Birma

Introductie

Birma heet tegenwoordig Myanmar. En de naam van de toenmalige hoofdstad is veranderd van Rangoon in Yangon. Het land wordt dictatoriaal geregeerd, maar gaat heel geleidelijk over in een soort democratie. Toen ik er in 1996 was, waren de generaals nog oppermachtig en hielden zij het land in een ijzeren greep. Kort daarvoor was het daarom erg moeilijk om het land binnen te komen en was een toeristenvisum maar een week geldig. 1996 was echter uitgeroepen tot het Visit Myanmar Year en derhalve was een visum voor vier weken ingevoerd. Gelukkig maar, want zelfs vier weken is nog krap om het bijzondere land te bezoeken. Het is niet alleen erg groot, maar heeft ook een matige infrastructuur. Toeristen zijn alleen welkom omdat zij buitenlandse deviezen meenemen. Die ben je dan ook verplicht om uit te geven. Voordat je het land binnengelaten wordt, moest je (in 1996) 300 dollar omwisselen in een soort monopoliegeld dat alleen in Birma gebruikt kan worden om westerse hotels en spullen te betalen. Dat geld wissel je vervolgens op straat om in normaal geld, waarbij je kennis maakt met briefjes van 45 en 90 kyat, omdat 9 het geluksgetal van de oppergeneraal is. Zo zijn er meer bizarre dingen in Birma. Overheidsgebouwen zijn ware vestingen. De politieke oppositie hield vooral kantoor in de gevangenissen. En banken zijn eenvoudige gebouwtjes waar het geld in hoge stapels op houten planken ligt. De heiligdommen zijn fenomenaal. De koepels rond Boeddhistische relikwieën worden bekleed met puur goud en vanwege de draconische repressie zal niemand het wagen iets te stelen. Nagenoeg iedereen loopt nog in traditionele kleding, die meestal bestaat uit een omslagdoek. Vrouwen smeren dikke lagen crème op hun gezicht om hun huid mooi te houden en dragen bijna alles op hun hoofd. Natuurlijk kan je als reiziger niet voorbij gaan aan de politiek. Maar door het land te mijden is de bevolking ook niet geholpen. Buitenlanders zorgen tenslotte voor een soort internationaal toezicht, al zijn grote delen van het land – waar dat toezicht juist nodig zou zijn – afgesloten. De jaren na mijn reis is de situatie gelukkig steeds verder verbeterd en sinds 2011 is er eindelijk een functionerend parlement.

Proloog

Toen ik van 13 februari tot en met 2 maart 1996 in Birma – officieel: Myanmar – verbleef, was het land net opengesteld voor serieus toerisme. Voor mij was dat een goede reden om het land boven aan mijn lijst te zetten. De ervaring leert tenslotte, dat massatoerisme een kwestie van korte tijd is. En dan duurt het niet lang meer voordat een groot deel van de authenticiteit verloren gaat. Omdat het in die tijd moeilijk reizen was door Birma besloot ik een georganiseerde reis te boeken, waarbij wel een grote mate van vrijheid overblijft. Al bladerend door reisgidsen (aan internet had je toen nog weinig) kwam ik tot de conclusie dat VNC de beste aanbieding had. Een rondreis van drie weken, waarbij alleen vervoer en accommodatie geregeld wordt en waarbij met kleine groepen gereisd wordt. Het visum moest ik zelf regelen en dat betekende dat ik mijn paspoort naar Duitsland moest opsturen. Niet iets om kort van tevoren te doen, maar het ging allemaal goed. Om te acclimatiseren en omdat ik nog nooit in Thailand geweest was, besloot ik een week eerder te vertrekken. Zo kon ik nog een week Bangkok en omgeving verkennen. De laatste dag maakte ik kennis met de zeven medereizigers en de reisleidster. Zo vlogen we naar Yangon, waar het Birmese avontuur begon met een bezoek aan de schitterende Shwedagon Pagode, die gerust het Vaticaan van het Boeddhisme genoemd mag worden.

Zondag, 4 februari 1996

Ik heb mij afgevraagd of ik werkelijk naar Myanmar zou moeten gaan. Niet omdat ik ook maar een moment aan de waarde van zo’n reis heb getwijfeld. Het is een fantastisch, in 1996 nog vrijwel onontdekt land dat bijna als één groot openluchtmuseum is te beschouwen. Nee. Het ging om de vraag of het ethisch verantwoord is om naar een land te reizen waar een militaire junta de bevolking op bloedige wijze onderdrukt en waar toerisme als een vorm van steun voor dat regime gezien kan worden. De hele wereld protesteert tegen Myanmar, dat nog altijd grotere bekendheid als Birma geniet. Vanwege de talrijke moorden op politieke tegenstanders, vanwege het huisarrest van oppositieleidster en Nobelprijswinnares Aung San Su Kyi en vanwege de florerende teelt en export van drugs.
Toch ben ik gegaan. Niet met het idee dat een ander besluit toch niets aan de politieke situatie veranderd zou hebben, maar gewoon omdat de normale bevolking van het land volstrekt niet gebaat is bij welke vorm van boycot dan ook. En laat ik eerlijk zijn. Ook omdat ik verrekt graag dat prachtige land wilde bekijken, waar in 1996 nog maar een handjevol toeristen naar toe is geweest en dat ontelbare culturele en religieuze schatten herbergt.
Omdat het pas mijn tweede verre reis is, besloot ik te kiezen voor een avontuurlijke, maar wel georganiseerde groepsreis van VNC Reizen in Utrecht. In veel landen zou dat niet nodig zijn geweest, maar Myanmar heeft nauwelijks een infrastructuur. De grootste steden hebben nog wel een spoorverbinding, maar om bij de prachtige tempelsteden te komen is eigen vervoer of eindeloos geduld nodig. Of veel geld natuurlijk, want Myanmar heeft een goed functionerend netwerk van binnenlandse vluchten met Fokker Friendship-vliegtuigen. Die brengen je keurig naar de meest bezienswaardige plaatsen, maar aan het reizen op die manier kleeft natuurlijk wel een pittig prijskaartje en je ziet veel minder van het land. Tot voor kort kon je als toerist niet anders, want je mocht niet langer dan zeven dagen in het land blijven. Nu de regering toerisme als inkomstenbron voor buitenlandse deviezen is gaan zien, heeft men de regels versoepeld. In 1995 was een visum al drie weken geldig en inmiddels – het is Visit Myanmar Year – mogen buitenlanders vier weken in het land verblijven.
Een groepsreis zou mij veel ongemak besparen en mij in staat stellen om in korte tijd veel van het land te zien. Maar ik zal deze reis ook de nadelen van groepsreizen ervaren. Het eerste deel van de reis deed ik in ieder geval alleen. Ik vertrok een week eerder dan de rest om in Bangkok alvast te acclimatiseren en op mijn gemak de omgeving te verkennen. Via VNC had ik alvast onderdak gereserveerd voor mijn acht dagen Bangkok, zodat ik met een gerust hart het toestel van Royal Jordanian Airlines kon instappen voor de eerste etappe naar Amman.
VNC had bepaald dat ik met Royal Jordanian Airlines zou vliegen. Zelf had ik liever voor Thai Airways of Singapore Airlines gekozen. Dat zijn de beste maatschappijen. De reisbegeleidster zou een week later met de KLM naar Bangkok vliegen. Dus dan kan je nagaan!
Het eerste deel van de vlucht valt mee. Het vliegtuig is redelijk nieuw en van Amerikaanse makelij. En ondanks de Ramadan krijgen de passagiers wel eten en drinken aangeboden. De meeste moslims weigeren beleefd, zodat de bemanning ongetwijfeld veel porties zal overhouden. Met een omweg om Israël heen bereiken we de midden in woestijngebied gelegen hoofdstad van Jordanië. Als ik het gedeeltelijk besneeuwde woestijnlandschap zie, begrijp ik niet dat mensen daar kunnen wonen. Slechts heel sporadisch zijn wat akkers te zien. Dan landen we op het ongeveer dertig kilometer buiten de stad gelegen vliegveld. Hier moet ik zes uur wachten op de aansluiting naar Bangkok.
Op het Koninklijke vliegveld van de Koninklijke Jordaanse luchtvaartmaatschappij is werkelijk niets te beleven. Het is er donker en somber. Eerst is het wel aardig om te zien hoe de mensen hun tapijtje op de grond uitspreiden om vervolgens met het hoofd richting Mekka tot Allah te bidden. Dat zie je op Schiphol niet, tenzij je naar de aparte gebedsruimte gaat. Maar na een poosje heb ik dat ook wel weer gezien. Ik had een boek moeten meenemen. Er zijn taxfree-shops, maar die stellen weinig voor en zijn astronomisch duur. En om even naar Amman te gaan is de overstaptijd weer net even te krap. Half elf ’s avonds ben ik blij als eindelijk wordt omgeroepen dat de passagiers voor Bangkok naar de gate kunnen. En ik ben nog blijer als mijn vliegtuig, een Boeing 767, in volstrekte duisternis en in de stromende regen los komt van de grond. Ik ben hard toe aan wat vrolijke, tropische zonneschijn.

Maandag, 5 februari 1996

De vlucht is saai. Naast mij zit een slapende zakenman uit Jordanië. Aan de andere kant is het raam, maar er is buiten niets te zien. Slapen lukt ook niet. Ik slaap bijna nooit in een vliegtuig. Een film wordt niet vertoond en die moderne beeldschermpjes in de rugleuningen waren nog niet in de mode toen dit toestel de Boeing-fabriek verliet. Zo zit ik twaalf uur te balen. Het wordt iets minder vervelend als rond een uur of acht Thaise tijd (1 uur ’s nachts in Nederland) het ontbijt wordt geserveerd en het buiten licht begint te worden. Eindelijk kan ik wat anders zien dan slapende en Ramadan vierende medepassagiers. Half twaalf zit de lijdensweg er gelukkig op als de wielen van het toestel de zonovergoten landingsbaan van Don Muang Airport raken. Een gevoel van opwinding bekruipt mij. Buiten zie ik witte vliegtuigen in de zinderende hitte staan. De gebouwen van het vliegveld zijn door de heiige atmosfeer slechts als silhouetten te zien. Ik ben opgelucht als ik eindelijk het bedompte toestel uit kan. Wat een vlucht! Ik kom een beetje bij als ik door de lange, donkere en gekoelde gangen naar de douane loop. Alles staat behalve in het Thais ook in Engels aangegeven. Dat is wel makkelijk. Bij de douane krijg ik een stempeltje waarmee ik een maand in Thailand mag blijven. Ook krijg ik een van de briefjes terug die ik in het vliegtuig moest invullen. Dat briefje moet ik afgeven als ik het land weer verlaat.
De bagage is goed aangekomen. Ik knoop mijn nieuwe rugzak om en wandel naar de uitgang waar ik op zoek ga naar de halte van bus 59. Dat valt nog niet mee. Het openbaar vervoer is erg goed in Thailand, maar heeft ook ingewikkelde spelregels. Een meisje, dat een paar woorden Engels spreekt, helpt mij verder. Op de halte staan veel mensen te wachten, waaronder een aantal in oranje pij geklede monniken. Aan de overkant van de zeer drukke achtbaansweg en spoorlijn zie ik een paar Thaise tempeltjes staan. Ik maak er maar geen foto’s van, want ik zal nog wel meer tempeltjes te zien krijgen zonder voorbij snellende vrachtwagens en bussen op de voorgrond.
Na lang wachten komt de bus. De mensen stappen in en ik pas er nog net bij met al mijn bagage. Ik moet er even aan wennen dat in Thailand links gereden wordt. De bus zet zich in beweging en komt ondanks de enorme drukte nog goed vooruit. Op grote borden zie ik dat over een paar jaar een metro door Bangkok gaat rijden. Dat lijkt mij geen overbodige luxe.
Volgens mijn boekje rijdt de bus naar het hartje van de stad, maar in het boekje van de chauffeur staat kennelijk iets anders. In een buitenwijk stapt iedereen uit en zit er ook voor mij niets anders op dan op zoek te gaan naar verder vervoer. Ik kan de straatnamen niet op mijn kaartje ontdekken en heb dus geen idee waar ik ben. Na een tijdje rond dolen door de tropische hitte tref ik gelukkig weer iemand die wat Engels spreekt. Ze wijst mij de weg naar een andere bushalte waar een van de lijnen mij weer iets dichter bij mijn bestemming kan brengen. Ongeveer vier buslijnen later ben ik waar ik wezen moet. Thanon Khao San. Het trekkersparadijs van Zuidoost Azië. Tot mijn ergernis zie ik hier minibusjes die naar het vliegveld pendelen. Het was wel handig geweest als mijn boekje daar melding van had gemaakt.
Via het vervallen tempelcomplex Wat Chana Song Khram kom ik in het steegje Soi Chana Song Khram, waar Hotel New Siam Guest House staat. Hier heeft VNC een kamer voor mij gereserveerd. Ik meld mij bij de balie, waar een dame mij in vloeiend Engels uitlegt dat ik zo lang kan blijven als ik wil, als ik maar wel elke dag vooruit betaal. Het is tien dollar per nacht. Niet echt goedkoop, maar gezien de goede locatie wel redelijk. Ik krijg een eenvoudige kamer op de bovenste verdieping. De douches en toiletten zijn bij het trappenhuis. Vanuit het kleine raampje kan ik net de gebouwen van het prachtige Koninklijk paleis zien.
Na gedoucht te hebben wandel ik terug naar Thanon Khao San om op zoek te gaan naar een goede plattegrond van de stad. Die lijkt mij onmisbaar. Ik vind er een waarop ook de lijnen van het openbaar vervoer staan. Dat is wel handig. Terwijl ik mij vergaap aan de marktstalletjes met namaakkleding, namaakhorloges, namaakidentiteitsbewijzen en nog heel veel andere namaakspullen, spreekt een Thaise jongen mij aan. Hij zegt dat hij student is en reageert enthousiast als hij hoort dat ik uit Nederland kom. Hij zegt rechten te studeren en in edelstenen te handelen. Hij koopt robijnen en saffieren in en verkoopt die in Europese landen. Volgende maand gaat hij naar Nederland. Hij betaalt zijn reis van de winst die hij met zijn handeltje in edelstenen maakt. Hij dringt erop aan dat ik met een tuktuk naar een edelstenenwinkel ga. Hij betaalt de tuktuk, zegt hij en ik ben tot niets verplicht. Hoewel ik geen zin in de winkel heb, lijkt een ritje met zo’n brommer op drie wielen mij wel aardig. Dan zie ik meteen wat van de stad.
Verkeersregels negerend snelt het driewielige voertuigje over de vele met auto’s en bussen verstopte verkeerspleinen. Overal weet de handige chauffeur net tussendoor te glippen en een paar keer kruipen we echt door het oog van de naald, als hij op het nippertje een aanstormende bus weet te ontwijken. De student is het kennelijk gewend, want hij babbelt rustig door over zijn reizen, buitenlandse vrienden en edelstenen. Na een benauwd kwartiertje stoppen we bij een edelstenenwinkel. Een officiële staatswinkel zegt de student. Want ik moet volgens hem uitkijken voor winkels waar ze namaakstenen verkopen. Volgens mij is alles namaak in Bangkok. De student gaat niet mee naar binnen.
Een oude man stelt zich voor als verkoper en herhaalt het verhaaltje over staatswinkels. Als hij ziet dat ik nog niet overtuigd ben, komt hij met een dik boek waarin kopieën van Nederlandse paspoorten zitten. Allemaal tevreden klanten, zegt hij. Hij laat een paar kleurige steentjes zien en zegt dat ik die makkelijk met een paar honderd dollar winst kan doorverkopen in Nederland. Ik zeg dat ik geen handelaar ben en dat ik misschien wel wat steentjes als souvenir mee naar huis neem, maar dat ik eerst nog een rondreis ga maken.
Als ik terugloop naar Thanon Khao San zie ik verschillende affiches op muren geplakt, waarop toeristen in het Engels gewaarschuwd worden om geen edelstenen te kopen. Het verhaal over de staatswinkels is volgens het pamflet flauwekul, omdat de staat helemaal geen winkels exploiteert. Later zal ik in een reisgids lezen dat de student een ronselaar was die pas gearriveerde toeristen probeert op te lichten. De ‘staatswinkels’ verkopen waardeloze rommel. Goed dat ik daar niet ingestonken ben. Onderweg passeer ik het reusachtige Koninklijk paleis waar wat vuurwerk wordt afgestoken. Ik heb geen idee waarom. Iedereen die het paleis passeert, brengt een groet uit. Koning Bhumibol Adulyadej geniet een heilig respect in Thailand.
Vanwege het tijdsverschil houd ik het behoorlijk lang vol vandaag. Pas rond middernacht ga ik nog warm eten. Dat kan trouwens rond de klok in Bangkok. Mijn eerste indruk van deze fel bekritiseerde en door anderen geliefde stad is niet negatief. Nadat ik naar huis gebeld heb om te vertellen dat alles goed is gegaan, loop ik terug naar het guest house om wat slaap in te halen.

Dinsdag, 6 februari 1996

Wakker worden in Bangkok. Een bijzondere gewaarwording. Het guest house heeft een gezellige eetzaal in een tropische setting. Ik raak in gesprek met Francine, een lang meisje uit Australië. Dat is ook leuk van reizen. Je komt andere reizigers tegen, die je graag deelgenoot maken van hun ervaringen. Francine komt net uit Nepal en houdt in Bangkok een stop over van een paar dagen. Morgen vliegt ze terug naar huis.
Later in de ochtend kom ik haar weer tegen als ik een wandeling om het oude paleizencomplex maak. We kijken naar een begrafenisceremonie. Francine mag niet het Wat Phra Kaew-paleis in, omdat ze met haar blote bovenbenen niet aan de kledingvoorschriften voldoet.
Ik ga alleen. Binnen is het een en al pracht en praal. Extreem veel toeristen ook. Dat is wel jammer. Ik moet nog eens teruggaan als het vroeger is. De smaragden Boeddha is het religieuze hoogtepunt van Wat Phra Kaew. Het kleine, groene beeldje schijnt in werkelijkheid niet van smaragd, maar van een soort jade gemaakt te zijn. Erg kostbaar in ieder geval.
Naast Wat Phra Kaew ligt het tempelcomplex Wat Pho, maar dat is wegens een Boeddhistisch feest gesloten vandaag. Jammer. Intussen begint het bijzonder heet te worden. Het is eigenlijk tijd voor een siësta, maar dat vind ik zonde van de tijd. Ik raak in gesprek met een politieman die goed Engels spreekt. Hij vindt dat ik beslist naar een of ander exportcentrum moet gaan, omdat dat alleen vandaag nog open is. Alle toeristen gaan daar naar toe, zegt hij. Voordat ik het weet zit ik met mijn naïeve kop in een tuktuk, die mij tien benauwde minuten later afzet bij een soort warenhuis. Ik ga er niet eens naar binnen. Het interesseert mij echt niets. Bovendien is het niet handig om nu allemaal spullen te kopen, terwijl ik nog een hele reis voor de boeg heb. Rustig wandel ik langs de drukke straten terug naar de Khao San-buurt. Ik geniet van de enorme contrasten tussen glanzende torens van het zakencentrum, vervallen flats in de Chinese buurt en prachtige tempels die af en toe weggestopt staan tussen de meest afschuwelijke betonnen gebouwen. Alles ziet er smerig en armoedig uit en dan zie je ineens zo’n perfect onderhouden, verguld tempeltje waar gelovigen hun wierookstokjes branden.
Rond vier uur ben ik terug in het hotel. Ik ga een paar uurtjes slapen om fit de avond in te kunnen. Dan kun je van Bangkok genieten, zonder dat je beroerd wordt van de warmte. Vanavond wil ik naar de Sukhumvit-markt. Volgens mijn kaart moet ik bus 2 hebben, die stampvol zit.
Tijdens de wilde rit probeer ik de route op de kaart te volgen. Een tijdje gaat het goed, maar dan draait de bus onverwacht de snelweg op. Pas na een half uur is er weer een halte. Ik ben in een of andere verre buitenwijk terecht gekomen, die niet eens meer op de kaart staat.
In een winkeltje koop een flesje bronwater en dan pak ik weer bus 2 de andere kant op, om terug te keren naar de binnenstad. Dat lukt en ik weet met een flink stuk wandelen ook nog de avondmarkt te bereiken. Dat is een paradijs voor liefhebbers van nagemaakte merkartikelen. Ik ga voor de sfeer en wat dat betreft kom ik niets tekort. Tegen 2 uur ’s nachts rijd ik met een minibusje terug naar Khao San.

Woensdag, 7 februari 1996

Door stevig lawaai op de gang van het hotel gaat mijn plannetje om uit te slapen niet echt door. Hoewel. Het is half elf als ik wakker word. Dat moet aan de jetlag liggen, want ik slaap nooit zo lang. In de eetzaal is het nog druk. Ik bestel een omelet met wat tomaatjes en yoghurt. Een typisch tropenontbijtje voor verwende westerlingen. Dan begin ik aan een lange wandeling. Maar eerst naar de kapper, want het is te heet voor een dikke bos haar. Met de rivierbus vaar ik naar de General Post Office, waar ik Nederlandse girobetaalkaarten kan omwisselen in Thaise bath. Ook wel bijzonder. Dat gaat allemaal makkelijk. Het lijkt wel alsof iedereen Engels verstaat. Langs een paar overdekte markten, met walgelijke vislucht, bereik ik de beruchte wijk Patpong. Daar is overdag echter niets te beleven. Alles is gesloten op een enkel café na.
Ik loop verder naar het grote Lumpinipark waar een slangenboerderij moet zijn. Het park kan ik wel vinden, maar de slangenboerderij niet. Het is te heet om verder te zoeken. Langs de schaduwkanten van de betonnen flats wandel ik terug naar de rivier, waar ik met de riviertaxi naar het hotel kan varen. Het is wonderlijk hoe lelijk de straten in Bangkok zijn, terwijl ze naar prachtige exotische namen luisteren, zoals Kao Rama IV. Dan denk je eerder aan een oosters sprookje, dan aan een stinkende betonwoestijn met een vier rijen dikke file. ’s Avonds eet ik superhete kokossoep. De tranen schieten in mijn ogen en ik krijg de hik. Zelfs afgekoeld is de soep niet te eten. Ik had Mah Peth moeten zeggen, lees ik in mijn boekje. Dat betekent ‘niet heet’. Dat vergeet ik nooit meer. Ik ben moe, dus ik kruip er vroeg in vandaag.

Donderdag, 8 februari 1996

Vandaag zit ik zes uur ’s morgens al aan het ontbijt. Ik wil naar de drijvende markt Damnoen Saduak. Dat is ruim honderd kilometer buiten Bangkok. In Bangkok zelf is ook wel een drijvende markt, maar die is alleen nog maar voor toeristen. Op de markt van Damnoen Saduak wordt nog echt tussen de Thais onderling gehandeld, hoewel daar natuurlijk ook veel toeristen op af komen. Voor echt authentieke omstandigheden ben ik veertig jaar te laat naar Thailand gegaan. Daarom ga ik ook naar Birma.
De informatie in mijn boekje klopt niet. Daarom duurt het heel lang voordat ik het juiste busstation heb gevonden. Dat ligt in het zuiden van de stad aan de andere kant van de rivier. Pas om half negen zit ik in de bus en dan duurt het nog drie uur om in Damnoen Saduak te komen. Eigenlijk kan ik deze excursie wel opgeven. Als ik aankom, zal de markt wel afgelopen zijn. Maar ja, ik zit nu in de bus, het kost bijna niets en ik zie toch weer wat van Thailand, zonder dat ik mij daarvoor echt hoef in te spannen. Na een paar keer overstappen ben ik er en wat ik al vermoedde is waar. Iedereen is al zo ongeveer naar huis. De laatste marktlui zijn aan het inpakken. Toch kan ik nog wel een excursie maken. Dat is wel duur, omdat ik in mijn eentje een hele boot moet afhuren. We varen door de kanaaltjes, die in Thailand Khlongs worden genoemd. Na een tijdje stap ik over op een roeibootje. Een oud vrouwtje staat op de achterplecht en duwt het bootje met een lange stok vooruit. Ik zie nog wel wat van de markt, maar daar is niets meer te doen. Wel is de omgeving prachtig. Een verademing na twee dagen Bangkok.
Om vier uur ben ik weer terug in Bangkok, maar ver van waar ik wezen moet. Elke keer denk ik de goede stadsbus te hebben, die dan toch weer de verkeerde kant op rijdt. Er is geen touw aan vast te knopen. Er zijn wel drie lijnen 2 en die gaan allemaal volstrekt andere richtingen uit. De bestemming staat wel aangegeven, maar alleen in Thaise kriebeltjes. Het wordt dus weer lopen om bij het hotel te komen. Gelukkig kan ik nog een stukje met de rivierbus. Die volgt wel een voorspelbare route. In het hotel betaal ik de kamer vooruit, want ik ga een nachtje naar een ander plaatsje: de badplaats Pattaya, waar ik morgen wat wil snorkelen. Na lang zoeken bereik ik in de vooravond het busstation, vanwaar de bussen naar de badplaats rijden. Na tweeënhalf uur ben ik daar. Gelukkig ligt het busstation nu eens niet tien kilometer buiten de stad. Het is maar een korte wandeling naar het drukke centrum, dat meer op Torremolinos lijkt dan op wat je in Thailand zou verwachten. Geen rieten bungalows. Zelfs geen imitatie tropenhotels. Allemaal beton en lichtreclames. Er is minder verkeer dan in Bangkok, maar op de trottoirs is het enorm druk. Vrijwel alleen toeristen. Veel oude mannen met een gehuurd Thais liefje. Dat lijkt heel normaal hier. Omdat ik geen goede Thaise tent kan vinden, ga ik maar bij McDonald’s eten. Dat weet ik tenminste ongeveer wat ik krijg en het is niet duur.
Het is al nacht als ik door het toeristische epicentrum van Pattaya wandel. Wat een gekkenhuis. Overal enorme terrassen rond boxringen, waar jongens wedstrijden in Thai boxen doen. En overal gogobars, waar meisjes langs glanzende palen dansen. Ik durf er niet naar binnen, na de verhalen over hoe toeristen worden uitgeschud als ze één biertje hebben gedronken. De portiers voor de deuren zien er niet gezellig uit. Dit is een en al maffia en het hoofd van de politie is de baas. Ik weet een groot appartement te vinden voor slechts tien dollar. Het lijkt wel een suite met airconditioning en een grote badkamer. In Bangkok betaal ik hetzelfde voor een piepklein kamertje met gedeelde faciliteiten.

Vrijdag, 9 februari 1996

Vandaag lekker naar het strand. Pas tien uur sta ik op. Nog steeds de jetlag, denk ik. Bij een straatstalletje bestel ik noedels en een blikje cola als ontbijt. Pattaya is ’s morgens uitgestorven. Er is geen verkeer. Er zijn geen mensen op straat en bijna alle winkels zijn gesloten. Het strand is ook niet veel aan. Het is behoorlijk vervuild. De warme zee is helder, maar op de zandbodem groeit niets. Jammer. Ik had langs koralen en dergelijke willen zwemmen, maar dat kan je natuurlijk niet meer verwachten in zo’n omgeving als deze. Na een uurtje heb ik het wel gezien. Ik haal mijn spullen op en rijd achterop een open vrachtwagen naar het busstation. Dat kost net zoveel als de bus naar Bangkok, maar het is nu te heet om te lopen. De bus naar Bangkok heeft gelukkig airconditioning. Zo’n drie uur later ben ik terug in de chaotische hoofdstad. Natuurlijk weer ver van Khao San. Ik haast mij naar het postkantoor om geld te wisselen. Helaas is het dicht als ik aankom. Ook op het station kom ik te laat. Ik had een tip gekregen dat je voor weinig geld een River Kwai-excursie kunt boeken op het station, maar het toeristenloket is al gesloten als ik zes uur het station in wandel. Morgen dan maar weer. Omdat ik de bussen zat ben en omdat een tuktuk te duur is (kost voor toeristen meer dan een taxi) wandel ik terug naar Kao San. Het is toch wel vies in Bangkok. Door de langdurige hitte is dikke smog ontstaan die als een zwarte deken op de daken van de huizen rust. Veel mensen hebben mondkapjes om gedaan. Als ik het hotel bereik is het laat genoeg om te gaan eten en direct mijn bed in te duiken. Morgen wordt weer een drukke dag.

Zaterdag, 10 februari 1996

Na een vroeg ontbijt stap ik op de rivierbus naar het General Post Office. Na cheques verzilverd te hebben en postzegels te hebben gekocht, probeer ik met een stadsbus naar het station te komen. Maar weer rijdt de bus een andere route dan op de kaart staat aangegeven. Lopend weet ik het station echter makkelijk te vinden. Ik koop voor morgen een excursiekaartje naar de River Kwai. Er is een speciaal toeristenloket voor. Het verbaast mij dat ik de enige klant ben, want het volledige dagprogramma kost met 110 bath bijna niets. Dat is nog geen 3 euro. Als ik weer in de warme drukte buiten sta, kijk ik in mijn boekje wat ik vandaag ga doen. Ik zie dat in de buurt een tempeltje moet zijn met een 3,5 meter hoog Boeddhabeeld van puur goud. Dat wil ik wel eens zien. Het tempeltje Wat Traimit is een onopvallend gebouwtje in een lelijke straat. De omgeving doet niet echt vermoeden dat hier een van de kostbaarste schatten van het Boeddhisme is te vinden. Reisleiders weten dat wel, want voor de poort van het kleine tempeltje staan drie bussen geparkeerd. Het is dan ook bijzonder druk binnen. Jammer, want zo is er weinig van de mystieke sfeer te genieten. De in rare kleding gehulde groepstoeristen tonen weinig eerbied voor het dof glanzende heiligdom. Blote benen en schouders en maar foto’s maken van elkaar met het beeld op de achtergrond. Als de grootste meute eindelijk vertrokken is, kan ik het beeld wat beter bekijken. Erg mooi is het niet. Ik lees in mijn boekje dat het ooit met leem is bekleed om de 5,5 ton puur goud te beschermen tegen diefstal door vijanden. Zo heeft het eeuwen in een tempeltje in het noorden van het land gestaan. Nog niet zo lang geleden besloot de regering het beeld naar Bangkok te verhuizen. Het geheim van het goud werd pas in 1955 onthuld toen het beeld tijdens een verplaatsing uit de takels viel en er stukken leem afbraken. Sinds die ontdekking is de Wat Traimit een van de belangrijkste attracties van Bangkok geworden.
In de middag wil ik een vaartochtje door het kanalenstelsel van Bangkok maken. Dat zijn de Khlongs, waar de mensen meer op dan naast het water wonen. Het lukt mij alleen niet om de aanlegsteiger van de rivierbus te vinden. Vragen heeft ook weinig zin, want de mensen weten echt niet waar ik het over heb. Op de kaart staat het verkeerd aangegeven, hoewel het een nieuwe kaart is. Zou het openbaar vervoer in Thailand elke maand worden veranderd? Ten einde raad ga ik dan maar in op het aanbod van de eigenaar van een longtailboat. Hij wil mij voor 300 bath wel rondtoeren door het Khlong-gebied. Dat is niet goedkoop, maar dat heb je als je in je eentje een hele boot nodig hebt. En omdat ik het toch eens wil meemaken en vandaag niets anders van plan was, betaal ik maar.
De boottocht is het geld wel waard, hoewel het voordelig kan zijn om wat andere reizigers te zoeken, zodat je de kosten kan delen. We varen door de smalle grachtjes die een heel ander beeld van Bangkok geven. Geen beton, geen verkeer, maar wel stank. Het is bijzonder schilderachtig. Overal kleinschalige bedrijfjes en akkertjes. De handel verloopt via het water. Vanaf de straat is niets van die nijverheid te bespeuren. Zo varen we langzaam maar zeker de stad uit.
We meren af bij een reptielenboerderij. Via een mooie tropentuin bereiken we een van bamboe gebouwd paviljoen, waar een glaasje mierzoete thee wordt aangeboden. Er zitten nog een paar andere buitenlanders. Midden in het paviljoen is een soort piste, waar een Thai demonstraties geeft met allerlei enge beesten. Een andere Thai filmt mij terwijl ik een vier meter lange python op mijn nek krijg gelegd. Via andere grachtjes varen we terug naar het centrum, waar ik nog 10 bath aanmeerkosten moet betalen.
Het is nog niet zo laat. Daarom besluit ik naar het grote tempelcomplex Wat Pho te gaan. Dat was een paar dagen geleden gesloten, maar zal nu wel weer open zijn. En inderdaad, ik kan naar binnen. Het is erg rustig in het uitgestrekte complex. Hoewel Wat Pho bijna net zo mooi is als Wat Phra Kaew trekt het veel minder toeristen. Des te beter. In een van de met beelden volgestouwde gebouwen zie ik een 45 meter lang liggend Boeddhabeeld. Volgens het boekje is het een van de grootste liggende Boeddha’s ter wereld. Dat wil ik wel geloven. Al rondzwervend tref ik een traditionele bijeenkomst aan. Ik raak in gesprek met een mevrouw, die Engelse les geeft aan de universiteit van Bangkok. Zij legt uit dat vanavond gevierd wordt dat het vijftig dagen geleden is dat haar vader is overleden. Het grootste deel van de familie is bijeengekomen om vanavond een gezamenlijke maaltijd te gebruiken in het tempelcomplex. Ik vind het een hele eer dat ik mag aanschuiven. Ik maak kennis met haar man, die eveneens professor is. De vrouw vertelt hoe een uitvaart in Thailand in zijn werk gaat. Dat is een behoorlijk complex en kostbaar ritueel, dat niet voor iedere gestorvene zal zijn weggelegd. Vanavond is voor deze familie de tweede fase van rouw ingegaan. De uitvaart wordt na een aantal maanden afgesloten met de crematie van de overledene.
Rond een uur of negen wandel ik terug naar het hotel. Ik probeer naar huis te bellen, maar mijn vrouw Diana is in gesprek. Dan maar eerst een hapje eten. Trekkersvoer in een trekkersrestaurantje. Tien uur weer naar de telefoonwinkel, maar helaas. Ik ga het geen derde keer proberen. Morgen zal ik bij nacht en ontij de deur uitmoeten.

Zondag, 11 februari 1996

Al om vijf uur in de ochtend ga ik de deur uit. Omdat Bangkok dag en nacht doorgaat, kost het weinig moeite om een tuktuk te vinden. Die brengt mij in enkele minuten naar het station, waar de toeristentrein naar de River Kwai al klaarstaat. Het is druk en benauwd in de trein en ik heb een slechte plaats. Gelukkig mag ik van de conducteur een andere plaats zoeken. Ik kom tegenover drie Singaporezen te zitten, die druk Chinees met elkaar aan het praten zijn.
Veel comfort biedt de zilverkleurige toeristentrein niet. De bankjes zijn van hard plastic en net groot genoeg voor kinderen om op te zitten. Dat wordt afzien, want de excursie duurt de hele dag. Het lijden wordt minder als we eindelijk gaan rijden. Ik schuif het raam helemaal open en zie van dichtbij de krottenwijken voorbijtrekken. Het duurt bijna een half uur voordat we Bangkok uit zijn. Nog een half uur later stoppen we bij Nakhon Pathom, waar een enorme tempel staat. De maar liefst 127 meter hoge Phra Pathom Chedi met zijn enorme oranje koepel is vanuit de trein al te zien. Ik moet doorlopen, want er is maar een uurtje uitgetrokken om het stadje te bekijken. Net genoeg om even een rondje om de tempel te lopen en een vluchtige blik op het interieur te werpen. Aan het museum kom ik niet toe. Gehaast keer ik terug naar de trein. Op de markt koop ik een trosje minibanaantjes als ontbijt. Ik ben net op tijd, want ik zit nog niet of de trein gaat weer rijden. Ditmaal duurt de rit veel langer. Ik geniet van het ruige, prachtige landschap. Af en toe passeren we toeterend een dorpje. De Singaporezen zijn in slaap gevallen. Anderhalf uur na het vertrek uit Nakhon Pathom komen we in Kanchanaburi aan, waar zich de beroemde brug over de River Kwai bevindt. Hier hebben we een fotostop van een half uur. Dat is kort, maar op de terugweg wordt ons meer tijd beloofd. Ik loop een beetje rond te kijken om alvast een plan voor de terugweg te trekken. Na wat foto’s van de brug gemaakt te hebben is het alweer tijd om terug te gaan naar de trein.
Stapvoets boemelt het toeristentreintje over de brug, die uit zeven vakbruggen op pijlers bestaat. Enkele van de bruggen hebben een andere vorm. Dat zijn brugdelen die na de oorlog hersteld zijn. De rest van de rit naar het eindpunt Nam Tak is prachtig. Een groot deel van het traject voert langs de Mae Klong-rivier, waarvan de River Kwai een zijtak is. De Mae Klong stroomt hier door het weinige nog overgebleven regenwoud van Thailand. Bij Nam Tak houdt de spoorlijn op. De lijn had Bangkok met Rangoon moeten verbinden, maar de aanleg die tienduizenden levens heeft gekost, is direct na het beëindigen van de Tweede Wereldoorlog stopgezet. Waar zoveel mensen gestorven zijn, is nu een idyllisch plekje met een vrolijk watervalletje. Mensen uit de buurt hebben er een marktje opgezet om de tweewekelijkse lading toeristen te bedienen. Ik neem een eenvoudige lunch en rust uit in de schaduw van de bomen. Het is bloedheet vandaag. Ik vind het jammer dat we drie uur in Nam Tak blijven. Ik had liever wat meer tijd in Nakhom Pathon gekregen. Maar ja, dat heb je als je aan iets georganiseerds deelneemt.
Na weer een lange rit stoppen we in Kanchanaburi voor een bezoek aan de oorlogsgraven. Maar eerst wil ik een tempeltje bezoeken, waar een gouden fallus aanbeden wordt door mensen die kinderen willen krijgen. Dat wil ik wel eens in het echt zien. Het tempeltje stelt echter weinig voor. Met een fietstaxi rijd ik naar de oorlogsbegraafplaats, waar ook veel Nederlanders begraven liggen. De graven zijn per land gegroepeerd. Na de brug over de River Kwai tweemaal lopend gepasseerd te hebben is het tijd voor de laatste rit terug naar Bangkok. Het schiet niet op. Verschillende malen blijft de trein lang staan om andere treinen op het enkelspoor te laten passeren. Tegen de avond zit de excursie er eindelijk op. Ik heb pijn in mijn billen van de harde plastic banken. Na een douche in het hotel ga ik eens kijken in Patpong, de beruchte rosse buurt van Bangkok. Het lijkt allemaal niet zo erg als de verhalen willen doen geloven. Het is meer een soort avondmarkt, waar het barst van de toeristen. Overal kraampjes met nagemaakte merkartikelen, zoals Rolex-horloges en poloshirts van dure merken. De talloze nachtclubs hebben iets grimmigs. Overal staan gemeen loerende portiers voor de deur. Bij de meeste clubs moet je eerst een paar zware, zwarte gordijnen passeren voordat je een glimp naar binnen kunt werpen. Bij sommige clubs kun je vanaf de straat een beetje naar binnen kijken. Het zit overal stampvol en buiten word je gek van de alles overheersende neonreclames. Ik ga maar nergens naar binnen, want als de verhalen over afpersing en verplichte superfooien waar zijn, sta ik er wel alleen voor. Met de verkeerde bus probeer ik terug te keren naar Kao San Road. Dat wordt dus weer lopen. Ik hoop dat mijn schoenen het gaan volhouden, want die zien er al niet zo geweldig meer uit. En mijn voeten beginnen intussen ook steeds gevoeliger te worden. Bangkok is leuk, maar je moet er eigenlijk wel een fiets hebben of zo. En die zijn nergens te huur. Bij restaurant Hello bestel ik een bord toeristenvoer. Na naar huis gebeld te hebben duik ik mooi op tijd mijn bed in.

Maandag, 12 februari 1996

Vandaag is het de laatste dag in Bangkok. Ik kijk tijdens het ontbijt in mijn boekje wat nog de moeite waard van een bezoekje is en ga dan op pad. Op Thanon Khao San loop ik een paar reisbureautjes binnen voor informatie over reizen naar Laos en Cambodja. Met de stadsbus probeer ik dan bij Suan te komen. Daar zijn traditionele Thaise huisjes te zien. Ik weet het zowaar te vinden, maar er is weinig aan. De huisjes zijn aardig. Binnen is het er prachtig. Maar de entourage van de betonnen omgeving doet alle sfeer teniet. Daar komt dan ook nog het overheersende verkeerslawaai bij.
Het tweede deel van de ochtend bezoek ik de Dusit. Ik dacht dat er alleen een dierentuin was, maar er blijkt ook een universiteit te zijn. De gebouwen zijn in traditionele Thaise stijl opgetrokken en zien er schitterend uit in hun parkachtige omgeving. Via het Koninklijk paleis wandel ik naar de dierentuin. Die blijkt tegen te vallen. Het is een klein complex voor zo’n enorme stad als Bangkok. De dierentuin trekt ook niet veel publiek. Dat is wel weer een voordeel. Als ik gezien heb dat de witte olifanten van de koning helemaal niet wit zijn, vind ik het verder mooi geweest. De hitte wordt al te erg en ik besluit de schaduwrijke steegjes van China-town op te gaan zoeken. Daar is werkelijk van alles te koop. Behalve wat je nodig hebt. Water bijvoorbeeld. Ik barst van de dorst, maar nergens is water te koop. Als ik buiten Chinatown eindelijk een supermarktje ontdek, koop ik meteen een grote fles waarvan ik in één slok een halve liter achterover sla.
Na een eenvoudig maal en een douche ga ik naar de avondmarkt Sukhumvit. Het is er erg gezellig, hoewel ik inmiddels geen voeten meer over heb van al het gewandel van de afgelopen week.
Op de terugweg word ik door een politieman gesommeerd om op te staan, terwijl ik op een bushalte zit uit te rusten. Iedereen gaat staan. Ik weet niet wat er aan de hand is. De koning, fluistert iemand mij in het oor. Dan passeert een groot aantal zwarte auto’s met hoge snelheid. In een daarvan moet de aanbeden koning van Thailand zitten. Als het konvooi voorbij is, mag iedereen weer gaan zitten. Doodmoe en erg laat keer ik terug in het hotel. Er is een briefje onder mijn deur geschoven. De Birma-groep is gearriveerd en we zien elkaar morgenochtend in de ontbijtzaal.

Dinsdag, 13 februari 1996

Ik maak kennis met de mensen waarmee ik de komende drie weken zal moeten optrekken. Ze lijken mij wel aardig, hoewel ik wisselende gedachten heb. Het is aan de ene kant gezellig om reiservaringen met landgenoten te delen en je kan leuke vriendschappen opdoen in zo’n groep. Maar je moet ook rekening gaan houden met anderen, met mogelijk hele andere ideeën om de tijd in te vullen. En je kan vervelende mensen treffen, waar je dan wel aan vast zit al die tijd. Maar het valt mee. Het gezelschap bestaat uit reisbegeleidster Lilianne (avontuurlijke reisorganisaties spreken niet van reisleider, maar van reisbegeleider), reisbegeleidster in opleiding Mirjam, een man van ongeveer mijn leeftijd, twee oude mannen en twee Belgische koppeltjes. De twee oude mannen, Wim en Gerrit, staan mij gevoelsmatig direct al tegen. Ze zijn mij te nadrukkelijk aanwezig. En dan dat ouwe wijven gekakel, dat geen moment ophoudt.
Met een minibusje rijden we naar het vliegveld. En dan komen meteen de eerste problemen. Wim en Gerrit kunnen hun tickets niet meer vinden. En de man van mijn leeftijd, Rob, wordt niet goed onderweg. Maar toch komt het allemaal wel weer in orde. Met behulp van Lilianne weten de oudjes hun papieren terug te vinden en met Rob gaat het iets beter als hij het busje uit is. De douaneformaliteiten gaan makkelijk, maar eenmaal in het vliegtuig moeten we weer een hele stapel formulieren invullen. Ik ben erg blij met mijn plaats. Helemaal achterin, bij het raam. Geen last van de vleugel en dus een magnifiek uitzicht.
Na een klein uurtje landen we op het vliegveld van Rangoon, dat tegenwoordig Yangon heet. Er wordt hard gewerkt om alles tot in de puntjes verzorgd te krijgen, want 1996 is uitgeroepen tot het Visit Myanmar Year. Myanmar is de nieuwe naam van Birma. Nou ja, nieuw. Voordat de Britten er Birma van gemaakt hadden, heette het land ook al Myanmar. Dus dat valt wel te verdedigen.
De grensformaliteiten stellen weinig voor. Het visum had ik al en wat rest is de verplichte 300 dollar omwisselen in toeristengeld. Dat levert een briefje op dat je nodig hebt om door de laatste controle heen te komen. Met een luxe minibusje rijden we naar het nieuwe Silver Star-hotel. Dat is dan het grote voordeel van zo’n groepsreis. Je hoeft niets uit te zoeken en als er problemen zijn, lost de reisbegeleidster die wel op. Zoals te verwachten was, deel ik mijn kamer deze reis met Rob.
Het duurt nog een paar uur voordat wij gaan eten. Er is dus genoeg tijd om even een verkenningsrondje door de buurt te maken. Het wordt strompelen, want ik kan bijna niet meer lopen op mijn door Bangkok gehavende voeten. Ook in Rangoon is het niet mogelijk om een fiets te huren. Een belangrijk minpunt vind ik. Hoewel. Als ik naar het verkeer kijk. In Bangkok was dat al een aardige puinhoop, maar daar kon je nog redelijk veilig oversteken. In Birma gelden helemaal geen regels meer. De oeroude bussen en houten vrachtwagens tonen alleen respect voor nog grotere voertuigen met een nog luidere toeter. Met onvoorstelbaar veel lawaai probeert het verkeer zich een weg door de smalle straten te banen. Voetgangers, de weinige fietsers en de fietstaxi’s zijn daarbij vogelvrij. APK kennen ze ook niet in Birma. Veel voertuigen moeten nog uit de Britse tijd stammen en hebben sinds die periode geen onderhoud gehad. Alleen de motor wordt onderhouden, zodat de wrakken in ieder geval blijven rijden. En de toeter natuurlijk. Zonder te toeteren kom je geen meter vooruit in deze stad.
De mensen zijn ook een verhaal apart. Veel buitenlanders zie je niet in Yangon. Dus ik word bekeken alsof ik van mars kom. Aan de andere kant heb ik ook alle aandacht voor de Birmezen. De mannen dragen vrijwel altijd een omslagdoek, die longyi wordt genoemd. Geld voor een broek is er gewoon niet. De vrouwen vallen op door de witte plekken op hun gezicht. Met een soort crème proberen ze hun huid te beschermen tegen de tropenzon. Wel nodig, want in Thailand, waar dat niet gebeurt, hebben maar weinig vrouwen een mooie huid. Niettemin vind ik de witte plakken schmink niet echt flatteus. ’s Avonds eten we bij een Chinees. Daarna koop ik nog een paar sandalen in de Chinese wijk. Op mijn bergschoenen kan ik bijna niet meer lopen. Ik ga dus nooit meer met slechte schoenen op reis, want daar ligt het aan.

Woensdag, 14 februari 1996

De vorige avond hebben we afgesproken om met zijn allen heel vroeg naar de Shwedagon-pagode te gaan. Dus al om vijf uur staan we buiten. Het is nog steeds warm. Lianne houdt twee driewielertaxi’s aan, waar we met moeite in kunnen kruipen. Het zijn een soort lawaaiige brommers met een laadbak. Een canvas huif houdt de passagiers droog als het regent.
Met veel geknetter rijden we door de verlaten stad. Wat een verschil met Bangkok. In Yangon is het donker ’s nachts. Geen lichtreclames en geen stalletjes met frisdrank. Het is ongeveer een kwartier rijden naar de hoge heuvel waarop de Shwedagon-pagode gebouwd is. Ik had gedacht dat we aan de voet van de heuvel zouden worden afgezet, maar de chauffeurs vinden dat hun eer te na. De voertuigjes kreunen en steunen terwijl zij ons grote gewicht de steile helling op sjouwen. In een bocht zie ik de enorme gouden stupa die het centrum van de pagode vormt. We worden afgezet bij een lift, die speciaal voor gehandicapten en luie buitenlanders is gebouwd. Via deze ingang is de entree maar liefst 5 dollars, of het equivalent in toeristenkiats. Eenmaal boven moeten we onze schoenen uitdoen. Je mag de Shwedagon alleen op blote voeten betreden. Ik ben daar bijzonder blij om, want ik kan bijna niet meer op mijn schoenen lopen.

We zijn enorm onder de indruk van de onbeschrijfelijke pracht. Zelfs de twee oude kereltjes houden even hun waffel. Het is pas zes uur in de ochtend. De schemering is nog niet begonnen, maar er zijn al vrij veel mensen. Alleen Birmezen gelukkig. Voor toeristen is het nog iets te vroeg. Als het rond kwart over zes begint te schemeren, begint het toverachtige schouwspel van de gouden stupa.

Langzaam verandert de kleur van de 98 meter hoge, met honderden kilo’s puur goud en talloze edelstenen beklede toren. Het doffe oranje gaat steeds meer blinken en krijgt steeds meer gouden nuances.

Rond de centrale toren zijn honderden kleinere pagodes gebouwd. Ook zijn er tal van tempeltjes, restaurants en kleine winkeltjes waar offergaven worden verkocht. Maar de meeste aandacht eist de hoofdpagode op. Zeker nu de zon langzaam boven de dampige horizon begint te klimmen. De kleurschakeringen veranderen nu steeds sneller en na een kwartier is het een en al goud dat schittert.

De Shwedagon-pagode is een waar wereldwonder. De hoeveelheid goud waarmee het heiligdom is bedekt, is niet eens meer te schatten. Nog dagelijks plakken bezoekers nieuwe blaadjes bladgoud op de stupa. De basis van de toren is vierkant en bebouwd met zestig kleine pagodes. De toren zelf begint met een achthoekige trap rondom. Die gaat over in de ronde ‘bel’ van de stupa.

Helemaal bovenin staat een gouden vaan die met 1100 diamanten van in totaal 278 karaat is bekleed. De koon telt ook nog eens 4351 diamanten met een totaal gewicht van 1800 karaat. Het hoogste punt van de pagode bestaat uit een reusachtige diamant van 76 karaat.

Het is niet te geloven dat deze onvoorstelbare rijkdom zoveel oorlogen en aardbevingen overleefd heeft. Nog maar acht jaar geleden vond op deze prachtige, heilige plek een van de bloedigste gevechten uit de Birmese geschiedenis plaats, toen de militaire regering met geweld een einde maakte aan een volksopstand.

Ergens begint muziek te spelen. Het is acht uur en het wordt steeds drukker. Ook zie ik de eerste toeristen arriveren.

De leden van mijn groepje zijn echter nergens meer te bekennen. Af en toe kom ik Rob tegen, die net als ik druk aan het fotograferen is.

Het gaat iets te ver als ik alles wat ik zie moet beschrijven. Ik kan boeken vullen met alle indrukken die ik hier op doe. Het zijn bovendien niet eens alleen de machtige gebouwen en de gouden pagode, maar ook de mensen, de geuren en geluiden die de sfeer onbeschrijfelijk mooi maken.

Op vele plaatsen zitten mensen te bidden of te mediteren. Elders klinkt prachtig gezang of het strelende geluid van exotische muziekinstrumenten.

Rond het middaguur vertrek ik met een gewone taxi naar de Sula-pagode, die midden in het zakelijk centrum van Yangon staat. Nu vallen mij ook de zwaar beveiligde gebouwen in het centrum op. Het zijn ministeries, zie ik. Rondom staan hoge muren met prikkeldraad. Op de hoeken staan uitkijktorens en rondom lopen zwaar bewapende wachten. Grote borden geven aan dat het verboden is om foto’s te maken. Ik houd mij daar maar aan.
In een bank tegenover de Sula-pagode wil ik geld wisselen. De employee kijkt begerig naar mijn Monopoliegeldachtige toeristenkyat’s. Hij trekt zijn portefeuille en biedt aan om clandestien te wisselen. Zijn koers is echter weinig aantrekkelijk. Op straat krijg ik 120 normale kyat’s voor één dollar. Met die koers kun je producten tegen normale prijzen kopen. Met de officiële koers, van 7 kyat’s voor één dollar, wordt Myanmar wel heel erg duur!
Met een enorm pak smoezelig geld wandel ik het schemerige cafeetje uit, waar de transactie had plaatsgevonden. Het is bloedheet op straat. Daarom neem ik maar de stadsbus naar de Botataung Pagode, die als volgende attractie op mijn to-do-lijstje staat.

Het geld in Birma is trouwens ook wel een verhaal apart. Voor buitenlanders is apart geld in omloop gebracht. Dat is gedrukt op normaal papier, zonder watermerk of andere beveiligingen tegen vervalsing. De Foreign Exchange Currency (nageaapt van de Chinezen) is echter bijna nergens uit te geven. Het is dus de kunst om deze rare biljetten zo snel mogelijk om te wisselen in normaal geld. Je kunt ook dollars omwisselen in normaal geld, maar dan kan je problemen bij de douane krijgen als je het land verlaat. Je moet dan namelijk aantonen hoeveel geld je hebt omgewisseld. En officiële wisselbewijzen krijg je natuurlijk niet op de zwarte markt. Als je dan eindelijk je dollars in toeristenkyat’s hebt omgewisseld en de toeristenkyat’s in normaal geld, kun je nog verbazen over dat normale geld. Birma is zonder twijfel het enige land in de wereld dat biljetten van 45 en 90 in omloop brengt. Dat is een van de grillen van de militaire dictator Ne Win, wiens geluksgetal 9 is. Er zijn echter ook nieuwe biljetten van 50 en 100 kyat’s in omloop. Die moeten op termijn de biljetten van 45 en 90 kyat’s vervangen. 100 kyat’s is trouwens het biljet met de hoogste chartale waarde. Dat is niet handig. Want als je 10 dollar wisselt, zit je al met 120 van die briefjes. Dat is een behoorlijke stapel.
Ik kijk een beetje rond bij de Botataung Pagode, die als enige geen massieve kern heeft. Vroeger wel, maar na een bombardement in de Tweede Wereldoorlog was de oorspronkelijke pagode volledig verwoest. Men besloot hem te herbouwen, maar dan hol om materiaal te besparen. Oude pagodes zijn overigens vaak massief omdat ze in de regel rond nog oudere pagodes worden gebouwd. Ook de Shwedagon-pagode is als klein torentje begonnen. Ik vraag mij af of er ooit een nog grotere pagode rondom heen gebouwd zal worden. Dat kan bijna niet.
Ik probeer de boot naar Syriam te vinden. Dat is een klein stukje India aan de overkant van de Yangon-rivier. Als ik eindelijk de goede steiger heb gevonden, is de boot net weg. De volgende gaat pas over anderhalf uur. Dat gaat mij te lang duren. Ik strompel terug naar het hotel om mij op te frissen en pak dan een fietstaxi terug naar de Shwedagon-pagode om de zonsondergang daar mee te maken.

Ditmaal kan ik via een van de andere ingangen gratis naar binnen. De sfeer is nu heel anders dan vanochtend. De pagode heeft weer een oranje gloed gekregen en overal is lawaai en drukte. Boven op de heuvel is het veel koeler dan in de stad en ook het koude marmer voelt heerlijk aan mijn gepijnigde voeten. Langzaam verdwijnt de oranje-rode zon als een waterige bal achter de moerassige westelijke horizon.

Een kwartier later is het pikdonker en wordt de verlichting rond de pagode ontstoken. Het is nog steeds enorm druk. Rond een uur of negen ben ik de onophoudelijke aanvallen door muggen zat en strompel ik de trappen af om een fietstaxi te zoeken naar het door mijn gidsje aanbevolen restaurant Palace. Ik moet in een steeg zijn, waar de fietstaxi niet mag rijden. Na even zoeken, kom ik bij het restaurant aan, dat de ambiance van een garage heeft. Hopelijk smaakt het voedsel niet naar garage. De bediening is erg vriendelijk en over het eten valt niet te klagen. De Thaise soep wordt per liter geserveerd in een enorme schaal. Daarna neem ik nog een zoetzuur kipgerecht. Heerlijk allemaal. Met een fietstaxi laat ik mij naar het hotel peddelen. Rob is nog niet terug.

Donderdag, 15 februari 1996

Met Rob ga ik vandaag naar Syriam, ofwel Klein India. Ik weet inmiddels waar de aanlegsteiger is en hoe laat de boot vertrekt. Kwart voor acht. Voor slechts 1 kyat per persoon krijgen we een interessante boottocht over de rivier. Zelfs als Syriam zelf weinig aan is, maakt de boottocht veel goed. Onderweg wordt het mistig. Door de flarden heen zien we nog de goud schitterende stupa van de Shwedagon-pagode. Op de boot is het een drukte van belang. Veel mensen zien er als Indiërs uit. Vrouwen met zo’n kleurige stip op hun voorhoofd en donkere mannen met het typische pikzwarte stugge haar.

In Syriam nemen we een paardenkoetsje. We kunnen niet uitleggen waar we naar toe willen. Pagode roept Rob maar op goed geluk. Het koetsje begint te rijden. Na een half uurtje hobbelen stoppen we in een authentiek Birmees dorpje. Erg leuk. We kijken een beetje rond en rijden dan verder naar een plek waar twee grote pagodes staan. Een ervan is in renovatie. De andere is prachtig wit. We kijken uit over de rivier met aan de overkant, heel ver in de verte, de alles overheersende Shwedagon-pagode. We wandelen nog een stukje door het oerwoud en keren dan terug naar de boot. Ditmaal zijn er bijna geen passagiers. Ik maak een foto van een lief Hindoevrouwtje met een kindje op schoot. Rob gaat na het Syriam-avontuur terug naar het hotel. Ik strompel door naar de Boyoke-markt. Ooit had Yangon de grootste markt van Zuidoost Azië, maar daar heeft de regering een paar jaar geleden een einde gemaakt. Nu is er nog slechts een overdekte markt, waar het overal even donker is. Veel is er niet aan. Er wordt vooral kleding en stof verkocht. En medicijnen. Die zitten in plastic boterhammenzakjes verpakt en vinden gretig aftrek. Ik vraag mij af wat het voor rommel is. Het ziet er in ieder geval feestelijk uit, die gele en paarse capsules. Vier uur moest ik terug zijn in het hotel, maar ik ben er al om twee uur. Ik had nog wel meer van de stad willen zien, maar ik kan bijna niet meer lopen van de pijn in mijn voeten. Ik bestel een kom soep in de lobby van het hotel en wacht op de komst van de andere groepsleden. Vier uur zouden we naar het station vertrekken. Iedereen is zowaar op tijd. Lianne heeft twee minibusjes besteld die ons naar het station brengen. Daar nemen we de nachttrein naar Mandalay in het noorden van Myanmar. Vijf uur vertrekt de trein voor een prachtige rit die minstens achttien uur zal duren. Mij maakt dat niet uit. Ik zit in een comfortabele slaapstoel naast het open raam en zie de rijstvelden voorbij glijden. Even na zessen gaat de zon onder en wordt het snel donker. Schuin tegenover mij zit een groepje nonnen.

Vrijdag, 16 februari 1996

Slapen lukt niet in de trein. De stoelen zijn zacht, maar ik kan mijn benen niet kwijt. En de herrie dringt dwars door mijn oordopjes heen. Ook blijft de felle tl-verlichting branden. Af en toe stoppen we even. De stations onderweg zien er uit als concentratiekampen. Overal meters hoog prikkeldraad aan betonnen staanders.
Rond een uur of acht wordt het weer licht. We rijden nog altijd door rijstvelden. Hier en daar ploegt een boer met een span buffels door het water. In de mistbanken die over de velden hangen zie ik af en toe de punten van pagodes steken. Het land staat er vol van. Thazi is de laatste grote stop. We blijven hier lang staan, terwijl allerlei lieden met manden vol ontbijtspullen langs de passagiers lopen. Ik durf het niet aan. In de trein moet je niet aan de race raken en de reis duurt misschien nog lang. De venters weten precies wanneer ze moeten uitstappen, want de laatste is nog niet weg of de trein zet zich weer in beweging. In de verte liggen wat bergen, maar de trein blijft het rivierdal volgen.
Rond tien uur komen we in Mandalay aan. Hoewel ik niet geslapen heb, voel ik mij toch nog redelijk fit. Als ik hoor dat je in deze stad wél fietsen kunt huren, heb ik er meteen zin in. Een fiets is ideaal in Zuidoost Aziatische steden. Maar eerst gaan we met een busje naar het hotel om op te frissen en de bagage te dumpen. We stoppen voor het gloednieuwe Garden-hotel. Tot voor kort was er bijna geen accommodatie in Mandalay. Zakelijk is de stad niet belangrijk en er ging jaarlijks maar een handjevol toeristen naar toe. In verband met het Visit Myanmar Year is echter in noodtempo een groot aantal hotels uit de grond gestampt. De meeste staan leeg, net als het Garden Hotel waar wij met zijn negenen de enige gasten zijn. Ik begrijp dan ook niet waarom Rob en ik helemaal naar de vierde etage moeten. Dat wordt sjouwen, want een lift is er niet.
Het hotel regelt een fiets voor 1 dollar per dag. Na het ontbijt ga ik meteen op pad. Eerst maar naar de markt. Die is gedeeltelijk in de open lucht en voor een deel in een vier verdiepingen hoog, vervallen betonnen gebouw. Het is net een parkeergarage. Mijn fiets stallen kost maar liefst 20 kyat. Dat is ongeveer 16 cent. Toeristentarief dus, want geen Birmees kan 16 cent betalen om zijn fiets te stallen. Na de markt fiets ik een beetje rond door het centrum met zijn leuke winkelstraatjes. Helaas is het verkeer hier net zo druk als in Rangoon en word je elke vijf minuten van de weg af getoeterd. Het lawaai is verschrikkelijk en ik neem mij voor om voortaan met oordopjes te gaan fietsen.

Onderweg naar de volgende attracties passeer ik een leuk Japans tempeltje, dat er nog gloednieuw uitziet en dat waarschijnlijk ook is.
Om de hitte te ontvluchten bezoek ik een fabriekje waar ze goudblaadjes maken. De arbeiders slaan met grote hamers kleine goudklompjes plat. De blaadjes worden door anderen netjes op maat geknipt en verkocht aan gelovigen die ze op Boeddhabeelden plakken. Het verbaast mij dat er geen enkele vorm van beveiliging is, terwijl hier toch voor een kapitaal aan goud ligt. De Birmanen zullen het wel niet in hun hoofd halen om hier iets te stelen.
Ik koop wat extra diafilms en fiets dan naar de Kuthodaw-pagode. Die staat in een gebied aan de voet van de kunstmatige Mandalay-heuvel. Er staan nog verschillende andere pagodes en tempels, maar de Kuthodaw-pagode is heel bijzonder vanwege de marmeren geschrifttafels. Deze worden wel het grootste boek van de wereld genoemd. Ieder van de 729 tafels staat in een eigen tempeltje rond de centrale pagode. En elk van de enorme tafels is bewerkt met miniatuurletters. Op die manier is de complete Tripi-taka op schrift gesteld. Een eeuw geleden is de Tripitaka ook in boekdruk uitgegeven. Er waren 38 boeken van 400 pagina’s nodig om de hele inhoud kwijt te kunnen. Dan snap je ook dat het 450 dagen duurt om de hele tekst te lezen. En dan moet je ook nog acht uur per dag onafgebroken bezig zijn. En je moet gestudeerd hebben om de Tripitaka überhaupt te kunnen lezen. Aan de vele monniken in de omgeving is te zien hoe groot de religieuze waarde is van het monument. In de naast de Kuthodaw-pagode gebouwde Sandamani-pagode zie ik nog meer marmeren schrifttafels. Deze zijn echter kleiner en bevatten interpretaties van de Tripitaka. Interessanter is de Shwendandaw-pagode. Daar hebben houtbewerkingkunstenaars zich flink op uit geleefd. De rijk bewerkte panelen zijn schitterend, hoewel sommige exemplaren hard aan onderhoud toe zijn. Tot slot zet ik de fiets nog even bij de Kyauktawgyi-pagode. De enige bijzonderheid hier is een enorm Boeddhabeeld dat uit één gigantisch stuk marmer gehouwen is. Volgens een beschrijving zijn 10.000 arbeiders nodig geweest om het blok naar de tempel te slepen. Voor één van de tempels staat een verkleinde imitatie van de Big Ben. Waarschijnlijk hebben de Engelsen die gebouwd, tijdens de bezetting in de negentiende eeuw.
Dan is het tijd om ondanks de hitte de Mandalay-heuvel te beklimmen. 1700 traptreden zijn dat. Ongeveer halverwege rust ik uit in een tempeltje, dat niet veel voorstelt, maar waar wel drie botjes van Boeddha worden bewaard. Dat maakt het tempeltje tot een religieus hoogtepunt voor de Boeddhisten. Vandaag zijn er echter slechts twee monniken. Als ik een beetje ben bijgekomen, begin ik aan de tweede etappe. Redelijk uitgeput kom ik boven. Gelukkig staat er wat wind en is het koeler bovenop de heuvel. Ik geniet van het uitzicht over Mandalay, het afgebrande Koninklijk paleis, de Irriwaddy-rivier en de ver in de verte gelegen Shan-bergen. Er is ook een tempel. Een merkwaardig gebouw, met badkamerachtige betegeling. Sommige tegels lijken van puur ijzer te zijn. Ik maak kennis met een Cantonese familie met wie ik achterop een vrachtwagen kan terugrijden naar de ingang, waar mijn fiets staat. Na een gevaarlijk ritje ben ik weer bij het hotel. We gaan vanavond met de groep bij een Chinees eten. ’s Avonds ga ik met enkele leden van het clubje naar Hotel Ambassador, waar op het dak een muzikaal optreden plaatsvindt. Veel is er niet aan. De muziek is afschuwelijk. Na elk liedje mag het publiek bloemenkransen om de hals van de zangeressen hangen. Wat een lol! Verder is er niets te doen in Mandalay. Ik ga daarom maar vroeg naar bed om wat slaap in te halen.

Zaterdag, 17 februari 1996

Vandaag staan twee excursies op het programma. Eerst gaan we met een hobbelvrachtwagen naar Amarapura, waar we een 1,5 kilometer lange teakhouten brug over de rijstvelden gaan bekijken. De weg naar Amarapura is verschrikkelijk. Eén grote gatenkaas. We worden enkele malen per minuut gelanceerd, want de chauffeur rijdt niet bepaald voorzichtig. Als we aankomen in de Indiaas ogende stad zie ik een tot bus omgebouwde vrachtwagen. Nou ja, vrachtwagen. Veel meer dan een chassis met laadbak is het niet. Ik begrijp niet dat zo iets nog kan rijden.

De groep wandelt meteen naar de brug, maar ik ga eerst een ruïnestadje bekijken. Er zijn veel monniken. Vroeger moet dit een Koninklijk paleis zijn geweest. Er is helaas niet veel van over. Naast de ruïnes is een klooster waar 1200 monniken wonen. Het moet heel aardig zijn om de dagelijkse maaltijd te zien. Dat is om twaalf uur en dat is het bijna. Ik houd mijn camcorder in de aanslag. Lang hoef ik niet te wachten. Een van de monniken kondigt met een vreemd soort gong de maaltijd aan. En daar komen de monniken. Met hun houten eetschaaltje en stokjes. Het is een prachtig gezicht. De mensen dragen een soort scharlaken rood gewaad. Veel mooier dan het oranje, dat in Thailand gedragen wordt.

In de korte tijd die ik nog heb snel ik naar de U Bein’s-Brug om in recordtijd de 1,5 kilometer naar de Kyauktawgyi-pagode af te leggen. Het is jammer dat we niet langer kunnen blijven, want ook deze pagode is bijzonder de moeite waard en biedt excellente plekjes om in de schaduw even uit te rusten. Maar daar is geen tijd voor. Net op tijd ben ik bij de vrachtwagen voor de terugreis. We lunchen in een Birmaans restaurant, waar ik een curryschotel bestel. Dan wandelen we naar de Ayeyarwady-rivier, waar we een boot naar Mingun pakken.

In Mingun had de grootste pagode ter wereld gebouwd moeten worden, maar het werk is nooit af gekomen. Het was een plan van koning Bodawpaya om rond 1800 een 150 meter hoge pagode te bouwen. Toen hij in 1819 overleed, werd de bouw echter stopgezet. Nu staat er een vijftig meter hoog vierkant blok, dat tijdens een aardbeving in 1838 door midden is gescheurd. Daarom zal de pagode nooit meer afgebouwd kunnen worden. Ondanks de hitte toon ik mij toch maar weer van mijn sportieve kant door de pagode te beklimmen. Dat moet op blote voeten, want ondanks de verregaande staat van verval, is het bouwwerk nog altijd een heiligdom. Ik bekijk ook nog het beroemde bejaardentehuis (daarvan zijn er maar twee in Birma). Het is een mooi gebouw en het is best wel bijzonder om bejaarden te zien in Myanmar. Op straat kom je die niet of nauwelijks tegen.

Ik bezoek natuurlijk ook nog de prachtige Hsinbyume Pagoda, ook wel bekend als de 'witte pagode'. De Hsinbyume Pagoda is gebouwd door de kleinzoon van Koning Bodawpaya. Het complex bestaat uit verschillende lagen die symbool staan voor de zeven bergen van Mount Muru. Boven op de pagode heb ik een prachtig uitzicht over Mingun en de Irrawaddy-rivier.
Als laatste bezoek ik de klok van Mingun. Die is met een gewicht van 90 ton, een hoogte van 4 meter en een diameter van 5 meter de grootste onbeschadigde klok ter wereld. Alleen Moskou heeft een nog grotere klok, maar daar zit een barst in.
Ik ben blij als ik weer op de boot zit. Mijn voeten zijn nu helemaal stuk gelopen. Ze zitten onder de pleisters, maar ik zou ze eigenlijk helemaal moeten aftapen. Tegen zonsondergang komen we in Mandalay aan. De sfeer langs de rivier is heel bijzonder. De boten worden gelost. Mannen en vrouwen lopen met zware lasten de oever op en af. Mannen dragen hun last in de armen; vrouwen dragen alles op hun hoofd. Hele zware goederen worden met behulp van buffels de oever op gesleept. Ik zoek een rustig eettentje en kruip weer vroeg onder de wol.

Zondag, 18 februari 1996

Vandaag staat de min of meer verplichte excursie naar Maymyo op het programma. Lianne heeft een Birmese bus geregeld. Dat wil zeggen, een oude vrachtwagen met houten banken achterin. De chauffeur geeft meteen vol gas als we wegrijden. Dat belooft wat. Op de buitenweg worden mijn angstigste vermoedens bevestigd. Dit wordt een regelrechte marteltocht. De wagen danst met dol geweld over de vele gaten in de weg. Ik moet met kracht tegen de plank boven mij duwen om er niet met mijn hoofd tegenaan gesmeten te worden. De andere leden van de groep hebben het ook niet echt naar hun zin. We zijn blij als we even stoppen om benzine te tanken en de benen te strekken.

Na twee uur zit de woeste rit van amper 67 kilometer er eindelijk op. We zijn aangekomen in het op 1070 meter hoogte gelegen Maymyo, dat eigenlijk Pyin Oo Lwin heet. Maymyo betekent stad van May. Een naam die bedacht was door de Britse generaal May. Het is logisch dat de Birmezen de voorkeur geven aan de oorspronkelijke naam, Pyin Oo Lwin, maar Maymyo ligt wel wat makkelijker in het gehoor.
Verkreukeld en murw kruipen we de vrachtwagen uit. Ik probeer er maar niet aan te denken dat we langs dezelfde weg met hetzelfde transportmiddel ook weer terug moeten. We kijken een beetje rond, maar bar veel is er niet te zien.

Een moskee en een klokkentoren lijken het toeristische hoogtepunt van het stadje te vormen. Maar dan ontdek ik de markt. Die is toch wel heel aardig. En er is nog veel meer te zien, beschrijft mijn reisboekje. Maar tijd om alles te bekijken is er niet. Om wat bodem te hebben voor de terugweg duiken we een Chinees restaurantje in, waar we bijna voor niets heerlijk te eten krijgen. Daarna hobbelen we verder met onze vrachtwagen naar een oud Engels landhuis, dat nu als hotel in gebruik is. Er is net een grote renovatie aan de gang, die zo te zien nog wel even gaat duren. De bij het landhuis behorende botanische tuin is echter heel bijzonder. Het is net een Engels landgoed, met prachtig gras en bijzonder goed onderhouden heesters en coniferen. Alleen een stupa in het meertje verraadt dat we hier in Birma zijn. Deze tuin kan alleen bestaan dankzij het prettige klimaat op deze ruim duizend meter boven zeeniveau. Helaas zijn de orchideeënvelden nu kaal. Orchideeën bloeien alleen in juli en augustus, maar dat is verder geen ideale tijd om naar een land als Birma te gaan.
Na de martelrit terug naar Mandalay huur ik nog even een fietsje om op de oever van de Irriwaddy naar de zonsondergang en het lossen van de schepen te kijken. Mijn voeten zijn wel iets hersteld, maar nog niet voldoende om de lange wandeling naar de rivier te kunnen maken. Het fietstochtje wordt het hoogtepunt van deze dag. De sfeer langs de rivier is onbeschrijfelijk. De vrouwen die kaarsrecht de oever op klimmen met zware lasten op hun hoofd.

De mannen die de buffels tot nog grotere inspanningen aanmanen. De vele kampvuurtjes. En natuurlijk de prachtige kleuren in de lucht als de zon ondergaat boven de rivier. Het is geweldig om te zien. Ik probeer de bijzonder irritante kinderen om mij heen te negeren. Maar op een gegeven moment moet ik ze wegjagen, want ze gaan steeds verder in hun pogingen om aandacht te trekken. Als de zon is ondergegaan en de schemering snel verdwijnt, zoek ik het intussen vertrouwde restaurantje Lashio op voor mijn dagelijkse portie sweet and sour chicken. Ook vanavond is er geen vertier in de stad.

Maandag, 19 februari 1996

Al een aantal dagen is het onafgebroken stralend weer. Ook vandaag is de hemel helder blauw. Een busje zonder vering staat voor het hotel om ons naar Pagan te brengen. Het is hetzelfde busje waarmee wij twee dagen geleden naar Amarapura zijn geweest. Dat wordt dus weer afzien.
Gelukkig is de bus vrij groot. Omdat we maar met zijn negenen zijn is er ruimte genoeg om een beetje redelijk te zitten. Eenmaal buiten de stad is er van zitten echter geen sprake meer. Het is nu alleen nog springen op de harde banken. Ik denk dat de bus nog geen vijftig rijdt, maar hij gaat tekeer als een dolle. Als we van de weg af raken en het ravijn in rijden, zou je daar met gesloten ogen weinig van merken. Na een uur of twee begint het schudden en hobbelen zoveel pijn te doen, dat de schoonheid van het landschap ons volledig ontgaat. We zijn gewoon blij als het busje wegens motorpech moet stoppen. Even de zere plekken masseren, terwijl de chauffeur zijn best doet om de benzineleiding te ontstoppen.
De regelmatig terugkerende motorpech is elke keer snel te verhelpen. De chauffeur kent zijn busje door en door. Kon hij ook maar de vering repareren! Na de lunch bij een Chinees met een betonnen hok als restaurant, zetten we koers naar de heilige berg Mount Popa. Dat is een hele klim voor de afgetrapte bus. Het mooie kloostercomplex ligt ruim 1500 meter boven zeeniveau op een enorme vulkanische rots met zeer steile hellingen. Behalve het kloostercomplex vormen de apenkolonie en het weidse uitzicht de redenen om Mount Popa te bezoeken. De bus kan niet helemaal naar boven. Het laatste stuk moeten we klimmen. Op blote voeten, want ook de berg is een heiligdom. Boven ziet het er allemaal niet zo heilig uit. Het klooster is bijzonder kitscherig. Goedkoop uitziende Boeddhabeeldjes, behangen met veelkleurige knipperende kerstverlichting en bont beschilderde pagodes. Weinig devoot allemaal. Een Nederlands hippiestel vraagt een lift, maar daar wil Lianne niets van weten. Van mij hadden ze mee gemogen. Het openbaar vervoer is in Birma niet op toeristen ingesteld en een huurauto met chauffeur maakt het reizen wel heel erg duur. Zonder het koppel hobbelen we verder naar Pagan, waar we de komende dagen zullen blijven. De twee Belgische stellen zijn ziek geworden. Een van de mannen, Guido, is er heel ernstig aan toe. Een slecht gevallen combinatie van Lariam en antibiotica. Tja, wie een antibioticum slikt tegen verkoudheid, moet wel niet goed wijs zijn, denk ik bij mijzelf. Het gaat bovendien de werking van Lariam tegen, waardoor je malaria kan oplopen.
Rond zonsondergang komen we bij het hotel aan. Het is een soort Amerikaans motel in het nieuwe, voor het toerisme gebouwde stadje Nyaung Ou. De omgeving is heel rustig, dus we zullen eindelijk eens zonder getoeter op de achtergrond kunnen slapen. We eten bij een Chinees ergens anders in Nyaung Ou. Dan gaat het helemaal mis met Guido. Hij krijgt een zware astma-aanval. Met twee taxi’s rijden we terug naar het hotel. We gaan vroeg slapen, want morgen willen we de zonsopkomst boven de tempels zien.

Dinsdag, 20 februari 1996

Al om half zes is er ontbijt in ons motel. Goede service. Schuin tegenover het complex is een fietsenverhuurder. We gaan direct op pad. Rob en ik fietsen gelijk op naar een van de mooiste tempels om vanaf het dak de zon te zien opkomen. Het is een behoorlijk eind fietsen, maar de geasfalteerde weg van Nyaung Ou naar Bagan is niet slecht. De schemering is intussen al begonnen, dus hebben we nog maar heel weinig tijd om de tempel te bereiken. Toch zijn we er net op tijd. Helaas zijn we niet de enigen. Er staat zelfs een bus voor de poort. Ik had niet gedacht dat er zoveel toeristen zouden zijn in Pagan. Het blijkt dat er ook veel bezoekers uit Birma zelf zijn. Voor hen is de oude tempelstad ook een leuk uitje.

De zon komt op en verspreidt een schitterende rode gloed over de talloze stenen tempelruïnes. Ik maak binnen twee minuten een heel diarolletje op. Het is prachtig allemaal.

Als de zon wat hoger komt te staan en de hitte voelbaar wordt, gaan Rob en ik ieder hun eigen weg. Ik maak nog wat dichtbijopnames van een aantal tempels, nu de rode gloed nog zo mooi is.

Tussen de tempels zijn nog wat restanten van akkerbouw te zien. Een paar jaar geleden was dit nog land van de boeren, maar de regering heeft het hele gebied tot toeristenattractie verklaard. Dus moesten de boeren elders hun heil zoeken.

Nu begrijp ik niet meer hoe hier ooit iets heeft kunnen groeien. Het land is volkomen uitgedroogd. Overal zitten diepe barsten in de rode aarde. Alleen wat dunne, kale bomen en cactussen houden het vol in dit klimaat.

Niet alleen de boeren moesten het veld ruimen rond 1990. Ook de vele kleine uitbaters van hotels en kleine restaurants langs de hoofdweg moesten weg. Met bulldozers is hun broodwinning met de grond gelijk gemaakt. De hotels die er nu nog zijn, staan onder streng staatstoezicht. Zo kan nauwkeurig worden gecontroleerd op welke wijze met buitenlanders wordt omgegaan. De regering wil met alle middelen voorkomen dat vervelende berichten over het land de buitenwereld bereiken.

Ik race onvermoeibaar van de ene naar de andere tempel. Hier en daar staan gelukkig kraampjes waar ik nieuwe flessen bronwater kan kopen. Want het water gaat er snel doorheen in deze dorre woestijn. Bij de tempels val ik van de ene in de andere verbazing.

Het is heel bijzonder dat deze monumenten alle aardbevingen en oorlogen van de afgelopen duizend jaar doorstaan hebben. Vroeger moet dit een van de grootste steden van de wereld zijn geweest, maar van de veelal houten huizen is geen spoor bewaard gebleven. Alleen de stenen tempels hebben stand gehouden. Een enkele tempel wordt gerestaureerd.

’s Middags ga ik met de chauffeur van het busje naar een bank. Ik ben door mijn geld heen. We komen aan bij een kantoor waar ik travellercheques kan inwisselen. Een vreemd bankkantoor. Het is een betonnen gebouwtje zonder glas in de ramen. Het vele papiergeld ligt in stapels op houten planken. De formaliteiten duren erg lang. Pas na een half uur zijn er voldoende stempeltjes gezet en worden de monopoliebriefjes neergeteld. Die moet ik op de zwarte markt nog tegen normaal geld zien om te wisselen.

In de middag leg ik een ander deel van het terrein af. Maar dan krijg ik een lekke band. Hij loopt langzaam leeg. Een meisje van een hotel probeert te helpen met een pomp, maar ik zal toch echt een fietsenmaker moeten zien te vinden. Ik neem het ongemak maar voor lief. Vanaf een hoge tempel kijk ik naar de zonsondergang, waarna ik nog een flink eind naar het hotel moet fietsen.

Het is pikkedonker als ik aankom. Met een paar leden van de groep ga ik bij Restaurant National eten. Vandaar heb je een schitterend uitzicht op de gouden Schwezigon-pagode, die helder in de floodlights is gezet. Guido ligt de hele dag al ziek in bed en is niet meegegaan naar het restaurant. Bij gebrek aan avondvertier duiken we er maar weer vroeg in vanavond.

Woensdag, 21 februari 1996

Vandaag wordt ongeveer hetzelfde programma als gisteren. We gaan dus weer heel vroeg op pad voor een mooi uitzicht op de zonsopkomst. Ditmaal gaan Lianne en Mirjam ook mee. Het is weer stevig doorfietsen om er op tijd te zijn. Er staat gelukkig geen bus vandaag, zodat het een stuk rustiger is op de tempel. De zonsopkomst is dankzij een paar kleine wolkjes nog mooier dan gisteren. Na weer een groot aantal foto’s gemaakt te hebben, ga ik met mijn walkman op mijn hoofd op pad. Ik heb al zoveel tempels gezien, dat ik vandaag maar eens wat boerendorpjes bezoek.

Dat is ook wel aardig. Helaas krijg ik weer een lekke band. Een paar kinderen begrijpen direct wat er aan de hand is en wijzen mij de weg naar hun dorpje. Daar word ik voorgesteld aan een oude baas die mijn fiets wel kan repareren. Het wordt een heel ritueel en heel het dorp kijkt mee. Dat is toch wel erg bijzonder zo’n rare buitenlander. De oude baas ziet echter al de voordelen van zo’n rare buitenlander in, want hij rekent het belachelijk hoge bedrag van 300 kyat voor zijn diensten. Dat is waarschijnlijk het bedrag dat hij normaal in een maand verdient. Maar goed, er zaten meerdere gaatjes in de band en hij is er lang mee bezig geweest. En wat is nou 300 kyat? Amper 2,5 euro. Dus dat val ook wel mee.

Het gaat verder over de stofwegen op mijn oude barrel waarvan de remmen amper werken. Dan haal ik mijn voet open aan een doorn. Het bloedt hevig. Ik probeer het zo goed mogelijk schoon te maken en af te tapen, maar ik ga toch maar even terug naar het hotel voor wat betere verzorging. Als ik weer wat hersteld ben ga ik naar de Schwezigon-pagode. Daar kan ik tenminste normaal lopen. Ook in de ruïnes moet je namelijk op blote voeten lopen en dat valt niet mee, als je voeten al zo gehavend zijn als die van mij. Bij de Schwezigon-pagode loop ik echter comfortabel op schoon marmer. Nou ja, comfortabel. Het marmer is gloeiend heet. Ik probeer zorgvuldig op de koelere delen in de schaduw te blijven, maar als je mooie foto’s wil maken heb je het niet altijd voor het kiezen.

Als ik mij weer beter voel, wil ik naar wat tempels in het noorden van Pagan fietsen. Maar ik weet die tempels niet te bereiken. Na een dik uur fietsen houd ik het voor gezien. Ik moet de tempels in het centrale deel ook nog bekijken en daar kom ik anders niet meer aan toe. Een paar Birmese jongens fietsen met mij mee en proberen voortdurend mijn aandacht te trekken. Zij hebben een betere conditie dan ik, maar ze zijn misschien ook wat later opgestaan.
Bij de grote Ananda-tempel is het erg druk. Het is daar altijd druk, omdat hij op de vaste route van toeristenbussen staat. Ik ga er toch maar naar toe. Binnen is het een drukte van belang. Het kost mij moeite om wat aardige foto’s te maken en filmen lukt al helemaal niet zonder allerlei gekakel op de achtergrond. Vooral de gidsen maken lawaai met hun schelle stemmen. De witte Ananda-tempel heeft vier haakse gangen die uitkomen bij een ruimte waar vier grote staande Boeddhabeelden staan, die ieder in een verschillende windrichting kijken. Volgens de verhalen glimlachen de beelden als je ze vanaf een grotere afstand bekijkt en kijken ze nors van dichtbij. Ik merk echter weinig van dat effect.
De Ananda-tempel is zo ongeveer de best gerestaureerde tempel van Pagan. De meeste andere tempels hebben alleen wat bewapening gekregen tegen verder instorten. Ook buiten ziet het er mooi uit. De pagode op het hoogste terras blinkt van het goud en in de tuin rondom staat het vol helder gekleurde bougainville.

Een andere blikvanger is de Thatbyinnyu-tempel. Die is al vanaf grote afstand te zien. De tempel heeft de vorm van een enorme kubus, waarop een iets kleinere kubus is geplaatst. Boven op beide kubussen zijn drie terrassen gebouwd en op het bovenste terras staat een reusachtige stupa. Naast de Thatbyinnyu-tempel is een kleine pagode gebouwd van iedere tienduizendste steen die voor de grote tempel nodig was.

Ik ga niet elke tempel beschrijven die ik bezocht heb, maar de Mahabodhi-pagode is nog wel een beschrijving waard. Het is een kopie van een belangrijke tempel in India en heeft dan ook een meer Hindoeïstische architectuur, hoewel het toch echt een Boeddhistische tempel is. De hoge kegelvormige koon op het tempelgebouw is buitengewoon rijk versierd met uiterst verfijnd beeldhouwwerk. Helaas is ook hier van de oorspronkelijke kunst niet zoveel meer over gebleven. De beelden moeten ooit fel beschilderd zijn geweest, maar van de verf is geen spoor meer te bekennen. En veel van de ontbrekende beelden zullen nu wel in Britse musea te bewonderen zijn.
Als laatste bezoek ik de Gawdawpalin-tempel vanaf welke je heel mooi de zonsondergang boven de Irriwaddy-rivier kan zien. Met een hoogte van 55 meter is dit een van de grootste tempels van Pagan. De restauratie na een zware aardbeving heeft tientallen jaren geduurd en is halverwege de jaren tachtig afgerond.

Op de terugweg naar Restaurant Nation krijg ik voor de zoveelste keer een lekke band. Ditmaal is het mijn voorwiel. Ik besluit nu maar door te rijden, want het is al donker, dus een fietsenmaker zal ik wel niet meer kunnen vinden. Ik zorg ervoor dat er zo weinig mogelijk gewicht op het voorwiel leunt. Zo gaat het wel.

’s Avonds in het restaurant valt ineens het licht uit. Heel Pagan zit in donker. Het restaurantpersoneel is dit wel gewend, want binnen een minuut branden er overal kaarsen. Na een half uur doet de elektriciteit het weer. Lianne vertelt dat we zijn uitgenodigd voor een kleine maaltijd in het huis van de hoteleigenaar. Tja, daar komt ze nu mee aan. Ik zit al barstensvol. Voor de gezelligheid gaan Rob, Wim, Gerrit en ik maar mee. Het is erg leuk, al verstaan we nauwelijks iets van elkaar. De reisbegeleidsters spreken ook geen Birmees en de hotelier kan zich nauwelijks in Engels verstaanbaar maken. Zijn dochter speelt een beetje voor tolk. Om tien uur lig ik er alweer in.

Donderdag, 22 februari 1996

Vannacht is het onverwachts gaan regenen. We hebben dus geluk gehad, want de wegen zullen nu wel in modderpoelen veranderen en dan moet je er niet met je fietsje doormoeten. Vandaag staat er een lange busrit op het programma. Ik ben op het ergste voorbereid, maar het valt toch weer tegen. Opnieuw worden we uren lang heen en weer gestuiterd tussen de keiharde banken en het dak. De bijzonder slechte wegen zijn de schuld van de regering. In plaats van mensen te scholen tot stratenmaker en ze tegen betaling te werk te stellen, worden willekeurige dorpelingen geronseld om zonder enige vakkennis als een soort dwangarbeid de wegen aan te leggen. Behalve rond Yangon. Daar zijn de wegen perfect. Maar in het noorden en zuiden van het land is het hopeloos. Af en toe zien we zo’n groepje stakkers dat met wat scheppen en houwelen probeert de weg te herstellen. Maar het is dweilen met de kraan open, want de ene keer staat de zon op het asfalt te bakken en een uur later daalt er weer een wolkbreuk op neer. En de vele ongeveerde voertuigen, zoals onze bus, doen de weg ook weinig goed.
Het blijft bewolkt. Af en toe stoppen we even om te eten of om de chauffeur de bus te laten repareren. Het voertuig is compleet op, maar zal waarschijnlijk nog vele jaren mee moeten. Pas tegen zes uur bereiken we onze eindbestemming, Kalaw. We hebben daar een prachtig, maar wel slecht gebouwd hotel. De rieten matten die de wanden moeten voorstellen, zijn in de vorm van hakenkruisen geweven. De swastika is in het Boeddhisme het symbool voor geluk. Maar toch blijft het een vreemd gezicht. We eten ’s avonds bij een Chinees en kunnen op de terugweg achterop een jeep meerijden. Gevaarlijk, maar het scheelt een heel stuk lopen. Als we terug zijn bij het hotel begint het weer te regenen. Als het alleen ’s nachts regent, zul je mij niet horen klagen.

Vrijdag, 23 februari 1996

Vandaag kunnen we een trektocht door de jungle maken. Mirjam, Rob en ik hebben ons aangemeld voor de normale route. De rest begint rond 11 uur aan een lichte route. De gids heet Sam. Om 7 uur ’s morgens staat hij keurig op tijd op ons te wachten. Ik kijk bezorgd naar buiten. Er hangen zware buien in de lucht. Geen weer voor een jungletocht. Maar voorlopig is het droog. We wagen het er dus maar op. Het is heerlijk fris buiten. We wandelen eerst door het dorp naar het huis van Sam, waar hij wat spullen wil ophalen. Zo maken we kennis met zijn vrouw, zoon en twee dochters. Een leuk gezin. Onderweg naar de jungle lijkt Sam zich weinig aan te trekken van het strikte verbod om met buitenlanders over politiek te praten. Hij legt uit dat hij tot de Shan-minderheid behoort en dat Shan-mensen het niet makkelijk hebben in Birma. Zij mogen niet hun eigen tradities en religie belijden. Zolang zij niet willen integreren in de Birmese cultuur, zit de overheid de Shan op alle mogelijke manieren dwars. Sam weet zich echter redelijk te redden met zijn goede kennis van de Engelse taal.
De natuur is prachtig. Zeker na een nacht regen. Alles ziet er fris uit en ruikt ook heerlijk. Door de hoogte is het niet overdreven warm. Er groeien zelfs dennenbomen. Helaas zijn verreweg de meeste bomen gekapt. Voor de export, zegt Sam. Er komen geen nieuwe bomen voor in de plaats, dus over een paar jaar zal het hier wel helemaal kaal zijn. We komen kinderen in uniform tegen, op weg naar school. Zelfs hun schoenen zijn nog schoon, terwijl wij al tot onze knieën onder de modder zitten. Wat moeten die mensen niet van ons denken?

Het pad gaat steeds steiler omhoog. En het is behoorlijk glibberig ook. Uiteindelijk komen we bij een klein tempeltje en een paar huisjes aan. Sam kent iedereen in het dorpje. We worden uitgenodigd bij een oud vrouwtje dat sigaren fabriceert. Eén sigaar kost 1 kyat. Dat is minder dan een cent. Ik kan niet beoordelen of de kwaliteit goed is, want ik haat tabak in het algemeen en sigaren in het bijzonder. Toch is het grappig om te zien hoe handig het vrouwtje met de tabaksbladeren omgaat.
Onderweg naar het volgende dorp wil Sam weten wat wij verdienen. Dat vind ik altijd moeilijk om over te praten. Een salaris van 2000 euro stelt in Nederland nog niet zoveel voor, maar is in Birma een fortuin. Wij zouden ieder in staat zijn het hele dorp op te kopen en dan houden we nog over ook. Dus wat moet je zeggen tegen zo’n gids? Zonder mijn inkomen te noemen zeg ik dat we veel geld verdienen, maar dat we ook minstens 200 kyat voor een brood betalen. Dat maakt indruk. En dat de huur van een huis zo’n 36.000 kyat per maand kost, kan Sam al helemaal niet bevatten. Hij kijkt ongelovig als wij vertellen dat de helft van ons inkomen naar de belastingen gaat. In Birma is volgens de gids geen belasting. Nee, maar mensen moeten wel dwangarbeid voor de staat verrichten. Ik denk dat je dan met belasting betalen nog beter af bent. Dat levert bovendien menselijkere omstandigheden en betere wegen op. We komen bij een volgend dorpje, waar een groot klooster staat. Dit wordt beheerd door drie oude monniken. Kinderen vergezellen ons op een kleine afstand. Ze durven niet al te dichtbij te komen, hoewel Sam zijn best doet om ze gerust te stellen.
Bij weer een ander dorpje rusten we even uit voor een kleine lunch. We worden gastvrij onthaald bij kennissen van Sam. Het lijkt trouwens wel alsof hij iedereen kent. Ook in dit dorp is hij bijzonder populair. Waarschijnlijk mede omdat hij een stukje welvaart meebrengt. We krijgen avocado’s en thee. De mensen van het dorpje zijn bijzonder lief. Na Yangon, Mandalay en Pagan was ik de Birmezen een beetje gaan haten, maar deze mensen zijn totaal anders. Het is ook fijn dat hier geen herrie is. Alleen het kraaien van hanen. Dat gaat achter elkaar door. Rob blaast een paar meegebrachte ballonnen op en geeft die aan de dorpskinderen.

De laatste etappe van de trekking voert naar een nonnenklooster waar we een heerlijke vegetarische maaltijd krijgen aangeboden. Daar zien we ook weer de rest van het groepje. Buiten begint het intussen hard te regenen.

Terwijl we de rest van het klooster en het dorp bekijken verandert de regen in een wolkbreuk. We kunnen geen vijf meter meer voor ons uitkijken. We schuilen even in een long house. Dat is een langgerekt huis dat opgedeeld is in compartimenten waar verschillende gezinnen wonen. Een rijtjeshuis op zijn Birmees dus.

Het is nog een uur lopen naar de grote weg, terwijl de regen met bakken uit de lucht blijft komen. We zitten na een tijdje volledig onder de bagger. De nonnen hadden ons wat paraplu’s te leen gegeven, maar die helpen niet tegen zoveel watergeweld. Achter op een open vrachtwagen hobbelen we terug naar het hotel. Het is te hopen dat de hotelier een tuinslang heeft om ons af te sproeien, want zo durven we niet naar binnen.
’s Avonds gaat de regen iets liggen. Met schone kleren aan zoeken we een restaurantje op. Hopelijk is er bij het volgende hotel een wasserette, want ik begin een beetje door mijn schone kleren heen te raken en de boel is zo smerig dat een handwasje ook niet veel meer uithaalt.

Zaterdag, 24 februari 1996

De hele nacht heeft het geregend, maar nu klaart het weer op. De buien van de afgelopen dagen schijnen de uitlopers geweest te zijn van een tyfoon boven de Gele Zee. Al om half acht rijden we weg uit Kalaw. Gelaten ondergaan we de marteling van de zoveelste lange rit. De weg is gelukkig verhard, want de zijwegen zijn in modderpoelen veranderd. Als we in Pindaya aankomen schijnt de zon weer. We gaan hier de Boeddhistische grot bezoeken. Maar eerst kijken we rond in het dorp. Langs de waterkant staan tientallen vrouwen zichzelf en hun kleren te wassen. Het is een mooi gezicht.

Vlakbij is een markt. Kleurrijk, maar moeilijk te fotograferen, omdat de mooie mensen begrijpelijkerwijs de schaduw van hun parasols opzoeken. Bijna vergeet ik de tijd. Met het busje rijden we de berg op, waar de grot ligt.
De omgeving van de grot is ook heel bijzonder. Er staat een groot wit pagodecomplex en er is een markt waar heel vreemde bomen groeien. Het zijn zeer grote bomen waarvan de bijzonder dikke takken – stammen eigenlijk – laag boven de grond hangen. Op de markt liggen honderden groene meloenen als piramiden opgestapeld.

De grot zelf lijkt wel een beetje een bewaarplaats voor Boeddhabeelden. Er staan er ettelijke honderden en allemaal zijn ze verschillend. Ook zijn enkele pagodes in de donkere, koele ruimte gebouwd. Ondanks de drukte van hoofdzakelijk Birmese toeristen, komen er ook mensen met religieuze bedoelingen naar de grot.

De meeste Boeddhabeelden zijn goudkleurig, maar ik kan niet beoordelen of ze met echt bladgoud zijn bekleed. Jammer dat het zo donker is. Een flinke zaklantaarn was wel handig geweest.
We lunchen in het nabij gelegen stadje Taunggyi. De bediening in het kleine restaurantje is uiterst traag, maar ik heb de hele reis nog niet zo lekker gegeten. Garnalen in een heerlijke zoetzure saus. Taunggyi is een unieke gelegenheid om kennis te maken met het Shan-volk. Het is namelijk een van de zeer weinige Shan-steden die open is gesteld voor buitenlanders. Verder naar het noorden en het oosten reizen is niet toegestaan. Dat schijnt te maken te hebben met de door de regering gecontroleerde opiumteelt en de strijd met rebellerende Shan. Het is jammer dat er geen markt is, want dan komen de mensen uit de bergen naar de stad.

Na de lunch hobbelen we verder om rond half vier bij het Inle-meer aan te komen. We hebben de komende nachten een prachtig hotel, dat vrijwel geheel van bamboe is gebouwd. We mogen in de Inle Inn niet met schoenen aan binnenlopen. De meisjes van de bediening hebben een soort zwabbers aan hun voeten. Zo vegen ze meteen de boel aan als ze van de ene naar de andere kamer sloffen. Heel praktisch.

Ik ga meteen een fiets huren. Ik probeer er een uit te kiezen met zo min mogelijk gebreken, maar dat valt niet mee. Het blijkt in Birma redelijk ongebruikelijk dat een fiets met werkende remmen is uitgerust. Ik fiets het dorp Yaunghwe rond en probeer dan het meer te bereiken. Dat lukt helaas niet. Er leiden geen wegen naar het meer.

Maar de omgeving van het dorp is ook bijzonder fraai. ’s Avonds eten we bij het Chinese restaurant Kong Kong onder een schitterende sterrenhemel. We bestellen maar wat op de gok, want het personeel spreekt geen Engels en de menukaart is geheel in het Birmees.

Zondag, 25 februari 1996

De volgende ochtend is de lucht stralend blauw. De warmte komt ook weer terug. We gaan vroeg op pad. Na een sfeervol ontbijt in de Inle Inn wandelen we naar het kanaal waar longtail-boten liggen voor rondvaarten over het meer. De boot biedt ruimte aan tien personen, zodat we allemaal meekunnen. Met een hoop kabaal varen we het lange kanaal uit en even later zien we het uitgestrekte meer voor ons liggen. De overkant is niet te zien. Het is een wonderlijk meer.

Het is bijna nergens dieper dan een meter of twee en het water is glashelder. Op de bodem groeit dikke vegetatie, waar boten makkelijk in vast kunnen lopen. Daarom hebben de vissers een heel bijzondere manier van roeien ontwikkeld. Ze staan met één been op de achterplecht van hun bootje en gebruiken hun andere been om de roeispaan voort te bewegen. Het zijn ware evenwichtkunstenaars. De stuurman van ons bootje beschikt over een motor en hoeft dus niet rechtop te staan. Om toch goed uitzicht op de vaarweg te hebben, zit hij op een verhoging.
Even later zien we een gebouw op palen staan, midden in het meer. Rond het gebouw zijn oefeningen voor een festival aan de gang.

Op lange bootjes staan ongeveer tien meisjes in prachtige traditionele kleding, die net als de vissers met één been op de boot staan en met het andere been een roeispaan aandrijven. Onze schipper laat gelukkig de lawaaiige motor even uit, zodat we het bijzondere schouwspel in alle rust kunnen bekijken. Als de meisjes merken dat we hen bekijken, zetten ze er meteen de vaart in. Even indruk maken op die malle toeristen! En dat lukt. Ik zou ze nooit na kunnen doen zonder in het water te duikelen. Zelfs zonder roeispaan is het al een hele kunst om rechtop op zo’n wiebelbootje te staan. Probeer het dan maar eens met één been en dan nog roeien met het andere ook!
Na anderhalf uur varen komen we bij een stadje aan dat geheel op palen is gebouwd. De mensen leven als het ware op het water. Er gaan geen normale wegen naar het stadje. We verlaten onze boot om een smederij en even later een zijdeweverij te bezoeken. De mensen doen hun best om ons voor een paar dollar de prachtige lappen handgeweven zijde aan te smeren, maar ik vraag mij in zo’n geval toch altijd af wat ik ermee moet. Mijn vrouw is niet iemand die graag achter de naaimachine zit en kant en klare kleding verkopen ze niet.

Als we verder varen zwaaien tientallen kindertjes ons uit. Ze doen hun best om zo hard mogelijk hello te roepen; het enige Engels dat ze kennen. Min Ga La Baa roepen we terug in het enige Birmees dat wij kennen.

We lunchen op een eiland, waar een grote, nieuwe tempel staat. Binnen plakken gelovigen goudblaadjes op een drolvormig voorwerp. Dan varen we verder naar het beroemde klooster van de springende kat. Dat is net als de huizen op palen in het meer gebouwd.

Het klooster zelf ziet er vervallen uit, maar het interieur is prachtig. En de monniken maken een bezoek helemaal de moeite waard. Het zijn drie grappige, oude kerels die de hele dag weinig anders lijken te doen dan het leren van kunstjes aan hun negen katten. Ze geven graag demonstraties, waarbij de katten door een hoepeltje moeten springen. Dat er veel buitenlanders naar dit klooster komen, blijkt uit de kennis van vreemde talen die de monniken hebben. Ook kennen ze een paar woorden Nederlands. Al snel zijn we bezig met taalles en de oudjes genieten er echt van.

Op de terugweg stoppen we bij het boothuis midden in het meer. Rob en ik gaan als enigen zwemmen. Het is heerlijk in het koele heldere water. Later hoor ik dat je wegens bilharzia beter niet in het meer kunt zwemmen. Altijd handig als je dat achteraf hoort. Tegen het einde van de middag zijn we terug in Yaunghwe. Ik pak meteen mijn fiets om nog even naar de boeren en hun buffels te gaan kijken.

De beelden zijn schitterend met het droge land, de heiige mist, het stof en de laagstaande zon. Een paar boeren laten hun buffels afkoelen in een van de vele riviertjes in het gebied. Ik fiets verder over de dijkjes tussen de velden en geniet met volle teugen van het tafereel dat in geen duizend jaar veranderd moet zijn.

In de middeleeuwen zag het er waarschijnlijk precies hetzelfde uit. Wat een verschil met onze wereld. Als de zon ondergaat, moet ik snel terugfietsen naar Yaunghwe, want als het eenmaal donker is, zie je echt helemaal niets meer.

Na de met blote handen genuttigde Birmese maaltijd volgt een optreden in het hotel met muziek en dans. Er treedt ook een zogenaamde giraffevrouw op. Dat is een vrouw van een volk dat de gewoonte heeft om bij meisjes koperen ringen rond de hals te plaatsen, zodat hun nek langer lijkt. Er komen steeds meer ringen bij, zodat langzaam maar zeker de sleutelbeenderen vergroeien en de nek nog langer lijkt. De vrouw die vanavond optreedt is al weer wat ouder en heeft zo’n twintig ringen om. Zij kan die nooit afdoen, want dan zou ze haar nek breken.

Maandag, 26 februari 1996

Vanochtend vertrekken we al heel vroeg om de drijvende markt van Ywama te bezoeken. Het is 22 kilometer varen. We doen er ruim een uur over. Het is opnieuw prachtig weer, alleen wel heel koud. Ik zit te vernikkelen op het bootje. Een warme trui was geen slecht idee geweest.

Als we bij Ywama aankomen, worden we geënterd door bootjes met Birmezen die ons souvenirs willen verkopen. In het begin is dat wel leuk, maar na een tijdje komt er een tweede souvenirbootje en een derde en een vierde. We worden het langzaam maar zeker zat en willen nu wel eens de echte drijvende markt zien. Dat gebeurt twintig minuten later als we helemaal vast komen te zitten tussen de tientallen en misschien wel honderden bootjes vol fruit en gebruiksvoorwerpen. Het fruit komt van de drijvende akkers die elders op het meer liggen. De boeren maken een soort drijvend vlechtwerk, waarop aarde wordt gestort. Daarop groeien de gewassen. Deze succesvolle land(water)bouwtechniek schijnt nergens anders in de wereld te worden toegepast. Rond half twaalf varen we terug naar Yaunghwe, waar ik een fiets huur om naar het nabij gelegen dorp Shwenyaung te gaan. Er is nog slechts één fiets over en dat is geen beste helaas. Er zit geen mandje voorop, zodat ik mijn cameraspullen op het lichaam moet dragen en het te kleine fietsje ziet eruit alsof het dringend behoefte aan onderhoud heeft. De trappers zitten niet in elkaars verlengde, zodat steeds mijn voeten van de pedalen schieten. Intussen is het ook behoorlijk warm geworden. Ondanks dat ik mij heb ingesmeerd, verbrand ik onderweg door de felle zon. Bij een houten klooster stop ik.

Achter het ovale venster staat een jonge monnik. Dat wordt een prachtige foto. Shwenyaung laat ik voor wat het is. Vermoeid fiets ik terug en kijk ik nog even bij de boeren met hun buffels. Bij het goed aangeschreven restaurant Hu Pin bestel ik een kom soep om op krachten te komen. De bediening is echter bijzonder traag en men probeert mij nog te bedonderen met het wisselgeld ook.

Tegen het einde van de middag, staat er weer een excursie op het programma. We zijn dan te gast bij de Four Sisters. Dat zijn vier zusjes die gezamenlijk een soort tourbureautje hebben opgezet. Eerst worden we met kleine roeibootjes door een netwerk van kanaaltjes gevaren. Dat is veel leuker dan op zo’n snelle lawaaiboot. Onze ‘sister’ roeit op een normale manier, maar op ons verzoek wil ze wel even een demonstratie traditioneel roeien geven. Ze doet het prachtig met haar ene been. We bezoeken een klooster met twee heel vriendelijke monniken. Het enige Nederlands dat zij kennen is ‘mooi’. Zij roepen het steeds terwijl zij naar de dames in ons gezelschap wijzen. Vervolgens slaan zij zichzelf op de knieën van de pret. De monniken houden er hier vrije opvattingen op na. We eten weer traditioneel Birmees, maar ditmaal bij de sisters thuis. Bijzonder sfeervol en leuk om mee te maken. We gaan vroeg slapen, want morgen wordt het weer hobbelen.

Dinsdag, 27 februari 1996

Het wordt een vermoeiende dag. Al na een uur ben ik misselijk van de haarspeldbochten en omdat de weg vooral daalt, ziet de chauffeur mogelijkheden om extra hard te rijden. De bus valt bijna uit elkaar en wij hebben het gevoel alsof we in een ton zitten die van de rotsen afrolt. Na een tijdje kan het prachtige landschap van de Shan-bergen mij niet meer bekoren. Ik tel de uren af, die nog tussen nu en de aankomst in Thazi zitten. Gelukkig stoppen we onderweg even om een peperboer te bezoeken. Als we eindelijk aankomen in Thazi, moeten we nog twee uur wachten op de trein naar Yangon. Ik dank God dat we van het busje verlost zijn. De leden van het groepje storten neer op een bankje bij het station, maar ik ga liever even lopen om mijn bloedsomloop en spijsvertering weer op gang te brengen.
Thazi heeft niet veel te bieden. Ik wandel wat door de achterafwijken en ontdek dan bij toeval een grote tempel, die nergens in de boekjes staat beschreven. Het is ook geen mooie tempel, maar hij is wel interessant. Binnen is het net het vogelhuis van een dierentuin. Het gebouw zit vol zangvogels. Je moet door een sluis met netten, die de vogels binnen moet houden. Het is een getjilp van jewelste binnen.
Op tijd kom ik op het station terug en hoor ik dat de trein 20 minuten vertraging heeft. Dan kan ik nog mooi even het leven op het station observeren. Het is erg druk, want de trein naar Mandalay kan ook elk moment aankomen. Tientallen meisjes lopen met koopwaar op hun hoofd langs de wachtende passagiers. Het is donker als de lange express-trein stapvoets het station binnenrijdt. De trein naar Mandalay was al iets eerder binnengekomen. We hebben weer een luxe wagon met slaapstoelen. Er reizen veel monniken en nonnen mee in de wagon. Merkwaardig dat die in de duurdere klasse kunnen rijden. Verreweg de meeste passagiers in de bijna twintig wagons tellende trein zitten de hele nacht op smalle houten banken.

Woensdag, 28 februari 1996

Weer kan ik niet slapen in de trein. Nou ja, vier uur val ik even in slaap, maar half vijf word ik al weer wakker gemaakt. We naderen Pegu, waar we de trein verlaten. Buiten is het nog pikkedonker. Al vanuit de trein zie ik de verlichte Shwemawdaw-pagode, die met 114 meter nog hoger is dan de Swedagon-pagode in Yangon. De rest duikt meteen het bed in, maar Rob en ik pakken een fietstaxi om bij de ruim 1000 jaar oude pagode de zon te zien opkomen. We krijgen daar geen spijt van. De pagode is betoverend mooi en het is geweldig om het goud te zien verkleuren in het licht van de opkomende zon. In de pagode worden twee haren van Boeddha en diverse andere relikwieën bewaard. De huidige pagode dateert trouwens uit de twintigste eeuw, nadat het monument in 1917 voor de zoveelste keer door een zware aardbeving was verwoest. Het restant van de naar beneden gekomen hti is als monument aan de nieuwe pagode vastgemetseld.
Er steekt ineens een dichte mist op. Rob en ik nemen een fietstaxi naar het hotel om te douchen en te ontbijten. Slapen is zonde van de tijd, dus huur ik direct na het ontbijt een fiets om de omgeving te verkennen. Met een Chinese fiets zonder remmen rijd ik naar het westen, waar de meeste tempels en pagodes staan.

Vanaf de met treintjes beschilderde brug over de spoorlijn zie ik een stoomlocomotief met een goederentrein staan. Helaas is er niet veel activiteit te bespeuren. Ik fiets verder en zie aan de linkerkant de tempel Maha Kalyani Sima staan. Veel is er niet aan, maar ik ga toch maar even binnen kijken. Er staan wat Boeddhabeelden en het is allemaal niet onaardig, maar de tempel voegt niet veel toe aan wat ik tot nu toe al gezien heb in Birma.

Ik denk dat ik een beetje tempel- en pagodemoe begin te worden. Schuin aan de overkant staat een monument met vier grote staande Boeddhabeelden. Ze staan rug aan rug en kijken in de richtingen van de verschillende windstreken. Op de hoek is een kantoor van de democratische partij in Birma. Ik vind het heel dapper dat mensen zo openlijk voor hun politieke mening durven uit te komen in dit land waar ruim de helft van het democratische parlement voor allerlei verzonnen misdrijven in de gevangenis zit. Ik durf echter niet bij het kantoor naar binnen te gaan. Daarmee breng ik niet alleen mijzelf in gevaar, maar ook de mensen van het kantoor. Overal loert de geheime dienst!
Een paar huizen verder staat een ijzeren schuur. Het lijkt niet veel bijzonders, maar binnen ligt één van de grootste liggende Boeddhabeelden ter wereld. Door de grootte van de schuur is het beeld makkelijk te fotograferen. Dat maakt een bezoek des te interessanter. De entree is 2 dollar. Voor het meevoeren van camera’s betaal ik niet. Het personeel dringt daar ook niet op aan. Het indrukwekkende beeld is maar liefst 55 meter lang en zo’n 14 meter hoog. Het is rijkelijk bewerkt. Vooral de voeten zijn ware kunstwerken. De ijzeren schuur is er door de Engelsen omheen gebouwd, nadat het beeld bij toeval was herontdekt tijdens graafwerkzaamheden voor de spoorweg. Pegu, dat vaak Bago wordt genoemd, heeft zoals veel andere steden in Birma tal van verwoestende aardbevingen en oorlogen meegemaakt. Wat er nog over is, is de afgelopen honderd jaar gerestaureerd of herbouwd.

Hoe verder ik fiets, hoe mooier de tempels worden. Ik bekijk nog de overige tempels waarvan er één aan dieren en een andere aan de vruchtbaarheid is gewijd. Ik zie ook een begrafenisstoet voorbij rijden. Dat is voor het eerst dat ik in Birma auto’s zie rijden die niet toeteren. In plaats daarvan draagt de processie muziekinstrumenten. Afwisselend wordt er op een zware gong en een bekken geslagen. De nabestaanden volgen de sombere stoet gehuld in traditionele kleding.

Als laatste bezoek ik de in het zuiden van de stad gelegen Kyaik Pun-pagode. Deze bestaat uit een groot blok waartegen vier enorme zittende Boeddha’s leunen. De beelden zijn zo’n dertig meter hoog. Drie verkeren er in een perfecte staat. Van de vierde is alleen een bakstenen karkas over. De legende luidt dat de beelden aan vier zusters werden gekoppeld. Zolang de zusters niet zouden trouwen, zou het de beelden goed gaan. Eén van de zusters trouwde toch.

Ik fiets nog even door de buitenwijken van het stadje, waar alleen armoedige hutjes en een enkele kleine pagode staan. Dat loopt in de gaten. Een man op een fiets stopt naast mij en vraagt overdreven vriendelijk hoe ik heet, waar ik vandaan kom en wat ik aan het doen ben. Geheime dienst, vermoed ik. Voorzichtig geef ik de man politiek correcte antwoorden, waar hij kennelijk genoegen mee neemt. Als ik verder fiets, blijft hij mij nog een tijdje volgen totdat ik stop om te vragen of hij daarmee wil ophouden. De rest van de dag zie ik hem niet meer.
Als laatste wil ik de Shwemawdaw-pagode en de daarnaast staande Hintha Gone-pagode nog eens bezoeken. Maar eerst fiets ik langs het hotel om een tijdje onder de koude douche te staan. Het is na de frisse omgeving van het hooggelegen Inle-meer weer wennen aan de tropenhitte van het laagland. Als ik afgekoeld ben, fiets ik verder naar de heuvel waar de twee pagodes staan. Het is een drukte van belang. Overal lawaai.

Er is een markt, waar radio’s staan te schetteren en diverse auto’s proberen luid toeterend door de mensenmassa heen te dringen. Ik zoek een rustig plekje bij de Hintha Gone-pagode op, om de zon te zien ondergaan met de Shwemawdaw-pagode op de voorgrond. Ondanks de herrie in de omgeving zitten gelovigen rustig te mediteren bij de pagode.

Op de terugweg begin ik mij flink te irriteren aan de inwoners van Pegu. Continu roepen ze ‘hello’ en ‘hey you’. En dat niet met een vriendelijke ondertoon. Het is meer een soort spot, waardoor je het gevoel krijgt dat je een soort ontsnapte dierentuinattractie bent. En dan word ik nog verschillende keren afgesneden, wat niet handig is als je op een fiets zonder remmen zit.

Eén keer komt het tot een botsing. Eigen schuld, gebaar ik naar het slachtoffer. Ik zoek een tentje om wat te eten en ga dan naar het hotel om een nacht slaap in te halen.

Donderdag, 29 februari 1996

Met een prima bus met airconditioning rijden we vandaag naar Kyalktiyo, waar de beroemde Gouden Rots-pagode staat. Het is een mooie rit over een naar verhouding redelijke weg. Misschien is de weg net zo slecht als de andere wegen, maar omdat deze bus vering heeft, merk je daar minder van. Rond twee uur komen we in Kyalktiyo aan, dat in de bergen ligt. Met een open vrachtwagen rijden we verder. Dat is minder comfortabel. Er is plaats voor twintig mensen, maar we zitten er met ruim dertig man in. Over een hobbelig karrenspoor schudden we naar boven. Ik haal mijn arm open aan een scherp uitsteeksel. En het is bloedheet vandaag. In het gedrang raak ik mijn toegangskaartje van 6 dollar kwijt. Gelukkig mag ik ook zonder dat kaartje doorlopen. We beginnen aan een lange trap naar de top van de klif waar de Gouden Rots-pagode staat. Honderden pelgrims lopen mee. Er zijn naar verhouding weinig toeristen. Na een flinke klim komen we bij ons hotel aan, dat uit bamboe hutten bestaat. Een groot terras biedt een schitterend uitzicht over de bergen, het dal en de klif met de Gouden Rots-pagode. Een mooiere locatie is niet mogelijk. We leggen onze spullen neer en gaan verder met de klim naar boven. Het laatste deel van de trap is een toeristenmarkt, waar de prijzen meer dan tweemaal zo hoog liggen als elders in Birma. Ook het broodnodige bronwater is peperduur. Maar zonder water ga je dood in deze hitte.

Eindelijk zijn we dan bij de rots. De brug er naar toe mag alleen door mannen bewandeld worden. Voor vrouwen is een gebedsplateautje met uitzicht op de rots gebouwd. Het vrouwenverbod is in zowel het Birmees als het Engels aangekondigd. Jammer voor de dames in ons gezelschap. Ik wandel op blote voeten de brug over om de met bladgoud bedekte rots van dichtbij te bekijken. Een paar mannen zijn net bezig met het opplakken van goudblaadjes. Ik vraag mij af hoe het goud aan de boven- en achterkant op de rots is aangebracht. De pelgrims kunnen daar niet bijkomen. De rots balanceert op het randje van de afgrond. Volgens de verhalen houden twee haren van Boeddha bovenin de vijf meter hoge pagode de rots in balans.
’s Avonds wandel ik nog een keer naar de rots om de zonsondergang te zien.

Het is prachtig. In de verte klinken Boeddhistische gebeden en langzaam zakken mistslierten als een witte deken over de toppen van de bergen. Het wordt direct kouder. ’s Avonds zit ik met Rob op het terras van het hotel. Het lijkt wel een sprookje. Alleen het onophoudelijke oude wijvengekakel van Wim en Gerrit verstoort de bijzondere sfeer. Na een half uur ben ik het zo zat dat ik er wat van zeg. Mopperend trekken de twee zich terug in hun hutje. Ze blijven nog even doorkankeren, maar gaan dan eindelijk slapen. Rust. In de verte klinkt nog steeds het gezang van de monniken. De verlichte Gouden Rots lijkt te zweven in de duisternis.

Vrijdag, 1 maart 1996

Door de keiharde bedden heb ik niet echt lekker kunnen slapen. Half zes moeten we al weer op pad voor de drie uur durende wandeling naar beneden. Niet iedereen gaat mee. Een van de Belgische stellen en de twee oudjes gaan met de vrachtwagen naar beneden. Ik ben met Rob, Guido, die weer is opgeknapt, Magda, Lianne en Mirjam. Ik hoor van Mirjam dat ze voor Chinese tolk heeft gestudeerd en dat zij mijn vroegere leraar Chinees, Gerard van Woerkom, persoonlijk kent. Het is een mooie wandeling door de rimboe. Op de vele souvenirstalletjes worden van bamboe gemaakte machinegeweren als kinderspeelgoed verkocht. Geweld zit verankerd in deze samenleving. ‘Love Rambo’ staat op sommige van de namaakwapens geschilderd. Mirjam raakt onderweg door de warmte bevangen. Zo goed als dat gaat, dragen wij haar verder naar beneden waar de trap eindigt in een straatje vol restaurants en souvenirwinkeltjes. Je kan je niet voorstellen dat dit gebied een paar jaar geleden nog verboden was, omdat de regering er in een voortdurende strijd met de Karen-minderheid is verwikkeld. Nu de meeste Karen naar Thailand zijn gevlucht, is het gebied weer opengesteld.

We rijden terug naar Pegu voor de lunch. Onderweg zien we een stoomlocomotief voor een trein staan. Jammer genoeg staat ook deze stil. Er zijn dus nog wel stoomlocomotieven in Birma, maar je moet geluk hebben wil je er een zien rijden.

Na de lunch stoppen we nog even bij de vier grote zittende Boeddhabeelden van Pegu. Daarna rijden we in een ruk via een fraaie, comfortabele tweebaansweg terug naar Rangoon. Als ik nog terugdenk aan het gehobbel met de veringloze bus van Mandalay.

Tegen vijf uur rijden we ons vast in de avondspits van Rangoon. Als we eindelijk bij het hotel zijn, ga ik direct weer op pad. Mijn voeten zijn hersteld, dus ik zie er niet meer tegenop om hele einden te lopen. Hoewel ik ook nu graag over een fiets zou willen beschikken. Dat beleid moeten ze nog maar eens aanpassen in Rangoon.
Ik eet bij restaurant Palace, waar ze van die lekkere grote schalen soep en garnalen in zoetzure saus hebben. Blikje cola erbij en ik ben weer dik tevreden. In het hotel pak ik alvast alles in wat ik niet meer nodig heb, want morgen is het de laatste dag van deze boeiende reis.

Zaterdag, 2 maart 1996

Natuurlijk breng ik de laatste dag in Birma bij de Shwedagon-pagode door. Al om half zes rijd ik er met een gemotoriseerde bakfiets naar toe. Ik neem nu de noordelijke ingang, waar je zonder entreebewijs naar binnen kunt. Dat zal ook nog wel gaan veranderen.
Opnieuw zie ik de magistrale zonsopkomst. Het is een bijzondere feestdag vandaag. Ouders nemen hun kinderen mee naar de tempel om ze tot aankomend monnik te laten wijden.

Achter elkaar zie ik de mensen komen met in hun armen hun zoontje van ongeveer zes jaar, gehuld in prachtige kleren en met een goudkleurige kroon op het hoofd. Andere familieleden houden een parasolletje vast om kindlief tegen de felle zon te beschermen.

Vandaag komt de zoontjes niets te kort, maar morgen gaat hun haar eraf en beginnen veertien jaren van soberheid. Ze weten dat. Het is van hun gezichten af te lezen. Het is alleen voor de familie leuk dat hun kind het klooster ingaat. De aankomende monniken vinden er zelf weinig aan. Ik kan mij dat heel goed voorstellen.

Later in de ochtend ga ik de stad in op zoek naar een harp, zoals ik die gezien heb in de Inle Inn. Het gaat om een typisch Birmees muziekinstrument met rood, zwart en goud lakwerk, dat de vorm heeft van een sierlijke zwaan. Het lichaam is de klankkast. Aan de hals zijn de gevlochten snaren vastgemaakt.

Bij toeval stuit ik op iets dat op een oploopje lijkt. Bij een Chinees tempeltje is de straat afgezet, maar tientallen mensen weten door het politiekordon heen te breken. Nieuwsgierig loop ik mee. Pet op het hoofd en zonnebril op, om niet al te makkelijk herkenbaar te zijn. Mijn vermoedens worden bevestigd. De menigte is op weg naar het huis van Aung San Suu Kyi, de beroemde democratische vrijheidsstrijdster van Birma, die enkele jaren geleden de Nobelprijs voor de vrede won. Er staan honderden mensen rond het hek, waar de charismatische politica al velen jaren huisarrest ondergaat. Ik vang slechts een glimp op, die geweldige gevoelens bij mij losmaakt. Maar ik durf niet verder naar voren te dringen. Overal staan militairen met wapens in de aanslag. Heel beangstigend. In 1988 werd zonder pardon een bloedbad aangericht onder demonstranten tegen de frauduleuze wijze waarop de democratische verkiezingen waren verlopen. Ik denk niet dat er vandaag geschoten zal worden, maar ik wil ook geen onnodig risico lopen. De toespraak schalt uit luidsprekers. In het Birmees natuurlijk, dus versta ik er niets van. Als een grote groep verder loopt, sluit ik mij daarbij aan, om redelijk onopvallend de straat te verlaten. Met een fietstaxi probeer ik het Elephant House te bereiken, waar volgens iemand van een winkeltje Birmese harpen worden verkocht. Helaas blijkt de inlichting onjuist te zijn. Ik word naar de Bokyoke-markt verwezen, maar die is gesloten vandaag. Dan maar weer naar Chinatown. Ik breng een fotorolletje dat ik vanochtend heb volgeschoten bij de Shwedagon-pagode naar de 1 uur-service. Als ik de foto’s ophaal, heb ik nog altijd geen harp. De tijd begint te dringen. Een man van een winkeltje schrijft een adres op en een gemotoriseerde driewieler brengt mij daar naar toe. Bingo. Ik ben bij een fabriekje van lakwaren beland en daar maken ze ook de harpen die ik zoek. Prachtig. Het meisje wil mij rondleiden, maar ik heb helemaal geen tijd meer. Zij pakt de harp in, in een longyi. Een doos of kist hebben ze helaas niet. Ik hoop dat ik het enorme instrument heel thuis krijg. Met een andere gemotoriseerde driewieler haast ik mij terug naar het hotel. Ik ben net op tijd om nog snel even te douchen en schone kleren aan te trekken voor de terugreis. We lunchen in het befaamde Strand Hotel in het centrum van Rangoon en worden dan naar het vliegveld gebracht. Ik hoop dat ik daar geen problemen krijg, want mijn paspoort is door alle hitte, vochtigheid en vooral zweet in een armoedig vodje veranderd. Ik had er een plastic mapje omheen moeten doen, maar daar is het nu te laat voor. De douane doet echter niet moeilijk. Het personeel van Thai Airways wel. Ik mag de harp niet bij mij houden. Er is gelukkig een plekje achter de laatste rij stoelen. Wat verdrietig staar ik door het raampje naar het luchthavengebouw. Ik was graag nog een paar dagen in Rangoon gebleven, maar dat is nu niet meer te regelen. Tijdens de vlucht kijk ik onafgebroken naar het heiige, mysterieuze landschap van Birma. Na een tijdje zie ik aan de wegen en steden dat we boven Thailand vliegen. En weer even later landen op het vliegveld Don Muang van Bangkok, waar we ruim zeven uur op de aansluitende vlucht moeten wachten. We zeggen Lianne gedag, die heel verstandig met de KLM naar huis vliegt.
De luchthaven van Bangkok is alleen te verdragen als je aankomt en je nog een hele reis voor je hebt. Als je er op een aansluiting moet wachten is het vreselijk. Overal is het donker en somber. Er zijn nauwelijks winkels en alles is onbetaalbaar. De enige uitzondering is het fastfood-restaurant Kentucky Fried Chicken, waar ik eten en een milkshake bestel. Verder is het wachten en nog eens wachten.
Elf uur kunnen we eindelijk naar de incheck-balie. Ik hoor dat Wim en Gerrit hun ticket hebben omgeruild voor een eerste klassekaartje. Daardoor konden ze in de luxe lounge op het vertrek wachten. Ik zou de vijfhonderd euro extra er niet voor over hebben gehad, maar zij zijn gepensioneerd en hebben geld zat. Ik zie er enorm tegenop om weer met Royal Jordanian terug te vliegen. De sfeer in de vliegtuigen is beklemmend, de service is beneden alle peil en de overstap van zes uur in Amman is ook iets dat je echt niet wilt meemaken.
Het kan altijd erger. De employee van Royal Jordanian accepteert mijn voddige paspoort niet. Ik leg hem uit dat ik weinig aan de situatie kan veranderen en dat hij maar moet bellen als hij aan de echtheid van het paspoort twijfelt. De man dreigt echter dat hij mij niet aan boord zal accepteren. Ik probeer zijn superieur te spreken te krijgen, maar die hangt op deze tijd niet op het vliegveld rond.
Uiteindelijk krijg ik vijf minuten voor vertrek mijn paspoort terug met een instapkaart. Woedend loop ik naar het vliegtuig, waar ik word tegengehouden door de purser. Mijn harp mag niet mee in de cabine. Ik kan praten als brugman, maar de harp moet in het bagageruim. Die kan ik dus verder wel vergeten, want die wordt straks gewoon met alle koffers op een bagagekarretje gesmeten. Bij sommige, normale luchtvaartmaatschappijen kan je bagage als extra breekbaar inklaren. Er wordt dan voorzichtig mee omgegaan. Bij Royal Jordanian mag je Allah danken als je mee mag voor je dure geld.
Tijdens de start slaat mijn woede om in angst. Het vliegtuig komt nauwelijks op snelheid. Het lijkt wel alsof het op één motor probeert weg te komen. Gaan we rijdend naar Amman? We moeten al ongeveer aan het einde van de baan zijn als eindelijk de voorkant van het toestel omhoog gaat. Buiten zie ik de dikke zebrastrepen voorbij flitsen. Die geven het einde van de startbaan aan. Dan komt het toestel eindelijk los. Het is veel te zwaar beladen, of er is iets mis met de motoren. Mijn hart klopt tweehonderd slagen. Na tien minuten zitten we nog steeds heel laag. Ik zie duidelijk het verkeer in de verlichte straten. Ik denk aan de brief die ik Royal Jordanian en de Consumentenbond ga sturen.

Zondag, 3 maart 1996

Na negen uren balen landen we eindelijk in Amman. Het is half zes locale tijd en nog donker buiten. Volgens de boordomroep is het buiten vijf graden Celsius. In het luchthavengebouw probeer ik mijn harp terug te krijgen. Misschien is hij nog heel. Het kan echter niet. Eindeloos moet ik wachten. Zal ik opnieuw gedonder krijgen met mijn paspoort? Na drie keer de absurd dure tax-free winkel bekeken te hebben, kan ik rond tien uur eindelijk naar de gate. Ditmaal zijn er geen problemen. Ook de start verloopt normaal. Nog vijf uur zit ik mij te verbijten. Dan zie ik eindelijk het vertrouwde Nederlandse landschap. Even later landen we op Schiphol. Hoewel ik het jammer vond om Birma te verlaten, ben ik nu wel heel erg blij dat de reis er op zit. In totaal vijftien uur vliegen en dertien uur wachten, geeft een reistijd van maar liefst 28 uur. Daar komt bovenop dat ik al bijna 40 uur niet meer geslapen heb. Toch voel ik mij niet eens moe. Zoals ik had kunnen verwachten, heeft mijn harp de reis niet overleefd. Met het door midden gebroken instrument loop ik naar een speciaal loket van de KLM waar ik aangifte kan doen om reparatie door de verzekering vergoed te kunnen krijgen. Ik kan mij voorstellen dat mensen terrorist worden. Gelukkig vond ik later in Haarlem een muziekinstrumentenwinkel waar men de harp perfect kon herstellen. Alleen het stemmen is nooit meer gelukt. Dat kan alleen een Birmees en die kom je niet veel tegen in Nederland. Ik neem afscheid van mijn reisgenoten. Buiten staat Diana mij op te wachten. Mijn tweede grote reis zit erop.

HomeDisclaimerPrivacybeleidOver de auteur
Contact