld is. In ieder geval geen 140, want de handelaar loopt hoofdschuddend weg. Een ander wil 130 bieden, maar ik heb een intiütief gevoel dat dat nog steeds te weinig is. Er moet onderhandelruimte blijven bestaan, dus ze beginnen altijd onder de werkelijke koers. 140 zeg ik weer. Uiteindelijk gaat hij met 137 akkoord. Hij telt snel het geld uit, terwijl hij schichtig om zich heen kijkt. De overige handelaars zijn alweer met andere klanten bezig.
Het is te hopen dat ik goed geld heb gekregen, want hoe herken ik een vervalsing? Twee yuan van de buit klopt in ieder geval, want die wissel ik in voor een grote fles Chinees bier die ik bijna achter elkaar soldaat maak. Zes uur Ürümqi heeft mij volkomen uitgedroogd. Nu ik eenmaal Chinees geld heb, voel ik mij schatrijk. Ik loop met minstens drie maandsalarissen op zak. Voor Chinese begrippen dan, want het is maar zo’n honderd dollar. Ongeveer tachtig euro.
Het volksgeld ziet er een stuk minder mooi uit dan het toeristengeld. Niet alleen is het meer gebruikt, ook de afbeeldingen zijn minder aantrekkelijk. In plaats van toeristische attracties stellen de afbeeldingen idealen van de socialistische maatschappij voor. Tractors, fabrieken, vrachtschepen en gelukkige arbeiders en boeren.
Na een tijdje kom ik terug in het hotel na een lange wandeling door de Islamitische wijken van de stad. Ik informeer bij de receptie naar mijn treinkaartje, maar ze sturen mij door naar een ander gebouwtje naast het hotel. Daar is een klein bijkantoor van de CITS. Daar vertelt men mij dat ik in het Holiday Inn mijn kaartje kan ophalen. Ja, dat heb ik vaker gehoord, maar ditmaal neem ik geen genoegen met dat advies. Ik leg uit dat ik al in het Holiday Inn geweest ben en dat men daar volgens mij nog nooit van treinkaartjes heeft gehoord. De beambte pakt de telefoon en belt zijn chef in het Holiday Inn. Er volgt een onverstaanbaar geratel, maar ik kan van het gezicht van de beambte aflezen wat de strekking van het gesprek is. Ik dacht het al. Mijn kaartje ligt klaar, in het Holiday Inn. Voor achten moet ik het ophalen.
Ditmaal pak ik de bus, want het is een eind lopen naar het Holiday Inn en ik ben bekaf. Bovendien is het nog steeds zo heet. Na een paar haltes ben ik er en ga ik naar de tweede verdieping van het nieuwe CITS-kantoor. Een wat oudere Chinees schudt mij de hand en verontschuldigt zich voor het misverstand. Ik verwacht nu mijn kaartje te krijgen, maar nee, de bureaucratische molen is nog niet uitgedraaid. De chef vraagt een betalingsbewijs. Althans, dat maak ik op uit zijn matige Engels. Ik leg uit dat er betaald is en dat als hij het niet gelooft, hij maar naar Nederland moet bellen. Het lijkt hem echter makkelijker om zijn baas in Beijing te bellen. Die vertelt hem dat het in orde is. Dat is het voordeel van bureaucratie. Er is altijd wel een chef die het wél weet. Ik krijg een onduidelijk biljet waar gelukkig in normale cijfers het treinnummer en de vertrektijd op staan. De chef biedt nogmaals zijn excuses aan en wenst mij een ‘plesant stay’ in China. Dan zal ik niet te veel met de CITS te maken moeten krijgen, zeg ik in gedachte.
Terug in het hotel besluit ik een poging te wagen om mijn vriendin te bellen. Het moet in Nederland nu ongeveer elf uur in de ochtend zijn, dus het zal wel lukken. Het telecommunicatiekantoor is echter tot mijn verrassing gesloten. Dan moet ik het maar vanuit het hotel proberen. Dat zal wel niet goedkoop zijn, maar het is het me wel waard.
Het CITS-kantoor stuurt mij naar de receptie van het hotel en daarvandaan word ik weer terug naar de CITS gestuurd. Daar vertelt men weer dat ik in het hotel een telefoonbonnetje moet halen. Ik word er gek van. Eindelijk kan ik dan bellen, voor 29 yuan (3 euro) per minuut. Op een gewoon telefoontoestel in het bijkantoor van de CITS. Ik draai gespannen het nummer en hoor na ongeveer een halve minuut stilte een ingesprektoon. Weer proberen. Na tien minuten gaat eindelijk de telefoon over. Ik heb verbinding met Nederland. Dan wordt opgenomen en hoor ik door het oorverdovende gekraak heel zwak de stem van mijn vriendin. Het geeft mij een heel vreemd gevoel. Ik krijg er een brok van in mijn keel. Het is net alsof ik met een andere wereld praat. Zo klinkt het ook. Door het gekraak schreeuw ik ‘met Vincent, ik ben in China’. Vaag hoor ik haar vragen hoe het gaat. Het lijkt alsof zij net een te grote hap brood naar binnen werkt. Ik kijk intussen naar mijn horloge en zie dat de minuut bijna om is. Ik zeg dat ik nog wel zal bellen en verbreek direct de verbinding. De minuut was snel om. Mijn vriendin moet helemaal verrast zijn geweest, want ze vergat mij zelfs te feliciteren.
De rekening is gruwelijk hoog. Zestig yuan in FEC. Dat is ongeveer negen euro. Ik had collect moeten bellen, maar ik weet niet hoe dat moet en of mijn vriendin haar baas dat accepteert. Na dit primitieve contact met de beschaving thuis, loop ik geëmotioneerd naar mijn kamer om een frisse douche te nemen. Het is inmiddels negen uur Chinese tijd en ik voel dat ik aan mijn laatste energiereserves ben toegekomen. Morgen zal het wel weer een zware dag worden, want ik ben niet naar China gekomen om te slapen.
Maar voor het slapen gaan besluit ik eens goed te gaan eten. Dat heb ik dagen niet gedaan en ik heb nu geld om een redelijke maaltijd te betalen.
Het hotel heeft een restaurant, op de veertiende en bovenste etage. Als ik binnen kom, zit er geen kip. Er loopt alleen wat personeel rond. De serveerster kijkt heel vreemd als ik haar in het Chinees vraag of ik nog iets kan eten. Ik hoop niet dat ik onbedoeld iets smerigs gezegd heb, want ze trekt een gezicht alsof ze in grote verlegenheid is gebracht. Ze laten zich niet kennen. Een klant, dat is een hele bijzondere gebeurtenis. Ik krijg direct een menukaart en ze blijven mij met zes ogen aanstaren terwijl ik wijs probeer te worden uit de Chinese karakters op de kaart. Op goed geluk wijs ik een gerecht aan. Ik verwacht er eigenlijk niet veel van. Maar toch valt het mee. De serveerster begint de tafel te dekken en geeft mij een schaaltje ei, een schaaltje tofu, salade, iets wat op vlees lijkt, mihoen en een schaaltje komkommer. Ik mag het wegspoelen met thee en een fles Chinees bier.
Mijn dorst is al snel verzadigd, maar ze blijven thee bijvullen. Iedere keer als mijn kopje bijna leeg is, komt het meisje naar voren en schenkt zij opnieuw in. Intussen blijven de drie bediendes mij geïnteresseerd gadeslaan. Zo’n westerse barbaar. Dat moet wel heel grappig zijn. Het meisje gaat na enige aarzeling in op mijn verzoek om bij mij aan tafel te komen zitten. Ze kijkt mij verlegen aan en houdt voorzichtig afstand, alsof ik haar ieder moment naar de keel kan vliegen. Ze probeert heel voorzichtig een paar woorden Engels. Haar buitenlandse vocabulaire omvat ongeveer tien woorden, en hoewel mijn Chinees beter is, begrijpen we weinig van elkaar. Ik vind het wel grappig. Ondanks de verschillende talen is na een tijdje toch enige communicatie mogelijk. Door heel goed op elkaar te letten en gebruik van nadrukkelijke mimiek.
Intussen blijven de anderen eten aanvoeren. Ik bied het meisje wat aan, maar ze weigert beleefd. Zelf heb ik niet veel trek meer, en als ze voor de zoveelste keer met een schaal komen dek ik met mijn handen mijn bord af en zeg ik ‘ennough’. Het meisje loopt weer naar haar collega’s en met zijn drieën staan ze mij weer aan te staren. Het begint mij een beetje om mijn zenuwen te werken. Dan komt de rekening. 35 FEC. Voor Chinese begrippen is dat veel geld. Bovendien mag ik niet met het voordeligere volksgeld betalen. Dat geeft een probleem, want ik heb maar tien FEC bij mij. Ik heb wel voldoende volksgeld om de rekening te betalen. De cheffin komt erbij en zij belt naar beneden, naar de manager. Het is goed, maar ik moet tien yuan extra betalen als ik met volksgeld wil afrekenen. Ik troost mij met de gedachte dat ik in ieder geval een goede maaltijd heb gegeten en weer lekker aangesterkt ben. Bovendien heb ik vanavond geleerd om niet in hotels op te bellen en er geen maaltijden te gebruiken. Voordat ik mijn bed instap neem ik nog een douche.

Dinsdag, 6 juli 1993

Het hotel is nog uitgestorven als ik ongeveer half acht Beijing-tijd mijn kamer uitkom. Wegens de westelijke ligging van Ürümqi is het in werkelijkheid pas een uur of half zes. Mij maakt het niet uit. Het is mijn laatste dag in deze interessante stad en er is nog veel te zien. Ik controleer nog even of ik alles heb, want als ik nu de kamerdeur achter mij dichttrek, kom ik niet meer binnen. Helaas werkt ook de lift nog niet en moet ik via de brandtrap naar beneden. Tot mijn opluchting kan ik wel naar buiten.
Op straat is het nog heerlijk rustig. Er is vrijwel geen verkeer en ik hoor bijna geen getoeter. Enkele auto’s die wel toeteren, doen dat uit gewoonte, want zij hebben de weg voor zich alleen.

Op de buitenplaats van een schoolgebouw zie ik een grote groep mensen tai-chi beoefenen. Dat is een Chinees gebruik dat tot nu toe alle revoluties doorstaan heeft. Voor het werk, ’s morgens om een uur of zes, gaan honderden mensen naar de parken om daar met een partij schaduwboxen de spieren los te maken en de geest te ontspannen. Ik maak een foto en loop verder in de richting van de oudere buurten.
In de achterbuurten tref ik nog het China aan zoals ik mij dat had voorgesteld. Overbeladen bakfietsen en ezelskarren banen zich moeizaam een weg over de heuvelachtige straatjes. Stokoude mannetjes in mao-pak zitten naast elkaar op een bankje te discussiëren over zaken die oude mannetjes in mao-pak bezighouden. De sfeer heeft iets van China, maar ook van het Mohammedaanse oosten. Ik fotografeer een oud muzelmannetje die een met fruit beladen kar langs een stokoud moskeetje duwt.

De achterbuurten liggen een flink stuk hoger dan het centrum van de stad en ik zie nu duidelijk de dikke smogdeken hangen. Het gebergte achter Ürümqi is nauwelijks zichtbaar, ofschoon het vandaag helder weer is. De Chinezen zullen snel hun milieuproblemen moeten aanpakken, want anders is het hier over tien jaar onleefbaar. Waarschijnlijk heb ik nu pech dat er al dagen lang geen zuchtje wind staat. Als het wel waait zal de luchtvervuiling wel meevallen, want rond de stad liggen alleen honderden kilometers woestijn.
Mijn gezondheid is niet al te best vandaag. Waarschijnlijk heeft de airconditioning in de trein mij een lichte verkoudheid bezorgd. ’s Avonds was het loeiheet in de trein, zodat ik half naakt op bed ging liggen. Toen ik ’s morgens wakker werd was het ijskoud. Het personeel had ’s nachts de airconditioning weer aangezet.
Ik voel oorlog in mijn buik, maar ik laat de medicijntrommel nog maar even dicht. Voor noodgevallen heb ik Imodium meegenomen, een paardenmiddel tegen diarree.
De wandeling voert door arme arbeiderswijken, waar de mensen in vreselijke, grauwe woonkazernes leven. Alles is grauw grijs of vaal bruin. Het enige dat kleur geeft aan de stad zijn de vele markten waar een overvloed aan vers fruit te koop is. In iedere brede straat is markt. Het aanbod is vele malen groter dan de vraag. Waarschijnlijk is het net oogstseizoen geweest. In het centrum zijn de straten mooier. In sommige straten is het trottoir door dikke bomen afgescheiden van de rijbaan. In de schaduw zitten bejaarde Chineesjes te genieten van hun oude dag.
Je moet in China niet blind zijn. Op verschillende plaatsen ontbreken putdeksels of zitten er om andere redenen diepe gaten in de stoep. Voor onderhoud van de bestrating is blijkbaar geen geld beschikbaar.
Terug in het hotel waag ik maar geen poging om te ontbijten. Ik zit bovendien nog vol van gisteravond.
Voor twaalf uur moet ik de kamer verlaten hebben, dus ik vouw snel de was op, pak de spullen in en neem nog een douche. Met de net gevulde thermosfles zet ik een kop oploskoffie, die mijn eetlust weer aanwakkert. Als ik beneden uitcheck, vraag ik dus toch nog even of ik kan ontbijten en wonder boven wonder kan dat, in de ontbijtzaal naast de lobby. Weer ben ik de enige gast. Wat is er mis met de Chinese horeca? De ober serveert een bordje met vier witte boterhammen, zes schaaltjes met van alles en nog wat, waaronder salade. Ze hebben er duidelijk nog de grootste moeite mee om westerse service te imiteren, maar misschien zullen ze het ooit leren.
Na het ontbijt wil het meisje afrekenen. Ik zeg dat ik al betaald heb. Dat gelooft zij niet. Om van het gezeur af te zijn, geef ik haar een biljet van tien yuan en loop ik met de bon naar de receptie van het hotel. Ik leg de situatie uit en krijg meteen mijn tien yuan terug, compleet met verontschuldigingen.
Het is inmiddels twaalf uur geworden en tijd om richting station te gaan. Ik probeer bus tien in de andere richting te pakken, maar die komt niet. Alleen bus zeven komt elke tien minuten voorbij. Maar die gaat niet naar het station. Ik loop naar de overkant en vraag aan een busconductrice hoe ik bij het station kan komen. ‘Huo-che-zhan ma?’ Het vrouwtje brabbelt iets en wijst naar de overkant. Daar pak ik de eerste bus die ik zie en zeg weer met een vragende blik in mijn ogen Huo-che-zhan. Hij knikt bevestigend.
Het is geen al te fraaie bus. Een wrak eigenlijk. Bovendien komen we niet vooruit. Overal zit het verkeer muurvast. Vrachtwagens staan midden op de weg geparkeerd en waar gebouwd wordt is gemakshalve de hele straat afgesloten. Via allerlei omwegen weet de bus toch dichter in de buurt van het station te komen. Ik wilde eerst nog de route volgen op de kaart van de reisbijbel, maar dat bleek al snel onmogelijk.
In Ürümqi rijden voornamelijk particuliere bussen. Ze rijden de diensten van de stadsbus, maar zijn een stuk duurder. Eén yuan in plaats van veertig fen. Toch zitten ze overvol. Ze hebben weinig concurrentie van het reguliere, maar tamelijk zeldzame openbaar vervoer.
De rijstijl verraadt dat de chauffeur nooit rijles heeft gehad en niets van het mechaniek van de bus begrijpt. Hij mishandelt de versnellingsbak op een gruwelijke manier en ik hoop van harte dat de knarsende en krijsende tandwielen het tot het station zullen uithouden. Bij elke stop slaat de motor af. Naast de starthandel ligt een groot model bahco, waarmee de chauffeur de meest voorkomende reparaties kan uitvoeren. De claxon doet het waarschijnlijk niet meer, want de chauffeur gebruikt hem niet een keer, hoewel het af en toe wel verantwoord zou zijn om even waarschuwend te toeteren. Tijdens een geïrriteerde sprint door een veel te smalle straat, rijden we bijna een groep overstekende voetgangers van hun sokken.
Na zo’n drie kwartier bereiken we eindelijk het station. Ik had achteraf misschien beter een taxi kunnen nemen. Maar toch ben ik nog ruim op tijd. Ik loop over het enorme plein naar het stationsgebouw als ik merk dat een pakje sinaasappelsap is opengebarsten. Ik baal ervan, want een deel van de inhoud van mijn boodschappentas en de tas zelf is in een kleverige bende veranderd. Gelukkig heb ik nog een andere tas, waarin ik het onder een kraan schoongespoelde restant van mijn levensmiddelenvoorraad opberg. Albert Heijn moest eens weten dat ik helemaal hier naar toe ben gegaan om reclame voor hem te maken.
In het station moet de bagage door een röntgenapparaat, net als op het vliegveld. Ik heb echter weinig vertrouwen in het primitieve geval en vrees voor mijn fotomateriaal. Dat probeer ik duidelijk te maken aan de beambte naast het apparaat, waarop die toestaat om mijn fotorolletjes bij mij te houden. Het is echter makkelijker gezegd dan gedaan. Het is een hele toer om de filmpjes uit de rugzak te wurmen. Als de beambte even omkijkt, kies ik de makkelijkere optie en loop met mijn bagage gewoon langs het apparaat het station binnen. Niemand die het ziet.
Bij de CITS-balie krijg ik charmant gezelschap van een knap Chinees meisje, dat mij op de eerste etage naar een schitterende wachtkamer brengt. De ruimte is prachtig versierd met rijkelijke tapijten en schitterende mozaïken op de wanden. Is dit communisme? Ik voel mij als een Britse koloniaal in het India van de negentiende eeuw. Het zal nog ongeveer een uur duren voordat mijn trein naar Lanzhou zal vertrekken.
De luxe van de wachtkamer heb ik te danken aan mijn kaartje voor de duurste klasse van de Chinese spoorwegen, de ‘ruanwo’, ofwel ‘zachte ligplaatsen’. Je hebt ook ‘ruanzuo’, zachte zitplaatsen, maar die rijden alleen op kortere trajecten. Voor de Chinezen heeft de spoorwegmaatschappij de veel goedkopere harde ligplaatsen (yingwo) en harde zitplaatsen (yingzuo).
Rond drie uur komt het knappe meisje mij waarschuwen dat de trein gearriveerd is. Ik loop tussen een enorme horde haastige Chinezen naar de lange trein die op één van de perrons klaar staat voor vertrek. Tot mijn teleurstelling staat er weer een diesellocomotief voor. Zou stoom al afgeschaft zijn?

De meeste passagiers reizen op de harde zitplaatsen. Dat zal niet meevallen, want de reis naar Lanzhou duurt ongeveer anderhalf etmaal.
Ik installeer mij in de comfortabele couchette, waarin zich vier bedden bevinden. Alle luxe volgens Chinese maatstaven is aanwezig. Gordijntjes voor de ramen, een ventilator, thermosflessen en natuurlijk een luidspreker waar vreselijke herrie uit komt. Die luidspreker vormt het door buitenlanders meest gehate onderdeel van een Chinese trein.
Ik duw lekker het raam open, terwijl de trein langzaam in beweging komt, maar word dan door de conducteur gestoord. Hij probeert mij iets duidelijk te maken, maar ik snap er niets van. Ik wil dat hij mij met rust laat.
Een vrouwelijke passagier, die ik kort daarvoor met het openen van het zware raam had geholpen, komt te hulp. Zij spreekt goed Engels en vertelt mij nadat zij het betoog van de conducteur heeft aangehoord, dat ik naar een andere couchette moet. Vervelend. Nu moet ik alle spullen weer bijeenpakken om wegens onduidelijke redenen te verhuizen.
In de nieuwe couchette blijkt het raam muurvast te zitten. Dat feest gaat dus niet door. Ik ben niet van plan om twee dagen in een compartiment door te brengen waarvan het raam niet open kan.
Ik roep de vrouw er weer bij en loop samen met haar naar de conducteur om mijn ongenoegen te uiten. De man begrijpt niet wat ik wil. Hij zegt dat in mijn eerste coupé de ventilator niet werkt. Ik zeg dat ik daar juist blij om ben, omdat de ventilatoren een verschrikkelijke herrie produceren. Geef mij maar een raam dat open kan.
De discussie duurt ruim vijf minuten. Dan heeft de conducteur geen argumenten meer en staat hij mopperend toe dat ik mijn intrek weer in couchette 6 neem. Blij duw ik het raam weer open.
De dame legt mij uit dat mijn couchette gereserveerd was door een Japans reisgezelschap dat in Turpan aan boord zal komen. Ik zeg dat die Japanners net zo goed in de couchette met het defecte raam kunnen gaan zitten. En anders zijn ze wat mij betreft welkom. Als ze maar niet roken.
Ik ben het voorval snel vergeten en geniet hangend uit het open raam van het magistrale landschap. De trein slingert zich als een reuze slang tussen de kleine bergjes en steile hellingen door. Het grijs/bruin van de steenwoestijn wordt afgewisseld door het frisse groen van de terrasakkers. Het aantal tunnels en viaducten op deze route is bijna niet te tellen. Op een uitgestrekte vlakte zie ik een windmolenpark. Er wordt dus wel gewerkt aan de opwekking van milieuvriendelijke energie.
Naast het spoor ligt een langgerekte vuilnisbelt. De Chinezen hebben de slechte gewoonte om al hun afval door het raam van de trein naar buiten te werpen. Flessen (statiegeld kennen ze niet), etensresten, maar ook gebruikte luiers dwarrelen zo nu en dan aan het raam voorbij. Om de paar seconden klinkt de klap van een op de rotsen uiteenspringende bierfles.
Bij Turpan, een van de belangrijkste bezienswaardigheden van de oude Zijderoute, stappen de Japanners op. Vanaf hier moet ik de coupé delen met drie bejaarde, maar wel vitale mannetjes die deel uitmaken van een reisgezelschap onder leiding van een bijzonder knappe Japanse vrouw en een jongeman. De leden van het gezelschap zijn herkenbaar aan een donkerblauwe button op hun broek met daarop het logo van de reisorganisatie en een telefoonnummer dat gebeld kan worden als een van de schaapjes de kudde kwijtraakt.
Deze trein is overigens niet zo netjes als die naar Ürümqi. Waarschijnlijk komt dat omdat deze al weer de nodige jaartjes meegaat en dan neemt vanzelf de zorg voor het interieur af. Nu en dan komt wel de conducteur voorbij met een takkenbezem waarmee hij het gangpad en de vloeren van de coupés schoonveegt.

Het toilet is weer van het bekende hurktype en er is een aparte ruimte met wastafels. Het toilet is nu al aardig smerig. Ik ben benieuwd hoe het er over twee dagen zal uitzien. Gelukkig valt de hygiëne in de wasruimte mee.
De Japanners lijken mij vriendelijk. Ze zijn erg nieuwsgierig en vragen zich verwonderd af waarom ik niet bij mijn eigen groep in de coupé zit. Ik leg zo goed en zo kwaad als dat kan uit dat ik alleen reis. De conversatie verloopt moeizaam, want ze spreken alleen Japans. Een van hen laat mij een kaartje zien. Een visitekaartje met een kleurenafbeelding van de heilige berg Fuji. “Fuji, Fuji”, kraait hij. Hij maakt mij duidelijk dat hij daar vlakbij in de buurt woont. We wisselen wat snoepjes uit, maar al snel eist het steeds vlakker wordende landschap mijn aandacht weer op.
Even later maak ik kennis met het Japanse meisje dat de groep onder haar beheer heeft. Zij spreekt perfect Engels en legt mij uit dat ze met deze groep de oude Zijderoute volgt. Het uitstapje naar China is een cadeautje van de fabriek waar de leden van het gezelschap tot voor kort voor hebben gewerkt. Ze geeft mij een snoepje en ik vraag haar hoe je ‘dank je wel’ in het Japans zegt. “Arigato”, zegt ze lachend. Ik herhaal het woord en deel wat van de zuurtjes uit die ik nog in mijn nu bijna lege voorraadtas heb.
Het is acht uur in de avond. Aan de oostelijke horizon verschijnen voor het eerst wolken aan de tot nu toe strak blauwe hemel. In het westen staat de oranje zon al laag boven de horizon. Ik hoop niet dat het zal gaan regenen, want dan zal het raam dichtmoeten.

De schaarse oases in de Tian Shan-woestijn zijn volgebouwd met complexen voor zware industrie. Het verbaast mij dat gras er nog kan groeien tussen de grote, walmende fabriekspijpen. Het is waarschijnlijk aan de zeer dunne bevolkingsdichtheid te danken, dat de lucht hier nog zo fris is. In het rode licht van de ondergaande zon zie ik nog enkele windmolenparken.
De bergen zijn inmiddels in heuvels veranderd en ik geniet van de prachtige zonsondergang. Ik besluit maar eens de restauratie uit te proberen, want ik voel mijn maag driftig knorren. Helaas, na tien uur worden geen maaltijden meer geserveerd. De Chinezen gaan blijkbaar vroeg slapen. De Japanners overigens ook, want ik lijk wel de enige in de trein die nog op is. Ik pak nog wat proviand uit de tas en probeer in slaap te komen. Af en toe komt de trein met een gewelddadige ruk tot stilstand om een kwartier later met zo’n zelfde ruk weer in beweging te komen.

Woensdag, 7 juli 1993

Tijdens de hele reis heb ik nog niet zo slecht geslapen als deze nacht. Het bed ligt niet lekker, ik kan mijn draai niet vinden, een van de Japanners snurkt luid, het kussen houdt mijn halsslagader dicht als ik er mijn hoofd op leg en het is smoorheet in de couchette. Het lijkt wel alsof de verwarming openstaat. Hoe ik mij ook draai of keer, slapen wil niet lukken. Misschien kan ik overdag nog een uiltje knappen.
Ik begin te begrijpen waarom de mensen in deze trein zo vroeg gaan slapen, want ’s morgens om vijf uur is het al weer een drukte van belang. Mijn coupégenoten hebben ineens het hoogste woord en zitten gezellig met elkaar te kakelen.
Een half uur later stopt de trein. Ik kijk naar buiten en ik zie lange rijen goederenwagons staan. Het ziet er niet als een station uit. De trein blijft lang staan en omdat ik niet het gevoel heb dat ik nog zal kunnen slapen besluit ik maar op te staan. Ik hoop dat de restauratie al open is, want ik rammel.
Eten is niet makkelijk in deze trein. Op de stations die we passeren verkopen ze niets, wat overigens ook niet zo gek is, want ze liggen midden in volstrekt verlaten vlaktes. Het is mij een raadsel waarom de Chinese Spoorwegen hier stations bouwt en nog wel zulke mooie met minstens drie man personeel. Elk station heeft een stationsgebouw dat er over het algemeen keurig onderhouden uitziet. Op de daken liggen geglazuurde pannen.
Er is wel een restauratiewagen, maar daar wordt alleen gekaart. “San-xue, chi-fan”, roept een van de kaarters als ik vragend doe alsof ik met stokjes aan de maaltijd zit. Twaalf uur, dan kan ik dus eten. Dat wordt honger lijden de komende uren. Gelukkig heb ik nog wel wat koek en zuurtjes.
De trein slingert zich door de gloeiend hete Taklamakan-woestijn die zich uitstrekt tot Tibet. Het landschap is hier Mongools, hoewel het gebied gewoon tot de Volksrepubliek behoort. De vlakte is vaal bruin met hier en daar zoutafzettingen. Pas rond elf uur zie ik wat vegetatie opdoemen. Het is stug helmgras dat volgens mij overal kan groeien. Het gras wordt dichter naarmate we verder naar het zuidoosten rijden.
Tegen het middaguur wordt het uitzicht minder saai. Hier en daar zie ik eenvoudige huisjes staan en op sommige plaatsen wordt door arbeiders aan het spoor gewerkt. Ik benijd hen niet. Ze staan de hele dag met hun blote rug in de brandende zon op stenen te hakken. Ik vraag mij af of het dwangarbeiders zijn. Studenten die hier in de socialistische leer worden geschoold. In sommige seizoenen moet water stromen door dit kurkdroge landschap, want ongeveer om de kilometer zie ik dammen die naar een brug onder de spoorlijn leiden. Parallel aan de spoorlijn loopt een autoweg waar nu en dan een lichtblauwe vrachtwagen overheen hobbelt. De trein rijdt de provincie Gansu binnen, waarvan mijn bestemming Lanzhou de hoofdstad is.
Bij het plaatsje Liuyuan stappen de Japanners uit. Ze gaan daar de volgende attractie bezoeken, de beroemde grotten van Mogao waar prachtige Boeddhistische wandschilderingen en beelden te zien zijn. De beelden en schilderingen zijn er zo talrijk dat er ondanks grootscheepse archeologische roofpartijen en vernielingen tijdens de Culturele Revolutie nog enorm veel zijn overgebleven.
De trein blijft ongeveer anderhalf uur in Liuyuan staan. Dan komen we weer met een forse ruk in beweging. In de verte zie ik de bergen van de Bei Shan.
In Liuyuan is een grote groep soldaten aan boord gekomen. Het gangpad staat er vol mee. Blijkbaar vindt het leger zijn soldaten zelfs nog geen zitplaats waard.
Snel gaat de trein niet. Ondanks de leegte van het landschap moet de ‘IJzeren Haan’ vaak stoppen waarna hij minstens een kwartier stil blijft staan. Vaak moet de trein wachten op tegenliggers, meestal goederentreinen. Maar het komt ook een paar keer voor dat we snellere treinen moeten laten passeren.
De situatie wordt steeds militaristischer. Elk station wordt bewaakt door minstens vijftig politiemannen met wapenstok, portofoon en pistool. Ook het stationspersoneel lijkt waakzaam te zijn voor allerlei mogelijke gevaren. Ik hoop niet dat er oorlog komt. Fotograferen mag officieel niet, dus dat laat ik maar achterwege. Ik hoef de moeilijkheden niet op te zoeken. Met het gebruikelijke boemelgangetje wordt de reis voortgezet op weg naar de stad Jiyuguan, waar een groot fort het begin of einde van de Chinese Muur aangeeft. Ik hoop daar wat eten te kunnen kopen, want het gebruiken van een maaltijd schijnt in deze trein niet mogelijk te zijn. Bovendien is het niet aantrekkelijk. De keuken, waarvan de deur de hele dag openstaat, ziet er smerig uit en ook de rest van de restauratie is niet bepaald fris te noemen.
Naar mate we in de buurt komen van Jiayuguan wordt het landschap vriendelijker. In plaats van zand en rotsen strekken zich nu weidegronden uit tot de horizon. Ik zie paarden en ezels grazen.
De bomen zijn van een bijzondere soort. Ze hebben een lange, sierlijke stam en verschillende kleine kronen aan de toppen van lange, kronkelige uitlopers van de stam. Hier en daar zie ik ook boeren werken op het land.
Intussen begin ik mij te ergeren aan het tempo van de trein. We sukkelen al meer dan een uur met een slakkengang door het kaarsrechte landschap en de vertraging is inmiddels opgelopen tot enkele uren. Normaal had ik het fort aan het begin van de Muur nog goed kunnen zien, maar door de enorme vertraging moet ik nu genoegen nemen met een donker silhouet in het laatste licht van de inmiddels gevallen avond. Fotograferen lukt niet meer, maar ik zie nog wel hoe de trein een restant van de oude muur passeert. In werkelijkheid loopt de muur nog veel verder dan Jiayuguan, maar er is niet veel meer van over dan wat op een rij gelegen hoopjes zand en grind. Het is jammer dat we dit punt niet een half uur eerder zijn gepasseerd, dan had ik nog een foto kunnen maken.
Het fort verdwijnt al snel uit zicht en we stoppen kort langs het station van Jiayuguan. Ik heb de coupé nog steeds voor mij alleen en besluit maar eens vroeg te gaan slapen. Voor de zekerheid doe ik de coupédeur op slot en bind ik er het touwtje van mijn zakalarmsysteem omheen. Als iemand vannacht probeert binnen te komen, zal dat niet ongemerkt gebeuren.

Donderdag, 8 juli 1993

Midden in de nacht, ik heb geen idee hoe laat het is, rukt het alarmapparaat mij mededogenloos uit mijn diepe slaap. Mijn hersenen draaien op volle toeren, waar ben ik, wat gebeurt er. Een groepje achter de deur lijkt niet minder geschrokken. Ik kruip overeind en schakel het apparaatje uit. Het blijkt de conducteur te zijn die met zijn sleutel de deur had geopend om nieuwe passagiers binnen te laten. Hij lijkt het te begrijpen dat ik uit zorg deze primitieve, maar effectieve veiligheidsmaatregel had getroffen. De lijn Ürümqi-Beijing was niet de veiligste van China.
Al snel val ik weer in slaap terwijl mijn nieuwe reisgenoten zich klaarmaken voor de nacht. Ik moet er maar op vertrouwen.
’s Morgens maak ik kennis met het groepje dat vannacht in Wuwei was ingestapt. Het blijken drie onderzoekers van de Technische Universiteit in Beijing ze zijn. Ze houden zich bezig met mineralenonderzoek en research naar de mogelijkheden om alternatieve brandstoffen te ontwikkelen. Ze spreken redelijk Engels. Een van hen heet Chu. Hij spreekt zelfs perfect Engels en vertelt mij dat zij nu op weg zijn naar een olieraffinaderij in de buurt van Lanzhou. Het zal lang duren voordat zij weer naar Beijing terugkeren.
Ik kijk naar buiten en zie dat het landschap sterk veranderd is. De trein heeft de hele nacht doorgereden en honderden kilometers in zuidoostelijke richting afgelegd. We rijden nu door een geheel andere landstreek. De woestijn en de bergen hebben plaatsgemaakt voor vruchtbaar land waarop graan en koolzaad wordt verbouwd. Ik zie ook bomen en verharde wegen. Nu en dan passeren we dorpjes die nog sterk aan de communes van weleer doen denken. De dorpjes zijn omringd door een ongeveer anderhalve meter hoge muur met een eenvoudige poort vol Chinese karakters als toegang. Het is vandaag zonnig en de temperatuur moet alweer rond de dertig graden zijn. Vandaag zal ik in Lanzhou arriveren.
Van de Chinezen, en vooral van Chu, kom ik meer over China te weten. Hij blijkt zeer goed ontwikkeld te zijn en ook over aardig wat kennis over landen buiten China te beschikken. Hij heeft enkele steden in Oost-Europa bezocht, wat best bijzonder is voor een Chinees. Slechts een zeer klein percentage van het grote Chinese volk steekt ooit een keer de landsgrens over. Chu vertelt iets over het onderzoek dat zij doen. Met behulp van mineralen willen ze proberen een hoger rendement uit fossiele brandstoffen te halen. Ik praat met hem over de stijgende milieuproblematiek in China, maar hij lijkt een discussie daarover uit de weg te willen gaan. “Vandaag hebben wij te weinig energie”, zegt hij. “Morgen lossen we andere problemen op.” Ik denk dat het voor mij als westerling moeilijk is mij in deze filosofie te verplaatsen. Zou milieuzorg een luxe zijn die alleen rijke landen zich kunnen permitteren?
Chu slaagt erin het gesprek op mijn reis over te schakelen. Hij is benieuwd waar ik naar toe wil gaan. Ik moet vooral naar Beijing gaan, zegt hij. Hij vraagt in ieder geval niet waarom ik naar China ben gegaan. Chinezen blijken in de regel weinig begrip te hebben voor rijke westerlingen die hun comfortabele leventje tijdelijk ruilen voor het Spartaanse Chinese bestaan. “Ik ga ook naar Beijing”, stel ik hem gerust. Hij geeft mij tips. Zegt waar ik naar toe moet gaan, terwijl hij de plaatsen aanwijst op het kaartje in mijn reisbijbel. Ik vraag hem hoe de mensen er zijn. Is het nog overal ‘mei-you’, als je iets vraagt? Hij lacht. Hij begrijpt wat ik bedoel. De frustratie van iedere buitenlander die tot voor kort China bezocht. De onwil en onverschilligheid van de door het staatssysteem verpeste Chinezen. “Dat was vroeger”, zegt hij met een ernstig gezicht. Buitenlanders worden niet meer als vreemde duivels of barbaren gezien. Ik probeer politieke onderwerpen te vermijden. Daar breng je een Chinees al snel mee in verlegenheid.
De trein rijdt nu door het echte China. Zoals dat bekend is van foto’s en toeristenfolders. Steile bergen rijzen op vreemde plaatsen uit het vlakke landschap op waarop de boeren iedere vierkante meter grond bewerken. Kaarsrechte wegen met oude vrachtwagens en veel fietsers doorkruizen de akkervelden en kleine riviertjes voeren het water voor de irrigatie aan. De huizen zijn erg eenvoudig. Vaak uit leem opgetrokken en ommuurd. De bevolking leeft hier nog in kleine, hechte gemeenschappen, iets dat in de grote steden al een poosje tot het verleden behoort.
Ik wijs Chu op de vredige leefgemeenschappen. Hij kijkt er een beetje meewarend naar. Hij zegt dat Chinezen steeds minder op die manier met elkaar omgaan. “We worden individualistischer en ook egoïstischer. Geld verdienen is heel belangrijk”, zegt hij. De communistische gedachte verliest duidelijke terrein. Chu erkent dat hij niet blij is met deze ontwikkeling maar het lijkt hem onwaarschijnlijk dat het anders kan. Het gemeenschapsgevoel is er jaren terug met geweld ingeslagen. Wie niet met de massa meedeed, kon op verschrikkelijke straffen rekenen. Nu de teugels gevierd zijn, is de strijd om economisch overleven begonnen.
Buiten trekken bergen voorbij die op schaakstukken lijken. Schaakstukken op een bord met groene en gele velden. Rechts van de trein ligt een bergketen met hier en daar wat sneeuw op de toppen. We rijden langs een kronkelende, gele rivier die als afvoerkanaal voor het voortdurend stijgend aantal fabriekscomplexen dient.
De Chinezen hebben videospelletjes tevoorschijn gehaald. Een apparaatje met een schermpje waarop blokjes naar beneden vallen. Met knopjes moeten de blokjes zodanig gestuurd worden dat zij passend in een steeds hoger wordende muur passen. Ook wordt kaart gespeeld met het zelfde soort kaarten als in de rest van de wereld gebruikt wordt.
Af en toe praten we wat. Over China en over Nederland. Ik vraag hoe laat we in Lanzhou aankomen. Dat zou om twaalf uur moeten zijn, maar het is inmiddels al een uur geweest. Chu zegt dat de treintijden slechts streeftijden zijn. Door de vele vertragingen onderweg zullen we nu niet voor drie uur arriveren. Dat is jammer. Er blijven dan nog maar weinig uren over om Lanzhou te verkennen. Gelukkig hoef ik er niet naar de Bank of China te zoeken. Met het Chinese geld dat ik bij mij heb moet ik makkelijk Beijing kunnen halen. Wel zal ik weer naar de CITS moeten voor mijn treinkaartje naar Datong. Volgens mijn reisbijbel zit het kantoortje van de toeristuitbuitorganisatie naast hotel Lanzhou waar ik de nacht zal doorbrengen. Het gaat hopelijk minder tijd kosten dan in Ürümqi.
De trein stopt nog steeds bij ieder station, ongeveer om de tien minuten. Het verbaast mij, want veel dorpen zijn er niet in deze omgeving en er stappen dan ook nauwelijks mensen in en uit. Voor een trein die in 79 uur een afstand van bijna vierduizend kilometer aflegt, is het toch op zijn minst vreemd te noemen dat hij bij ieder onbeduidend stationnetje stopt. Er rijdt nu een elektrische locomotief voor de trein. Die moet er vannacht voor zijn geplaatst.
Ik vraag Chu of er nog stoomlocomotieven worden gebruikt. Hij zegt dat nog door heel China met stoom gereden wordt, maar dat er wel steeds meer treinen op diesel of elektriciteit gaan rijden. Tot 1990 werden in China nog stoomlocomotieven gebouwd. Volgens een ontwerp uit de Sovjet-Unie waarbij de modernste techniek uit de jaren vijftig stamt.
Bijna al het spoorwegverkeer op deze lijn bestaat uit olietreinen die van en naar het olierijke Xinjiang rijden. Het valt mij op dat de temperatuur is gedaald, ofschoon de zon loodrecht boven ons aan een strakblauwe hemel staat te branden. De temperatuurdaling moet te maken hebben met de grote hoogte waarop wij ons bevinden. Ürümqi lag al op 800 meter boven zeeniveau, maar Lanzhou bevindt zich op maar liefst 1.500 meter boven de zeespiegel. Dat scheelt al gauw een paar graden. Ook is het op deze hoogte niet zo stoffig. Hoewel het al twee dagen geleden is dat ik nog eens gedouched heb, voel ik mij niet smerig.
Ik merk dat ik begin te wennen aan het leven in de trein. De geringe bewegingsvrijheid, het matige comfort, de mensen die in de trein lijken te wonen en het steeds veranderende uitzicht. Het begint allemaal normaal te lijken. Het reizen met de trein hier is niet te vergelijken met een treinreisje in Nederland. Hier is het een ‘way of life’. De Chinese trein is overigens naar de maatstaven gemeten niet slecht. De hygiëne is redelijk en ik heb geluk dat ik in een coupé zit waar bijna alles functioneert. Het bedlampje werkt natuurlijk niet, evenals het stopcontact. Ik moet dus zuinig met de computeraccu zijn. Maar de twee dagen van deze reis zing ik het wel uit.
Tijdens een lange stop stap ik uit en koop ik zoete broodjes en flessen bier op het station. Ik ben blij dat hier eindelijk wat eetbaars verkocht wordt, want pogingen om in de restauratie te eten onderneem ik maar niet eens meer. Ik zie dat trouwens niemand doen. Iedereen neemt zijn eigen eten mee in de trein. Mijn coupégenoten trakteren op zeer zoute vis uit een blikje. Ik spoel het weg met een kopje cup-a-soup. De Chinezen eten de vis met stokjes, maar ik kan het glibberige vlees niet vasthouden en besluit tenslotte maar mijn vingers als bestek te gebruiken. Niet beleefd, maar ik zie geen andere manier om de vis in mijn mond te krijgen zonder mijn kleren onder te smeren.
Naar mate we de ‘beschaafde’ wereld naderen groeit ook het afvallint naast het spoor. Als ik even uit het raam kijk lijkt het net alsof er feest gevierd wordt in de trein. Als confetti werpt men afval uit het raam. Allerlei troep en vooral veel lege flessen. Het is in China levensgevaarlijk om in de buurt van een viaduct te komen als daarover net een trein passeert. Volgens de literatuur maken Chinezen ook van de trein een zwijnenbende. Maar daar heb ik tot nu toe niet veel van gemerkt. Na twee dagen zien de wagons er nog heel redelijk uit. Ook de hard-seat-wagons zijn schoon, hoewel er onafgebroken gegeten wordt, waarbij het volume van het afval het volume van het eten veruit overtreft.
Op tafelmanieren kan ik de Chinezen niet betrappen. Er wordt luid gerocheld onder het eten en wel zo luid dat de hele wagon kan meegenieten. Niet iedereen rochelt. Het zijn er slechts enkelen, maar die produceren het weerzinwekkende geluid dan ook wel ongeveer elke minuut. Steeds bewegen zij zich discreet naar het open raam om het resultaat van hun soloconcert aan de buitenlucht toe te vertrouwen. Prettig voor de baanwerkers langs de rails.
Eén station voor Lanzhou verlaten mijn Chinese vrienden de trein en blijf ik alleen achter in de coupé. Het zal nog ongeveer een half uur duren voordat we er zijn. Ik ruim de rommel op en stop alles in een plastic zal die ik in de hoek van de coupé zet. Ik kan het niet over mijn hart verkrijgen om net als de Chinezen alles uit het raam te kieperen.
Ik kijk in de reisbijbel en zie dat Lanzhou meerdere stations heeft. Gelukkig staan de namen van de stations op de borden ook in het Pinyin. Dat is makkelijker te ontcijferen dan de Chinese karakters. Ongeveer drie uur rijdt de trein het propvolle centraal station van Lanzhou binnen. De totale vertraging is opgelopen tot ruim drie uur. Dat is wel jammer, want ik zal maar kort in deze interessante stad verblijven. Ik besluit geen tijd te verliezen en ga direct op zoek naar bus 1 die naar het Lanzhou-hotel rijdt. Buiten word ik belaagd door chauffeurs van taxi’s en fietstaxi’s. Ze ruiken dollars, want dit is geen gewone vriendelijkheid meer. Tussen de vele krakkemikkige gelede autobussen zie ik lijn 1 staan.
Ik zeg ‘Lanzhou-lüguan’ tegen de conducteur, maar hij kijkt mij verbaasd aan. Een medepassagier schijnt wel te begrijpen wat ik bedoel en schreeuwt verveeld ‘Lanzhou-lüguan’. Juist ja. Dit begrijpt de conducteur wel en zwaait in de richting waarin de bus rijdt. Hij brabbelt nog iets wat ik niet versta, terwijl een vriendelijke Chinees mij zijn plaats aanbiedt en mij helpt met het aftuigen van mijn bagage. Direct koopt hij een kaartje voor mij. Ik wil hem de veertig fen, ongeveer een stuiver, terug betalen, maar dat wuift hij af. Hij vindt het blijkbaar een eer om een buitenlandse gast ten dienste te staan. Ik bedank hem heel hartelijk en verbaas mij over de bijzondere vriendelijkheid van de meeste Chinezen die ik tot nu toe ben tegengekomen. Ik ga steeds meer twijfelen aan de verhalen die ik gehoord heb over hoe Chinezen buitenlanders behandelen. Zou er zo veel veranderd zijn de afgelopen jaren?
Na twee lange haltes stopt de bus bij een grote rotonde. De vriendelijke Chinees wijst naar de overkant en zegt vrolijk ‘Lanzhou-lüguan’, terwijl hij mij weer ‘in de bagage’ helpt. Ik loop naar de overkant en merk dat oversteken niet altijd eenvoudig is. Het verkeer stopt principieel niet voor voetgangers, ook niet als die op een met stoplichten beveiligde zebra oversteken. Brutaal doorlopen wordt met een ernstig ongeval afgestraft.
Ik bereik gelukkig heelhuids de overkant en loop het grote hotel binnen. Het Lanzhou-hotel bestaat uit meerdere gebouwen waarbij een groot deel alleen voor Chinezen toegankelijk is. Voor buitenlanders en ‘Chinezen van overzee’ is het middelste en meest luxueuze deel gereserveerd. Het complex dateert uit de jaren vijftig en in de architectuur is de Stalinistische invloed dan ook onmiskenbaar.
Het meisje achter de balie van de receptie spreekt Engels en kijkt wat ongeïnteresseerd naar de voucher die ik haar overhandig. “You go to CITS”, mompelt ze en wijst mij de weg. Ik baal ervan, want ik heb al zo weinig tijd hier. Die paar uur wil ik niet besteden aan het verzorgen van mijn accommodatie en treinkaartje. Gelukkig is het om de hoek, maar als ik op de tweede etage van het ommuurde, armoedige kantoorgebouwtje aankom wil men mij weer terugsturen naar het hotel. Ja, daar trap ik niet meer in. Ik vraag hem een ‘officer’ er bij te roepen en hij klopt aan bij een ander kantoortje in de gang. Daar zit een wat oudere Chinees die niet zo goed Engels spreekt, maar wel direct begrijpt wat de bedoeling is. Hij speelt het spel van toeristen van de straat houden gelukkig niet mee en belooft vanavond half negen mijn kaartje te hebben. Met het hotel kan hij mij niet helpen. Dat moet ik zelf maar proberen.
Het meisje van het hotel probeert mij weer naar de CITS te sturen, maar uiteindelijk, na lang aandringen, haalt zij de assistent-manager erbij. Dan is het in orde en krijg ik mijn kamernummer en zelfs de sleutel. Hier hoef ik niet het kamermeisje te roepen om binnen te kunnen. Zeker omdat dit deel van het hotel alleen voor buitenlanders is.
Ik gun mijzelf geen tijd om te douchen en pak meteen mijn fototoestel om de stad te gaan verkennen. Binnen vijf minuten sta ik weer op straat en sla ik de grote avenue naar de Gele Rivier in. Inmiddels begint het weer snel te betrekken en pakken donkere regenwolken zich samen. Wegens de grote hoogte van Lanzhou hangen de wolken vlak boven de stad. Het ziet er dreigend uit.

Ik wil naar de Heuvel van de Witte Pagode (Baita Shan), maar die blijkt veel verder dan ik aanvankelijk verwacht had. Ik loop langs een park vol Chinese bouwsels. Het lijkt speciaal voor toeristen gebouwd te zijn. Voor de ingang staan tientallen fel gekleurde fietstaxi’s en rondritkoetsjes rumoerig op klanten te wachten.
Ik loop verder en kijk af en toe om of er geen bus aankomt. Want het lijkt wel of ik nooit bij het park aankom. Als ik bij een brug aankom, steek ik de Gele Rivier over. In de verte, aan de rechter oever, zie ik de Witte Pagode, boven op een hoge heuvel met steile hellingen.
De lucht is inmiddels zwart geworden en ik voel de eerste regendruppels. In de verte zie ik echter al weer een opklaring opdoemen. Maar eerst zal er wel de nodige regen vallen. Ik heb geen paraplu bij mij, die was ik in de haast vergeten.
Eenmaal in het park is het zo donker geworden dat ik nauwelijks nog kan fotograferen. Het kost mij moeite om zonder statief opnames te maken van de prachtig gerestaureerde boeddhistische tempelgebouwen. De vele houten gebouwen met hun opkrullende daken zijn tot in de kleinste details van versieringen voorzien.

Beneden aan de ingang, die gemarkeerd wordt door kitscherige namaakleeuwen, moest ik een kaartje kopen om het park in te komen. De tarieven stonden op een affiche op het raam van het portiershuisje vermeld, maar ik moest natuurlijk de speciale buitenlandersprijs betalen. Op weg naar het tempelcomplex was nog een kassa. Daar moest ik nog eens twee yuan betalen om verder naar boven te mogen.
In dit prachtige park, dat tijdens de Culturele Revolutie zwaar te lijden heeft gehad, staan diverse paviljoens uit de Qing-dynastie (1644 – 1911). Zo zie ik het Driesterrenpaviljoen, het Begroet-de-zonsopgang-paviljoen en het Bewolkte-maan-paviljoen. De gebouwen zijn heel mooi, maar ik zie duidelijk dat de fel gekleurde verf nog vers is. De restauratie is waarschijnlijk net voltooid.

Dan barst de bui in alle hevigheid los. De Gele Rivier is nauwelijks nog te zien door het dichte regengordijn. Ik zoek snel beschutting in één van de paviljoens. De bliksem slaat hard neer en treft verschillende doelen in het centrum van de stad. De lichtflitsen komen vrijwel gelijktijdig met de knallende donderslagen. Ik hoop dat ik veilig sta onder het afdak van het kleine gebouwtje. Ik kijk langs de helling omhoog naar de achthoekige pagode die een mengeling van Chinese en Indiase stijlen in zich heeft. Het witte gebouw telt zeven verdiepingen en steekt fraai af tegen de loodgrijze lucht.
Als de bui overgaat in motregen stap ik op. Ik probeer dichter bij de pagode te komen, maar ontdek al snel dat er geen pad naar toe loopt. Ik bekijk nog even de overige gebouwen en stap dan weer op in de richting van de smalle, ijzeren brug over de Gele Rivier.
Over de smalle brug dendert het verkeer onafgebroken. Ik kijk naar de vele fietsers, die beschermd door stukken plastic zich een weg banen over de gladde houten planken.
Voordat het donker wordt, wil ik het Vijf Bronnen-park bezoeken dat ik vanuit de trein gezien heb. Het is een heel eind lopen, maar de route is bijzonder interessant. Ik passeer een nieuwe Moskee met een futuristische bouwstijl. Het gebouw wordt ontsiert door een meters hoog reclamebord naast de gevel. Dit bord propageert de socialistische moraal die weinig te maken heeft met wat in het gebedshuis gepredikt wordt.
Het openbaar vervoer is niet geweldig in Lanzhou. Hoewel ik veel bussen en trolleybussen zie rijden, gaat er niet een de kant op die ik wil. Eigenlijk min of meer toevallig kom ik uit op het enorme universiteitscomplex van Lanzhou. Nieuwsgierig wandel ik de uitgestrekte wijk vol studentenflats in. Overal zitten studenten in uniformachtige kleding over hun dictaten en ringbanden gebogen. Kleine groepjes lopen driftig discussiërend voorbij. De lucht is inmiddels opgeklaard, maar de zon is net onder en het wordt al gauw weer donker.

De sfeer op het universiteitscomplex doet mij denken aan de Kuifjesstripboeken die zich in China afspelen. Vooral de afwezigheid van het moderne autoverkeer draagt bij aan de sfeer. De gebouwen zijn opgetrokken volgens de traditionele Chinese bouwstijlen en liggen aan prachtige boomrijke straten. In de kleine parkjes staan paviljoenen waaronder de studenten in groepjes bij elkaar zitten.

Ik loop verder en passeer het hoofdgebouw van de universiteit waarvoor groepen Chinezen basketbal spelen. Langs de spoorlijn lopend kom ik in een heel oud gedeelte van de stad dat tegen de hellingen van een steile heuvel is opgebouwd. Het ziet er hier bijzonder schilderachtig en oosters uit. De smalle straatjes vormen echter een waar labyrint en ik merk al snel dat ik verdwaald ben. Omdat het inmiddels donker is, voel ik mij niet erg op mijn gemak met mijn fototoestel om mijn nek. Ik houd het dure apparaat voorzichtigheidshalve maar verborgen in het kleine rugzakje dat ik op mijn buik draag. Na ongeveer een half uur dwalen kom ik weer in een brede, doorgaande straat uit. Langs de kant zie ik vrolijk verlichte marktkraampjes en bij een ervan koop ik wat broodjes en een fles bier.

Ik tref het China aan zoals ik dat had willen zien. Het leven op straat, verlicht door slingers met lampjes. De mensen kijken mij lachend aan en de brutaalsten groeten met ‘Hello’. ‘Ní-hâo’, zeg ik terug en ik zie ze vriendelijk lachend omkijken. In dit deel van de stad komen weinig toeristen.
De markt lijkt dag en nacht door te gaan, want het is inmiddels pikkedonker, hoewel het pas half acht in de avond is. Het wordt steeds gezelliger en drukker op straat en het lijkt wel of het ook steeds Chineser wordt. Overal zie ik fietsen en handkarren. Niet een van deze voertuigen voert verlichting en ik word dan ook een paar keer bijna aangereden door een fiets die ineens uit de duisternis opdoemt. Veel auto’s rijden ook zonder licht.
Dan heb ik geluk. Er stopt een klein busje en de conducteur (zelfs op de kleinste minibusjes rijdt een conducteur mee) vraagt waar ik heen wil. Ik probeer weer de naam van het hotel correct uit te spreken, maar de conducteur begrijpt het direct. Stap maar in, gebaart hij. Het ligt blijkbaar niet op de route, maar voor zo’n westerling rijdt hij wel een stukje om. Het is een van de particuliere bussen die het midden houden tussen een lijnbus en een taxi.
Via feestelijk verlichte straten rijdt de bus naar de rotonde waaraan het hotel ligt. Onderweg zie ik fel verlichte terrassen waar grote groepen jongeren rond een televisie met een karaoke-programma geschaard zitten. Om beurten nemen ze de microfoon over om na te zingen wat op de Chinese ondertitels staat aangegeven.
Het straatje van het CITS-kantoor is geheel in duisternis gedompeld. Er is geen straatverlichting, de talloze winkeltjes zijn dicht en ook achter de ramen van de gebouwen is geen licht zichtbaar. Ik houd mijn hart vast. Hoe krijg ik mijn treinkaartje?
Ik besluit het toch te proberen en wandel de poort binnen. Het gebouw is niet afgesloten en binnen brandt zwakke verlichting. Ik loop de trappen op naar de tweede etage en tref daar tot mijn verrassing de nog hard werkende medewerkers van de CITS aan. Mijn kaartje ligt klaar, maar ik zie dat er een andere tijd op staat als op mijn reisplan. De beambte kan het niet verklaren, maar verzekert dat het kaartje in orde is. Ik besluit morgen maar op safe te spelen, want de trein missen zou een hoop problemen kunnen opleveren.
Ik maak nog een avondwandeling, want ik vind half negen geen tijd om naar bed te gaan. Ik loop langs de straten waar ik met het busje doorheen gereden ben op zoek naar de gezelligheid. Er hangt een typische zomeravondsfeer. Luid krijsende boomkrekels en een heldere lucht vol sterren. De straten zijn slecht verlicht. Het meeste licht komt van de gebouwen met hun felle neonreclames op de gevel. Op de weg is het een lawaai van belang. Auto’s en bussen toeteren onophoudelijk en fietsers proberen daar met hun grote fietsbellen bovenuit te komen. Af en toe klinkt een luid gerochel dat het verkeer overstemt.
Grote groepen jongeren struinen de brede trottoirs af op zoek naar vertier. Dat vinden zij in de talrijke goktenten die de stad rijk is, en op de hoeken van de grote straten waar op fel verlichte terrassen karaoke beoefend wordt. Af en toe kom ik buitenlandse toeristen tegen.
Langs de cafés staan pooltafels op straat. De jongens doen hun best om de gebutste ballen over het versleten laken in de richting van de ‘holes’ te stoten. Oude mannen zitten gehurkt of geknield ma-jong te spelen op het trottoir.
Bij een stalletje ga ik op een van de houten banken zitten en bestel een schaaltje mie door zo’n zelfde schaaltje bij een andere klant aan te wijzen. Ik doe er nog wat sambal bij, maar dat had ik beter niet kunnen doen, want het spul was van zichzelf al oneetbaar heet. De uitbater en twee (volgens mij) homo’s proberen in het Chinees uit te vissen waar ik vandaan kom. Het kost mij de grootste moeite om hen met mijn geringe kennis van het Chinees te verstaan, maar zij knikken begrijpend als ik ‘Helán’ roep. Holland. Ze hebben de grootste pret vanwege de manier waarop ik Chinees spreek en ik adviseer hen dan ook dringend om eens Engels te gaan leren. Dan kan ik ook lachen.
Ik wandel verder langs het station en een westelijk daarvan gelegen wijk. Mijn voeten branden van vermoeidheid. Op de terugweg naar het hotel loop ik door een wonderlijke straat met enorme bomen aan beide kanten van de weg. Ik zie veel mensen lopen en zij gaan allemaal een poort binnen die toegang geeft tot een enorm complex van woonkazernes. Aan de gevel hangt een groot vaandel met Chinese karakters.
Via de avenue kom ik weer bij de rotonde, waaraan het hotel ligt. Het is nu twaalf uur, maar het verkeer raast nog voort met dezelfde drukte als midden op de dag. In de verte hoor ik het lawaai van de karaoke-terrassen.
Ik neem voor het slapen gaan een bad, was mijn kleren en hang die op aan een waslijn boven het bad. Een ventilator boven het bad zorgt ervoor dat mijn kleren snel droog zullen zijn. Op het toilet zit weer een hoes waarop ‘sterilized’ staat, terwijl op de wastafel een grappig setje voor hotelgasten ligt. Dit bevat twee miniatuurtandenborstels, zeer kleine tubes tandpasta, kammetjes en alle andere spulletjes die je nodig kan hebben voor de hygiëne en het herstel van kleding.

Vrijdag, 9 juli 1993

Het is pas half zeven als het reiswekkertje mij uit een diepe slaap haalt. Ik kijk om mij heen en knipper met mijn ogen. De hotelkamer van Lanzhou-lüguan. Het liefst was ik nog even blijven liggen, maar ik moet opschieten want volgens mijn reisplan vertrekt de trein naar Datong een paar minuten over negen. Bij de CITS zeiden ze een paar minuten over tien, maar ik maak toch maar de veiligste keuze. Beter een uur te vroeg dan een uur te laat.
Het ontbijt geeft weer de gebruikelijke moeilijkheden. Het eten is verschrikkelijk en ik begrijp dan ook niet hoe ze er acht en halve yuan voor durven te vragen. Weer uitleggen dat het ontbijt bij de prijs van de overnachting zit inbegrepen doe ik niet meer. Het is amper anderhalve euro en dat is alle moeite niet waard. Met moeite prop ik het ondefinieerbare voedsel weg. Ik had brood, ei en melk besteld. Dat stond op het menu. Wat ik krijg lijkt er zelfs niet op. Behalve het ei dan, maar dat smaakt weer niet naar ei. Veel te lang gekookt. De melk is wel wit, maar ik kan de smaak niet thuisbrengen. Ze weten blijkbaar van horen zeggen dat melk een witte vloeistof is, maar moeten nog leren dat je die vloeistof uit een koe moet halen.
Ik haal de rugzak, buikzak en boodschappentas van de kamer, lever de sleutel in en ga op stap. Ik heb geluk. Het openbaar vervoer is mij vandaag gunstig gezind, want ik kan direct op een overvolle bus richting station springen. Ongeveer een halve kilometer voor het stationsgebouw is de eindhalte en maakt de bus rechtsomkeert. Ik was er gelukkig net op tijd afgesprongen. Het begint al weer behoorlijk warm te worden, terwijl ik mijn zware bagage over het enorme stationsplein zeul.
Binnen in het stationsgebouw wacht mij weer hetzelfde ritueel al is de wachtkamer nu minder luxueus dan in Ürümqi. De CITS blijkt gelijk te hebben gehad. Mijn trein zal enkele minuten over tien vertrekken. Om de tijd te doden wandel ik langs de vele marktkraampjes die in een grote cirkel in de stationshal staan opgesteld. De overwegend jonge ondernemers van het nieuwe kapitalisme verkopen bijna allemaal hetzelfde. Rekenmachines, horloges, videospelletjes en sigaretten.
Keurig op tijd krijg ik een seintje dat de trein is gearriveerd. Ik laat mij op de golven Chinezen meedeinen naar het juiste perron waar de meer dan twintig wagons lange trein klaar staat voor vertrek. Ik gooi mijn spullen in de gereserveerde coupé en loop nog even naar de voorkant van de trein om een foto van de diesellocomotief te maken. Ik begin nu echt te twijfelen of er in China nog wel met stoom gereden wordt. Ik heb nog niet één stoomlocomotief gezien. Voordat ik instap sla ik nog wat bier en etenswaar in. Tenslotte zal ook de reis naar Datong ruim een etmaal in beslag nemen. In ongeveer 27 uur zal ik een afstand van bijna vijftienhonderd kilometer afleggen, waarvan het grootste deel door de woestijnprovincie Binnen-Mongolië.
De couchette heeft weer de gebruikelijke gebreken. Het raam kan niet open en uit de luidspreker krijst een verschrikkelijk lawaai. Het klinkt alsof een uiterst vals koor achter elkaar de tafel van zeventien blijft opdreunen. Om niet krankzinnig te worden haal ik vakkundig het kapje van de luidspreker van de wand, omdat het treiterding alleen door sabotage tot zwijgen kan worden gebracht. Wat een opluchting.
Ik krijg gezelschap van een Chinese militair, een gewone Chinees en een klein jongetje, duidelijk een enig kind. Lekker verpest. Helaas roken ze. Dat is niet verboden in de trein. Gelukkig blijft het bij een enkele sigaret. Ik vraag mij af of dit wel de leukste rit van mijn lange treinreis zal worden. Ik heb mijn twijfels. Misschien maakt het landschap nog wat goed. De trein komt in beweging en al snel laten we de buitenwijken van Lanzhou achter ons. Vrij onverwacht denderen we over een grote hangbrug over de Gele Rivier. Dan komen we in een markant berglandschap terecht, waar midden tussen de steile rotswanden akkers worden verbouwd. De bergen lijken op Chinezen, klein en bijzonder talrijk. Van tijd tot tijd rijden we door tunnels en passeren we viaducten. Na een tijdje verlaten we de loop van de Gele Rivier en zetten we koers in noordelijke richting.

Af en toe passeren we een kolchoze. Dat is een door de communisten bedachte zelfstandige gemeenschap, waar iets geproduceerd wordt en waar de arbeiders bij de fabriek of boerderij wonen. Het heeft veel kenmerken van een strafkamp.
Na de bergen volgt een steppengebied dat al snel gaat vervelen. Het grasland strekt zich uit tot de horizon. Ik heb geen zin om in de coupé te blijven zitten en neem daarom plaats op het gangpad, achter een van de weinige ramen die omhooggeschoven kan worden. Met de hete wind in mijn haar geniet ik van het voorbijtrekkende landschap.
De hitte wordt erger naarmate de ochtend vordert. De laatste wolken lossen langzaam op in het vale blauw van de heldere hemel en na enige tijd voel ik dat slaap zich van mij meester maakt. Terwijl ik half lig te dommelen stoot de conducteur mij aan. Het raam moet dicht, want de airconditioning moet aan. Blijkbaar is deze trein nog niet zo oud, als de airconditioning nog werkt. Dat is waarschijnlijk ook de reden dat de ramen van de coupé’s vergrendeld zijn.
Ik zoek de coupe weer op en val binnen enkele minuten in slaap. In de trein is het donker want de conducteur heeft de gordijnen dichtgeschoven bij wijze van zonwering. Af en toe word ik wakker en merk ik dat het iets koeler wordt in de trein. De airconditioning geeft echter meer lawaai dan koelte.
Als ik na een uur wakker wordt zijn de gordijnen nog steeds dicht en moeten de ramen gesloten blijven. Ik verlang echter naar buitenlucht en neem daarom mijn intrek op het balkon waar het raam wel open mag. Terwijl ik mijn hoofd naar buitensteek rijdt de trein door een lange bocht. Ik hoor vaag het gehijg en gepuf van een echte stoomlocomotief, hoewel ik die vanwege de bocht nog niet kan zien.

Dan buigt het spoor in de andere richting en zie ik ongeveer tien wagons voor mij de grote, zwarte locomotief die de lange trein hijgend de heuvel optrekt. Fantastisch. Ik heb een reis door de tijd gemaakt en ben weer in 1954. Er is niets meer dat mij aan het heden herinnert, behalve dan natuurlijk mijn moderne fototoestel dat ik voorzichtig uit het raam steek om een foto te maken terwijl de trein een bocht van honderdtachtig graden doorploegt. Er rijden dus toch nog stoomtreinen. Die teleurstelling blijft mij bespaard.
Het landschap is verrassend en wisselt snel. Het ene moment rijden we tussen kale rotsen, dan weer door grasland en op het moment lijkt het alsof we door de duinen van Zandvoort rijden. Kleine, gele zandheuvels compleet met helmgras. Dan trekken we weer een stukje woestijn door, terwijl in de buurt van dorpen het land bewerkt is en er helder groene gewassen uit de dorre grond steken. De boeren werken hard in de volle zon en schenken geen aandacht aan de lange trein naar Beijing die slechts een keer per dag voorbijkomt.

Rond een uur of een komen we in het stadje Zhongwei aan. Ik stap uit een loop naar voren om een foto van de locomotief te maken, maar ik heb pech. Hij rijdt net weg. Voordat de locomotief terugkomt van waterhalen klinkt al het belsignaal en besluit ik voor de zekerheid maar in te stappen. Straks vertrekt de trein in de andere richting en sta ik op het station. Het is een fantastische ervaring om in een stoomtrein te rijden maar je wordt wel enorm smerig van het uit het raam hangen. Hoewel er geen dikke rookwolken uit de schoorsteen komen, merk ik toch dat er geleidelijk een steeds dikkere roetlaag op mij neerslaat. Aan mijn witte T-shirt is precies te zien hoever ik uit het raam gehangen heb. Het roet kan ik wel afkloppen, maar af en toe komt er een combinatie van roet en waterdamp langs en dat plakt behoorlijk.
De viezigheid is wel vervelend, want ik zal tot Beijing moeten wachten voordat ik weer een bad kan nemen. In de kleine wasruimte van de trein slaag ik er nauwelijks in het zwart van mijn schouders weg te poetsen. Omkleden doe ik morgen in Datong wel.
De trein rijdt sneller dan de trein van Ürümqi naar Lanzhou. We stoppen vrijwel nergens en als we stoppen dan is dat maar voor een paar minuten. We passeren wel enkele goederentreinen op wachtsporen, maar die lijken op ons te wachten om verder te mogen rijden over het enkelspoor. Alle treinen die ik zie worden door stoomlocomotieven getrokken. Waarschijnlijk zitten we in de buurt van de grote steenkoolvoorraden van China. Waar stuwdammen zijn wordt elektrisch gereden, diesellocomotieven hebben het alleenrecht in de olierijke provincies en in het noordoosten, waar steenkool wordt gedolven, rijden nog de oude, vertrouwde stoomlocomotieven die overal elders in de wereld naar het museum zijn verbannen.
Toch zal de oudheid hier ook niet lang standhouden. Op veel plaatsen zie ik de modernisering toeslaan en sommige delen van de spoorlijn zullen binnenkort verdubbeld worden. Er wordt veel gewerkt in China, maar het gaat wel erg langzaam.

Onderweg passeren we diverse stations met locomotievendepots. De meeste stoomlocomotieven staan er helaas ontredderd bij. Hun bestaan loopt ten einde want een eindje verder is men al bezig met de aanleg van elektrische bovenleiding. Het milieu zal er niet slechter van worden.
Na Zhongwei loopt de spoorlijn volgens de kaart langs de Chinese Muur, maar ik zie er weinig van. Onderweg naar Lanzhou had ik nog wel hier en daar wat resten van het vroegere verdedigingswerk gezien, maar hier zijn alleen heuvels en kleine bergen. Ik blijf oplettend naar buiten kijken, maar van de Muur is niets te zien. Als we in het begin van de avond in de grote stad Yinchuan aankomen, hebben we het gebied van de grote muur al weer achter ons gelaten. In deze stad zullen we geruime tijd blijven staan omdat het water in de wagons wordt ververst en de locomotief water en kolen moet inslaan.

Ditmaal ren ik naar voren om het locomotiefpersoneel te vlug af te kunnen zijn. En dat lukt. Ik loop bewonderend om de enorme locomotief heen en fotografeer hem van alle kanten. Al snel trek ik zo de aandacht van de machinist, een oud Chineesje in een Mao-pak dat ooit blauw geweest moet zijn. Hij lacht naar mij en wijst naar het trapje dat toegang tot de cabine verschaft. Ik mag op de ‘bok’ komen. Dat hoeven ze geen twee keer te zeggen. Ik vergeet de vermoeidheid en hijs mijzelf in één keer naar boven. Het is geweldig. Er is werkelijk niets moderns aan de locomotief. Het dikke, ijzeren deurtje wordt met een pook geopend, waarna de stoker er verse kolen in schept.

De oude machinist laat trots zijn werkplek zien en wijst op de vele drukmeters. Het is allemaal handwerk. Niets gaat automatisch. De machinist draait de remmen los en voert de druk op de ketel op. Luid sissend maakt de locomotief zich los van de trein om met een redelijke snelheid naar de watertoren te rijden. Ik hoop niet dat de trein er straks met een andere locomotief vandoor gaat. Je weet het nooit in dit land. Ik probeer mijn zorgen kenbaar te maken aan de oude Chinees, maar die begrijpt het meteen en geeft in gebarentaal aan dat we straks weer terugrijden naar de trein.
Na het waterbunkeren stomen we terug naar het station waar voorzichtig aangekoppeld wordt. Nu ben ik pas echt smerig. Dat krijg ik nooit meer schoon. Maar daarover kan ik mij nu geen zorgen meer maken. Ik groet de vriendelijke machinist en maak nog wat foto’s van de prachtige locomotief. Op de achtergrond verdwijnt een oranjerode zon achter de horizon. Ik loop langs het perron en langs een bierkraampje terug naar mijn wagon. Terwijl we Binnen-Mongolië binnenrijden valt de duisternis. Ik vind het jammer dat ik zo’n groot deel van de reis in de nachtelijke uren afleg.

Nadat ik mij zo goed mogelijk heb opgefrist, maak ik een wandeling door de trein. In de hard-sleeper-afdeling heerst een totaal andere sfeer als in de luxe soft-sleepers. Hier is de wagon in open compartimenten met elk zes bedden verdeeld. Mannen, vrouwen, kinderen, iedereen slaapt door elkaar. Sommige mensen zitten te kaarten, anderen breien en weer iemand is bezig met het bereiden van het avondeten. Het is een complete woongemeenschap op wielen, die met een vaartje van zeventig kilometer per uur door China boemelt.
Met tegenzin zoek ik weer mijn couchette op. De drie Chinezen zitten er nog steeds en lijken voorlopig niet van plan om te gaan slapen. Ik zet de walkman op en blijf nog even naar muziek luisteren. Westerse muziek als tegengif tegen de cultuurshock. Het licht blijft branden vannacht, maar ik lig er gelukkig niet pal onder.

Zaterdag, 10 juli 1993

Nadat ik ’s nachts verschillende malen ben wakker geworden, breekt eindelijk de ochtend aan. Vannacht om ongeveer half vijf zijn er nieuwe passagiers bij gekomen. Weer een oudere man met een jongetje. Hopelijk een minder vervelend exemplaar dan dat wat al in Lanzhou was ingestapt.
Ik zie dat het buiten stralend weer is en verwen mijzelf met een kopje oploskoffie. Het kokende water haal ik uit de kolengestookte tank aan het einde van de gang. In de coupé wordt al weer driftig gerookt, zodat ik maar weer mijn intrek op het gangpad neem. Het wordt tijd dat ze roken gaan verbieden in de trein, maar dat zal niet meevallen met een trein die zelf zo verschrikkelijk veel rook produceert.
De trein is behoorlijk opgeschoten vannacht. We zijn Jining als gepasseerd. In die plaats komt de lijn uit Lanzhou samen met de lijn uit Siberië en Mongolië. Over enige tijd, misschien een kwartier, zullen we weer de Chinese Muur passeren. Althans, wat daarvan over is. Het kwartier wordt een half uur, maar dan zie ik echt de vervallen wachttorens en restanten van wat eens de Woeste Horden uit het noorden had moeten tegenhouden.

Ik probeer foto’s te maken, maar wordt daarbij gehinderd door bomen langs het spoor. Kort na de passage van de muur komen we in Datong aan. Het is tien over half twaalf. Ik heb slechts enkele uren om deze interessante stad te bekijken. Dankzij mijn reisbijbel weet ik al ongeveer wat er te zien zal zijn.

Op het station zie ik dat op de borden behalve karakters letters in het Pinyin staan. Dat maakt de oriëntatie een stuk gemakkelijker. Ik loop naar het stationsgebouw en ga opzoek naar een bagagedepot waar ik mijn rugzak kan achterlaten. Een man van een jaar of veertig wacht mij op bij de uitgang. Hij stelt zich in het Engels voor als vertegenwoordiger van de CITS. Ik moet hem volgen naar een klein kantoortje aan de rand van de grote stationshal, waar het volhangt met posters die reclame maken voor de toeristische attracties in China. Ik ben nog zo stom om te verwachten dat ik meteen mijn treinkaartje naar Beijing krijg. Mooi niet dus. Ik moet het vanmiddag om zes uur ophalen in het Yungang Hotel, waar het hoofdkantoor van de CITS van Datong is gevestigd. Ik begin een grondige hekel aan deze toeristenpootuitdraaiers te krijgen. Ik betaal minstens tweemaal zoveel als een Chinees en krijg als service elke keer een verplichte wandeling naar een deel van de stad waar ik niets te zoeken heb. Gelukkig weet de man mij wel te helpen met de bagage. Hij wijst buiten een loket aan waar ik mijn spullen tegen een gering bedrag bewaakt kan achterlaten. Ik berg het bonnetje goed op in mijn geldtasje, want ik zal vanavond geen tijd hebben om onverwachte moeilijkheden te overwinnen.
De CITS-man probeerde mij een excursie aan te smeren naar de beroemde hangende kloosters, de Xuanggong Si, ofwel Klooster in het Midden van de Lucht. Toen hij de prijs noemde, ik zou er met een taxi naar toe moeten gaan, besloot ik op eigen houtje de stad te gaan verkennen. Het verschil tussen een paar centen en ruim zeventig euro. Ook de stoomlocomotievenfabriek kan ik bezichtigen. Honderdtachtig yuan FEC zegt de CITS-Chinees, alsof hij een voordeelaanbieding aanprijst. Volgens mijn reisbijbel kostte dezelfde excursie drie jaar geleden nog tien yuan. Ik besluit zelf maar uit te zoeken hoe ik bij de fabriek kan komen.
Bus 2 brengt mij volgens de reisbijbel naar een interessante buurt waar onder andere een van de grootste drakenschermen van China te zien is. De openbaar vervoersmaatschappij denkt er helaas anders over. Ik kom in een wijk die ik met behulp van de kaart niet meer kan traceren. Dankzij de Pinyin-opschriften op de straatnaambordjes en het kaartje in de reisbijbel kom ik er achter waar ik verzeild ben geraakt. Nog zo’n busrit zie ik niet zitten. Ik vertrouw meer op mijn benenwagen. Zo loop ik via de achterbuurten, waar men nog schrikt van buitenlanders, naar het stadsdeel waar onder andere de klokkentoren te zien is. Kleine kinderen begroeten me lachend met ‘hello’, en lopen joelend achter mij aan.
Het wordt steeds heter en schaduw is nauwelijks te vinden in de stoffige industriestad Datong. Ik constateer dat mijn voorraad Chinees geld vrijwel uitgeput is. Ik heb alleen nog wat FEC-biljetten, maar ik vind het zonde om die uit te geven als ik ook met volksgeld kan betalen.
De Bank of China, die ik met de nodige moeite weet te vinden, is helaas gesloten. Het is zaterdag. Ook de zwartwisselaars hebben vrij. Vervelend. Ik heb nog maar dertig yuan. Dan maar richting hotel Yungang.
Het wordt steeds heter en wolken die verkoelende schuduw afwerpen zijn er nauwelijks.

Een eind verder in de stoffige, grotendeels opgebroken hoofdstraat zie ik een groot Chinees bouwwerk staan. Het moet de klokkentoren zijn, waarmee vroeger alarm geslagen werd als de vijand kwam. Het gebouw telt drie etages en is versierd met talloze lantaarns aan de gekrulde dakranden.

Even verder zie ik een oud tempelcomplex dat niet in de reisbijbel staat aangegeven. Het blijkt volgens een bord uit de Ming-tijd te stammen. Ik gun mij niet de tijd om het complex van binnen te gaan bekijken en houd het bij een paar foto’s van de buitenkant. Ik wil hoe dan ook naar de stoomlocomotievenfabriek en wil bij het CITS-kantoor informeren hoe ik er kan komen. Natuurlijk is het kantoor gesloten. Ik had het kunnen weten.
Bij de receptie van het hotel probeer ik opnieuw aan inlichtingen te komen. Ook het meisje van de receptie spreekt Engels. Ik wijs naar een poster die reclame maakt voor de excursies naar de fabriek en vraag haar de naam van de fabriek in het Chinees op te schrijven in mijn notitieboekje. Ze is erg vriendelijk en wijst meteen de weg naar de bushalte waar ik lijn 15 kan pakken. Daarna zal ik moeten overstappen op lijn 6. Ik ben benieuwd.
De overgang van het koele hotel naar de snikhete buitenlucht is een slag in het gezicht. Bezweet kom ik bij de bushalte aan en zie ik lijn 6 op het bordje staan. Eenmaal in de bus laat ik de Chinese karakters in het opschrijfboekje zien, waarop een vrouw mij duidelijk maakt dat ik niet bus 6 maar bus 1 moet nemen. Bij de overstaphalte vraag ik het voor de zekerheid nog even aan de conducteur van lijn 1.
Het blijkt te kloppen en een vrouw waarschuwt mij als ik uit moet stappen. Via een lange laan met oude bomen en woonkazernes aan weerszijden bereik ik het oude gebouwencomplex van de locomotievenfabriek, waar tegenwoordig alleen nog wagons worden gebouwd.

Ik informeer bij een oude portier of ik bij de locomotievenfabriek ben en laat hem de Chinese krabbels in mijn notitieboekje zien. Hij lacht en wendt zich tot zijn collega die ook begint te lachen. Intussen sta ik te wachten. Als ik begin aan te dringen haalt hij een bord tevoorschijn waarop in het Engels staat dat alleen door de CITS geleide groepen worden binnengelaten. Zo makkelijk laat ik me niet afschepen. Het is zonde van de schaarse tijd maar ik ga toch de discussie aan. Ik bewaar mijn geduld en begin de twee bejaarde bureaucraten op mijn beurt uit te lachen. Ik zeg dat ik uit Nederland kom en speciaal voor de locomotievenfabriek naar China ben gereisd. Het maakt geen indruk. Na een tijdje krijgt de portier er genoeg van en pakt hij de telefoon. Hij belt zijn baas om te vragen wat hij met die rare buitenlander aan moet. De instructies zijn duidelijk. Ik kom er niet in.
Dan komt er een jonge dame binnen. Ze stelt zich voor als juffrouw Tan van de CITS. Ze vertelt wat ik ook al op het bord gelezen heb en ik zeg haar dat ik daar geen genoegen meeneem. Ik vraag wat het kost om alsnog het complex te kunnen bekijken. Pas als ik ook tegen haar lieg dat ik helemaal uit Nederland ben gekomen om de locomotievenfabriek te zien, zwicht zij. Voor twintig yuan mag ik het complex op, maar zij moet wel mee.
Juffrouw Tan neemt mij mee naar een deel van het complex dat als museum is ingericht. Op de gevel van de grote werkplaatsen staat onder andere in het Engels ‘Datong Locomotive Factory’. Naast het gebouw is een spoor waarop een aantal aftandse stoomlocomotieven is opgesteld. Veel bijzonders is het niet. In het dagelijks leven zie je mooiere, die bovendien nog kunnen rijden. Na een kwartier heb ik het wel gezien en vraag ik of er nog meer te beleven is. Juffrouw Tan wijst naar een oude spoorwagon, waarin een souvenirwinkeltje is ingericht. Het assortiment valt bitter tegen, maar toch koop ik een button met het logo van de Chinese Spoorwegen en een eerste-dag-enveloppe met spoorwegpostzegels.
Ik neem afscheid van juffrouw Tan en besluit zelf eens op verkenning te gaan. De wandeling voert mij langs het grappigste verkeersbord dat ik ooit heb gezien. Een gevarenbord met daarop een mannetje dat opspringt terwijl hij door een vrachtwagen wordt aangereden. Daarvoor moet je naar China.
Iets verder is een grote poort in het hek. Een oud portiertje houdt er de wacht en ik raak in een moeizaam gesprek met hem. Ik laat de button zien en maak hem duidelijk dat ik sympathie voor spoorwegen heb. Hij lacht met een tandeloze grijns en roept een arbeider die op het buitenterrein bezig is. Ze staan een tijdje in het Chinees tegen elkaar te brabbelen en kijken af en toe vluchtig in mijn richting. Dan roept de portier mij erbij en geeft hij mij mee aan de arbeider. Deze loopt voor mij uit de grote fabriekshal in, waar nauwelijks enig daglicht kan binnendringen. Binnen zie ik personenwagons van het type waarmee ik onder andere naar deze stad gekomen ben. Er wordt driftig aan het onderstel gelast.
De hal staat vol met roestige treinonderdelen en hoewel er tientallen arbeiders rondlopen, zie ik er maar enkele aan het werk. Ik wil verder het complex in om te zien of er ook stoomlocomotieven zijn, maar dat mag niet. Wel zie ik nog een andere hal, maar daar staan alleen maar onderdelen en grote machines voor metaalbewerking. Ik had al zo iets gehoord, dat sinds het stoppen van de productie van stoomlocomotieven hier alleen nog wagons gebouwd en gereviseerd werden. Voor het spektakel had ik drie jaar eerder moeten komen. Toen kon je nog op een splinternieuwe stoomlocomotief over het terrein rijden.
Ik neem afscheid van de arbeider die mij weer naar de portier heeft gebracht en vervolg mijn weg. Ik wil het hele complex rondlopen om te kijken of er nog meer toegangen zijn. Uiteindelijk kom ik op een boerenweggetje terecht waar ik gepasseerd wordt door een kar met twee ezels ervoor. Een oud boertje op de bok wacht geduldig tot hij zijn bestemming heeft bereikt.
De weg eindigt in een woonwijk die begrensd wordt door een oude poort vol Chinese karakters. Het zou een oude commune geweest kunnen zijn, maar nu zullen de arbeiders van de wagonfabriek er wel wonen.
Er worden nieuwe huizen gebouwd in de traditionele Chinese stijl. Dat moet voor relatief rijke mensen zijn, want onder het communisme werd elke overbodige versiering aan woonhuizen achterwege gelaten. Nu kan het blijkbaar weer. De huizen zullen twee kamers gaan bevatten. Ik zie geen voorbereidingen voor centrale verwarming of andere westerse luxe. De bestrating bestaat uit modder.
Na ruim een uur in de brandende hitte kan ik niet meer. Ik ben het complex nu bijna rond en ga op zoek naar een halte waar bus 1 stopt. Ik heb al een paar bussen voorbij zien rijden, maar een halte ben ik nog niet tegengekomen. Eindelijk, terug in de bewoonde wereld, zie ik mensen langs de kant staan. Ik ga er maar bij staan en wacht tot de bus komt. Dat duurt niet lang. Een al volgeladen, gelede bus stopt en ik worstel mij naar binnen. Gelukkig ben ik sterker dan de meeste Chinezen, want als je je niet snel naar binnen weet te werken kun je op de volgende wachten. Zwakkere en beleefde mensen hebben elke keer het nakijken, want de chauffeur wacht niet tot iedereen is ingestapt.

Onderweg probeer ik mij te oriënteren door aandachtig naar buiten te kijken of ik herkenningspunten zie. Maar daarvoor ben ik nog maar te kort in deze stad. Volgens mij rijdt de bus een heel andere route dan op de heenweg naar de fabriek. Ik herken de route pas weer als we bij het eindpunt zijn aangekomen. Intussen had de conductrice mij al een keer naar achteren geroepen om mij te laten bijbetalen. Ik had een kaartje voor één zone en moest er nog zo’n kaartje bijkopen.
Vanaf het eindpunt weet ik lopend hotel Yun Gang te vinden, waar ik mijn treinkaartje moet ophalen. Maar eerst koop ik van mijn laatste volksgeld nog een fles warm bier. Het is niet te drinken, maar ik ging zowat dood van de dorst. Nu kan ik er weer even tegen.
Bij de CITS krijg ik nul op rekest. Ik ben het inmiddels gewend en begin te verlangen naar Beijing, waar een eind aan deze misère zal komen. Alsof het de gewoonste zaak van de wereld is legt de niet al te snuggere beambte van de toeristenuitmelkorganisatie mij uit dat de man die mij ’s morgens bij het station begroet had, nu weer terug naar het station is gegaan om mijn kaartje op te halen. Dat moet hij dan weer naar het hotel brengen, waarna ik er weer mee naar het station kan om mijn trein te pakken. Is dat logisch? Ik realiseer me dat ik het slachtoffer ben van de Chinese aanpak van de arbeidsmarktproblematiek. En ik heb nog wel betaald om die in stand te houden!
Terwijl ik zonder kaartje weer naar buiten loop – komt u om acht uur maar terug had de beambte gezegd – filosofeer ik dat als ik ooit in China aan de macht kom, ik de doodstraf zal afschaffen. Maar niet eerder voordat alle CITS-medewerkers aan de galg waren gesneuveld. Dat soort mensen moet ons een indruk van het Chinese volk geven!
Eenmaal buiten komt de Chinees achter mij aan en roept mij terug. Hij had gezegd dat mijn trein om elf uur zou vertrekken, terwijl in mijn reisplan negen uur stond. Hij vertelt hijgend dat mijn reisplan toch de juiste tijd aangeeft. Had ik weer bijna kunnen liften naar mijn volgende bestemming.
Ik loop langs een drukke hoofdstraat in de richting waarin ik veronderstel het Drakenscherm te kunnen vinden. Maar na een kwartier stappen, bedenk ik mij ineens dat ik aardig krap in de tijd kan komen te zitten, als ik nog meer problemen met mijn treinkaartje krijg. Ik loop dus terug naar het CITS-kantoor en stap naar binnen. In het kantoortje zitten nu twee mannen en ze kijken mij lachend aan terwijl een van hen mijn kaartje tevoorschijn haalt. Hij trekt een gezicht alsof hij zeggen wil “Kijk eens! Wat een geweldige service he?” Ik kan mij er niet meer kwaad om maken.
Dan ga ik met behulp van het matige kaartje in de reisbijbel weer op zoek naar het Drakenscherm. Het moet echt de moeite waard zijn. Drakenschermen zijn een echt Chinese traditie en dit hier in Datong is het grootste van heel China. Het is in de vroegere Ming-dynastie (ca. 1400) gebouwd en bedekt met geglazuurde tegels in vijf verschillende kleuren. Het meer dan veertig meter lange scherm beeldt negen draken af die uit de golven omhoogkomen en de verschillende zonnen bestrijden.
Het valt echter niet mee om de beroemde attractie te vinden. Ik probeer met behulp van de kaart uit de reisbijbel, de kaart van de CITS met toeristische attracties en een aantal Chinezen die ik de karakters voor Drakenscherm laat zien, de weg te vinden, maar ik moet een grote armoedige woonwijk met opgebroken straten door voordat ik eindelijk de juiste buurt gevonden heb. Het is inmiddels donker geworden en de winkeliers steken hun slingers met gloeilampjes aan bij wijze van lichtreclame. Fietsen en bakfietsen rijden af en aan en af en toe probeert een auto moeizaam zijn weg te vinden tussen de bergen zand en massa’s mensen. Ik leeg een tweede fles bier in mijn lege maag en voel de werking van de alcohol.
Om het in duisternis gehulde Drakenscherm op de foto te krijgen moet ik ingewikkelde toeren uithalen. Er is geen verlichting rond het scherm en ik kan er ook niet in de buurt komen, omdat het hek dat toegang geeft tot de in een woestenij herschapen tuin gesloten is. Ik verbouw een van de zandheuvels op straat tot statief en leg er wat stenen op ter versteviging. Dan druk ik met behulp van de zelfontspanner wat foto’s met lange belichtingstijd af. Het valt niet mee, want de mensen blijven onophoudelijk passeren.
Tegen tien uur zal de trein vertrekken en het is inmiddels bij negenen in het donkere Datong. Ik hoop dat het bagagedepot nog open is.

Door een zijstraat, die de grote hoofdstraten verbindt, loop ik naar de straat waar bus 2 moet rijden. Ik passeer moderne hotels die er pas enkele jaren staan. Datong krijgt een modern gezicht. Ik ben duizelig van het vele bier en de drukkende sfeer op straat. Het is net een droom. Overheersende neonreclames in mierzoete kleuren werpen een spookachtig licht op de ononderbroken colonne fietsers.
Bij een grote verlichte fontein op de hoek van de hoofdstraat dansen mensen op de maat van moderne muziek. Maar mijn aandacht wordt afgeleid door bus 2 die richting station voorbij rijdt. Ik hol er achteraan en haal hem in terwijl tientallen mensen zich met geweld naar binnen proberen te dringen. Ik trek mij niets meer van de fatsoensregels aan en maak gebruik van mijn fysieke overwicht op de kleine Chinezen om in het oude voertuig een staanplaats te veroveren. De bus puilt uit van de mensen, heeft geen vering, geen verlichting en rijdt alsof het Russische leger er achteraan rent. Zoals gewoonlijk wordt enkele honderden meters voor het station gestopt, waarop bijna iedereen zich naar buiten vecht. Ik zoek het bagagedepot, waar nog steeds hetzelfde personeel als vanmiddag achter de balie staat. Ze zijn het duidelijk zat want ze weigeren mij te helpen. Ik loop maar naar binnen en pak zelf mijn spullen. Het maakt ze niet uit. Veilig idee!
In het station weet ik makkelijk het perron te bereiken, waar de trein al klaar staat. Ik zoek de juiste coupé, wat steeds makkelijker wordt en zoek het beste bed uit. Het is snikheet in de trein en omdat er een niet-werkende airconditioning is, kunnen de ramen niet open. Mijn medepassagiers voor deze reis zijn een Duitse ingenieur die in China is voor verbetering van de elektriciteitscentrales. Hij wordt vergezeld door een door zijn bedrijf ingehuurde tolk, die naast Chinees alleen Duits spreekt. Een echte Charlie Chen-figuur. Een vierde Chinees neemt het laatste bed. Nog smerig van het stof en de hitte van Datong, dat ik er onder het minieme fonteintje van het washok in de trein, niet afgekregen heb, probeer ik de slaap te vatten, terwijl de Duitser en zijn tolk nog lange tijd blijven doorbabbelen. We drinken nog een kopje soep, voordat ik eindelijk mijn ogen even kan sluiten.

Zondag, 11 juli 1993

Na vele uren wachten en zweten begint het buiten eindelijk licht te worden. Het is nog maar half vijf als de conducteur de drijfnatte lakens komt ophalen. Ik heb nog een poging ondernomen om het raam door middel van sabotage te openen, maar het bleek niet mogelijk zonder blijvende schade te veroorzaken. De coupé lijkt een sauna en ik heb mij de hele reis nog niet zo vies gevoeld als nu. Op mijn t-shirt zit nog steeds roet van de stoomlocomotief, alleen is het zwart gaan uitlopen door de overmatige transpiratie. Om niet als een landloper in Beijing te arriveren, besluit ik een schoon t-shirt uit de rugzak te halen en stop ik het vieze shirt met weerzin in het plastic waszakje.
Vannacht heb ik even geslapen, maar wel heel onrustig. Ik had een vreemde droom. Ik voer samen met het reisgezelschap dat ik vandaag in Beijing zal ontmoeten op een klein bootje door een dicht oerwoud. Toen we in de stad aankwamen werden we aangehouden door militairen. Ik raakte buiten bewustzijn en toen ik bijkwam was ik weer in Nederland, bij mijn vriendin. Ik voelde mij woedend in mijn droom, want ik kon mij van de hele vakantie niets meer herinneren. Ik wilde terug naar China om het opnieuw mee te maken. Toen ik wakker werd bleek mijn wens in vervulling gegaan te zijn.
We rijden door armoedige krottenwijken die volgens de tolk de buitenwijken van Beijing vormen. Het is nog vrij donker buiten en alles ziet er sinister uit. De horizon is onzichtbaar door een blauwgrijze nevel die als een deken over de huizen ligt.
In het washok gooide ik wat water over mijn gezicht om goed wakker te worden. Het was er rustig. Het viel mij op dat bijna niemand de moeite nam zich op te frissen. Ik moet ook zeggen dat niemand zoveel getranspireerd heeft als ik.

Net als in Alma-Ata kom ik half zes in de ochtend aan op het hoofdstation van Beijing. Het is er ondanks het vroege tijdstip een drukte van belang. Net als voor alle grote stations van wereldsteden zitten buiten voor het gebouw vele groepen wereldreizigers geleund tegen hun enorme rugzakken. Langs een plantsoen staan rijen stalletjes waar je bij wijze van ontbijt dun-sim kunt bestellen, kleine gestoomde broodjes met groentevulling. Ik koop een plattegrond bij een van de vele oude vrouwtjes die met souvenirs staan te venten en kijk hoe het busnet in elkaar zit.
Ik moet naar hotel Long Tan aan de rand van het centrum en volgens de reisbijbel gaat bus 41 daar naar toe. Ik controleer het op het kaartje en zie inderdaad de route van bus 41 redelijk in de buurt van het hotel komen. Nu maar hopen dat hij al rijdt, want het is nog geen zes uur in de ochtend.
Ik baan mij moeizaam een weg door de vele mensen, taxi’s en bussen. Taxichauffeurs lopen roepend achter mij aan en anderen houden de deuren van auto voor mij open. Maar ik neem mij voor om met de bus te gaan. Dat kan nooit zo moeilijk zijn en bovendien heb ik de tijd. Zes uur in de ochtend is tenslotte geen tijd om in een hotel aan te komen. Als ik op tijd voor het ontbijt ben hoor je mij niet mopperen.
Dan zie ik met grote snelheid een bus 41 voorbij stuiven. Zo’n bekende, oude, gammele, gelede bus. Hij rijdt door, maar ik ben gerust gesteld. De lijn bestaat en rijdt al op dit vroege tijdstip. Ik loop langs de route en passeer het stationsgebouw weer. Het wordt al lichter. Dan zie ik weer een bus 41, terwijl mensen aan het instappen zijn. Kreunend onder mijn zware bagage die op mijn rug lijkt geplakt, zet ik een sprint in en slaag erin naar binnen te springen terwijl de bus zich al weer ratelend in beweging zet.
Ik probeer van de conductrice te weten te komen of ik de goede bus heb, maar het woordje Long Tan zit, zoals ik het uitspreek, niet in haar vocabulaire. Ze kijkt me wat medelijdend aan en snauwt ‘liang mouw’, twee Chinese dubbeltjes. Een belachelijk lage ritprijs die in de bus voor Chinezen hetzelfde bedraagt als voor buitenlanders.
Ik vind een zitplaats op een van de voor mij in feite te kleine stoelen en kijk naar buiten, terwijl ik de rit op de kaart probeer te volgen. Ik snap er niets van, maar na een paar haltes roept de conductrice mij en wijst in de richting die ik moet lopen terwijl ze deur openhoudt. Ik sta op het trottoir van een onwaarschijnlijk brede straat. Voor mij zie ik een grote brug over een kanaal. Via een rotonde kan het verkeer langs het kanaal de opritten naar de hoofdweg bereiken. Ik steek het kanaal over en vraag aan verschillende Chinezen waar het Long Tan-hotel is. Niemand begrijpt wat ik bedoel, want ze wijzen allemaal in een richting die voor mijn gevoel niet klopt. Ik herinner mij het vooroordeel over Chinezen. Als je er de weg vraagt en ze weten het niet, dan wijzen ze je in een willekeurig richting om net te doen alsof ze het wel weten. Op die manier verliezen ze hun gezicht niet. Dat is vooral tegenover een buitenlander erg belangrijk.
Bij een kazerne vraag ik het aan de schildwachten, maar zij kijken alleen maar lachend met een gezicht van ‘wat wil die rare buitenlander nou?’
Dan kom ik op een markt in een straat die naar de ingang van het Long Tan-park leidt. Ik begrijp nu het misverstand. Door Long Tan te zeggen, dachten de mensen dat ik naar het Long Tan-park wilde. Ik kijk wat rond op de markt, terwijl ik mij wel aan de zware bagage begin te ergeren. Ondanks het tijdstip, het is pas zeven uur, is de markt al vol met mensen. Waarschijnlijk doen ze nog even snel boodschappen voordat zij naar kantoor gaan. Bij een vrij jonge Chinese vrouw probeer ik het opnieuw. Zij blijkt gelukkig Engels te spreken en legt mij uitvoerig uit hoe ik moet lopen om bij het Long Tan-hotel te komen. Ik worstel mij vooruit door de slenterende mensenmassa en kom via een zijstraatje langs het park uit bij een voetgangersbrug over het kanaal. Dan zie ik rechts een groot gebouw liggen, waarop bovenop de gevel Long Tan staat. Dat moet het zijn. De conductrice van de bus had mij de goede richting gestuurd, maar ik had het niet begrepen.
Het hotel ligt nog op een behoorlijke afstand van de voetgangersbrug en ik kan bijna alleen nog aan een verfrissende douche denken. Als reisorganisatie Ashraf, waarbij ik de rest van de China-reis heb geboekt, de afgelopen weken besloten heeft een ander hotel te kiezen, heb ik een probleem, realiseer ik mij terwijl ik over de parkeerplaats naar de ingang loop.
Binnen is het een verademing. Er is airconditioning die ijskoude lucht langs mijn bezwete lichaam blaast. Ik meld mij bij de receptie en de receptioniste begrijpt wat ik bedoel, ofschoon zij nauwelijks Engels spreekt. Ik wil naar mijn kamer, maar dat kan niet. Ik moet tot acht uur wachten. Daar baal ik van, want ik wil douchen. Ik besluit dan maar eerst te gaan ontbijten in de naast de lobby gelegen zaal. Ook daarvoor moet ik wachten, net zoals voor alles in dit land. Pas half acht gaat de zaal open.
Dan kan ik eindelijk mijn uitgeteerde maag vullen. Ik had sinds de treinreis van Lanzhou naar Datong vrijwel niets meer gegeten. En nu ik eten ruik, merk ik pas hoe uitgehongerd ik ben. Het povere ontbijt, de reisbijbel had mij al gewaarschuwd voor de kwaliteit van de keuken van dit hotel, bestaat uit een donkere vloeistof die koffie moet voorstellen, een geroosterde boterham met ei en een kom met een soort groentesoep met vlees. Het vlees is voornamelijk bot, maar de maaltijd geeft mij toch weer wat nieuwe krachten.
Na het feestmaal, raviolini stond op de menukaart, loop ik terug naar de lobby, waar inmiddels een groep Nederlanders is aangekomen. Dat moet de Ashraf-groep zijn. Vroeger dan ik verwacht had. Het is een hartelijk weerzien met mijn landgenoten. Ik ben blij dat ik weer eens Nederlands kan spreken en dat ik een klein deel van mijn ervaringen kwijt kan. De groep blijkt over twee reisleiders te beschikken, Gerben, een blonde jongen van ongeveer mijn leeftijd en Anke, een vrij klein vrouwtje van in de dertig met kort, rossig haar. Anke zegt dat ze nog op de sleutels van de kamer wacht, maar dat ik met Gerben wel vast naar boven kan gaan. Wij krijgen de kamer die al een week in gebruik is door een van de leden van het gezelschap die een week eerder met de Transsibirische Express is aangekomen.
Eerst drinken we nog een blikje. Een welkomstcocktail die volgens Anke bij de reis is inbegrepen. Ik zie ze nog maar net, en ik word nu al geheel ‘verzorgd’. De cola smaakt prima. Het winkeltje van het hotel verkoopt allerlei westerse artikelen, zelfs blikjes met Heineken. Ik merk ook meteen het nadeel van reizen in een groep. Het gaat allemaal erg langzaam. Het wachten neemt evenredig toe met het aantal meereizende mensen, lijkt het wel. Ik ga met Gerben naar de negende verdieping, terwijl de rest beneden op de sleutel blijft wachten. Boven ontmoet ik Bart-Jan, die net onder de douche vandaan komt. Ik duik er meteen onder om mij snel even op te frissen. Veel tijd is er niet, want we gaan met de groep meteen naar het centrum om Chinees geld te wisselen. Dat is voor mij ook hard nodig, want ik maak al weer anderhalve dag gebruik van de veel te dure FEC’s. Op de zijdemarkt schijn je voordelig te kunnen wisselen, dus daar gaan we naar toe.
Gerben houdt een paar taxibusjes aan, waar we ons met zijn allen inproppen. Zo gaat het richting centrum, naar het Beijing-hotel waar de Bank of China een filiaal heeft. Dat blijkt nog gesloten te zijn, dus spreken Gerben en ik af de groep rond half twaalf opnieuw te ontmoeten, terwijl wij een van de grootste boekhandels van Beijing gaan bezoeken. Ik hoop er aan een Chinees-Engels-woordenboek te kunnen komen.

Op weg naar de winkel passeren we een van de nieuwe McDonalds-restaurants van Beijing. Achter ons, op een halve kilometer afstand, ligt het beroemde Plein van de Hemelse Vrede.
De boekwinkel, die over meerdere etages beschikt, lijkt wel een bazaar. Op alle verdiepingen is het een drukte en geschreeuw van belang. Ik probeer met behulp van mijn reisboekje te vragen waar ik woordenboeken kan vinden, maar het ongemotiveerde personeel – het is een staatswinkel – wijst maar een willekeurige richting aan en stuurt ons van het boekenkastje naar de muur. Na tien minuten geloven we het wel en lopen naar het monumentale Beijing-hotel om ons weer bij de rest van het gezelschap aan te sluiten. We pakken de oude rammelbus een halte, want het hotel ligt nog een aardige wandeling van de boekwinkel verwijderd. Binnen in het hotel is het bijna koud, zo goed werkt de airconditioning. Voor de ingang in de lobby staan twee prachtige Chinese dames met traditionele kleding die alle gasten met ‘hello’ begroeten. Het geld wisselen duurt een eeuwigheid. Per klant wordt een uitgebreide procedure gevolgd van kijken, controleren, laten zien, heen en weer lopen, weer controleren en tenslotte bankbiljetten uittellen. Het FEC-monopoly-geld.
Schatrijk lopen we weer de hitte in op zoek naar bus 1, die de stad langs de brede hoofdstraat van oost naar west doorsnijdt. Die bus brengt ons naar de in het oosten van de stad gelegen zijdemarkt, tegenover de Friendship Store. Op de markt geeft een van de zijdehandelaren mij 300 renminbi voor 200 FEC. Dat is de beste koers tot nu toe. Na het wisselen besluit ik alleen verder te gaan. Er is nog te veel te zien, om hier mijn tijd te verdoen met het kijken naar toeristische prulletjes. Terwijl ik naar de bus loop, breekt op het trottoir plotseling paniek uit. Er is politie gesignaleerd en de illegale straathandelaren pakken razendsnel hun spullen in om zich via de zijstraten uit de voeten te maken. Even later passeren twee agenten op hun dooie akkertje. Als zij voorbij zijn zit de clandestiene markt er weer alsof er niets gebeurd is. In een winkel probeer ik melk te kopen, maar dat kennen ze nauwelijks in China. De supermarkt heeft alleen hele kleine, onbetrouwbaar ogende kartonnen pakjes. Ik besluit er toch maar een te kopen, maar de verkoopster weigert mijn biljet van honderd yuan aan te nemen. Dat is ergens wel logisch voor iets dat nog geen één yuan kost.
In de oude bus kan ik alleen in het midden staan waar het gebogen dak het hoogst is. Helaas stap ik te vroeg uit. Als ik daar achter kom is de bus al weer vertrokken. Ik zoek de schaduw op van de grote oude bomen die langs de ventweg van de brede Jiangsuomen Dajie groeien. Zo slenter ik, met de zware camera op mijn borst, verder naar het Plein van de Hemelse Vrede.
Na een minuut of tien zie ik de beroemde poort met het reusachtige portret van Mao Zedong. Het is geweldig. Ik sta hier op wereldgeschiedenis. Voor het centrum van het oude en het nieuwe China. De plaats van waaruit vierentwintig keizers over het Rijk van het Midden geregeerd hebben. De oost-west-as van Beijing is nergens zo breed als hier. Alleen de fietsstroken, die door verplaatsbare hekken van de autoweg zijn gescheiden, zijn al tientallen meters breed. Ze worden wel smaller vanwege het toenemende autoverkeer. Honderden mensen lopen rond en onder de poort. Overal toeristen met camera’s, vooral Chinezen die een bezoek aan Beijing brengen en niet eerder weg willen voordat zij een foto van zichzelf hebben laten maken met de poort van de Verboden Stad op de achtergrond.
Ik wandel onder de ‘meridiaan’-poort door en verbaas mij over de reusachtige afmetingen van het geheel uit hout opgetrokken gebouw. Deze schitterende monumenten hebben ondanks hun kwetsbaarheid de afgelopen, roerige vijf eeuwen doorstaan en zijn nu een van de belangrijkste toeristische attracties ter wereld geworden. Voorbij de poort is een brede laan die in de breedte uitloopt en tenslotte via vijf marmeren bruggetjes de ‘Gouden Waterstroom’ passeert. Aan beide kanten staan souvenirwinkeltjes, waar ze helaas geen ansichtkaarten verkopen. Voor een tweede poort, de Poort van de Opperste Harmonie, zijn de kaartloketten die toegang tot de Verboden Stad verschaffen. Alle Chinezen lijken vandaag vrij te hebben en een bezoek aan de Verboden Stad te willen brengen. De zondag lijkt mij hiervoor niet ideaal. Ik ga wel een andere keer.
De verlammende hitte dwingt mij naar McDonalds, waar ik onder het genot van de airconditioning en een echte chocolademilkshake even kan bijkomen. De sfeer in het restaurant is precies gelijk aan die in de Nederlandse vestigingen van McDonalds. Alleen zijn er naar verhouding meer Chinezen.
De milkshake is niet voldoende om mijn enorme dorst te lessen. Daarom koop ik bij een stalletje op straat nog een flesje ijskoud mineraalwater. Ik moet het meteen opdrinken, want de verkoper wil het flesje terug. Bij een ander stalletje koop ik een plastic fles met 1,25 liter Coca Cola. Het kost vijf yuan, een groot bedrag voor Chinezen, maar slechts tachtig cent voor mij.
Een lange wandeling brengt mij naar de andere kant van het Plein van de Hemelse Vrede en ik kom in een avontuurlijke winkelstraat terecht. In een van de vele spotgoedkope kledingwinkels zie ik zelfs nog een voor de hoofdstad bijzonder zeldzaam Mao-pak liggen. Ik wil het kopen, maar besluit daar nog even mee te wachten. Overal staan souvenirverkopers in de straat. Het Rode Boekje, waarvan er ooit miljoenen onder de bevolking zijn verspreid, is bij iedereen te koop.
Ik loop de straat helemaal uit in de wetenschap dat in het oosten het Long Tan-hotel ligt, dat ik op deze manier lopend moet kunnen bereiken. Eerst kom ik langs het park waar de ronde Tempel van de Hemel staat. Tenminste, dat is de beroemdste tempel in het park. Je vindt er ook de tempels van de Zon, Aarde en Maan. In dit vierhonderd jaar oude complex kwam de keizer vroeger op de eerste dag van de nieuwe lente bidden voor een goede oogst.

Voor een bedrag van 15 yuan, zestig keer zoveel als Chinezen betalen, krijg ik een prachtig blauw kaartje dat toegang tot het park geeft. Het lijkt afzetterij, maar bij een tweede kassa, die voor de tempels zelf, mag ik met mijn kaartje gewoon doorlopen, terwijl de Chinezen nogmaals moeten betalen. De meeste Chinezen blijken alleen voor het park te komen.
Helaas is het weer nauwelijks geschikt voor fotografie. Het is mistig en de lucht is wit. Bovendien ziet het er naar uit dat het ieder moment kan gaan onweren. Ik loop via prachtige marmeren trappen naar de bovenste laag van het trapsgewijze terras waarop de Tempel van de Hemel gebouwd is. In 1914 werd de ceremonie hier voor het laatst uitgevoerd door president Yuan Shikai die aan een keizerscomplex leed.

Vanaf het enorme terras, dat een doorsnede van 360 meter heeft, loopt de ‘Rode Treden Brug’ naar de terrassen van de andere tempels. De gebouwen hebben een volmaakte architectuur, zijn geheel van hout en hebben niet één spijker of schroef. Het dak bestaat uit hemelsblauwe geglazuurde pannen en een gouden bol op de top. Die bol stelt volgens mijn boek de hemel voor, maar ik denk eerder dat de zon ermee uitgebeeld wordt. Binnen is de Gebedshal voor Goede Oogsten, waar beelden van koeien boven een voederbak staan. Een mooiere stal is ondenkbaar. 28 rode pilaren ondersteunen het dak, terwijl vier dikke pilaren in het midden de vier seizoenen symboliseren. Er omheen staan twaalf pilaren die de maanden van het jaar voorstellen, terwijl nog een cirkel met twaalf pilaren de uren van de dag symboliseert. Dat zijn er twaalf volgens de traditionele tijdrekening. Ik maak een foto van het ‘hemel’gewelf door de camera met de rug op de grond te leggen.

Terwijl een vrouwelijke gids mij staat uit te schelden kijk ik tevreden hoe de camera afgaat. Het is verboden hier te fotograferen, maar ik heb geen zin om mij iets van dat soort kinderachtige en nutteloze regels aan te trekken. De vrouw kijkt mij vijandig aan, terwijl ik de camera oppak en weer naar buiten loop. Beneden op het middelste terras zie ik dat tussen de twee trappen naar de tempel een prachtig drakenscherm loopt. Ik maak er een foto van, terwijl twee schattig geklede meisjes, die boven op het scherm zitten, mij nieuwsgierig gadeslaan.

Ik wandel verder en maak veel foto’s ondanks het voor fotograferen slechte weer. Het blijft gelukkig droog. Ik maak ook nog een foto van mijzelf met behulp van de zelfontspanner, want die methode vertrouw ik meer dan het laten maken van foto’s door anderen.

Ik bekijk nog even de andere, veel kleinere tempels, koop ansichtkaarten bij een souvenirkiosk en vind het dan mooi geweest. Aan de zuidzijde van het park kom ik weer op straat en ga ik op zoek naar een bus.

Helaas heb ik de plattegrond van Beijing niet meegenomen. Die ligt nog in het hotel. Maar ik weet wel ongeveer hoe ik thuis moet komen. Het wordt een lange wandeling. Via ingewikkelde verkeersknooppunten langs de ringweg rond het centrum, en de spoorlijn langs het Long Tan-park waar ik nog een trein op de foto neem, kom ik bij het kanaal dat ook langs het hotel moet lopen. Rechts zie ik de nieuwbouw van Beijing. Zo’n tien enorm hoge torenflats vol tweekamerwoninkjes. De nieuwe huisvesting voor de moderne Chinees die van een staatssalaris moet rondkomen. De gebouwen zien er verschrikkelijk uit. De buurt is nu al een ghetto, terwijl er nog niet eens mensen wonen. Van dichtbij zie ik hoe weinig aandacht naar de afwerking uitgaat. De ramen zitten slordig in de sponningen en in het verse metselwerk zie ik openingen en scheuren. Wat wit pleisterwerk moet zijn, is al grauw geworden.

Pas tegen zessen bereik ik het hotel. Gerben blijkt eerder terug te zijn gekomen, dan hij had gezegd. Eigenlijk zou ik als eerste terugkomen. Daarom had ik ook de sleutel meegenomen. Maar gelukkig liet het personeel hem binnen. Na de zoveelste douche vandaag, schrijf ik de helft van de ansichtkaarten en ga dan naar beneden waar ik de rest van de groep weer terugzie. Gerben blijft op de kamer om aan de boekhouding te werken.
Ik vraag aan de receptie of ik de was kan laten doen. Dat doen ze hier heel goed, had Bart-Jan gezegd. Het blijkt helaas niet te kunnen. Ik moet maar zien, legt de receptioniste uit.
Zeven uur vertrekken we met de hele groep naar een klein restaurant in de buurt, waar je traditioneel kunt eten. We vinden het na een aardige wandeling langs straten waar meloenenverkopers de trottoirs bezetten. De bediening is vlot. Binnen een uur zitten we te smikkelen van een gevarieerde maaltijd. Op het draaiplateau staan lekkere hapjes, die we met eetstokjes van de borden plukken. Ieder hebben we een porseleinen kommetje met rijst en een fles bier. Het is wel erg warm in het restaurant. Van buiten komt de hitte van de straat binnen, terwijl we van de andere kant door de hitte uit de keuken worden verwarmd. Airconditioning zit niet bij de service inbegrepen en na een half uur zweet ik alweer uit mijn kleren. Ik neem nog een tweede fles bier en filosofeer met een van de leden van het gezelschap over de deugdelijkheid van Mao Zedong. Ze vindt het maar vreemd dat ik zo graag het ‘Mao-soleum’ op het Plein van de Hemelse Vrede wil bezoeken. Na de maaltijd lopen we terug naar het hotel en kopen Gerben en ik een meloen om op de kamer op te eten. Na een douche val ik dodelijk vermoeid in slaap.

Maandag, 12 juli 1993

Ik open mijn ogen en kijk wat onwennig rond. Geen treincoupé. Ik voel onder mijn kussen naar mijn horloge. Het is bijna zeven uur. Gerben slaapt nog, maar ik wil vroeg op pad. Als ik tot na het ontbijt wacht, hoef ik er niet op te rekenen dat het hotel nog fietsen te huur heeft. En ik wil beslist een fiets. Fietsen in Beijing moet het einde zijn. Iets dat mij als westerling bijzonder tot de verbeelding spreekt. Half acht sta ik beneden bij de receptie, waar ik de fiets kan bestellen. Het kost tweehonderd yuan borg. Zoveel zijn die oude beestjes volgens mij niet eens waard. Ik krijg een kaartje waarmee ik naar de fietsenverhuurder op de parkeerplaats loop. ‘Mei you’, is zijn reactie als ik hem het kaartje met Chinese karakters overhandig. We hebben geen fietsen. Ik had het kunnen denken. Ik kijk rond en zie tal van fietsen staan. De meeste met het sleuteltje in het slot. Ik wijs er een aan, maar ik krijg hem niet mee. De verhuurder spreekt geen woord Engels, dus besluit ik de receptioniste er maar bij te roepen. Het helpt niets. Hij heeft geen fietsen, zegt het meisje en loopt voor mij uit het hotel binnen om de tweehonderd yuan terug te geven. Ze verontschuldigt zich nog een keer en lacht verlegen naar mij. Dan wendt zij zich weer tot een andere klant.
Ik zie Gerben in de hal en leg hem de kwestie uit. ‘Maakt niet uit’, zegt hij. ‘Ik weet wel een adres, daar hebben ze altijd fietsen’. We laten het matige restaurant van hotel Long Tan voor wat het is en eten een portie bapao-bolletjes bij een kraampje op straat. Het smaakt goed. Dan lopen we naar de rotonde, waar we ons in één van de volle bussen persen. Het lijkt wel een dodenrit. De chauffeur jaagt de bus met een belachelijk hoge snelheid door het drukke verkeer en af en toe moet hij vloekend een ruk aan het stuur geven om een argeloze fietser te ontwijken. Dat valt niet mee, want in Beijing lijken alle fietsers argeloos. Niemand van de wielrijders stoort zich aan het driftige getoeter van de chauffeur.
Na een minuut of tien door elkaar geslingerd te zijn, stappen we over op een trolleybus, die gelukkig wat Christelijker rijdt. Bij het eindpunt stappen we uit en lopen naar hotel Qiaoyuan dat aan het kanaal ligt dat rond het centrum van Beijing loopt. ‘Drie jaar geleden was dit een laan met schitterende oude bomen’, zegt Gerben terwijl hij naar de brede asfaltweg wijst waarop het verkeer in een eindeloze stroom voorbijtrekt. Het oude hotel is een geliefd oord voor wereldreizigers. Er is makkelijk aan treinkaartjes te komen en als dat via de zwarte handel niet lukt, is er ook nog een CITS-kantoortje. Gerben bestelt er al vast de kaartjes voor de trein naar Xi’an. Dat moet je tijdig doen, als je volgens een strak schema door China wil reizen. Dan lopen we een eindje terug en vinden in een zijstraat van de brede You’anmen Dongbinhelu een fietsenverhuurder. Een smoezelig mannetje met nog smoezeligere fietsen. Het is wat moois. Hij laat wat exemplaren zien, waarvan ik niet verwacht er de hoek van de straat mee te halen, maar uiteindelijk heeft hij een fiets waar in ieder geval de meest noodzakelijke onderdelen nog opzitten. Ik zet hem op de standaard en geef hem de honderd yuan borg. De huur kost bijna niets. Vijf yuan per dag. Dat is nog geen tachtig cent. Het is ongeveer het bedrag dat de fiets op de markt zal opbrengen als iemand hem überhaupt wil hebben.
Gelukkig is de fiets groot genoeg. Dat is ook nog een probleem in dit land waar de meeste mensen niet langer dan 1,70 meter zijn. Ik zeg Gerben gedag en steek met de fiets in de hand de drukke verkeersweg en het ernaast gelegen kanaal over naar het aan de overkant gelegen Taoranting Park.

Ondanks het verstikkend hete weer geniet ik van het park. Het is even een bevrijding van het neurotische verkeer in de Chinese hoofdstad. Aan de hitte valt helaas niet te ontkomen. Bovendien is de lucht zo vochtig dat de transpiratie van mijn lichaam stroomt zonder te verdampen. Op die manier verlies ik veel vocht, maar koel ik niet af. Fotograferen is ook moeilijk, want de lens blijft lang beslagen.
Om het park in te komen moet ik een kaartje kopen. Het kost maar een paar cent. Ook de verplichte fietsenstalling is niet gratis. Gelukkig heeft mijn fiets behalve het afgetakelde uiterlijk nog enkele kenmerken waaraan ik hem redelijk makkelijk kan herkennen tussen de vele andere in de stalling geparkeerde Chinese fietsen.

Het park ziet er mysterieus uit met zijn mistige vijvers en door de nevel vaag zichtbare paviljoens. Het is jammer dat de stilte verstoord wordt door de talrijke motorbootjes in het meer. Lawaai maken, zal al snel China’s volksvermaak nummer 1 blijken te zijn.
Na wat gedwaal vind ik de juiste uitgang en mijn fiets terug en sla ik een drukke straat richting centrum om. Fietsen in Beijing gaat volgens de Wet van Darwin. De sterkste overleeft. Niets in het gedrag van de fietsers duidt op het bestaan van verkeersregels. Zelfs rechtshouden doet men niet. Verkeerslichten worden voor kennisgeving aangenomen en massaal genegeerd ondanks de permanente aanwezigheid van een verkeersagent op iedere kruising. Het strenge, beruchte Chinese gezag heeft geen invloed op het verkeer. Zodra een Chinees een voertuig bestuurt, vergeet hij alle regels, normen en verplichtingen en maken fatsoen en voorzichtigheid plaats voor een blinde drang om op de plaats van bestemming aan te komen. Als lemmings rijden ze op kruispunten aan en steken over zonder ook maar even naar links of naar rechts te kijken. Achterom kijken voor het afslaan doet men niet. Remmen en stoppen gebeurt midden op straat. Uitwijken voor een overstekende voetganger gebeurt alleen als het gewicht van het slachtoffer in spé boven de tachtig kilo wordt geschat. Voorrang verlenen is hier een volkomen onbekend gebruik. ‘Iemand die dat doet moet wel niet goed bij zijn hoofd zijn’, zal men hier wel denken. De automobilisten zijn niet veel beter, hoewel ze wel moeten uitkijken, want als ze een fietser of voetganger aanrijden, krijgen ze altijd de schuld. Het kost ze hun rijbewijs, waarvoor je in China overigens geen examen hoeft af te leggen en je riskeert een hoge schadeclaim van het slachtoffer. Maar je leven verliezen is erger, moeten de bus- en taxichauffeurs speculeren terwijl zij hun voertuigen met hoge snelheid afwisselend links en rechts van de wegas door de straten jagen.
Al snel beginnen mijn Amsterdamse fietserinstincten te ontwaken en pas ik mij aan de Chinezen aan. Af en toe kijken ze verbaasd als zij mij met hoge snelheid zien passeren. De Chinezen fietsen zelden harder dan het wandeltempo, maar daar heb ik geen geduld voor. Een bel ontbreekt zodat ik af en toe moet roepen om de aandacht van mijn medeweggebruikers te trekken. Zo dring ik naar voren in de file, af en toe iemand voorzichtig opzijduwend om er langs te kunnen.
Dankzij het eenvoudige stratenpatroon van de miljoenenstad is het bijna onmogelijk om te verdwalen. Al snel bereik ik het Plein van de Hemelse Vrede waar ik even uitrust, terwijl ik de paleispoort opnieuw bewonder. Ik probeer zo intens mogelijk te genieten van het feit dat ik hier op het hart van China sta. Het is alleen jammer dat het mausoleum van Mao Zedong gesloten is. Ik zou er best een bezoek aan willen brengen.
Bij een stalletje koop ik plastic fles met Coca Cola, waarvan ik de helft in een teug achterover sla. Dan fiets ik om de Verboden Stad heen en bereik het prachtige Beihai-park, het mooiste park van Beijing met schitterende vijvers, paviljoens en een enorme witte Dagoba uit 1651, die gebouwd is ter ere van de Dalai Lama die dat jaar een bezoek aan Beijing bracht.
Tegenwoordig geldt de Dalai Lama als ongewenste persoon in China en is hij verplicht buiten het door de Chinezen bezette Tibet in ballingschap te leven.
Het park is echt geweldig. Ik wandel door de ronde stad, een soort eiland met rondom een gang in de vorm van een langgerekt gebouw dat met prachtige schilderingen versierd is. Op het midden van het eiland staat de Zaal die Licht Ontvangt met middenin een uiterst kostbare witjaden Birmese Boeddha. Dit eiland moet tijdens de Mongoolse overheersing een woning van Kublai Chan zijn geweest. Ik beklim op het andere eiland de heuvel naar de witte dagoba, maar het complex is helaas wegens herstelwerkzaamheden gesloten. Ik kan het wonderlijke, uivormige gebouw alleen vanaf een afstand bekijken.
Dwalend door het park tref ik de mooiste tuinen en paviljoens aan. Ik zie een moeder met twee kinderen. Een dochtertje met een jurkje uit dezelfde stof als de jurk van de moeder en een zoontje met een voor Chinese jongetjes traditionele broek met open kruis. De moeder lacht vriendelijk als ik een foto van het tafereeltje maak. Ik krijg niet snel genoeg van het park en kan onmogelijk alle bezienswaardigheden bekijken. Dat alleen al kost een volle dag. Daarom besluit ik na een korte rustpauze mijn fiets weer op te zoeken en mijn zwerftocht door Beijing voort te zetten.
Het begint langzaam te miezeren als ik naar het westen van de stad fiets. Ik kom in een heel oude wijk terecht, met rommelige straatjes vol groentekraampjes. Het wegdek is hier op sommige plaatsen te slecht om over te fietsen. Bovendien is het erg druk. Lopen gaat dan ook een stuk beter. Voorbij de markt spring ik weer in het zadel en zet koers in noordelijke richting. Ik probeer aan de hand van de plattegrond langs zoveel mogelijk toeristische bezienswaardigheden te komen. Zo passeer ik de trommel- en de klokkentoren van Beijing die beide precies op de noord-zuid-as over de Verboden Stad liggen.
In de oude noordelijke wijken begint de ellende met de fiets. De volkomen gladde band heeft het begeven en loopt snel leeg. Gelukkig zit op bijna iedere straathoek een fietsenreparateur die met een minimum aan gereedschap nagenoeg alle voorkomende defecten aan rijwielen kan herstellen. Ik vertrouw de fiets aan zo’n hersteller toe en bezoek de fraaie Xihuang Tempel, een van de weinige tempels overigens waar ik zonder betalen naar binnen mag. Alleen de stalling vraagt 0,1 yuan. Maar ik mag dan gratis de fietspomp lenen om de nog niet gesprongen band iets harder op te pompen, voordat die ook lek springt op de vele gaten en kuilen in het hoofdstedelijke wegdek.
Het gaat harder regenen, maar ik wil het weer trotseren om een bezoek aan het zomerpaleis te kunnen brengen. Dat ligt ongeveer twee uur fietsen buiten het centrum van Beijing en moet bijzonder de moeite waard zijn.

Op het brede fietspad langs de ringweg passeer ik een driewielige fiets waarop een nieuw, uit bruin imitatieleer vervaardigd driedelig bankstel is opgestapeld. Stukken zeil moeten de meubels tegen de regen beschermen.
Na ongeveer een half uur begint de voorband leeg te lopen. Ik vervloek de fietsenverhuurder en besluit door te trappen ondanks het toenemende gebonk van het voorwiel en de afnemende bestuurbaarheid van de fiets. Ik ben tot op het bot doorweekt als ik de dierentuin van Beijing passeer. Ik kijk naar boven of er al opklaringen in zicht zijn, maar de lucht lijkt alleen maar grauwer te worden. Dit is toch geen weer om het zomerpaleis te bezoeken?
Ik besluit maar de dierentuin te gaan bezoeken. Dan heb ik dit eind in ieder geval niet voor niets gefietst. Misschien dat het in de tussentijd zal ophouden met regenen. Voor een schijnbedrag koop ik een kaartje, waarvan bij de ingang het strookje wordt afgescheurd. Enkele chique Chinezen laten zich door een ouderwetse luxe limousine afzetten. Een van de dure dametjes doet haar best om schoon door de diepe modderpoelen te komen, maar dat lukt natuurlijk niet. Ik loop de dierentuin binnen en merk al snel dat het niet veel voorstelt. Overal op de wereld kampen dierentuinen met geldgebrek, maar in Beijing moet het wel heel nijpend zijn. Wat een armoedige bende. Ik word treurig als ik langs de oude kooien loop, waarin honden, katten, konijnen, geiten en wat varkens de exotische have vormen. Voor ieder bijzonder dier moet apart betaald worden. Zo is er een olifantenhuis waar afgedankte circusolifanten ieder half uur hun kunstjes vertonen en waar je na betaling van enkele yuan naar binnen mag. Het duurst is het eiland van de reuzepanda’s. Dat is ook hetgeen waarvoor iedere toerist naar deze dierentuin toegaat. De cavia’s, hamsters en duiven dienen alleen voor opvulling van het niet voor de panda’s gereserveerde deel van de dierentuin. Het panda-eiland is het enige deel van de dierentuin dat er fatsoenlijk uitziet. De gebouwen worden onderhouden en de vegetatie bestaat niet uit onkruid, zoals elders in het park. Het kaartje is niet goedkoop, maar wel mooi. Ik word in het Engels aangesproken door de caissi&ègrave;re en krijg een Engels kaartje voor een Engelse prijs. Een grote souvenirwinkel verkoopt alleen panda-attributen. Knuffelpanda’s in alle soorten en maten, posters, kaarten, handdoeken, t-shirts, drinkbekers, allemaal met panda’s. Prins Bernard zou er gek van vreugde worden.

Voor de panda’s zelf moet ik een betonnen bunker in waar een smerig exemplaar ineengedoken achter centimeters dik glas zit. Het is schemerdonker in het hok, zodat ik aan fotograferen niet hoef te denken. Ik probeer het toch een paar keer. Ik krijg diepe medelijden met de zeldzame dieren die ter vermaak van het dagjesvolk hier zitten te wachten tot ze doodgaan. Gelukkig blijken ze wel naar buiten te kunnen, maar daar hebben ze weinig zin in nu het water met bakken uit de lucht komt.
Als het even ophoudt met regenen, ga ik naar buiten en wacht tot de dieren dat ook zullen doen. Het duurt een hele tijd en als er eindelijk twee panda’s naar buiten komen, draaien zij onmiddellijk hun kont naar mij toe. Zo blijven ze lange tijd zitten. Ik haat die beesten. Als een van de panda’s zich onverwachts omdraait, druk ik meteen af. Hopelijk is de foto gelukt, anders heb ik voor niets een half uur staan mopperen.
Naast de dierentuin ligt het Park van de Paarse Bamboe. Met wat fantasie is inderdaad een paarse nuance in het bamboe te ontdekken, maar de kleur groen overheerst toch duidelijk. Het begint alweer te regenen en ik zoek de fiets op om aan de lange tocht terug naar het centrum te beginnen.
Op de kaart lijken de afstanden niet veel voor te stellen, maar een paar decimeter betekent toch al snel een uur fietsen en dat op mijn stevige tempo. Ik rijd zuidwaarts tot de grote oost-west-as die hier Fuxingmenwai heet. Vandaar rijd ik in oostelijke richting naar het Plein van de Hemelse Vrede.
Voorbij het Plein van de Hemelse Vrede duik ik de McDonalds in voor een Big Mac en een Mac-shake. Het smaakt precies hetzelfde als in Nederland en ook het interieur van het restaurant verschilt in geen enkel opzicht van dat van de Nederlandse vestigingen van de Amerikaanse hamburgerketen. Er zijn naar verhouding wat meer Chinezen en de prijzen staan er in de Chinese munt aangegeven, maar voor de rest is het hetzelfde. Veel trek heb ik niet, dus ik houd het daarbij. Ik heb anderhalf uur tijd om bij het hotel te komen, want ik heb afgesproken met de groep naar een theatervoorstelling te gaan deze avond.

Nadat ik mij heb opgefrist koers ik weer richting centrum. De regen is eindelijk opgehouden en nu daalt weer een deken van hitte over de stad neer. Opeens gaat het mis. De fiets geeft een slinger en komt met veel lawaai tot stilstand. Ik bestudeer de zaak en constateer al snel dat de voorvork gebroken is. Die was al eens slordig gelast. Ik buig het geheel zo goed mogelijk terug in de oorspronkelijke vorm en vervolg voorzichtig mijn weg. De vorkdelen worden echter nog slechts door de vooras bij elkaar gehouden en dat werkt niet echt. Steeds moet ik afstappen om de metalen delen op de breuk tegen elkaar te zetten. Met dit soort klussen hoef ik bij de fietsenmakers op straat niet aan te komen. Daarvoor is een smid nodig, en die zou ik zo een, twee, drie niet weten te vinden. Het lukt niet om snelheid te maken met het wrak en ongeveer een kwartier te laat kom ik bij het theater aan, dat in het oostelijke deel van de stad ligt. Al die tijd sleepte de voorvelg tegen de rem, hetgeen fietsen bijna onmogelijk maakte.
De voorstelling is al begonnen als ik het theater binnenhol. Het is gelukkig niet zo druk en ik weet in de donkere zaal makkelijk de overige leden van het reisgezelschap te vinden. De show is verbluffend. De acrobaten halen kunsten uit die bijna onmogelijk moeten zijn voor een mens. Een klein jongetje met een zwart plukje haar op zijn kaalgeschoren hoofd is zo lenig, dat hij zich moeiteloos in een kleine vaas kan laten zakken, waarin hij geheel dubbelgevouwen blijft liggen. Balancerend op een hand krabt hij zich met zijn grote teen achter zijn oor. Een kat doet het hem niet na. Minder spectaculair zijn de traditionele diabolodemonstraties en een goochelnummer. Het valt mij op dat het steeds dezelfde acrobaten in steeds wisselende vermomming zijn. Het moet een klein gezelschap zijn, waarschijnlijk uit één familie, dat ook wel zelf de administratie van het theater zal verzorgen.
Een jonge vrouw op een eenwieler weet in balans te blijven terwijl zij met haar voet allerlei voorwerpen omhoog gooit die zij op haar hoofd opvangt. De moeilijkste act, het omhoog gooien van een tussen de tenen geklemd lepeltje en dat opvangen in een op het hoofd geplaatst kopje mislukt een paar keer, maar lukt uiteindelijk toch. Ze krijgt een daverend applaus.
Het grappigst zijn twee stemkunstenaars die alle mogelijke geluiden kunnen nabootsen. Diverse vogeltjes, vliegtuigen, auto’s op een racecircuit en natuurlijk allerlei stemmen. Zij besluiten hun act met de imitatie van een hijgende stoomlocomotief compleet met fluit. In de pauze koop ik buiten een ijskoude fles bronwater die ik in één teug soldaat maak. Binnen bekijk ik de souvenirwinkel met peperdure sierraden van jade en kleding van zijde. De prijzen zijn werkelijk absurd hoog.
Na de voorstelling begint weer de moeizame tocht terug. De meeste leden van het reisgezelschap persen zich in taxi’s, maar ik ben sportief. Kreunend sleept het wrak mij voort en zo passeer ik de nu schitterend verlichte poort van de Verboden Stad. Het is er nog net zo druk als overdag. Iets verder sla ik op een verkeerd moment rechtsaf en kom ik in een onbekende achterbuurt terecht. Het is er wel gezellig. Het leven speelt zich op straat af en overal wordt gegeten op primitieve terrasjes van primitieve restaurantjes. Het is verbazingwekkend hoeveel gerechten ze kunnen voorschotelen als je de eenvoudige keuken met slechts drie zwart geblakerde pannen bekijkt.
Met moeite weet ik de weg naar het hotel terug te vinden. De oriëntatie is niet makkelijk, want straatverlichting ontbreekt geheel in Beijing en ik heb de kaart niet meegenomen. Bovendien eist de fiets nogal wat aandacht op. Ik rijd voorzichtig om de vele kuilen heen, want zo’n gat in de weg zal de oude, versleten fiets beslist fataal worden.
Voordat ik terugga naar het hotel plof ik nog even neer op het terras van een restaurantje verderop langs het kanaal. Het is er gezellig verlicht met slingers met gekleurde gloeilampjes. Op een begroeide muur zitten hagedisjes. Ik bestel een noedelsoepje en een fles bier tegen de ergste trek. Veel tijd heb ik niet, want ik moet voor twaalf uur in het hotel terug zijn. Op die tijd sluit de receptie en worden er geen kamersleutels meer afgegeven. Ik kom twee van de groepsleden tegen in het restaurantje. Die hadden ook nog trek. Even voor twaalf uur overhandigt een gapende receptionist de sleutel van de kamer en kan ik aan de lange reis naar de negende etage van het hotel beginnen. De lift is tergend traag. Een lange douche is nodig om de dikke laag vuil van vandaag los te weken. Ik was ook mijn kleren en duik dan mijn bed in. Morgen is het weer vroeg dag.

Dinsdag, 13 juli 1993

Ik heb geslapen als een mummie als half zeven de wekker afloopt. Gerben en ik staan meteen op en nemen in recordtempo een douche, want om zeven uur staat er een busje voor de deur dat ons naar de Chinese Muur zal brengen. Het ontbijt schiet er dus bij in vandaag, maar dat moet kunnen voor een keer.
Terwijl we met de groep buiten wachten, vragen we ons af of het busje werkelijk zal komen, maar gelukkig, kwart over zeven komt het aanrijden. Met zijn twaalven, plus wat kennissen van Bart-Jan en nog twee Chinese bemanningsleden kruipen we in het te kleine voertuigje, dat zich kreunend in de vierde versnelling in beweging zet. We maken in deze krappe omstandigheden kennis met Rolf en Audrey. Rolf is vannacht uit Nederland aangekomen, Audrey uit Jakarta, waar zij bij familie op bezoek was. Met moeite kan ik naar buiten kijken, naar de overvolle rondweg waarop de helft van de auto’s uit gele taxi’s bestaat.
Het busje gaat niet snel, wat wel te wijten zal zijn aan het hoge gewicht van de inhoud en de rijstijl van de chauffeur. Het is ongelooflijk dat het busje het uithoudt. Zo gaat de ergste Nederlandse leaserijder nog niet eens met zijn auto om. De chauffeur gebruikt alleen de vierde versnelling, tenzij het voertuig echt niet tegen de helling opkomt. Bij voldoende snelheid schakelt hij de motor uit en wacht tot de snelheid tot zo’n veertig kilometer per uur is gedaald. Dan start hij weer en trekt weer in de hoogste versnelling op tot het weer tijd is om de motor uit te schakelen. Remmen gebeurt bij hoge uitzondering. Alleen als ontwijken niet mogelijk is. Verder passeren we gewoon al het overige verkeer. Ook als dit voor een rood verkeerslicht staat te wachten.
Op de snelweg handhaaft de chauffeur dezelfde rijstijl als in de stad. Dat het beschermengeltje van de Chinese automobilist niet altijd oplet, bewijzen verschillende ongelukken die we onderweg zien. Het meest spectaculair zijn twee vrachtwagens die na een botsing over de kop geslagen zijn. Van een van de wagens is de cabine geplet. Omstanders proberen het ijzer los te trekken, maar voor de chauffeur zal wel niet veel hoop meer zijn. Op het wegdek ligt een lichaam onder een laken, naast een half verpletterde personenauto.
De weg moet voor snelweg doorgaan, maar de automobilisten lijken dat niet te weten. Er wordt langs de middenberm geparkeerd en de snelheid varieert van twintig tot honderd kilometer per uur. Ook ezelskarren maken er gebruik van. Bij de volgende rotonde liggen twee vrachtwagens met de wielen omhoog. Het is niet te zien of hier slachtoffers zijn gevallen. Ik voel mij niet op mijn gemak als ik de verrichtingen van de chauffeur bekijk.
Na twee uur komen we in de bergen ten noorden van Beijing uit. Hier is het gebied waar de Muur doorheen loopt. Het busje kreunt en steunt in de hoogste versnelling vooruit, terwijl de wijzer van de temperatuurmeter naar het rode vlakje klimt. Dan moeten we een kwartiertje wachten, terwijl dikke wolken stoom uit de motorkap ontsnappen. De chauffeur wacht tot de zaak enigszins is afgekoeld en gooit er dan wat vers koelwater bij. We kunnen weer even verder, tot de motor na een kwartiertje weer oververhit raakt. Dat gaat zo door tot we de Muur bereiken.
Vanaf de parkeerplaats zien we hoog boven ons de Chinese Muur zich over de bergkammen slingeren. Het wordt een aardige klim naar boven, want we maken geen gebruik van de mogelijkheid om per stoeltjeslift naar boven te gaan.
Voordat we ons aan de lange tocht wagen bekijken we nog de vele souvenirstalletjes waar je van alles met de Muur erop kan kopen. Het kan me weinig bekoren. Gelukkig is er ook een tentje waar ze een soort gevulde omeletten bakken. Dat lijkt mij wel lekker. Bovendien heb ik nog niet ontbeten. Voor onderweg koop ik een fles cola. Boven zal wel niets te krijgen zijn.
Het weer is prachtig vandaag. Een stralend blauwe lucht en een fel brandende zomerzon. Geen weer om te klimmen eigenlijk. Het wordt dan ook een bijzonder zware klim langs de lange schaduwloze trap naar boven. Het is goed dat we zo vroeg vertrokken zijn, want het wordt met het kwartier heter. Vanmiddag zal het wel onmogelijk zijn om de lange trap te beklimmen. Het uitzicht over de met loofbomen begroeide berghellingen is prachtig.
Het gedeelte van de Muur dat we bezoeken is minder toeristisch en minder druk dan het alom geprezen en met de trein bereikbare Badaling. Ons gedeelte is over een lengte van ongeveer twee kilometer gerestaureerd en het is eenvoudig om het niet gerestaureerde, gedeeltelijk ingestorte en grotendeels overwoekerde deel te bereiken. Zo ziet een groot deel van de Chinese Muur er uit. Slechts enkele kilometers van het in totaal 6.700 kilometer lange bouwwerk zijn gerestaureerd. De Muur is in 221 voor Christus ontstaan door samenvoeging van verschillende tegen het noorden gerichte verdedigingswerken. Dit gebeurde onder bevel van de eerste keizer van China, Qin Shi Huangdi, waar ook de naam China van afgeleid is. 300.000 mensen moeten de Muur in tien jaar hebben gebouwd. De vele omgekomen bouwvakkers zijn erin begraven. In de eeuwen na Christus werd de Muur omgebouwd tot een hooggelegen weg voor snelle verplaatsing van troepen. Als vanuit een van de wachttorens de vijand werd gesignaleerd, werden vuren ontstoken om de verderop gelegerde troepen te waarschuwen. Die konden zich dan met hun zware wapenuitrusting snel en ongehinderd naar het strijdperk begeven. Helaas is de Muur nooit een succes geworden. De Mantjoes, de ergste vijanden van de Ming-keizers, wisten mede dankzij verraad op hoog niveau de Muur makkelijk te passeren, waarop zij de macht grepen en de Qing-dynastie stichtten. Pas in dit tijdperk van massatoerisme heeft de Muur voor de Chinezen echt een nuttige functie gekregen.
Eenmaal boven zetten Gerben en ik koers naar de laatste wachttoren van het gerestaureerde gedeelte. We willen proberen om op het authentieke deel te komen. Het valt niet mee. Op sommige plaatsen loopt de Muur zo stijl omhoog dat je de ongelijke trappen met handen en voeten moet beklimmen. We lijken wel apen op een rotswand. De toren lijkt dan ook steeds verder weg en we zijn volledig doorweekt als we er na een half uur eindelijk aankomen. De zon staat nu vrijwel loodrecht boven ons.
Bij de toren zien we dat de Muur een zijtak heeft. Hij verdwijnt bijna in de dichte begroeiing op deze vruchtbare berghellingen. Het kost nogal wat moeite om op het niet-gerestaureerde deel te komen, want de normale toegang is hermetisch afgesloten. Gerben, Bart-Jan en ik wagen het erop en klimmen het raam uit om via een smal richeltje naar het verboden deel van de Muur te klauteren. Eigenlijk is dit levensgevaarlijk want zeven meter onder het richeltje begint de behoorlijk steile bergwand naar beneden. Maar het lukt allemaal, terwijl we op een ingewikkelde manier elkaars bagage en fotoapparatuur doorgeven.

We zijn niet de eersten die dit doen want door het struikgewas is een smal platgetreden paadje zichtbaar, dat we voorzichtig volgen. Op sommige plaatsen zijn delen van de Muur ingestort. We zien dat het geheel bestaat uit twee muren van dikke stenen, waartussen zand is gestort. Het geheel is afgedekt met dik plaveisel. Vele hagedisjes rennen voor ons uit op zoek naar een veilig heenkomen. Zij zijn niet gewend aan menselijk bezoek.
Tegen een uur of twaalf is het tijd voor de terugreis, want we moeten één uur weer in het busje zitten. Enkele andere groepsleden hebben zich ook op de gammele Muur gewaagd en we maken foto’s van elkaar. Voor het eerst dat ik het meemaak is het uitstekend weer voor het maken van foto’s. Hopelijk blijft het een paar dagen zo.
Op dezelfde Spartaanse manier rijden we terug naar Beijing al is de pijn van het zitten tijdens dit tweede ritje een stuk erger geworden. Ik probeer moeizaam mijn gewicht steeds van de ene naar de andere bil te verplaatsen, maar veel ruimte heb ik daar niet voor.
Eenmaal terug in het hotel, duik ik snel onder de douche, waarop ik weer op het wrakke fietsje spring. Ik begin aardig aan het verkeer in Beijing te wennen en rijd volgens dezelfde manier als de Chinezen. Verstand op nul en de blik op oneindig. Alleen mijn tempo is een stuk hoger en dat geeft nog wel eens problemen onderweg. Via de Tempel van de Hemel bereik ik het Plein van de Hemelse Vrede vanwaar ik het Beijing Hotel opzoek om een Thomas Cook-cheque te verzilveren. Meteen fiets ik weer door om het FEC-geld tegen normaal Chinees geld om te wisselen. Van de verse renminbi koop ik voor zes yuan een traditionele Chinese fietsbel, die me al meteen van pas kan komen. Want mijn huurfiets heeft geen bel. Het glanzende apparaat produceert een geluid waarmee je in Nederland iedereen de gevels in jaagt, maar hier in China kom je er nauwelijks mee boven het overige verkeerslawaai uit.
Onderweg naar het Plein van de Hemelse Vrede zie ik de spandoeken langs de brede Dongchang ‘an Jie hangen, waarop China reclame maakt voor zijn kandidatuur voor de Olympische Spelen in 2000. Ik besluit de winkelstraat ten zuiden van het Plein nog eens door te lopen. Misschien tik ik er nog wel een flitsadapter op de kop. De winkels zijn hier tenslotte beter gesorteerd dan in Rusland.
In een van de warenhuizen zie ik op de fotoafdeling een statief voor een spotprijs. Ik realiseer mij dat zo’n ding best nog wel van pas kan komen. Er zijn al verschillende momenten geweest dat ik op alle mogelijke manieren moest hannesen om een onbewogen foto te kunnen maken. In de metro van Moskou bijvoorbeeld. Een flitsadapter hebben ze natuurlijk niet!
Ik zet de fiets ergens op slot (niet in een stalling) en vervolg de winkeltocht lopend.
Nieuwsgierig probeer ik een bekertje drinkyoghurt bij één van de vele drankenstalletjes langs de Qianmen Dajie. Ik ben meteen verslaafd en bestel bij het eerst volgende stalletje hetzelfde recept. Vier bekertjes later ben ik weer bij de Zhengyang-poort aan het einde van de Qianmen Dajie. Ik zie dat het begint te schemeren. Bij een van de eettentjes ga ik op een houten bankje zitten en wacht tot een wat oudere vrouw de bestelling komt opnemen. Ik wijs naar het gerecht van mijn buurman en maak een eetgebaar. Terwijl ik met het nieuwe statief zit te spelen werkt de echtgenoot van de vrouw aan mijn avondmaaltijd, een hoeveelheid mie met groente en vlees dat als een prakje in een piepschuim bakje wordt geserveerd, compleet met houten wegwerpeetstokjes.
Het eten ziet er niet bepaald kosjer uit en ik durf niet het hele bakje leeg te eten. Ik stap dus op en kuier op mijn gemakje het Plein van de Hemelse Vrede op. In de verte zie ik dat inmiddels de op de Poort van de Hemelse Vrede gerichte schijnwerpers zijn ontstoken. In combinatie met de vaalblauwe avondlucht is dat een prachtig gezicht.

Als het donker is stel ik voorzichtig mijn fototoestel op statief op om van de overzijde van de straat een foto van de verlichte Poort te maken. Dat trekt bekijks. Terwijl ik zorgvuldig de belichting en scherpstelling regel, vormt zich achter mij een rij van nieuwsgierige Chinezen. Als ik omkijk, lachen zij mij schaapachtig toe. Ik zet een stap opzij en meteen dringt de eerste Chinees zich naar voren om een blik door het zoekerglaasje te werpen. Hij lacht en kijkt mij goedkeurend aan. De gekozen compositie kan op waardering rekenen. Een hele geruststelling. Ik heb geen draadontspanner, dus moet ik de foto met behulp van de tijdontspanner maken. Dat is een hele gok, want het is moeilijk in te schatten hoe de situatie in beeld zich zal ontwikkelen gedurende de tien seconden tussen inschakelen en afdrukken.

Later aan de overkant maak ik nog een paar foto’s, maar dat is nog moeilijker, want nu lopen er ook mensen in beeld. Het kost bijzonder veel geduld om foto’s te maken, zonder dat net iemand voor de lens langs loopt. Uiteindelijk lukt het toch en wandel ik tevreden terug naar het fietsje, waarna ik weer terug naar het hotel stuntel. Hopelijk gaat het morgen goed als ik het wrak naar de verhuurder moet terugbrengen.
Onderweg zie ik het zoveelste ongeluk. Een fietser ligt half onder een taxibusje en een snel groeiende groep mensen staat belangstellend toe te kijken. Niemand steekt een hand uit, maar er wordt ook niet gelachen. Ik had gelezen, dat Chinezen altijd lachen als ze getuige zijn van een ernstig ongeval. Dat geldt niet voor deze Chinezen. Al snel komt de politie te hulp en kan de discussie beginnen over wie schuldig was aan het ongeval.
Het is pikkedonker als ik de rotonde over het kanaal bij het hotel bereik. Er is nog volop markt aan de gang en de klanken van een straatmuzikant galmen dreunend een drakenmars onder het viaduct. Terug in het hotel blijkt Gerben er nog niet te zijn. Ik pak maar vast het een en ander in. Dat scheelt morgen weer tijd.

Woensdag, 14 juli 1993

Vandaag staat het wekkertje vroeg, want ik moet de fiets nog wegbrengen en er is nog veel dat ik wil zien in Beijing. Zo staat bijvoorbeeld de Verboden Stad nog op het programma. Ik sla het ontbijt dus maar over vandaag en stap snel op het fietsje. Nadat ik de voorvork gericht heb rijd ik linksaf om de route langs het kanaal te volgen. Het is wel een omweg, maar de fietsenverhuurder is op die manier makkelijk te vinden.
Voor het eerst dat ik het meemaak is het schitterend weer in Beijing. De lucht is vrij van wolken en het is windstil. De helder stralende zon begint langzaam de temperatuur weer naar de dertig graden te drijven.

De route naar de fietsenverhuurder blijkt veel langer dan ik aan de hand van de plattegrond had ingeschat. Ik verbaas mij er af en toe over hoe ik mij zonder aanrijdingen door het verkeer weet te worstelen. Bij iedere kruising houd ik mijn hart vast als fietsers van links en rechts zonder uit te kijken op mij af stevenen. Het gaat iedere keer net goed, hoewel sommige andere fietsers best wel eens hardhandig met elkaar in aanraking komen. Het zou makkelijker gaan als ik mijn tempo op dat van de Chinezen zou afstemmen, maar daarvoor ontbreekt mij het geduld. Met een auto zou ik hier verschrikkelijke ongelukken veroorzaken.
Een paar kuilen in de weg geven onderweg nog wel wat problemen met de voorvork, maar de zaak breekt gelukkig niet helemaal in tweeën. Op de hoek van het straatje naar de verhuurder, herstel ik de vork nog eenmaal, waarna ik voorzichtig het straatje in stuur. Onder het voorbijgaan groet ik de verhuurder met een vrolijk ‘Ní hâo!’, alsof er niets aan hand is. Hij kent mij nog wel, hoewel ik de fiets ruim drie dagen daarvoor opgehaald had. Ik zet het wrak achter in de rij op de standaard en loop met een stalen gezicht naar het kantoortje, waar ik zonder morren mijn 100 yuan borg terugkrijg. Deze verhuurder zal mij nooit meer terugzien. De fiets lapt hij wel weer op voor een volgend slachtoffer.
Ik loop naar het drukke kruispunt van het kanaal en de Taiping Jie en pak daar een overvolle bus die mij krakend naar het Plein van de Hemelse Vrede voert. Het gaat stapvoets, want het verkeer zit helemaal vast. Het is pas acht uur in de ochtend.
Na een paar haltes besluit ik lopend verder te gaan. Dat gaat sneller. Bij een winkeltje koop ik een fles cola, want de toenemende hitte begint weer aardig wat vocht aan mijn lichaam te onttrekken.

Op het Plein zie ik tot mijn verrassing een grote, bochtige rij voor het mausoleum van Mao Zedong. Blijkbaar is het open vandaag. Ik wil het wel eens zien en stel mij achter in de rij op. De Verboden Stad gaat toch pas om negen uur open.
Het is een vrolijke stoet. De mensen zien er uitgelaten uit. Net of ze voor de Efteling in de rij staan, in plaats van voor een mausoleum waar ze een lijk gaan bekijken. De rij schuift bijzonder langzaam vooruit. Ik merk dat er nog niemand naar binnen kan en dat er alleen beweging in de rij zit omdat de mensen steeds dichter op elkaar gaan staan. Ik zet mijn petje schuin op mijn hoofd met de klep naar de zon gericht. Het is smoorheet en er staat geen zuchtje wind.
Ik weet niet of ik een kaartje moet kopen. Maar wel zie ik mensen met een soort ijzeren fishes in hun hand staan. Bovendien zie ik links een rij loketten. Zou ik toch een kaartje moeten kopen. Ik begin te twijfelen. Straks ben ik na uren wachten bij het gebouw en dan kan ik terug om opnieuw achteraan aan te sluiten.
Nadat ik de aandacht van enkele mensen in de rij voor en achter mij heb getrokken, maak ik een sprintje naar de loketten. Ik word er naar een ander loket doorverwezen waar ik twee metalen fishes krijg. Ik weet niet waarvoor ze dienen, maar het zal wel goed zijn. Ik neem mijn plaats in de rij weer in. Er komt eindelijk beweging in en in de verte zie ik mensen het gebouw binnengaan.
Na een kwartier haalt een van de bewakers mij uit de rij. Hij wijst op de tas die ik onopvallend om mijn schouder had geslagen. Die mag ik niet mee naar binnen nemen. Hij wijst naar de loketten, waar ik mijn tas moet afgeven.
Inwendig vloek ik, terwijl ik in looppas naar het loketje ren. Ik geef mijn tasje af en krijg nog een metalen fiche. Natuurlijk sluit ik niet opnieuw achter in de rij aan. Ik heb lang genoeg gewacht. Ik ga ongeveer staan waar de bewaker mij uit de rij had gehaald, want mijn oorspronkelijke plaats kan ik niet terugvinden. Die is waarschijnlijk al in het gebouw verdwenen. Het mausoleum is een strak, classistisch gebouw dat voor wat de bescheidenheid betreft weinig aan de door Mao gepropageerde communistische leer doet denken. Vierenveertig granieten zuilen ondersteunen het reusachtige, rechthoekige dak. Arbeiders en boeren krijgen niet zo’n praalgraf. Het gebouw domineert het grootste deel van het Plein van de Hemelse Vrede en trekt meer aandacht dan de rondom gelegen regeringsgebouwen.
Het dertig meter hoge gebouw werd één jaar na Mao’s overlijden (9 september 1977) geïnaugureerd. Enige tijd later ging het weer dicht in de periode dat Mao het onderwerp van gevoelige discussies werd. Maar sinds 1983 is het weer open en brengen duizenden mensen er dagelijks een bezoek aan.
Even voorbij de ingang van het streng bewaakte mausoleum splitst de rij zich in tweeën. De ene helft passeert het grote witmarmeren beeld van een zittende Mao links, de andere helft gaat er aan de rechterkant langs. Veel mensen leggen bloemen voor het beeld. Zielige bosjes, die je bij een stalletje voor de ingang kon kopen. Achter het beeld is een prachtige wandschildering van een Chinees landschap te zien.
Het is heerlijk koel in het mausoleum. Helaas kan ik er niet lang van genieten, want eenmaal binnen wordt de mensen gesommeerd snel door te lopen. Omringd door bewakers en plantenbakken ligt daar de Grote Roerganger, voorzitter Mao Zedong, in een kristallen sarcofaag onder een meters grote Sovjetvlag. Van Mao zelf is weinig te zien. Een zwart bosje haar en een wasachtig, oranje gekleurd gezicht. Gelaatstrekken zijn niet te zien. Toch maakt het veel indruk. Dat komt door de ambiance, maar zeker ook door de uitstraling van het dode lichaam. Bij het zien ervan kan ik mij vaag inbeelden wat een charisma deze man gehad moet hebben en hoe hij daarmee alle macht in dit grote land naar zich toe kon trekken. Het valt mij op dat veel bezoekers geëmotioneerd raken bij het zien van de dode Voorzitter. Mao had tijdens zijn leven bijzonder veel invloed en die invloed is hij nog lang niet helemaal kwijt. Hij werd verafgood. Voor zijn volgelingen uit die tijd moet zijn gestalte van nu inderdaad wel tot tranen bewegen.
De betovering duurt niet lang, want buiten keren de bezoekers weer terug in de harde realiteit. Onder de fel brandende zon staat een complete markt met alleen Mao-souvenirs. Serieuze aandenken zoals posters, maar ook allerlei rommel met daarop de afbeelding van de Grote Roerganger. Als hij het wist zou hij zich in zijn sarcofaag omdraaien.
Ik haal mijn tas en camera weer op en loop snel naar de Verboden Stad. Er is niet veel tijd meer over om die te bekijken. Gelukkig is het schitterend weer voor fotografie. Op het Plein van de Hemelse Vrede staan groepen mensen te vliegeren. Ik heb bewondering voor hen, want zij weten hun vliegers in de lucht te houden, ofschoon er nauwelijks wind staat. Boven de rode paleismuur zie ik de gouden daken schitteren in de zon.

Via de Poort van de Hemelse Vrede kom ik bij de Meridiaanpoort, die de eigenlijke ingang van de Verboden Stad vormt. Daar moet ik een kaartje van maar liefst 45 FEC (7 euro) kopen om naar binnen te mogen. De prijs stuit mij tegen de borst, vooral vanwege het enorme verschil met de prijs die de Chinezen betalen. Als die wat hoger was geweest, zou het tenminste niet zo akelig druk zijn vandaag. In 1990 bedroeg de entree overigens 5 yuan.
De Verboden Stad vormde sinds het begin van de vijftiende eeuw het regeringscentrum van Keizerlijk China. Al in 1407 is gestart met de bouw, maar uit die tijd is niet veel meer over. Het meeste van wat er nu staat is in de achttiende eeuw gebouwd. Het keizerlijk paleis was voor de Chinezen niet alleen het regeringscentrum, maar ook het centrum van het universum. De symbolische uiting hiervan is te zien in het purper van de muren rondom de Verboden Stad. Deze kleur verwees naar de Poolster die op één lijn met de noord/zuid-as van het paleizencomplex ligt.

Opvallend is de eenvoud van de architectuur. Alles is in strakke lijnen uitgevoerd in steeds weer terugkerende patronen. Sommige delen van het complex lijken exacte kopieën van andere delen. In totaal meet het complex 101 hectare oppervlak, zijn er 9000 kamers en honderden gebouwen. In 1928 werd de Verboden Stad als museum opengesteld, maar de meeste kunstschatten en kostbaarheden waren toen al weg geroofd of door corrupte ambtenaren aan antiekhandelaren verkocht. Kort voor de revolutie in 1949 nam Chiang Kaishek de rest mee naar Taiwan, waardoor er nu vrijwel niets meer van de oude pracht en praal over is. De paleizen zijn grote, lege gebouwen. Gelukkig heeft de architectuur alle oorlogen en revoluties overleefd.

Met hoge snelheid verken ik de Verboden Stad, speurend naar mooie plekjes om foto’s te maken. Er is nog maar weinig tijd over. Het is nu kwart over tien en uiterlijk elf uur moet ik in een taxi naar het hotel zitten, anders kom ik te laat terug.
Een groot deel van de Verboden Stad blijkt echt verboden te zijn. Het is afgesloten voor het publiek, terwijl hoge muren ook bezichtiging vanaf afstand onmogelijk maken. De delen die wel toegankelijk zijn vallen op door hun leegte. Grote marmeren pleinen, paviljoens en paleizen. Allemaal groot en leeg. Ook de Zaal van de Opperste Harmonie, waar de keizers hun gasten ontvingen, is leeg. De Drakentroon staat er nog wel, omdat die te groot was om mee te nemen, maar van alle andere kostbaarheden is weinig meer te zien. Alleen hele grote stukken zijn achtergebleven, zoals enorme bronzen kandelaars die de achttien Chinese provincies symboliseren, een drakenscherm achter de troon en grote beelden van onder andere olifanten. Enorme koperen vaten langs de wanden van de zaal dienden voor opslag van water. In geval van brand kon men met dat water blussen. De duisternis binnen, maakt fotograferen niet gemakkelijk.

Ik bekijk nog de andere paleizen, zoals de Zaal van de Volmaakte Harmonie waar de keizer zich omkleedde voordat hij de Zaal van de Opperste Harmonie binnenging, de Zaal van de Duurzame Harmonie waar banketten plaatsvonden en waar later hoge ambtenaren examen moesten afleggen, het Paleis van de Hemelse Zuiverheid, de woning van de meeste keizers en het Paleis van de Aardse Kunst, waar de keizerinnen woonden.
De Chinezen beginnen mij op mijn zenuwen te werken. Het zijn er bijzonder veel en ze lijken vandaag allemaal hier naar toe gekomen te zijn. Wanneer ik iets wil fotograferen moet ik wachten tot de zoveelste groep gepasseerd is. Dat gaat heel langzaam, want ze willen allen op de foto met het door mij begeerde object op de achtergrond. Slechts met de grootste moeite weet ik de eeuwenoude monumenten te fotograferen zonder dat de voorgrond bezoedeld wordt door uitgelaten en joelende Chinezen met felgekleurde pakjes.
Het mooist zijn de keizerlijke tuinen uit de Ming-dynastie met hun eeuwen oude pijnbomen en cipressen. Er staan ook prachtige paviljoens, waarvan er één bovenop een hoge kunstmatige heuvel staat. Bronzen olifanten bewaken de poort.
Dan is het elf uur geweest en moet ik zo snel mogelijk terug bij het hotel zien te komen. De fiets heb ik helaas niet meer, want dat gaat het snelst. Buiten staan gelukkig genoeg taxi’s. De eerste, een Daihatsu-busje, wil mij aanvankelijk niet meenemen, maar stemt uiteindelijk toe als ik in FEC wil betalen. Dat weiger ik. Een andere taxichauffeur is vriendelijker en accepteert ook renminbi. Ik stap in en de gele Lada zet zich in beweging.
Die beweging duurt niet lang, want het verkeer zit muurvast. Door af en toe de linkerweghelft te pakken, komen we langzaam vooruit, maar ik vraag mij toch af of de chauffeur wel zo’n verstandige route gekozen heeft. Ik volg de route nauwkeurig op de kaart om te controleren of we in de goede richting rijden.
Pas na twintig minuten bereiken we de overvolle ringweg naar het hotel. De tijd begint steeds verder te dringen. De chauffeur rijdt intussen als een seniel. Als ik mijn veiligheidsgordel niet omhad, was het taxiritje een pijnlijk avontuur geworden, want de chauffeur heeft steeds veel te laat in de gaten dat hij moet afremmen, waarna alleen een noodstop de taxi nog tijdig tot stilstand kan brengen.
De auto’s op de ringweg, rijden net als de fietsers op het Plein van de Hemelse Vrede. Niemand stoort zich aan medeweggebruikers en iedereen is alleen gefixeerd op de eindbestemming. De meeste auto’s op de ringweg zijn overigens taxi’s. Iedereen toetert en de file wordt steeds dichter.
Ik had de chauffeur een kaartje met de naam van het hotel laten zien en wees de bestemming ook nog op de plattegrond aan, maar hij leek het niet te willen begrijpen. Onverwachts draaide hij op een verkeerd moment de ringweg af en via een drukke straat kwamen we bij de ingang van het Long Tan-park uit. Ik maak hem duidelijk dat we verkeerd zitten en wijs nogmaals het hotel op de kaart aan. De klok tikt intussen door.
Uiteindelijk vertel ik hem maar met gebaren hoe we moeten rijden. Handig zo’n taxi in Beijing. En die ellende kost nog eens dertig yuan ook! Met gebarentaal lukt het wel om de weg te vinden en komen we uiteindelijk heel dicht in de buurt van het hotel. Het laatste stukje loop ik maar. Ik ben gelukkig op tijd, maar ik heb nog maar een half uur om mijn spullen in te pakken. Twaalf uur ben ik eindelijk klaar en kunnen we de sleutel inleveren. Voordat we vertrekken worden alle kamers gecontroleerd. Anders zien ze hun handdoeken nooit meer terug. De controle heeft ook een voordeel, want ik was bijna mijn walkman vergeten. Het kamermeisje had hem onder mijn kussen gevonden.
Met drie taxibusjes hobbelen we naar het centraal station van Beijing, waar we half twee met de trein naar Xi’an vertrekken. In colonne strompelen we met de zware bagage naar de stationshal, terwijl ik nog een foto maak van het gebouw met het stationsplein op de voorgrond.
We wachten in de wachtkamer voor buitenlanders en zien na een tijdje op het digitale mededelingenbord dat onze trein is gearriveerd en klaar staat voor vertrek. We lopen naar een soort grote kooi waar we moeten wachten tot we het perron opmogen. Het lijkt wel dierentransport. Wij staan als bevoorrechte hard-sleeper-passagiers in de voorste kooi, die het eerste zal opengaan. Als wij in de trein zijn, mogen de hard-seat-passagiers pas het perron op. Er zal dan een veldslag voor zitplaatsen gaan plaatsvinden.
De trein naar Xi’an is behoorlijk comfortabel en schoon. Er is airconditioning, zodat we snel bijkomen van de enorme hitte op het station. Ik neem het middelste bed met het beste uitzicht op het raam. Ik weet zeker dat ik morgen al vroeg, waarschijnlijk als eerste, wakker zal worden en dan wil ik lekker naar buiten kunnen kijken.
Het is passen en meten. De ruimte is erg krap en wij hebben naar Chinese maatstaven veel te veel bagage bij ons. Toch lukt het allemaal en weten wij ons zo goed en kwaad als mogelijk te installeren. Precies op tijd zet de trein zich in beweging en nemen wij afscheid van Beijing.
De hard-sleeper is een grappige ervaring. Wildvreemde mensen nestelen zich op de banken bij elkaar alsof zij elkaar al jaren kennen. Zo ontstaan kleine gezinnetjes, waarbij de mensen opvallend veel rekening met elkaar houden. De privacy in de wagon is beperkt tot de wc-ruimte die weer ouderwets smerig is.
Aan het eind van het gangpad staat de kolengestookte semafoor, waaruit we heet water voor de thermosflessen kunnen halen.
Net als in het hotel krijgen we in de trein een setje met een piepklein tandenborsteltje, een tubetje tandpasta, een stukje zeep en een kammetje. Zo blijven we netjes tijdens deze rit die 21 uur in beslag zal nemen en ons over een afstand van een kleine 1300 kilometer zal voeren. Onderweg zie ik diverse malen door stoomlocomotieven voortgetrokken goederentreinen. Enkele stations hebben een depot voor stoomlocomotieven. Ook zie ik vele kolengestookte elektriciteitscentrales die maar met moeite aan de snel stijgende vraag naar energie zullen kunnen voldoen. De trein stopt weinig en de paar keer dat we stoppen is het maar voor een korte periode. Zo valt vroeg in de avond de duisternis in, terwijl de tot nu toe heldere lucht dichttrekt met wolken. Ook wordt het mistig. Hopelijk wordt het morgen beter als we in Xi’an aankomen.
In de trein maak ik pas echt kennis met de overige leden van de Ashraf-groep. In Beijing was daar niet zoveel gelegenheid voor. We raken niet uitgekletst. De maaltijd bestaat uit een instantmenu dat met kokend water uit de thermosfles moet worden aangemaakt. Houten wegwerpstokjes zijn bij de lage prijs inbegrepen. De grote ruimte die in mijn maag achterblijft, wordt gedeeltelijk gevuld door een bakje rijstprut waarmee een meisje rond een uur of zes loopt te leuren, als de trein even wat langer bij een halteplaats blijft staan.
Tien uur gaat het licht in de trein uit en moeten we gaan slapen. We hebben allemaal een set stijf gesteven beddengoed gekregen, zodat we netjes kunnen slapen. Dankzij de airconditioning is het goed uit te houden in de trein. Als we morgen wakker worden zullen we honderden kilometers hebben afgelegd en al bijna in Xi’an zijn.

Donderdag, 15 juli 1993

Het slapen lukt aardig. De hard-sleeper is lang niet zo comfortabel als de softsleeper met zijn afgesloten coupés, maar de de afgelopen dagen opgedane vermoeidheid is een goed slaapmiddel. Het is buiten al licht, maar nog wel erg vroeg, als ik wakker word. De trein nadert Xi’an, waar we op het gebruikelijke tijdstip van ongeveer half zes in de ochtend zullen aankomen. Ik begrijp niet hoe de Chinese spoorwegmaatschappij het voor elkaar krijgt om alle treinen op die tijd overal te laten arriveren.

Als een stel zombies sjokken we achter de enorme stroom Chinezen aan om via de met hekken afgezette perrons de loopbrug naar het stationsgebouw te bereiken. In de hal blijven we wachten tot de groep compleet is. Dan steken we het stationsplein over waar aan de overkant ons hotel voor de komende nachten staat. Het Renmin Dasha (volkshotel) ziet er van buiten aardig uit. De lobby is ook niet verkeerd. Verder heeft het gebouw nog het meeste weg van een kazerne die dringend aan renovatie toe is. Na lang wachten en veel gestempel krijg ik een kamer die ik met Gerben deel.
In de ochtend is er tijd om de stad te verkennen. Om twee uur gaan we met een busje of twee naar het beroemde Terracotta-leger wat voor de meeste toeristen dé reden is om Xi’an te bezoeken. Ik besluit efficiënt met mijn tijd om te gaan en niet eerst te gaan douchen. Dat is met de enorme hitte en viezigheid buiten het hotel toch niet de moeite waard.

Verdwalen in Xi’an is zo goed als onmogelijk. Het centrum van de stad – ons hotel ligt daar net buiten – is bijna vierkant en alle straten lopen parallel of staan haaks op elkaar. Via de zeer drukke Bei Dajie-straat loop ik naar het centrale plein waar de noord-zuid- en oost-west-as elkaar kruisen en waar de klokkentoren staat. Er vlakbij is de eveneens prachtig bewaard gebleven trommeltoren te zien. Ik passeer de voormalige noordelijke stadspoort en zie dat afgezien van het stratenpatroon en de nog complete stadsmuur van het oude Xi’an niet veel overgebleven is. Alles is veranderd in beton en als je de foeilelijke flats ziet kun je je niet voorstellen dat die door hetzelfde volk zijn gebouwd als de schitterende architectuur uit de keizertijd. Dat het veranderd is, is overigens niet zo gek. Waar nu het centrum van de stad is, bevond zich vroeger het keizerlijk paleis van Qin-keizer Shi Huang Di dat nog groter was dan de Verboden Stad in Beijing. Helaas is het complex verloren gegaan. Aanvankelijk had Xi’an ook nog een 35 kilometer lange stadsmuur met dertien poorten rond de gehele stad, maar daarvan is niet zoveel meer overgebleven.
De klokkentoren zou onderdeel uitgemaakt kunnen hebben van het voormalige keizerlijke paleis, maar is pas in de achttiende eeuw gebouwd. Ook de trommeltoren stamt uit die tijd. Ik loop een stukje de Arabische wijk in, die ruim een kwart van de stad beslaat. De sfeer is Arabisch, maar de mensen zien er gewoon Chinees uit. Er is ook een openluchtmarkt, waar ik een kom smakelijke soep bestel.
Na een korte dwaaltocht door oudere stadswijken en een wandelingetje over de stadsmuur is het tijd om terug te keren naar het hotel. De groep staat al te wachten in de lobby, maar Gerben en Anke weten niet waar de busjes blijven. Ik zou wel een douche willen nemen, want ik heb het gevoel alsof je het vuil met een scheermes van mijn lichaam kunt schrapen. En mijn haar voelt aan als een vettig pannensponsje.
Dan komen eindelijk de busjes opdraven. We kruipen er met moeite in, want de busjes zijn natuurlijk kleiner dan besteld was, maar het lukt allemaal net. Op typisch Chinese wijze dringen we ons door het drukke verkeer heen, waarbij fietsers zich elke keer nog maar net op tijd uit de wielen kunnen maken, als we luid toeterend op hen af stormen. Op de buitenweg worden we iets minder door elkaar geschud. We passeren een rivier en ik zie in de verte een goederentrein met stoomlocomotief over een spoorbrug rangeren. Na bijna een half uur stoppen we bij een zogenaamd origineel dorp uit de Neolithische tijd. Van het oorspronkelijke dorp is vrijwel niets over. Alleen echte archeologen zullen er nog opgewonden van raken. Het kleine museum maakt echter veel goed. Men heeft getracht het oorspronkelijke dorp in een maquette te reconstrueren en dat ziet er aardig uit. In vitrines ligt het resultaat van diverse opgravingen. Het dorp is volgens de gids meer dan 6000 jaar oud, toen in China al sprake was van een min of meer geordende samenleving met een hiërarchische bestuursvorm.
Na nog een klein eindje rijden komen we bij een lelijk hallencomplex aan. Hier moet zich het beroemde en pas in 1978 ontdekte Terracotta-leger bevinden, dat keizer Shi Huang Di liet kleien om na zijn dood zijn graftombe te laten beschermen. Het is een groot geluk dat de honderden prachtige beelden van soldaten tijdens de Culturele Revolutie van 1966 tot 1976 nog veilig onder vele meters zand verborgen zaten, anders hadden de hervormende Rode Gardisten ze ongetwijfeld in socialistische scherven veranderd.
Om de kwetsbare sculpturen te beschermen tegen weersinvloeden is boven de opgravingen een viertal hallen gebouwd, waarbij architectuur niet het uitgangspunt is geweest. Het is misdadig dat boven zo’n unieke bezienswaardigheid een foeilelijke betonnen hangar wordt geplaatst, die het bijna onmogelijk maakt om de bijzondere sfeer van het Terracotta-leger te proeven. Na betaling van de niet geringe entree van ruim twintig euro kunnen we de vrij duistere hal binnentreden. Meteen worden we al weer met een fotografieverbod geconfronteerd. De ansichtkaartenbusiness moet weer beschermd worden, want mij maken ze niet wijs dat het maken van foto’s schadelijk is voor de beelden. Op het maken van een foto staat een boete van 100 dollar en in beslagname van de film. En omdat om de tien meter een bewaker staat te loeren, houd ik mijn camera maar in mijn tas.
De beelden zijn prachtig, maar de ambiance is verschrikkelijk. Chinezen weten echt niet hoe zij een museum moeten vormgeven. We zullen maar blij zijn dat de opgraving met de nodige zorgvuldigheid geschiedt en dat de beelden tot de volgende Culturele Revolutie goed beschermd worden. Er zijn pas twee opgravingen gereed. De andere twee legers liggen nog onder het versteende zand begraven. Het uitgraven van de beelden is een uiterst moeizaam en riskant karwei. We zien vanaf de loopbrug hoe een groepje archeologen bezig is met de voortgang van het project. Als de stukken compleet zijn, bouwt men er in een speciaal atelier weer een compleet beeld van, dat op de oorspronkelijke plaats wordt teruggezet. Een van de hoogtepunten is een paardenspan met vier paarden voor een strijdwagen. Elk beeld is weer anders en heeft zijn eigen karakteristieke gelaatstrekken.
Als we de tweede hal hebben bezocht is het weer tijd om naar de uitgang te lopen. Je bent dan gedwongen om een gang te nemen waar de muren zijn volgehangen met foto’s van hoogwaardigheidsbekleders die het Terracotta-leger hebben bezocht. Het zijn vooral Chinese leiders, maar ook buitenlandse staatshoofden en ministers, waarvan ik er vrijwel niet een ken. De foto’s lijken in de vorige eeuw gemaakt, maar kunnen natuurlijk nooit ouder zijn dan een jaar of twintig. Slechts een enkele foto is in kleur.
In de souvenirwinkel koop ik dia’s die van een schandalige kwaliteit zijn. Het zijn gewoon foto’s die uit een boek zijn gemaakt en op sommige foto’s is het wit van de bladzijdes nog te zien. Dat je geen foto’s mag maken is een; maar laten ze dan wel behoorlijke dia’s verkopen. De winkel heeft wel mooie boeken, maar die zijn voor Chinese begrippen peperduur. Ik denk dat ik ze in Nederland voor minder kan aanschaffen. Verder zijn er natuurlijk allerlei replica’s van de beelden te koop, tot op ware grootte aan toe. Ze zien me aankomen thuis.

De busjes brengen ons met grote snelheid terug naar Xi’an, waar we tegen de avond aankomen. Het is te laat om nog een fiets te huren, dus na een snelle douche maak ik nog even een korte wandeling door de stad. Ik eet bij een straatstalletje onder het genot van twee flessen Chinees bier, dat goedkoper is dan bronwater. Na nog een douche duik ik mijn bed in, want ik ben hard aan wat slaap toe.

Vrijdag, 16 juli 1993

Rond een uur of acht word ik wakker. Vrij laat voor mijn doen. Ik schuif het gordijn opzij en zie door de gedeeltelijk beslagen ramen dat de lucht dicht bewolkt is. Vervelend. Ik had vandaag wat foto’s willen maken en met dit weer zal dat nooit zo’n succes worden. Morgen zal er echter niet veel tijd voor zijn, dus het moet maar.
Gerben ligt nog te maffen, dus ik sluip stilletjes de deur uit. Beneden in het hotel kan ik een fiets huren. Gelukkig betere dan in Beijing. Het wordt een grote, zware, zwarte herenfiets die er niet uitziet alsof hij mij vandaag probleemloos langs alle attracties zal voeren. Ik moet het er maar op wagen. Tenslotte hoef je in China nooit lang naar een fietsenreparateur te zoeken. Eerst rijd ik naar de boekhandel om een toeristenkaart te kopen. Dat gaat een heel stuk sneller dan lopen, hoewel het ook een stuk gevaarlijker is. Slingerend rond de vele Chinezen die nauwelijks vooruit komen, baan ik mij een weg door de steeds drukker wordende ochtendspits.
Tot mijn grote blijdschap zie ik dat het in het oosten begint op te klaren. Er komt een strak blauwe lucht aan. Daardoor zal het ongetwijfeld nog warmer worden, maar dat vind ik niet zo’n ramp. Ik zweet nu toch al als een rund, dus veel erger zal het niet worden. Belangrijker is dat ik onder een blauwe lucht veel mooiere foto’s zal kunnen maken.
Vanaf de boekhandel, die vlak bij het centrale plein ligt, fiets ik naar de grote moskee, een van de belangrijkste bezienswaardigheden van Xi’an. Op weg naar de moskee passeer ik de trommeltoren. Vanaf daar is echter de straat opgebroken, zodat ik maar besluit om de fiets achter te laten en verder te lopen. Ik stop het sleuteltje weg in het zijvakje van mijn kleine rugzakje. Langs het straatje naar de moskee is een souvenirmarkt. Er is van alles te koop, maar de verkopers lijken alleen maar geld te willen wisselen. Dat komt goed uit, want ik ben nagenoeg door mijn volksgeld heen. ‘Change money? Change money?’, steeds hetzelfde deuntje, dat klinkt zodra de Chinezen mijn westerse neus zien. Bij een vrouwtje dat er redelijk betrouwbaar uitziet loop ik het winkeltje binnen en laat twee briefjes van honderd FEC zien. Ze schrijft de koers op een papiertje, maar die vind ik te laag. Ik schrijf 300 op hetzelfde papiertje. Nee, dat vindt zij weer te hoog. Uiteindelijk komen we op 290 uit. Het moet maar. Een Chinees kijkt mij buiten aan en roept ‘moskee’ en wijst een zijstraatje in. Aan het begin van het straatje staat een kraampje. Een vrouwtje verkoopt allerlei Mao-rommel. Ik wijs naar een petje en vervolgens naar mijn grote hoofd. Ze pakt een van de petjes en zet die op mijn hoofd. Het past net. Ik koop hem en houd hem op voor bescherming tegen de felle ochtendzon. Tien yuan armer loop ik het moskee-terrein op. De Grote Moskee is gesticht in 742, maar de meeste huidige gebouwen dateren uit de tweede helft van de zestiende eeuw. Het is een opvallend complex. De indeling is zuiver islamitisch, maar de bouwstijl is Chinees. De minaret is bijvoorbeeld als pagode gebouwd. De gebedsruimten zijn van binnen echter weer in Arabische stijl uitgevoerd. De moskee telt diverse gebouwen, voor gebed, maar ook voor huisvesting van monniken. Ook zijn er diverse binnenplaatsen met prachtige tuinen. Buiten de gebouwen, naast de deuren, hangen rieten kooitjes met zangvogeltjes. Er is nog vrijwel geen mens, en ik kan genieten van de heerlijke stilte in deze oase van rust midden in de miljoenenstad Xi’an.
Na wat foto’s gemaakt te hebben wandel ik verder en bestel een ontbijt bij een klein restaurantje in de Arabische buurt. Tijdens mijn ontbijt, dat uit kleine bapao’s en linzensoep bestaat, spreekt een jonge Chinees mij aan. Hij stelt zich voor als Jun Liang. Liang is leraar aan de vlak in de buurt gelegen kunstacademie. Zoals gebruikelijk informeert hij waar ik vandaan kom. Hij roept verrast Van Gogh en Rembrandt. Dat is de eerste keer dat Nederland geassocieerd wordt met hoog cultureel niveau. De meeste andere Chinezen die ik ben tegengekomen kennen alleen Goelit en Van Basten als Nederlands erfgoed. Ik mag hem wel. Liang spreekt uitstekend Engels en nodigt mij uit om zijn school te bezoeken.
Het wordt een interessant bezoek. Zonder Liang was ik waarschijnlijk achteloos aan het scholencomplex voorbij gelopen. Want er is vanaf de straat niets van te zien.
Via een poortje komen we op het binnenplein vanwaar de meeste gebouwen bereikbaar zijn. Liang stelt mij voor aan zijn leraar, een oudere man die in zeer korte tijd een traditioneel schilderij op rijstpapier kan schilderen. Liang vraagt of ik belangstelling heb. Het is wel duur waarschuwt hij. Maar ik vind 100 yuan (10 euro) wel meevallen voor een handgeschilderd werk. Hij vraagt wat voor schilderij ik wil hebben. Ik weet zo gauw niets te bedenken, dus ik laat hem maar een landschap schilderen. Binnen een half uur is het klaar. Liang laat het vol trots zien en overlaadt zijn leraar met bewondering. Ik reageer verbaasd als hij het schilderij opvouwt, maar hij zegt dat het geen kwaad kan en demonstreert dat door een stuk rijstpapier helemaal te verkreukelen en het vervolgens met een natte doek weer recht te strijken. Er is geen vouwtje meer te zien.
Liang laat mij de rest van het complex zien. Ik zie vele studenten aan het werk. Een jong meisje schildert kleurige vogels. Het is prachtig. Het meisje trouwens ook. Liang vraagt of ik het wil kopen. Ja, ik blijf aan de gang.
In een grote publieksruimte kom ik twee leden van het gezelschap tegen. Anke en Nel. Ze bladeren door de vele mappen met schilderwerken, vastbesloten om iets te kopen. Ik laat mijn schilderij zien. Buiten neem ik afscheid van Liang en beloof hem een kaart van de door hem hartstochtelijk bewonderde Vincent van Gogh te sturen.
Terug bij de fiets constateer ik tot mijn schrik dat ik het fietssleuteltje verloren ben. Had ik het toch in mijn sok moeten stoppen. Ik kijk aandachtig mijn bagage na, maar het sleuteltje is spoorloos. Ik loop maar terug, dezelfde route als vanmorgen. Misschien ligt het nog ergens. Maar helaas vind ik het sleuteltje niet terug. Het is ook zoeken naar een speld in een hooiberg. Met de bus ga ik terug naar het hotel. Hopelijk hebben ze daar een reservesleuteltje. Bij de verhuurbalie maak ik weer eens kennis met de Chinese versie van klantvriendelijkheid. Als het meisje uitgelachen is zegt ze mij in haar bijzonder gebrekkige Engels dat ik het sleuteltje niet had moeten verliezen. Dat begrijp ik. Ze haalt uiteindelijk een bakje vol fietssleuteltjes tevoorschijn, maar aan die sleuteltjes zitten geen labeltjes. Ik probeer voorzichtig of ik ze allemaal mag meenemen, zodat ik ze kan uitproberen. Maar ik had haar reactie kunnen voorspellen. Het duurt weer even voordat ze bijgekomen is. Eerst probeert ze mij zover te krijgen dat ik de fiets met een taxi naar het hotel terugbreng. Dat lokt bij mij lachstuipen uit. Dan pakt ze een briefje waarop ze twee Chinese zinnen schrijft. Ze zegt dat ik met de fiets en het briefje naar een fietsenmaker moet gaan. Die zal mij dan wel verder helpen.
De trolleybus brengt mij weer terug naar de trommeltoren. Wat is dit zonde van mijn dag. In een fietsenwinkel begrijpen de verkoopsters niets van wat ik wil. Ook niet nadat ik hen het briefje heb laten lezen. Ze komen met allerlei sloten aanzetten, maar daar heb ik niets aan. Ik loop terug naar de fiets en laat het briefje aan een marktkoopman zien. Hij lijkt het wel te begrijpen, want hij trekt mij mee naar een collega met fietsonderdelen. Die weet in een kwartier het slot te vervangen.
Terwijl de fietsenmaker zit te sleutelen, spreekt een bijzonder knap meisje mij aan in het Engels. Zij vraagt wat er aan de hand is en ik leg de situatie uit. ‘Ze zullen u proberen af te zetten’, waarschuwt zij mij. Ze zegt dat ik niet meer dan tien yuan moet betalen. Ook al vragen ze meer. Dat lijkt mij persoonlijk wel erg weinig voor zoveel werk, maar zij zal het wel weten. Ze zegt dat ze op de kunstacademie studeert. Die waar ik vanochtend geweest ben. Ik vraag of zij daar niet wat jong voor is. Maar zij reageert verontwaardigd. ‘Ik ben eenentwintig’, zegt zij fel. Ze ziet er veel jonger uit. Maar dat komt ook door het kleine postuur. Ze dringt er nog eens op aan dat ik mij geen poot moet laten uitdraaien en loopt dan weer verder.
Als het mannetje klaar is vraagt hij twintig yuan. Dat had ik wel verwacht. ‘Xie’, zeg ik en steek tien vingers op. ‘Er-xie’, roept hij boos en steekt een dreigende vuist op. Ik ben niet onder de indruk en stel voor vijftien yuan te betalen. Daar gaat hij mee akkoord. Ik kan weer verder fietsen.
Inmiddels is de temperatuur behoorlijk gestegen. De zon brandt fel aan de hemel en er staat geen zuchtje wind. Al snel ben ik drijfnat van het zweet en vormt zich een dikke plak vet op mijn huid. Vet dat uit een mengsel van zweet en stof bestaat. Het laatste regenwater verdampt uit de plassen.
Echt blauw wordt de lucht niet. Dat komt door de smog. Het is meer grijsblauw. De zonnewarmte dringt er echter goed doorheen. Ik rijd langs een vestiging van Kentucky Fried Chicken naar de zuidelijke stadspoort en maak een paar foto’s.
Op mijn plattegrondje zie ik dat de Kleine Wilde Gans Pagode (Xiaoyan Ta) vlak in de buurt is. Dat is een bouwwerk van 42 meter hoog (niet echt klein dus), dat dateert uit het jaar 707. De pagode was in die tijd bedoeld om de geschriften van de monnik Yi Jing op te bergen. Yi Jing maakte in zijn tijd lange reizen om het Boeddhisme te bestuderen. De originele teksten in het Sanskriet vertaalde hij in het Chinees. Later is de pagode verwoest en tijdens de Ming-dynastie, zo’n vijfhonderd jaar geleden, herbouwd.
Het valt niet mee om mijn fiets te stallen. De enige mogelijkheid die overgelaten is, is de fietsenstalling die bij het tempelcomplex hoort. Tien yuan kost dat mij. Grove afzetterij. Pure toeristenuitkleedmentaliteit. En dan ben ik er nog niet. Als ik het park inloop, met mijn walkman op, hoor ik door de vrolijke klanken van Otis Redding de portier schreeuwen. Ik moet terugkomen en bij een vrouwtje achter een loketje een kaartje kopen. Nog een vijf yuan. Wat doe ik hier eigenlijk? Geïrriteerd smijt ik vijf yuan op het tafeltje, maar daarop volgt meteen een snauw. Het vrouwtje laat een FEC-biljet zien. Ja, barst maar denk ik. Ik schuif het briefje van vijf terug en roep ‘mei you’. Uiteindelijk geeft zij met tegenzin een toegangskaartje. Daar gaat de tweeënhalve yuan extra winst voor eigen zak.
Het is een aardig parkje, waarin de Kleine Gans Pagode gebouwd is, maar mijn stemming is een beetje bedorven. Het gebouw zelf stelt niet zoveel voor, dus ik zit binnen een kwartier weer op de fiets. Tot mijn verbazing gaf de stallingbaas negen yuan terug. Dat blijkt borg voor het muntje te zijn geweest. Nou, dat valt dan weer mee.
Als volgende attractie staat een soort lamatempel op het programma. Die ligt in een parkje. Weer vijf yuan minder op zak. Misschien raak ik er nog eens aan gewend. Maar dan ben ik wel blut. Ik zal de gemeente Amsterdam vragen om voor het Vondelpark een entree van een euro te gaan heffen. Alleen voor toeristen uit China.
De tempel is aardig, maar het mooiste, het interieur, mag niet gefotografeerd worden. Ik heb inmiddels een top vijf samengesteld van Chinese ergernissen. Genomineerd voor de eerste plaats zijn het lawaai, het materialisme, de discriminatie van buitenlanders, de ambtenarij en niet op de laatste plaats het fotografeerverbod.
Er is ook een Grote Wilde Gans Pagode. Daar kom ik langs met de fiets, maar ik besluit een bezoek eraan nog even uit te stellen. Eerst wil ik de omgeving van Xi’an verkennen. Ik kom in buurten waar nooit buitenlanders komen en trek ondanks mijn Mao-petje opvallend veel aandacht. Een dorpje oogt heel primitief. Het is het China van vroeger. De vooruitgang lijkt zich tot de grote steden te beperken, want hier is volgens mij de afgelopen honderd jaar niets veranderd. Er zijn geen auto’s, weinig fietsen, veel mensen – voornamelijk in armoedige kleren gekleed – en het leven speelt zich op straat af. Er wordt ma-jong gespeeld, in grote woks gekookt en kinderen zitten elkaar achterna door de steegjes tussen de houten huizen. Ik zie een oud vrouwtje met gebonden voeten, een fenomeen dat snel verdwijnt in China. Zij wil helaas niet op de foto en ik vind het onbeleefd om stiekem een foto te maken. Bovendien zou dat niet eens lukken, want ik heb geen telelens.
De wegen zijn verschrikkelijk in dit dorp. Het is bijna onmogelijk om te fietsen. Met moeite ploeg ik mij voort, blij dat ik niet op mijn eigen fiets zit. Uiteindelijk bereik ik weer de asfaltweg naar de stad.
Langs uitgestrekte maisvelden fiets ik terug naar Xi’an en kom weer langs de Grote Wilde Gans Pagode. Onderweg zie ik kappers aan het werk. Midden op het trottoir. Een paar meter verderop herstelt een fietsenmaker een lekke band. De eigenaresse van de fiets kijkt mij nieuwsgierig na. ‘Een idiote buitenlander met een Mao-petje’, zal ze wel denken.
De grote pagode is net zo interessant als de kleine pagode. Ik heb het dus snel gezien. Het kost mij bovendien nog heel wat caperiolen om een foto zonder tegenlicht te kunnen maken. Het leukste van het complex is een soort Mao-gedenkhal, waar nog steeds de Culturele Revolutie heerst. Ik mag pas een foto maken na het betalen van een jiao. Een kaart van China, helemaal samengesteld uit Mao-buttons, met grote buttons voor de belangrijke steden.
In China lijkt het verplicht om tegen buitenlanders te roepen. De meesten roepen ‘hello’, anderen roepen ‘Change money’. Als iemand hello zegt is dat leuk. Als het om de vijf minuten gebeurt is het minder leuk. Als het alleen vervelende kerels zijn die het roepen, is het helemaal niet leuk meer. Ik baal van het ‘hello’.
Ik fiets weer richting hotel. Toen Jun Liang, van de kunstacademie mij vroeg of hij mij ergens mee kon helpen, vroeg ik hem een adres waar ik een Mao-pakje kon kopen. Hij wist wel een winkeltje, vlak bij het hotel. Ik ben benieuwd.
Onderweg zie ik twee ongelukken. Een fietser is aangereden door een busje en ligt gewond op straat naast zijn verbogen rijwiel.

Twee straten verder is een transportfiets achterover geslagen door het veel te grote gewicht van de lading. Er heeft zich een grote menigte rond het drama verzameld en enkele mannen proberen de ongelukkige fietser uit te leggen hoe hij zijn transportmiddel weer op drie wielen kan krijgen. Niemand komt op het idee om een hand uit te steken. Twee agenten proberen de menigte te verspreiden en gelasten de fietser zich met zijn obstakel te verwijderen. China.
De tip van de kunstleraar was juist. Ik wenk een oud marktvrouwtje en wijs naar mijn Mao-petje en vervolgens naar mijn lichaam. Zij begrijpt wat ik wil en neemt mij mee naar een achterkamertje van haar winkeltje. ‘Ta’, roept ze bewonderend. Ze vindt mij erg groot. Maar niet te groot voor socialistische confectie, want van de plank vist zij een keurig opgevouwen en strak gestreken pakje van de boeren- en arbeidersrevolutie. Het moet een schande zijn om deze door de staat gesubsidieerde en daardoor spotgoedkope kleding te dragen en het vrouwtje begrijpt dan ook niet hoe ik zo in mijn sas kan zijn met het pakje. Ik mag het aanpassen en het past precies. 35 yuan, 3,5 euro. Mijn humeur is weer goed. Ik stap weer op de fiets en peddel naar het oosten van de stad op zoek naar interessante rangeerterreinen met misschien wel stoomlocomotieven. Het valt echter tegen. Er rijden wel treinen, maar dat zijn allemaal moderne, op elektriciteit. Het terrein waar ik op weg naar het terracottaleger stoomlocomotieven heb zien rijden, zal wel veel verder weg liggen.
Als een lange goederentrein gepasseerd is, fiets ik verder achter een grote groep Chinezen aan. De weg wordt echter steeds slechter en uiteindelijk moet ik via gammele dijkjes tussen de modderpoelen door manoeuvreren. De andere fietsers lijken het gewend, want die rijden alsof er niets aan de hand is. Mij kost het echter de grootste moeite om niet in het moeras te verdwijnen. Ik ben blij als ik weer asfalt onder de wielen voel.
Ik fiets een heel eind verder en kom tenslotte in een industriegebied uit. Nog verder rijden lijkt mij niet zinvol, dus keer ik om en rij weer terug naar de stad. Inmiddels is de zon gaan dalen en begint het langzaam maar zeker te schemeren. Ik wil nog wat foto’s in de Moslimwijk gaan maken, voordat het helemaal donker is. Dus ondanks de ondraaglijke hitte zet ik er flink de vaart in.
Het is een hele rit. Ik passeer onder andere een lange, donkere fietsertunnel onder het stationsplein door. Eenmaal in de Arabische wijk zet ik mijn fiets neer en steek ditmaal het fietssleuteltje in mijn sok. Al doende leert men. Bij hetzelfde tentje als gisteravond bestel ik weer zo’n kop machtige, vette soep. Het smaakt weer prima. In de volgende stad haal ik de culinaire schade wel weer in.
Drie jongens vragen mij bij hen aan tafel te komen zitten. Met tegenzin ga ik op hun uitnodiging in. Ze vragen natuurlijk eerst waar ik vandaan kom. Dat is interessanter dan mijn naam. ‘Ha, Goelit, Van Basten’, schreeuwen ze in koor als ze horen dat ik uit ‘Helán’ kom. Mijn gezelschap is het niet. Ik had liever in alle rust van de sfeer van deze bijzondere straat genoten. Morgen zit ik om deze tijd weer in de trein. In gebrekkig Engels en eenvoudig Chinees proberen de jongens het gesprek op gang te houden, maar ik laat blijkbaar duidelijk merken er niet veel zin in te hebben, want tien minuten later stappen ze op.
Na de maaltijd heb ik nog trek in een milkshake. Die zou ik bij Kentucky Fried Chicken moeten kunnen krijgen. Maar helaas, ‘no milkshake’. Het is er geen McDonalds, hoewel die er over een paar jaar ook wel met een paar vestigingen zal zitten. Als troost koop ik een yoghurtje, dat is ook lekker. Ik stap weer op de fiets en race weer dwars door het over de weg zwalkende verkeer naar het hotel terug. Het lukt mij net om een Lada-taxi te ontwijken.
Heel vies kom ik terug in het hotel, waar ik de fiets terug breng naar de verhuur. De meisjes kijken nieuwsgierig naar het slot. Is het die domme buitenlander toch gelukt! Eerst een bad nemen, want ik krijg mijn kleren bijna niet meer uit. Ik vraag mij af hoe de Chinezen zo schoon blijven in deze stad. Misschien transpireren ze minder of hebben ze door de evolutie een afweersysteem tegen vuilaanslag gekregen. In ieder geval haasten ze zich minder dan ik. Maar ja, zij hebben de tijd. Ze hoeven niet in drie dagen Xi’an te zien.
Na het bad is het nog vroeg om te slapen, dus ik loop nog een blokje om. De donkere straatjes zijn gezellig verlicht en de markt duurt nog altijd voort. Even is er commotie. Uit een steeg komt een man rennen. Hij snelt de straat over achterna gezeten door een groep jongens met knuppels. Dwars door het verkeer rent hij midden over de rijbaan in de richting van het station. Hij heeft geluk, want zijn achtervolgers houden het na een korte sprint voor gezien. De vluchteling was zeker ergens vergeten te betalen.
Ik loop weer verder en bestel bij een eenvoudig eettentje een bakje mie. Het is gloeiend heet en ik krijg een gevoel alsof mijn darmen in brand vliegen. Ik neem er ook maar een flesje bier bij, die de kelner bij de buurman moet halen. De maaltijd kost tien yuan. Drie maal teveel. Mijn eigen fout. In China moet je altijd van tevoren vragen wat een maaltijd gaat kosten. Ze hadden ook honderd yuan kunnen vragen. De schade valt dus nogal mee. Na het blokje om ben ik al weer drijfnat. Nog even douchen, mijn verslagje uittypen en dan naar bed. Ik ben doodop.

Zaterdag, 17 juli 1993

Als ik om acht uur ’s morgens het gordijn opzij schuif zie ik weer een witte lucht. De drukte voor het station is alweer begonnen. Het zal wel warm worden vandaag. Maar in het Jiefang-hotel is het nog aangenaam koel, dankzij de airconditioning. Vanavond vertrekken we naar Chengdu. Dus pak ik maar vast wat spullen in die ik niet meer nodig heb. Gerben slaapt nog.
Er staan vandaag geen attracties op het programma. Wel moet ik naar het postkantoor om een hoeveelheid overbodige spullen terug naar Nederland te sturen. Zo heb ik nog altijd twee warme broeken en een trui bij mij. Daar heb ik niets meer aan, want de temperatuur zal wel niet meer onder de dertig graden komen. Ook sjouw ik nog steeds mijn flitser mee, terwijl ik daar niets meer aan heb. Want ook in China heb ik nergens het noodzakelijke adapterblokje kunnen vinden.
Het is een drukte van belang op straat, maar ik ben al aardig gewend aan het chaotische verkeer, de trolleybussen en de enorme, traag kabbelende stroom fietsers. Zo bereik ik het postkantoor, dat aan het plein met de klokkentoren, midden in Xi’an, staat. De bureaucratie is op het postkantoor minstens zo duidelijk merkbaar als bij de CITS. Dat ik een pakje naar Nederland wil sturen is al snel duidelijk bij het baliepersoneel, maar het duurt een hele tijd voordat zij erin geslaagd zijn mij uit te leggen hoe ik de in het Chinees opgestelde formulieren moet invullen. Ook het inpakken is een hele ceremonie. Alles moet in een oude levensmiddelendoos, die ik hermetisch dicht moet plakken met plakband. Een doos had de postbeambte wel, maar het plakband moest ik zelf kopen. Gelukkig kon dat bij een kraampje in de hal.
Het afrekenen vergt weer wat onderhandeling. De beambte wil FEC-geld zien, maar ik blijf volhouden dat ik dat niet heb en leg demonstratief de biljetten met volksgeld op de balie. Ik weet dat de Chinezen in staatsdienst zo’n discussie snel zat zijn, zodat het nooit lang duurt. Alleen weet ik niet wat het gevolg zal zijn. Of ze nemen het geld aan of ze accepteren het pakje niet en dan kan ik het bij een ander postkantoor gaan proberen. Niet in Xi’an, want daar is er maar een. Gelukkig accepteert de medewerker het volksgeld.
Buiten zie ik tot mijn schrik dat mijn fiets verdwenen is. Ik kijk rond of iemand hem misschien verplaatst heeft en dan zie ik hem, met een ketting vastgemaakt aan het ijzeren hek rond het verkeersplein. Ik realiseer mij dat ik de fiets fout geparkeerd heb, want in China is het nu eenmaal niet toegestaan om een fiets overal maar neer te zetten. In iedere straat zijn er speciale openluchtstallingen voor. Maar ik ben nu eenmaal Nederlander en nu heb ik een wielklem op zijn Chinees gekregen.
Een oud, tandeloos mannetje ziet mij bij de fiets staan en loopt boos naar mij toe. Hij laat een bord zien waarop in het Engels staat dat het streng verboden is om fietsen buiten een fietsenstalling te parkeren. Hij kijkt mij aan alsof ik het misdrijf van de eeuw gepleegd heb. Heel interessant haalt hij zijn bonnenboekje tevoorschijn en begint te schrijven. Vier yuan boete, gebaart hij door vier vingers op te steken. Maar ja, wat kan mij dat schelen. Ik kan in ieder geval weer verder fietsen.
Voordat ik naar Chengdu vertrek, wil ik nog een reischeque verzilveren. Hier weet ik tenminste waar de bank is. Maar daarvoor heb ik wel mijn paspoort nodig, en dat ligt nog bij de fietsenverhuurbalie van het hotel. Ik fiets dus terug naar het hotel en vraag bij de balie mijn paspoort terug. Voor de bank, zeg ik erbij. Maar de fietsenverhuurster vertrouwt het niet. Eerst moet ik de rekening betalen of driehonderd yuan borg geven. Uiteindelijk neemt de vervelende giecheltante genoegen met mijn fototoestel als onderpand. Ik wilde aanvankelijk de rekening al vast betalen, maar ik kwam precies vijf yuan tekort. En ‘laat maar zitten’ kennen ze in China niet. Alles moet tot op de cent kloppen.
De fiets krijg ik niet meer mee voordat ik betaald heb. Dus ik moet lopend naar de bank. Gelukkig is die vlak om de hoek, zodat ik daarna met het nieuwe geld de fiets weer kan ophalen. Maar eerst die vijf yuan betalen! Helaas kan ik dat alleen in FEC, want ik had geen zin om ook nog eens naar de zwarte markt bij de trommeltoren te lopen.
In het hotel ga ik terug naar de kamer om de spullen te pakken. De rugzak en de andere spullen – ik heb nog steeds boodschappen uit Nederland over – kan ik beneden in de lobby kwijt.
Het kost weer heel wat moeite om 1,5 yuan volksgeld voor 1 FEC te krijgen. De koers is laag in Xi’an. Inmiddels wordt het bloedheet en heb ik eigenlijk nergens zin meer in. Ik begin naar mijn vertrek uit deze stad te verlangen. Ik doe mijn best om te genieten van het feit dat ik China ben en lekker kan rondfietsen en zo kom ik weer langs het postkantoor. Ik wil mijn vriendin bellen, want die vertrekt vandaag naar Malawi. Maar ze ligt waarschijnlijk nog te slapen. Want hier is het één uur in de middag, zodat het in Nederland waarschijnlijk pas zeven uur in de ochtend is. En dat is vroeg voor de zaterdag.
Xi’an begint op mijn zenuwen te werken. Het verkeer is onmenselijk druk geworden. De temperatuur is astronomisch hoog en ik ben viezer dan ooit. Het is mij een raadsel hoe de Chinezen zelf er zo schoon uit kunnen blijven zien. Zouden ze elk uur andere kleren aandoen? Het lawaai is helemaal niet om vol te houden. Gelukkig heb ik mijn walkman bij mij. Een beetje muziek maakt de overige herrie nog enigszins draaglijk. In de noordelijke hoofdstraat kijk ik toe bij een poelier die zijn levende handelswaar aan een geïnteresseerde klant toont. Hij houdt de kippen bij de poten vast en knijpt om te laten zien hoeveel vlees eraan zit. Voor een dierenliefhebber is dit een absolute gruwel.
Iets verderop zit een fietsenwinkel, waar ik voor slechts vijf yuan nog zo’n grote Chinese fietsbel koop. Ik monteer hem stevig op het stuur van mijn fiets. Want zonder bel fietsen is hier onverantwoord.
In een park langs de stadsmuur probeer ik wat rust te vinden, maar motorbootjes in het prachtige meer zorgen ervoor dat je ook hier niet van de stilte kunt genieten. In het park zie ik verschillende verliefde stelletjes die hier een beschut plekje opzoeken om ongestraft te kunnen knuffelen.
Bij een stalletje koop ik een fles bier die ik bijna achter elkaar leeg drink. Binnen een half uur heb ik het bier weer uitgetranspireerd, zo heet is het. Door de stadspoort fiets ik weer naar het centrum, waar ik in het postkantoor naar mijn vriendin bel. Het gaat zowaar goed en de verbinding is heel redelijk. Ik kijk goed op mijn horloge als ik de telefoon hoor overgaan, want het bellen is hier wel niet zo duur als in Ürümqi, maar enkele euro’s per minuut kost het nog wel. En dat is gezien mijn krappe budget al snel een heel bedrag.
Ik hoor van mijn vriendin dat zij in de namiddag zal vertrekken. Dat het haar gelukt is om bij de KLM te boeken en dat zij pas 16 augustus terug zal zijn. Dat vind ik wel jammer, want dan zal ze er niet eens zijn als ik straks na mijn reis van bijna zeven weken terug kom op Schiphol.
De dag loopt ten einde en het begint te schemeren. Ik heb schoon genoeg van Xi’an. Eigenlijk zouden twee dagen wel voldoende zijn voor deze stad. Zeker in deze tijd van het jaar. Het getoeter en de vervelende mensen met hun ‘hello’ en ‘change money?’ werken mij ernstig op mijn zenuwen. En de walkman biedt ook geen soelaas meer.
In het hotel was ik mij nog even in de wasruimte, want douchen kan helaas niet meer. Omdat het de laatste dag was, moesten we om twaalf uur vanmiddag de kamer leeg hebben. Het is wel jammer, want ik voel mij bijzonder vies en we hebben nog een flinke reis voor de boeg, voordat er weer badgelegenheid zal zijn.
Over een donker stationsplein lopen we in colonne naar het stationsgebouw, waar even na tienen onze trein naar Chengdu zal vertrekken. Ik voel mij nog steeds heel vies, als ik met een schoon t-shirt naar het bovenste van de drie hard-sleeper-bedden klim.

Zondag, 18 juli 1993

De warmte in de trein maakt het bijna onmogelijk om in slaap te vallen. Uiteindelijk dommel ik wel wat weg, maar als we tijdens een nachtelijke stop bijna het bed uitgeschud worden, lukt het mij de eerste uren niet om opnieuw in slaap te vallen.
Als ik weer wakker wordt is de ochtendschemering begonnen en zie ik dat we door een prachtig berglandschap langs een gele rivier rijden. Het is onverwacht koud geworden in de trein en ik voel hoe ik kippenvel heb gekregen. Slapen lukt niet meer, dus ik sjok maar vast naar de wasruimte. Mijn benen kunnen mij nauwelijks dragen. Zo moe ben ik. Wat koud water over mijn gezicht en een grote beker Nescafé doen echter wonderen en al snel zit ik klaarwakker voor het open raam van het fascinerende landschap te genieten.
Ik leun half op het raamtafeltje, terwijl ik met één bil op de rand langs het gangpad zit. Voor mij op het tafeltje ligt mijn fototoestel. Klaar om meteen te schieten als er wat interessants in zicht komt.
De lucht is bewolkt en de temperatuur is aangenaam. Waarschijnlijk zitten we hier vrij hoog boven de zeespiegel. Het scheelt enorm met Xi’an, waar het rond deze tijd al niet meer om uit te houden was. Toch plakt mijn t-shirt aan mijn lichaam. Bovendien heb ik vrijwel geen schone kleren meer. Ik kon het personeel van het Jiefang-hotel niet duidelijk maken dat ik mijn kleren gewassen wilde hebben, want ze bleven mij naar verkeerde afdelingen sturen. Tenslotte heb ik het maar opgegeven en heb ik de kleine spullen zelf, met de hand gewassen.
Het ontbijt bestaat uit twee droge witte bollen en het kost twee koppen Nescafé om ze door te slikken. Ik had ook in de restauratiewagen kunnen gaan eten, maar iedereen die zou zien hoe vies deze trein is, weet meteen waarom ik het vanochtend bij droge witte bollen houd.
Na een tijdje wordt het gezelliger in de trein. Iedereen is inmiddels op en het leventje begint weer. De trein boemelt voort door het nog steeds prachtige landschap, dat een wat mysterieus aanzien krijgt door de laaghangende bewolking rond de bergtoppen.
Op de steile berghellingen zie ik de eerste rijstsawa’s. We naderen de tropen van het zuiden van China. Buffels trekken zware ploegen voort door de onder water staande velden.
De reis duurt volgens plan twintig uur en voert over een afstand van 842 kilometer. Onderweg doen we verschillende grote steden aan. Aan het grote aantal stops is te merken dat we in dichterbevolkte streken aankomen.
Ik raak in gesprek met een Chinees die zegt Jiang te heten. Hij raakte geïnteresseerd door een eetstokje dat rechtop in mijn mok stond. Hij vroeg zich af hoe ik met één stokje noedels kon eten. Ik leg hem uit dat ik het stokje niet voor noedels gebruik, maar dat ik er alleen mijn koffie mee roer.
Jiang zegt voor de zaak op pad te zijn. Hij zit in de telecommunicatie en houdt zich bezig met de aanleg van een glasvezelnetwerk door China. We praten over ISDN, telecommunicatie en satellieten. Zijn collega lijkt niet zo geïnteresseerd in al die techniek. Hij heeft meer belangstelling voor de manier waarop ik Chinese karakters kan tekenen.
Ik laat hem zien hoe ik één tot en met tien kan neerschrijven. Ní hôu en Zhong guo (hallo, China), ken ik ook nog, maar dan houdt het wel weer zo’n beetje op. Toch lijkt de Chinees wel onder de indruk. ‘Voor een barbaar is het niet slecht’, zal hij wel gedacht hebben.
Steeds als ik denk dat we Chengdu hebben bereikt, blijkt het een andere stad te zijn. We hebben de laatste bergen achter ons gelaten en rijden nu langs een met industrie volgebouwde vlakte. Door de laaghangende bewolking ziet het er triest uit. Hopelijk is Chengdu wat gezelliger.
Onverwachts staat er Chengdu op de perronborden. We moeten eruit. En snel, want de trein rijdt hierna nog verder met Chong Qing als eindbestemming. Ik trek de rugzak uit het rek, controleer de coupé nog even en loop dan achter de rest van het groepje aan naar het stationsgebouw. Het laatste deel van een onafgebroken treinreis van Haarlem naar China zit erop, want vanuit Chengdu zullen we per bus verder reizen.

Chengdu en omgeving behoren tot het dichtstbevolkte deel van China en dat is buiten op het stationsplein wel te merken ook. Ik dacht dat Xi’an druk was, maar vergeleken met Chengdu is het daar een oase van rust. Het lawaai is oorverdovend. Auto’s en trolleybussen toeteren onophoudend en venters brullen er boven uit in een poging hun handelswaar aan te prijzen. Gelukkig is de lucht hier schoner dan in Xi’an. Bovendien is het er minder warm. Aan de drukte zal ik wel weer wennen.
Met een taxibusje laten we ons naar het hotel brengen. Maar daar ging heel wat onderhandeling aan vooraf. Onderweg probeert de begeleider – ze zitten in China zelfs in het allerkleinste busje nog met zijn tweeën – ons nog meer geld af te zetten. Maar we zetten hem met een bits ‘mei you’ op zijn plaats. Gerben kijkt zijn ogen uit. Hij was hier drie jaar geleden, maar nu kent hij de stad niet meer terug. Traditionele buurten zijn massaal weggevaagd en hebben plaats gemaakt voor lelijke, moderne flatgebouwen. Honderden auto’s, bussen en vrachtwagens kruipen moeizaam door de eindeloze files over de driebaans wegen die overal de stad doorkruisen.
Fietsers rijden in vier rijen naast elkaar aan beide kanten van de weg en de auto’s komen niet sneller vooruit. Pas na drie kwartier bereiken we eindelijk het hotel. Het ’traffic-hotel’ volgens Gerben. Maar in werkelijkheid heeft het een andere naam.
In de lobby treffen we het reisgezelschap van de Chinawinkel aan. Die groep had in dezelfde trein als wij gezeten, maar we zijn ze onderweg niet tegengekomen.
Volgens traditie zit ik weer op de hoogste etage van het hotel en volgens een andere traditie heeft het hotel weer een uiterst trage lift. Ik deel de kamer met Gerben en Anke. Twee reisleiders op mijn kamer. Wat kan er nu nog misgaan? Onze kamer heeft een eigen badkamer en dat is mooi, want een badkamer behoort in dit hotel niet tot de standaard luxe. Sommige anderen van de groep moeten gebruik maken van gemeenschappelijke badkamers.
Na een langdurige douche gaan we eten in een tentje vlakbij het hotel langs de rivier die het centrum van Chengdu van de oudere stadsdelen in het zuiden scheidt. Het eten is beter dan we tot nu gehad hebben in China. Sichuan staat bekend om zijn goede keuken, maar het eten schijnt er ook bijzonder gepeperd te zijn. Gelukkig valt dat mee vanavond. Alleen de kleine zwarte pepertjes zijn niet te eten, zonder dat je meteen de hik krijgt en de tranen je in de ogen schieten. Het eten is lekker en heel goedkoop. Slechts zeven yuan voor een uitgebreide maaltijd met een fles bier. Zelfs de bediening is hier uitstekend. Het restaurant is van een particuliere eigenaar en dat is te merken.
Langs de rivier loopt een flaneerboulevard, maar die is nu geheel in duisternis gedompeld. Aan het eind van de boulevard loopt een belangrijke verkeersader langs het Jinjiang Hotel, waar je ’s avonds nog voor bankzaken terecht kunt. Onderweg passeren we een zwembad, waar ik nu best een duik in zou willen nemen. Maar helaas is het gesloten. Een paar oudere mannen vissen met schepnetjes aan lange stelen de lawaaiige krekels uit de bomen en stoppen die in kooitjes. Morgen staan zij ermee op de markt. Ik zou zo’n beest niet als huisdier moeten.
Tegenover het Jinjiang Hotel moet een speakerscorner liggen, waar mensen naar toe komen om Engels met elkaar te spreken. Engels wordt er echter niet gesproken, maar mensen komen er wel naar toe om te leren dansen. Zonder muziek oefenen stelletjes de wals en de tango. Het is aandoenlijk om te zien.
Via de eveneens in duisternis gehulde overzijde van de rivier bereiken we de brug bij het hotel. Beneden in de hal maken we nog een praatje met de reisleider van de Chinawinkel, maar dan besluiten we de dag met een douche. Gelukkig word je in deze stad niet zo vies als in Xi’an.
Als we al in bed liggen, klopt Annemarie aan, een van de leden van het reisgezelschap. Haar vriend Mark heeft zijn hoofd zo hard tegen een raamboom gestoten, dat hij waarschijnlijk naar het ziekenhuis moet. Anke besluit mee te gaan. Als zij terugkeert op de kamer liggen Gerben en ik echter al lang te slapen.

Maandag, 19 juli 1993

We blijven niet zo lang in Chengdu, dus ik besluit weer vroeg op te staan. Anke en Gerben geloven het wel. Zij zullen nog vaak genoeg in deze stad komen. Ik laat ze lekker verder slapen.
Gisteren hoorde ik dat in de buurt van Chengdu een interessant klooster moet zijn. Het is mogelijk om er met een van het hotel gehuurd personenbusje te komen. We wilden het aanvankelijk van het weer laten afhangen, maar dat hoeft geen beletsel te vormen. Het is vandaag weliswaar bewolkt, maar het regent niet. Ook is het niet te warm, hoewel dat nog kan veranderen in de loop van de dag.
Schuin tegenover het hotel vind ik een eettentje waar je een ontbijt van bapao-bollen kan gebruiken. Ik neem plaats op een van de houten banken langs het trottoir en bestel een portie. De bazin, een oudere Chinese vrouw, heeft vandaag haar bui niet. Misschien wel nooit. Ze is echt bijzonder chagrijnig en ik ben blij dat ze haar humeur niet op mij botviert. Nu moeten anderen het ontgelden. Het ontbijt is niet echt lekker, zeker niet naar de maatstaven van de Sichuan-keuken. Ik prop de droge bollen met moeite door mijn keelgat en haast mij dan weer terug naar het hotel waar ik om negen uur met andere leden van het gezelschap heb afgesproken. Samen zouden we het busje gaan huren om naar het klooster te rijden.
Binnen in de lobby zijn enkele collegareizigers al bezig met de onderhandelingen. Maar makkelijk is het niet. Het gaat weer echt op zijn Chinees. De baliemedewerkers proberen ons andere bestemmingen aan te praten, want het zou onmogelijk zijn om het klooster in één dag te bereiken. We wilden bovendien nog naar een traditioneel Chinees dorpje in de buurt, maar op ons briefje met Chinese karakters bleek de naam van een irrigatieproject te staan. Dat hoefde nu niet zo.
Kwart over tien, dus ruim een uur later, staan we nog te bakkeleien. Ik begin ervan te balen. Kunnen ze hier nu nooit leveren wat je wilt? Ik ben niet naar China gegaan om welles/nietes-spelletjes met hotelpersoneel te spelen. Ik besluit naar buiten te gaan om een fiets te huren. Het hotel verhuurt zelf fietsen en er staan enkele redelijke exemplaren in de stalling. Maar het oude baasje roept al mei-you als ik er aan kom lopen. ‘Fiets huren’, probeer ik nog in het Chinees, maar het blijft nee. ‘We hebben het niet’, is het algemene motto. Klagen bij de receptie heeft geen zin, want daar zal men slechts herhalen wat de fietsenbaas al heeft medegedeeld.
Ook bij een andere verhuurder langs het kanaal lukt het niet, maar bij het Jie Jiang-hotel weet men een verhuurder die vast nog wel enkele exemplaren heeft staan. Ik wandel richting Mao-beeld en vind de verhuurder, die mij inderdaad een fiets kan verhuren. Eindelijk. Er is zelfs volop keuze. Voor acht mau per uur rijd ik op een donkergroene herenfiets met een roestig belletje.
Ik rijd door Chengdu alsof ik er al jaren woon. Eigenlijk lijken alle Chinese steden op elkaar, net als de mensen. Het station heb ik dan ook zo gevonden. Gewoon een kwestie van naar het noorden fietsen, tot je vanzelf het gebouw ziet staan. Ik maak wat dia’s van het station, waar ik mijn lange reis per spoor gisteren heb beëindigd.
Bij een venter op het stationsplein koop ik een plattegrond van Chengdu. Helaas heeft men hier alleen Chineestalige plattegronden, dus alleen met karakters. Toch koop ik er maar een. In het hotel zet ik de alfabetische teksten er wel bij.

Ik fiets terug in zuidelijke richting, langs drukke winkelstraten in een zes fietsers brede file. Onderweg passeer ik het grote Mao-beeld, dat als een van de weinige de hervormingen van Deng Xiou Ping heeft overleefd. Het beeld staat er nog in volle glorie, maar geniet niet meer het respect van vroeger. Het is omgeven met ballonnen en reclamevaandels. Ervoor staan grote houten borden met reclameaffiches.
De geplande foto van mijzelf in Mao-pak met het beeld op de achtergrond kan ik dus wel vergeten. Het zou geen gezicht zijn met al die storende elementen in beeld. Ik fiets verder naar het hotel, dat niet ver van het beeld staat. Onderweg koop ik een gedetailleerde atlas van China. Het boek is prachtig uitgevoerd en bevat Engelse teksten. Ik had het al eens zien liggen, maar nu vind ik dat het ook maar eens moet kopen, voordat ik er tevergeefs naar zal zoeken. Want zo gaat het in China. Als je een aankoop uitstelt, is je kans al snel verkeken.
Als ik op de kamer kom is een van de meisjes net bezig met het opmaken van de bedden. Ik stoor mij er niet aan en begin met het intekenen van de attracties van Chengdu op het Chineestalige kaartje.
Meteen vertrek ik weer. Ik rijd door de oude straten van het ten zuiden van het hotel gelegen stadsdeel en geniet van de traditionele taferelen. Het is hier een grote markt vol groente, fruit en met vliegen bedekte kadavers. Alles is er in overvloed, behalve consumenten. De verkopers zitten half slapend achter hun koopwaar.

Al snel ben ik verdwaald. Volgens mij klopt er niets van het kaartje. Ik vertrouw meer op mijn richtingsgevoel en ga op goed geluk in noordelijke richting. Dan moet ik vanzelf weer in het centrum van Chengdu aankomen. Uiteindelijk vind ik de weg weer terug en volg ik een brede straat op weg naar de eerste attractie van vandaag, het park van Markies Wu.
De entreeprijs is niet mis. Tien yuan voor buitenlanders. Bovendien moet ik nog in FEC betalen ook. Dat is niet leuk meer. Anderhalve euro voor een parkje. Ik gooi het op onderhandelen maar met het kreng achter de kassa valt niet te praten. Ze trekt zich terug in haar hok en elke keer als ik aandring met mijn biljet van tien yuan volksgeld snauwt zij mij toe en laat zij voor de zoveelste keer een biljet van 10 FEC zien. Ik twijfel. Misschien is het park het bedrag wel waard. Dus ik betaal met tegenzin tien yuan, maar ik krijg mijn kaartje pas als ik nog eens een toeslag van vijf yuan wegens het betalen met volksgeld heb gegeven. Het lijkt allemaal kinderachtig, maar je wordt als buitenlander in dit land op een ongelooflijke manier afgezet. De tariefverschillen zijn echt niet redelijk meer.
Het park valt ook nog tegen. Ik had mijn geld beter aan iets anders kunnen besteden, want hoewel de paviljoens van Markies Wu best aardig zijn, stelt het geheel niet veel voor. Bovendien sterft het van de Chinezen die voor een habbekrats naar binnen mogen. Na ongeveer een kwartier verlaat ik het complex, met een vreselijke pestbui. Mijn geduld met de Chinese toeristenindustrie begint op te raken en ik krijg zin om vanaf nu niets meer uit te geven aan toeristische attracties. Het gewone China is tenslotte al interessant genoeg. Ik geef de caissière nog een snauw en zoek dan weer mijn fiets op. Als ik terug ben in Nederland stel ik de regering voor om een speciale toeslag voor Chinezen in het leven te roepen.
Mijn boze bui trekt weer voorbij als ik de tweede attractie bezoek, een klein, vriendelijk bamboeparkje, dat je voor een normale entreeprijs kunt bezoeken. In het parkje groeien in totaal 120 soorten bamboe, zo schrijft de reisbijbel. Verder staan er fraaie paviljoens en een pagode. Ik maak er een paar leuke foto’s.
Dan weer op de fiets het drukke verkeer in. De volgende bezienswaardigheid is het beroemde volkspark van Chengdu. Helaas valt dat een beetje tegen. In plaats van het schitterende theehuis, waar de oudere bevolking van Chengdu graag vertoeft, tref ik er een lawaaiige speeltuin aan met kermisattracties en krijsende mensen. Het is net de Efteling, alleen maakt het veel meer lawaai. Het bamboe theehuis kan ik niet vinden. Alleen maar draaimolens en een soort spookhuis waarin je met een treintje een rit door de toekomst kan maken. Ik heb er geen zin in en loop via een ommetje door een iets rustiger deel van het park weer terug naar de uitgang. De dag vordert al en ik heb nog heel wat te zien vandaag.
Opschieten valt echter niet mee in het overvolle Chengdu. Ik verbaas mij over de enorme drukte en de volkomen vastgeslibte verkeerspleinen waar je alleen als voetganger nog enigszins vooruit kunt. Ik passeer een prachtig deel van Chengdu, een wijk met enorme huizen in traditionele stijl. Dit moet vroeger de rijkeluibuurt zijn geweest. Nu zitten er hotels en kantoren in de statige gebouwen. Een schitterende poort markeert de ingang van de wijk. Iets verder raak ik het spoor bijster. Ik kom in een vrij nieuw deel van de stad, vol met hoge gebouwen. De vooruitgang blijkt over de culturele rijkdommen van de stad gewalst te zijn want van vier van de volgens de reisbijbel van 1990 in de binnenstad aanwezige bezienswaardigheden is er nog maar één gespaard gebleven. En die is gesloten, want het is al weer half zes.
Inmiddels wordt het ook donker, dus race ik maar weer terug naar het hotel, vanwaar we om zeven uur naar de Sichuan-opera zullen vertrekken. Eerst breng ik de fiets terug. Tijdens mijn wandeling van de fietsenverhuurder naar het hotel zie ik weer de krekelvangers aan het werk. Nu het dag is zie ik de beestjes ook in hun kooitjes zitten. Ze zijn groen en zo’n tien centimeter lang. Ik vind ze er griezelig uitzien. Ik kan er niet achter komen of ze als huisdier of als voedsel zijn voorbestemd.
Vlak bij het hotel is een prima restaurant, waar ik een zoet/zure schotel en soep bestel. De bestellingen worden tegelijk gebracht. Tijdens het eten worden we onophoudelijk lastig gevallen door hordes geldwisselaars. Hun vocabulaire is beperkt tot ‘change money?’. Het eten is echter heerlijk, net als het bier dat ook hier in grote flessen geserveerd wordt.
Zeven uur stappen we in het busje dat door een op Alfred Neumann lijkende Chinees is geregeld. Mister Lee, ook wel Charly genoemd, is de lokale touroperator die alles voor elkaar krijgt. Het is een ongelooflijke ouwehoer die overigens prima Engels spreekt. Via een heel kort ritje, we hadden ook wel kunnen lopen, komen we bij het theater van de Operaschool van Chengdu aan.

Als speciale gasten mogen we via de artiesteningang naar binnen en kijken hoe de operasterren van vanavond zich schminken en voorbereiden.
Het is een leuk gezicht om te zien hoe de Chinese artiesten zich onder de verf smeren. De verf gaat er echt in dikke plakken op en aan de kostuums wordt ook buitengewoon veel aandacht besteed. We mogen alles bekijken en fotograferen. Een leuke ervaring.
In de zaal blijken wij zo ongeveer de enige gasten. De Chinezen zelf vinden hier waarschijnlijk niet zoveel aan, of zou de cultuur van de opera al geheel door de televisie verdrongen zijn? De operasterren moeten het in ieder geval van het toerisme hebben, want zonder ons zouden ze voor een vrijwel lege zaal optreden.

We krijgen een exclusieve VIP-behandeling. Voor de voorstelling mag ik nog even mijn Kung Fu-talent uitproberen op twee van de als krijgers uitgedoste acteurs, maar zij zijn tot mijn verbazing toch beter dan ik. Via een handige beweging weet de toneelspeler mij zijn houten zwaard op de keel te zetten.
Ook in de zaal krijgen we een VIP-behandeling en zitten we met het hele gezelschap op een van de voorste rijen achter een flesje met frisdrank. Mr. Lee heeft het goed geregeld. We krijgen ook een kopje Chinese thee, en dat gaat er wel in allemaal want het is smoorheet in de zaal. Ik begrijp niet hoe de acteurs dat uithouden in hun dikke kostuums met al die verf op hun gezicht.
De voorstelling zelf is perfect. Heel goed gespeeld, met prima te verdragen muziek. We genieten van de uitstekende uitvoering en drinken en eten na afloop gezamenlijk nog wat in het uitstekende restaurantje van vanmiddag, dat vlak naast ons hotel ligt. Opnieuw hangen de geldwisselaars om ons heen. Het zijn net wespen.
Maar dan breekt ineens paniek uit. Er komen drie politiemotoren met zijspan aanrijden en binnen enkele seconden rent een aantal politieagenten met opgeheven gummiknuppels aan ons voorbij. Van de zwartwisselaars is intussen al geen spoor meer te bekennen. Die zijn wel tijdig gewaarschuwd door hun uitkijkposten.
In ieder geval kunnen we nu rustig zitten. Na een kwartier keren de agenten zonder arrestanten bij hun motoren terug. Als we eindelijk uitgegeten zijn is het al bijna twaalf uur. Het hotel is gelukkig nog open, maar de liftboy is naar huis. Dat wordt dus lopen naar de zevende verdieping, want zonder liftboy, ook geen lift.

Dinsdag, 20 juli 1993

Gisteren was het niet gelukt, dus vandaag proberen we het opnieuw, een poging om het befaamde Baoguang Si-klooster in Xin-du, 18 kilometer ten noorden van Chengdu te bereiken. Met enkele andere leden van het gezelschap heb ik afgesproken gezamenlijk een minibusje met chauffeur te huren, waarmee we de tocht zullen ondernemen. Ontbijten doe ik weer buiten het hotel, bij een van de vele openluchtrestaurants. Ik krijg eerst een porseleinen kommetje met iets dat op soep lijkt en waarin een zeer hard gekookt ei drijft. De rest van het ontbijt bestaat uit een grote bapau die zonder de soep niet naar binnen te werken is.
Half acht staan we met een onzeker groepje voor de balie van de receptie. De receptioniste laat weer duidelijk merken er geen zin in te hebben. Het kan niet, luidt haar relaas. We kunnen wel naar het irrigatieproject, maar het oude dorp en het klooster wordt toch echt te moeilijk.
We doen wat water bij de wijn en zeggen bereid te zijn af te zien van het bezoek aan het traditionele dorpje. Als we maar naar het klooster kunnen. Met een vermoeid gebaar hervat de receptioniste dan maar weer de onderhandelingen. Driehonderd yuan in FEC eist zij. Dat is belachelijk. Maar we willen toch naar het klooster. 250 yuan zeggen wij. Het vrouwtje lacht. ‘Ik zal mijn zin krijgen’, straalt vanachter haar smalle oogjes. Wij beginnen er van te balen.
Ineens hebben we er genoeg van. Ze mogen in het moeras zakken met hun busje en hun waardeloze service. Er moet toch zeker wel een bus rijden naar Xindu? Twee vrouwen uit de groep, Nel en Liesbeth en ik zijn bereid dat te onderzoeken en met zijn drieeën stappen we in de gammele trolleybus nummer 1 richting station. Twee andere groepsleden, Rolf en Audrey, zijn niet te porren voor het avontuur en enkele anderen willen proberen Xindu per fiets te bereiken. Dat laatste lijkt mij echter niet zo’n geweldig idee. 18 kilometer is een heel eind als je de weg niet weet. Bovendien ziet het ernaar uit dat het elk moment kan gaan regenen om voorlopig niet meer droog te worden.
Na een half uur slingeren en hobbelen komen Nel, Liesbeth en ik op het busstation, vlakbij het treinstation, aan en we stappen uit om de bus naar Xindu te zoeken.
De bus is helaas niet makkelijk te vinden. Er rijden tientallen bussen, maar niet één gaat richting Xindu. We vragen het bij de afdeling inlichtingen, die in een bouwvallig, betonnen hokje temidden van de vele haltes is gehuisvest. Maar daar zitten alleen twee oude mannetjes die we met geen mogelijkheid ons probleem aan het verstand kunnen brengen. Zij begrijpen niet wat wij moeten met ‘Xindu’, ‘Xindu’… Een voorbijganger snapt het gelukkig wel en vertelt ons dat we bus 9 moeten hebben, maar dat die ergens anders vandaan vertrekt. Hij wijst de plaats aan op onze plattegrond.
Toch blijkt er ook nog een andere bus te zijn die vanaf het tweede busstation, vlakbij het eerste, vertrekt. Een oud Chineesje belooft ons te waarschuwen als de goede bus voorrijdt. Dat duurt niet lang. Een nog bijna lege bus rijdt vanaf de beginhalte en stopt om ons naar binnen te laten. Honderd meter verder loopt de bus echter al vast in het drukke verkeer, dat overigens vrijwel geheel uit bussen bestaat.
Een hele meute Chinezen bestormt de bus, vechtend om de laatste zitplaatsen. Een oud boertje eist het gangpad op voor zijn manden met kippen. Geiten reizen niet mee. Wij zijn blij dat we zitten, want het belooft een lange rit te worden.
Al vrij snel nadat wij Chengdu achter ons gelaten hebben, loopt de bus vast in een eindeloze file. Men werkt aan de weg en het verkeer kan slechts stapvoets passeren. Heel langzaam kruipen we vooruit.
Naar mate het filerijden langer duurt wordt de buschauffeur steeds creatiever. Zo weten we al snijdend via trottoirs en de linker rijbaan steeds een paar auto’s vooruit te komen. Omdat de bus groot en zwaar is en bovendien eigendom is van de busmaatschappij, heeft hij op al het overige verkeer voorrang.
In Xindu krijgen we een seintje dat we er zijn en we stappen uit. Bij de bushalte staan al wat fietstaxi’s ons op te wachten, maar wij geven de voorkeur aan een wandeling naar het klooster. Zo zien we ook nog iets van het stadje.
Xindu is leuk. De vooruitgang heeft hier nog niet zo hard toegeslagen als in de grotere steden. De meeste huizen zijn nog van hout, terwijl veel aandacht aan de typisch Chinese details is geschonken.
Het is wel een heel eind lopen, maar steeds helpen vriendelijke mensen ons verder. Onderweg komen we langs de meubelboulevard van Xindu. Een soort garages vol met gedateerde bankstellen en kasten. Vreselijke beige en bruine, plastic bankstellen, pompeuze ‘eiken’ kasten en allerlei verchroomde rommel. Het is te erg om aan te zien, maar de Chinezen zullen het wel mooi vinden. Hoewel? Er is geen klant te bekennen in de wijde omgeving en in de meeste winkels liggen de verkopers languit op de koopwaar te slapen.
Na ongeveer een half uur bereiken we eindelijk het klooster. Op dat moment begint het ook te regenen.
Toerisme is nog niet zo bekend in Xindu. Tenminste, buitenlands toerisme niet. De toegangsprijs voor het klooster van 2 yuan is ongekend laag en de kaartjesverkoper toont zich duidelijk verbaasd dat ineens zomaar drie vreemde duivels voor de ingang staan.
Het klooster is bijzonder de moeite waard. Waarschijnlijk door het slechte weer – het regent de hele dag – is het niet al te druk zodat ik redelijke foto’s kan maken. Met zonnig weer waren de foto’s misschien mooier geweest, maar dan had ik ook veel meer mensen in beeld gehad. Het blijkt dat veel mensen hier voor het geloof komen. Ik zie verscheidene mensen bidden voor de vele Boeddhabeelden, waarvan enkele bijzonder grote exemplaren achter glas zijn geplaatst.
Het enorme Baoguang-complex dateert oorspronkelijk uit de tweede eeuw, uit de Han-dynastie. Het heeft rond de negende eeuw zelfs nog korte tijd als keizerlijk paleis gediend. Daarvoor werden wel allemaal nieuwe gebouwen neergezet. Die hebben het tot de zestiende eeuw uitgehouden want toen brak oorlog uit en werd het klooster met de grond gelijk gemaakt. Het huidige klooster is in 1671 gebouwd en bood aanvankelijk onderdak aan drieduizend monniken. Tegen het einde van de keizerstijd waren er echter nog maar driehonderd over. Nu omvat het complex een schots en scheve pagode met honderden raampjes en achter ieder raampje een Boeddhabeeldje, een witte jaden Boeddha, de Raadzaal met daarin vijfhonderd levensgrote Boeddhabeelden, de stedengegraveerde pagode, de Duizend Boeddha Stenen Tafel en een goed vegetarisch restaurant waar we dankbaar gebruik van maken.
Midden op het grote plein staan twee enorme wierookbranders die door de steeds feller wordende regen dikke wolken rook verspreiden en het tempelcomplex in een religieus geurtje zetten.
We gaan de Raadzaal binnen, waar de grote Boeddhabeelden staan. Helaas is er een fotografeerverbod, maar omdat het erg rustig is, waag ik het er toch op. De foto zal wel niet veel worden.
Liesbeth trekt zich niets aan van het fotografeerverbod. Ik waarschuw haar nog en adviseer haar vanuit de heup te filmen. Dan valt het minder op. Maar zij meent dat het verbod alleen betrekking heeft op fototoestellen en dus niet op videocamera’s. Ik laat haar maar. Midden in het complex staat een metershoog beeld van de godin Chef, met tientallen armen. Schitterend om te zien. Het beeld is net als de Boeddha’s van klei gemaakt en helemaal verguld.
Plotseling hoor ik een hoop tumult en geschreeuw. Liesbeth is betrapt door één van de monniken en wordt met veel lawaai uit de zaal verwijderd. Gelukkig komt zij er zonder boete vanaf, want daarmee werd wel gedreigd op de verbodsbordjes.
Bij de ingang komen we Anke en Josina tegen. Die zijn op de fiets vanuit Chengdu gekomen. Ze zien er niet uit. Doornat geregend en onder de bagger. Als het een zonnige dag was geweest, had ik met hen meegefietst. Maar om zo smerig te worden, gaat me toch iets te ver. Dan liever met een oude bus vol kippen in de file.
Na een heerlijke vegetarische maaltijd in het restaurant van het klooster, wandelen we weer terug naar de bushalte. We passeren daarbij in een van de vele schilderachtige straatjes een schuur waarin een oud vrouwtje met een enorme hakbijl aardappels zit te schillen. Liesbeth maakt een fotootje en het vrouwtje schrikt van de flits. Zij kijkt ons verontwaardigd aan, maar gaat dan weer verder met schillen. Dan komt Nel. Die wil ook een fotootje. Weer schrikt het vrouwtje. ‘Wat is er zo bijzonder’, moet zij wel denken. Driemaal is scheepsrecht zeg ik tegen mijzelf en riskeer het risico dat ik de bijl naar mijn hoofd geworpen krijg door ook nog een keer te flitsen. Op mijn foto kijkt ze helaas een stuk chagrijniger dan op de foto’s van Liesbeth en Nel.

We zien nog meer leuke dingen in Xindu. Een man is in een open atelier bezig met het maken van enorme bruidskransen. Dat is een bijzonder omvangrijk karwei waarvoor rijke ervaring en grote handigheid vereist is. Er staan verschillende voltooide exemplaren in zijn winkel. Het zou overigens ook kunnen dat de kransen voor begrafenissen bedoeld zijn, dat weet ik niet. Een andere bijzonderheid is een radio- en televisiewinkel. Het lijkt wel een schroothoop met al die gammele, zeer ouderwetse televisietoestellen en roestige kamerantennes. Het mannetje verkoopt echter ook moderne satellietschotels. Daar kunnen de Chinezen MTV mee ontvangen.
Terug vinden we veel makkelijker een bus dan heen. Alle bussen gaan naar Chengdu en er komt al snel een vrijwel lege, gelede bus voorrijden. Weer hebben we oponthoud en op een gegeven ogenblik kunnen we helemaal niet meer verder. We zijn gestrand in een zijstraatje van de hoofdweg en het wachten duurt zo lang, dat de meeste andere passagiers de bus verlaten. Chengdu is echter nog een eind weg, dus wij blijven zitten. De bus zal hier niet eeuwig blijven staan.
Na lang wachten komen we dan toch op het station aan, waar we weer met trolleybus 1 terug naar het hotel rijden. Daar duik ik gelijk onder de douche om de inmiddels centimeters dikke laag vuil van mij af te spoelen. Het kamermeisje krijgt bijna een hartstilstand als ze zoals gewoonlijk zonder kloppen binnenkomt en de badkamer binnenloopt om de schone handdoeken neer te leggen.
Van Mark hoor ik dat ergens in de buurt van het hotel een platenwinkel moet zijn, waar ze onder andere CD’s met traditionele muziek verkopen. Ik ga lopend op pad op zoek naar de bewuste winkel.
Na een minuut of tien wandelen kom ik in een deel van Chengdu met relatief veel winkels. Ook grotere winkels en winkels met platen en boeken. De meeste grote winkels en platenwinkels verkopen wel CD’s, maar veruit het meeste repertoire wordt op cassettebandjes verkocht. De CD’s die ik zie zijn voornamelijk gevuld met quasi-westerse muziek. Chinezen die Madonna en de Beatles imiteren. Ik vind ook enkele CD’s met klassieke muziek, maar er is helaas nergens een mogelijkheid om de CD’s te beluisteren. Volgens Mark kon dat in de winkel, waar hij zijn CD’s had gekocht, wel.
Uiteindelijk koop ik toch enkele CD’s. Ik heb geen idee wat er precies opstaat, maar de ook in het Engels vermelde titels stemmen mij positief. Het is in ieder geval geen Aziatisch-westerse popmuziek, want die is zeker niet om aan te horen.

Via een aantal drukke straten, warenhuizen en markten wandel ik met een omweg terug naar het hotel. Het valt mij op dat de oude buurten per detailhandelbranche zijn opgedeeld. Zo loop ik door een smoezelige buurt met uitsluitend kleine bedrijfjes waar auto-onderdelen worden verkocht. De uithangborden doen soms grootschalige handelsconcerns vermoeden, maar een blik naar binnen bij de jonge ondernemers leert dat het tegendeel waar is. De meeste neringen bestaan uit een met een rolluik afsluitbaar hok met een vloer waarvan het beton door de rijkelijk gemorste smeermiddelen zelden nog te herkennen is. Tot midden op straat liggen de gebruikte autobanden opgestapeld. Allerlei soorten motoronderdelen worden verkocht en als de ondernemer iets niet in voorraad heeft, en zijn neef hem er ook niet aan kan helpen, dan knutselt hij het ter plaatse in elkaar op een van de primitieve verspaningmachines met voetaandrijving.
Bij het hotel tref ik Gerben aan en samen eten we op het terras beneden het hotel aan het kanaal een zoet/zure maaltijd. De rest van de groep is elders gaan eten, want de goede keuken en snelle service hebben voor een overvol terras gezorgd. We zitten bij twee Engelse meisjes aan tafel die low budget in het kwadraat hebben uitgevonden. Vannacht slapen zij ergens voor acht yuan per persoon. Dat is amper een euro. Dat is ons nog niet gelukt.
De maaltijd is voortreffelijk. Kip in zoetzure saus, rijst en soep met tomaat en ui. Normaal eet je in China soep na de maaltijd, maar hier wordt het hele menu gelijktijdig geserveerd. Overigens eet je in heel China niet zo lekker als in Sichuan. De hele provincie is bijzonder vruchtbaar en er groeit van alles. Alleen zeevis is er moeilijk verkrijgbaar. Daarvoor moet je aan de kust zijn.
Om negen uur ben ik weer terug op de kamer en pak mijn spullen in. Daar zal morgen wel geen tijd voor zijn want we moeten al om kwart voor zes klaar staan voor de bus naar Dazu. Tijdens het inpakken krijg ik de schrik van mijn leven. Ik kan mijn betalingsbewijs van mijn travellercheques nergens meer vinden. Ik haal de hele rugzak nog eens leeg, maar het dunne papiertje is nergens meer te vinden. De enige mogelijkheid is dat ik het in de bank van het Jinyuan-hotel heb laten liggen. Ik vlieg de zes trappen af, want de lift is al weer buiten gebruik op deze tijd en ren ondanks de enorme hitte in looppas naar het Jinyuan-hotel. Helaas is het bankfiliaal al dicht. De vriendelijke receptionist kan mij ook niet verder helpen. Morgen om negen uur weer open, zegt hij. Maar daar heb ik niets aan. Dan zit ik al in de bus. Gelukkig heb ik voorlopig genoeg geld. En als dat op is, zal ik nog wel wat kunnen lenen tot we in Hong-Kong zijn. Rond half een kruip ik eindelijk in bed. Gerben en Anke slapen al. De wekker staat op kwart voor zes.

Woensdag, 21 juli 1993

Vannacht sliep ik onrustig en had ik vreemde dromen. Ik ontdekte dat de Noormannen op het punt stonden om Nederland te overvallen. Ik probeerde uit alle macht om de autoriteiten hiervoor te waarschuwen, maar niemand wilde luisteren. Ik kon geen van de bevoegde ambtenaren van mijn gelijk overtuigen. Daarom rende ik naar het strand in een poging om zelf de opmars van de Vikingen te stuiten, maar toen ik daar aankwam was het al te laat. Verschillende drakarboten lagen al aangemeerd en voor zover het oog kon zien was de zee vol strijdschepen van de gevreesde Noormannen.
De tweede droom was minder vreemd maar net zo vervelend. Ik was nog op vakantie in Hong Kong toen ik telefoon kreeg van mijn vriendin. Ze vertelde dat ik zo snel mogelijk naar huis moest komen, want er was iets heel ergs gebeurd. Ik nam met grote tegenzin het eerste vliegtuig en kwam de volgende dag aan in mijn ouderlijk huis in Amsterdam, waar zij uitlegde wat er nu eigenlijk aan de hand was. Het kwam op mij als nauwelijks relevant over en ik baalde enorm dat ik daarvoor mijn vakantie had onderbroken. Ik wilde terug naar Hong Kong om in ieder geval nog twee dagen van mijn vakantie te kunnen genieten, maar dat was natuurlijk gekkenwerk.
Ik ben gebroken als het wekkertje mij op een onmogelijk tijdstip uit de woelige dromenwereld bevrijdt. Buiten is het nog pikkedonker en dat zal het nog steeds zijn als we bepakt en bezakt beneden in de hal moeten staan. Bovendien heb ik nog niet al mijn bagage ingepakt. Ik prop alles wat ik nog zie liggen in de rugzak en haast mij, uiteraard weer via de trap, naar beneden. Het zweet loopt al weer langs mijn rug. Dit wordt een heerlijke dag.
Kwart over zes in de ochtend, het begint net te schemeren, is het clubje compleet en lopen we in colonne naar het naast het hotel gelegen busstation. Daar moeten we nog een half uur wachten voordat de bus naar Dazu, onze volgende bestemming in de bergen van Sichuan, zal voorrijden. Mooi tijd genoeg voor een snel ontbijtje bij een van de nu al druk bezochte dim-sum-kraampjes.
De bus die uiteindelijk voor het perron stopt, boezemt niet veel vertrouwen in voor wat betreft het comfort dat wij onderweg zullen hebben. De bus is zowel buiten als binnen zo smerig dat de oorspronkelijke kleuren nauwelijks nog te ontdekken zijn. Door de ramen naar buiten kijken is onmogelijk en het vuil zit zodanig vastgekoekt dat een vochtige zakdoek ook geen soelaas meer biedt. Daar heb je schuurpapier voor nodig. Gelukkig kunnen de ramen opengeschoven worden. Het begint langzaam te regenen en het asfalt van het busstation verdwijnt onder een bruine laag modder.
De chauffeur wil aanvankelijk de bagage op het dakimperiaal laden, maar net op tijd komt hij erachter dat hij het net en het dekzijl vergeten is mee te nemen. De spullen moeten dus in de bus, maar er is eigenlijk veel te weinig ruimte. Wij hebben dan nog alleen onze rugzak en wat proviand, maar wat de Chinezen willen meenemen tart iedere beschrijving. Enorme in canvas verpakte balen moeten mee. Die hebben hun inkopen voor de hele maand gedaan. Gelukkig zijn onze zitplaatsen min of meer gereserveerd, want al snel moeten passagiers genoegen nemen met een staanplaats. De meeste van ons kunnen niet eens staan in de bus, want de plafondhoogte is op de gemiddelde Chinees berekend.
Uiteindelijk lukt het allemaal toch en zet de afgeladen bus zich schokkend in beweging. We zijn hoogst verbaasd als de bus onderweg stopt om nog meer passagiers in te laden. De nieuwe bagage wordt bovenop onze spullen geworpen en ik houd mijn hart vast als ik kijk naar de staat waarin mijn rugzak zich nu al bevindt. Het wordt nog erger als de Chinezen in de tot het plafond reikende stapel bagage een zitmogelijkheid ontdekken. Je moet geen eieren meenemen op zo’n reis. Dat de oude, wrakke bus niet door zijn assen zakt mag een wonder heten.
Buiten Chengdu wordt het landschap snel interessanter. We passeren schilderachtige dorpjes en prachtige akkers en rijstvelden, glimmend van de vers gevallen regen. De mensen worden steeds karakteristieker naar mate we ons van de stad verwijderen en bijna niemand loopt langs de weg zonder aan een schouderjuk gedragen manden met groente, fruit of levend pluimvee. In dit deel van China dragen de mensen ook de typisch Chinese conische hoed. Nu beschermt die tegen de regen en bij mooi weer tegen de zon. Dit is het echte China, zoals wij dat uit de boekjes met kleurige plaatjes kennen.
Na enkele uren hobbelen – mijn canvas opblaaskussentje voorkomt niet dat ik een houten kont krijg – volgt het eerste grote oponthoud. Een eindeloze, stilstaande file voorspelt weinig goeds. Het duurt ongeveer anderhalf uur voordat we uiteindelijk de obstakels kunnen passeren. Het verkeer in beide richtingen wordt ombeurten over een noodweg door een droge rivierbedding geleid, omdat in de oorspronkelijke weg een nieuwe brug wordt gebouwd. Dat is wel handig voor als de rivier niet droog staat.
De rit zal nu wel langer gaan duren dan de begrote tien uur. Maar door de schoonheid van het landschap, de interessante bevolking en vooral de gezelligheid onderweg, valt het lijden bijzonder mee. Bovendien is het niet al te warm. Het is lekker dat het een beetje regent, want onder een stralend blauwe hemel waren we waarschijnlijk gestorven van de hitte. Alleen met het oog op de fotografie valt het weer wat tegen.
Het landschap wordt steeds Zuidoost-Aziatischer. Grote bamboestruiken, bananenbomen, rijstvelden en sawa’s domineren het uitzicht. Hier lopen de mensen nog voornamelijk in de goedkope, gesubsidieerde en onverslijtbare Mao-pakjes. De tijd staat stil hier, ver van de grote steden. Wel een prachtig gezicht overigens. Maar dat vinden de Chinezen van ons ook.
Ongegeneerd zitten ze ons aan te gapen. Buitenlandse duivels in een gewone bus? Zij moeten wel denken dat wij gek zijn. Wij die makkelijk een vliegtuig kunnen betalen. Je moet jezelf ook wel haten om vrijwillig tien uur in deze bus te gaan zitten. Voor onze Chinese medepassagiers zit er waarschijnlijk weinig anders op. Het is hun enige vorm van vervoer tussen hun woonplaats en Chengdu, waar zij hun spullen op de markt verkopen en luxe goederen voor thuis inslaan.
Sommige kinderen zijn bang voor ons. Zij zijn geen Europeanen gewend. Die zie je ook niet vaak in deze bussen. Alleen wij, low-budget-reizigers die erop kikken dat zij voor een paar centen een paar honderd kilometer kunnen afleggen. Ook al duurt dat dan onwaarschijnlijk lang.
Door het geschud en geschommel begint de berg bagage langzaam van vorm te veranderen en al snel kan ik mijn voeten niet meer kwijt. Door het wegvallen van de steun onder mijn bovenbenen krijgen mijn billen nog meer te lijden. Ik wou maar dat ik de pijn kon uitbannen. Het wordt hoog tijd dat we de benen kunnen strekken.
We pauzeren halverwege de rit bij een busstation dat de naam busstation eigenlijk niet meer verdient. Het is meer een busmoeras. Alles wat je ziet heeft de kleur bruin. We worden geweldig smerig en het mag een geluk heten dat niemand uitglijdt. Ik begrijp nu waarom de bussen niet gewassen worden. Een rit en ze zijn weer net zo smerig als voorheen. Op de rustplaats is ook een restaurant gevestigd, maar dat ziet er net zo hygiënisch uit als de omgeving, dus ik houd het maar op de koekjes die ik vanochtend in het busstation heb gekocht. Daar kom ik de dag wel mee door. Ik maak een korte wandeling door de omgeving en bewonder de in het helder groen gelegen boerderijen. Zo vies en lelijk als het busstation is, zo mooi en fris is de omgeving. Glibberend door de modder van een boerenpaadje schuif ik weer terug naar de bus.
De rit gaat verder door een betoverend landschap. Prachtige vegetatie en mysterieus door mist omgeven bergen in de verte. We zien de boeren werken in de rijstvelden, ploegend achter hun ossen met de benen tot de knieën in het water. Prachtige valleien, bijzondere bomen en altijd druk in de weer zijnde boeren.
Hoewel de rit erg zwaar is en ik nauwelijks nog weet hoe ik zitten moet, geniet ik toch van de reis. Ik heb het ondoorzichtige raam geheel opengeschoven zodat ik optimaal van het prachtige landschap kan genieten.
Ineens krijgt de jonge conductrice een woordenwisseling met een van de Chinese passagiers. Het zal wel om de ritprijs gaan. Het is een lachwekkend gezicht en we genieten openlijk van de discussie. Ombeurten schelden de twee elkaar uit voor alles wat lelijk is. Je hoeft geen Chinees te verstaan om dit gesprek te kunnen volgen. In Nederland zouden de twee door elkaar schreeuwen, maar hier laat de een de ander rustig uittieren om intussen na te denken over de verbale tegenaanval. Na enige tijd stilte begint dan de ander weer met een kanonnade. Ik schreeuw tegen Liesbeth dat ze dit moet filmen, maar dat durft ze niet. Het wordt nog leuker als ook andere passagiers zich met de discussie gaan bemoeien. Uiteindelijk heeft de conductrice het laatste woord en kijkt iedereen weer voor zich alsof er niets is gebeurd.
Dat worden we voor de tweede keer opgehouden. Ditmaal is het een band die het begeven heeft. Hoe kan het ook anders. De banden zijn spiegelglad, de wegen verschrikkelijk en de bus is ruim overladen. Voorzichtig rijdt de chauffeur naar de dichtstbijzijnde Chinese versie van de Kwikfit, waar na een uitgebreide onderhandeling over het reparatietarief begonnen wordt met het verwijderen van het bewuste wiel.

Het is wonderlijk hoe de magere garagebediende met uiterst primitieve gereedschappen zo’n klus durft aan te pakken. Eerst moet het buitenste wiel er af, want de kapotte band zit rond een van de binnenste wielen.
Als het eindelijk gelukt is, en de monteur de kleur van de bus en de weg heeft aangenomen, slaat hij met een koevoet en een moker de velgrand los. Zo kan hij de binnenband eruit halen, die hij in een bak met water legt om het lek te zoeken. Dat is snel gevonden, want er zit een behoorlijke jaap in het rubber. Na ongeveer drie kwartier zitten de wielen er weer op en kunnen we verder rijden. Het regent nog steeds.
Blijkbaar regent het al heel lang in Sichuan, want het landschap verdwijnt hier en daar onder een dikke laag modder. Dat geldt ook voor de weg en na een tijdje kunnen we niet meer verder. Een politieagent op een motor sommeert de chauffeur rechtsomkeert te maken en een andere route naar zijn eindbestemming te kiezen. De chauffeur probeert eerst nog een andere B-weg, maar ook daar staat een politieagent met een motorfiets. Dan zit er niets anders op dan de nieuwe snelweg te nemen. Die heeft echter als nadeel dat er tol voor betaald moet worden. De chauffeur is er woedend over. Pas na een lange discussie – je moet in China geen haast hebben – betaalt hij en kunnen we de snelweg op.
Maar dan ontdekt de chauffeur tot zijn grote schrik dat hij de verkeerde oprit heeft gepakt. Hij moet terug om een andere te pakken. Maar dan zou hij opnieuw tol moeten betalen. Gelukkig is hij niet van gisteren en ontdekt hij al snel dat je via de afrit wel de goede richting kunt inslaan. Je rijdt dan wel tegen het verkeer in, maar ja, wat maakt dat uit! Dit is China. Zo gezegd, zo gedaan. Daar rijden we, spookrijdend over de Chinese snelweg. Aan de gezichten van de Chinese medepassagiers zien we dat deze situatie toch ook weer niet helemaal normaal is. Enkelen zijn weggetrokken van angst.
Het is een spannend ritje. Af en toe komen we inhalende vrachtwagens tegemoet, maar er is er niet één die verdere notie neemt van de spookrijdende bus. Het mooiste komt nog als we na een tijdje worden ingehaald door een andere bus, die net als wij op de verkeerde weghelft rijdt. Na ongeveer een kwartier kunnen we via een wisselstrook de goede weghelft bereiken, waarna de rit toch iets meer ontspannen verloopt. Mijn beschermengeltje heeft het druk vandaag want na de capriolen op de snelweg volgen nog wat spannende momenten, waarbij medeweggebruikers het er ter nauwer nood levend vanaf brengen. Maar na elfenhalf uur bereiken we uiteindelijk, gebroken, de eindbestemming Dazu. Het loopt inmiddels tegen achten en het wordt langzaam donker.
Dazu is een voor Chinese begrippen kleine, agrarisch georiënteerde stad die langzaam maar zeker uitgebreid wordt met nieuwbouw voor de toeristensector. Het schijnt dat er over niet al te lange tijd een vliegveld komt, dat de omgeving voor het massatoerisme zal ontsluiten. Gelukkig zijn we dat nog voor en straalt het stadje nog de charme van een min of meer achtergebleven gebied uit. Ondanks de vermoeidheid en de pijn in het achterwerk blijkt iedereen achteraf bijzonder enthousiast over de prachtige rit door het subtropische landschap. Het had echter niet veel langer moeten duren, want dan hadden we niet eens meer kunnen lopen en dat terwijl we nog een behoorlijke wandeling naar het hotel voor de boeg hebben.
Het wordt zoeken naar het hotel. Volgens een kaartje in mijn reisbijbel is het niet ver, maar in werkelijkheid blijkt het toch een aardig eind lopen te zijn. Met zware bepakking wel te verstaan.
Moe en bezweet belanden we dan uiteindelijk in een modern ogend hotel, dat een behoorlijke luxe uitstraalt en nog over airconditioning beschikt ook. Helaas zijn alle kamers volgeboekt, zodat we op de Chinese dependance zijn aangewezen. Die bevindt zich in een veel oudere vleugel van het complex en beschikt vanzelfsprekend niet over airconditioning. Maar ja, als je zo moe bent als nu, maakt het allemaal niets meer uit. Als er maar bedden zijn en een douche waar water uitkomt.
Die douche is er, al moeten we hem ditmaal met elkaar delen. Wel hebben we op de kamer een waslijn met een ventilator die het wasgoed extra snel droogt. Slim idee. Na installatie wandelen we het stadje door op zoek naar een restaurant. We eten heerlijk vanavond. De Sichuaanse keuken is ook hier perfect. In het hotel plof ik uitgevloerd in bed en val ondanks de pijn in mijn zitvlak direct in slaap.

Donderdag, 22 juli 1993

We staan vandaag weer vroeg op, omdat we voordat de drukte begint een bezoek willen brengen aan de beroemde grotten van Boadingshan, waar bijna duizend jaar geleden zo’n tienduizend Boeddhistische beelden uit de rotsen zijn gehakt.
Het minibusje vertrekt om negen uur, maar ik wil eerst nog even ontbijten. Dat kan hier ook langs de straat. Voor slechts een yuan krijg ik twee bapoabollen en een kopje linzensoep om ze in te dopen. Het smaakt prima en klokslag negen uur ben ik weer bij het hotel. De groep keek al naar mij uit, want het busje was wat vroeger aangekomen en stond nu klaar om te vertrekken.
Onderweg stappen nog wat Chinese passagiers op, waarna we hobbelend de hoge berg opklimmen. Het uitzicht op het uitgestrekte, groene dal wordt steeds mooier. Maar boven ons wordt het helaas steeds minder mooi. Zware grijze wolken pakken samen en het wordt steeds donkerder. Er is amper voldoende daglicht om foto’s te maken. Hoger in de bergen rijden we een dikke mistbank in.
Het busje kan maar tot de bij de ingang van het gebied gelegen parkeerplaats rijden. De rest moeten we lopen, ofschoon de weg nog een heel eind verder gaat. Langs de weg staan vele stalletjes met souvenirs. Luie toeristen laten zich met fietstaxi’s naar boven brengen. Een zware klus voor de koelies, want de weg loopt stijl omhoog.

Het complex doet erg toeristisch aan. Ik verdenk de Chinezen ervan dat de kleurige paviljoens pas kort geleden zijn gebouwd om het gebied aantrekkelijker voor bezoekers te maken. Tot zover het romantische China. Bij de ingang van het complex krijgen we weer met het bureaucratische China te maken. Het kassapersoneel ruikt weer FEC’s als het onze westerse gezichten ziet en eist dertig yuan. Dat is belachelijk, maar ik betaal toch maar. In volksgeld, want FEC’s heb ik niet. Tenminste, dat maak ik de Chinezen wijs. Mijn verbazing is groot als ik zes kaartjes krijg. Zou dat voor zes verschillende attracties zijn, of is het kassapersoneel gewoon gek? Ik houd het maar op het laatste en verkoop de vijf overige kaartjes door aan andere leden van ons gezelschap.

Eenmaal binnen begint het zachtjes te regenen. Dat is vervelend, maar het benadrukt wel de schoonheid van deze toch al prachtige omgeving. Half overwoekerd met subtropische gewassen, zien we de enorme rotswanden vol kleurige beeldhouwwerken die verhalen uit de Boedhhistische leer uitbeelden. De beelden zijn tussen 1179 en 1249 uitgehakt onder leiding van de beroemde twaalfde eeuwse tantrische monnik Zhao Zhifeng. Tot de hoogtepunten behoren een 31 meter lange liggende Boeddha, een gouden Boeddha met duizend armen en een Boeddha die het levenswiel draagt. De Yuan Jie Grot, waar we tegen bijbetaling naar binnen mogen, is beroemd om een beeld van een knielende god omringd door boeddhistische volgelingen. In de Boedhhistische leer is dat uniek. In ander grotten zijn tempels, bomen, bergen, bloemen en hemelse en aardse wezens uitgehakt. Een serie taferelen verhaalt het leven van een herder en een andere reeks, getiteld ‘Ouderlijke Liefde’ is een uitbeelding van de zwangerschap van een vrouw, de geboorte, de opvoeding en het huwelijk van haar zoon. Er is goed nagedacht bij het ontwerp van de beelden, want overal is sprake van een prachtige lichtval. Soms zijn daarbij extra hulpmiddelen gecreëerd, zoals in de Yuan Jie Grot, waar een in de wand uitgehakt venster ervoor zorgt dat details van de beelden met een bijna stereoscopisch effect verlicht worden.
Een ander staaltje van engineering is het drainagesysteem. De gebeeldhouwde wolken, bomen en pagodes vangen regenwater op dat via onzichtbare buizen naar een bron boven het hoofd van een draak stroomt. Van daaruit verdwijnt het water onder de grond. Het is aan de moeilijke bereikbaarheid van het gebied te danken dat oorlogen en met name de Culture Revolutie de schitterende beelden bespaard zijn gebleven. Het gebied is eigenlijk pas tegen het eind van de jaren zeventig herontdekt.
Fotograferen is toegestaan, maar niet op alle plaatsen. Gelukkig is er weinig controle, al staan er nu soms wel ontsierende bordjes met ‘no photographing’ op de dia’s. Het is jammer dat het weer niet zo geschikt is voor fotografie. De regen maakt niet veel uit, al is het hinderlijk dat er steeds regendruppels op de lens komen. Erger is de duisternis. En dan staat nog een hele wand in de rook die afkomstig is van een lager gelegen huisje. Men realiseert zich hier blijkbaar niet hoe schadelijk luchtverontreiniging voor de eeuwenoude kunstwerken kan zijn.
Het beeld met de duizend armen staat in een zeer duistere grot, waar het verboden is om foto’s te maken. Dat is slecht voor het beeld, zo willen de Chinezen mij doen geloven. In werkelijkheid is het slecht voor de inkomsten van de souvenirverkopers, die voor de grot met ansichtkaarten en fotoboekjes leuren.
Dan houdt het op met zachtjes regenen en valt het water met bakken tegelijk uit de lucht. De toch al spekgladde wandelpaden worden nu helemaal onbegaanbaar. Zeker voor mij met mijn totaal versleten en half kapotte Bristol-gympies. Ik haat mijzelf dat ik mijn paraplu in het hotel heb laten liggen. Mijn witte t-shirt neemt langzaam maar zeker de kleur van mijn felroze buikzakje over.
Al snel blijkt het dat het voorlopig zal blijven regenen, dus ik geef het schuilen maar op. Dat is ook zonde van de tijd. Dat houdt wel in dat ik al snel doornat ben. Gelukkig is het niet koud, ondanks de grote hoogte van dit gebied.
Behalve de beelden heb je hier ook een serie tempels. De gebouwen liggen achter elkaar als je van beneden naar de top van de berg kijkt en worden mooier, naarmate je hoger komt. De tempels doen Thais aan, met zeer felle kleuren en veel bladgoud. Een oude monnik weet me een paar yuan af te troggelen voor een op zich waardeloos kaartje, want extra entree hoef je hier niet te betalen. Uiteindelijk bereik ik na zo’n vijf tempels de top van de berg. Er ligt een mooi parkje met aan de randen een aantal uitzichtpunten. Die bieden nu helaas alleen uitzicht op de dichte regensluiers die de tempels nog steeds teisteren.

Van een paar groepsleden hoor ik dat in de buurt een heel aardig dorpje is. Daar wil ik ook nog wel even naar toe. Het dorpje is bijzonder authentiek, met leuke Zuid-Chinese huisjes en volop bedrijvigheid. Een theehuis vol mannen. Een barbier die zijn klanten in de stromende regel knipt en scheert. Veel lawaai en mensen die zich met grote stukken plastic droog proberen te houden. Anderen zijn daar handiger in. Zij dragen enorme strooien hoeden, die wel wat van Mexicaanse sombrero’s weg hebben. Ze proberen die hoeden aan mij te verkopen, maar wat moet ik er mee. Zeiknat ben ik al, en als de regen nog eens ophoudt heb ik er niet veel meer aan. Rond het dorpje is de natuur schitterend. Er liggen helder groene rijstvelden en over de wegen en paden lopen kippen en andere beesten rond. Het Mao-pakje is hier nog lang niet uit de mode. Het lijkt alsof de tijd stil staat.
Helaas staat de tijd voor mij niet stil en ik moet weer in sprint naar de bus, die om een uur richting Dazu zou vertrekken. Ik denk er nog even over om een fietstaxi te nemen, maar nee, dat is nu ook weer niet nodig, al gaat het veel sneller dan lopen. Ik worstel mij door de vele naar klanten hunkerende chauffeurs door en kom natuurlijk weer als laatste, maar nog wel net voor enen, bij de bus aan. Ik had eerst nog naar Dazu terug willen lopen. Een kilometer of tien. Maar door het slechte weer zie ik daar toch maar van af. Ik ga wel een keer wandelen als het minder hard regent.
Terug in Dazu is het eindelijk weer droog geworden, zodat het de moeite waard is om andere kleren aan te trekken. Er zijn nog meer grotten in Dazu en die ga ik proberen te vinden met behulp van het kaartje uit mijn reisbijbel.
Ik zie van alles onderweg, behalve de grotten. Ze moeten bij een hoge pagode liggen en die had ik op een gegeven moment wel gezien, maar nadat ik een tijdje die richting op was gelopen, verdween het gebouw weer uit beeld. Inmiddels neemt de bewolking af en breken gloeiend hete zonnestralen door. Al snel ben ik weer nat, al komt dat ditmaal niet door de regen.
De grotten weet ik niet te vinden. Ik loop alle kanten op en zie prachtige rijstvelden, bamboebossen en boerderijen. Op enkele bergtoppen in de buurt staan oude pagodes, maar de pagode bij de beeldengrot vind ik niet meer terug. Uiteindelijk dwingt mijn knorrende maag mij terug naar het dorp te gaan.
Dazu zelf is net als de omgeving erg de moeite waard. Overal is drukte en werken de mensen in hun kleine bedrijfjes. Ik zie een echte mie-fabriek, waar lange slierten aan een houten rek hangen te drogen. Langs de trottoirs zitten fietsenmakers en oude vrouwtjes met een nog oudere naaimachines, waar ze ter plekke een maatkostuum voor je kunnen maken. Schoenmakers werken geconcentreerd op een stuk leer en ergens anders probeert een uitgemergelde bedelaar op een makkelijkere, maar minder lucratieve manier de kost te verdienen.
Een overeenkomst met de grote steden is het enorme verkeerslawaai. Auto’s en bussen proberen zich luid toeterend een weg te banen door de dichte massa’s voetgangers, terwijl fietsers luid bellend van links naar rechts slingeren. Op een gegeven moment wordt de hitte mij te erg en besluit ik naar het hotel terug te gaan om een douche te nemen. Daar kom ik Gerben tegen die mij over een winkeltje tipt, waar je nog zeer ouderwetse boxcameraatjes kunt kopen. Dat moet ik zien.
Gerben had gelijk. In het kleine, sobere winkeltje staan in de etalage nog trots enkele oude 6×6 boxjes opgesteld, naast wat modernere imitaties van Japanse camera’s. De verkoper kan maar moeilijk geloven dat ik echt zo’n oud ding wil. Het is natuurlijk temeer vreemd, omdat ik tegelijkertijd met een moderne Nikon rond mijn nek loop. Hoewel het kunstige en splinternieuwe apparaat slechts het belachelijke bedrag van 95 yuan kost, weet ik er nog een paar zwart/wit-rolfilmpjes bij te sjacheren. Ik vind het fantastisch, dat ik anno 1993 zo’n nieuw – in feite vooroorlogs – fototoestel heb kunnen kopen. Dat moet ik snel gaan uitproberen.
’s Avonds loop ik nog naar het noorden van de stad, waar de grotten moeten zijn die ik overdag niet kon vinden. Nu vind ik ze wel, maar het complex is al gesloten. Wel kan ik nog het park bezichtigen, dat op de steile berghelling ligt. Via een enorme trap loop ik naar boven. Langs de kant zitten handelaren die houtsnijwerk en twijfelachtige jade verkopen.
Boven is het prachtig. Een schitterend park met een weelde aan groen en mooie paviljoens, vanwaar ik een riant uitzicht over Dazu en de omgeving heb. Bovendien is het heerlijk rustig in het park. De mensen komen hier zo laat niet meer.
Als ik afgekoeld ben, begin ik aan de afdaling en de wandeling naar het restaurantje waar ik gisteren ook zo lekker gegeten heb. Onderweg kom ik langs een wijk waar enorme hotels uit de grond gestampt worden. Als volgend jaar het vliegveld opengaat, is het hier voorgoed gedaan met de rust. Over vijf jaar zal ik Dazu wel niet meer terug kennen. Dan is ook hier alles van beton.
’s Avonds loop ik met Gerben, Bart en Bart-Jan door het centrum van het dorp. Overal is het gezellig en het is een drukte van belang. Bij de bioscoop staan poolbiljarts opgesteld en we besluiten een potje te spelen. Dat lukt alleen niet erg, want behalve dat wij gewoon niet kunnen biljarten, klopt van het materiaal ook niet veel. De ballen zijn niet echt rond meer, de band is op sommige plaatsen wel erg bleek, terwijl het laken bijna doorgesleten is. Tot overmaat van ramp staan de tafels niet waterpas. Een voordeel is wel dat we veel lol hebben en dat een potje biljart op deze manier wel erg lang duurt. We krijgen waar voor onze yuan. Terug in het hotel is het meteen weer inpakken, want morgenochtend vroeg vertrekken we per bus naar Chongqing.

Vrijdag, 23 juli 1993

Vandaag staat er weer zo’n plezierige busrit op het programma. Ik ben op het ergste voorbereid. Helaas kunnen we niet ontbijten. In het hotel is dat sowieso niet mogelijk, terwijl ook in de buurt niet veel te krijgen is. Ik loop met Mark en Anke vooruit op de groep, want zij willen ook nog zo’n quasi antiek fototoestel kopen. We zijn al behoorlijk bezweet als we bij het winkeltje aankomen. Ik koop intussen wat broodjes voor onderweg. Het zijn kleverige, platte broodjes met daarop een mengsel van nootjes en suiker. Slecht voor het gebit, maar wel lekker en voedzaam. Door de hitte begin ik al weer behoorlijk te transpireren.
De bus ziet er gelukkig een stuk beter uit dan die van eergisteren. Bovendien is het nu veel beter weer, zodat dit waarschijnlijk een prettigere rit zal worden. Ik kruip op een stoel aan het raam en blaas het kussentje op dat mijn billen enigszins moet beschermen onderweg. Het wordt weer een zeer lange rit, want we zullen pas aan het eind van de middag in Chongqing aankomen. Dat is althans de planning.
Luid toeterend werkt de bus zich door de menigte heen. Deze bus heeft een vreselijk irritante claxon, en al snel stop ik van wc-papier gemaakte propjes in mijn oren om niet krankzinnig te worden.
Het eerste deel van de route is geasfalteerd. Dat is prettig voor mijn ingewanden, want de vering van de bus geeft iedere hobbel in de weg feilloos door aan de passagiers. Reizen met Chinese bussen is een Spartaanse aangelegenheid.
De omgeving is schitterend en we krijgen weer een boeiende excursie langs het traditionele Chinese leven. Na een paar uur begint het eerste oponthoud. Er staat een lange stilstaande file voor ons en omdat het er niet naar uitziet dat er snel beweging in zal komen, doet de chauffeur de deur open, zodat we een eindje kunnen wandelen.

Ik maak wat foto’s van een handelsvoorraad levende eenden op het dak van een andere bus en een typisch Chinese vrachtwagen. Zo’n blauwe met grote witte grille, ronde neus en open laadbak. In de omgeving bloeien prachtige bloemen.
Na ongeveer een uur klinkt in de verte een doffe dreun. Blijkbaar moesten we wachten voor het opblazen van een stuk berg. Na nog eens een half uur komen de eerste tegenliggers in zicht en nog een kwartier later mogen wij eindelijk weer rijden. We hebben door het voorval een behoorlijke vertraging opgelopen en het ziet er door de drukte niet naar uit dat wij die weer zullen inlopen.
Onderweg stapt een oud Chineesje in, dat tussen Bart en mij gaat zitten en vrijwel direct in slaap valt. Hij moet over een ingebouwde wekker beschikken, want pas kort voordat hij er weer uit moet, wordt hij wakker. Ik begin naar de eindhalte te verlangen. De mierzoete notenkoekjes lust ik niet meer. Af en toe dommel ik even weg, maar dat duurt dan tot de eerst volgende dreun op de toeter en dat is nooit langer dan drie minuten. Onderweg zie ik nog een begraafplaats. Dat is een zeldzaamheid in China. Het moet wel een Mohammedaanse begraafplaats zijn, want Chinezen cremeren hun nabestaanden.
Na het passeren van een hoge pas zie ik in de diepte het rivierdal met de stad Chongqing liggen. We kunnen goed van het uitzicht genieten, want er staat weer een enorme stilstaande file voor ons. Doordat de bus in de volle zon stilstaat, zijn we al snel gedwongen uit te stappen. Het wordt binnen veel te warm, nu er geen wind meer door de open ramen waait. Na een uur wachten komt er langzaam beweging in de file en schuiven we stapvoets het overvolle centrum van Chongqing in. De naam betekent ‘Herhaaldelijk Goed Geluk’, maar de niet-officiële bijnaam is ‘de oven van de Yangtze’.
Die bijnaam is niet overdreven. De stad is een hel. Bloedheet en met een kakofonie van oorverdovend lawaai. Door de hoogteverschillen is de fiets niet populair in Chongqing, zodat iedereen zich gemotoriseerd verplaatst. Rijen vrachtwagens, bussen, trolleybussen en taxi’s proberen elkaar te verdringen op de schaarse stukjes leeg asfalt. Ik vind deze stad niet echt leuk.
Chongqing is een enorme verkeersopstopping met daartussen wat gebouwen. Vooral taxi’s bepalen het straatbeeld. Ze zijn allemaal van hetzelfde type, de piepkleine Suzuki Alto, die in China onder licentie met de merknaam Maruti wordt geproduceerd.
De bus zet ons in een uithoek af bij de haven, in de buurt van het hoofdstation. Vandaar moeten we maar zien hoe we bij het hotel komen.
Het is sfeervol in de haven, maar vanwege de vreselijke hitte kunnen we er niet echt van genieten. We zoeken een plek in de schaduw, terwijl Anke en Gerben op zoek naar een minibusje gaan. In het begin lukt dat niet erg, zodat we maar met zijn allen naar de hoofdstraat lopen waar we hopen dat we een leeg busje kunnen aanhouden. Uiteindelijk lukt dat. Het busje slingert ons met doodsverachting door de overvolle straten op weg naar het hotel. Onderweg zien we het grootste hotel van Chongqing, dat als een kopie van de Tempel van de Hemel in Beijing is gebouwd. Maar dan heel kitscherig.
Het liefst was ik direct naar de boot gereden, die ons over een paar dagen door de kloven van de Yangze zal voeren. Maar we zullen het hier toch even moeten zien uit te houden. Wat een verschil met het relatief rustige en prettige Dazu! Als heel China er over een paar jaar zo uitziet, hoef ik er niet meer naar toe.
Chongqing heeft ongeveer drie miljoen inwoners in de stad en ruim dertien miljoen in de directe omgeving. ’s Zomers is het er gemiddeld 35 graden en valt er twee van de vijf dagen zware regen. Vandaag is het echter helder. Tenminste, afgezien van de smog dan.
Door de ligging aan twee belangrijke rivieren speelt de stad, die ooit het laatste Chinese bolwerk van de nationalisten was, een belangrijke rol voor de industrie. Die is er dan ook rijkelijk vertegenwoordigd. Rondom de heuvels, waarop de stad is gebouwd, staan talloze fabrieken met enthousiast rokende schoorstenen.
Het HuiXi’anlou Luguan-hotel lijkt heel luxe, maar de luxe houdt op bij de liftdeur. Omdat dit een dure stad is, moeten we ditmaal genoegen nemen met een eenvoudige slaapzaal waar acht bedden staan. Helaas kunnen we niet met de groep in één zaal. We worden over diverse zalen op verschillende etages verdeeld. Mannen en vrouwen slapen door elkaar op de zalen. Dat is niet erg gebruikelijk voor China, maar voor buitenlandse gasten vindt men het blijkbaar niet zo’n probleem.
Gerben en Rolf slapen op dezelfde zaal als ik. De andere bedden worden door Engelsen, Duitsers en Belgen bezet. Ik sluit de rugzak maar goed af voor de zekerheid, want met medereizigers kan je het nooit weten.
Het is al laat als we een hapje gaan eten. Buiten is het donker, maar er komt veel licht van de talloze lichtreclames. We lopen via een overdekte markt naar een drukke zijstraat van de hoofdstraat, waaraan het hotel ligt.
Daar zien we een heftige woordenwisseling tussen twee Chinezen. Een van hen was met zijn vriendin achterop de brommer tegen het openzwaaiende portier van de auto van de andere Chinees gebotst.
We nemen plaats op een terras en kiezen een maaltijd uit. Die is behoorlijk gepeperd ditmaal. Zelfs voor Sichuaanse begrippen. Het lijkt op pepers met rattenstaarten. Van dat laatste ben ik niet helemaal zeker.
In de verte zien wij een reusachtige hoteltoren met een indrukwekkende lichtshow aan de gevel. Het is net een ruimtevaartuig uit Close encounters of the third kind. Na het eten lopen we nog een blokje om en koop ik langs een stalletje het zoveelste bekertje drinkjoghurt en een paar flessen bier om boven, in de daktuin van het hotel, soldaat te maken. Vanaf die daktuin hebben we overigens een adembenemend uitzicht over de stad, de havens en de Yangze- en Jialing-rivieren, die hier samenstromen. Het is ver over twaalven als we naar de slaapzalen gaan. We moeten lang wachten voordat de gemeenschappelijke badkamer eindelijk vrij is.

Zaterdag, 24 juli 1993

Ik ben al weer een maand op reis. Of pas een maand? Want het lijkt wel alsof ik mijn hele leven al onderweg ben. Eigenlijk is dat ook wel een beetje zo. Tenminste, voor wat betreft dit leven, dat wel parallel lijkt te lopen aan mijn gewone leventje in Nederland.
Zes uur ’s morgens word ik wakker. Als eerste, want de anderen op de grote slaapzaal liggen nog diep te ronken. Ik blijf nog even liggen. De busrit van gisteren had het nodige van mij gevergd en hoewel mijn geest er weer volop zin in heeft, wil mijn lichaam nog niet erg mee. Maar half zeven sleep ik mijzelf dan toch maar naar de douche. Die is nu tenminste nog vrij. Als ik rond een uur of zeven het hotel verlaat, zie ik dat uitslapen er voor de meeste Chinezen niet bij is. Het is al weer volop drukte op straat en er wordt weer luid getoeterd. Volgens mij rijden alle Chinezen op hun gehoor en houden ze tijdens het rijden de ogen gesloten. Ondanks de drukte op straat zijn de rolluiken van de winkels nog gesloten. Ik loop via de hoofdstraat naar de rand van het centrum waar de rivierhavens zijn. Volgens de reisbijbel zie je daar nog het met de hand laden en lossen van traditionele jonken.
Onderweg tref ik een eettentje aan, dat al open is voor de vroege klanten. Ik bestel een portie dim-sum-bolletjes met wat saus. Een wat pover ontbijtje, maar wel voedzaam en bovendien erg lekker.
Via zeer steile straatjes daal ik af naar de havens. Al snel zie ik dat er alleen – voor Chinese begrippen – moderne schepen liggen afgemeerd. Jonken zullen waarschijnlijk alleen nog in musea bestaan. Hier zie je ze in ieder geval niet.
Tussen de vele vrachtschepen liggen de Spartaanse cruiseschepen die het volk over de Yangze naar Wuhan en Shanghai vervoeren. Aan het luide getoeter hoor ik dat ze op het punt van vertrek staan. Over een paar dagen zal ik aan boord van een van de schepen staan op weg voor de vaart door de beroemde kloven van de glinstertYangze. Het wordt een historische tocht, want de kloven worden vanaf dit jaar geleidelijk opgeofferd aan de oprukkende welvaart. Er is meer energie nodig en die wordt in China voor een belangrijk deel via waterkrachtcentrales opgewekt. Dit jaar wordt aan het einde van de drie kloven gestart met de bouw van een reusachtige stuwdam, die de rivier in een meer zal veranderen. Steden en dorpen langs de rivier zullen onderlopen en de bevolking zal geëvacueerd worden. Het zal er voor de mensen niet beter op worden, maar wie in dit land protesteert tegen dit soort projecten belandt als volksvijand in een heropvoedingskamp. Eigenlijk staat ons dus een excursie te wachten door een gebied dat op het punt staat om voorgoed verloren te gaan. Chongqing zal behouden blijven. Een stad met drie miljoen inwoners laten onderlopen, gaat zelfs de Chinese regering te ver. De normaal geelbruine rivier glinstert nu zilver en goud in het licht van de laagstaande ochtendzon. De overzijde is slechts vaag zichtbaar door de laaghangende nevels boven het water. Het wordt een warme dag vandaag.
Langs de haven op de steile rivieroever is het bijna onmogelijk om betonnen gebouwen neer te zetten. Daarom hebben daar de oude, traditionele, houten huisjes nog stand gehouden. Via een netwerk van smalle en gedeeltelijk overdekte steegjes zijn ze bereikbaar. Ik duik de oude wijk in en merk hoe het leven zich hier in de buitenlucht afspeelt. Overal zijn mensen aan het werk met hun kleinschalige, ambachtelijke bezigheden. Opvallend is dat zelfs in het armoedigste hutje nog wel een kleurentelevisie staat te spelen, terwijl je er niet eens elektriciteit zou verwachten.
Ik maak wat foto’s en krijg het dan bijna aan de stok met een Chinees meisje. Ik had eerst niet eens in de gaten dat ze het tegen mij had, want ik was te zeer in het fotograferen verdiept. Maar ze gaat steeds dichter bij mij staan, totdat ze eindelijk mijn aandacht heeft. Ik weet niet wat ze staat te kwetteren, want zo goed is mijn Chinees nu ook weer niet, maar aan de intonatie te horen is het zoiets als ‘schaam je je niet dat je hier die armoede staat te fotograferen. Ga foto’s maken van tempels of zo, die zijn daarvoor gebouwd.’ Het lijkt mij niet de moeite waard om haar uit te leggen dat ik juist de schoonheid van dit eenvoudige leven op de gevoelige plaat wil vastleggen, dus ik gun haar een verontschuldigend lachje en loop weer verder. Je kunt hier beter geen ruzie maken.
Elf uur moet ik weer terug in het hotel zijn, want dan wordt medegedeeld of we deze middag zullen inschepen of dat we nog een nacht in Chongqing zullen blijven. Ik hoop op het eerste, want dit is geen stad waar je het lang uithoudt. Zeker niet als het zo warm is.
Helaas wordt het nog een nachtje blijven. Bovendien kunnen we niet morgenochtend, maar pas in de namiddag vertrekken. Dat is al een grote tegenvaller, maar daar komt nog bij dat we waarschijnlijk ’s nachts door de kloven zullen varen. Dat had Gerben althans van de reder vernomen. Het had iets met waterstanden te maken.
Maar ja, niets aan te doen. Ik wandel maar weer richting centrum. Vloekend dat je in deze stad geen fiets kunt huren, want ondanks de heuvels is fietsen nog altijd beter dan lopen. Als troost koop ik maar een plastic fles met geel gekleurde, mierzoete limonade. Of dat goed tegen de dorst is betwijfel ik, maar het voorkomt in ieder geval dat ik uitdroog. De wandeling naar het centrum is heel wat langer dan het kaartje in de reisbijbel deed vermoeden, dus ik besluit onderweg maar een van de hoogste heuvels te gaan beklimmen. Die ligt op de route en biedt volgens de reisgids een prachtig uitzicht over Chongqing. Bovendien is het op de top enkele graden kouder dan in de stad zelf. En vooral dat laatste spreekt mij wel aan.
Na een stevige klim bereik ik het op de top gelegen park, waar twee prachtige Japanse paviljoens wat schaduw geven. De temperatuur is er inderdaad wat aangenamer dan aan de voet van de heuvel. Bovendien staat er een licht briesje, terwijl het in de stad zelf overal windstil is. Ik merk dat het zweet weer met liters tegelijk van mijn lichaam stroomt. Ook in mijn ogen, en dat is knap hinderlijk. Het prettigst is echter dat hier geen andere mensen zijn. Op een enkeling na dan. Het is zelfs stil, want de enorme herrie van de stad dringt nauwelijks door tot hier. Als ik in Chongqing zou moeten wonen, zou ik het alleen op de top van deze heuvel uithouden. In de stad zelf valt niet te leven.
Als ik weer beneden ben heb ik geen zin meer om verder te wandelen. Ik zag vanaf de heuvel dat ik vlakbij een van de laatst overgebleven oude wijken van de stad was en het lijkt mij gezelliger om daar mijn toevlucht te zoeken. Het is bloedheet en ik eet de ene na de andere plak meloen tegen de dorst. Bier drinken lijkt mij nu niet zo verstandig, want je transpireert het sneller uit dan dat je het op kunt drinken. Ik voel mij net een beest en volgens mij vinden de Chinezen ook dat ik er als zodanig uitzie. Zo kijken ze me in ieder geval wel aan.
Nog meer aandacht krijg ik als ik met behulp van het Chinese fototoestel een foto probeer te maken. Er komt een hele groep mensen om mij heen staan, die ongegeneerd mijn verrichtingen bestuderen. Net alsof ik een raket lanceer. Ze zullen wel denken: ‘Hier komen nooit buitenlanders en als er eindelijk wel een komt, is het een gek’.
De maximale aandacht krijg ik als ik twee flessen bier in mijn inmiddels lege, plastic limonadefles probeer over te gieten. Het schuimt natuurlijk de pan uit en naarmate ik verder klungel, groeit de menigte om mij heen. Heel lachwekkend allemaal, hoewel ik er zelf niet zoveel plezier aan beleef. Dan grijp ik naar het uiterste middel om de mensen om mij heen weg te jagen, mijn fototoestel. Dat is doeltreffend, want de meeste gaan er als een speer vandoor. De rest druipt langzaam weg, voorzichtig het gezicht van de camera afwendend.
Even na het middaguur koel ik af onder de koude douche van het hotel, waarna ik even een middagslaapje doe om bij te komen. In de namiddag blijf ik in de buurt van het hotel, waar diverse interessante winkels zijn. Ik koop wat zwart/wit-filmpjes voor mijn fototoestel en een geel filter voor hoger contrast op de foto’s. Ook kan ik er aan een handige filmtrekker komen, waarmee ik gebruikte films weer een eindje uit de cassette kan trekken.
Het Chinese eten zat, ga ik samen met Gerben, Bart-Jan, Mark en Annemarie Amerikaans eten, bij een hamburgerrestaurant. Ondanks de entourage is er aan het restaurant niet veel Amerikaans te bespeuren. Misschien zijn de prijzen Amerikaans, het eten is dat in ieder geval niet. Vreselijk.
Ik neem nog wat foto’s van Chongqing bij nacht. Vooral een reusachtig, uit tientallen tv’s opgebouwd karaokescherm, met een door kleurige schijnwerpers verlichte fontein op de voorgrond, is bijzonder indrukwekkend. Om beurten geven de Chinezen elkaar een draadloze microfoon door en proberen ze de in karakters geschreven ondertiteling na te zingen.

Aan de andere kant van de nu voor het autoverkeer afgesloten hoofdstraat, staat een grote groep Chinezen aangeplakte muurkranten te lezen. Gerben en ik kopen nog een paar flessen bier, die we op het dakterras van het hotel opdrinken. In de verte zien we de rivieren stromen, glinsterend in het vale licht van de schemering.

Zondag, 25 juli 1993

Het is nog vroeg. Gerben en ik ontwaken als eersten op de slaapzaal van het HuiXi’anlou Luguan-hotel. Het liefst had ik nog een paar uur uitgeslapen, maar nu ik eenmaal wakker ben, sta ik maar vast op. Er zal best nog wat te beleven zijn in Chongqing. Omdat we vandaag vertrekken, pak ik alvast mijn bagage in. Dan hoef ik straks alleen nog maar even de rugzak op te halen. Voor de zekerheid vergrendel ik alle ritssluitingen met de kleine hangslotjes die ik heb meegenomen.
Buiten moet ik weer snel aan de herrie zien te wennen. Gelukkig is er geen autoverkeer, want net als gisterenavond is de hoofdstraat nog steeds afgesloten. Alleen enkele taxi’s wagen zich in het met voetgangers gevulde wandelgebied.
Op het plein rond het uit 1945 stammende bevrijdingsmonument is het een drukte van belang. Dat is ook niet zo vreemd, want het plein vormt het hart van het commerciële district van Chongqing. Dat was vooral ’s avonds te merken. Overvloedige lichtreclames zorgen op het plein voor de straatverlichting.
Nu staan er rond het monument kraampjes en hangen er boven het plein talloze ballonnen met vaandels vol Chinese karakters. Meisjes met lange sjerpen om delen foldertjes uit. Ik voel me een barbaar tussen deze elegant geklede mensen en begrijp nu ook waarom Chinezen buitenlanders zo vaak als barbaren afschilderen.

Het is nog vroeg, maar ik schat de temperatuur al op een graad of vijfendertig. Het zweet stroomt aan alle kanten van mij af. Toch heb ik een stevige verkoudheid opgelopen. Het was gisteren niet verstandig om steeds airconditioned winkels in te lopen om even bij te komen van de hitte. Ik mag van geluk spreken, dat het ook vandaag niet regent, want in deze stad valt gemiddeld twee van de vijf dagen neerslag. En het is een regenachtig jaar.
Volgens Gerben moet je in deze wijk leuke dingen kunnen kopen. Vooral bij een grote boekhandel in de buurt. Ik ben benieuwd. De winkel heb ik zo gevonden, maar ze hebben niets dat mij kan bekoren. Dan maar verder zwerven door de stoffige straten. Alleen niet te ver, want vanmiddag moet ik moeiteloos het hotel kunnen vinden.

Ik ga op zoek naar een fotohandel voor een lichtmeter voor mijn Chinese camera. Ook ben ik hard aan nieuwe schoenen toe. Want mijn Bristol-stappers van tien euro liggen nu echt uit elkaar. Aan vier kanten steken mijn voeten eruit. Alleen valt het niet mee om schoenen te kopen in China. Tenminste niet als je mijn maat hebt. De confectiematen gaan hier namelijk maar tot en met 43 en dat is voor mij te krap.
Bij toeval stuit ik op een sportwinkel waar ze sportschoenen in maat 44 verkopen. Gelukkig pas ik ze en zitten ze lekker. Ik hoop alleen dat ze niet bij de eerste straathoek uit elkaar zullen vallen, want ik heb niet zo’n hoge pet op van Chinese kwaliteit. Over de prijs mag ik echter niet zeuren, want negentig yuan is niet bepaald duur voor schoenen in een exclusieve maat. Mijn oude schoenen werp ik in de eerste de beste afvalbak.
Even later breekt de zon door en lijkt het alsof iemand de ‘oven van de Yangze’ op de hoogste stand heeft gezet. Hoewel het niet netjes is, voel ik mij gedwongen om mijn t-shirt uit te trekken. Ik probeer zoveel mogelijk in de schaduw te lopen, maar zelfs daarin is het nauwelijks om uit te houden.

Op het plein loopt een koelie met drie enorme gettoblasters aan een draagjuk. Zeker een liefhebber van muziek.
Hoewel ik geen trek heb, zoek ik rond het middaguur een terrasje op voor een bak rijst met allerlei groenten en vlees. En natuurlijk een flinke fles Chinees bier. Na wat proviand voor onderweg op de boot gekocht te hebben, keer ik terug naar het hotel. De zon verdwijnt intussen achter donkere wolken, maar het blijft verstikkend heet.
In het hotel staat de groep al te wachten. Ik pak snel mijn rugzak en dan kunnen we op pad. Met een krakkemikkige trolleybus slingeren we richting haven, waar de boot op ons ligt te wachten. Maar voordat we aan boord kunnen, moeten we eerst nog een trap met zo’n tweehonderd treden af.

De boot die beneden afgemeerd ligt, voorspelt niet veel goeds. Toch valt het mee. Ik krijg een zespersoons hut toegewezen in de derde klasse. De vierde klasse is hetzelfde maar dan voor twaalf tot achttien personen. De vijfde klasse is het gangpad. Enkele groepsleden mogen in een tweede klasse-hut verblijven, waar slechts twee bedden en allerlei luxe meubels staan. Een eerste klasse bestaat niet op Chinese boten.
Het is wel moeilijk om de bagage van zes personen in de kleine hut op te bergen. Maar met wat moeite lukt het toch enigszins. Erger zijn de bedden. Als je daar iets op laat vallen is het kapot, zo hard zijn de matrassen.
Vanwege de hitte zoek ik snel mijn toevlucht tot de voorplecht, waar een licht briesje waait. Maar na enkele minuten jaagt een plotselinge plensbui mij weer naar binnen. Daar had ik niet op gerekend.
De regen lijkt het vet en de viezigheid uit de lucht te spoelen, want na een paar minuten voelt het al een stuk frisser. Wat een opluchting. Ik kijk nog even naar het vreselijke Chongqing, als om vijf uur de boot met een scherpe draai van honderdtachtig graden aan de dagenlange tocht over de Yangze begint. Het geschal van de hoorn weerklinkt spookachtig tegen de stijl omhooglopende rivieroevers. Ver in de verte zijn de eerste bergen zichtbaar, half verscholen achter een dichte mistbank.
Ik blijf op de voorplecht staan tot het pikkedonker is. Binnen is het nog veel te warm, terwijl ik buiten heerlijk de wind langs mij heen kan laten waaien. Helaas ontdekken ook de Chinezen al snel waar het prettig is en wordt het dringen geblazen. Rond een uur of negen draait de boot naar de oever en leggen we aan in het plaatsje Fuling.
Ik maak meteen gebruik van de gelegenheid om wat flessen bier te kopen. Dat was wel weer nodig, want de voorraad gaat hard aan boord. Van de Chinezen hoor ik dat de boot voorlopig nog wel blijft liggen, dus besluit ik met Anke en Jozina de wal te gaan verkennen. De wandeling begint met een eindeloze trap naar boven. Aan de kanten staan stalletjes met frisdrank en yoghurt. We eten wat yoghurtjes en zien dat we eigenlijk ook onderweg prima hadden kunnen eten. De stadjes bestaan hier voor een belangrijk deel van de scheepspassagiers en veel bewoners staan met eenvoudige restaurantjes langs de straat, waar heerlijke maaltijden geserveerd worden.
Aan westerse toeristen is men hier duidelijk niet gewend. Dat valt aan de belangstelling af te lezen. Dat komt omdat toeristen meestal een snelle boot nemen met prima catering aan boord. Wij hebben een boot waar normaal alleen Chinezen op meevaren. Niet te laat gaan we terug naar de boot. We weten nog steeds niet of we vanavond zullen vertrekken of pas morgenochtend. Ik hoop op het laatste, want dan kunnen we in ieder geval de beroemde kloven zien. Daarvoor hebben we deze boot genomen.

Maandag, 26 juli 1993

’s Morgens vroeg liggen we nog steeds in de haven van Fuling. De boot vaart dus blijkbaar toch alleen overdag. Daar ben ik wel blij om. Minder blij ben ik om het feit dat het vrijwel onmogelijk is om op deze boot te slapen. Tot half een wordt er enorm veel lawaai gemaakt. ’s Nachts neemt de herrie iets af, maar al om half zes begint het leven weer. De luidsprekers gaan aan, het schreeuwen begint, deuren worden open en dicht geslagen en iedereen loopt weer luid tetterend door de gangen heen en weer. Rekening houden met anderen komt bij de meeste Chinezen niet op.
Een stoot op de toeter wordt vele malen herhaald door de bergen rond de rivier. Het vertreksein voor de volgende etappe. Ik zie op de kaart dat we nog vlak bij Chongqing zijn. Maar we hebben dan ook pas een paar uur gevaren. Vandaag varen we de hele dag en zullen we een behoorlijke afstand afleggen.
Een Chinees die naast mij op de voorplecht staat, zegt dat de tocht wel vier dagen kan duren. Dat is geen prettig nieuws. Want hoewel het varen mij prima bevalt, gaat de extra tijd hier aan boord ten koste van de tijd die we in het natuurpark Zhang Jia Jie kunnen doorbrengen. En juist dat nog weinig bezochte natuurpark vormt een van de hoogtepunten van onze reis door China.
Vandaag zullen we nog geen kloven zien. Een andere Chinees vertelt dat we vanavond in Fengjie zullen aanmeren en dat is het laatste stadje voor het gebied waar de kloven liggen. Op sommige heuvels staan oude, donkergrijze pagodes. In het bruine water van de Yangze drijven af en toe opgeblazen varkenslijken voorbij. Langs de oever spelen kinderen in het water. De boot is van het zogenaamde standaardtype en heeft drie dekken. De hutten hebben geen eigen toilet. Ook de hutten van de tweede klasse niet. Voor de dagelijkse behoefte moet je naar een openbaar toilet, dat zich aan de andere kant van de boot bevindt. De stoelgang bestaat daar uit het boven een goot hurken waar voortdurend water doorheen stroomt. Af en toe zie je een drol van je buurman voorbij drijven. Erg fris en hygiënisch allemaal. Er is ook een washok, waar je kunt douchen. Inkopen kun je doen in de relatief dure winkel aan boord. Dan is er nog een restaurant met bijbehorende keuken, een machinekamer met keurig opgepoetste machines (dat valt me reuze mee) en de brug, vanwaar de stuurman over de rivier uitkijkt.
Onderweg wordt het steeds drukker en neemt vooral de bezetting van de vijfde klasse toe. Het is nauwelijks mogelijk om onderweg langs de route nog hutten met bedden te boeken, dus moeten de passagiers genoegen nemen met een plaats op de bepaald niet schone vloer. Tegen de avond liggen er zoveel mensen dat je er letterlijk overheen moet klimmen om bij de toiletten en douches te kunnen komen.
Onderweg doen we de stad Wan Xi’an aan. Een redelijk grote stad, waar we echter maar tien minuten blijven liggen. Dat is vreemd, want voor relatief kleine dorpjes nam de boot vanmorgen uren de tijd. Tegen zonsondergang bereiken we Yangshan, waar we een aan de oorlog gewijde tempel kunnen bezoeken. Alle passagiersschepen langs de Yangze leggen daar aan en het is er dan ook een drukte van belang. Als we eenmaal zijn aangemeerd, moeten de liefhebbers in vijf minuten tijd van boord, want dan moet onze boot al weer plaatsmaken voor de volgende. Hopelijk stappen we straks weer op onze eigen boot, want ze lijken allemaal sprekend op elkaar en een naam heb ik nog niet kunnen ontdekken.
Het gebouw is authentiek lees ik in de reisgids, maar de beheerders hebben teveel hun best gedaan om het nog aantrekkelijker voor toeristen te maken. In de oude kamers zijn kitscherige beelden opgesteld en aan de traditionele dakranden hangt kleurige feestverlichting. Vreselijk! Intussen vermoorden de mensen elkaar bijna om binnen te komen. Ik vind het uitzicht echter interessanter dan de hele tempel.
Na de afdaling langs de lange trap voel ik dat ik niet goed word. Ik moet even gaan liggen, want het wordt zwart voor mijn ogen. Uitputting denk ik. Gelukkig komt onze boot al snel en kan ik op bed gaan liggen. Slapen lukt echter niet, hoewel ik er een grote behoefte aan heb. Het oorverdovende lawaai aan boord, maakt slapen onmogelijk, ondanks mijn oververmoeidheid.
Kinderen hollen elkaar achterna. Moeders doen de was op de gang en uit de luidsprekers klinken onophoudelijk mededelingen. Pas na een uur ’s nachts wordt het iets stiller en val ik met moeite in slaap. Mijn hele lichaam doet pijn van het keiharde bed. Vannacht blijft de boot midden op de rivier liggen, want de haven was vol. De maaltijd bestond uit een zak zoutjes en een pak vieze koekjes. Als ik even wakker word, voel ik mijn maagwanden schuren.

Dinsdag, 27 juli 1993

Na een vreselijke nacht word ik ’s morgens om half zes wakker. Er is al weer volop opwinding op de gangen en buiten loeit het vertreksignaal. Als ik naar buiten kijk zie ik alweer langzaam het landschap voorbijschuiven. Gebroken slenter ik met een handdoek rond mijn nek naar het waslokaal. Daar is het echter zo druk, dat ik mijn wasbeurt maar beperk tot een plens water over mijn gezicht. Ik neem nog een slok cola en ga dan met camera’s behangen op de voorplecht staan. Ik wil ook een paar zwart/wit-foto’s met de Chinese camera maken.

In het licht van de vroege ochtendschemering doemen aan beide oevers de imposante rotspieken op. De Yangze is op dit punt erg smal en het bruine water worstelt zich woest kolkend een weg door de bijna 1200 meter hoge kloof, de Kui Men. Vroeger was de kloof veel smaller en zo gevaarlijk, dat schepen er doorheen getrokken moesten worden. Dat gebeurde door koelies en paarden die over een in de rotsen uitgehakt pad langs de rivier liepen. Hier en daar zijn nog steeds overblijfselen van dat pad te zien. De Kui Men-kloof is met acht kilometer niet zo erg lang en na een tijdje leggen we al weer aan. We zijn in de haven van Wushan aangekomen.
In Wushan komt een zijrivier op de Yangze uit, de Daning He. Deze loopt door wat de Chinezen noemen: de drie kleine kloven. Deze moeten volgens de Chinezen nog mooier en indrukwekkender zijn dan de kloven van de Yangze zelf. Omdat onze boot vijf uur in Wushan blijft liggen, is er ruim voldoende tijd om de Daning He op te varen.
Het valt niet mee om een bootje te charteren. De eerste schippers lijken ons niet aan boord te willen hebben, want ze proberen ons belachelijk hoge tarieven te berekenen. 75 yuan, terwijl de Chinezen normaal 35 yuan voor zo’n tochtje betalen. We onderhandelen wat, maar het ziet er al snel naar uit dat ze ons niet meenemen zolang er nog voldoende klandizie van de Chinezen is. Die hadden aan boord van het Yangze-schip al kaartjes gekocht, maar wij hadden bij het winkeltje minstens vijfmaal het normale tarief moeten betalen.
Uiteindelijk is er geen Chinees meer aan de wal te bekennen, terwijl er nog wel een paar bootjes liggen. We proberen het nog eens en kunnen uiteindelijk voor vijftig yuan per persoon mee. Het is wel een verschrikkelijk oude schuit. Daar moet je niet de Yangze-kloof mee invaren. Maar de drie kleine kloofjes moet die toch wel aankunnen. Het zal niet de eerste keer zijn dat het schuitje daar vaart. Bovendien zijn er maar liefst vier schippers aan boord.
We varen niet meteen weg, want de Chinezen zijn te efficiënt om met een halfvolle boot uit varen te gaan. Na een kwartier komen gelukkig nog wat Chinese studenten aan boord en kunnen we vertrekken.

Het blijkt al snel de moeite waard. De rivier is smal, glashelder en stroomt door een bijzonder smalle en hoge vallei. Eerst vaart de boot onder een tientallen meters hoge brug door en dan opent zich een nieuwe wereld. In het smalle dal, waar de rivier doorheen stroomt, liggen kleine oevertjes langs het water. Vissers werken aan hun bootjes, die omgekeerd op de kant liggen, terwijl anderen lange lijnen in het water uitgooien. De oevers bestaan uit grote grindkeien, die nat glanzen in het licht van de zon. Het is vandaag schitterend weer met een vrijwel onbewolkte hemel en draaglijke temperaturen.
Op het water passeren de sampans met hele families aan boord. De mannen vangen de vis; de vrouwen maken ze schoon. Een van de Chinezen aan boord begint te schreeuwen en wijst naar boven. Hoog langs de bergwand zitten apen in een boom.
Iets verder passeert de boot een grot waarin zich een doodskist moet bevinden. Dat zegt één van de Chinese studenten aan boord.
Arenden cirkelen rond de hoge, scherpe toppen.
Na een tijdje manoeuvreert één van de vier schippers het rondvaartbootje naar de kant. Waarschijnlijk is dit het einde van de reis. Wel vreemd, want de oever heeft niets bijzonders te bieden. Het zal wel een kwestie van tijd zijn.
Op de terugweg legt het bootje bij een dorpje aan, waar wat souvenirwinkeltjes zijn. Ik koop een maïskolf tegen de ergste honger. Normaal lust ik geen maïs, maar in dit geval is er nauwelijks iets anders te koop. Ik neem mij voor om de rest van de reis verstandiger te gaan eten.
Het opnieuw aan boord gaan valt niet mee. Het water is nogal wild en spat met flinke golven tegen de oever. Als ik op de boot wil springen zie ik net een springvloed naderen. Ik wil sneller zijn, maar helaas staat Nel in de weg. Bij een poging om om haar heen te springen glijd ik uit en stoot ik mijn been tegen de rand van het bootje. Het doet behoorlijk pijn. Ik ben er niet blij mee.
We varen terug naar de Yangze. Met de stroom mee, dus we zijn er voordat we er erg in hebben. Helaas is de haven niet in de buurt van een stadje, zodat er nauwelijks iets eetbaars te koop is. We kopen maar een paar perziken. Daarmee moeten we de komende dag in leven zien te blijven, want niemand voelt iets voor de catering aan boord.
Om één uur precies vertrekt ons schip verder over de Yangze. Door de tweede kloof. Na de tocht door de zijrivier, zijn de ‘officiële’ kloven echter niet zo spectaculair meer. Ze zijn wel groter, maar dat valt door de veel grotere breedte van de rivier minder op.

Voor de meesten van het reisgezelschap begint de boottocht saai te worden, maar voor mij niet. Ik blijf tussen de drommen Chinezen op de voorplecht staan. Er komen er steeds meer bij. Ik maak ombeurten foto’s met mijn gewone camera en mijn Chinese aanwinst. Ik ben benieuwd hoe die foto’s eruit komen te zien.
Als ’s avonds de zon laag boven het water staat loop ik naar de achterzijde van de boot om daar foto’s van te maken. Die wandeling valt niet mee, want het gangpad en eigenlijk de hele vloer is inmiddels bedekt met vijfde-klasse-passagiers. Die wandeling is overigens ook nodig om de toiletten en douches te bereiken.

Het is al avond als we de enorme sluizen aan het eind van de laatste kloof bereiken. Door deze sluizen is het waterpeil in de Yangze al met vijfendertig meter gestegen, maar dat is nog niets in vergelijking met wat dit gebied nog te wachten staat. Een waterkrachtcentrale lijkt een milieuvriendelijke manier van energieopwekking, maar de ecologische gevolgen van het megaproject zijn volgens deskundigen rampzalig. Bijkomend gevolg is het verloren gaan van het bijzondere effect van de Yangze-kloven. Over enkele jaren zal dit prachtige gedeelte van de rivier zijn veranderd in enkele meren met langs de oevers wat bergjes.
Als we eindelijk aanleggen ben ik het inmiddels ook wel zat na 53 uur zonder behoorlijk eten op de boot. Bovendien ben ik heel wat slaap tekort gekomen. Je moet wel stokdoof zijn, wil je op zo’n Chinese Yangze-boot kunnen slapen.
Terwijl de zon aan een bleke hemel ondergaat, stappen wij in een minibusje dat ons naar het station moet brengen. We denken goedkoop uit te zijn met het busje, maar als we bij het station aankomen zien we dat we weer eens het slachtoffer van de Chinese handelsmentaliteit zijn geworden. Het station bevindt zich boven aan een zeer lange trap. De chauffeurs willen ons wel boven afzetten, maar dan moeten we eerst nog vijftien yuan extra lappen. Maar goed, dat is Ashraf zijn probleem. De transfers zijn tenslotte inbegrepen.
Bij het station wacht ons een nieuwe teleurstelling. De nachttrein is al vertrokken en er wordt voor morgen geen andere trein verwacht. We moeten nu een hotel zien te regelen. Er is er wel een aan het stationsplein, maar die laat alleen Chinezen als gast toe. 1993 is in dit land nog ver weg. Een ander hotel in de buurt rekent absurde prijzen. Driehonderd yuan voor een overnachting op een slaapzaal. Dat is echt niet redelijk meer.
Onder de luifel van het station zitten twee Nederlandse reizigers met hetzelfde probleem. Zij zeggen inmiddels aardig de balen te hebben van China. Vooral door de afzetpraktijken. Zo heeft een tochtje naar Tibet ze echt een rib uit het lijf gekost. Dat is overheidsbeleid om buitenlanders weg te houden uit de ‘opstandige’ provincie.
Gerben trekt erop uit om een hotel te regelen en wij wachten af op het grote betonnen stationsplein, boven aan de lange trap. Tegenover het station zijn wat garageachtige restaurantjes, waar we goed kunnen eten.
Na een uur is Gerben nog steeds niet terug. We wilden aanvankelijk op hem wachten met het zoeken van een eetgelegenheid, maar het kan nog wel een uur duren voordat hij terugkeert. We groeperen ons rond de gammele tafeltjes van een eettent tegenover het stationsgebouw. Vandaar kunnen we in de gaten houden of Gerben terugkomt. De restaurants aan het stationsplein zijn niet veel meer dan betonnen hokken met achterin magazijnruimte en voorin de kookplek, die meestal uit een zwartgeblakerd fornuis voor een even zwartgeblakerde muur bestaat. Alles wordt in een paar eveneens zwartgeblakerde wok’s bereid, maar het smaakt meestal redelijk tot goed.
De eigenaar van het restaurant begrijpt al snel met wat voor problemen wij kampen en hij biedt ons tegen een zeer schappelijke prijs accommodatie in zijn restaurant aan. Niemand voelt echter veel voor een nacht op een betonnen vloer.
Het mooiste zou zijn als we nog op een nachttrein konden inchecken, maar de enige trein die vandaag nog vertrekt gaat naar Beijing. De eerste trein naar het zuiden zal pas morgenmiddag om half vier vertrekken. We moeten dus wel overnachten in Yichang.
Uiteindelijk komt Gerben terug. Wij zijn al klaar met eten. De enige hotels in de buurt blijken alleen Chinezen toe te laten. Een ander hotel heeft geen kamers meer, maar er is nog een hotel in een buitenwijk van Yichang waar wel plaats zou zijn. We gaan er met een minibusje naar toe. Weer met zijn allen in zo’n krap ding.
We arriveren bij een super-de-luxe hotel, waar inderdaad voldoende kamers beschikbaar zijn. De reisorganisatie zal er niet blij mee zijn, want dit soort hotels kosten een veelvoud in vergelijking met oudere, traditionele hotels. Op de kamer houden we een korte vergadering over de mogelijkheden om de opgelopen vertraging van de afgelopen week in te halen en weer terug te komen op het oorspronkelijke reisschema. We zijn één dag te lang in Chongqing gebleven en hebben een halve dag te lang over de bootreis gedaan. Daar komt nu nog de onbedoelde overnachting in Yichang bij. De groep besluit het natuurpark Zhang Jia Jie over te slaan en zo twee dagen tijd te winnen. Ik voel er echter niet veel voor. Het reusachtige natuurpark is voor wat mij betreft één van de hoogtepunten van deze reis die ik niet wil overslaan.
Van de tijd die ons resteert zullen we vier dagen in Yangshuo en drie dagen in Hong Kong doorbrengen. De rest van de tijd gaat in het reizen zitten. Ik besluit het van de treintijden af te laten hangen of ik alsnog Zhang Jia Jie zal bezoeken. Rond één uur gaan we slapen, na de eerste kakkerlak van deze reis naar de andere wereld geholpen te hebben. Het was een exemplaar van ongeveer vijf centimeter. Die beesten kom je natuurlijk weer alleen tegen in een op en top westers hotel.

Woensdag, 28 juli 1993

Een nachtje luxe heeft mij goed gedaan. Vannacht moest Gerben er nog wel uit om treinkaartjes te regelen, maar ik heb daar niets van gemerkt. Het is de eerste nacht sinds mijn vertrek uit Haarlem dat ik heb uitgeslapen. Pas half elf word ik wakker van een hevig onweer dat de stad teistert. Buiten stroomt de regenvloed langs de ramen van de hotelkamer. De lucht is donkergrijs. Gebroken van de lange bootreis zou ik nog wel een paar uur willen slapen, maar daar is nauwelijks tijd voor. We moeten tijdig op het station zijn en eerst nog de spullen inpakken.
Het minibusje kraakt in al zijn voegen als het ons de steile helling naar het station opsjouwt. Zoals alle Chinezen probeert ook deze chauffeur zo lang mogelijk in de hoogste versnelling te rijden om brandstof te besparen.
Gelukkig is de regen opgehouden. Ik besluit nog even naar een nabijgelegen bank te gaan om een Traveller Cheque te verzilveren, voor het geval ik toch naar het natuurpark ga. Veel Chinees geld heb ik namelijk niet meer.
Volgens Gerben kon ik ook in een hotel geld wisselen, maar na een half uur lopen heb ik het bewuste hotel nog steeds niet gevonden en besluit ik voorbijgangers toch maar de weg naar de bank te vragen. Eerst word ik naar een filiaal gestuurd, maar dat blijkt gesloten wegens verbouwing. Er is nog wel een hoofdkantoor, maar dat ligt aan de andere kant van het station. Minstens een half uur lopen. Een meisje dat een beetje Engels spreekt loopt met mij mee naar de hoofdstraat en schrijft op een blaadje het adres van de Bank of China. Dat moet ik aan de buschauffeur van lijn 1 laten zien.
Gelukkig heb ik tijd zat want het is pas half drie. Over een uur komt de trein.
Een particulier lijnbusje brengt mij naar de bank, maar eenmaal binnen oogst ik alleen gegiechel als ik mijn cheques laat zien en gebaar dat ik geld wil hebben. ‘San dian’ schreeuwen de meisjes achter de balie met een gezicht alsof ze er ‘domme buitenlander’ aan willen toevoegen. San dian betekent drie uur. Dan gaat de bank weer open. Intussen zit het volgens de socialistische definitie van service geschoolde personeel boekjes te lezen, thee te drinken en over de krant te discussiëren. Ik baal enorm, want als de bank om drie uur opengaat heb ik mijn geld nog niet. Dat ritueel duurt ook nog gemiddeld twintig minuten. Zo houd ik weinig tijd over om op tijd op het station te komen. Goed voor mijn reputatie als eeuwige laatkomer die ik toch al onder mijn medereizigers geniet.
Na een half uur inwendig vloeken op de Chinezen word ik eindelijk geholpen. De baliemedewerkers staan zuchtend op om zich door de rest van de zware werkdag te slepen. Ik neem maar meteen voor honderdvijftig dollar op, dan ben ik voorlopig weer even van de Bank of China verlost.
Na weer vele handtekeningen en stempels heb ik eindelijk weer een stapel FEC’s. Het is inmiddels tien over drie en ik riskeer mijn nek om nog op een al rijdend busje te springen. Als ik vijf minuten later op het station aankom, doodmoe van de lange trap en de al weer brandende hitte, zit alleen Anke nog op het stationsplein. De rest is al naar het perron. Anke had behoorlijk de pest in. Ze dacht echt dat ik niet meer op tijd zou terugkomen. De trein is er nog niet, maar we mogen wel al vast het perron op. Er zijn nog maar weinig passagiers, maar we verwachten dat de trein wel weer bomvol zal zitten en dat het knokken om hard-seat-plaatsen wordt.
Daar komt de trein. Een oude beroete diesellocomotief met een eindeloze sleep van de bekende groene wagons. We werpen direct de bagage door de open ramen naar binnen en klimmen er achter aan. Zo hoeven we niet te wachten tot de andere reizigers zijn uitgestapt. We beginnen het al te leren om alle fatsoensnormen opzij te zetten.
Achteraf blijkt de moeite voor niets geweest te zijn. Er zijn zelfs nog zitplaatsen over. Heel zeldzaam voor een Chinese trein. Gerben zoekt meteen een conducteur op om de kaartjes tegen plaatsbewijzen voor de hard-sleeper-afdeling te ruilen. Nu het nog niet zo druk is in de trein moet dat lukken.
Ik hoef geen hard-sleeper-kaartje. Omdat de trein op tijd is besluit ik definitief om toch naar Zhang Jia Jie te gaan. Ik ben de enige. De rest is te uitgeput voor nog een avontuur met mogelijke vertragingen. Het maakt mij niet uit.
Anke en Gerben zijn niet erg optimistisch over mijn voornemen. Zij geven mij voor de zekerheid maar vast het adres van het hotel in Hong Kong mee en drukken mij op het hart dat ik daar tijdig moet arriveren om het vliegtuig naar huis te kunnen halen. Maar ik verwacht niet dat het zo’n vaart zal lopen.
In de trein zit een groep toeristen uit Kanton. Zij gaan ook naar Zhang Jia Jie en nodigen mij uit binnen hun gezelschap. We moeten met deze trein tot Dayong, waarna de groep verder naar het zuiden zal reizen.
Het schijnt dat een groot deel van de passagiers net als ik voor een bezoek aan Zhang Jia Jie in deze trein zit. Het park is erg populair onder de Chinezen. Maar buitenlanders komen er vrijwel nooit. Misschien verandert dat als het vliegveld van Dayong opengaat. Nu kun je het park alleen per trein bereiken en duurt de reis bijna een etmaal vanaf de meeste grote steden. Tegen de avond komt er een stoomlocomotief voor de trein. Ook tegenliggend verkeer, hoofdzakelijk goederentreinen met tankwagons, wordt door stoomlocomotieven getrokken.

Ik maak wat foto’s van de nostalgische trein met de rode avondlucht als decor. Het lokpersoneel smeert de zuigers en draaiende onderdelen van de imposante machine. Een conducteur staat te schreeuwen dat ik niet op de rails mag staan, maar ik versta gelukkig geen Chinees. Ik wil nog een foto van de locomotiefbemanning maken, maar dat gaat echt te ver. Het schijnt dat je officieel helemaal geen foto’s van treinen mag maken, maar dat het meestal gedoogd wordt.
Weer in de trein maak ik kennis met een oude Chinees die redelijk Engels spreekt. Hij is leraar en gaat net als ik naar Zhang Jia Jie. We praten over dynastieën en het natuurpark. Hij bevestigt nog eens mijn vermoeden dat dit een typische toeristentrein is en dat de meeste passagiers op vakantie het beroemde natuurpark aandoen. Hij stelt mij voor aan een jongere Chinees die gids van de CITS is. In tegenstelling tot de CITS-medewerkers in de hotels van de grote steden, spreekt deze jongen geen Engels. Maar de oudere man is bereid als tolk op te treden.
Sinds mijn aankomst in China heb ik een flinke aversie tegen de CITS opgebouwd. Het zijn uitzuigers die voor veel te veel geld uiterst beroerde service leveren en voor wie vriendelijkheid een volkomen onbekend begrip is. De gids van vanavond vormt daarop een uitzondering. Waarschijnlijk omdat hij niet is aangesteld als gids voor buitenlanders. Hij heeft alleen met Chinese toeristen te maken, en daar mag men wel vriendelijk tegen zijn.
Met behulp van de conducteur plannen we de rest van mijn reis. Het ziet er goed uit. Deze trein komt rond middernacht in Dayong aan. Daarvandaan vertrekt precies twee dagen later een nachttrein naar het zuiden met directe aansluitingen naar Yangshuo. Dat betekent dat ik slechts één dag later in Yangshuo zal aankomen dan de rest van de groep. De gids zegt wel een hotel voor mij te weten voor vannacht. Dat kost dan twintig yuan. Een bedrag van niets.
Voordat we in Dayong zijn spelen nog wel wat gevoelens van twijfel mij parten. Moet ik de veiligheid van de groep wel opgeven voor een solistisch avontuur in een afgelegen natuurpark waar nog vrijwel geen buitenlander zich ooit vertoont?
Zal ik ooit nog in Hong Kong aankomen? Maar nee! Ik ben niet voor gemak of comfort naar China gegaan. Ook niet om te luieren. Ik wil Zhang Jia Jie voor geen goud missen. Terwijl mijn reisgenoten naar bed gaan in de hard-sleeper-wagon blijf ik bij de Kantonezen zitten. Anke en Jozien blijven nog even bij mij zitten en zwaaien mij uiteindelijk uit als ik met de Chinese groep op het donkere perron van station Dayong achterblijf.
Dayong is uiterst primitief. De straten zijn nauwelijks verlicht en het wegdek bestaat uit losse stenen en modder. Met mijn zware bagage sjok ik over een lange betonnen trap achter de Chinezen aan. De CITS-gids loopt naast mij. Beneden staat een groot aantal minibusjes. In sommige liggen de chauffeurs languit op één van de banken van hun nachtrust te genieten. Hoewel, genieten?
De gids voert mij naar een kazerneachtig gebouw dat voor hotel moet doorgaan. Prachtig. Dit is het soort hotels dat normaal alleen voor Chinezen toegankelijk is. Ik beschouw het bijna als een voorrecht om hier te mogen overnachten. Exclusief is het echter wel. Ik krijg een aparte kamer. De rest van de reizigers delen kamers om geld uit te sparen. Maar een buitenlander met Chinezen in één kamer kan niet, volgens de CITS-gids.

Zo slaap ik vannacht dus alleen in een vierpersoonskamer. Nou ja, ze willen het nu eenmaal zo.
Het gebouw is Spartaans ingericht. De bedden zijn keihard. De raamkozijnen zo verrot dat de ramen niet meer gesloten kunnen worden. De wc’s zijn achter in de betonnen gang en de douches in een betonnen bunker buiten in de tuin. Toch valt het al met al bijzonder mee. Er is elektriciteit zodat ik eindelijk de accu van de computer weer kan opladen. De douches geven warm water. Het is op de toiletten na schoon en op de kamer staat een kleuren-tv. Tegen een uur of twee ga ik op een van de bedden liggen, waarop ik alle vier de matrassen heb gelegd, sluit de klamboe en val in een onrustige slaap.

Donderdag, 29 juli 1993

’s Nachts word ik verschillende keren wakker van het galmende lawaai in de toeristenkazerne. Steeds slaan deuren dicht en klinkt geschreeuw door de kale, betonnen gangen. Buiten gillen voortdurend de rangerende stoomlocomotieven op het op de hoge spoordijk gelegen spoorwegemplacement. Alleen doven slapen rustig in China.
Half zeven sta ik gebroken op en bestel een eenvoudig ontbijt in het restaurant beneden. De menukaart is in het Chinees dus kies ik maar weer een gerecht door iets op een andere tafel aan te wijzen. Gestoomde broodjes en linzensoep. Een standaardontbijtje in dit land met één miljard zielen.
Acht uur vertrekt er vanaf het naast het hotel gelegen station een minibusje naar het park. Het zit vol Chinezen. Ik ben de enige buitenlander. Toeterend, kreunend in de hoogste versnelling, zet het busje koers naar de bergen. Zhang Jia Jie ligt op zo’n vijftienhonderd meter boven zeeniveau. Dat wordt nog een behoorlijke klim.
Het landschap wordt steeds indrukwekkender en de vegetatie verandert sterk met de toenemende hoogte. In de verte zijn al enkele van de bizarre rotspieken te zien, waaraan het park een deel van zijn populariteit dankt.
In een onoverzichtelijke bocht leggen politieagenten een deken over een door een vrachtwagen platgereden fietser. Het verwrongen rijwiel ligt een paar meter verderop. De mensen kijken hier niet meer op van een verkeersdode, maar ik kan er niet aan wennen. Het bloedspoor op het asfalt maakt een reconstructie overbodig.
Na anderhalf uur komen we bij het natuurpark aan en kruip ik verkreukeld uit het busje. Het dorpje, dat zijn bestaansrecht geheel aan het park dankt, telt enkele hotels en wat souvenirwinkeltjes. Ik loop op goed geluk naar één van de hotels en kan direct over een kamer voor de volgende nacht beschikken. Goedkoop is het hotel niet. Bijna tien maal zo duur als de kazerne van afgelopen nacht, maar het is in ieder geval wel comfortabel en ik heb een mooie kamer met een eigen badkamer.
Het weer ziet er niet veelbelovend uit vandaag. Het is nog wel droog, maar de zware wolken rond de rotspieken voorspellen niet veel goeds. Ik pak de spullen die ik in het park nodig zal hebben, zoals mijn statief dat ik ook als wandelstok wil gebruiken, de fotoapparatuur en een fles bronwater.
Hoewel het park nog vrijwel geen buitenlandse bezoekers krijgt, is het er wel op ingesteld. De vele reclamespandoeken zijn versierd met Chinese karakters met daaronder de Engelse vertaling. Ook zijn er speciale toegangskaartjes voor buitenlanders. 20 FEC, zo’n drie euro, kost de entree. Dat is uiteraard weer niet de Chinese prijs, maar het kaartje is inclusief een bijdrage voor de parkbrandweer. Die is volgens de tekst op het entreebewijs speciaal uitgerust voor bestrijding van bosbranden. Omdat voorkomen beter is dan blussen, bevat het kaartje ook diverse waarschuwingen omtrent de omgang met vuur en sigarettenpeuken. Overigens kostte een kaartje drie jaar voor mijn komst nog maar 2,3 yuan, zo is in mijn reisbijbel te lezen.
Het is jammer dat het niet toegestaan is om te fietsen in het park. De afstanden zijn namelijk nogal fors. Het enige alternatief voor lopen is een draagbaar met twee dragers. Maar daar zie ik mijzelf niet in zitten.
De weg naar het park is overluifeld met spandoeken vol propaganda voor het park. Alsof je je hier nog zou bedenken om het te bezoeken. Alles is netjes in het Engels vertaald, ook de richtingaanwijzers en waarschuwingsbordjes.
Bij de ingang word ik direct besprongen door een aantal gidsen die beweren hun Engels te willen oefenen. In werkelijkheid willen zij zich als gids opdringen, maar ik wil helemaal geen gids. Ik kom hier voor mijn rust en niet om uren aan de zijde van een kwekkende Chinees te lopen. Ik zet demonstratief mijn walkman op, maar dat weerhoudt de grootste volhouders niet om mij nog minuten lang te vergezellen met uitleg over van alles waar wij langs lopen. Pas na dik een kwartier heb ik de laatste gids afgeschud en kan ik in alle rust genieten van mijn wandeling.

Het is aangenaam koel op deze hoogte en uitstekende wandelpaden maken het verblijf in het park bijzonder aangenaam. Overal om mij heen zie ik de grillige rotspieken tot soms wel honderd meter hoog oprijzen. De toppen verdwijnen in de laaghangende bewolking. Langs het pad stroomt een glasheldere rivier over een bedding van veelkleurig grind en rode rots. Het is net een acqarel, maar dan in het echt. Ik had na een paar weken stoffig China zo’n natuurpracht niet meer verwacht in dit land. Voor mijn oriëntatie beschik ik over een uiterst eenvoudig kaartje. Maar door de karakters op het kaartje te vergelijken met de tekens op de bordjes weet ik redelijk de weg te vinden.

De rotspieken komen overal op de meest willekeurige plaatsen uit het landschap omhoog. En overal groeien prachtige bomen. Soms zelfs op de loodrechte wanden van de bergen. Doordat het park hoog ligt en er zoveel dichte bossen zijn is het er heerlijk fris. Eindelijk kan ik eens wandelen zonder dat direct mijn kleren doordrenkt raken van transpiratie. Na dik anderhalf uur kom ik bij een kruispunt van wegen uit. Er is ook een restaurant. Als ik een richtingaanwijzer bestudeer zie ik dat ik verkeerd ben gelopen. Ik ben niet op het punt uitgekomen dat ik voor ogen had toen ik aan de wandeling begon. Teruglopen lijkt mij gezien de afstand echter geen reële optie, daarom probeer ik maar een nieuwe route te plannen. Ik pak het inmiddels verfomfaaide kaartje erbij en probeer te ontdekken waar ik precies ben.
Het lukt niet erg en ik besluit de hulp van een kleine jongen in te roepen. Ik wijs hem op de kaart waar ik naar toe wil en hij wijst mij in de richting van een brede kloof.
Het duurt even voordat ik weer een wandelpad heb gevonden, al is dit lang niet zo mooi als het pad van het begin van de route. Het is meer een bospad dat vlak langs de woeste beek loopt. Af en toe moet ik een stroom kruisen en dat gaat niet makkelijk zonder natte voeten te krijgen.
Het landschap vertoont duidelijke sporen van recent natuurgeweld. Ik had van de Chinezen al gehoord dat het park onlangs door zeer ernstig noodweer is getroffen. Langdurige en heftige regenval heeft zware lawines en aardverschuivingen veroorzaakt, waardoor het grootste deel van het park ontoegankelijk is geworden. Het uitgestrekte wegennet is vrijwel geheel buiten gebruik.
Hier en daar wordt het pad versperd door omgevallen telegraafmasten. Elders zijn delen van het pad in de beek verdwenen. Naarmate ik verder kom, wordt het lopen moeilijker. Het weer heeft waarschijnlijk ook zijn tol geëist voor wat het natuurschoon betreft, want het enige mooie in het park zijn de rotsformaties en de veelkleurige gesteenten. Van de weelderige flora en fauna is niets te bespeuren. Er zijn trouwens helemaal weinig bloemen. Dieren zie ik ook niet.
Ik loop al een minuut of twintig door de woestenij. Van het pad is niets meer over. Misschien wordt het verderop beter, omdat de kloof omhoog klimt. Na ruim een uur zie ik links een kloof. Die moet volgens de kaart doorlopen naar een hoogvlakte, vanwaar ik weer in een kloof richting ingang kan komen. Ik besluit het erop te wagen.
Het pad in de kloof verkeert nog in een redelijk goede staat. Het is wel niet betegeld, maar wel goed begaanbaar. Klimmend over omgevallen elektriciteitspalen en draden begin ik aan de nieuwe route. Ik vrees dat de tocht er niet makkelijker op zal worden en ik zie al snel dat mijn vrees gegrond is.
Er is nog wel een pad, maar soms zijn er stukken van meer dan honderd meter dat ik langs de afgrond moet klauteren. Ik begin te geloven dat ik deze tocht beter niet alleen had kunnen ondernemen. Maar ik moet verder. Gelukkig is het niet mogelijk om te verdwalen in de kloof. Aan een omgevallen boom hijs ik mijzelf omhoog naar een richel waar ik het vervolg van het pad vermoed. Een tijdje gaat het goed, maar dan nader ik het punt dat het dal – en dus ook het pad – zeer stijl omhoog gaat lopen. Het pad gaat over in een trap die er voor wat het onderhoud betreft niet beter aan toe is dan het deel van de route dat ik al achter de rug heb. Soms maakt de trap even een paar meter plaats voor een glibberige helling.
Het valt niet mee. Mijn schoenen zijn niet geschikt voor dit werk. Gelukkig zijn ze nog wel heel. Ik had deze tocht echt niet op mijn Bristol-stappers moeten maken. Maar ook de Li-ning’s, de Chinese Nikes, zijn niet op dit zware werk berekend. Er zit veel te weinig profiel onder mijn zolen om grip te krijgen op de vochtige löss-bodem. Gelukkig zijn er boomwortels om mij aan omhoog te trekken en glijd ik niet uit. Want als ik mij dan niet tijdig vastgrijp, kom ik in de kloof beneden terecht. Ik rust af en toe even en kijk dan op de kaart. Ik vraag mij af of ik moet doorgaan of terugkeren. Volgens de kaart moet ik ongeveer halverwege het moeilijkste deel zijn. Ik kan dus net zo goed doorgaan, want dan ben ik in ieder geval veel eerder bij de uitgang van het park. Ik moet eruit zijn voordat het donker wordt.
Volgens de kaart voert het pad uiteindelijk naar een dal dat even hoog ligt als de toppen van de piekrotsen. Daar zijn wat boerderijtjes en begint de weg die naar de uitgang van het park leidt.
De tijd vordert en het begint te regenen. Ook de mist wordt steeds dichter. Toch moet ik er nu bijna zijn. Tussen de mistflarden door zie ik de toppen van de bergpieken. Ik zit ongeveer op dezelfde hoogte. Het dal ligt echter nog iets hoger. Nog even klimmen dus. Eindelijk zie ik een van de op de kaart aangegeven boerderijtjes. Een Chinees meisje, dat voorbij wandelt, kijkt mij verbaasd aan. Gelukkig houdt de regen op. Ik wandel naar de boerderij en vraag een vrouw, die buiten aan het werk is, hoe ik bij de weg naar de uitgang kan komen. Zij wijst in de richting van de vallei en brabbelt er een paar korte Chinese woorden bij. Ik versta er niets van, maar begrijp wat zij bedoelt.
Via een pad langs de rijstvelden loop ik in de aangegeven richting. Ik vraag voor de zekerheid nog even de weg aan een boer die met zijn zoontje passeert. Hij wijst in dezelfde richting en ik vervolg mijn weg.
Aan het begin van de vallei kom ik bij een prachtig uitzichtpunt aan. Ik zie de bergen als plooiende gordijnen voor mij liggen. Met de afstand worden zij steeds lichter als gevolg van de mist.
Tijdens het begin van de afdaling hoor ik een groep mensen die voor mij uitloopt. Al snel haal ik ze in. Het zijn Chinese studenten op vakantie. Door elkaar schreeuwend proberen ze uit te vissen waar ik vandaan kom.
Een van de meisjes uit de groep stapt naar voren als ze hoort dat ik uit Nederland kom. Haar moeder woont in Nederland, zegt ze. In Leiderdorp. Het duurt even voordat ik die plaatsnaam uit het Chinese gejengel heb kunnen afleiden, maar dan is het lachen. Een jongen vraagt zich verbaasd af waar de rest van mijn groep is. Hij kan het niet geloven dat ik alleen door het park loop. Zo iets doe je toch niet? De Chinezen moeten hartelijk lachen om mijn pogingen om hun taal na te bootsen. Maar als ik hen Leiderdorp correct probeer te laten uitspreken, ben ik het die kan lachen. Ze bakken niets van het Algemeen Beschaafd Nederlands.
De studenten stappen weer op, maar ik blijf nog even achter om van het uitzicht te genieten. Het gezelschap is mij te druk om mij er bij aan te sluiten. Bovendien zou ik onevenredig veel aandacht krijgen en doodvermoeid raken door de moeilijke communicatie met de studenten, waarvan er niet één een westerse taal spreekt.
Voordat het gezelschap uit het gehoor verdwenen is, en dat duurt wel even, vervolg ik mijn wandeling. Door het groepje op een afstand te volgen, loop ik minder risico om te verdwalen en niet voor donker het park uit te komen.
De weg voert steil naar beneden. Eerst nog over een platgelopen pad door de vegetatie, maar na een tijdje gaat de route verder via een keurig betegeld pad. Aan de kant zitten arbeiders nieuwe tegels uit te hakken om de door het recente natuurgeweld vernielde paden te herstellen.
Veel eerder dan verwacht bereik ik de uitgang van het park. Nog te vroeg om alweer naar het hotel te gaan. Ik loop daarom nog een stuk via een andere route die naar een bloementuin moet leiden. Helaas zie ik nergens bloemen. Het is er de tijd niet voor, of de bloemen zijn door de vele regen van de afgelopen tijd niet opgekomen. Wel zie ik talloze vlinders, die ik met veel moeite op de foto probeer vast te leggen.
De zijroute, die langs een indrukwekkende rotsenkloof voert, verkeert in een slechte staat. Over een grote lengte is het pad weggeslagen en moet ik langs de glibberige hellingen stuntelen om verder te kunnen. Beneden kolkt een woeste stroomversnelling. Toch kom ik hier weer redelijk wat wandelaars tegen. Bijna iedereen groet met een wat spottend ‘hello’. Het enige Engels dat ze kennen. Door de manier van groeten en de intonatie begint de Chinese hartelijkheid mij al snel de keel uit te hangen. Ik voel mij af en toe net een aapje in Artis wiens aandacht de hele dag getrokken wordt door een tegen het glas tikkend en gebaren makend publiek.
Na een uur keer ik via dezelfde route terug naar de uitgang van het park. Een gids blaft mij toe dat ik terug moet naar de uitgang, omdat het al laat is. Andere gidsen vragen mij verschillende keren waar mijn groep is. Die bemoeienissen komen voor uit de ziekelijke drang tot sociale controle onder de Chinezen. Maar ik moet toegeven dat het snel donker wordt. Ook al is het nog niet eens zes uur in de namiddag.
De kloof komt weer uit bij de hoofdroute langs de heldere bergstroom. Het is dan nog een uur lopen naar de ingang. De afstanden zijn in werkelijkheid veel groter dan ze op het kleine plattegrondje lijken. De kaart doet voorkomen alsof het om een middelgroot stadspark gaat, maar Zhang Jia Jie is meer dan 130 kilometer lang.
In mijn hotel is alles gesloten, dus ga ik naar een verderop gelegen hotel om te kijken wat er te eten is. Daar probeert men een loopje met mij te nemen. Ze hebben wel bier, maar dat kost vier dollar. In werkelijkheid hebben ze gewoon geen zin in gasten. Zeker niet in iemand die alleen komt. Daar is de horeca niet op ingesteld.
Na wat winkeltjes te hebben bekeken, keer ik terug in mijn eigen hotel. Het restaurant is inmiddels open en ik bestel op advies van mijn Berlitz-boekje een vegetarische maaltijd en een fles bier. Het smaakt uitstekend.
Omdat er behalve het nu gesloten park niets te beleven is in de buurt, stap ik vroeg in bed na een uitgebreide douche.

Vrijdag, 30 juli 1993

In het hotel bij het park lukt het slapen een stuk beter dan in Dayong, maar al om vijf uur word ik wakker. Naast het hotel staat een grote fabriek, die ’s morgens heel vroeg lawaai begint te maken. Wat ze behalve herrie produceren is mij niet duidelijk, maar het ziet er erg vies uit. Niet iets om naast een natuurpark te vestigen. Maar ja, dit is China.
Ik doe het raam dicht, maar daarmee maak ik geen einde aan het lawaai. Als het om zeven uur licht geworden is, sta ik op zonder intussen nog geslapen te hebben. Mijn ontbijt bestaat vandaag uit een gebakken ei en een glas melk. Ik had eigenlijk heel stevig willen ontbijten, maar de serveersters snappen er weer niets van. Zelfs niet als ik hen mijn bedoeling in Chinese karakters uit het Berlitz-boekje voorschotel. Dan maar weer de oude truc. Ik wijs een maaltijd aan bij enkele van de andere gasten op tafel. Maar dat is niet meer voorradig. Ook van wat er op de menukaart staat, is er bijna niets leverbaar. Ik kan mij nu voorstellen dat er hier niet veel buitenlandse bezoekers komen. Had ik mijn volle Albert-Heijn-tassen nog maar. Nu ben ik door mijn noodrantsoen heen en kan ik met een lege maag de hele dag gaan wandelen. Maar goed, één dag, dat moet uit te houden zijn.
Eerst moet ik in een ander hotel mijn treinkaartje regelen. De CITS-man is al op en maakt mij duidelijk dat alles in orde is. Vanavond heeft hij mijn kaartje. Een enkeltje hard-seat naar het zuiden.
Vandaag bezoek ik het oostelijke deel van het park. Eerst volg ik dezelfde route als gisteren, maar in plaats van de zijvallei in te slaan ga ik ditmaal rechtdoor. Onderweg passeert een busje mij en kan ik voor een klein bedrag een eindje meerijden. Dat scheelt wel, want het is een flink stuk wandelen waar ik naar toe wil.
Na een minuut of tien bereiken wij het voorlopige eindpunt, omdat de rest van de weg voor voertuigen onbegaanbaar is geworden.
Ik bof dat ik een paraplu heb meegenomen, want het begint weer te regenen. Het is vandaag nog slechter weer dan gisteren.
Op een gegeven moment ontdek ik tot mijn schrik dat ik mijn kaart verloren heb. Ik moet zien dat ik aan een nieuwe kan komen, want het is onverantwoord om zonder kaart door dit immense park te lopen. Even een verkeerde weg inslaan kan een omweg van uren veroorzaken en ik moet vanmiddag om drie uur weer uit het park zijn om op tijd mijn voorbereidingen voor het vervolg van de reis te kunnen treffen. Tenslotte moet ik ook nog eerst met een busje de veertig kilometer richting Dayang weer afleggen.
De regen duurt niet lang en na een tijdje kom ik een winkeltje tegen waar ik een nieuwe kaart koop. De kaart kost vijf yuan, maar ik krijg hem voor twee mee. Ik vergeet nog bijna mijn paraplu, maar gelukkig roept de winkelier mij terug.
Even later passeer ik de Apentuin, maar apen zie ik niet. Vast gevlucht voor de regen. De weg voert steeds verder omhoog en na een tijdje zit ik midden in de laaghangende bewolking. Om mij heen zie ik vrijwel niets meer, maar ik kom nog redelijk wat wandelaars tegen. Allemaal in groepsverband. Sommige mensen laten zich dragen op een draagstoel met twee broodmagere dragers. Anderen laten hun kinderen in een draagstoel meereizen. Als poedeltjes opgedofte poppetjes die geen moeie beentjes mogen krijgen.
Aan het eind van het pad moet zich een heel mooi uitzichtpunt bevinden. Dat klopt ook, al is er vandaag niet veel te zien. Alleen mist. Jammer dat ik hier maar zo kort ben en dat het beide dagen matig tot slecht weer is.
Het uitzichtpunt ligt boven aan een eindeloos lange trap. Onderweg moet ik door de snelle stroom waden omdat de brug eroverheen ingestort is. Ook de dragers met hun zittende passagiers moeten over de glibberige rivierbedding klauteren, maar zij zijn daar ondanks hun last handiger in dan ik. Ik ben blij dat de paraplu mij wat steun geeft.
Met behoorlijk wat moeite kom ik weer op het pad terecht, dat weer als trap verder omhoog voert. Beneden zie hoe twee dragers het opgeven en hun passagier, een oud vrouwtje, toch maar zelf door de rivier laten waden. Ze heeft zichtbaar spijt van de ogenschijnlijk makkelijke onderneming die een tochtje per draagbaar door Zhang Jia Jie lijkt.
Op een gegeven moment stop ik met verder klimmen. Er komt echt geen einde aan de route en het hier en daar weggespoelde wandelpad maakt het er niet makkelijker op om verder te komen. Ik besluit daarom maar terug te gaan, zodat ik in ieder geval op tijd terug zal zijn. Tenslotte kan ik er niet vanuit gaan dat er nu weer een busje langs zal komen. De afdaling gaat een stuk sneller dan de klim, maar toch ben ik nog een behoorlijke tijd onderweg. De route leidt naar een brede vallei vol omgevallen bomen, die lukraak over elkaar in de snel stromende rivier liggen. Het gewassen grind van de rivierbedding vertoont prachtige kleuren.
Op een gegeven moment staat een deel van de weg onder water. De rivier stroomt er gewoon overheen. Dat had ik op de heenweg ook wel gezien, maar toen zat ik in het busje dat er met enige moeite nog wel doorheen reed. Nu moet ik mijn schoenen en sokken uitdoen en mijn broek tot over mijn knieën opstropen om er zonder natte kleren doorheen te kunnen komen. Helaas heb ik geen handdoek bij mij en verder lopen op blote voeten is vanwege de modderige weg niet zo verstandig. Ik steek daarom maar mijn natte voeten in mijn gymschoenen en leg mijn sokken over mijn rugzakje. Als mijn voeten droog zijn, trek ik ze wel weer aan.
Anderhalf uur en ongeveer driehonderd ‘hello’s’ later arriveer ik tot mijn grote opluchting eindelijk bij de ingang van het park. Het is inmiddels kwart over vier. Ik loop dus ruim een uur achter op mijn schema. Snel koop ik nog even een boek van het park, wat ansichtkaarten en een plattegrond voor Gerben. Dan haal ik snel de rugzak op die achter de balie van het hotel staat.
Gelukkig heb ik snel een busje te pakken. ‘Dayong?’, vraag ik. ‘Dayong!’, schreeuwt de chauffeur terug. Comfortabel is het niet. Het busje is overvol en rijdt als een slak, ondanks dat de weg bergafwaarts voert. Gelukkig zijn mensen achterin bereid een beetje in te schikken zodat ik met mijn omvangrijke bagage kan zitten.
Onderweg krijgt de conducteur tweemaal ruzie met passagiers en beide keren besluit de chauffeur daarom het busje aan de kant te zetten. Ik baal pas goed als we bij het eindpunt aankomen. Het busje ging niet naar het station, maar naar het midden van de stad Dayong. Het is inmiddels half zes en ik moet nu een busje naar het station zien te vinden. Of een taxi. Gelukkig vind ik een ander busje dat wel naar het station gaat. Het is nog een flinke rit, maar tot mijn opluchting gaat het nu sneller en in de goede richting. In het kader van de goede service van de spoorwegen ligt het station vele kilometers buiten de stad.
Toch heb ik nog tijd om een hapje te eten en een stukje door de straat te wandelen, waar jongeren op versleten tafels partijtjes poolbiljart spelen. Vanwege de hygiëne van hotel en keuken besluit ik voor de zekerheid maar weer vegetarisch te eten. Dat is toch minder link dan een vleesmaaltijd.
Het CITS-mannetje heeft inmiddels voor veel geld mijn treinkaartje geregeld. Er zit nogal verschil tussen het bedrag op het kaartje en wat ik moet betalen. Maar dat maakt mij nu niet zoveel meer uit. Naar Nederlandse maatstaven blijft het om luttele bedragen gaan. Acht uur moet de nachttrein aankomen. Hopelijk kan ik een zitplaats bemachtigen, want zo leeg als de trein bij Yichang zal ik wel niet meer meemaken. Om zes uur is het donker en zit ik in het wachtlokaal van de hardseat-passagiers. Ik vraag mij af of ik toch niet beter hard-sleeper had kunnen kopen. Maar de vraag is of ik op zo korte termijn een bed had kunnen reserveren.
In het wachtlokaal is het verstikkend heet. De grote ventilatoren aan het plafond geven geen merkbare koelte. Ik probeer mijn westerse uiterlijk te misbruiken om eerder op het perron toegelaten te worden, maar dat lukt alleen met een kaartje voor de duurdere klassen. Het is al ver over achten als ik een trein hoor naderen, maar het blijkt een locomotief zonder wagons te zijn. De meeste treinen die passeren vervoeren goederen. Steeds als er een goederentrein langsrijdt zie ik de velen Chinezen teleurgesteld weer hun bagage neer zetten. Ieder heeft zich al voorbereid op de stormloop die straks zal ontstaan op zoek naar de schaarse vrije zitplaatsen in de nachttrein.
Het wachten duurt eindeloos en het lijkt steeds warmer te worden in de kale stationsruimte. De houten deur blijft gesloten, terwijl buiten taxi’s nog steeds passagiers afzetten. Het zweet stroomt van alle kanten van mijn lichaam en ik schaam mij voor mijn vieze uiterlijk. Ik heb mijn laatste schone t-shirt aangetrokken, maar ook dat is snel nat van de transpiratie. Ik hoop maar dat ik niet ruik zoals ik eruit zie.
Pas vijf voor negen rijdt de trein het station binnen. Eerst mogen de passagiers uitstappen. Dan krijgen de reizigers voor de hogere klassen de tijd om rustig hun wagon op te zoeken. Pas als het perron verlaten is, gooit het stationspersoneel het hek open en begint de bestorming van de trein. Alsof het de allerlaatste trein is die ooit zal vertrekken, struikelen de mensen over elkaar in de richting van de deuren. Kinderen worden genadeloos meegesleurd, maar al snel blijkt de moeite voor niets te zijn. De lege plaatsen waren allang ingenomen door passagiers die tot aan Dayong hebben moeten staan en nog steeds is er niet voor iedereen een zitplaats beschikbaar. Ik loop naar wat wagons verderop in de trein, maar het is overal hetzelfde liedje. Ik verheug mij niet echt op deze reis die zestien uur zal gaan duren.
Het eerste deel van de rit moet ik staan. Want zelfs op het stoeltje van de rugzak is zitten niet mogelijk, vanwege het veel te smalle gangpad en de voortdurend heen en weer lopende reizigers. Overal zitten mensen. Er is geen plekje op de vloer meer vrij en zelfs in het stinkende toilet-hok hebben zich passagiers opgesteld. Je snapt niet dat mensen nog op de Nederlandse Spoorwegen durven te mopperen.
Na een klein half uur komen we bij een station aan waar de trein wel een uur blijft staan. Waarschijnlijk om voorrang te verlenen aan een goederentrein. Er stapt vrijwel niemand uit. Ik loop weer een stukje door de trein en ontmoet een meisje dat door op te schuiven een halve zitplaats voor mij vrijmaakt. Eindelijk kan ik even zitten. Ik heb geen rug meer over. Het meisje zegt bevriend te zijn met een Engelse leraar. Ze studeert zelf ook Engels en kan het al aardig spreken. Helaas is ze nogal verlegen en bang om woorden verkeerd uit te spreken. De meeste Chinezen realiseren zich niet dat dat in het Engels niet zoveel uitmaakt. Als je in het Chinees echter een woord verkeerd uitspreekt, kunnen de gevolgen desastreus zijn.
Het is krap met zijn vieren op de toch al op magere personen berekende driezitsbank en een oudere man aan het raam raakt duidelijk geïriteerd door de krappe ruimte die voor hem overblijft. We trekken ons er niet veel van aan en vertellen het een en ander over ons zelf. Het meisje kent Zhang Jia Jie wel, maar ze reageert heel verbaasd als ik zeg dat ik er alleen naar toe geweest ben. Het is echt bijzonder ongebruikelijk om in China zo’n wandeling niet in groepsverband te ondernemen. Dat had ik al gemerkt.
Rond een uur of twee ’s nachts stappen er veel mensen uit en kan ik eindelijk een echte zitplaats bemachtigen. Helaas niet bij het raam, maar ik kan in ieder geval een poging wagen om in slaap te vallen. Net als andere passagiers maak ik mijn bagage met een slotje vast aan het bagagerek. In het zuiden zijn de mensen misschien minder eerlijk dan in het noorden. Ik zit naast twee meisjes van een jaar of achttien die niet ophouden om met een irritant harde stem te converseren. Af en toe zijn ze even uitgepraat en pakt een van hen een vervelend, sprekend videospelletje waarmee zij mij verder uit mijn slaap houdt. Ik begin te balen van deze treinreis. Mijn rug voelt aan of hij door midden ligt. Ik had hard-sleeper moeten nemen. Ook al was dat tien keer zo duur geweest.

Zaterdag, 31 juli 1993

Af en toe slaap ik even. Maar bij elke schreeuw word ik wakker. En er wordt wat geschreeuwd. Ook als de trein remt is het niet mogelijk om door te slapen. Je wordt namelijk met bagage, medepassagiers en al stevig door elkaar gerammeld.
Ik probeer tijdens de soms lange stops op stations wakker te blijven. Want juist dan is het risico om bestolen te worden het grootst. Tijdens het oponthoud lopen handelaars, vaak vrouwen, door de trein om hun waren aan de man te brengen. Ik bestel een warme maaltijd. Een soort bami met pikante groente. Het bestek bestaat uit houten wegwerpstokjes. ’s Morgens rijdt de trein door een prachtig landschap. Duidelijk de subtropen. Sichuan ademde ook al die sfeer uit, maar dit is duidelijk nog een flink stuk zuidelijker. Buffels trekken hun ploeg door de natte rijstvelden en tegen de steile berghellingen klimmen de sawa’s steeds smaller naar boven. De huizen zijn hier van hout gebouwd.
Niet alleen het landschap, ook de mensen veranderen. Ze hebben een donkerder huid en meer Indonesische of Thaise trekjes. Het is jammer dat het bijna onmogelijk is om foto’s te maken. De ramen zijn te smerig en om bij het open raam te komen moet ik over mijn slapende buurvrouw heen kruipen.
Als de trein weer eens ruim een half uur in een station stilstaat, begin ik mij af te vragen of ik wel op tijd in Liuzhou, de eindbestemming, zal aankomen. Als de trein op tijd aankomt heb ik twee uur en een kwartier om de laatste bus naar Yangshuo te halen, maar voor mijn gevoel hebben we al vele uren vertraging opgelopen. Het begon al met een uur vertraging in Dayong. Als ik de bus mis, zal ik waarschijnlijk in Liuzhou moeten overnachten of via Guilin moeten reizen.
Het valt gelukkig mee. Vijf over een rijden we het station van Liuzhou binnen. Ik heb nog meer dan een uur de tijd om de bus te halen. Helaas ligt het busstation in een ander deel van de stad als het treinstation. Ik heb geen tijd om uit te zoeken hoe ik er met het normale openbaar vervoer kan komen, dus neem ik maar een taxibusje, waarvan er genoeg staan voor het station.
De chauffeur snapt direct dat ik naar het busstation moet, dus dat is makkelijk. Hij begrijpt ook dat ik haast heb en dat kost mij het onredelijke tarief van vijftien yuan voor een ritje van nog geen kwartier. De bus naar Yangshuo kost minder.
Ik koop een kaartje en ga op uitnodiging van de beheerster van het busstation op een bankje naast het kaartjesloket zitten. Ik ben blij dat ik geen dag in het overvolle en bijzonder lawaaiige Liuzhou hoef door te brengen, ook al is het volgens de reisbijbel een bezienswaardig stad met interessante contrasten tussen natuur en verstedelijking. De verstedelijking zal echter wel weer de overhand hebben gekregen. Mijn reisbijbel loopt wel vaker een heel eind achter de snel veranderende feiten in het zich met een duizelingwekkende snelheid ontwikkelende China.
De bus is comfortabel en ik heb een prettige plaats aan een raam dat helemaal opengeschoven kan worden. Zo zie ik het drukke verkeer van Liuzhou langzaam voorbijtrekken. Luid toeterend begint de etappe die ongeveer vier uur in beslag zal nemen.
Na bijna een uur ligt de chaos achter ons en zet de bus over een vrijwel verlaten weg koers naar het in de verte liggende karstgebergte. Ik verheug mij op de komende dagen in het stadje Yangshuo, dat in een van de fraaiste landschappen van China gelegen is.
De chauffeur houdt geen rekening met de gaten in het wegdek van de tolweg en jaagt met onverminderde snelheid verder richting Yangshuo. Mijn zwaar op de proef gestelde billen beginnen gevoelloos te worden.
Na vijf uur toeteren we eindelijk Yangshuo binnen. Voorlopig hoef ik een paar dagen niet meer te reizen. Heerlijk.
Yangshuo is niet groot en geeft ondanks het toeristische karakter een prettige indruk. Misschien wel juist door dat toeristische karakter. Dit plaatsje is het Mekka voor rugzakreizigers met zijn beroemde hard-rock-café en het Mickey Mao’s café.

Op straat wordt ik aangesproken door vooral vrouwen die voor mij wel een hotel weten. Ik leg uit dat ik naar het Xilangshan-hotel moet. Een van de vrouwen brengt mij er naar toe. In het hotel begrijpt de receptioniste niet wat ik met ‘Ashraf-groep’ bedoel, maar bladerend door het gastenboek kom ik wel de namen van het reisgezelschap tegen. De receptioniste begeleidt mij naar de eerste etage waar ze mij overdraagt aan de etagewacht. Die brengt mij naar de tweede etage en opent een van de deuren in de gang. Die kamer is echter vol. Na een paar deuren treffen we een kamer met een vrij bed aan en laat de etagewacht mij achter. Ik onthoud het kamernummer en ga in het dorp op zoek naar de overige leden van mijn gezelschap.
Het kost weinig moeite om bekende gezichten te vinden en ik schuif gezellig aan in het restaurantje, waar men redelijk op de westerse keuken is ingesteld. Dat is best een opluchting na het dieet van droogvoer van de afgelopen dagen. Natuurlijk is iedereen heel benieuwd naar mijn avonturen in Zhang Jia Jie. Maar ik ben te moe om te praten. Eerst een hapje eten. In Yangshuo is veel eten verkrijgbaar dat je elders in China tevergeefs op de menukaart zult zoeken. Ik neem zoetzure kip met rijst en natuurlijk een fles bier. Tot mijn verbazing is het toeristische Yangshuo veel goedkoper dan de meeste andere plaatsen die we tot nu toe hebben bezocht.
Ik heb nog niet zoveel toeristen bij elkaar gezien als hier in Yangshuo. Westerse gezichten zijn soms zelfs in de meerderheid. Dat heb ik nog niet meegemaakt in China. De meeste toeristen zijn van het alternatieve slag, net als ik. Rugzakreizigers. Toeristen die een georganiseerde reis maken, komen veel vaker in de veel grotere stad Guilin terecht. Vandaar maken ze dan overdag een boottochtje naar Yangshuo.
’s Middags is het heel druk in Yangshuo. Als de toeristenboten uit Guilin aankomen, verrijst in korte tijd een gigantische markt met toeristische waar. Ook stijgen dan alle prijzen met een factor drie. Na een uur of vier wordt alles weer normaal.
’s Avonds is het heerlijk rustig in het stadje en hangt er een gemoedelijke, bijna mediterrane sfeer. Een heel verschil met de grotere steden van China. Ik ga er echter morgenavond van genieten, want nu verlang ik teveel naar mijn bed. Ik val om van vermoeidheid.
Eerst moet ik even mijn spullen van de kamer van Liesbeth en Jozien halen, waar ik ze zo lang even had neergezet. Maar dan ontdek ik tot mijn grote schrik dat mijn boodschappentas met onder andere mijn laptopcomputer er niet meer staat.
Ik raak een beetje in paniek en ren met een paar sprongen naar beneden om te kijken of de tas nog beneden bij de receptie staat. Maar daar staat hij niet en ook heeft niemand hem zien staan. Ook de etagewacht op de eerste verdieping weet van niets. Ik kan mij niet meer herinneren of ik de tas mee naar boven genomen heb. Hoe moet dit nu verder?
Ik loop terug naar het restaurant en vraag Gerben om hulp. Hij loopt met mij mee naar het hotel en samen proberen we de situatie uit te leggen. Dan vraag ik de etagewacht of hij nog wat andere deuren wil openen. Dat doet hij en dan zie ik gelukkig mijn tas in een van de kamers staan. Ik had hem er notabene zelf neergezet, maar was dat glad vergeten. Ik besluit wat zorgvuldiger met mijn spullen om te gaan, want straks ben ik echt een tas kwijt. Ik sluit snel de al weer lege computeraccu op de elektra aan en duik mijn bed in. Ik ben vannacht met geen kanon wakker te krijgen.

Zondag, 1 augustus 1993

Vandaag is het fietsje huren en de omgeving verkennen. De omgeving van Yangshuo is uniek in de wereld. Overal staan lukraak de kleine karstbergen met hun vrijwel loodrechte hellingen. Ook het landschap tussen de bergen is interessant. Het bestaat voornamelijk uit rijstvelden die perfect in het landschap passen. Sommige velden staan onder water. Er stromen tientallen rivieren en riviertjes door deze streek. Eigenlijk is het een hele grote tuin, waarvoor de natuur de basis heeft gelegd en die de mensen hebben voltooid.
In de hoofdstraat huur ik een goede fiets en ik trek er direct op uit. De vermoeidheid van de afgelopen dagen heb ik er al weer uitgeslapen. Met behulp van een plattegrond verken ik de omgeving, maar het kaartje is even duidelijk als de plattegrond van Zhang Jia Jie. De verhoudingen kloppen totaal niet en al snel weet ik niet meer waar ik zit.

Ik kom in een ander dorpje uit. Onderweg word ik verschillende malen aangehouden door mensen die mij een excursie willen aansmeren. De Gouden Grot en meer van dat moois. Een gids heeft een schrift met daarin door toeristen geschreven verhaaltjes over de excursieobjecten. Er staan ook Nederlandse verslagen in. De Chinees weet ze feilloos in het schrift te vinden. Wel grappig, maar het haalt mij niet over om aan een excursie deel te nemen. Via dezelfde weg als heen fiets ik terug naar Yangshuo. Het wordt warm. De paar schapenwolken in de blauwe hemel zorgen nauwelijks voor schaduw en echt grote bomen die voor verkoeling kunnen zorgen zijn er niet. In de buurt van Yangshuo kom ik fietsende groepsgenoten tegen. We kijken samen naar een vrouw die in de bruingele rivier kleren staat te wassen. Nog met behulp van een zinken teil en een wasbord.

Weer terug in het dorp krijg ik last van buikkramp. De inspanning en het zware klimaat beginnen toch hun tol te eisen. Mijn spijsvertering werkt slecht. Ik heb nauwelijks trek in eten en af en toe word ik ineens duizelig. Wat rust lijkt mij niet slecht en ik trek mij daarom maar even een uurtje terug op de hotelkamer, waar het nog relatief koel is. Ik geniet van een op de markt gekochte watermeloen.
In de namiddag voel ik mij weer beter en ga ik het dorp verkennen. De laatste massatoeristen zijn net naar Guillin vertrokken en de meeste winkels hebben hun rolluiken al weer naar beneden getrokken. Toch zijn er nog veel winkeltjes open. De verleiding is groot om hier voor kapitalen aan nutteloze prulletjes te kopen. Het ziet er allemaal reuze leuk uit en kost bijna niets. Maar ik bedenk mij dat ik de meeste spullen niet nodig heb en dat ik het allemaal wel in het vliegtuig moet zien te krijgen. Eigenlijk heb ik al veel te veel troep bij mij.
’s Avonds eet ik hetzelfde, overigens heerlijke menu van vlees in zoet/zure saus. Ik ben te lui om naar een andere eetgelegenheid te zoeken. De fiets houd ik bij mij. Ik besluit de avond met een bananenmilkshake in het ‘green peek’-restaurant. Voor mijn doen kruip ik vroeg onder de wol.

Maandag, 2 augustus 1993

Vandaag ga ik met Gerben met de bus naar Guilin. Gerben gaat erheen om twee faxen te versturen. Dat kan blijkbaar niet in het kleine Yangshuo. Ik ga erheen om te kijken of ik er een boot terug naar Yangshuo kan pakken.
Onderweg zien wij weer het resultaat van Chinees verkeersgedrag. Een minibus staat verkreukeld langs de weg. Het zal mij verbazen als daarbij geen doden gevallen zijn. Na ruim een uur komen we in Guilin aan. Dat valt even tegen. Het idyllische, veel geroemde plaatsje, romantisch gelegen aan de prachtige Li-rivier blijkt een zeer drukke stinkstad met een verstikkende atmosfeer te zijn. Ik dank God dat wij in Yangshuo zitten en niet zoals verreweg de meeste toeristen in Guilin. Het is er echt niet om uit te houden. We bezoeken dan ook alleen het postkantoor, nadat het niet mogelijk blijkt vanuit hotels te faxen en de Bank of China waar we nog wat geld omwisselen. Dan weer snel terug met de bus, want voor de boot is het waarschijnlijk al te laat.

Op de terugweg is er weer een groot ongeval gebeurd. Ditmaal ligt een vrachtwagen op zijn kant. Je raakt er misschien nog wel eens aan gewend. Ik vind het voorlopig nog afschuwelijk. Terug in het dorp stelt Gerben voor een grote luchtband te huren om daarmee op de Li-rivier te gaan dobberen. Het lijkt mij een prima idee met deze warmte. Je huurt dan voor enkele yuan’s een grote binnenband, waarin je stroomafwaarts drijft.
We lopen een eind stroomopwaarts en gaan te water. Het valt mee. De rivier is niet al te smerig en er staat een matige stroming. Net voldoende om vooruit te komen. Het uitzicht vanaf de rivier is prachtig. Jammer dat het te riskant is om op zo’n tochtje het fototoestel mee te nemen. Het waren ongetwijfeld schitterende plaatjes geworden. We drijven naar een eilandje dat alleen per boot bereikbaar is en nemen er een pilsje. Dat is nogal duur dus moeten we met zijn tweeën met een flesje doen. Dat snapt de uitbaatster niet, dus maakt zij twee flesjes open. Helaas hebben we maar geld voor een. Eerst wordt het mens boos, maar daarna kan zij er wel om lachen. Die domme buitenlanders toch. Mopperend drukt zij de dop weer op de tweede fles. De volgende toerist krijgt bier zonder prik. Dat staat vast.

We dobberen verder en passeren rakelings de vissersboten waarop de aalscholvers staan, waarmee de vissers ’s avonds en ’s nachts uit vissen gaan. De vogels hebben dan een ring om hun strot, zodat zij de gevangen vis niet op kunnen eten. Als beloning voor het vissen vangen, mag op het eind de ring eraf zodat zij hun buit eindelijk kunnen doorslikken.
Voorbij een fraaie boogbrug begint het water erg vies te worden. Het schuimt en er drijft van alles voorbij. Ook ruikt het niet erg fris meer. We besluiten er daarom maar uit te gaan. Een vrachtwagen van het volkstype geeft ons een lift terug naar het dorp. Gelukkig maar, want de hotelslippers die ik voor de gelegenheid had aangetrokken zijn niet echt geschikt om op te lopen. Op een van mijn tenen begint al een pijnlijke blaar te ontstaan.
We brengen de banden terug en gaan ieder nog even op de winkeltoer. Ik bestel een lap zijde voor mijn buurvrouw Kitty, dat had ik beloofd, bij een van de vele naaiateliers in de toeristenstraat. Ook bestel ik een naamstempeltje. Kan ik voortaan overal mijn naam in Chinese karakters op stempelen. Lijkt mij heel nuttig.

Dan huur ik een fiets om nog even de boer op te gaan. Ditmaal naar een ander deel van het dorp. Langs de weg naar Guilin fiets ik een eindje en sla dan op de gok een zijweggetje in. Het is de moeite waard. Ik kom in een authentiek dorpje terecht waar de kinderen inmiddels al van het fenomeen buitenlander op de hoogte zijn. Het ge-‘hello’ is niet van de lucht. Ook kan ik mij niet even omdraaien want dan zitten ze gelijk met hun handen in mijn tas. Gelukkig kan ik ze eenvoudig met mijn fototoestel op de vlucht jagen.

Wat verder kom ik tot de vervelende ontdekking dat de klemschroef van mijn statief eruit getrild is. Ik kan het statief de rest van mijn vakantie dus niet meer gebruiken, want voor zo’n los onderdeel moet je niet in China zijn. ’s Avonds toch maar weer in hetzelfde tentje eten. Saai, maar wel lekker en goed. Yangshuo is een bijzonder aangename plaats en ik neem mij voor er nog eens op vakantie naar toe te gaan als ik een keer het geluk heb voor zaken naar Hong Kong te mogen.

Dinsdag, 3 augustus 1993

Met Rolf en Audrey heb ik afgesproken met de fiets aan boord een boottochtje naar het plaatsje Puyi te maken. Eerst een ontbijtje in het hardseat-café bij het grappige Chinese meisje dat van zichzelf zegt tamelijk lui te zijn en daarom door de week in Yangshuo bij haar werk te wonen in plaats van thuis in een nabij gelegen dorpje. Het ontbijt bestaat uit yoghurt, muesli en banaan en een glas verse melk. Zelfs dat is in dit kleine deel van het grote China overal verkrijgbaar. In de rest van China moet je het met een mengsel van melkpoeder en kokend water doen.
Na het noodzakelijke onderhandelen gaan we even na negenen aan boord van een piepklein bootje. Gelukkig is er vandaag niet veel klandizie zodat we het bootje voor ons drieën hebben. Het tochtje is bijzonder de moeite waard. De omgeving is geweldig mooi vanaf het water. Het is jammer dat de boot zo’n enorme herrie maakt. Hier zou je in stilte van moeten kunnen genieten. Op de band was misschien prettiger geweest, maar dan kan de fiets niet mee. Bovendien doen mijn armen nog zeer van het schuren tijdens het met de handelen peddelen in de band. De wrijving met het rubber van de band heeft lelijke schaafwonden aan de binnenkant van mijn ellebogen veroorzaakt. Andere groepsleden hadden er ook last van.
Het boottochtje is lekker ontspannend en de wind zorgt ervoor dat de temperatuur dragelijk blijft. Vandaag is het aan de warme kant. De zon schijnt fel en er is niet veel bewolking. De tocht duurt ook een stuk langer dan we verwacht hadden. Pas na anderhalf uur meren we aan bij een steile helling, waar we onze fietsen met de grootste moeite tegenaan duwen. Rolf en Audrey hebben een mountainbike gehuurd, ik liet mijn keuze op een ouderwets herenrijwiel vallen vanwege het handige mandje aan het stuur. Gelukkig heb ik vandaag wel een heel goede fiets. Die van gisteren was waardeloos. Het zadel schoot steeds verkeerd en hij reed veel te zwaar.
Het dorpje Puyi is zeer schilderachtig en drankjes zijn er erg duur. Maar ja, ik moet toch een flesje water hebben, anders overleef ik deze tocht niet. Er is vandaag markt in het dorp en overal is het gezellig. Op straat wordt poolbiljart gespeeld.
Dan begint de fietstocht naar Yangshuo. Na twee keer de weg gevraagd te hebben gaan we met vertrouwen op weg. Het valt niet mee. De weg kent steile hellingen, omhoog is zwaar, naar beneden gevaarlijk. Je hebt al gauw een behoorlijke vaart en de grindweg leent zich daar niet bepaald voor. Een kuil kan een harde landing tot gevolg hebben. Voorzichtig aan dus. Het gaat gelukkig allemaal goed.
Een frisse wind tijdens het fietsen zorgt ervoor dat we niet al te veel last van de fel schijnende zon hebben. Zo is het allemaal wel vol te houden. Onderweg zien we de rijstboeren ijverig aan het werk. Sommige in droge akkers, maar ook velen in natte akkers. Dat laatste lijkt mij wel lekker met deze weersomstandigheden.
Dan komen we onverwachts een ex-collega van Rolf tegen. Dat is toch wel heel toevallig hier midden in de Chinese wildernis. Ik moet er niet aan denken hier een bekende tegen te komen. De jongen is met zijn vriendin een reis van een jaar door Azië begonnen. Zij willen vanuit Yangshuo verder reizen naar Tibet. Met het meisje gaat het echter niet best. Zij ziet bleek en zit van boven tot onder onder de grote rode bulten. Zij denkt van de muggen maar ik adviseer haar maar eens een dokter op te zoeken. Anders kan de reis wel eens vroegtijdig afgelopen zijn.
Na een lange tijd kletsen in de brandende zon fietsen we eindelijk verder. Het is niet ver meer naar Yangshuo en half twee rijden we weer het dorpje binnen. De middag besteed ik aan winkelen. Ik probeer een namenboek te bemachtigen in de lokale boekhandel, maar dat heeft men natuurlijk weer niet. Gerben koopt er een stapel Mao-posters.
Ik moet nog even lachen om twee VNC-reizigers die het Yought hotel niet kunnen vinden met het slechte kaartje uit mijn reisbijbel. Het verbaast mij niets. Er klopt werkelijk niets van dat kaartje. Het Xilangshan-hotel staat er ook volledig verkeerd op. De twee domme Nederlanders hebben de pest in dat er in Yangshuo geen taxi’s te krijgen zijn. En als ze horen dat in ons hotel kakkerlakken voorkomen, hoeven ze daar ook niet naar toe. Ze moesten eens weten dat je die beesten in dit land in de meest luxe hotels kunt aantreffen. Die hadden beter thuis kunnen blijven.
Ik bestel een zijden nachtjapon voor mijn vriendin. Ik wil er een zonder borstzakjes en de winkelier belooft er een voor mij te zullen maken.
’s Avonds weer in dezelfde tent. Enkele groepsleden hebben slang besteld. Heel duur en een dag van tevoren bestellen. We zullen er met zijn allen wat van proeven.
Ik neem ook een heerlijke gemengde salade en een bordje patat. Het smaakt prima. De slang valt echter wat tegen. Ik had mijn tien yuan die ik moest bijdragen beter kunnen besteden. De slang zit zo vol graten, dat de smaak je volledig ontgaat. Ik kan het niemand aanbevelen. Nu hoef ik slechts enkele kleine stukjes te eten, maar als je hem in je eentje bestelt zul je het gauw zat zijn en dat is zonde van het geld.
Mark is nogal gefascineerd van de bereiding van de slang. Het gevilde dier blijft nog lang door bewegen. Ook als hij al voor de helft in mootjes gehakt is. Het zullen wel spierreflexen zijn, net als bij een in stukjes gehakte aal.
Na dit avontuur is het weer tijd om te gaan slapen. Eerst haal ik nog even mijn bestelde zijden nachthemd op, maar dat valt tegen. De winkelier heeft er gewoon een gepakt en daar de zakjes van verwijderd. Dat was niet de bedoeling. Daar betaal ik geen zestig FEC voor, want de stikgaatjes zijn nog duidelijk te zien. Dan maar een ander exemplaar met zakjes. Hopelijk kan mijn vriendin het waarderen.
Voor het slapen gaan zit ik nog een uurtje aan de rivier en bewonder ik de bergen in het licht van de bijna volle maan.

Woensdag, 4 augustus 1993

Helaas, Yangshuo zit er weer op. Vandaag wordt het weer hobbelen geblazen tijdens een minimaal acht uur durende busrit. De eindbestemming is Wuzhou waar we de boot naar Hong Kong zullen nemen. De bus vertrekt op tijd. Helaas te vroeg voor een fatsoenlijk ontbijt. Dat bestaat nu uit een soort cakebrood, een droog wit broodje en een flesje bronwater waar ik de hele dag mee zal moeten doen.
Het grootste deel van de rit voert langs het indrukwekkende karstgebergte. Comfortabel is de rit echter niet. In het begin gaat het allemaal nog wel en zijn de wegen redelijk, maar na een uur begint de ellende en word ik om de vijf seconden van de bank gelanceerd. Het is mij een raadsel hoe die bussen dit uithouden. Ik hoop in ieder geval dat mijn op het dak bevestigde bagage deze dolle rit zal overleven.
Ondanks het zeer matige comfort val ik toch diverse malen in slaap onderweg. Het levert mij een zere nek op, want mijn niet bepaald lichte hoofd wordt tijdens de korte slaapjes heftig heen en weer gezwaaid. Helaas zit mijn nekkussentje in de grote tas die op het dak staat. Dat had ik niet handig bekeken. Ik probeer de rest van de rit wakker te blijven, maar dat lukt niet erg.
Nu ruim vier uur hossen en botsen stoppen we in een smoezelig wegrestaurant. We bestellen kip met groente. De groente is lekker, maar de kip bevat meer botten en andere rommel dan vlees, dus dat laat ik maar staan. Negen yuan is eigenlijk veel te duur voor een maaltijd van deze kwaliteit. Anke is er erg over te spreken, maar ik en de meeste anderen vinden het waardeloos. Het was beter geweest als de rustpauze zou plaatsvinden in een van de steden die we onderweg passeren. Maar daar wordt natuurlijk geen commissie aan verdiend. Ik krijg behoorlijk de balen van Chinese bussen en Chinese buschauffeurs. Over de wegen zullen we het maar niet hebben.

Na bijna tien uur rijden we dan eindelijk Wuzhou binnen. Zo op het oog wel een interessant stadje, waar ik best een fotoronde zou willen maken. Dat zit er echter niet in. Het is eerst weer lang wachten geblazen. We gaan maar in een restaurantje zitten terwijl Gerben de bootkaartjes tracht te regelen. Dan ontmoeten we de beroemde Cherry, het meisje van het hotel waar de Ashraf-reizigers doorgaans overnachten in Wuzhou. Cherry heeft nogal een reputatie. Mannelijke reisleiders zouden niet veilig zijn in het hotel. Het is inderdaad een behoorlijke druktemaakster en teleurgesteld over het geslacht van Anke dringt ze zich maar bij haar op, intussen vragend waar de mannelijke reisleiders zijn gebleven. Een daarvan komt na bijna een uur met de mededeling dat de boot van morgen vol zit. We kunnen nog wel met de langzame nachtboot naar Guangzhou (Canton). Jammer voor Wuzhou, maar Guangzhou lijkt mij ook wel interessant om eens te bekijken. Het is bovendien een leukere manier om China te verlaten. We gaan dan per trein.
Half acht kunnen we aan boord van wat Gerben terecht de sjoelbakkenboot noemt. Dat slaat op de bedden die als een soort sjoelbakken naast elkaar in twee lagen per dek liggen. De bedden zijn gelukkig wel comfortabel en ook voor de rest is het een aardige boot met een ruime voorplecht. Alleen jammer dat je aan boord niet kunt douchen. Want daar was ik wel aan toe na zo’n dagje bussen.

Stipt op tijd vertrekt de boot. Inmiddels is de zon ondergegaan en komt langzaam in het oosten de volle maan tevoorschijn. Het is een prachtig gezicht op de rivier en ik blijf samen met enkele anderen op de voorplecht staan tot we na een uur in een grote stad voor anker gaan. Als we van daaruit weer vertrekken ben ik al in mijn sjoelbak naar dromenland vertrokken. Zo voel ik niet dat zandvlooien mijn benen te grazen nemen.

Donderdag, 5 augustus 1993

De laatste dag in China. Maar na vijf weken heb je het ook wel gehad en verlang je weer naar een stukje beschaving. De boot meert rond een uur of acht aan in het reusachtige Guangzhou. Vanaf de boot hebben we al een aardig indruk van de stad gekregen. Eerst zo’n twee uur door de havens van de voorsteden en dan de stad zelf. Aan weerszijden van de rivier staan enorme flatgebouwen met metershoge reclameborden erop. Dit is geen communistisch land meer. Guangzhou probeert al jaren Hong Kong na te apen en wat reclame-uitingen betreft komt de stad al aardig in de richting.
Aan land laden we de bagage in een taxi die samen met Gerben, Anke en Bart-Jan naar het station zal rijden. Wij mogen nog een uurtje op de grote markt van Guangzhou rondhangen. Daar kun je honden en katten voor de slacht zien, zegt Gerben. Nieuwsgierig gaan wij op pad. Met een hele langzame bus.

Na ruim een half uur zijn we eindelijk op de bestemming aangekomen en moeten we nog een dik kwartier wandelen voordat we op de halfoverdekte markt aankomen. Het ziet er gezellig uit.
Overal bloederige overblijfselen van wat kort daarvoor levende dieren waren. Sommige vissen happen nog naar adem, terwijl hun ingewanden al verwijderd zijn. Kippen hangen aan een stok met een haakje door hun schedel, en meer van dat gezelligs.

De kruidenmarkt is leuker, evenals de souvenirmarkt, maar de beestenmarkt prikkelt natuurlijk het meest de nieuwsgierigheid. Toch heb ik het na drie kwartier wel weer gezien. De ten dode opgeschreven katjes, schilpadden, konijnen en andere dieren, zelfs grote ratten, zijn afschuwelijk om te zien.

Ik ga mij in een ander deel van deze overigens interessante stad vermaken. Ik wandel de straten door en volg een route die volgens de kaart naar het station leidt. Helaas is het in werkelijkheid verder dan de kaart doet vermoeden. Er gaat veel tijd voorbij zonder dat ik echt opschiet. Onderweg neem ik nog twee heerlijke flesjes nepmelk, die je alleen in China kunt kopen. Ik heb geen idee wat het in werkelijkheid is, misschien wel sojamelk of zo.
Kwart voor twaalf zie ik in dat ik het station lopend niet op tijd zal halen en spring ik maar op de bus. Jammer want ik had nog wat fraaie Chinese monumenten willen bekijken. Dat schiet er nu bij in.
De bus gaat erg traag en de stoplichten blijven tergend lang op rood staan. De wijzer passeert inmiddels de twaalf en het station is nog niet in zicht. Ik baal ervan want ik had beloofd er vijf voor twaalf te zullen zijn. Nu kom ik weer te laat. Gewoon overmacht. Een bus die over zo’n klein stukje langer dan een kwartier doet. Het laatste stuk moet ik nog lopen ook. Ook echt Chinees, de bus naar het station die niet voor het station stopt maar een halve kilometer verderop.
Hijgend en zwetend arriveer ik vijf over twaalf bij het groepje. Gelukkig nog op tijd. Niet eens de laatste. Ik heb nog even tijd voor een blikje cola waarvan de helft door hongerige kindertjes wordt afgebedeld. Er zijn veel bedelende kinderen in Guangzhou. Blijkbaar de keerzijde van het hier florerende kapitalisme.
Half een begint de lange wandeltocht met de zeer zware bagage naar de trein. Die zal tien over een vertrekken en ons naar de grens van China met Hong Kong brengen. Het is gelukkig een heel luxe softseat trein met airconditioning. Want ik had inmiddels al weer het kookpunt bereikt.
Mijn uitzicht gaat helaas verloren als de trein achteruit blijkt te gaan rijden. Iedereen wil dan de bank omdraaien, hetgeen door een draaivoet mogelijk is. Ik moet ook de bank draaien en zit dan tegen een blind schot aan te kijken in plaats van tegen het raam. Liever was ik achteruit blijven rijden. Het stomme Chinese wijf achter mij dat snauwde dat ik ook mijn bank moest omdraaien ligt na vijf minuten al te maffen. Wat heb je dan aan een riant uitzicht voor het raam?
De rit duurt bijna drie uur en naar mate we Hong Kong naderen worden de steden steeds imposanter. Een van de laatste steden in China lijkt sprekend op Hong Kong met enorme hoge en moderne torenflats. Hopelijk is dit beeld niet representatief voor de toekomst van China, ofschoon veel Chinezen daar wel anders over zullen denken. De krotten langs de spoorbaan laten meteen de andere kant van de groeiende welvaart zien. De ongelijkheid tussen rijk en arm wordt steeds groter.
In Shenzhen dat wij vlak voor de grens passeren zien wij een reusachtige brand. Later horen we op het nieuws dat er een paar gastanks zijn ontploft waardoor een deel van de stad in brand is gevlogen. Er zijn ’s avonds al zeventien doden gevallen.
Dan komen we bij de grens aan. Het is uitstappen en lopen geblazen. Geen klein eindje overigens. Er is een nieuw stationsgebouw geopend, waarmee de loopafstand naar de grens met een halve kilometer verlengt is. Heel handig. Ik ben kapot als ik eindelijk in het grensgebouw aankom. Gelukkig geen gelazer met de douane ditmaal. Alleen een eenvoudig formuliertje invullen en paspoort laten zien. Geld omwisselen lukt echter niet meer. Bart en nog iemand gingen even kijken of de bank bij de grens open was en kwamen na twintig minuten terug met de mededeling dat ik boven kon wisselen. Ja, de rest van de groep zat al zowat op de trein van Hong Kong. Voor die dertig FEC die ik nog over heb ga ik geen twintig minuten bij die bank wachten.

Dan weer verder strompelen met mijn veel te zware weekendtas. Over de brug die over het grensriviertje gebouwd is. Nu verlaat ik echt de volksrepubliek. Nog even snel een paar foto’s van de grens en dan door de douane van Hong Kong. Ook hier geen problemen. Wat een verschil met toen ik China binnen kwam.
Met een soort metrotrein vertrekken we vanaf het grensstation Lo Wu naar Hong Kong-stad. Ook deze metro heeft airconditioning, zodat het er prima is uit te houden. Er zijn nog voldoende zitplaatsen ook.
In Hong Kong moeten we een paar keer overstappen op andere metro’s. Weer einden lopen. De blaren staan al op mijn handen en ik weet niet meer hoe ik de zware rugtas moet vasthouden. Dat moet ik op de weg naar huis maar eens handiger aanpakken.
Na de laatste metro begint de ellende pas goed. Ik was al moe en uitgehongerd, want ik heb vandaag niet meer op dan twee bananen en zo’n cakebroodje. Nu moeten we nog een reusachtig eind lopen door de enorme hitte van het tropische Hong Kong. Het Emerald-hotel blijkt minstens een kilometer van het metrostation te liggen. Bovendien weet Ank noch Gerben waar het precies staat. Ik ben half dood als we eindelijk aankomen. Mijn t-shirt dat ik die middag schoon aangetrokken had, kan gelijk in de was.
Gelukkig hebben we snel kamers. Niet het gezeik dat we in China elke keer hadden. Bovendien heeft het hotel airconditioning zodat ik vrij snel bijkom van de hitte. Dan snel onder de douche, rommel uitpakken en met het hele stel een eettentje opzoeken.
Het tentje dat wij opnieuw na een lange wandeltocht heen en weer bereiken, stelt weinig voor. Het eten ook niet. De prijzen vallen tegen, maar dat is met alles in Hong Kong. Wel is de Coca Cola Classic heerlijk. Die is in Nederland helaas niet te koop. Ik laat de twee blikjes goed smaken. Dan loop ik met Gerben nog even langs de supermarkt om lekkers in te slaan. Ze hebben er zowaar melk, zelfs chocolademelk uit Nederland en Maltesers. Heerlijk. Coca Cola Classic hebben ze er helaas niet, maar je kunt niet alles hebben.
Op de kamer kom ik tot de vervelende conclusie dat de informatie van mijn D-disk uit de computer is verdwenen. En dat na twee dagen geen spanning. Dat is behoorlijk balen want het is een week geleden dat ik mijn laatste back-up gemaakt heb. Vanaf Zhang Jia Jie moet ik het verslag opnieuw intikken en dat houdt mij tot kwart voor twee bezig. Voortaan vaker backups maken. Ik begin er vanavond, of liever gezegd vannacht mee.

Vrijdag, 6 augustus 1993

Twee dagen Hong Kong is niet te lang. Uitslapen doe ik dus maar niet. Acht uur zit ik met Gerben aan het ontbijt, bruin brood met bramenjam en koffie. Heerlijk. Negen uur heb ik met Anke afgesproken. We gaan winkelen op zoek naar goedkope cameraspullen. We hebben drie tips gekregen, buurten waar aardig wat goedkope fotowinkels moeten zitten. We nemen de metro naar de eerste tip, een buurt bij Finance Street. Na een paar haltes zijn we er, maar het is toch nog wel even zoeken. We vinden er van allerlei winkeltjes en zelfs een gezellige markt waar we heerlijke kokosmelk kunnen kopen. Voor wat de prijzen betreft is de markt echter niet erg interessant en een fotozaak vinden we er al helemaal niet. Dus dan maar naar het volgende doel, City Plaza, een groot winkelcentrum dat grote populariteit bij de Hong Kong-Chinezen geniet. Weer in de metro, met onze vijftig dollar kaart. Geld wisselen bij het postkantoor levert gelukkig geen enkel probleem op. De betaalkaart wordt zo in 8000 Hong Kong dollars omgezet. Niet het gezeur dat we in China hadden.

City Plaza is een ultra modern winkelcentrum met verschillede etages rond een groot atrium. Prachtig om te zien en geheel airconditioned. Je hoeft het in Hong Kong niet lang warm te hebben. Vrijwel ieder gebouw, iedere winkel en zelfs de metro en sommige stadsbussen hebben airconditioning. Goed voor de verkoudheid is het allemaal niet, maar ik denk dat de inwoners van Hong Kong inmiddels wel resistent geworden zijn tegen verkoudheid. Bij McDonalds bestellen we een Big Mac en een milkshake. Want aan een lunch waren we wel toe. McDonalds is wel een stuk goedkoper dan in Nederland, het scheelt ongeveer de helft. Dan wandelen we weer verder.

City Plaza is prachtig en heeft zelfs een kunstijsbaan waarop dapper geschaatst wordt. Fotozaken en platenwinkels stellen er echter niet veel voor. Dan maar weer verder.
Bij Central hebben we meer geluk. Daar zitten veel winkels en in een zijstraatje zelfs een stuk of vier fotozaken naast elkaar. Mij vallen de prijzen bitter tegen. Het scheelt wel iets met Nederland, maar niet zoveel dat ik meteen van alles moet kopen. Ank denkt er anders over en koopt meteen een Sigma zoomlens van omgerekend vierhonderd euro. Voor mij is dat echt teveel geld. Hong Kong is al duur genoeg met acht dollar voor een metroritje. Als je China gewend bent, is Hong Kong onbetaalbaar.
Dan ga ik alleen verder op pad. Op zoek naar een platenwinkel in de hoop dat CD’s wel goedkoper zijn dan in Nederland. Het valt echter niet mee. Na uren wandelen ben ik nog geen behoorlijke zaak tegengekomen. Overal hebben ze maar een zeer klein assortiment waarvan het merendeel nog Aziatische pulpmuziek is ook. Een paar haltes met de tram brengen mij verder.

De tram in Hong Kong is van het dubbeldekkertype. Ze zijn echt oud, met hout in het interieur. Helaas ook met plastic stoeltjes. Dat doet er weer afbreuk aan. Maar de bestuurderscabine is door zijn eenvoud een genoegen om te zien. Net een rijdend museum. Bij Des Voeux Road Central vind ik een nieuwe winkelbuurt waar ik maar weer eens een winkelcentrum probeer. Ditmaal heb ik meer geluk. Er is een kleine maar goed gesorteerde platenzaak. Ik vind er wat ik zocht, de dubbel-CD van Evita. Voor nog geen twintig euro. Dat scheelt een tientje met Nederland. Ik zie ook nog andere CD’s die op mijn verlanglijstje staan maar die vind ik te duur. Ik kijk eerst wel elders.
Dan is het alweer zes uur en moet ik dringend terug naar het hotel, want ik had er zeven uur afgesproken met de groep voor een gezamenlijke maaltijd. Ik besluit om met de tram te gaan, maar die laat lang op zich wachten. Bovendien weet ik niet precies welke tram ik moet hebben. Western Market komt in de buurt van het hotel, maar alle trams die komen gaan naar Witey Street. Ik baal ervan. Dan om half zeven komt eindelijk de tram naar Western Market. Ik neem bovenin plaats voor het voorraam dat gelukkig openkan. Vanuit de tram heb ik schitterend uitzicht over het drukke stadsgewoel van Hong Kong. De op straat telefonerende mensen en de enorme kantoortorens die de horizon vormen. Vooral de enorme Bank of China is indrukwekkend met zijn aparte architectuur. Opschieten doet het allemaal niet. Hoewel de verkeersdrukte meevalt, loopt de tram veel vertraging op door de talrijke verkeerslichten. Balen, want de tijd blijft niet stilstaan. Vijf voor zeven komen we eindelijk bij het eindpunt aan. Het is nog een stuk lopen naar het hotel, maar ik kan ook de tram pakken. Die rijdt echter door omdat hij vol zit. Vloekend zet ik dan maar de pas in om nog een beetje op tijd in het hotel aan te komen.
Vijf over zeven ben ik er eindelijk en heb ik gelukkig nog even tijd om mijn tas op de kamer te zetten en mijn nieuwe korte broek aan te trekken, en een fris t-shirt. Dat was wel nodig, want hoewel Hong Kong niet zo vies is als de Chinese steden, word je van zo’n lange wandeling door de stad ook niet bepaald schoon.

Met de tram gaan we de stad in en stappen op aanwijzing van Bart uit. Die weet ergens een leuk tentje. Natuurlijk weer een heel eind lopen, bergopwaarts nog wel. Uiteindelijk komen we moe en oververhit in een alleraardigst Indiaas restaurantje terecht, waar het heel gezellig en rustig is totdat een bende Australiërs een einde aan de ambiance komt maken. Wat kunnen die lui schreeuwen zeg. Het lijken wel Chinezen. En nu zijn ze nog niet eens dronken.
Ik bestel een heerlijk drankje van tropische vruchten en een tomatensoep vooraf. Het hoofdgerecht is een soort Kebab met yoghurt. Ook heel lekker, alleen jammer dat ik sterf van de dorst. De drankjes zijn er echter zo duur, dat ik mij toch maar tot een glaasje cola beperk. Die dorst is wel jammer, want het maakt de maaltijd er niet lekkerder op. Ik zou wel even een liter helder water willen drinken.
Na de maaltijd verlaten wij het inmiddels overvolle restaurant, waar de temperatuur door de airconditioning bijna onder het nulpunt is gedaald en pakken we nog een biertje in een kroegje in de buurt. Ook heel duur. Het geld vliegt er doorheen in deze stad. Dat wordt morgen rustig aan doen.
Met het trammetje terug naar het hotel en nog even het dak op. Ditmaal ook op het hoogste dak, waarvandaan je een schitterend uitzicht over de haven hebt.
Terug bij de deur komt echter de nachtwaker. Niets aan de hand, hij verzoekt ons heel vriendelijk weer naar beneden te gaan en wil de deur weer afsluiten. Gerben en Bart zijn echter nog op het dak, dus Bart Jan en ik moeten maar bij de deur wachten tot zij terugkomen. Dat duurt echter wel erg lang. Na een kwartier ga ik maar eens kijken waar zij blijven. Ze zijn echter niet meer op het dak. Als ik terug kom is de bewaker er ook weer, ditmaal met een manager van het hotel. Dat is wel even balen. Gelukkig is er weer niets aan de hand en als we naar beneden gaan blijkt Bart al op zijn kamer te zitten, terwijl Gerben weer naar boven is om ons te zoeken. Wat een avonturen op de late avond. Het komt echter allemaal goed. Ik tik nog even mijn verhaaltje in en ga rond een uur of kwart voor twee slapen. De nachten zijn kort in Hong Kong.

Zaterdag, 7 augustus 1993

De laatste hele dag in het Verre Oosten. Ik sta dus maar vroeg op. Wakker was ik ook al vrij vroeg, een uurtje of zeven. Niet van de koude ditmaal, want de airco hadden we gisterenavond uitgezet. Even ontbijten, het restant bruin brood met jam naar binnen schrokken en dan op pad. Met de vrolijk gekleurde dubbeldekstram naar het Central District en vandaar met de Star Ferry naar Kowloon. Een leuk vaartochtje voor maar anderhalve dollar.

Vanaf de boot heb je een mooi uitzicht over Hong Kong-eiland en het zeer drukke scheepvaartverkeer in de haven. Geleidelijk begint de zon door de wolken heen te breken. Op Kowloon is het een drukte van belang en ook begint de hitte voelbaar toe te nemen. Snel een lekker koude McDonalds in. Even snel er weer uit, als ik zie dat ze alleen maar ontbijtvoer hebben. De Bic Macs en milkshakes komen pas na elven, zegt het Chinese meisje achter de balie. Hong Kong-Chinezen zien er anders uit dan de Chinezen uit de volksrepubliek. Ze zijn dikker, modieuzer gekleed en gekapt en ogen op een of andere manier gezonder. Duidelijk is te zien dat zij hun lichaam niet met zwaar werk verslijten, de meesten althans.

Wandelend verken ik het schiereiland Kowloon. Het valt mij op dat er veel winkels zijn, maar dat vrijwel niets geprijsd is. De prijsjes worden op verzoek medegedeeld en blijken behoorlijk aan de hoge kant. Dat komt natuurlijk omdat dit het toeristendistrict bij uitstek is. Er is volgens mij ook veel vertier. Overal zijn nachtclubs en zowaar de echte Hong Kongse girlibars, waar je topless bediend en afgezet wordt.
Als ik een kleine supermarkt tegenover een enorme moskee uitkom zie ik zowaar de twee Nederlanders zitten die ik in de trein van Alma Ata naar Ürümqi ontmoet heb. Zij hebben een heel andere route gevolgd dan ik, maar zijn wel op hetzelfde moment begonnen en geëindigd. We wisselen wat ervaringen uit. Helaas kennen zij ook geen goede platenzaken.
De tocht vervolg ik door de drukke winkelstraat op weg naar de New Territories. De winkels worden nauwelijks interessanter, hoewel de prijzen afnemen naarmate ik verder van de ferry afloop. Nu staan ook weer overal de prijzen aangegeven.

Ik zie een rommelmarkt waar bijna niet te lopen is, omdat de rijbaan geblokkeerd is door een file vrachtwagens. Ook opmerkelijk is een winkelcentrum met alleen maar computerwinkeltjes, een soort overdekte markt eigenlijk. Een vertaalprogramma Engels Chinees vind ik er helaas niet.
Buiten is het inmiddels bloedheet geworden en ik begin last te krijgen van de voortdurende overgangen van de hete buitenlucht naar de diepgevroren winkels. Ik weet niet of het daardoor komt, maar mijn huid begint op veel plekken te irriteren. Pijnlijke plekken en veel jeuk. Hier en daar, en vooral aan de binnenkant van mijn armen ontstaan pijnlijke blaasjes en ook op mijn billen ontstaan een soort bulten. Erg vervelend allemaal. Tijd om weer terug te gaan naar Nederland, naar een goede dokter.
Na wat platen en fotowinkels gezien te hebben pak ik de metro naar het eindpunt in de new territories. Daar blijkt een hele leuke buurt te zijn met gezellige straatjes en nuttige winkels. Niet alleen maar juweliers, zoals in Kowloon.
Er zijn ook platenwinkels, maar de prijsverschillen met Nederland zijn mij te gering. Voor zo’n klein voordeel ga ik niet met CD’s lopen sjouwen. Ik koop tot slot een nieuwe zonnenbril en keer met de metro terug naar Hong Kong-eiland. Opnieuw wandel ik de eindeloze winkelstraten door, want winkelen is vrijwel het enige interessante dat deze enorme metropool te bieden heeft. Bij het eindpunt van de tram zie ik volgens mij de zestigste McDonalds sinds ik in Hong Kong ben. Ik neem weer een milkshake en wandel nog een paar straten verder langs troosteloze woonkazernes, waar de minder bedeelde Chinezen wonen.

’s Avonds pak ik de kabeltram naar Hong Kong Peak. Het is even zoeken voordat ik het station gevonden heb. Omdat de hellinghoek de hele rit hetzelfde blijft, is het trammetje als een soort rijdende trap uitgevoerd. Langzaam gaan we omhoog, grotendeels voortgedreven door de energie van de tram die op hetzelfde moment naar beneden rijdt. Na ongeveer een kwartier ben ik boven. Ik kijk op de borden hoe laat de laatste tram naar beneden vertrekt en begin aan de lange wandeling rond de Peak. De jeuk is intussen veel erger geworden. Het zijn de talloze beten van de vlooien van de sjoelbakkenboot naar Guangzhou. Ik probeer er niet aan te denken en mij te concentreren op het prachtige uitzicht over de vele kleine, meestal onbewoonde eilandjes voor de kust en de talloze schepen.

Als ik weer bij de westkant van de Peak uitkom zie ik dat de zon inmiddels achter de bergen is verdwenen. Ik kijk uit over Hong Kong dat langzaam maar zeker in een schatkist van ontelbare gekleurde lampjes verandert. Het is betoverend. Hier vanuit de stilte, vanuit een sprookjesachtig bos kijk ik neer op de miljoenenstad waar de drukte ongestoord verder gaat. Honderden schepen liggen midden in de haven voor anker en langgerekte linten van gele en rode lampjes geven aan waar de snelwegen lopen. Ik kijk op mijn horloge. Ik moet mij onderhand gaan haasten om de laatste tram naar beneden te halen. Tijd om voor souvernirs te kijken is er niet meer. Een kwartier later loop ik weer door de drukke straten van Hong Kong-eiland. Ik zoek wat groepsleden op en samen gaan we eten bij een goedkoop restaurantje waar het eten overigens beter is dan bij het dure Indiase restaurant van gisterenavond. Voordat ik ga slapen geniet ik nog eenmaal van het magnifieke uitzicht over de haven van Hong Kong.

Zondag, 8 augustus 1993

Helaas, aan alles komt een eind. De ochtend gebruik ik nog om mijn spullen in te pakken. Daarna wandel ik nog wat door de buurt. Ik kijk bij het busstation of het mogelijk is om nog even heen en weer te rijden naar de haven van Aberdeen, maar ik kom geen wijs uit de verwarrende dienstregelingen. Ik snuif nog even de atmosfeer op van Hong Kong op deze zonnige zondagochtend en loop dan terug naar het Emerald-hotel om voor de laatste keer te douchen en mij voor te bereiden op de lange vliegreis naar huis.
Met mijn zware bepakking slof ik naar het busstation. Ik probeer niet te transpireren, want dan blijf ik mij de hele vliegreis vies voelen. Ik vind al snel de bus naar het vliegveld. Gelukkig hoef ik niet over te stappen onderweg. De bus vertrekt en ik span mij in om alles nog eens heel goed in mij op te nemen.
Via de tunnel bereiken we Kowloon en een klein uur later stopt de bus voor de vertrekhal van het oude vliegveld van Hong Kong. Ik worstel mij met mijn bagage naar buiten en loop snel de gekoelde hal binnen. Eigenlijk ben ik veel te vroeg, maar ik had niet het risico willen lopen om in het verkeer vast te komen zitten.
Bij de Air France-balie check ik in. Ik zie dat ik via Bangkok naar huis zal vliegen. Dat vind ik een spannend idee. Ik ben nog niet in Thailand geweest en vind het leuk dat ik er nu in ieder geval een tussenlanding zal maken.
Het wachten op het vertrek duurt natuurlijk eindeloos. Ik probeer de tijd te doden door aandachtig de veel te dure spullen in de taxfree-winkels te bekijken. Als de zon al bijna onder is, kan ik eindelijk aan boord van de gloednieuwe Boeing 747 van Air France. Ik word vervuld van een trots gevoel. Ik heb het gehaald. Het is gelukt. Alle moeilijke facetten van mijn reis zijn achter de rug. Nu hoef ik alleen nog maar te wachten tot ik keurig op Schiphol word afgeleverd. Wat een opluchting. Tevreden nestel ik mij in mijn plaats waar ik de komende 14 uur aan gekluisterd zal blijven.
Na een half uur wachten begint het toestel te taxiën. Buiten is het inmiddels geheel donker geworden. De Boeing rijdt naar het einde van de startbaan, keert 180 graden en neemt dan met brullende motoren de aanloop om seconden later in het duister te verdwijnen. Buiten zijn alleen nog wat scheepslampen te zien. De wind stond verkeerd om het spectaculaire opstijgen boven en tussen de flats van Hong Kong mee te maken. Met een ruime bocht zet het van Manilla afkomstige toestel koers naar Thailand.
Op het beeldscherm boven het gangpad zie ik dat we de kust van Vietnam zijn genaderd. Daar wil ik ook nog eens naar toe. Beneden is echter niets te zien. Ook het geheimzinnige Laos is in volledige duisternis gehuld. Pas als we de landing inzetten voor Bangkok, wordt weer het een en ander zichtbaar in de diepte. Ik zie eindeloze linten van licht. Drukke, kaarsrechte wegen wijzen erop dat Thailand behoorlijk ontwikkeld is. We blijven anderhalf uur staan voor het wisselen van passagiers en het tanken van brandstof. Dan kiezen we weer het luchtruim. De maaltijd wordt geserveerd. Met champagne. Ik vind het nogal wat voor de economy-class. Direct na het eten val ik in een diepe slaap.

Maandag, 9 augustus 1993

Kennelijk was ik volledig uitgeput, want als ik wakker word vliegen we al boven Frankrijk. De stewardessen delen net het ontbijt uit. In het oosten zie ik het langzaam licht worden. In Hong Kong moet het intussen al ver in de ochtend zijn. We landen op Charles du Gaulle in Parijs, waar ik op een Boeing 737 moet wachten die mij verder naar Schiphol zal brengen. Gebroken wacht ik het vertrek af en twee uur later zit ik in een halfleeg toestel voor de laatste etappe naar huis.
Na zoveel weken van avontuur is het een koude douche om het bekende Schiphol weer terug te zien. Net of ik uit een droom ontwaak. Gelukkig is het droog, al is het geen weer dat bij 10 augustus hoort. Het toestel kiest voor het gemak een verre gate uit, zodat ik flink eind kan wandelen om mijn verstijfde spieren weer los te maken.
De douane pikt mij er natuurlijk direct uit. Waar ik vandaan kom, vraagt de bitserige vrouwelijke grensbeambte. Uit het toestel van Air France uit Parijs, probeer ik. Nee, waar ik echt vandaan kwam. Oh, uit Hong Kong geef ik dan maar eerlijk toe. Tot mijn verbazing hoeft mijn bagage niet op zijn kop. Gelukkig maar, want ik had mijn schoonouders – mijn vriendin zit in Afrika – al gebeld om mij op te komen halen en dan is het vervelend als ik eerst een tijdrovende inspectie moet ondergaan. Buiten probeer ik de cultuurshock te verwerken als mijn schoonouders mij met bloemen een hartelijk welkom thuis wensen.

HomeDisclaimerPrivacybeleidOver de auteur
Contact