Bhutan

Introductie

Bhutan is een nog vrij onbekend koninkrijkje in de Himalaya, net ten oosten van Nepal. Doordat het tot voor kort volledig geïsoleerd was van de rest van de wereld, is het nog bijzonder authentiek. Sinds de jaren zeventig worden toeristen mondjesmaat toegelaten, maar nog altijd is het niet eenvoudig het land binnen te komen. De regering houdt de onvermijdelijke modernisering van het land weliswaar niet tegen, maar zorgt wel voor strenge regulering. Zo is het nog altijd verplicht om buiten de vrije tijd traditionele kleding te dragen, dienen gebouwen in de typische traditionele stijl gebouwd te worden en moet minstens zeventig procent van de originele natuur behouden blijven. Deze bijzondere, door de koning uitgeschreven wetten zorgen ervoor dat het land uniek in de wereld is. Voorlopig althans. Het is niet te zeggen, of de buitengewone wetgeving eeuwig gehandhaafd kan worden.
In veel opzichten is Bhutan vergelijkbaar met Zwitserland. Het heeft geen kust, er worden meerdere talen gesproken (maar liefst negentien!), het is ondanks grote oorlogen en wereldwijde kolonisatie altijd soeverein gebleven, het is er duur, immigratie is vrijwel uitgesloten en het is er schitterend mooi. 20 september 2009 kwam ik het land binnen via de beroemde grenspoort tussen het Indiase Jaigaon en het Bhutaanse Phuentsholing. Ik reisde naar de hoofdstad Thimphu en vandaar via Punakha naar de Bumthang Vallei in Centraal Bhutan. Op de terugweg deed ik Trongsa aan met zijn beroemde kloosterburcht en Wangdue Phodrang, waar ik een van de beroemde en kleurrijke festivals aandeed. Daarna ging ik terug naar Thimphu voor het festival aldaar. Het Thimphu Tsechu, vormde het hoogtepunt van mijn verblijf in Bhutan. De laatste dag bezocht ik het beroemde Tiger’s Nest bij Paro, om op 1 oktober vroeg in de ochtend terug naar Delhi te vliegen.
Bhutan is een land waar je niet zomaar even naar toe gaat. Maar voor wie erin geïnteresseerd is en wie de buitengewone authenticiteit van een tot voor kort gesloten land weet te waarderen, vormt het een onvergetelijke ervaring.

Proloog

Als mensen horen dat ik naar Bhutan ga, volgen vaak de vragen: ‘waar ligt dat?’ en ‘waarom wil je daar naar toe?’ De eerste vraag kan ik makkelijk beantwoorden. Bhutan is een koninkrijk ter grootte van de Benelux en ligt op ongeveer 27 tot 28 graden noorderbreedte en 88 tot 92 graden oosterlengte, ingeklemd tussen India en Tibet tegen de zuidflanken van de Himalaya. Waarom Bhutan, is een ander verhaal. In ieder geval bestaat mijn interesse al sinds 1997 toen ik een tijdelijke expositie over het Land van de Donderdraak bezocht in het Museum voor Volkenkunde in Leiden. Maar ik moet ook al voor die tijd interesse hebben gehad, anders zou ik niet helemaal naar Leiden zijn gegaan, terwijl de rest van het museum gesloten was wegens een grootscheepse renovatie.
Wat mij trekt aan Bhutan is dat het een exotische bestemming is die nog maar door weinigen wordt bezocht, dat het er nog zeer authentiek is en dat het niet lang zal duren voordat grote veranderingen zich zullen voltrekken en het landje, dat tot het begin van de jaren zeventig hermetisch was afgesloten voor buitenlanders, zal worden meegetrokken in de vaart der volkeren. Nu al maken internet en mobiele telefonie een snelle opmars door, zodat inwoners niet langer verstoken blijven van informatie uit het buitenland. Ook gaan de grenzen steeds verder open, al is de toegang voor buitenlanders nog altijd aan strenge restricties gebonden. Bezoekers met de Indiase nationaliteit kunnen zonder visum de drie belangrijkste steden bezoeken, maar andere vreemdelingen komen het land alleen in op uitnodiging of met een toeristenvisum dat alleen verstrekt wordt als via een door de Bhutaanse overheid erkend reisbureau een volledig verzorgde reis wordt geboekt. Voor de prijs maakt het niet uit. Reizen in Bhutan kost buitenlanders standaard 200 dollar per dag. Groepen van boven de tien personen betalen 100 dollar per persoon per dag en alleengaanden, zoals ik, zijn 240 dollar per dag kwijt. Dat lijkt duur, maar je krijgt er wel volledige verzorging voor. Dus een auto met chauffeur en gids, hotelovernachtingen en maaltijden. Daar kwam bij dat de dollar laag stond toen ik boekte, waardoor de reissom beperkt bleef tot 173 euro per dag. Huur daar maar in een ander land een auto met chauffeur en gids en volpension hotelverzorging voor!
Het regelen van de reis leek mij aanvankelijk vrij simpel. Vooral omdat in Bhutan een bureau alles verzorgt. Op internet is redelijk makkelijk te vinden wat de belangrijkste bezienswaardigheden zijn en wanneer de zeer bezienswaardige culturele festivals plaatsvinden, dus het bepalen van een reisroute was niet moeilijk. Maar dan begint het feest. Uit het aanbod van vijfendertig door de staat erkende reisbureaus koos ik op basis van informatie uit de Lonely Planet voor Chhundu Travel and Tours en verstuurde ik mijn wensen per mail. Geen respons. Een week later probeerde ik het opnieuw, met het verzoek om te reageren. Drie dagen later kreeg ik een heel hartelijk mailtje terug. Dat viel al weer mee. Dat was weer geregeld, dacht ik. De communicatie per mail bleef echter moeizaam verlopen. In maart kreeg ik bericht dat ik eerst een vliegticket van Paro in Bhutan naar Delhi moest betalen. Bhutan is over land te bereiken, maar voor een toeristenvisum is het verplicht het land vliegend binnen te komen of vliegend te verlaten. Dit om de staatsluchtvaartmaatschappij Druk Air, die als enige in Bhutan mag landen, van voldoende inkomsten te voorzien. Het ticket was met 264 euro bijna net zo duur als mijn retourvlucht van Londen naar Delhi. Maar dat was nog niet het ergste. Eenvoudig betalen met een creditcard is er in Bhutan niet bij. Ik moest het geld overmaken naar een rekening van de National Bank of Bhutan bij de Citibank in New York. Een lastig klusje volgens mijn bank, omdat de Citibank geen IBAN heeft, wat voor buitenlandse betalingen wel vereist is. De bankbediende deed haar best en ik ging naar huis met een print van de betalingsopdracht op zak. Een week later informeerde ik bij Chhundu of het geld al binnen was gekomen. Helaas nog niet, maar het zou niet lang meer duren, was de reactie per mail. Ik probeerde er via de Citibank in New York achter te komen hoe lang zo’n transactie onderweg is, maar ik werd geen steek wijzer. Betalingen gaan via Swift, zei de nauwelijks verstaanbare New Yorkse. Ik kreeg een nummer en belde. Een dame die nog slechter te verstaan was, nam op. Ik kwam er niet uit. Ze verstond mij ook niet, dus stelde ik voor mijn vraag per mail voor te leggen. Het e-mail-adres dat zij mij opgaf bleek echter niet te kloppen. Ik besloot nog maar even af te wachten en anders via mijn eigen bank meer te weten te komen. Drie weken later had Chhundu het geld eindelijk binnen. Ik wist nu in ieder geval dat het werkt, voordat ik de totale reissom van ruim 2600 dollar overmaak. Ik kreeg mijn e-ticket per mail en kon verder gaan met plannen. Eerst kijken hoe ik zo goedkoop mogelijk naar India kon. Vanaf Schiphol bood Finnair de gunstigste prijs, maar dat was nog altijd rond de 800 euro. Bovendien waren de vliegtijden weinig aantrekkelijk. Ik had geen zin om ’s nachts 2 uur aan te komen in Delhi. Maatschappijen met betere tijden, vond ik niet onder de 1200 euro.
De pond stond laag, dus ik ging eens kijken wat Britse reisbureau te bieden hadden. Dat was een heel ander verhaal. Ik kon voor minder dan 300 euro met Air India naar Delhi en nog op heel gunstige tijden ook. 10 uur ’s avonds naar Delhi. Aankomst locale tijd ook ongeveer 10 uur. Terug dezelfde tijden. Dus ’s nachts vliegen. Dat was prima. Ik boekte via het in India-reizen gespecialiseerde Ticketstoindia.com.
Het leek allemaal gesmeerd te gaan, totdat ik een mail ontving waaruit ik kon opmaken dat het toch ook weer niet zo makkelijk zou worden. Ik moest akkoord gaan met de offerte en door de paar dagen die ertussen zaten was het ticket weer 10 pond duurder geworden. Ik stemde maar in, anders zou het alleen maar nog duurder worden. De e-ticket liet echter op zich wachten. Ik mailde en mailde nog eens. Geen reactie. Ik werd al bang dat ik was opgelicht. Ik besloot maar te bellen. Gelukkig bleek mijn reservering bekend te zijn en een uur later ontving ik eindelijk een mail met in de bijlage mijn e-ticket. Twee enkeltjes Londen-Kolkata en Delhi-Londen waren aanzienlijk duurder dan een retourvlucht Londen-Delhi. Daarom koos ik voor het laatste en struinde ik Indiase websites af op zoek naar de goedkoopste manier om van Delhi in Kolkata te komen. Indigo Air bood een vlucht aan voor slechts 30 euro. Snel boeken dus. Ook dat ging niet zonder slag of stoot. Men wilde een kopie van de creditcard ontvangen en er werd expliciet op gewezen dat ik dezelfde creditcard moest laten zien bij het inchecken. Dit om fraude met gestolen creditcard-gegevens tegen te gaan. Verder liep het wel voorspoedig, zodat ik mijn vluchten eindelijk geregeld had.
De volgende stap was het boeken van treinreizen en hotels. De Indiase spoorwegen hebben een website die vergelijkbaar is met een gemiddelde Oosterse bazaar. Een overvloed aan informatie, behalve wat je zoekt en een structuur die eveneens vergelijkbaar is met een bazaar. Treinen die op de ene pagina stonden aangekondigd, bleken op een ander deel van de website niet te bestaan. Hoe een ticket geboekt moest worden was al helemaal een raadsel. Uiteindelijk wist ik dat deel van de site te vinden, maar toen bleken de treinen die ik moest hebben weer niet te bestaan. Het was om gek van te worden. Ik stuurde een mail met mijn wensen naar de klantenservice en kreeg twee dagen later een mail met instructies. Zoals ik al verwacht had, werkten die instructies niet. Op een Engelse website las ik dat ik niet de enige was die niets van de website van de Indiase spoorwegen snapt, maar er werd ook gewezen op de site van Cleartrips.com. Dat was een verademing. Tegen een minimale commissie, kan je snel en eenvoudig treinkaartjes bestellen die per creditcard betaald worden en per mail worden opgestuurd. Alle treinen die ik moest hebben, bleken gewoon te bestaan, al was de trein van Kolkata naar Siliguri door al het gedoe met de Indiase spoorwegen intussen volgeboekt. Ik kon wel een waitinglist-ticket boeken. Dat heb ik maar gedaan voor zowel de luxe klasse als de goedkoopste sleeper-klasse. In de luxe klasse waren er negen personen voor mij, maar voor de goedkoopste klasse kreeg ik twee weken later toch een bevestiging. Ik hoopte nog voor de luxe klasse in aanmerking te komen, maar in ieder geval kon ik met de trein mee. Het alternatief was een slopende busreis geweest.
Van de hotels kwam alleen het Sheela in Agra, pal naast de Taj Mahal, heel snel met een reactie. Ik had een mail gestuurd, omdat het reserveren via internet niet werkte. Bij de overige hotels, in Delhi en Kolkata, kon ik eveneens via internet reserveren, maar hier volgde geen reactie op. Uiteindelijk heb ik maar gebeld en de reservering per mail bevestigd, met het verzoek een herbevestiging te sturen. Dat ging uiteindelijk goed, zodat ik het Indiase deel praktisch voor elkaar had. Alleen nog een hotel in en vervoer naar Jaigaon aan de Bhutaanse grens regelen, maar dat ging ook voorspoedig. Het was goed dat ik maanden van tevoren aan de voorbereidingen begonnen was, want ik heb die tijd hard nodig gehad. Bovendien scheelt vroeg boeken bij de vluchten veel geld.
Het belangrijkste moest echter nog gebeuren. Een bevestiging van mijn reisplannen in Bhutan en de betaling daarvan. Ik drong weken aan op een factuur, maar Chhundu had er bepaald geen haast mee. Was mijn visum nu geregeld? Geen reactie. Weer mailen. Nee, het was nog niet geregeld, maar het zou wel in orde komen. Het zal me toch gebeuren dat ik geen visum krijg. Weer mailen. Uiteindelijk heb ik maar de telefoon gepakt en kreeg ik zowaar directrice Sonam Chhundu van het reisbureau aan de lijn. Zij vertelde dat zij druk bezig was om alles te regelen en leek er weinig begrip voor te hebben dat ik mij intussen zorgen begon te maken. Ik was dan ook pas vijf maanden bezig met het bureau en had nog maar liefst een maand te gaan voordat ik zou vertrekken. Dus wat maakte ik mij druk. Eindelijk kwam de factuur. 11 maal 240 dollar plus twintig dollar voor het visum. Ik maakte het bedrag direct de volgende dag over via de bank, omdat ik intussen uit ervaring wist dat het enige tijd kon duren, voordat het in Bhutan was.
Een week later besloot ik maar eens te informeren waar het reisplan bleef en of het geld al was aangekomen. Het reisplan was nog niet klaar en het geld was er ook nog niet. Weer Citibank in New York gebeld met net zoveel effect als de eerste keer. Weer een week later was het geld er nog niet. Het was intussen september. Nog een ruime week voor mijn vertrek. Ik besloot de National Bank van Bhutan te bellen. Al een uur later kreeg ik een mail dat het geld dat ik 17 augustus had overgemaakt, op 19 augustus was aangekomen, maar dat Chhundu het nog niet geclaimd had. Ik stuurde de mail van de bank door naar Chhundu met het vriendelijke verzoek nu toch het een en ander een beetje te bespoedigen. Twee dagen later volgde een heel verheugend mailtje, dat ‘zojuist’ het geld was gearriveerd en dat ik de volgende dag het reisplan zou ontvangen. Uiteraard gebeurde dat niet. Weer bellen, want mailen had weinig zin, wist ik intussen. Vier dagen voor vertrek, kwam het reisplan binnen. Het week nogal af van mijn eigen voorstel, dus gelijk weer mailen. Nu kreeg ik ineens wel snel een reactie. Mijn plan had nogal wat nadelen en ik had voor twee festivals gekozen waarbij je er bij een niet mag fotograferen, terwijl de ander veel minder interessant was dan het festival dat Chhundu in gedachte had. Maar als ik mijn oorspronkelijke route wilde volgen, kon dat ook nog wel. Ik besloot maar te vertrouwen op de ervaring van Chhundu. In zo’n twaalf mailtjes binnen één uur, kwamen we uiteindelijk tot een akkoord. Twee dagen voor vertrek volgde zelfs nog het visum. Ik weet niet of Chhundu nu een slecht reisbureau is, of dat hun manier van werken normaal is in Bhutan. Sonam is wel heel vriendelijk en ze zullen de hoge waardering in de Lonely Planet niet zomaar hebben gekregen. Ik dacht er nog op tijd aan om mijn vlucht naar Delhi te herbevestigen, anders was ik in Heathrow gestrand. Uiteraard was Ticketstoindia.com vergeten mij hierop te wijzen.
Mijn bagage had ik al twee weken van tevoren willen inpakken, maar dat gebeurde pas de laatste dag voor mijn vertrek. Nog een laatste middag samen met het gezin en dan om half vijf ’s middags naar Schiphol. Het avontuur kon beginnen.

Woensdag, 16 september 2009

Met slechts tien minuten vertraging wordt de Boeing 737 van de KLM weggeduwd van Gate D12 van onze nationale luchthaven. Een gevoel van opluchting bekruipt mij, want ik realiseer mij dat ik wel erg weinig tijd heb uitgetrokken voor de overstap op Londen Heathrow. Tussen landing en vertrek zit slechts 2,5 uur. Tenminste, als mijn eerste vlucht geen vertraging heeft. Als ik een uur te laat van Schiphol was vertrokken, had ik waarschijnlijk mijn vlucht naar Delhi en dus mijn hele reis naar Bhutan op mijn buik kunnen schrijven. Naar mate het taxiën vordert, ebt de opluchting over de stiptheid van de KLM langzaam maar zeker weer weg. Het vliegtuig wordt naar de ver weg gelegen Polderbaan geleid en dat voegt altijd een kwartier toe aan de reistijd. Bovendien staat er een flinke file voor de startbaan. Maar dan beginnen eindelijk de motoren te brullen. Om vijf over half acht in plaats van vijf over zeven. Vijf minuten later zie ik Nederland achter mij verdwijnen. Mijn eerste verre reis sinds acht jaar is begonnen.
Om tien over half acht landen we op Heathrow. Nog ruim twee uur om mijn vlucht naar Delhi te halen. Alles duurt echter een eeuwigheid. Ik zat vrij achterin het toestel en voor mijn gevoel duurt het meer dan een kwartier voordat de passagiers eindelijk in beweging komen richting uitgang. Ik struikel er achteraan en loop gehaast naar de douane. Een eindeloze rij voor Her Majesties Customms maakt het er niet vrolijker op. Het is een voorbode voor wat mij nog te wachten staat op het aan chronische ondercapaciteit lijdende vliegveld van de Britse hoofdstad.
Door het lange wachten bij de douane hoef ik bij de bagageband weinig geduld te hebben. Met de rugzak over mijn schouder loop ik in marstempo naar de uitgang. Ik ben aangekomen op Terminal 4 en moet naar Terminal 3 voor de vlucht naar India. Die Terminals liggen zover uit elkaar, dat ik met de metro moet. Gelukkig haal ik die net. Ik begin al aardig bezweet te worden. Aangekomen bij het station voor Terminal 3 blijk ik nog een behoorlijke afstand te voet te moeten afleggen. Eerst met drie roltrappen naar de oppervlakte en dan door een eindeloos gangenstelsel naar de vertrekhal. Alles bij elkaar is het dik een kwartier lopen en ik loop echt snel. In de vertrekhal is het nog behoorlijk zoeken naar de incheckbalie van Air India. Het is intussen bijna half negen. De grondstewardess van Air India adviseert mij om direct naar de gate te gaan, hoewel een bordje aangeeft dat de incheckbalie pas om negen uur sluit. Het blijkt al snel dat ik er goed aan heb gedaan om de raad op te volgen. Voor de veiligheidscontrole staat opnieuw een rij alsof vandaag alle Britten besloten hebben te gaan vliegen. Er zit nauwelijks beweging in de mensenmassa. Ik bel maar even naar huis om te melden dat ik in ieder geval mijn instapkaart heb, dus dat ik Delhi wel zal halen.
Tijd om winkeltjes te bekijken is er niet meer. Ik moet naar Gate 31 en dat schijnt twintig minuten lopen te zijn. Ik loop het in een kwartier. Aangekomen zie ik Gate 30, Gate 32, 33 enzovoort. Maar geen Gate 31. Een bewaker stuurt mij terug. Ik was er voorbij gelopen in de veronderstelling dat Gate 31 na Gate 30 zou komen. Niet dus. Ik kan meteen doorlopen naar het vliegtuig, dat al behoorlijk vol zit. Het is niet duidelijk hoe laat het toestel zal vertrekken. Op mijn ticket staat 22.00u. Op de borden staat 21.30u. Het wordt uiteindelijk 21.45u.

Het vliegtuig is een Boeing 777, met negen plaatsen naast elkaar en twee gangpaden. Ik zit op plaats 24k met naast mij een Indiaas stel. Er zitten trouwens overwegend Indiërs in het toestel. Engeland verdwijnt in de diepte en ik ga eens kijken hoe het schermpje in de stoel voor mij werkt. Er kan uit verschillende films worden gekozen. Amerikaanse en Indiase films. Ik zet Mama Mia op. Een vreselijk flauwe film, maar wel met de goede muziek van Abba. Ik probeer ook de andere mogelijkheden van het schermpje uit, maar die werken niet. Het is niet mogelijk om de route van het vliegtuig te volgen, wat ik toch wel erg jammer vindt en de boordcamera waarmee je kan zien wat de piloot ziet, werkt ook al niet. Ik doe mijn schoenen uit en bereid mij voor op een zit van ruim zeven uur.
Na een uur komen de stewardessen langs. Forse Indiase vrouwen, die heel kortaf hun werk doen. Eerst een drankje met een soort nootjes. Een uurtje later het diner. Een bakje vis, miniaardappeltjes en kouseband. Er zit ook een soort salade bij, maar die is zo gepeperd dat het voor een westerling niet te eten is. Als toetje zijn een soort rijstepap en een bekertje yoghurt toegevoegd. Ik zet een nieuwe film op, maar na een tijdje kan ik mij er niet meer op concentreren. Buiten is niets te zien en langzaam maar zeker overvalt de slaap mij.

Donderdag, 17 september 2009

Echt slapen lukt niet in het vliegtuig. Elke keer als we turbulentie naderen schalt er een waarschuwing door de cabine. Eerst in het Hindi, daarna in het Engels. Ík probeer verder te slapen, maar krijg pijn in mijn nek door de kaarsrechte stoelleuningen, waardoor mijn hoofd alleen maar kan hangen. Toch val ik regelmatig in slaap en als ik wakker word is het ineens licht buiten. Het ontbijt wordt rondgebracht en een uur later wordt de landing aangekondigd. India is wazig te zien. Het is wel zonnig weer, maar de atmosfeer is erg troebel. Naar mate het vliegtuig aan hoogte verliest, wordt het dorre landschap beter zichtbaar. De eerste voorsteden van Delhi komen in beeld. Wijken met hoge flats in plukjes bij elkaar. Ik zie een grote rivier, snelwegen, spoorwegen en steeds meer huizen.
Om kwart voor zes Nederlandse tijd landen we. In Delhi is het intussen kwart over negen. Drieënhalf uur tijdverschil. Aan boord moest ik behalve een landingskaart ook een gezondheidsverklaring invullen in verband met de Mexicaanse Griep, die hier netjes Influenza A H1N1 wordt genoemd.

In de aankomsthal moet ik eerst door de gezondheidscontrole heen. Alle passagiers worden gefilmd met warmtebeeldcamera’s. Wie koorts heeft, is de klos. Die komt het land niet in voordat is vastgesteld dat het niet om de Mexicaanse Griep gaat. Ik heb het ondanks de airconditioning vrij warm, maar op de monitor heb ik dezelfde kleur als de andere passagiers, dus dat zit goed. Mijn rugzak is ook gearriveerd, dus de tweede etappe is ook geslaagd.
Ik ben enorm zorgvuldig met mijn spullen, want je raakt makkelijk iets kwijt op het vliegveld. Ik probeer de vertrekhal te vinden, maar dat valt niet mee. Ik kom buiten terecht waar het drukkend warm is. Er staan talloze Indiërs met borden met namen van passagiers die zij ophalen. Taxi’s zijn er nauwelijks en bussen al helemaal niet. Ik vraag een bewaker waar de vertrekhal is en hij stuurt mij via een betonnen trap naar boven. Ik kom de vertrekhal echter niet binnen. Ik moet voor mijn vlucht naar Kolkata naar een ander vliegveld. Er is geen shuttlebus en de metro is nog in aanbouw. Ik moet dus een taxi nemen, maar ik heb nog geen Indiaas geld. Als ik mijn paspoort als onderpand geef, mag ik van de bewaker naar binnen om geld te wisselen. 6920 rupees voor 100 euro staat er op het bord, maar er wordt ook nog commissie berekend, waardoor ik tevreden moet zijn met 6700 rupees. Ik reken uit dat 100 rupees ongeveer anderhalve euro is. Ik ga op zoek naar een taxi en stap in een soort tuktuk. Ik vraag natuurlijk eerst wat het gaat kosten. 350 rupees zegt de oude chauffeur. Het lijkt mij niet goedkoop, maar vooruit. In de tuktuk is een meter, maar de chauffeur zegt dat die alleen voor Indiase passagiers is. Het zal wel. Als we na een kwartier hobbelen aankomen, staat de meter op 250 rupees. Ik betaal toch maar de 350 rupees en wordt niet boos dat ik nog een halve kilometer moet lopen, omdat de chauffeur waarschijnlijk geen zin had om tol te betalen.

Gelukkig heb ik alle tijd. Het is twaalf uur en ik hoef pas tien voor drie aan boord van de Indigo Air-vlucht naar Kolkata. Tijd om mijn verslag in te typen en een blikje te nuttigen. Ik koop ook de Lonely Planet van Bhutan. Die is hier goedkoper dan in Nederland. Aanvankelijk was ik niet van plan het boekje te kopen en heb ik de belangrijkste pagina’s uit een bibliotheekexemplaar gekopieerd, maar het is toch wel handig het boekje zelf te hebben. Bovendien is het leuk en bijzonder interessant om te lezen.
Indigo Air is zo’n beetje het EasyJet van India. Spotgoedkoop, stipt op tijd en prima vliegtuigen. Op de minuut nauwkeurig vertrekken we om half vier voor de ruim twee uur durende vlucht naar Kolkata. Buiten is het te heiig om iets van het landschap te kunnen zien. Ver in de verte zie ik iets wat op de toppen van de Himalaya lijkt. Ik maak er voor de zekerheid maar vast een foto van. De stewardessen komen langs met hun karretje en spreken mij keurig met mr. Vincent aan. Ze blijken alle passagiers bij de naam te noemen. Heel netjes. Ik bestel echter niets, want ik heb weinig trek en net als bij EasyJet moet bij Indigo de portemonnee worden getrokken voor de catering. De bewolking neemt toe en af en toe is niets meer te zien door het raam. Ik probeer wat in de Lonely Planet te lezen, maar ik ben te moe om te onthouden wat ik lees. Als we Kolkata naderen, zie ik een heel ander landschap als bij Delhi. Daar was alles geel en bruin. Hier is alles groen. Het is kennelijk een erg vruchtbaar gebied, wat gezien de grote rivierdelta niet zo verwonderlijk is.

Zo stipt als vertrokken is, zo stipt komt het vliegtuig aan. Precies om vijf over half zes. Buiten is de zon net onder gegaan en wordt het snel donker. Dat vind ik wel een beetje vervelend. Zelfs overdag zal het moeilijk zijn om de weg te vinden in de miljoenenstad Kolkata. Ik heb snel mijn rugzak te pakken en loop naar buiten. Meteen valt de hitte als een deken over mij heen. Het is ruim 33 graden en zeer vochtig. De lucht is doordrongen door een geur die typisch is voor de tropen. Een soort mengeling van rotting, kruiden en vooral uitlaatgassen. Ik informeer waar het busstation is en een agent wijst mij in de richting. Tien minuten lopen, zegt hij. Na twintig minuten zie ik nog geen busstation en ook geen enkele bus langskomen. Dat is weer India. Een luchthaven zonder openbaar vervoer. Hoewel ik taxi’s erg duur vind in verhouding tot de bus, ga ik toch maar overstag als de zoveelste chauffeur zijn diensten aanbiedt. Ik leg hem uit dat ik naar het centrum moet, naar Grant Street. Hij knikt dat het in orde is en begint aan zijn dodemansrit door het steeds drukkere verkeer. Het is een complete heksenketel in de overvolle straten. Af en toe passeer ik een enorme herrie, die uit een soort tempeltjes lijkt te komen. Bussen, auto’s en tuktuks vechten intussen om de schaarse hoeveelheden asfalt. Er wordt een metro gebouwd en dat zorgt voor nog meer chaos. Het mag een wonder heten dat er niet een keer een aanrijding plaatsvindt. Gelukkig gaat het allemaal niet erg hard. Wie het idee mocht hebben om in India een auto te huren, kan beter iets anders bedenken. De verkeersregels zijn gelijk aan die in China. Bussen en vrachtwagens hebben voorrang.

Na bijna drie kwartier stopt de taxi. Hier is het zegt de chauffeur. Ik zie geen hotel, maar het zal wel in de buurt zijn. Ik betaal de vierhonderd rupees en ga op pad. Geen hotel. Ik probeer er achter te komen of ik in Grant Street ben, maar niemand kan het mij vertellen. Neem maar een taxi, zegt iedereen. Ja, die weten ook niet waar Grant Street is. Uiteindelijk weet een ronselaar mij weer in een taxi te krijgen. Die zou mij voor driehonderd rupees naar het busstation Esplenade brengen. Vandaar weet ik het hotel wel lopend te vinden. De rit duurt opnieuw drie kwartier en gaat net zo woest als de eerste rit. Ik ben blij als ik eindelijk iets bekends zie. Hopelijk heeft het hotel de kamer nog aangehouden. Ik diep eerst een plattegrond uit mijn rugzak, want ik heb geen zin om nog lang te moeten zoeken. Het blijkt vlakbij. Ik zie een restaurant, dat ook op de kaart staat. Na tien minuten lopen heb ik Hotel Heera gevonden, dat ik had geselecteerd omdat het vlak bij het openbaar vervoerknooppunt Esplenade ligt en bij station Sealdah, vanwaar mijn trein de volgende dag richting Siliguri vertrekt. Een plechtig oud mannetje doet de deur open en brengt mij naar de receptie. Ik schrijf mij in en krijg een kamer op de derde verdieping. We hebben een lift zegt de manager als we eindelijk via de trappen boven zijn, maar er is een stroomstoring. Alleen de verlichting doet het, de airconditioning en de lift niet. De kamer is in orde, maar het kost moeite om die kerels eruit te krijgen. Waarschijnlijk verwachten ze een fooi, maar die moeten ze wel verdienen. Ik spoel het zweet van mij af en bel naar huis om te vertellen dat ik goed en wel ben aangekomen. Na een tijdje komt de stroom terug. Gelukkig maar, want de laptop was bijna leeg en die kon ik niet opladen met de noodstroom. Hoewel ik na een nacht met heel weinig slaap wel moe ben, ben ik te opgewonden om te gaan slapen. Ik ga eerst nog even de buurt verkennen en pas op dat ik niet verdwaal. Ik heb vandaag wel genoeg taxi’s gezien. Buiten is het een drukte van belang. Gelukkig is er niet veel verkeer in de Grant Street, die eigenlijk de naam Grant niet echt verdient. Ik wandel een willekeurige richting op en let er goed op dat ik via dezelfde weg het hotel weer weet terug te vinden. Echt leuk is dit deel van Kolkata niet. De stad is verschrikkelijk lelijk, het is bloedheet en zeer vochtig en het verkeer jakkert maar door. Bomvolle bussen snellen voorbij en lijken nergens te stoppen. Er is ook een metro. Naar het internationale vliegveld nog wel, merk ik tot mijn ergernis. Het had mij veel sores en geld gescheeld, als ik op het internationale vliegveld was geland in plaats van op het vliegveldje voor binnenlands verkeer. Niets aan te doen. Ik wandel verder langs de talloze winkeltjes die allemaal hetzelfde lijken te verkopen. Een betrouwbaar uitziend eettentje kom ik niet tegen, dus besluit ik vanavond maar te vasten. Ik heb geen zin om meteen al ziek te worden. Er wordt vooral veel textiel verkocht. Spijkerbroeken kosten hier maar 200 rupees, wat slechts drie euro is. Een paar straten verder wordt de armoede zichtbaar. Er lijken in Kolkata meer mensen op straat dan in huizen te slapen. Ook hele gezinnen met kleine kinderen hebben geen dak boven hun hoofd en wonen in hun eigen vuiligheid. Vooral de zijstraatjes zijn onbeschrijfelijk vies met soms metershoog opgestapeld afval. Op de terugweg wil ik een poging wagen een bus te pakken, maar ze sjezen allemaal voorbij. Haltes zijn er niet. Misschien moet ik gewoon mijn hand opsteken, maar ik betwijfel of ze met hun hoge snelheid dan zullen stoppen. Lopen dus maar, want een taxi gaat me te ver voor die paar kilometer. Rond middernacht kom ik bij het hotel aan. De deur is op slot en het hek dicht. Moet ik vannacht ook op straat slapen? Gelukkig is er nog iemand wakker en komt ook de portier net thuis. Nadat ik mijn kamernummer correct geraden heb, mag ik naar binnen. Op de kamer is het ver over de 30 graden. Ik had de airconditioning niet willen gebruiken, maar het kan gewoon niet anders. Nog even uitgebreid douchen en wassen met echte Heera Hotel zeep en dan wat slaap inhalen. Morgen wordt weer een drukke dag.

Vrijdag, 18 september 2009

Om zeven uur begint mijn telefoon te piepen. Het is tijd om op te staan, denk ik, terwijl ik mij realiseer dat het in Nederland pas half vier in de ochtend is. Buiten schijnt de zon al. Het is vroeg donker in Kolkata, maar ook heel vroeg licht omdat India maar één tijdzone heeft en zo’n drieduizend kilometer van west naar oost meet. Kolkata ligt in het verre oosten van het reusachtige land en telt zo’n veertien miljoen van de in totaal 1,2 miljard inwoners van India.
Ik ga ervan uit dat het ontbijt niet is inbegrepen. Het Heera Hotel heeft volgens mij niet eens een restaurant. Ik prop twee kokosmacronen naar binnen, orden mijn spullen, maak alles reisklaar en wankel de drie trappen af naar beneden. Er is een lift, maar daar heb ik weinig vertrouwen in met stroom die om de haverklap uitvalt. Ik laat mijn rugzak achter in het hotel en ga op avontuur.
Buiten is het al verlammend heet. In de Grant Street is het nog drukker dan gisterenavond, nu alle winkels volop in bedrijf zijn. Taxi’s banen zich toeterend een weg door de massa’s mensen, handkarren en riksja’s. Om de hoek is de Lenin Straat, die naar de Esplenade leidt, het bus- en tramstation van Kolkata.

Ik wil vandaag een beetje relaxed rondtoeren met de tram, maar eerst wil ik de aanbevolen Maidan bekijken. Het grote park dat de binnenstad van de Hooghly rivier scheidt. Overal is het druk en de zon die door de heiige lucht schijnt, zorgt voor nog meer hitte. Het moet tegen de veertig graden zijn vandaag.
De afstanden zijn groter dan zij lijken op mijn kaartje. Ik wil via het park naar Fort William wandelen, dat nog uit de Britse koloniale tijd dateert. De Maidan blijkt echter niet veel aan. Het is prettig om even van het verkeerslawaai bevrijd te zijn, maar bezienswaardig is anders. Ook hier wonen veel zwervers en het is uitkijken om niet in hun uitwerpselen te trappen.

Bij Fort William aangekomen, blijkt dit een militaire kazerne te zijn. Het verbaast mij niet dat de schildwachten mij niet doorlaten. Gelukkig heb ik het hele eind niet voor niets gelopen, want aan de andere kant is de prachtige Vidyasagar Setu-brug, die aan spankabels hoog boven de Hooghly rivier zweeft. In het park staat een classicistisch gebouw ter nagedachtenis aan een belangrijk Brit. Het contrasteert prachtig met de moderne brug.

Langs de rivier wandel ik terug naar het centrum. Ik ben blij dat ik mijn bergschoenen aan heb, want het trottoir heeft veel weg van een bergpad na een lawine. Terug in het centrum spring ik op een tram. Die stoppen ook bijna nooit, zodat je er al rijdend op moet springen, zwaaiend aan de stang bij het instapgedeelte. Deuren hebben de voorhistorische trams niet, anders zou je bijna helemaal niet meekunnen. Het ritje duurt niet lang. Na twee haltes moet iedereen uitstappen, want de tram gaat de remise in.

Ik loop een stukje terug en stap in een tram die de andere kant op rijdt. Ik verwacht niet verder dan de Esplenade te komen, maar dat valt mee. De tram rijdt verder, via de Leninstraat het centrum in. Ondanks de drukte weet de tram redelijk vooruit te komen. Na een tijdje gaat het noordwaarts en nog een paar haltes verder is het eindpunt. Weer bij een remise. Het tramspoor loopt nog verder, maar is afgesloten voor trams. Ik loop een eindje verder langs de eindeloze reeks kledingwinkels. Ik zou wel een fles water of frisdrank willen kopen, maar al wat verkocht wordt is kleding in alle soorten en maten en kleuren. Vooral felle kleuren. Ik zie de mooiste verkleedpakjes voor mijn dochtertje en het kost allemaal drie keer niks. Ik wil echter mijn bagagegewicht beperkt houden, dus ik kijk nog wel even in Delhi.
Het is mij al opgevallen dat bepaalde winkels in bepaalde straten zitten. Ik ben nu in een kledingstraat, maar er zijn ook straten waar uitsluitend boeken of juwelen worden verkocht. Dat heb ik eerder gezien in Vietnam, maar in andere Aziatische landen weer niet.

Als de vermoeidheid toeslaat, kijk ik eens op mijn kaartje waar ik ben. Ik zie dat ik vlakbij de Digambara Jain tempel ben en dat ik daar de metro terug naar de Esplanade kan nemen. Het is toch nog wel een eind lopen. Een hoog viaduct over, waar geen beschutting tegen de steeds hetere zon is.

De tempel is wel aardig, maar niet heel bijzonder. Ik besluit toch maar een kijkje te gaan nemen. Bij de poort wordt mijn tas gecontroleerd en moet ik mijn statief afgeven. Ik begrijp eerst niet wat de bewakers willen. De meeste Indiërs spreken niet meer dan vier woorden Engels heb ik al gemerkt. Wel typisch, want bijna alle openbare aanduidingen, reclameborden en richtingaanwijzers zijn in het Engels.

Op de plaats waar volgens mijn kaartje het metrostation is, is geen metrostation. Een oudere man brengt redding, hij vraagt waar ik vandaan kom. Dat vraagt altijd iedere Aziaat aan iedere westerling. En ik antwoord dat ik uit Nederland kom. Ah Nederland. Dat is een prachtig land, zegt de man, alsof hij er ooit geweest is. Ik vertel hem dat ik op zoek ben naar de metro, maar hij begrijpt niet wat ik bedoel. Metro, train, tunnel, probeer ik. Ah, tunnel. Ja, nu snapt hij het en hij loopt voor mij uit. Tweehonderd meter verder is inderdaad wat verscholen de ingang tot het metrostation. Ik koop een kaartje en weer wordt mijn bagage gecontroleerd. Ik moet de accu uit mijn camcorder halen, want fotograferen mag niet in de metro. Er staan ook metaaldetectoren, maar die doen het niet. Bovendien merkt men niet dat onder in mijn tas nog een fototoestel zit. Beveiliging om de schijn op te houden dus. En daar worden vier mensen voor betaald.
Zelfs met de metro duurt het nog ruim een kwartier voordat ik terug op de Esplenade ben. Het is wel aangenaam koel onder de grond en de metro is niet afgeladen gelukkig, ook al zijn er geen zitplaatsen over.

Terug op de Esplenade ga ik op zoek naar een restaurant voor een kop soep. Ik kies voor het Chowringhee Restaurant waar Chinese, vegatarische maaltijden op de kaart staan. De hot and sour soep is zo lekker, dat ik een tweede portie bestel. Voor nog geen anderhalve euro kan ik er weer tegen.
Nu eerst op zoek naar een wisselkantoor, want mijn Indiase geld raakt op en ik weet niet zeker of ik in het weekend geld kan wisselen. Ik zie een kantoor van ING, maar daar is alleen een geldautomaat. Zelfs voor een geldautomaat wordt een bewaker gezet, die mij de richting naar een wisselkantoor wijst. Bij een klein wisselkantoortje in een soort bazaar wissel ik driehonderd euro om. Het zal wel teveel wezen, maar de kans is groot dat ik in Bhutan niets aan mijn euro’s heb en ik zit liever mee verlegen dan om verlegen.
Ik vervolg mijn stadstoer per tram. Ik heb geluk. Ik weet niet in welke lijn ik zit en waar die naar toegaat, maar hij volgt een andere route dan de eerste tram die ik naar de stad genomen had. Veel afwisseling biedt het straatbeeld echter niet. Overal dezelfde lelijke gebouwen, winkeltjes en eindeloze files van gele Ambassador Classics, die de voorkeur van nagenoeg iedere taxichauffeur heeft. Particuliere auto’s zijn bijna altijd Suzuki’s.

Bij ieder eindpunt heb ik geen idee waar ik ben. De straatnamen staan nergens aangegeven en de stad heeft weinig herkenningspunten. Op goed geluk pak ik maar weer een andere tram. Het valt mij mee dat ik iedere keer kan zitten. Zo kom ik ook langs het prachtige gerechtshof van Calcutta.

Op een gegeven moment besluit ik eens naar mijn treinkaartje voor vanavond te zoeken. Dat blijkt een goed plan, want ik lees dat mijn trein om half acht zal vertrekken, terwijl ik dacht dat het tien uur was. Toch nog tijd voor een laatste tramritje. Ik zit net op tijd in de tram, want het begint te regenen. Eerst zacht, maar ineens barst een complete wolkbreuk los. Iedereen zoekt snel een veilig heenkomen en het verkeer loopt compleet vast. Ook de tram blijft een kwartier staan, tot het weer een beetje bedaard is. We vervolgen de route door de kletsnatte straten langs met zeildoek afgedekte winkelwaren. Weer tref ik een andere lijn. Ditmaal duurt de rit echter veel langer. Pas na een half uur bereiken we het eindpunt. Weer bij een remise. Ik moet snel terug zien te komen, maar ik begin mij af te vragen of er nog een tram zal rijden.

De avondspits is begonnen en dat betekent dat een aantal straten eenrichtingsverkeer wordt. Als er nog een tram rijdt, zal die tegen een zes rijen dikke file op moeten. Na een minuut of tien komt er toch een tram, die de strijd met het autoverkeer wil aangaan. Ik spring erop, als hij even vaart vermindert om een frontale aanrijding met een taxi te voorkomen. De conducteur vraagt waar ik naar toe wil en zegt dat ik in de verkeerde tram zit als ik naar de Esplenade moet. Lijn 25 zegt hij. Ik stap uit en wacht af. In de verte komt de volgende tram, maar dat blijkt lijn 22. Niettemin staat er Esplenade op het koersbord, dus ik stap in.

Het gaat nu stapvoets en de tram zit bomvol. Ik zie dan ook nauwelijks welke route ik volg. Na een minuut of tien zit er geen beweging meer in het verkeer. Een korte blik naar buiten leert dat wachten geen zin heeft. Ik wil nog eten voordat ik vertrek, dus ik volg gehaast de route die de tram zou volgen. Er staat een eindeloze rij trams, die intussen door hun passagiers verlaten zijn. De voorste tram is geheel verlaten en waarschijnlijk de reden van de opstopping. Het is wachten op de reparateur of sleepwagen.

Ik ben echter al in de Leninstraat en vijf minuten later zit ik in het zelfde restaurant als waar ik geluncht heb. Ik bestel dezelfde soep en een portie sweet and sour vegetables. Het is heerlijk. Dan loopt het tegen zes uur en is het tijd om mijn rugzak bij het hotel op te halen. Hij staat er nog. Ik loop terug naar de Leninstraat in de hoop een bus naar het station te treffen. De bussen die voorbij rijden, hebben echter alleen Hindi teksten op het koersbord. Uiteindelijk spring ik er op goed geluk toch maar op en vraag aan de passagiers of de bus naar het Sealdah station rijdt. Dat blijkt het geval. Met de bus gaat het beter dan lopend in de hitte.

Ruim op tijd kom ik op het station aan en ondanks de reusachtige chaos weet ik vrij vlot het loket te vinden, waar ik mijn e-ticket kan laten valideren. Tot mijn opluchting hoor ik dat ik in de luxe klasse kan reizen. Ik stond op een wachtlijst, maar kennelijk gaat niet iedereen mee die gereserveerd heeft, of ze hebben net als in China het systeem, dat altijd een paar plaatsen vrijgehouden worden voor het geval hoge functionarissen op het laatste moment met de trein meewillen. Die plaatsen worden dan kort voor vertrek vrijgegeven.
Het is wel zoeken naar de juiste wagon. Op mijn ticket staat wagon RA1, maar omdat enige nummering ontbreekt en conducteurs in geen velden of wegen te bekennen zijn, blijft het een mysterie waar ik naar binnen moet. Ik waag mijn geluk maar bij de eerste wagon AC 2 Tier die ik tegen kom. Dat is bijna vooraan in de zeer lange trein. Ik strompel door het smalle gangpad op zoek naar bed 39. De bedden zijn voor het gemak gelukkig wel genummerd.
Ik installeer mij en probeer naar huis te bellen. Als ook op het derde nummer niet wordt opgenomen, geef ik het maar weer op. De andere passagiers komen binnen. Indiërs uit het zuiden, die op weg zijn naar Sikkim. Aardige mensen, die volgens mijn inschatting geen hinder zullen veroorzaken. Wie wel hinder veroorzaakt is de conducteur, die na mijn ticket heel lang bestudeerd te hebben in gebrekkig Engels zegt dat ik eigenlijk geen recht heb op mijn plaats in deze wagon. Ik mag blijven zitten, maar na een tijdje zou hij mij komen halen om mij naar een andere plek te brengen. Hopelijk niet in de Sleeper Class, waarvoor ik voor de zekerheid ook een kaartje had gekocht. Want die wagons zien er met hun getraliede ramen bepaald niet aantrekkelijk uit. De conducteur laat zich echter niet meer zien en na twee uur gaan mijn medepassagiers slapen. Ik ga ook maar slapen, al heb ik nog wel de onzekerheid of ik straks niet wakker gemaakt zal worden en met mijn hele hebben en houwen naar een ander deel van de trein zal moeten.

Zaterdag, 19 september 2009

De nacht gaat echter ongestoord voorbij en als ik rond half zes wakker wordt, zie ik dat het buiten al licht is. Ik schuif het gordijntje open en besluit nog maar even van het landschap te genieten. Af en toe wordt er even gestopt op een klein stationnetje. Onderweg zie ik een snelweg die parallel aan de spoorlijn loopt. Een keurige weg die zeker niet op een maanlandschap lijkt, zoals wegen in India vaak worden beschreven.
Rond zeven uur arriveren we bij Jaipalguri Junction. Ik ben er bijna. De trein is zo goed als op tijd. Mijn coupégenoten verlaten de trein en een alleen reizende man komt in hun plaats. Ik moet nog een halte verder. Na een kwartier zet de trein zich weer in beweging om stapvoets naar Siliguri Junction te rijden. Dan zit de twaalf uur durende reis er eindelijk op.

De hitte valt mee buiten. Ik wandel het perron af om nog een foto te maken van de trein. Op het perron zit een groepje folkloristische Indiërs, waarvan een met een cobra in een mandje. Of ik een foto wil maken? Nou, daar heb ik niet zoveel zin in. Op het station zijn stopcontacten voor het opladen van mobiele telefoons. Ik maak er dankbaar gebruik van, want vannacht ging mijn mobieltje vanzelf uit, nadat de accu was uitgeput. Op een bankje op het perron werk ik mijn reisverslag bij. Ik heb nog zo’n zes uur, voordat mijn trein naar Hasimara vertrekt.

Zes uur wachten is niet leuk. Daarom sjor ik mijn tassen om en ga het stadje verkennen. Veel is er niet aan en hoewel het niet zo heet is als in Kolkata, is het ook niet bepaald fris. Al snel stroomt het zweet weer in riviertjes van mij af en keer ik terug naar het station om een plekje in de schaduw op te zoeken. Ook in Siliguri is weinig anders te koop dan allerlei soorten kleding. Ik geef toe dat veel Indiërs wel wat nieuwe kleding kunnen gebruiken, maar of al die talloze winkeltjes bestaansrecht hebben, waag ik te betwijfelen.
Op het station probeer ik de Lonely Planet te lezen, maar ik word voortdurend lastig gevallen door hele jonge bedelaartjes. Eerst negeer ik ze, maar als dat niet helpt roep ik ineens heel hard BOE. De kindertjes schrikken zich een ongeluk, maar ze zijn ook weer net zo snel over de schrik heen en moeten toch wel lachen om die gekke buitenlander. Na een tijdje druipen ze eindelijk af.

Aan de overkant is het perron van de Toy Train naar Darjeeling. Omdat er een grote groep mensen staat, ga ik ervan uit dat het treintje zal rijden vandaag. En inderdaad, na ongeveer een half uurtje verschijnt het. Een diesellocomotiefje met een sliert blauwe wagonnetjes, met voor Indiase begrippen heel grote ramen. Ik zou wel mee willen, maar ik heb Darjeeling niet op de planning staan. Het blijkt om een uitstapje te gaan voor gehandicapte kinderen. Ik zie er weinig gehandicapten tussen, maar twee mannen proberen met moeite een spandoek aan de trein te bevestigen waarop informatie staat over het uitstapje. Na een tijdje lukt het om het doek om de achterkant van de laatste wagon te spannen. Dan vertrekt het treintje, op weg de bergen in.
Mijn trein laat voorlopig op zich wachten. Ik zoek een comfortabel bankje op langs het eerste perron, maar na een tijdje wordt de rust verstoord door een diesellocomotiefje van de Toy Train. Het apparaat stopt pal voor mijn neus en blijft vrolijk ronken en sissen, terwijl de machinist gaat lunchen of zo. Hij is in ieder geval nergens te bekennen. Als het locomotiefje na een kwartier nog niet weg is, ben ik het zat en zoek ik een plaatsje op het andere perron. Ik wou maar dat het vast tien voor half twee was.
Als de vertrektijd eenmaal is aangebroken, is de trein nog niet te zien. Tien minuten later nog niet. Ik besluit maar eens naar de stationshal te gaan om te informeren of de trein nog wel komt. Anders moet ik heel snel een bus zien te vinden naar Jaigaon. Helaas is er een klant voor mij en ook al hoeft die alleen een simpel kaartje te kopen, het kan toch zo een kwartier duren. Eindelijk ben ik aan de beurt nadat ik al een paar keer naar buiten ben gelopen om te kijken of mijn trein er nog niet aankwam. De lokettiste bestudeert mijn kaartje aandachtig en tikt met een zorgelijk gezicht wat gegevens in op haar computer. Na lang nadenken schrijft ze het wagonnummer en mijn zitplaats op de print. Erg behulpzaam, want die gegevens stonden al op het ticket. Ik vraag vanaf welk perron de trein vertrekt. Daarvoor moet ik bij een ander loket zijn, maar omdat daar meerdere klanten staat te wachten, gok ik het er maar op.
Even later komt de trein het station binnen rijden. Ik informeer of dit trein 5761 is, de Alipurduar Express. Geloof het of niet, pas de derde passagier die ik het vraag weet het te bevestigen. Ik heb wagon 4, plaats 33. Dus stap ik op goed geluk in de vierde wagon vanaf de locomotief gerekend. Er zit een meneer op mijn plek, dus ik laat hem mijn kaartje zien. Hij heeft ook plaats 33. Hij kijkt naar mijn kaartje en stelt vast dat ik in de verkeerde wagon zit. Dit is wagon 5 en ik moet naar wagon 4. Dat is de vijfde wagon vanaf de locomotief. Wie de logica snapt, is geslaagd voor de intelligentietest. In wagon 5 zit, of liever ligt, ook al iemand op plaats 33. Weer laat ik mijn kaartje zien. De man beseft dat hij fout is en sleept met zichtbare tegenzin zijn luie lichaam naar de andere kant van de bank. Eindelijk kan ik mijn spullen kwijt en plaatsnemen om te gaan genieten van een prachtige treinreis. Het is fijn dat er geen glas in de ramen zit, alleen tralies. Dat zorgt voor natuurlijke ventilatie en ik kan onderweg het landschap filmen. Vanuit een airco-wagon is onmogelijk, omdat er dan vies bruin glas in de ramen zit. En omdat het hier niet meer zo heet is, mis ik de airco niet echt.
Een kwartier te laat zet de Alipurduar Express zich in beweging. Volgens de website van de Indiase spoorwegen bestaat deze trein helemaal niet. Ik kon hem in ieder geval met geen mogelijkheid reserveren. Maar ik had op Google Earth gezien dat er vlakbij de grensplaats Jaigaon een redelijk groot station was, in het stadje Hazimara, dus zou daar vast ook wel een trein naar toe gaan. Via Cleartrips.com was die trein zo gevonden.
Na een minuut of vijf stopt de trein in de middle of nowhere. Het is onduidelijk wat er aan de hand is en het duurt een minuut of tien voordat we weer verder rijden. Dan komen we bij het eerste station langs de route. Weer blijft de trein heel lang staan. Ditmaal moeten we wachten op een tegenligger die nog meer vertraging heeft. We zullen wel met geen mogelijkheid meer op tijd aankomen in Hazimara. Ik besluit hotel Anand te bellen om te zeggen dat ze niet eerder dan half vijf op het station hoeven te zijn. Ik had met het hotel afgesproken dat ik zou worden opgehaald vanaf het station, want ik had geen zin in weer allerlei gedoe met bussen die niet komen en taxi’s die de weg niet weten. Het gesprek verloopt zeer moeizaam, zoals gewoonlijk, maar het lijkt erop dat ze de boodschap begrepen hebben. Ik zie het wel.
De rit voert langs een prachtig landschap met afwisselend rijstvelden, theeplantages en uitgestrekte bossen. Aan de linkerkant van de trein zijn al wat bergen te zien. Het zijn de eerste bergen van de Himalaya, die onverwacht uit het verder vlakke landschap lijken op te doemen. We kruizen ook tal van brede rivieren, waarvan er sommige bijna droog staan.
Na een tijdje begint het vrijwel onophoudelijke getoeter van de locomotief mij op de zenuwen te werken. Er is geen mens of dier in de omtrek te bekennen, dus de machinist hoort waarschijnlijk zichzelf graag toeteren. Of hij lijdt aan verveling. Ik weet het niet. Rond kwart voor vijf attendeert de man tegenover mij dat we bijna in Hasimara zijn. Ik had hem niet verteld dat ik er daar uit moest, maar hij had het waarschijnlijk uit het telefoongesprek met het Anand Hotel begrepen. Ik dank hem voor de informatie en film nog snel even de binnenkomst in het station, dat voor mij het eindpunt is van de lange treinreis. Dan snel mijn spullen pakken, want zo lang blijft de trein niet staan. Ik loop nog even naar voren om het vertrek op video vast te leggen en ga daarna naar de stationshal op zoek naar mijn chauffeur.
Buiten word ik door verschillende mannen aangesproken. Ik vraag of ze van het Anand Hotel zijn, maar dat wordt niet begrepen. Een chauffeur is wel erg vasthoudend. Ik snap niet wat hij wil, maar na een tijdje haalt hij een vel papier uit zijn auto waarop groot mijn naam staat geprint. Dat papier had hij eigenlijk voor zijn borst moeten houden, zoals mensen op vliegvelden doen. Dan had ik meteen geweten dat hij mijn chauffeur was. We lopen naar een wit minibusje, waar overigens niet de naam van het hotel op staat. Ik neem achterin plaats, want dat lijkt mij veiliger.
Mijn voorgevoel over de rit heeft mij niet bedrogen. Hoewel de weg praktisch onbegaanbaar is, rijdt de chauffeur alsof de duivel hem op de hielen zit. Sommige delen van de weg zijn opgeknapt. Dan gaat het pedaal helemaal op de plank. Ander verkeer wordt meedogenloos opzij gedrukt en zelfs van tegemoet komende vrachtwagens wordt verwacht dat deze plaats zullen maken voor het kleine, witte busje. Bromfietsers en fietsers moeten hun vege lijf zien te redden, als het busje op het laatste moment toch maar uitwijkt voor een tegenligger. Gelukkig gaat het wonder boven wonder elke keer goed, ook al is dat een paar keer te danken aan tegenliggers die nog niet levensmoe waren. Mijn chauffeur gelooft kennelijk heilig in reïncarnatie en denkt na ieder dodelijk ongeluk een stukje dichter bij het Nirvana te komen. Na een klein half uur vol capriolen bereiken we Jaigaon. Het is een chaos van jewelste. Alleen met een hoop lef en minstens zoveel agressie is er doorheen te komen. Dan staan we om kwart over vijf ineens voor het hotel. Gelukkig nog voor donker, want dan is het geen rijden over de weg vol gaten en putten.

Binnen in de lobby van het hotel wacht mijn Bhutaanse gids Tshering Penjore mij al op. Hij is gekleed in de traditionele Kao, een soort rok en een jasje in dezelfde kleur met grote witte manchetten. Ook kniekousen horen bij het tenue, dat in Bhutaan verplicht is bij het uitoefenen van officiële functies. Gids zijn is ook zo’n officiële functie, net als kantoorwerk en studie. Politieagenten en militairen dragen daarentegen conventionele uniformen. Ik groet mijn toekomstige steun en toeverlaat met Kuzudzongbola, wat hallo betekent in het Bhutaans. Hij moet even nadenken, want ik zal het wel verkeerd uitspreken, maar dan corrigeert hij mij lachend. Het lijkt mij een bijzonder sympathieke man. Het was toch maar afwachten, na alle avonturen die ik al met Chhundu Travel heb meegemaakt.
Ik had eigenlijk eerst willen douchen, want ik ben smeriger dan smerig. Alles plakt en hoewel ik mijzelf niet ruik, denk ik dat anderen mij niet fris zullen vinden. Maar ik kan de gids toch ook niet laten wachten. Hij wil alvast de grensformaliteiten in orde maken en daar moet ik lijfelijk bij aanwezig zijn. Hij nodigt mij uit om mee te komen. Ik laat mijn rugzak achter in het hotel, maar houd de fototas natuurlijk bij mij. Buiten staat een fraaie, zo goed als nieuwe champagnekleurige Hyundai Tucson. Een ruime wagen merk ik, als ik op de achterbank heb plaatsgenomen. Als het comfort onderweg te wensen overlaat, zal dat in ieder geval niet aan de auto liggen.

De chauffeur, een gedrongen mannetje, Yishi genaamd, manoeuvreert op on-Indiase wijze voorzichtig de auto door het drukke verkeer. Ik ben blij dat hij er niet zo’n duivelse rijstijl op nahoudt als de chauffeur van het Anand Hotel, want dan zou ik toch wel tegen de rondreis door Bhutan gaan opzien. Onderweg passeren we de beroemde grenspoort, die in Bhutaanse stijl is gebouwd. Even kan ik al een blik op het Beloofde Land werpen.
Even later zijn we bij het emigratiekantoor van de Indiase douane. De formaliteiten verlopen uiterst soepeltjes. Eenvoudig formuliertje invullen, stempeltje, klaar. Vanaf nu ben ik dus eigenlijk illegaal in India.
Helaas is volgens de gids het grenskantoor in Bhutan al gesloten. Daarom kan hij nog niet mijn visum regelen. Jammer, anders had ik vanavond al een kijkje kunnen nemen in het Land van de Donderdraak.

De chauffeur brengt mij terug naar het hotel, waar we voorlopig afscheid nemen. We spreken de volgende dag af om acht uur, Bhutaanse tijd. Een half uur later dan de Indiase tijd en vier uur verschil met Nederland.
Eindelijk kan ik douchen en schone kleren aantrekken. Dat was echt heel hard nodig. Op weg naar boven zie ik op een groot bord met huisregels, dat het hotel om 10 uur ’s avonds op slot gaat. Dat wordt geen nachtleven vanavond. De kamer valt mij beslist niet tegen. Merkwaardig is wel dat de deur met een grendel en een hangslotje is afgesloten. Een beetje primitief, maar met als voordeel dat personeel niet naar binnen kan als ik op de kamer ben. Binnen is het donker en ik probeer alle knopjes uit. Het blijft donker, totdat iemand van het hotel vanaf de gang de hoofdschakelaar omzet. Lekker handig, als je het weet. Mijn rugzak staat al netjes in de kamer. Eerst loop ik nog even terug naar de poort om wat avondfoto’s te maken. Terwijl ik met mijn gebruikersvriendelijke, nieuwe, maar nu al defecte statief sta te stoeien komt een grenswacht aanlopen om mij weg te sturen. Het is verboden om foto’s te maken van de grens. Aan mijn hoela. Ik loop een eindje terug, hannes het statief in elkaar en maak van veilige afstand een paar mooie opnames. Niet makkelijk, want het is een komen en gaan van vrachtwagens in en uit Bhutan en die wil ik natuurlijk niet op de foto hebben. Dan weer snel terug naar het hotel. Ik duik onder de douche en was mij twee keer volledig met desinfecterende zeep. Dan nog even nieuwe deet opsmeren tegen de malariamuggen en ik kan er weer tegen.

Ik loop naar de poort tot Bhutan en probeer naar huis te bellen om blij mede te delen dat ik de eerste mijlpaal heb bereikt. Weer geen verbinding. En dan heb je ook nog de oorverdovende herrie van het verkeer, dat je zelfs van de stoep probeert af te rijden. Mijn moeder krijg ik wel te pakken. Of ze thuis wil vragen mij terug te bellen, want het wordt een dure grap als ik telkens de voicemail van thuis aan de lijn krijg, terwijl ik weet dat die toch niet wordt beluisterd.
Regelmatig valt de elektriciteit uit in Jaigaon. Alles zit dan in donker, hoewel sommige winkeliers en restaurants erop voorbereid zijn en noodverlichting hebben branden. Ik loop een marktje op om een beetje sfeer te proeven. In elk stalletje hangt een tl-lampje aan een batterij. Slim van die verkopers, want de stroom zal hier wel vaker uitvallen. Ik koop een flesje Pepsi en krijg Bhutaans wisselgeld. Briefjes van 40, 20 en 5 Ngultrum.
Dan gaat de telefoon. Thuis belt. Mijn vrouw Diana is met mijn dochtertje Florianne naar een voorstelling van Assepoester geweest en daarom moest de mobiel uit. Ik heb er de smoor over in, omdat ik duidelijk had gezegd dat de mobiel te allen tijde moest aanblijven. Er zal iets ergs gebeuren en dat je dan niemand kan bereiken! Mijn dochtertje heeft een dwarse bui en dus geen zin om met papa te kletsen. Diana wil nog uren doorpraten, maar omdat op die manier de kosten de pan uitrijzen, kap ik het op een gegeven moment maar af.

Net als in Kolkata valt het in Jaigaon niet mee om een redelijk restaurant te vinden. Het restaurant van Hotel Anand zag er zo ongezellig uit, dat ik daar niet wilde gaan zitten. Ik vind een leuk tentje, waar ik op het balkon kan zitten. Er staan Chinese vegetarische gerechten op de kaart en die lijken mij het veiligst om te eten in het door darmproblemen beruchte India. Het smaakt weer prima. Dan is het onderhand al weer tijd om naar het hotel te gaan. Nog even een fles bronwater kopen voor vannacht en dan snel douchen en slapen. Morgen wordt een opwindende dag.

Zondag, 20 september 2009

Al om vijf uur word ik wakker als iemand van het hotel bij alle gasten van een Japans reisgezelschap aanbelt en luid ‘good morning’ brult. Ik baal er wel van, want na de nacht in de trein was ik wel toe aan een goede nachtrust. Het lukt niet meer om te slapen. Buiten is het al licht en aan het lawaai te horen is het leven al weer volop aan de gang. Vandaag ga ik dan eindelijk naar Bhutan, na alle geleden ontberingen in India. Ik pak mijn spullen in en wandel naar de poort om nog wat foto’s te maken. Helaas loopt het gepruts aan mijn statief in de gaten en op een gegeven moment komt een militair aanlopen die mij wegstuurt. Ik had nog net een foto van mijzelf kunnen maken, maar die is zoals gewoonlijk niet optimaal scherp. Ik heb een camera die alles haarscherp vastlegt, behalve gezichten. Ik weet niet wat ik daaraan kan doen. Ik loop weer terug door de modderige straat en fotografeer nog wat bont gekleurde vrachtwagens. Het loopt tegen achten, dus de gids zal zo wel komen. Dan bedenk ik mij dat ik de poort nog niet op de film heb. Weer terug lopen dus. Het is intussen acht uur geweest, maar op de terugweg naar het Anand Hotel kom ik Tshering Penjore tegen. Samen lopen we naar het hotel. Ik had al uitgecheckt en betaald, dus we kunnen gelijk op pad. Ik stap in de auto en zo rijden we naar Bhutan. Ik was liever lopend de grens overgestoken, maar met zo’n gids en chauffeur heb je niet alles voor het kiezen.

Net voorbij de poort zoekt de chauffeur een parkeerplaats. Tshering moet nog mijn visum regelen. Ik heb even tijd om Phuentsholing te verkennen, maar veel is er niet te zien. Wel bijzonder is het gigantische contrast met India, dat ik nog door de poort kan zien. Het is veel rustiger. De straten zijn fatsoenlijk bestraat en zijn niet compleet ondergescheten, zoals in Jaigaon. Het verkeer rijdt rustig en veel minder nadrukkelijk aanwezig en de in traditionele stijl opgetrokken gebouwen zijn prima onderhouden. Het lijkt ook wel minder heet en klef, maar als ik een stukje ga wandelen loopt mijn lichaamstemperatuur toch wel weer op. Ik ben in Bhutan. Echt in Bhutan. Heel bijzonder. Ik geniet van alles. Van deze kant mag ik de poort wel fotograferen en staat de zon ook nog gunstig. Wat mij ook opvalt is dat er bruikbare winkeltjes zijn. Gewoon met nuttige spullen en levensmiddelen. Daar loop ik mij in India elke keer suf naar te zoeken.

Na een tijdje duikt Tshering weer op. Ik moet mee om een gezondheidsverklaring te ondertekenen. In Bhutan zijn ze ook al bang voor de Mexicaanse Griep. De douane is erg vriendelijk en na de nodige handtekeningen, formulieren en stempeltjes, kunnen we verder. Het is intussen bijna negen uur. We zijn al een uur onderweg en pas een paar honderd meter opgeschoten. Maar dan gaan we eindelijk rijden. Over een keurige, geasfalteerde weg, die direct stijl omhoog gaat. We zijn begonnen op 210 meter boven zeeniveau en zullen vandaag eindigen op zo’n 2200 meter hoogte. Een hele klim dus.
Na een tijdje wordt de weg slechter. Het gaat meteen een stuk langzamer. De chauffeur rijdt gelukkig heel voorzichtig en ook het andere verkeer gedraagt zich netjes. Vrachtwagens bieden gelegenheid om in te halen door helemaal links te gaan rijden en de knipperlichten aan te zetten als teken dat er geen tegenligger komt. Na het inhalen volgt steeds een kort toetertje als groet. Wat een verschil met India, waar de mensen als complete dwazen elkaar naar het leven staan op de weg.

Na zo’n twee uur stoppen we in een dorpje. Alle gebouwen zijn in traditionele stijl opgetrokken en overal wapperen gebedsvlaggen. We zijn pas op zo’n duizend meter hoogte, maar het is meteen al veel aangenamer. Een paar kinderen willen graag op de foto. Na een kwartiertje heb ik het wel gezien en ga ik op zoek naar Tshering. Het duurt even voordat ik hem gevonden heb en het duurt nog een tijdje voordat we weer verder rijden. Onderweg vertelt de gids dat Bhutan de jongste democratie ter wereld is en een geweldige grondwet heeft. Er zijn overigens slechts twee partijen en een derde in oprichting, terwijl de koning het nog altijd voor het zeggen heeft. Het is ook de koning die bepaalt in welke mate de ‘vooruitgang’ mag plaatsvinden. Een van de lovenswaardige wetten is dat 70 procent van de natuur gespaard moet blijven. Er vindt wel houtkap plaats, maar in bescheiden mate en houthakkers zijn verplicht elke keer weer een nieuwe boom te planten. Bovendien is het een keer per jaar bomenplantdag. Iedere burger is dan verplicht een boom te planten.

We stoppen voor de lunch bij een restaurant dat uitzicht biedt op een stuwdam voor elektriciteitopwekking. Het restaurant heet dan ook toepasselijk damview. Ik krijg een plaats in het achterste kamertje, dat als enige uitzicht op het stuwmeertje en de waterkrachtcentrale biedt. Er zitten nog twee vrouwen uit Zwitserland en drie Fransen. De gids en de chauffeur gaan ergens anders eten. Wel ongezellig, vind ik.
De lunch is overvloedig. Ik krijg zo’n zeven bakjes met gerechten. Dat krijg ik nooit allemaal op. Het smaakt prima overigens. Hier in Bhutan lijkt het mij wel veilig om alles te eten.
We rijden weer verder. De weg blijft bochtig en afwisselend goed en slecht. Op een gegeven moment bereiken we een gebied waar een gigantische aardverschuiving heeft plaatsgevonden. Tshering vertelt dat het afgelopen zomer is gebeurd na aanhoudende regenbuien. Het heeft weken geduurd voordat de weg weer begaanbaar was. En de weg van Thimphu naar Puentsholing is van groot economisch belang, zo blijkt wel uit het grote aantal vrachtwagens dat wij de hele weg passeren. Ik vind het wel vervelend dat ik voortdurend in slaap val. Ik wil wakker blijven om van het unieke landschap te kunnen genieten.
De natuur is overweldigend. Ineens zien we een aantal apen op de rotsen langs de weg. De chauffeur stopt, zodat ik de dieren op video kan vastleggen. De apen zijn bepaald niet bang en blijven ons uitdagend aankijken.
Weer verder. We bereiken het hoogste punt van de route op ruim 2250 meter boven zeeniveau. Thimphu is nu niet zo ver meer. Nog een uur later zie ik een prachtige poort met daarachter een Tibetaanse stupa. Op mijn verzoek stoppen we voor het maken van foto’s.

Het weer is perfect en ik krijg de poort er prachtig op. De weg gaat nu over in een vierbaansweg, die in Bhutan de Express Way wordt genoemd. Het is maar een klein stukje en het nodigt de chauffeur niet uit om harder te rijden. We blijven met een vaartje van veertig kilometer per uur doorsukkelen.
Thimphu is groter dan ik had verwacht. We passeren uitgestrekte buitenwijken, allemaal gebouwd in traditionele stijl, al zijn de huizen wel van beton, in plaats van gepleisterd hout. We rijden over een grote brug het stadje in en even later staan we voor Hotel River View, waar ik de komende nacht zal doorbrengen.
Ik wil geen tijd verliezen, want de zon begint al richting de bergen te zakken. Snel naar de weekendmarkt. Volgende week ben ik ook nog wel in Thimphu, maar dan zal er geen markt zijn vanwege de Tsechu, het festival dat duizenden belangstellenden naar de hoofdstad zal trekken.

De markt is prachtig, al is het moeilijk foto’s maken door het slechte licht onder de betonnen overkapping. Bovendien zijn de mensen niet erg genegen om mee te werken. Ze vinden het niet erg om gefotografeerd te worden, maar ze zullen niet even opkijken van de grond.

Het is een leuk gezicht om te zien hoe de marktkooplui de waren op een weegschaal met gewichtjes wegen. Er wordt volop gehandeld. Het is wel duidelijk dat Bhutan erg vruchtbaar is en dat er aan voedsel geen gebrek is. Dat komt trouwens ook door het beperkte inwonersaantal. Meer dan achthonderdduizend Bhutanen zijn er niet.

Er is ook een souvenirmarkt waar ik een kira voor mijn dochtertje koop. Dat is de traditionele dracht voor vrouwen in Bhutan. Ik kies de mooiste kleuren blauw en rood uit. Ze zal het prachtig vinden.

Vanaf de markt loop ik met de gids het stadje in. Hij stelt voor om met de auto rond te rijden, maar ik loop liever. Volgens mij vindt hij dat niet zo’n goed idee, maar dat laat hij verder niet merken. We zien wat winkels en de bekende kruising met de politieagent die het verkeer regelt. Op die plaats heeft een tijdje het enige verkeerslicht van Bhutan gestaan, maar de bevolking vond dat maar een onpersoonlijke voorziening. Zo keerde de politieagent weer terug in zijn kleurrijke wachthuisje.

Bij een telefoonwinkel kopen we een SIM-kaart, zodat ik van huis uit weer bereikbaar ben. Intussen wordt het donker. We lopen terug naar het hotel. Het is zeven uur. Ik pak mijn laptop, want er is draadloos internet in het hotel. Daar kunnen ze in India ook nog wat van leren. Het duurt even voordat ik verbinding heb, maar uiteindelijk lukt het prima allemaal.
Het diner is een buffet in het restaurant van het hotel. Er zitten alleen buitenlanders, zoals ik wel verwacht had. Veelal groepen, maar ook de twee vrouwen uit Zwitserland die ik in Dam View al had ontmoet. Het eten valt mee, maar is niet echt bijzonder. Ik neem er een Tiger Beer bij. Heel duur volgens de gids. Maar ik vind 150 Ngultrum wel meevallen. Na het eten wandel ik nog even Thimphu in. Ik vind het zonde om nu al te gaan slapen. Er is echter weinig te doen, al zijn veel winkeltjes nog wel open. De temperatuur is heerlijk om te wandelen en ik geniet van de rust na alle hectiek. Ik kijk op de reclameborden op gevels wat er zoal te koop is in Thimphu. In ieder geval zijn er voldoende winkeltjes om flesjes fris en andere nuttige zaken te kopen.

Een uitgaansleven is er niet echt. Alleen wat bars die bij restaurants horen en waar geen hond zit en een paar Karaokebars, waar alleen de mannelijke jeugd een beetje rondhangt. Toch is het al weer elf uur als ik eindelijk ga slapen in mijn luxe kamer met een heus Boeddha-bijbeltje op het nachtkastje. Er staat een zwarte actetas tegen de muur en ik denk dat die van Tshering is. Ik hoor het morgen wel.

Maandag 21 september 2009

Hoewel het muisstil is in het hotel, word ik toch al weer om half zes wakker. Buiten is het alweer licht. Ik schuif de gordijnen open en kijk over Thimphu uit. Er hangen wolken laag over de bergen, maar het ziet er wel naar uit dat het een mooie dag gaat worden. Ik kleed mij aan en wandel naar het centrum om al vast wat foto’s te maken. Het is tenslotte de vraag of ik die foto’s kan maken als ik met Tshering naar het stadje ga. Het is nog lekker rustig op straat en de huizen stralen in de zon die net door de wolken breekt. Ik maak wat foto’s van het benzinestation in Bhutaanse stijl.

Het is misschien wel het mooiste tankstation ter wereld. Dan wandel ik verder de Norzam Lam over. De bekende post van de verkeersagent is nog niet bemand. Ik sla linksaf en loop via een voetpad naar een tempeltje naast een Thais paviljoen. Het tempeltje heet Doma Lhakhang. Bijzonder ziet het er niet uit, maar het is leuk dat een oud vrouwtje net met de gebedsmolens bezig is. De volgende attractie is de cantileverbrug bij de weekendmarkt. Die hoop ik nu met zonlicht te kunnen fotograferen, maar helaas. Er komt net een grote wolk voor de zon die voorlopig niet van plan lijkt weg te gaan.

Ik maak niettemin wat foto’s en zoek dan de weg naar Hotel River View terug. Die is niet zo makkelijk te bereiken. Via een soort bergpaadje moet ik naar boven klauteren. Dan blijk ik wel meteen vlakbij het hotel te zijn. Dat komt wel goed uit, want ik had om half negen met de gids afgesproken en het is al kwart over acht geweest. Ik loop naar het restaurant om snel wat ontbijt naar binnen te proppen. Het ontbijt is helaas nog slechter dan het diner van gisterenavond. Toch wel vreemd voor zo’n luxe hotel. Het gebakken eitje smaakt prima. De koffie ook. Maar verder is het niets.
In de lobby staat Tshering al te wachten. Ik vraag hem of de zwarte aktetas, die gisteren in mijn kamer is gezet, van hem is. Hij zegt van niet. O jee. Dan heeft iemand in het hotel vast heel slecht geslapen vannacht. Ik pak mijn rugzak en Tshering de aktetas, om die snel aan de receptionist te geven.

Eerst rijden we naar de National Memorial Chorten. Dit is een grote Tibetaanse stupa die in 1974 is gebouwd ter nagedachtenis aan de populaire derde koning Jigme Dorji Wangchuck. Links van het bouwwerk staat een paviljoen met een groot aantal gebedsmolens. Gelovigen moeten er 108 keer aan draaien om geluk en voorspoed te krijgen. Het getal 108 heeft een bijzondere betekenis in het Boeddhisme. Vandaag is er iets bijzonders rond het gedenkteken. Bij de ingang staan twee Indiase schildwachten met donkerrode tulbanden. Regelmatig komen er hoge militairen aanlopen, die de stupa binnengaan. Ik heb meer oog voor de kleurrijke mensen die continu rondjes – met de klok mee – om het gedenkteken lopen met gebedsmolentjes in hun hand.

Dat is een cilinder aan een handvat, die rondgedraaid wordt via een zware slinger. Ik fotografeer mij suf, om met de telelens in ieder geval een paar gelukte plaatjes te kunnen schieten. Ik neem er de tijd voor en vraag terloops aan Tshering of het hem niet te lang duurt. Hij zegt dat het niet uitmaakt en dat ik mij niet hoef te haasten.

Na een half uur, vind ik het echter wel mooi geweest en gaan we naar de volgende attractie. Dat is het National Institute of Traditional Medicine. Hier worden Bhutanen, maar ook buitenlanders, behandeld voor de meest uiteenlopende ziekten. Ook geestenziekten worden met traditionele medicijnen en therapieën bestreden. Mensen komen er zelfs voor uit Japan. Buitenlandse patiënten hoeven volgens Tshering geen toeristentarief te betalen, al moeten ze natuurlijk wel in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien. In het ziekenhuis zijn diverse zalen met informatie over medicijnen en behandelmethoden. Er staan de meest uiteenlopende kruiden, mineralen en medicijnen die in het laboratorium van het ziekenhuis worden gemaakt. Tshering vertelt dat ook westerse therapieën worden toegepast. Het is zelfs mogelijk om hersenchirurgie te ondergaan, al kost het mij moeite om dat te geloven. Het ziekenhuis ontvangt trouwens subsidie van de Europese Unie.

Als derde is het National Institute for Zorig Chusum aan de beurt, dat beter bekend staat als de Painting School. Geen naam die de lading dekt, want er wordt ook les gegeven in houtsnijkunst, beeldhouwen, weven en borduren. Studenten kunnen niet kiezen. Wie zich na de acht jaar basisschool bij het instituut aanmeldt, leert in zeven jaar tijd alle onderwezen kunsten. Het begint met tekenen, gevolgd door schilderen, terwijl in de hogere klassen het moeilijke houtsnijden, boetseren en beeldhouwen wordt aangeleerd. Werk is er genoeg voor de studenten, want in Bhutan wordt nog volop traditioneel gebouwd, waarbij grote hoeveelheden kunst in de bouw worden verwerkt.
Buiten brengt Tshering mij schokkend nieuws. Het was mij al opgevallen dat hij veel telefoneert, maar nu vertelt hij waarom. Zijn moeder is al lange tijd ernstig ziek door ontstoken nieren en is nu in een terminaal stadium gekomen. Ze ligt in coma in een ziekenhuis en wordt met apparatuur in leven gehouden. Tshering zegt dat hij er wel verdrietig om is, maar dat hij zich ook al met het overlijden van zijn moeder heeft verzoend, omdat het er al lange tijd zit aan te komen. Ik ben even flink van mijn stuk gebracht. Ik vraag hem of hij dan nog wel mijn gids kan zijn. Of hij niet naar het ziekenhuis moet. Hij zegt dat hij overleg heeft gehad met zijn baas, Sonam Chhundu, maar dat het niet mogelijk is om op korte termijn een andere gids te regelen. Ik vind het vrij schokkend. Ik wil natuurlijk niet mijn rondreis opgeven, maar voor Tshering vind ik het allemaal bijzonder ongelukkig. Ik vraag hem of ik als klant geen druk op het reisbureau kan uitoefenen, maar hij zegt dat dit niet hoeft en dat het weinig zin zal hebben. De directrice is naar het ziekenhuis geweest om met de familie te praten en doet haar best om een vervanger te regelen, maar zolang dat niet lukt, zal Tshering mijn gids blijven.
Bij het vierde uitstapje, naar de National Library, lijkt de gids al weer hersteld. Hij maakt wat grappen met de chauffeur en leidt mij rond door het prachtige en grote bibliotheekgebouw dat er veel ouder uitziet dan de 42 jaar dat het er nu staat. Het is trouwens meer een museum dan een bibliotheek. De boeken worden niet uitgeleend. Er is ook nog een gewone bibliotheek in Thimphu, waar mensen wel boeken kunnen lenen. Beneden is wel een winkel waar talloze boeken over Bhutan gekocht kunnen worden. Ook staat een grote maquette van de Punakha Dzong op de begane grond.

Op alle drie verdiepingen staat een soort altaar. Rondom staan de kasten met boeken, maar vooral ook met vreemde pakketjes. Ik vraag Tshering wat dat zijn en hij laat mij zo’n pakketje zien dat opengewerkt in een vitrine ligt. Het zijn heilige geschriften die in een soort waaier zijn gebundeld. De doeken met tekst zijn weer verpakt in felgekleurde zijde, waarbij de kleur aangeeft voor welke gelegenheid de teksten bedoeld zijn.

In de bibliotheek worden ook allerlei bijzondere documenten bewaard, zoals een brief van de Engelsman John Claude White, die begin twintigste eeuw vier keer naar Bhutan is gereisd om te onderhandelen over een corridor van India naar Tibet en die even zo vaak het land is uitgeschopt. De Bhutanen hebben nooit iets te maken willen hebben met buitenlandse machthebbers en daar is tot op de dag van vandaag geen verandering in gekomen. Tshering vertelt dat er wel veel problemen zijn met vluchtelingen. Vooral Nepalezen die uit angst voor de Maoïstische vrijheidstrijders de wijk naar Bhutan hebben genomen. De vluchtelingen die in de jaren tachtig al in het land woonden, mogen blijven zolang ze geen beroep doen op sociale voorzieningen. Anderen moeten het land zo snel mogelijk verlaten, maar door de ontoegankelijkheid van het achterland, komt daar niet veel van terecht. Wie Bhutan wil bezoeken is in principe welkom, maar het is wel nadrukkelijk de bedoeling dat het land binnen de gestelde termijn weer verlaten wordt. Er zijn ook gastarbeiders, vooral uit India. Dat zijn mensen die bepaalde vaardigheden hebben, die onder de Bhutanen niet zijn te vinden, maar die het land wel nodig heeft. Zo werken er veel Indiërs in de wegenbouw. Ze mogen echter één jaar blijven. Langer niet. Zo wordt voorkomen dat ze via een huwelijk proberen om aan de Bhutaanse nationaliteit te komen.
Voordat we naar Punakha rijden, wisselt Yishi, de chauffeur, bij een vriend nog twee briefjes van duizend ruppies om. Ik heb alleen nog duizendjes en die neemt in Bhutan zelfs de bank niet aan, terwijl het om slechts 15 euro gaat. Je kan er alleen in winkels mee betalen als je iets koopt dat in de buurt van de duizend Ngultrum komt. Met tweeduizend Ngultrum in briefjes van vijfhonderd, kan ik het echter wel even uitzingen.
Dan begint de drie uur durende rit van 76 kilometer naar Punakha, dat ten oosten van Thimphu ligt. Op een hoge heuvel wordt een enorm Boeddha-beeld gebouwd. Het stalen geraamte is al af. Nu nog het pleisterwerk. De weg naar het oosten is niet slecht, maar bestaat alleen uit bochten. Daarom duurt de rit zo lang. Er is geen tien meter rechte weg of er komt al weer een bocht. Af en toe halen we een vrachtwagen in, waarbij er niet altijd zicht op eventuele tegenliggers is. Bijna worden we geramd door een tegemoet komende vrachtwagen, die veel te laat naar links gaat. Onze chauffeur is gelukkig heel ervaren en heel alert.

Na zo’n anderhalf uur rijden, bereiken we het stadje Hongtsho dat op 2890 meter hoogte ligt. Hier is een checkpoint waar mijn paspoort wordt gecontroleerd, evenals mijn vergunning om naar oostelijk Bhutan te mogen reizen. Tshering koopt een zak appels. Het staat in deze omgeving vol met appelbomen. Dat verbaast mij wel, gezien de grote hoogte. In de Alpen ligt de boomgrens op 2000 meter.
Even later bereiken we het hoogste punt van de route op 3140 meter. Op mijn hoogtemeter staat 2890 meter, maar ik vertrouw erop dat de officiële hoogte wel zal kloppen. Er staan 108 stupa’s rond een grote stupa. Deze zijn in 2005 gebouwd ter nagedachtenis aan de gevallenen tijdens een korte oorlog met Assamese militanten, die vanuit India Bhutan waren binnengedrongen. Rond de Dochu La hangen de bomen vol gebedsvlaggen. Helaas zit het weer niet mee. Er hangen wolken rondom, waardoor de Himalaya-toppen vandaag niet te zien zijn. Bij goed weer biedt deze plek een onvergetelijk mooi uitzicht, onder andere op de 7165 meter hoge Gangkhar Puensum.

Iets verder is het Dochu La Resort, waar we lunchen. Het is een klein buffet en ik zit in een serre die ik deel met een koppel uit Delhi. Ik eet niet teveel, om niet moddervet uit Bhutan terug te komen, dus we kunnen redelijk snel weer op pad. We rijden eerst naar het Hotel Zangto Pelri om in te checken voordat groepen de beste kamers inpikken. Tshering regelt voor mij een van de bungalows met een schitterend uitzicht. Het is een prachtig onderkomen, dat sterk op een Zwitsers chalet lijkt. Veel tijd om ervan te genieten, heb ik voorlopig echter niet, want we gaan meteen op zoek naar dé attractie van Punakha: De Punakha Dzong. Dit is waarschijnlijk de mooiste tempel van Bhutan. Van Punakha zelf is trouwens weinig over. Ooit was het de hoofdstad van Bhutan, maar nu staan er alleen nog maar woningen. Zelfs winkels zijn er niet meer. Die zijn naar het nieuwe Punakha verhuisd, dat tegenwoordig Khuruthang heet.
Al vanaf de weg, waar we steeds voor kuddes koeien moeten uitwijken, is de dzong een imposante verschijning. We stoppen voor wat foto’s en rijden dan door naar de volle parkeerplaats. Dat belooft weinig goeds, maar de drukte in de tempel valt enorm mee. Het is dan ook zo groot, dat je elkaar niet snel in de weg zal lopen. Via een houten brug bereiken we de overkant van de rivier, waar de dzong staat. Tot de jaren vijftig van de vorige eeuw heeft hier de regering gezeteld. Nu is het voornamelijk een religieus object, al zijn er nog wel enkele overheidskantoren in het complex gevestigd. Via een steile trap, die ter beveiliging opgehaald kan worden, bereiken we de ingang, die door vier militairen bewaakt wordt.

De witte muren, donkere houten raampartijen, rode en gouden daken vormen een schitterend en harmonieus geheel met uitgelezen contrasten. De wandeling door het complex levert een onophoudelijke reeks van overweldigende indrukken op. Het is jammer dat de zon niet doorbreekt, want dan zou het mogelijk nog prachtiger zijn. In het complex moeten miljoenen uren schilder- en houtsnijwerk zitten. Tshering vertelt dat de Punakha Dzong weinig ellende bespaard is gebleven. Branden, een aardbeving en recent nog twee overstromingen hebben een enorme schade aangericht. Pas vorig jaar is de laatste renovatie voltooid, zodat het complex nu weer geheel in goede staat verkeert.

Al in de veertiende eeuw werd op deze plaats een tempeltje gebouwd. De bouw van het huidige complex begon in 1637 en was een jaar later voltooid. Later werd het nog uitgebreid tot het de huidige grootte bereikte van 180 meter in de lengte en 72 meter in de breedte. Het hoofdgebouw telt niet minder dan zes etages. Na de poort volgt een grote binnenplaats met een oude en zeer grillige boom. Volgens de legende is deze ontstaan uit de wandelstok die Sherab Wangchuk op deze plaats in de grond stak, nadat hij vanuit Bophal in India in Punakha was aangekomen. Ook staat een enorme witte stupa op de binnenplaats.

Aan het einde kan langs een gebouw de tweede binnenplaats worden bereikt. De derde binnenplaats eindigt bij de eigenlijke tempel. Daarbinnen mag niet gefotografeerd worden en dat is wel erg jammer, want het is er onwerkelijk mooi. Ik heb op de Painting School in Thimphu gezien wat studenten na zo’n jaar of zeven kunnen en dat is kinderspel in vergelijking met wat ik hier in de Punakha Dzong zie. Alleen al de ornamenten die het plafond ondersteunen zijn ware staaltjes van excellente houtsnijkunst. De beelden, de schilderingen, het koperwerk, alles is van de hoogst denkbare kwaliteit.

Ik ga minstens een half uur nodig hebben om dit alles te bewonderen. Ook de sfeer is uitzonderlijk. Het is stil in de tempelruimte en de enorme Boeddha’s aan de zuidkant van de ruimte, kijken bijna intimiderend voor zich uit. Het is alsof er leven in de standbeelden zit en er door de ruimte een verlammende muziek klinkt, maar in werkelijkheid is het doodstil. Zelfs de gevoelloze TL-buizen kunnen geen afbreuk doen aan de bijzondere sfeer. Een lichtarchitect zou hier wonderen kunnen verrichten, maar daar is Bhutan nog niet aan toe. In vitrines staan Boeddha’s die stuk voor stuk uitzonderlijke voorbeelden van beeldhouwkunst zijn. Elk beeld straalt duidelijke karaktertrekken uit. Er zitten devote beelden tussen met alleen goedheid, maar ook duivels met een hoofdtooi van schedels.

Onder de indruk keer ik terug naar de werkelijkheid. De dag loopt ten einde en het wordt tijd om naar het hotel terug te gaan. Eerst mag ik nog een half uurtje Khuruthang verkennen, maar er is weinig te zien. De Bhutaanse huizen blijven aardig, maar de nieuwigheid straalt er vanaf hier. Ik koop een fles vruchtendrank en een fles bronwater. Bij het in aanbouw zijnde benzinestation van Indianoil vind ik Tshering en Yishi terug. In donker rijden we naar het hotel, waar ik na enig gedwaal mijn bungalow weet terug te vinden. Vanaf half acht kon ik eten, maar ik wil eerst mijn verslag schrijven nu de herinneringen nog zo vers zijn. Half negen wordt echter op de deur geklopt. Iemand van het hotel vraagt of ik nog iets wil eten. Tja, dat wel. Ik sluit de computer dus maar af en begeef mij naar de eetzaal. De andere gasten zijn al vertrokken. Een groep Fransen zit naar hun reisleider te luisteren in een zaal naast de lobby. In mijn eentje geniet ik van het buffet, met prima gerechten. Er wordt ook nog een kopje soep gebracht en ik bestel er een grote fles ‘11000’-bier bij. Het bier krijgt ik niet op, maar ik mag het meenemen. Net als ik naar buiten loop, gaat de telefoon. Diana belt. We kletsen 40 minuten en ook mijn dochtertje is weer eens aanspreekbaar, zolang het op de televisie niet te interessant wordt. Het hotel staat in de middle of nowhere. Geen reden dus om laat naar bed te gaan vanavond.

Dinsdag, 22 september 2009

Om kwart voor zeven wordt op de deur geklopt. Het duurt even voordat ik wakker word uit mijn droom. Er wordt opnieuw geklopt. Ik trek een broek aan en doe open. Het is Tshering met droevig nieuws. Vannacht is zijn moeder overleden. Hij moet direct terug naar huis. Ik condoleer hem. Tshering vertelt contact te hebben gehad met Sonam Chhundu en dat er een andere gids geregeld zal worden. Dat kan echter niet vandaag. Yishi zal mij naar Bumthang brengen en daar zal ik mijn nieuwe gids ontmoeten. Ik neem afscheid van Tshering en ga nog even liggen. Ik was van plan geweest om pas kwart over zeven op te staan, omdat ik meestal niet meer dan een kwartier nodig heb voor mijn ontbijt. Het ochtendritueel duurt echter langer dan verwacht en zo kom ik pas kwart over acht bij het hoofdgebouw aan. Yishi staat al te wachten, dus laat ik het ontbijt maar schieten voor vandaag.
We zijn net op weg als we al weer een checkpoint naderen. Het is kennelijk geen probleem meer dat ik als buitenlander zonder erkende gids reis. Dan wordt de chauffeur gebeld. Door Tshering die zegt dat hij mij nog even wil spreken. We wachten tot hij komt aanrijden. Zijn vriendin was gisterenavond gearriveerd en rijdt hem vandaag naar huis. Ik maak intussen wat foto’s van de Wangdue Phodrang Dzong die op een hoge heuvel aan de andere oever staat.

En nog een opname van een bord vol verkiezingsaffiches. Tshering wilde alleen nog mijn mobiele nummer hebben, zodat Sonam mij kan bellen. Dan nemen we definitief afscheid. We rijden verder door de prachtige vallei, terwijl de weg blijft stijgen. Het wordt een lange rit vandaag en na een half uur begin ik er spijt van te krijgen dat ik niet ontbeten heb. De weg is weer vol bochten en dat geeft een vervelend gevoel in mijn maag. Door af en toe diep adem te halen weet ik een opkomende misselijkheid te onderdrukken. Ook vervelend is een beginnende kiespijn. Doordat de pijn aan de hele rechterkant zit, zal het wel weer een zenuwontsteking zijn. Gelukkig heb ik een gigantische voorraad paracetamol bij mij voor als het niet vanzelf overgaat.
Yishi rijdt rustig en voorzichtig. Dat is ook wel nodig, want tegenliggers zijn niet altijd even beheerst. Die moeten soms vol op de rem om niet tegen ons aan te botsen. Doordat wij goed links houden, wordt het echter niet een keer echt gevaarlijk.

De natuur is paradijselijk. Met het stijgen van de weg verandert geleidelijk de vegetatie. Opnieuw is het prachtig weer vandaag. Wel wordt het merkbaar kouder naarmate we verder stijgen. Op mijn hoogtemeter staat al 3000 meter, maar ik twijfel aan de betrouwbaarheid van mijn 25 euro kostende horloge.
Het eerste plaatsje dat wij passeren is Wangdue Phodrang, waar ik over enkele dagen een festival ga bijwonen. Het dorp bestaat uit lage gebouwtjes van hout en golfplaat en ziet er wat on-Buthanees uit. We stoppen niet, want Yishi wil opschieten om op een redelijke tijd op de eindbestemming te arriveren.
Dan belt Sonam Chhundu. Zij verontschuldigt zich voor de ontstane situatie, maar ik zeg dat nu eenmaal niemand daar iets aan kan doen en dat het voor Tshering het ergst is. Zij vertelt wat zij aan het regelen is, maar dat het wel heel moeilijk wordt. Ze probeert een gids te krijgen die nu een groep met twee gidsen leidt. In ieder geval zal er in Punakha weer een gids zijn, wat niet onbelangrijk is, want zonder gids kan ik niet van Punakha terug naar Thimphu. Sonam vertelt ook dat de weg die ik eergisteren heb afgelegd van Phuentsholing naar Thimphu bedolven is door een lawine. De weg zal lange tijd gesloten blijven. Daar ben ik dus mooi aan ontsnapt. Was ik twee dagen later vertrokken, dan was mijn reis waarschijnlijk in Jaigaon geëindigd, want als de enige weg tussen het economisch belangrijkste deel van Bhutan en India gesloten is, hoef je denk ik ook niet op een vlucht van bijvoorbeeld Kolkata naar Paro te rekenen. Bovendien weet ik niet of ik daar nog zin in had gehad. In India een vlucht met Druk Air regelen, snel terug naar Kolkata en dan maar zien hoe het verder gaat. Ik dank Sonam voor haar belletje en zeg dat we maar contact moeten houden en dat ik haar snel hoop te ontmoeten als ik terug in Thimphu ben. Gisteren was ze ziek thuis wegens een oogontsteking.
Ik vertel Yishi wat ik gehoord heb van Sonam en hij blijkt op de hoogte van de ramp. Het was vlakbij het dorp waar hij woont, maar gelukkig is zijn familie ongedeerd gebleven. Er schijnen negen mensen om het leven gekomen te zijn.
We rijden verder in de richting van de Black Mountains. Het hoogste punt van de route bereiken we bij Pele La op 3420 meter boven zeeniveau.

Dan gaat het weer met talloze haarspeldbochten omlaag. Af en toe passeren we een slecht stuk weg, waar lawines schade hebben aangericht. Je moet er niet net rijden als dat gebeurt. Een keer ligt er zelfs een enorm rotsblok op de weg. Met een grote machine is men bezig het obstakel in stukjes te hakken, zodat de weg weer vrijgemaakt kan worden.
We rijden de Longte Vallei in. Hier vindt relatief veel landbouw plaats. Rijst, maar ook aardappels, tarwe en mosterd. Op enkele huizen zijn enorme penissen geschilderd. Dat is niet ongewoon in Bhutan, staat in de Lonely Planet.

Af en toe dommel ik in. Yishi maakt mij wakker om te vragen of ik een foto wil maken, als we net bij een grote witte stupa zijn gestopt. Natuurlijk wil ik een foto maken. Ik vind het aardig van de chauffeur dat hij mij wekt, want hij weet wat een tijd het kan kosten als ik een foto ga maken. Ook nu haast ik mij niet, want het is een prachtige plek en stralend weer. De Chendebji Chorten lijkt op de Swayambhunath in Kathmandu en is in de negentiende eeuw gebouwd door Lama Shida uit Tibet. Volgens de legende dekt de stupa een boze geest af, die hier gedood zou zijn. Van alle kanten zijn kabels vol gebedsvlaggen aan het bouwwerk opgehangen. In combinatie met de azuurblauwe lucht levert het schitterende plaatjes op.

De volgende fotostop is bij een parkeerplaats vanwaar een mooi uitzicht op de enorme Trongsa Dzong wordt geboden. Het is mogelijk om van hier naar de dzong te wandelen, maar dat betekent een lange afdaling de vallei in en vervolgens weer een even lange klim. Vandaag is daar geen tijd voor. De dzong is trouwens ook via de weg te bereiken en korte tijd later passeren we hem. We stoppen even in Trongsa en rijden dan verder voor het laatste stuk. Later zal ik nog in Trongsa overnachten, zodat het weinig zin heeft om nu al het stadje uitgebreid te gaan bekijken. Hopelijk is het tegen die tijd net zulk mooi weer als vandaag.

Ongeveer een uur later stoppen we op een plek waar een groot bord ‘Welkom in Bumthang’ staat, met daaronder uitgebreide instructies hoe aids kan worden voorkomen. We zijn er bijna. We passeren wat dorpjes en kloosters. Af en toe moeten we remmen voor koeien die de weg blokkeren. Ineens zie ik een groep mensen die bezig lijken te zijn met een wedstrijd boogschieten, de nationale sport van Bhutan. Ik vraag Yishi te stoppen en neem een nader kijkje. Het blijkt een rituele voorstelling te zijn, waarbij allerlei offergaven op een hoop worden gegooid, die vervolgens in brand wordt gestoken. De mensen schreeuwen luid en maken wilde dansjes. Er lopen een paar priesters tussen in donkerrode gewaden.

De leider is een man met een indrukwekkend blauw pak aan en een groot blauw hoofddeksel. Twee monniken blazen op een soort alpenhoorn, terwijl anderen juist weer op drums slaan. We zijn op het juiste moment gekomen, want na zo’n tien minuten is het feest weer over.
De zon verdwijnt al achter de bergen als we bij hotel Tsela in Dekiling aankomen. Het is een nieuw hotel, dat bestaat uit een hoofdgebouw en een bijgebouw, waar mijn kamer is. Ik ben de enige gast, zegt de dikke manager van het hotel. Dus waarom ik een kamer op de bovenste verdieping krijg, is mij niet duidelijk. Het zal wel een blijk van respect zijn, dus ik ga er maar niet tegenin. De kamer is groot en geheel met licht hout betimmerd. Daardoor is het net Oostenrijk. Doordat er geen andere gasten zijn, zal ik hier een goede nachtrust gaan beleven. Als de hond van het hotel zich tenminste koest houdt vannacht. Ik heb mijn oordopjes nog niet nodig gehad in Bhutan. Ik spreek af dat ik om half acht kom dineren.
Eerst ga ik nog een wandeling maken om mijn spieren een beetje los te maken die van een hele dag in de auto zitten behoorlijk stijf zijn geworden. Veel is er niet te beleven in de buurt. Het hotel ligt ver van het dichtstbijzijnde dorp. Mijn wandeling eindigt bij een complex waarvan ik denk dat het een klooster is. Het is gesloten, maar van de buitenkant kan ik ook aardige foto’s maken. De smalle maansikkel staat aan de hemel en die fotografeer ik zo dat het lijkt alsof hij op de punt van het tempeldak balanceert.

Het is donker als ik terugkom in het hotel. Ik heb nog tijd om alvast aan mijn verslag te werken en de foto’s van het fototoestel naar de computer te kopiëren. Hoewel we vandaag weinig bezienswaardigheden hebben bezocht, lukte het mij toch zo ongeveer de hele CF-kaart van 8 GB vol te schieten. Voor de verandering ga ik stipt om half acht naar de eetzaal, waar alleen twee vrouwen van het personeel, de chauffeur en de hotelbaas aanwezig zijn. De hotelmanager, Karma Gyueltshen, is trouwens de schoonvader van Sonam Chhundu, de directrice van het reisbureau in Thimphu. Het hotel is nu twee jaar oud, vertelt hij, maar er zijn weinig gasten. Over twee dagen komt er een grote toergroep. Dan ben ik gelukkig al weer vertrokken. Karma vertelt dat hij morgen mijn gids zal zijn. Hij was een erkende gids totdat hij acht jaar geleden de overstap naar het hotelwezen maakte en hij zal de Bumthang Vallei kennen als geen ander. Ik vind het prima.
Voor het eten vraagt Yishi of ik Tshering wil bellen. Hij geeft mij het nummer van zijn vaste aansluiting, want het mobiele nummer had ik al. Ik bel na het eten, wat trouwens ongekend smakelijk en uitgebreid was. Zoveel eten krijg ik alleen nooit op, maar uit beleefdheid prop ik mij toch zoveel mogelijk vol. Het is niet gezellig in de eetzaal en ik heb geen zin om in mijn eentje aan de bar te gaan zitten. Dus ga ik maar vast naar mijn kamer om mijn voormalige gids te bellen. Tshering vraagt of alles goed gaat en of er iets geregeld is voor morgen. Ik stel hem gerust en zeg dat hij zich over mij geen zorgen moet maken. Hij zegt dat ik hem altijd mag bellen als er iets is of als ik iets weten wil. Dat ga ik natuurlijk niet doen, terwijl iemand met de uitvaart van zijn moeder bezig is. Tien uur is eindelijk mijn verslag van vandaag af en ga ik slapen.

Woensdag, 23 september 2009

Met kiespijn word ik wakker. De pijn is heviger geworden sinds gisteren. Tegen mijn principes in neem ik een paracetamol. Het ontbijt bestaat vandaag uit een omeletje, vier plakjes toast, jam, honing en appelsap uit Bhutan. Ik werk het snel naar binnen, zodat we op pad kunnen. Er is veel te zien vandaag en ik ben maar één dag in de Bumthang Vallei. De trouwe Yishi staat al weer klaar bij zijn auto die hij elke dag wast.

De twee vrouwen die in het hotel werken gaan mee, nadat Karma mij gevraagd had of ik dat goed vond. Ik vind het wel gezellig. De oudste van de twee die ik op een jaar of dertig schat, heet Kinga Wangmo. De jongste, die rond de vierentwintig zal zijn, heet Nidub Zangmo. Het kost mij de grootste moeite deze toch niet al te ingewikkelde namen te onthouden. Karma wilde ze mee hebben, zodat ze al wat over de vallei leren en ze later mogelijk ook toeristen kunnen rondleiden.

We rijden eerst naar een afgelegen klooster, dat we via een onverharde weg door de boekweitvelden bereiken. De auto zucht en kreunt, terwijl we van de ene in de andere kuil rijden. Als we er zijn, vraag ik mij af of het alle moeite wel waard was. Het is een vervallen gebouw, waar welgeteld één monnik rondhangt. Toch kan ik er dankzij het schitterende weer vandaag nog heel aardige foto’s van maken.

Normaal wonen hier twintig monniken vertelt Karma en wordt in oktober een festival georganiseerd. Het zijn overigens geen echte monniken, maar gomchen. In tegenstelling tot monniken mogen die trouwen. Het Thangbi Goemba klooster is gesticht in 1470 en heeft als bijzonderheid een gordijn van kettingschakels voor de gebedsruimte. Buiten staat een soort hunebed. Er liggen twee keien naast. Het is de bedoeling om die op te tillen en er driemaal mee rond het hunebed te lopen, legt Karma uit, die het zelf één rondje voor elkaar had gekregen toen hij nog jong was. Ik zal wel even laten zien hoe sterk die Hollandse jongens zijn en probeer een van de keien van de grond te krijgen. Dat lukt natuurlijk niet.
We rijden weer terug over de hobbelweg om een bezoek te brengen aan het prachtige en reusachtige Kurjey Lhakhang. Het klooster bestaat uit drie gebouwen, nog wat kleine gebouwtjes en een grote stupa.

De eerste tempel vanaf de ingang, Guru Lhakhang, is in 1652 gebouwd door Mingyur Tenpa. Het hele complex is gewijd aan de legendarische Guru Rinpoche, die afgebeeld als Garuda, de demon Shelging Kharpo, afgebeeld als witte leeuw, heeft verslagen en zo vrede in het land heeft gebracht. De geest van de demon wordt nog altijd onder de tempel gevangen gehouden.
De ingang tot de eerste tempel bestaat uit een smalle tunnel. Binnen is een gebedsruimte, met drie enorme Boeddhabeelden. De ruimte is fantastisch mooi versierd met de meeste wonderlijke kunstvoorwerpen. Helaas mag er niet meer gefotografeerd worden. Vroeger was fotograferen in Bhutaanse tempels geen probleem, maar het werd bekend dat fotografen niet altijd even respectvol met het fotomateriaal omgingen. Het werd voor commerciële doeleinden gebruikt, die niet te rijmen waren met de religieuze waarde van de afbeeldingen. Een afbeelding is in het Boeddhisme net zo heilig als het origineel. Ik moet de pracht dus in mijn geheugen prenten. Achter de drie beelden schijnt een kleine grot te zijn, die ik niet kan zien.
Op de verdieping is het heiligste der heiligen, een beeld van Guru Rinpoche, geflankeerd door talloze Boeddhabeeldjes. Duizend stuks, zegt Karma. Achter het beeld moet zich eveneens een grot bevinden, waar een afdruk van het lichaam van Guru Rinpoche te zien is. De grot is echter niet geopend.
Achter de tempel groeit een grote Cipres tegen de heuvel aan. Deze zou ontsproten zijn aan de wandelstok van Bhutan’s grote held.

In de tweede tempel, die in 1900 in opdracht van de eerste koning van Bhutan is gebouwd, staat een nog groter beeld van Guru Rinpoche. Het gevaarte is tien meter hoog. Gelovigen lopen in en uit. Toeristen zijn er nauwelijks te zien. In heel Bumthang trouwens niet. De vele, gloednieuwe hotels staan dan ook vooral leeg. Wellicht komt hier verandering als over een aantal jaar het vliegveld in de Bumthang Vallei klaar is. Veel toeristen zullen nu opzien tegen de uren durende bus- of autoreis. Dat hoeft in de toekomst niet meer.

De derde tempel is pas in 1984 gebouwd in opdracht van de koninginmoeder Ahi Kesang Wangchuck. Zij heeft ook het voorterrein laten bestraten en een muur laten bouwen met daarop rondom 108 stupa’s. Vooraan in de tempel staat een groot wiel, dat het rad des levens voorstelt. Het beeldt verschillende vormen van de hemel en de hel uit. Onderaan wordt een man veroordeeld, waarbij zwarte stenen zijn slechte en witte zijn goede daden voorstellen. Binnen zijn de Koninklijke wetten weergegeven, zoals die het dragen van traditionele kleding voorschrijft.

We lopen nog even verder naar de Zangto Pelri Lhakhang. Deze tempel is eigenlijk gesloten, zegt Karma, maar omdat hij een goede vriend van de Lama is, mogen wij bij wijze van uitzondering naar binnen. Ook hier geldt een strikt fotografeerverbod, wat erg jammer is, want het interieur overtreft dat van de drie tempels van Kurjey Lhakhang ruimschoots. Het is niet voor te stellen hoeveel uren werk er in de enorme hoeveelheid houtsnij- en schilderwerk heeft gezeten. Vol ontzag prent ik het tafereel in mijn geheugen. Ik wou dat ik een videocamera in mijn hoofd had.
Het bijzonder rijk gedecoreerde exterieur mag natuurlijk wel worden gefotografeerd en zo gaat het alweer hard met mijn geheugenkaart. Vooral omdat ik bijna alle foto’s drie keer maak met verschillende belichtingstijden. De automaat van mijn dure, professionele Nikon D700, heeft grote moeite met contrastrijke opnames, zodat het resultaat meestal iets onder- of iets overbelicht is. Door steeds drie opnames te maken, zit er altijd wel een redelijke tussen. Wat er ook in hakt is dat ik op advies van een professionele fotograaf mijn foto’s niet als jpeg, maar als NEF opsla. Dat is een ongecomprimeerd formaat, waarna het berekenen van contrast, kleur en andere waardes niet in de camera, maar in de computer plaatsvindt, die daarvoor het dure programma NX2 Capture van Nikon nodig heeft. Het resultaat wordt dan aanzienlijk mooier dan de jpeg’s die het kleine processortje in de camera produceert.

De volgende attractie van vandaag is het klooster, waar gisterenavond mijn wandeling was geëindigd. Het blijkt Jampey Lakhang te heten en baadt nu schitterend in het felle zonlicht dat uit de strak blauwe hemel komt. De tempel van het complex schijnt al in 659 gebouwd te zijn door de Tibetaanse koning Songtsen Gampo, maar zo oud ziet het gebouw er helemaal niet uit. Binnen bevinden zich drie stenen treden die respectievelijk het verleden – de geboorte van Boeddha – , het heden en de toekomst voorstellen. Men gelooft dat als de middelste steen zal zakken tot het niveau van de steen van het verleden, de goden in mensen zullen veranderen en de wereld zal vergaan.
Midden in de tempelhal zit de Boeddha van de toekomst, Jampa. Dit is het oudste religieuze object van heel Bhutan. Op het voorterrein vindt jaarlijks het meest spectaculaire festival plaats van het land, maar dat is pas in oktober.
We klauteren de heuvel af naar een paar huizen waar buiten pepers liggen te drogen. Mijn gids Karma kent er wat mensen en maakt een praatje. Dan wandelen we verder naar een klooster, waar grote gebedsmolens met waterkracht draaiend worden gehouden. Van de vier werken er helaas nog maar twee.

Dan is het tijd geworden om te lunchen. Ik wandel met Karma terug naar het hotel. Yishi en de meisjes waren al eerder met de auto terug gegaan. De lunch is weer net zo overdadig als gisteren het diner. Ik krijg nog niet de helft op en nodig Karma uit aan tafel. Eerst twijfelt hij, maar hij stemt in als ik zeg hoe een grote hekel ik heb aan het weggooien van kostelijk voedsel. We babbelen wat en hij vertelt onder andere dat hij manager is, maar dat het hotel eigendom is van een oude Tibetaan, die even later ook binnenkomt. De Tibetaan spreekt echter geen Engels, dus wordt het voor hem wat moeilijk om gezellig aan het gesprek deel te nemen.
Het lunchen duurt mij eigenlijk te lang, want ik wil verder met de tour. Dan brengt Nidub ook nog een toetje. Een in vieren gesneden appel, die zo hard is dat ik hem met mijn zere kies eigenlijk niet kan eten. Voorzichtig kauw ik met links, maar dat gaat zo langzaam, dat ik het na twee partjes voor gezien houd.
We gaan weer rijden. Nu is de oostkant van de vallei aan de beurt, want daar schijnt ’s middags de zon. Eerst gaan we naar een heilig meertje.

Het is een lange rit, wederom voor een deel over een onverharde weg die je niet moet rijden als het regent. Na een tijdje komen we bij een pad aan dat vrij stijl naar beneden loopt. In de diepte is een bruisende rivier te zien en een plek die rijkelijk versierd is met gebedsvlaggen. Ik loop voorzichtig naar beneden. De meisjes hebben er op hun slippers minder moeite mee dan ik op mijn stevige bergschoenen. Eenmaal beneden blijkt er niet echt een meer te zijn. Alleen is het riviertje op deze plaats iets breder. Voor de Boeddhisten heeft de plaats toch iets heiligs en Karma, Yishi, Kinga en Nidub nemen even de tijd voor een kort gebed.

We klauteren weer omhoog en hobbelen verder naar een nonnenklooster. Het is nog in aanbouw, maar wel bewoond. Althans. Er zijn weinig nonnen te zien. Doordat er nog niets aan de afwerking is gedaan, is het klooster weinig bezienswaardig. We lopen verder en klimmen over een heel eng laddertje over een omheining heen op weg naar een veldje aan het begin van de Tang Vallei. Een grote groep jongens speelt een spel, waarbij met bovenmaatse dartpijlen wordt gegooid. Bij iedere worp schreeuwen de deelnemers het uit. Het lijkt mij een gevaarlijk spel, want de deelnemers staan rond het doel dat geraakt moet worden. Als je door zo’n zware pijl geraakt wordt, kan dat makkelijk fataal aflopen. Ik blijf er op veilige afstand naar kijken.
Na een tijdje heb ik het wel weer gezien. De middag vordert en tot nu toe vind ik er weinig aan van wat ik na de lunch heb gezien. Zowel het meertje, als het nonnenklooster als de dartwedstrijd hadden van mij overgeslagen mogen worden. We rijden terug naar de Chokhor Vallei waar we de rest van de oostzijde verkennen. We passeren onder andere de Zwitserse boerderij, die indertijd door een Zwitser is gebouwd en die nu door diens zoon wordt gerund. Het is een hotel, restaurant en fabriek van onder andere het Bhutaanse nationale bier Red Panda. Ik vraag Karma of het zomaar kan dat je als buitenlander een bedrijf in Bhutan begint. De gids legt uit dat de Zwitser met een Bhutaanse is getrouwd en daarom na een aantal jaren recht kreeg op een permanente verblijfsvergunning. Volgens Karma wonen er wel meer buitenlanders in Bhutan, die op deze wijze aan een permanente verblijfstatus zijn gekomen. Een voorwaarde is wel dat er kinderen worden geboren en dat de immigrant in spé gedurende vijf jaar geen misdaad begaat.

We stoppen bij de Tamshing Goemba, die in 1501 is gebouwd en waar prachtige wandschilderingen zijn te bewonderen. De camera moet weer in de tas blijven. Van de schilderingen wordt gezegd, dat deze zijn aangebracht door Pema Lingpa, die de tempel gebouwd heeft. Onder de huidige schilderingen bevinden zich echter nog oudere schilderingen, zo is uit modern onderzoek gebleken. In de poort hangen enorme gebedsmolens, met bovenin een lat die tijdens het draaien tegen de klepel van een bel slaat. Het lijkt binnen wel of er in de tempel nog een tempel staat. In de binnenste tempel staan drie tronen voor de drie reïncarnaties van Pema Lingpa.

Ook staat er weer een beeld van Guru Rinpoche, geflankeerd door Jampa, de Boeddha van de toekomst, en Sakyamuni, de Boeddha van het verleden. Een aantal beelden is goed te zien, omdat de glaspanelen zijn weggehaald voor onderhoud. Een kat grijpt zijn kans om op onderzoek te gaan tussen de heilige relikwieën. Een monnik vindt dat geen goed idee en jaagt het vriendelijke dier direct weg. We lopen ook nog even naar de eerste verdieping, waar ik moet uitkijken dat ik mijn hoofd niet stoot tegen de draagbalken. Die schijnen zo hoog te hangen, dat de architect er precies onderdoor kon lopen. De wanden zijn versierd met afbeeldingen van Sakyamuni. Honderdduizend stuks, volgens de gids. Ik heb ze niet geteld.
Op de benedenverdieping ligt op een stenen schijf een mantel van kettingschakels. Karma slaat hem met moeite over zijn rug. Kinga probeert het ook, maar krijgt het niet voor elkaar. Na mijn verschutting met de keien probeer ik het maar niet eens.
Konchogsum Lhakhang is het volgende doel. De tempel ziet er modern uit, maar de geschiedenis schijnt terug te gaan tot de zesde eeuw. In 1995 is het complex echter nog gerenoveerd en dat is te zien. Op de binnenplaats staat nog een standaard van een klok die daar ooit gehangen heeft. Tibetanen hebben die proberen te stelen, wat door het grote gewicht van de klok niet lukte. De klok viel echter wel in stukken. Een scherf schijnt nog bewaard te worden in het klooster, maar die heb ik verder niet gezien.

Als laatste bezienswaardigheid bezoeken we vandaag de Namkhe Nyuingpo Goemba. Dit is een groot klooster, waar zo’n driehonderd monniken wonen. Vandaag zijn er echter niet veel te zien. Een vrije dag verklaart Karma.
Tot slot van deze dag wandel ik met de hotelbaas nog een stukje door wat hij Bumthang Town noemt, maar wat eigenlijk Jakar heet. De bebouwing is hier niet Buthaans. Het zijn vooral winkeltjes, die veel weg hebben van hutten. Er zitten ook wat guesthouses tussen, die van buitenaf gezien weinig aan comfort te bieden hebben.

Het dorp moet weg, zegt de gids. De ondernemers zullen een lening kunnen krijgen, waarmee zij een nieuwe winkel in officiële Bhutaanse stijl kunnen bouwen. Ik bekijk nog een souvenirwinkel, maar ik kan er geen echt interessante dingen ontdekken en de t-shirts zijn maar leverbaar tot maat L. Dat ga ik niet passen. Eén t-shirt heeft een afbeelding van twee penissen boven het woord Bhutan. Hoe zou daar in Nederland op gereageerd worden? Ik koop het maar niet. Buiten vertelt Karma mij dat de overheid het toerisme wil bevorderen en dat daarom de verplichte betaling van 100 tot 240 dollar per dag mogelijk binnenkort verlaagd of zelfs afgeschaft wordt. Ik hoop het niet voor Bhutan, want dan krijg je toch een ander soort toerisme en men hoeft maar naar Nepal of Thailand te kijken om te zien wat daarvan de gevolgen kunnen zijn.
We rijden terug naar het hotel, waar ik nog twee uur heb om aan mijn verslag te werken, voordat het eten wordt opgediend. Karma vertelt mij dat mijn nieuwe gids in Bumthang is gearriveerd en dat hij hem straks met de auto van de bus gaat ophalen. Daarom eten we pas om acht uur.
Ik ga aan mijn verslag werken en vijf voor acht kloppen Kinga en Nidup aan om te vertellen dat het diner klaar staat. Ik sluit de computer af en loop naar beneden. Mijn nieuwe gids, Sangay, is gearriveerd en we maken kennis. We zitten met zijn drieën aan tafel, Sangay, Karma en ik. Het eten is niet zo lekker als gisterenavond en ik heb last met kauwen, hoewel mijn kiespijn al weer bijna over is. Kauwen doet echter wel pijn. Zelfs met links, omdat mijn tandvlees daar niet gewend is aan hard voedsel. Wat eten betreft, ben ik een papkindje. De pot schaft vanavond rode rijst, boekweitnoedels, groente, kool en een soort keiharde vis, die ik nauwelijks naar binnen krijg. Van de appel toe, neem ik nu maar één partje. Mijn gebit kan het niet meer hebben. Ik zit al en tijdje met een vraag die ik eigenlijk niet durf te stellen, maar nu ik met Sangay en Karma aan tafel zit, stel ik hem toch. Hoe kan het dat in Boeddhistische landen vlees op het menu staat, terwijl een Boeddhist geen dieren mag doden? Sangay en Karma moeten wel even lachen, maar laten ook merken dat ze het een reële vraag vinden. Karma legt uit dat het meeste vlees uit India wordt geïmporteerd en dat er in het zuiden van Bhutan ook wel dieren door Indiërs worden geslacht. Het zal wel. Ik vermoed eerder dat dieren pas worden geslacht als ze van ouderdom zijn gestorven. Zo smaakt het vlees althans.
Ik blijf nog even zitten om nader kennis te maken met mijn nieuwe gids. Het is een aardige jongen, maar nog veel ingetogener dan Tshering. We praten over de wereld in het algemeen en Bhutan in het bijzonder. Ook Bhutan kampt met de wereldwijde economische crisis. Er komen veel minder toeristen en de prijzen voor elektriciteit – een belangrijk exportproduct – staan onder druk. Sangay vertelt dat de er in Bhutan nu 500 officiële gidsen zijn en dat daardoor het aantal toeristen wordt beperkt. Er wordt geen limiet meer gesteld aan het aantal buitenlanders dat jaarlijks het land mag bezoeken. Sangay heeft Japans gestudeerd om meer te kunnen verdienen. De meeste gidsen spreken alleen Engels als tweede taal. Dus met Japans heeft hij beslist een streepje voor. Rond tien uur vind ik het tijd geworden om naar de kamer te gaan. Het verslag moet nog af en ik wil alvast wat spullen inpakken, zodat dat morgenochtend niet meer hoeft te gebeuren. Van Nidup krijg ik nog mijn wasgoed mee. Hopelijk vond ze het niet te smerig, want fris was mijn textiel niet meer na twee dagen India. In Bhutan is het klimaat zo vriendelijk dat ik niet eens elke dag onder de douche hoef.

Donderdag, 24 september 2009

Na een prima nachtrust sta ik laat op. Het heeft vandaag geen zin om vroeg op pad te gaan, want we bezoeken eerst de Jakar Dzong en die gaat pas om negen uur open. Na het ontbijt, met weer een omelet, vier toastjes en niet bepaald smakelijke boekweitpannenkoeken neem ik afscheid van Karma, Nidup en Kinga. We rijden naar de tempel, maar dan blijkt de toegangsweg afgesloten. We moeten weer een heel eind terug om via een andere route bij het complex te kunnen komen. De Jakar Dzong is tegen de berghelling opgebouwd en kijkt uit over het oude stadje, dat wegens het niet voldoen aan de bouwvoorschriften gedoemd is te verdwijnen.

De Jakar Dzong voldoet wel aan de bouweisen en staat er dan ook al sinds 1667. Wel wijkt de tempel af van de norm doordat de centrale toren niet op de binnenplaats, maar op een van de buitenmuren is gebouwd. De dzong bestaat uit twee lange gebouwen aan weerszijden van de smalle binnenplaats. Het gebouw aan de rechterzijde wordt door de overheid gebruikt en bevat allerlei kantoren voor officiële zaken. Links is het religieuze deel van het complex, waar de monniken wonen. Er is ook een gerechtshof in de dzong. Het weer laat het vandaag afweten helaas. Het was al zwaar bewolkt vanochtend, maar nu begint het zelfs te motregenen. Het is de eerste regen die ik meemaak in Bhutan. We houden het voor gezien en beginnen aan de reis naar Trongsa.
Onderweg knapt het weer iets op, maar het blijft bewolkt en naar mate we hoger komen verdwijnen we af en toe in de dichte mist. Aan het landschap is te merken dat we weer op zo’n drieduizend meter boven zeeniveau zitten. Er groeien vreemdsoortige naaldbomen met lange stammen, waaraan kleine naaldkronen zitten. Bij het hoogste punt van de pas stoppen we weer even om wat foto’s te maken.

We rijden weer verder en komen onderweg een groepje fietsers tegen. Ik vraag Sanguy of dat zomaar kan, zonder gids. Sanguy antwoordt dat je wel kan fietsen door Bhutan, maar niet zonder gids. Al gaat die waarschijnlijk met de auto van het ene naar het andere overnachtingpunt. Als we een rijk beschilderd huis passeren met grote fallussen op de gevel, vraag ik Yishi even te stoppen. Dit is toch wel een grappig gezicht. Sangay legt uit dat de fallussen voor kracht staan en het huis beschermen tegen onheil en boze geesten. Ik vraag mij af of ik in Nederland met zo’n verhaal wegkom als de politie komt vragen of ik dergelijke afbeeldingen van mijn gevel wil verwijderen.

We slingeren verder over de weg met duizend bochten. Af en toe passeren we weer een stuk waar de schade van een recente aardverschuiving wordt hersteld. In de regentijd moet het behoorlijk gevaarlijk zijn om deze route te volgen. Kilometerpalen geven aan hoe ver het nog is naar Trongsa en na de zoveelste bocht zie ik eindelijk de witte huizen en de grote dzong van het stadje. We rijden toeterend de hoofdstraat door om aan de andere kant Trongsa weer te verlaten. Het hotel, Jangkhil Resort, staat zo’n twee kilometer verder langs de weg naar Thimphu. Het blijkt het mooiste hotel dat ik tot nu toe heb meegemaakt in dit land. De Lonely Planet is er ook lovend over. Het uitzicht over de vallei is prachtig en het complex beschikt over een schitterende tuin met bloeiende bloemen, leuke paadjes, een vijver en een bruggetje.

De entree is een overdekte passage met aan weerskanten gebedsmolens en overal hangen gebedsvlaggetjes. Ik ben op tijd voor een van de kamers met uitzicht op de dzong. Het is een zeer ruime kamer, met een net zo ruime badkamer. Super-de-luxe allemaal. Veel tijd om ervan te genieten, gun ik mijzelf niet, want de lunch staat al klaar. Het is een buffet met rijst, diverse groentes en nog wat ondefinieerbare voedingsmiddelen. Ik kies wat ik herken, maar daar zitten ook heel hete pepertjes tussen. Mijn blikje cola is snel leeg op die manier. Het toetje, kleine stukjes appel in custard, verzacht mijn ingewanden weer enigszins.

We gaan op pad richting Trongsa. Ik hoop nog dat het weer zal opklaren, maar het ziet er weinig hoopvol uit. Af en toe doet de zon een poging, maar het is weer net zo snel dicht bewolkt.
Eerst bezoeken we de uitkijktoren, die vroeger bedoeld was om de vijand op tijd te ontdekken, maar die nu als museum wordt gebruikt. Ik moet al meteen bij de ingang mijn fototas afgeven, want ook hier geldt een fotografeerverbod. Het museum is ingericht door Oostenrijkse experts en pas in 2008 geopend. De nieuwigheid straalt er dan ook vanaf, waardoor het af en toe meer lijkt alsof ik souvenirs aan het bekijken ben, dan echte kunstvoorwerpen. Het zijn ook geen echte kunstvoorwerpen, verneem ik als ik even later een film over het museum bekijk. De collectie bestaat uit exacte replica’s van voorwerpen die relevant zijn in het Boeddhisme. En hoewel de vele beelden bijzonder mooi zijn, doet deze wetenschap toch wat afbreuk aan de beleving. De originele kunstvoorwerpen staan nog gewoon op de plaatsen waar ze horen te staan. Na elke verdieping blijkt er nog een hogere verdieping te bestaan. Een vrouwelijke suppoost loopt met ons mee. Niet om informatie te verschaffen, maar om ons in de gaten te houden. Je weet maar nooit met zo’n toerist. Als we eindelijk het uitzichtpunt hebben bereikt, zit het museumbezoek erop. We rijden met de auto naar de vlakbij gelegen Trongsa Dzong.

Om binnen te komen, moet Sangay eerst een formulier invullen bij een soldaat in een wachthuisje. Ik kijk intussen met ergernis naar de lucht. Dat worden geen mooie foto’s vandaag, terwijl het op de heenweg stralend weer was toen we de dzong passeerden. We slenteren naar het klooster, terwijl ik voortdurend het geduld van Sangay op de proef stel met eindeloze foto- en videosessies. Want ook al is het niet het beste weer, ik zal hier niet terugkomen en ik wil toch wel een visuele herinnering aan het prachtige complex overhouden.

Het gaat om een grote groep gebouwen, die via binnenplaatsen met elkaar in verbinding staan. Er is weer een enorme rijkdom aan details op het houtwerk van de gebouwen. Alleen jammer dat, zoals bij de meeste dzongs, de daken van zinken golfplaten zijn gemaakt. Van een afstand valt dat niet op, omdat ze rood zijn geschilderd, maar als je van onderaf de witte gevels met de prachtige houten raamkozijnen naar boven volgt, eindigt je blik bij het goedkoop aandoende, aan de onderkant blanke zink van de golfplaten.
Veel monniken zijn er niet. Het is etenstijd, zegt Sangay, maar volgens mij hangen de heren in het stadje rond. Daar heb ik er heel wat zien lopen in hun mooie scharlaken mantels.

Het oudste gebouw, de Chorten Lhakhang, dateert uit 1543. De rest volgde ongeveer een eeuw later. Het moet een prestatie van formaat zijn geweest om de gebouwen op de steile, niet altijd even stabiele bergwand te bouwen. Eigenlijk heet het complex Chhoekhor Raptentse Dzong, wat voor het gemak wordt afgekort tot Choetse Dzong. Iedereen noemt het echter de Trongsa Dzong, wat nog makkelijker te onthouden is.

De Trongsa Dzong heeft geen religieuze, maar een politieke achtergrond. Het fungeerde als fort om de enige route van oost naar west Bhutan te beheersen. Die route liep vroeger zelfs door de dzong. Wie voorbij wilde, moest tol betalen en de locale heerser bepaalde wie er door mocht.
Het grote complex telt niet minder dan 23 gebedsruimtes, waarvan ik er helaas maar één mag zien. Niet fotograferen uiteraard! De andere gebedsruimtes zijn op slot en Sangay weet niet waar de sleutelbewaarders uithangen. Het is weer opvallend rustig in het klooster. Het lijkt wel of de monniken zich meer erbuiten dan erin ophouden. Doordat we bijna nergens naar binnen kunnen is de aardigheid er snel vanaf. We lopen weer terug naar de auto en rijden naar het stadje. Ik vraag een uurtje om de omgeving op eigen houtje te kunnen bekijken en we spreken om half zes weer af bij de auto.

Ik slenter door het aardige stadje en kijk naar de uniform geklede kinderen die van school op weg zijn naar huis. In een winkel van sinkel koop ik een flesje mangosap, want ik heb weer veel te weinig gedronken vandaag. De gids en de chauffeur zie ik helemaal niets eten of drinken onderweg. Als ik het stadje na een kwartier wel gezien heb, loop ik langs de weg richting het hotel om de dzong vanaf de weg te fotograferen. De bewolking trekt open, dus als ik mazzel heb vallen straks de laatste zonnestralen nog op het klooster. Helaas heb ik geen mazzel. Er komt steeds meer blauwe lucht, maar de zon blijft zich schuilhouden vandaag.

We rijden terug naar het hotel, waar ik meteen aan mijn verslag begin. Eerst in een leuk paviljoentje met een gebedsmolen, maar als het donker wordt, schrijf ik de rest vanaf het balkon bij mijn kamer. Op de achtergrond ruist de rivier en tjilpen de krekels.
Al om zeven uur is het avondeten. Het is druk in de eetzaal. Ik heb nog niet eerder zoveel toeristen bij elkaar gezien. Allemaal groepjes of stelletjes. Je wordt in het Jangkhil Resort zelfs in het Duits aangesproken door sommige obers. Het moet niet gekker worden. Het buffet is niet zo geweldig als de rest van het hotel. In Bumthang heb ik honderd procent beter gegeten. Er is een soort bapao, die geen bapao blijkt te zijn maar een bol droog deeg. De aardappelpuree is wel te eten en het groenteprutje ook, maar daar laat ik het bij. Vlees en vis zijn in Bhutan over het algemeen niet te pruimen en ik weet inmiddels hoe dat komt. Het toetje is niet zo lekker als vanmiddag. Het droge stuk koek krijg ik met moeite naar binnen. Sangay zit wel aan tafel, maar eet niets. Hij gaat als ik klaar ben met de chauffeur in de keuken eten, zegt hij. Pepers met kaassaus, de nationale kost van Bhutan. We praten wat over trektochten die je in het land kan maken, over het toerisme, de groei van de bevolking en het leger. Het toerisme groeit en de overheid wil die groei nog verder stimuleren, onder andere door twee vliegvelden aan te leggen in midden en oosten van Bhutan. De groei van de bevolking is wel een beetje een punt van zorg, zegt Sangay. Mensen mogen zoveel kinderen maken als zij willen, maar de overheid dringt er op aan om het aantal tot twee te beperken. Intelligente mensen houden zich daar volgens de gids wel aan, maar vooral de boeren in het oosten maken zich niet druk om eventuele overbevolking in de toekomst. Het leger is sterk in Bhutan, hoewel er geen dienstplicht bestaat. In 2004 moest het leger nog in actie komen om Indiërs het land uit te jagen, nadat vredesbesprekingen op niets waren uitgelopen. Een aantal jaar geleden was het in Bhutan nog verplicht om een zoon monnik te laten worden, maar die verplichting is afgeschaft. Er kiezen echter nog ruim voldoende ouders voor een kloostercarrière voor een van hun zoons, om niet een tekort aan monniken te laten ontstaan. Ik wil Sangay niet al te lang op zijn maaltijd laten wachten, dus ik wens hem smakelijk eten en welterusten. Vertier is er verder niet in het hotel, dus ik ga maar eens van de riante badkamer genieten.

Vrijdag, 25 september 2009

Ik ben vroeg wakker en ik kijk eens in de Lonely Planet wat er zoal op de route ligt vandaag van Trongsa naar Punakha. Ik kan behalve de Wangdue Dzong twee bezienswaardigheden ontdekken, de Gante Goemba en de Chimi Lhakhang. Ik vertel het de gids tijdens het ontbijt, maar die begint meteen heel moeilijk te kijken. We gaan naar de Chimi Lhakhang, zegt hij, maar de Gante Goemba ligt veel te ver uit de route. Dan moeten we over een hoge pas en het is twee keer dertig kilometer omrijden. Ik laat hem het kaartje uit de Lonely Planet zien, waaruit blijkt dat de tempel maar zo’n vier kilometer van de route ligt, maar hij beweert dat het kaartje niet klopt. Gewoon een kwestie van geen zin hebben dus. Ik prop de droge toast naar binnen en we stappen op. Ik had eigenlijk wel vroeger willen ontbijten dan acht uur, maar de gids is waarschijnlijk bang dat het dan allemaal te vermoeiend voor mij wordt. Morgen zal ik hem wel krijgen als we naar Wangdue Tsechu gaan.

De lange weg over de kronkelige route begint. Na een half uur zie ik aan de overkant van de vallei nog steeds Trongsa liggen, maar dan bereiken we via een pas de volgende vallei. Het landschap is weer prachtig. Helaas is het opnieuw bewolkt vandaag, al is er meer zon dan gisteren.
Het is drukker op de weg dan tijdens de heenreis. Verschillende keren moeten we aan de kant om tegenliggers in te halen of moeten we kantje boord langs een vrachtwagen die beleefd even stopt om ons te laten passeren. Voor Yishi weer een reden om even op zijn geliefde claxon te drukken. Ondanks de drukte en de wegwerkzaamheden onderweg, waarbij ook vrouwen zeer zwaar werk moeten doen, schieten we behoorlijk op. Al rond half een zijn we bij Wangdue, een dorp dat geheel uit wrakke, houten winkeltjes lijkt te bestaan. Het dorp heeft trouwens net als Jakar zijn langste tijd gehad, zegt Sangay, terwijl hij naar de overkant van de rivier wijst waar een compleet nieuwe stad in aanbouw is. Het wordt steeds drukker op de oost-west-verbinding en al dat verkeer moet door het winkelstraatje. Dat kan zowat niet meer.
Na een tijdje komen we bij een dorpje aan waar we gaan lunchen. Voor het eerst krijg ik de traditionele Bhutaanse kost voorgeschoteld, pepers met kaassaus. Zoals ik al verwacht had, is het niet te eten zo heet. Gelukkig wordt er ook normaal voedsel opgediend, zoals de bekende rode rijst, voor de verandering smakelijke vis, diverse groentes en heel lekkere aardappels. Ik prop het naar binnen, want als er genoeg tijd is kunnen we vanmiddag nog twee wandelingen maken. Daar heb ik wel zin in na al die uren in de auto.

De eerste wandeling gaat naar het vlakbij het restaurant gelegen tempeltje Chimi Lhakhang. Dit is gewijd aan de vruchtbaarheid en wordt vooral bezocht door mensen die graag een kind willen krijgen. Terwijl we over de smalle paadjes door de rijstvelden naar de tempel wandelen, vertelt Sangay over een Japans stel dat twintig jaar geprobeerd had een kind te krijgen. Ze brachten drie nachten in de tempel door en vervolgens werd de vrouw zwanger. Ze hebben het kind Chimi genoemd, naar het tempeltje.
Yishi loopt ook mee, al kost het hem moeite met zijn dikke buik en slechte conditie. Hij wil bidden in de tempel omdat hij graag nog een dochter wil. Een zoon heeft hij al.

Na een dik kwartier wandelen over dijkjes door de prachtige rijstvelden en balanceren op gladde keien in de vele slootjes, bereiken we het charmante tempeltje. Het gebouwtje met zijn gele daken ziet er als nieuw uit, maar schijnt al sinds 1499 op deze plek te staan. Er is een kleine binnenplaats, met aan de ene kant de kapel en aan de andere kant een leslokaal waar jonge monniken met heel veel kabaal uit de Heilige Schrift citeren. In de kapel staat naast de bekende Boeddha’s ook een beeld van de Divine Madman, die symbool is voor voortplanting en veel aanzien heeft in Bhutan. De Divine Madman heette eigenlijk Lama Drukpa Kunley en leefde in de tijd dat het tempeltje is gebouwd. Naast het beeld zijn de ijzeren pijl en boog van de Lama te zien en de houten fallus, waarmee hij vrouwen met vruchtbaarheidsproblemen zegende. Op alle huizen in de omgeving zijn pennissen geschilderd, waaruit blijkt dat de invloed van de Lama nog altijd erg groot is.

We rijden langs de Panakha Dzong naar een ijzeren hangbrug over de brede en woeste Punak Tsang Chhu rivier, waar onze tweede wandeling van vandaag begint. Yishi blijft bij de auto, want hij ziet zichzelf de zware klim niet halen. De tempel die we willen bezoeken, ligt hoog op de berghelling en is alleen via een stijl voetpad te bereiken. Sangay en ik steken de hangbrug over, die met een beetje fantasie wel op een kleine versie van de Golden Gate lijkt. Net als het Amerikaanse voorbeeld is de hangbrug van rood geschilderd metaal.

Het eerste deel gaat over een moeilijk begaanbaar voetpad. Door de naaldbomen zie ik af en toe het einddoel, terwijl aan de andere kant een steeds mooier uitzicht over de prachtige vallei ontstaat. De wandeling duurt een uur, vertelde Sangay, maar als ik het zo bekijk zijn we er binnen een half uur.

Dat klopt. Flink bezweet bereiken we het plateau waarop de Khamsum Yuelley Namgyal Chorten is gebouwd. Het dertig meter hoge bouwwerk is in 1999 ingewijd, opgedragen aan de kroonprins en staat in het teken van de bescherming van het land.

Als we aankomen is de deur van de tempel op slot, maar aan de schoenen voor de trap te zien, zijn er nog wel mensen binnen. We wachten af, terwijl ik met de klok mee een paar keer om de tempel loop om foto’s te maken en te filmen. Het is een prachtig gebouw, rijk gedecoreerd en gelegen op een plateau met de bekende 108 stupa’s en een paviljoen met enorme gebedsmolens.

Na een tijdje kunnen we naar binnen. Helaas mogen ook hier geen foto’s worden gemaakt, want het interieur is verbazingwekkend rijk aangekleed. Centraal staat een enorm bouwwerk met de meest fantastische houtsnijkunst. Allerlei soorten wezens uit het Boeddhisme zijn met de grootste toewijding vormgegeven en geschilderd en vormen zo een reusachtige piramide van beelden. De monnik, die over de tempel waakt, loopt voor de zekerheid met ons mee en doet alsof hij met zijn dagelijkse werkzaamheden bezig is, terwijl hij ons argwanend in de gaten houdt. De tempel heeft meerdere verdiepingen. De tweede en derde verdieping lijken op troonzalen of rechtbanken, met drie, respectievelijk één zetel tegenover reusachtige afbeeldingen van Boeddha.

De vierde verdieping is een uitzichtplateau, vanwaar we een schitterend uitzicht hebben over de vallei en de rivier. Sangay maakt mij erop attent dat er al weer nieuwe bezoekers naar binnen willen, dus we gaan snel naar beneden. Na nog even de omgeving bewonderd te hebben, beginnen we aan de afdaling, die een stuk lichter valt dan het klimwerk op de heenweg. We zijn al snel weer bij de hangbrug en de auto en rijden naar het Zangdo Pelri Hotel, waar helaas geen bungalow meer beschikbaar is. Vannacht en morgennacht zal ik in het rumoerige hoofdgebouw moeten doorbrengen. Dat is wel een tegenvaller. De kamer ziet er trouwens niet slecht uit, maar het balkon kijkt uit over het restaurant. Dat valt wel even tegen, want vanuit de bungalow van een paar dagen geleden had ik uitzicht over de vallei. Dan had ik maar direct moeten reserveren, maar op dat moment stond mijn hoofd ergens anders naar. Het was tenslotte hier in dit hotel dat Tshering mij kwam vertellen dat zijn moeder overleden was en dat ik verder moest in afwachting van een nieuwe gids.
Na uitgebreid gedoucht te hebben, ga ik naar de eetzaal, waar het een drukte van belang is. Er is ook een groepsreis uit Nederland gearriveerd, die zoals dat hoort met Nederlanders het meeste lawaai maakt. Het valt mij op dat het precies de types zijn waar ik niet graag mee op reis zou gaan. Van die mensen van middelbare leeftijd, die avontuurlijk gekleed doen alsof ze ik weet niet wat voor expeditie ondernemen, terwijl ze geen stap opzij durven te zetten zonder de gids uit het oog te verliezen.
Het eten van het buffet valt mij niet tegen. Een van de serveersters herkent mij nog van een paar dagen geleden en knoopt voorzichtig een praatje aan. Of ik in Bumthang geweest ben. Ja, ik ben in Bumthang geweest en ik vond het er geweldig. Ik vraag of zij daar vandaan komt, maar zij komt uit het oosten van Bhutan en is hier naar toe getrokken, omdat in het oosten niet veel werk te vinden is. De chef waakt echter, dus zij gaat weer snel aan het werk. Het is nog vroeg na het eten, dus ik pak nog een biertje in de bar. Ik ben de enige klant en dat zal wel komen omdat de bar niet makkelijk te vinden is. De weg oversteken en dan naar beneden. Een van de serveersters uit de eetzaal is nu barjuffrouw. Ze spreekt goed Engels en is maar al te benieuwd naar wat ik verdien in Nederland. Ze vertelt dat ze 800 Ngultrum in de maand krijgt. Dat is 12 euro. Het is te weinig om nu en dan haar familie in het oosten van Bhutan te bezoeken. Toch wel zielig. Omdat er zo weinig werk is, kunnen deze mensen makkelijk worden uitgebuit. Florianne belt nog, maar geeft de telefoon al snel weer aan mama. Diana lijkt het maar moeilijk te kunnen geloven dat ik niets mankeer en dat alles op rolletjes loopt. Dat kan toch niet in zo’n primitief land met al die enge ziektes! Ik stel haar gerust en vertel wat over mijn plannen voor de komende dagen. Wat draaierig van het sterke Bhutaanse bier wankel ik de trappen op naar mijn kamer op de tweede verdieping.

Zaterdag, 26 september 2009

Vandaag dan eindelijk de eerste Tsechu. Het festival vindt plaats in Wangdue Phodrang, dat niet zover van Punakha ligt. Het ontbijtbuffet bestaat vandaag uit toast, een soort witte drab, hard gekookte eieren en onsmakelijk uitziende worstjes. Ik vertrouw alleen de toast en bestel er een omelet bij. Ik heb vroeg afgesproken vandaag met Sangay, omdat ik op tijd in de dzong wil zijn. Het festival begint al rond een uur of acht.
We komen op tijd aan en het is al een drukte van belang in het oude Wangdue. Een agent dirigeert ons naar een parkeerplaats voor toeristenvoertuigen. Vandaar lopen we door de felle ochtendzon naar de dzong. Het is prachtig weer vanochtend. Precies het weer waarop ik mij had verheugd. Het zal maar regenen. Dan is zo’n festival in de open lucht weinig aan.
Yishi komt met twee flessen bronwater aanlopen. Een voor Sangay en een voor mij. We zullen ze hard nodig hebben vandaag, want in de dzong is geen winkeltje en het zal heet worden. Daar komt nog bij dat ik vandaag mijn sweater aanheb, in plaats van een t-shirt, omdat het niet op prijs wordt gesteld als mensen met blote armen de Tsechu bijwonen.
Via de poort komen we op de eerste binnenplaats terecht, waar de Tsechu zal plaatsvinden. Veel mensen hebben al plaatsgenomen achter de witte lijnen die het toneel markeren. In het midden is een witte cirkel geschilderd, net als op een voetbalveld. Helaas ligt de helft van het toneel nog in de schaduw, wat het fotograferen en filmen niet makkelijk zal maken.

We hebben net een aardige plaats gevonden als een hoop kabaal het begin van de Tsechu aankondigt. Een processie komt de binnenplaats op, bestaande uit priesters, monniken, dansers, danseressen en muzikanten. Een groepje gemaskerde plaaggeesten huppelt gewapend met houten fallussen rond de plechtige stoet en jaagt vrouwelijke toeschouwers de stuipen op het lijf.
De priesters en de muzikanten nemen plaats op een soort loge aan de oostelijke zijde van de binnenplaats. Daarboven, op de eerste verdieping, zijn stoeltjes neergezet voor de toeristen, maar ik zit liever beneden aan de rand van de arena, waar ik een perfect uitzicht heb op wat komen gaat.

Het begint gelijk goed. Vier dansers met wijde witte rokken aan, gouden kronen op het hoofd en een veelkleurige kho rond het bovenlichaam, voeren een wilde dans op die begeleid wordt door slagen op de gong en geroffel op vele trommels. Ook de blazers zetten in op een soort koperen alpenhoorns.

De tweede act is een opvoering door een soort clowns die een bepaald verhaal uitbeelden. Ik versta er natuurlijk niets van, maar het is grappig om te zien en met een beetje moeite is wel te volgen waarover het gaat, want het is natuurlijk geen al te diepzinnig verhaal.

Ik moet zeggen dat de drukte mij wel meevalt als ik zo het publiek bekijk. Er zullen zo’n duizend toeschouwers zijn, waarvan ongeveer vijftig toeristen. Ik vindt het wel prettig dat toeristen niet overheersend aanwezig zijn, al ben ik er zelf een. Ze vallen namelijk uit de toon, omdat ze als enige niet traditioneel Bhutaans gekleed gaan. De Bhutanen hebben allemaal hun zondagse kloffie aan en vooral de vrouwen zien er prachtig uit in hun glanzende, felgekleurde kira’s.

Na de clowns volgt een drakendans. De dansers zijn prachtig uitgedost, maar het moet voor hen wel afzien zijn in die dikke kostuums in de hitte van vandaag. Ze laten zich echter niet kennen. Opgezweept door de muziek, draaien ze zich in steeds complexere en wildere bewegingen. Ik fotografeer mij suf, maar merk al snel dat ik niet zo blij hoef te zien met het prachtige weer van vandaag. Alle foto’s zien er flets uit in de felle zon en ik kamp met de schaduw, die het gebouw aan de oostzijde nog altijd over de binnenplaats werpt. Ik hoop dat het waar is wat de experts over het Nikon-programma NX2 zeggen. Maar zelfs dan zal ik nog vele uren zoet zijn om alle RAW-opnames te bewerken. Het maakt nu even niet uit. Het is genieten. Dit is uniek, want dit is Bhutan. Dit zie je alleen in dit kleine, nog altijd geïsoleerde en verre landje in de Himalaya.

Ik fotografeer op goed geluk, want de dansers bewegen zo snel, dat er geen tijd is om een redelijke compositie te maken of op het juiste moment af te drukken. Dan zit er maar één ding op. De camera richten en de ontspanknop ingedrukt houden. Op die manier gaat het wel snel met mijn geheugenkaart. Ik had daarop gerekend en mijn laptop meegenomen. Als een bepaalde act wat erg lang duurt, zoek ik een hoekje in de schaduw op om mijn camera aan de laptop te koppelen en de foto’s over te zetten. Dat duurt erg lang en ik hoop niet dat het kopiëren nog aan de gang is, als de volgende act begint.

Het is wel jammer dat er geen echt decor is. Aan alle kanten van de binnenplaats zitten of staan mensen, al is het op de plaatsen waar de zon op staat te bakken wel erg rustig. Ik maak er gebruik van om een goed camerastandpunt te veroveren, maar dat levert mij wel direct een drijfnatte rug op. De zon brandt als een straalkachel, maar ik concentreer mij op het fotograferen en filmen. Gelukkig duren de acts vrij lang, zodat ik ook nog wat tijd heb om gewoon te kijken.
Langs de kant zitten is bijna ondoenlijk, omdat er voortdurend mensen langs lopen. Hoewel ik niemand tot last wil zijn, moet ik toch wat naar voren kruipen om nog een redelijke film te kunnen maken. Ik maak mij zo klein mogelijk en niemand lijkt het mij kwalijk te nemen.

Dan treedt een groep van zestien danseressen op. Ze worden begeleid door schril gezang, maar ik kan niet ontdekken waar het gezang vandaan komt. Het is een eenvoudig dansje, dat waarschijnlijk meer bedoeld is als intermezzo voor het echte werk.
Dan wordt de drakendans weer opgevoerd. De leider heeft een drakenmasker op met een hertengewei. Deze dansers hebben een groot deel van hun bovenlijf bloot gelaten, wat het een beetje dragelijk zal maken, want de dansen duren wel heel erg lang.

Sangay vertelt mij dat iedere Bhutaan minstens één keer per jaar een Tsechu moet bijwonen. Dat hoort bij het geloof. Aan het einde van de laatste dag vindt altijd een ritueel plaats, waarbij de zonden worden schoongewassen. Dat ga ik niet meemaken, want zowel hier in Wangdue als over twee dagen in Thimphu, maak ik alleen de eerste dag van de Tsechu mee. Ik zal mijn zonden dus weer mee naar huis moeten nemen.

De toeschouwers maken er een uitje van. Veel families hebben picknickmanden bij zich en vooral de kinderen zitten al driftig te kanen. Geleidelijk verandert de binnenplaats in een vuilnisbelt. Er zijn dan ook geen afvalbakken en de mensen zullen niet op het idee komen om een zakje voor het afval mee te nemen. De monniken zullen blij zijn aan het einde van de dag.
Nadat de zestien danseressen voor de tweede keer een intermezzo hebben verzorgd, komt de tot nu toe verreweg mooiste groep dansers op. Na iedere slag op een grote gong, betreden er vier het strijdperk. De dansers zijn gewikkeld in vele lagen kostuums met prachtige kleuren en allerlei religieuze afbeeldingen. Op hun hoofd dragen zij een conische hoed, die overgaat in een punt vol versierselen, zoals pauwenogen.

Voor mijn gevoel duurt de dans meer dan een half uur. Ik begrijp niet hoe de dansers het volhouden in de hitte. Van de schaduw op de binnenplaats is intussen niet veel meer over. Afwisselend gaat het er rustig aan toe en dan weer eens heel wild. De dansers springen, draaien en duiken dat het praktisch met de camera niet meer te volgen is. Het eindigt als de dansers in een rij gaan staan. Een voor een doen ze nog een laatste dansje, waarna ze in het kloostergebouw aan de oostkant van de binnenplaats verdwijnen.
Sangay vraagt of ik mee ga voor de lunch. Ik zeg dat ik mijn lunch maar eens oversla. Ik wil niets van dit prachtige schouwspel missen en ik eet zoveel en zo goed in Bhutan, dat ik makkelijk eens een maaltijd kan overslaan.

De dansers pauzeren niet. De show gaat gewoon door. Na het zoveelste intermezzo, treden de clowns weer op. Veel geschreeuw en geren en ik begrijp nog steeds niet waar het over gaat. Na een half uur is de lol er een beetje af en ga ik mij wat meer in het publiek verdiepen. Dit is een goede gelegenheid om met de telelens wat foto’s te maken van Bhutanen. De mensen zijn afgeleid door het schouwspel, zodat het geen geforceerde portretjes worden, maar interessante opnames van mensen die in vervoering zijn, hoewel van een aantal gezichten de verveling een beetje begint af te stralen. Misschien had ik deze foto’s eerder moeten maken, toen de prachtig uitgedoste dansers hun werk deden. Maar toen had ik zelf ook alleen maar aandacht voor wat er zich op het toneel afspeelde.

De drakendansers in hun gele rokken komen weer op. Het lijkt erop dat het ochtendprogramma ’s middags herhaald wordt. Ik vind dat niet erg, want nu schijnt de zon over de hele binnenplaats en kan ik foto’s maken zonder last te hebben van de hinderlijke schaduw. Ik presteer het om voor de tweede keer mijn geheugenkaart vol te krijgen en weer moet de laptop aan. Het duurt ditmaal erg lang voordat ik het transferprogrammaatje van Nikon aan de praat krijg. Het lukt niet om de foto’s gewoon in de Windows-verkenner over te zetten. Dan moet ik de plaatjes een voor een kopiëren en dan ben ik de rest van de dag wel zoet. Na een aantal keer herstarten, ontdekt het transferprogramma eindelijk dat er foto’s op de camera staan en begint het tergend trage kopiëren.

Ook de dansers met hun fraaie hoeden komen terug. Ik gebruik het invulflitsertje op mijn camera om de door de hoeden beschaduwde gezichten zichtbaar te maken. De batterij ziet er nog vol uit, dus dat moet geen probleem zijn. Bovendien heb ik een reserveaccu meegenomen. In een flits zie ik een albino-Bhutaanse voorblij lopen, met lang wit haar. Ik vind het niet netjes om er achteraan te hollen om een foto te maken, maar stilletjes hoop ik wel dat ze terugkomt, zodat ik het fenomeen met de telelens kan vastleggen.
Er komt niets nieuws meer de rest van de dag. De clowns blijven rondhollen, geven elkaar ervan langs met een soort karwats en af en toe nemen ze ook het publiek te grazen. Met de houten kunstpenissen proberen ze vrouwen in de billen te prikken. Dat kan kennelijk in Bhutan.

Later in de middag komt er wat bewolking die voor een verzachting van het zonlicht zorgt. Ik ben er wel blij om. Weer een herkansing. Deze dag moet toch wel goede foto’s opleveren, lijkt mij. Ik maak er zo’n vijfhonderd in totaal.
Rond een uur of half vier begint het publiek naar huis te gaan. Toeristen zijn er al bijna niet meer. Ik vertel Sangay dat ik nog wel even de rest van de dzong wil bekijken, want na vandaag kom ik hier niet meer terug. De Wandue Dzong is niet echt bijzonder. Het enige opmerkelijke is het houten dak. Alle andere dzongs hebben een dak van golfplaten. Verder is het een erg sober complex.

Ook de tempel stelt weinig voor in vergelijking met de overweldigende tempels die ik in andere dzongs heb gezien, zoals die van Punakha. Als we op de binnenplaats terugkomen, zien we dat het festival ten einde loopt. Nog een keer komen de drakendansers op. Als die van het toneel verdwenen zijn, keert de processie van monniken terug naar de woonvertrekken van het klooster. Ik loop er nog even achteraan, want het feest is nog niet afgelopen. De muziek gaat door en de monniken blijven dollen op de traverses. Maar dan houd ik het toch verder voor gezien.

De chauffeur en de gids zullen het onderhand wel zat zijn en vijf uur is geen onredelijke tijd om terug naar het hotel te gaan.
Ik ben blij als ik kan douchen en schone kleren kan aantrekken. In de eetzaal is het weer druk, maar niet zo druk als gisteren. De Nederlandse groep heeft plaats gemaakt voor een Engelse of Amerikaanse. Het eten is weer matig, maar het kan ermee door. Wie van lekker eten houdt, kan beter naar Thailand, Indonesië of China gaan, dan naar Bhutan, waar chili in kaassaus de nationale kost is.
Als ik ’s avonds mijn verslag typ, kijk ik meteen of de foto’s een beetje gelukt zijn. Het valt mij honderd procent mee, al zitten er veel overbelichte en fletse opnames tussen. Maar een stuk of honderd gelukte foto’s moet ik er wel uit kunnen halen. Voordat ik in slaap val hoor in de verte onweer in de bergen.

Zondag, 27 september 2009

Vandaag gaan we weer vroeg op pad, omdat ik nog veel in Thimphu wil zien voordat het festival begint. Half acht rijden we weg van het Zangdo Pelri Hotel, maar niet voordat ik een foto heb gemaakt van de prachtige rijstsawa’s, die de vallei hier een heldere en frisse kleur groen geven.

Na ruim een uur rijden bereiken we het Dochu La Hotel, waar we even stoppen om van het fabelachtige uitzicht op de Himalaya te genieten. Op een platform staat een enorme verrekijker, waardoor de witte toppen prachtig te zien zijn. We hebben geluk dat het zo helder is, want op de heenweg was de streek in een dichte mist gehuld.

Iets later bereiken we het hoogste punt van de pas, waar het gedenkmonument Dochu La staat ter nagedachtenis van de gevallenen tijdens de strijd tegen de Indiase militanten, die in 2004 Bhutan waren binnengedrongen. Toen we hier op de heenweg langskwamen, was het 108 stupa’s tellende monument in dichte mist gehuld. Nu is het bij wijze van uitzondering kraakhelder. De lucht is azuurblauw en steekt prachtig af bij de witte, nog maar vier jaar oude stupa’s.

Ik zie nu ook een tempel op de heuvel naast Dochu La. Die was op de heenweg niet te zien en die heb ik dus ook nog niet bezocht. Nu kan ik er wel naar toe, al is het een zware klim op de lange trap naar boven. Niet dat de trap zo hoog is, maar er is hier op ruim 3000 meter nog maar weinig zuurstof in de lucht en dat is te merken.

De Zangto Pelri Lhakhang is een van de mooiste tempels die ik tot nu toe gezien heb in Bhutan. Het gebouw is dan ook nog maar net af en uitzonderlijk rijk gedecoreerd. Net als de Dochu La is het opgedragen aan de helden die de Indiase indringers het land hebben uitgejaagd.

Binnen is daar trouwens niet veel van te merken. De prachtige muurschilderingen hebben vooral een religieus karakter. Wel zijn op de eerste verdieping wat politieke schilderingen aangebracht, zoals de Koninklijke familie en met automatische wapens uitgeruste soldaten. Dat vind ik wel apart in een Boeddhistische tempel, hoewel ik tijdens mijn reizen wel gewelddadigere voorstellingen heb gezien, waarbij de schilders over een bijzonder sadistische geest moeten hebben beschikt. Er zijn geen gevechtshandelingen afgebeeld. Zo trots is Bhutan nu ook weer niet op deze recente geschiedenis.

Na nog even rond de 108 stupa’s gewandeld te hebben, rijden we weer bergafwaarts richting Thimphu. Het valt mij weer op hoe enorm veel zwerfhonden er zijn in Bhutan. We zien er tallozen onderweg. Sommige liggen languit op de weg te slapen. In elk ander land zouden ze allang zijn platgereden, maar de Bhutanen rijden er voorzichtig omheen als toeteren niet helpt.
We passeren het checkpoint, waar ik mijn paspoort moet laten zien. Daarna naderen we al snel de hoofdstad van het land. Links zie ik een dzong. De oudste van Bhutan, zegt Sangay. We rijden er naar toe.

De Simtokha Dzong is gebouwd in 1629 en ziet er nog vrijwel hetzelfde uit als destijds, al is het complex wel onlangs gerenoveerd. In de dzong is het Institute for Language and Culture Studies gevestigd. Er studeren monniken, maar ook gewone burgers. Vandaag is er bijna niemand. Iedereen is zich aan het voorbereiden op het Tsechu morgen, vooral de monniken.

In de opvallend grote gebedszaal, staan weer de vertrouwde Boeddha’s, al is het allemaal wat minder weelderig dan in de verschillende andere dzongs die ik heb gezien. Het dak is hier van hout, net als bij de dzong van Wangdi, maar op het hout liggen golfplaten. Links van de gebedszaal is nog een prachtige kapel. Rechts ook, maar die is alleen voor speciaal ingewijden toegankelijk, vertelt Sangay.

Via de vierbaansweg rijden we Thimphu binnen. Een spandoek boven de weg leert mij dat het vandaag de werelddag van het toerisme is. Aan het aantal toeristen in de stad valt dat wel te merken, al zal dat meer met het festival te maken hebben, dan met zo’n dag die iemand ergens bedacht heeft.
Ik mag lunchen bij restaurant Mystic Taste. Het is met afstand het beste restaurant dat ik tot nu toe heb meegemaakt in Bhutan. Lekker eten is dus toch wel mogelijk in dit land, al moet je daarvoor zeker niet bij de middenklasse hotels zijn. Ik ben de enige gast. Het personeel bestaat uit een wat dikke, maar wel knappe bazin en een meisje dat verveeld bellen blaast op haar kauwgum. Typisch dat zo’n uitstekend restaurant niets te doen heeft, terwijl het vanwege het Tsechu knetterdruk is in de stad. Wellicht komt het door de wat ongunstige ligging. Het leven speelt zich in Thimphu rond de Norzim Lam af. Daar zijn de winkels, de restaurants en de meeste hotels. In de straten eromheen is over het algemeen weinig te beleven en Mystic Taste ligt dus in zo’n straat eromheen.
Hoewel ik er eigenlijk geen zin in heb, is de volgende attractie de dierentuin.

Eerst rijden we naar de Telecom Tower, vanwaar een prachtig uitzicht over de stad geboden wordt. De weg is rijkelijk versierd met gebedsvlaggen. We rijden tot aan het hek rond het terrein van de telecommaatschappij en stappen uit om het uitzicht te bewonderen. Het begint zacht te regenen, maar wel met heel dikke druppels. Een vreemde gewaarwording, want de lucht is nog steeds overwegend stralend blauw. Op de weg beneden ons staat een Indiase auto met de radio heel hard aan. Er zijn heel veel Indiërs naar Thimphu gekomen, vermoedelijk om het Tsechu bij te wonen. Voor deze toeristen is het niet duur om Bhutan te bezoeken, omdat er geen toeristenvisum vereist is en dus ook geen 200 dollar per overnachting.

We rijden een eindje terug, tot we de ingang tot de dierentuin gevonden hebben. Het is geen echte dierentuin, maar meer een omheind stuk bos, waar wat Takins rondlopen en dieren die op herten lijken. De Takins zijn het nationale dier van Bhutan en lijken op buffels. Ooit was hier een normale dierentuin, maar een van de koningen vond het opsluiten van dieren niet passen bij de Boeddhistische levensstijl. De dieren werden vrijgelaten, maar bij de Takins pakte dat niet goed uit. De dieren waren de wildernis ontwend en trokken de stad in op zoek naar voedsel. De enige manier om deze overlast tegen te gaan, was ze weer op te sluiten. Ze hebben wel aardig wat ruimte tot hun beschikking. We lopen om het gebied heen en rijden dan weer terug naar het centrum. Sangay vertelt dat hij door Sonam is gebeld. Ik zou haar dinsdag ontmoeten, maar ze zal dinsdag niet op kantoor zijn. Alles is gesloten vanwege het Tsechu. Ik krijg de indruk dat zij mij probeert te ontlopen. Niets aan te doen. Ik had wel een appeltje te schillen met de directrice van het reisbureau, maar de kwaliteit van de reis heeft het leed van de voorbereiding aardig gecompenseerd inmiddels.

Ik word afgezet bij het Handicraft Emporium. Dat is een grote en luxe souvenirwinkel. Ik kijk er belangstellend rond, maar kan weinig van mijn gading vinden. Vervelend vind ik het ook dat niets is geprijsd. Ik houd er niet van om elke keer te moeten vragen wat iets kost, om het vervolgens veel te duur te vinden. Uiteindelijk ga ik voor een vlag van Bhutan, geel met oranje en een geborduurde draak erop.
Ik zeg tegen Sangay en Yishi, dat ze wel kunnen gaan. Ik wil de rest van de middag winkelen en een beetje in het stadje rondkijken. Sangay vindt het eerst niet zo’n goed idee, maar stemt uiteindelijk in na mij nog eens gewaarschuwd te hebben heel voorzichtig te zijn. Zij brengen mijn rugzak naar het hotel en reserveren alvast een goede kamer.
Ik slenter door de Norzim Lam en ontdek al snel dat er heel wat souvenirwinkeltjes zijn. Waar producten geprijsd zijn, blijk ik het voordeligst uit te zijn. Ik koop wat t-shirts en cd’s met traditionele Bhutaanse muziek. Die muziek wil ik gebruiken bij het monteren van mijn videofilms. Rond een uur of zes heb ik de winkeltjes wel gezien en heb ik voldoende foto’s en films gemaakt van het straatleven in Thimphu. Ik loop naar het hotel om te ontdekken dat ik een prachtige kamer heb gekregen. Het is meer een suite eigenlijk, met een zitje, een grote badkamer en een slaapkamer met balkon.

Het balkon kijkt uit over de rivier en de stad, dus ik mag echt niet klagen.
Ik zet de foto’s over op de computer en ga eten. Weer een heel pover buffet, waarbij ik alleen de rijst, de Waldorff-salade en een soort tahoe in groentesaus vind smaken. Ik neem mij voor om de laatste avond een goed restaurant uit te kiezen, zoals Mystic Taste. Ik hoop zo’n tentje in Paro te kunnen vinden, want daar zal ik de laatste avond in Bhutan doorbrengen.
Na het eten wandel ik nog even de stad in. Het is er nog steeds heel levendig. Er was een podium in het centrum, met muziek en ik hoopte dat er ’s avonds ook iets te doen zou zijn, maar helaas. Er zijn wat barretjes, maar daar zitten alleen wat locale kerels. De karaoke-tenten beloven ook niet veel gezelligheid, dus ik houd het uitgaansleven van Thimphu maar snel voor gezien. Leuke cafe’s, waar reizigers uit alle landen elkaar ontmoeten en ervaringen uitwisselen, vind je in alle landen, behalve in Bhutan dus. Vanuit mijn luxe kamer hoor ik in de verte de duizenden honden van Thimphu blaffen. Dat zal de hele nacht doorgaan. Ik dank God en Sonam Chhundu, dat ik hier een kamer heb ver van het lawaai.

Maandag, 28 september 2009

Als ik om zeven uur wil ontbijten is de ontbijtzaal nog dicht. Half acht, zegt iemand van het hotel. Ik ga in de lobby zitten en pak een Engelstalige Bhutaanse krant. Vijf over zeven word ik geroepen. Het ontbijt is klaar. Dat valt weer mee. Er komen ook al andere gasten, die vroeg naar het Tsechu willen. Het ontbijt is weer verschrikkelijk. Alleen de toast en een gebakken ei kunnen er mee door. De rest durf ik niet aan. Met moeite prop ik wat naar binnen, omdat ik vandaag ook al niet zal lunchen.

Half acht kunnen we op pad. Het is nog verrassend rustig in Thimphu, maar dat kan ook komen omdat iedereen al in de dzong zit. Het is al vrij druk als we arriveren. We moeten om de court yard heenlopen, waarna eerst een controle volgt voordat we naar binnen mogen. Sangay laat zijn vergunning zien en we kunnen doorlopen. Yishi is er nog niet bij. Omdat hij alleen is wordt hij niet binnengelaten, zegt mijn gids. Daarom is hij wat familie aan het ophalen.

Er is nog ruimte zat op de tribunes, maar volgens Sangay zijn de meeste plaatsen gereserveerd. Hij is vergeten te reserveren, dus in principe kunnen we nergens zitten. Ik wijs een lege plek aan, waar nog geen matten liggen. Daar moeten we toch kunnen zitten lijkt mij. Op verschillende plaatsen rond het speelveld staan televisiecamera’s opgesteld. Het Thimphu Tsechu wordt live op televisie uitgezonden.

Het is vanochtend wolkeloos. De lucht is stralend blauw en de temperatuur loopt snel op. Aan de noordkant van de court yard kunnen we echter in de schaduw zitten. Ik hoop dat de dzong de hele dag schaduw zal bieden, anders is het bijna niet uit te houden in de brandende zon.
De mensen blijven binnenstromen en geleidelijk vullen de tribunes zich. Weer sjouwen mensen tassen vol proviand en thermosflessen mee. Het zal wel weer een beestenbende worden tegen het einde van de dag. Iedereen is op zijn zondags gekleed, wat voor een kleurrijk schouwspel zorgt.

Een tijdje hebben we nog de ruimte, maar dan wordt het dringen op de tribune. Aanvankelijk was ik wel gelukkig met onze plaats, maar nu blijkt dat langslopende mensen toch nog in beeld komen als ik aan het filmen ben. En de mensen blijven langslopen. Ook als om negen uur de voorstelling begint.
Het eerst komen de clowns binnen met hun rode duivelsmaskers, begeleid door hoorngeschal en slagen met de bekken. Het geluid wordt versterkt, wat wel nodig is op dit enorme speelveld. Ik hoop dat de mooie muziek een beetje boven het gekwebbel van het publiek uitkomt, als ik straks de film bekijk.

De enorme Thimphu Dzong, die eigenlijk Trashi Chhoe Dzong heet, biedt een imposant decor voor het Tsechu. Het is toch wel een heel bijzondere ervaring om hier te zitten. In het bestuurlijke hart van Bhutan. De koning is er ook, al kan ik hem vanaf mijn zitplaats bijna niet zien.
Net als in Wandue, kunnen de clowns mij niet echt bekoren. Het is leuk voor een kwartiertje, maar niet voor anderhalf tot twee uur, wat in Bhutan de gemiddelde duur is van een komische act tijdens de Tsechu’s.

Gelukkig komen al vrij snel de dansers op. Eerst dansers en danseressen in gewone Bhutaanse kleding, die een soort volksdansje uitvoeren, maar dan begint de echte show met de gemaskerde dansers. Ik heb mijn camera nu maar op handmatige belichting gezet, want met de automaat is het geen doen. Dan moet ik steeds drie opnames achter elkaar maken in de bracketing-stand en dan gaat het toch echt te hard met het CF-kaartje. Ik stel een ideale belichting in, wat niet zo moeilijk is met de felle zon, en sla aan het fotograferen.

De dansen zijn vrijwel hetzelfde als tijdens het Tsechu in Wangdue Phodrang, maar de uitvoering is veel professioneler. Het is ook afstandelijker. Letterlijk en figuurlijk. In Wandue had het toch iets meer charme en liepen de dansers bijna over je heen. Hier in Thimphu moet ik het allemaal vanaf een grote afstand bekijken en dat is toch wel een beetje jammer.

Het is niet toegestaan om op de court yard zelf te zitten, maar na een tijdje doen mensen dat toch. Ik wring mij door de mensenmassa naar beneden, want zo’n mooi camerastandpunt wil ik ook wel. Het is een hele verbetering, al zit het niet comfortabel op de harde stenen. Wel is het irritant dat mensen maar heen en weer blijven lopen. Ik zou graag een paar meter naar voren kruipen, zodat de wandelaars achterlangs voorbij kunnen, maar dat zullen de bewakers niet goed vinden. Eigenlijk ben ik natuurlijk al in overtreding. Ik zit naast een vrouw die heel toevallig ook uit Nederland komt. We hebben echter beiden niet zo’n behoefte aan een praatje.
Als de clowns weer aan een eindeloze show beginnen, stel ik Sangay voor om de rest van de dzong te gaan bekijken. Het is er mooi weer voor en dan ben ik weer terug als de dansers opkomen.

We moeten omlopen en er vindt opnieuw een controle plaats, waarbij mijn tas en camera door een röntgenscanner moeten. Het is flauwekul allemaal, want later ontdek ik dat je vanaf de tribune heel makkelijk ongecontroleerd in de dzong kan komen. Ze moeten echter een beetje de schijn ophouden, want in de dzong is wel het werkpaleis van de koning, terwijl ook de ministeries van Binnenlandse Zaken en Financiën er een kantoor hebben.

Het bijzondere aan het complex is dat het wiskundige proporties heeft. De meeste dzongs lijken organisch te zijn ontstaan en hebben niet echt een duidelijke structuur. De Trashi Chhoe Dzong heeft die wel. Het is een bijzonder fraaie architectonische compositie met overwegend gouden daken.
We bekijken de gebedsruimte, waar de wanden voor de verandering bestaan uit kleine vitrines boven en naast elkaar, met achter elk glaasje een Boeddhabeeldje. Enkele andere wanden zijn met Boeddha’s beschilderd. Op het altaar staat een zeer grote Boeddha, Sakyamuni, geflankeerd door twee leerlingen. Ook is een beeld van de Divine Madman geplaatst. De ruimte is prachtig beschilderd, maar sober in vergelijking met bijvoorbeeld de Punakha Dzong.

Buiten valt mij het grote aantal duiven op. Mensen zijn er nauwelijks. Aan de muziek hoor ik dat de dansers weer zijn teruggekeerd, dus ik stel Sangay voor de rest van de dzong later te bekijken. Via het balkon waar de monniken zitten, lopen we terug naar de court yard buiten de dzong, waar het Tsechu plaatsvindt. Er zijn inderdaad weer dansers bezig. Ik zoek een goed plaatsje beneden.

Het is op de tribunes intussen veel rustiger geworden dan vanochtend. Veel mensen moeten besloten hebben naar huis te gaan toen er maar geen einde kwam aan de clown-act. Maar ze kunnen ook zijn gaan lunchen. Sangay gaat ook lunchen en vraagt of ik mee ga. Ik blijf liever op het festival. Eten kan altijd nog en dit is voor mij eenmalig.
De CF-card raakt vol en het gehannes met mijn laptop begint weer. Ik zoek een slechte plaats uit en een slecht moment. De drakendansers zijn net bezig en ik kan geen foto’s maken, terwijl ik foto’s op de computer overzet. Het overzetten duurt weer een eeuwigheid en al die tijd word ik omringt door nieuwsgierige kinderen die niet altijd alleen met hun ogen willen kijken. Na een half uur of zo, zijn eindelijk alle 330 foto’s naar de computer gekopieerd en kan ik een nieuw plekje op de westelijke tribune uitzoeken. Er is nu plaats zat en vanuit het westen heb ik beter licht.

Rond twee uur begint de bewolking op te zetten en vrijwel meteen vallen de eerste druppels. Een half uur later begint het echt te hozen. De Donderdraak brult, begeleid door felle bliksemflitsen. De meeste mensen zoeken een veilig heenkomen, onder een van de luifels rond het speelveld, maar er zijn er ook die zich rustig laten nat regenen. De show gaat gewoon door. De clowns treden weer op en lijken zich niets aan te trekken van het slechte weer. Ik schuil wel, al is het maar om mijn camera’s droog te houden. Het is wel balen voor de mensen. Het was zulk prachtig weer en nu is het volledig omgeslagen. In de verte is de lucht nog wel blauw, maar de wolken lijken stil te staan in de lucht.

Pas na een goed half uur, begint het zachter te regenen en een kwartiertje later waag ik het er weer op om mijn schuilplaats te verlaten. Zitten is er nog even niet bij, want de tribunes zijn kletsnat. Ik maak van de gelegenheid gebruik om de muzikanten, zangers en zangeressen te filmen. Die waren eerst onbereikbaar door het vele publiek, maar nu driekwart van de toeschouwers vertrokken is, kan ik het goed bekijken.

Als de clowns mij weer vervelen en ik ook wel genoeg foto’s van het publiek heb gemaakt, verken ik met Sangay de rest van de dzong. We kunnen er niet omheen lopen, maar we kunnen nog wel een paar gebouwen aan de grootste binnenplaats bekijken. We mogen niet het hele complex zien. Het gebouw waar de koning zijn werkvertrekken heeft is verboden terrein, evenals de binnenplaats er omheen. Het maakt mij niet uit. Er is genoeg moois te zien.

Als we weer terug komen op het festivalterrein is het nog rustiger geworden. De clownsact zal nu waarschijnlijk tot het einde duren. De tribunes zijn intussen in een vuilnisbelt herschapen. Er staan ook veel te weinig afvalbakken. De bakken die er staan zijn overvol. De mensen maken echt een vreetfestijn van een Tsechu. Het heeft weinig religieus.
Het blijft bewolkt. Rond vijf uur is de eerste dag van het driedaagse festival afgelopen en lopen we met het magere restant van het publiek naar de uitgang. Zuidelijk van de dzong staan lelijke barakken. Ik lees dat daar ministeries in gevestigd zijn. Die komen er bekaaid vanaf, in vergelijking met de departementen voor Binnenlandse Zaken en Financiën, die beide in de prachtige dzong gevestigd zijn.
Yishi rijdt de auto voor en vijf minuten later ben ik bij het hotel. Sangay waarschuwt mij het niet te laat te maken in de stad, want het Tsechu trekt volgens hem altijd minder prettige mensen aan, die het ’s avonds flink op een zuipen zetten. Ik stel hem gerust met de wetenschap dat ik wel gevaarlijkere landen heb bezocht dan Bhutan en dat het hier nooit zo erg kan worden als af en toe in Nederland. Sangay stelt voor om morgenochtend ook nog naar het Tsechu te gaan. We hebben dan tot half twaalf de tijd. Ik vind het een perfect idee.
Op mijn kamer probeer ik contact met internet te krijgen, maar dat lukt niet. Het draadloze netwerk wordt kennelijk te intensief gebruikt. Beneden blijkt echter niemand te zitten. Het routersignaal is kennelijk erg zwak. Pas bij de wc’s naast het restaurant krijg ik genoeg signaal om contact met internet te leggen. Ik kijk mijn mail na en zoek wat informatie die ik nodig zal hebben in Delhi. Zoals ik al vreesde hoef ik over een paar dagen van het openbaar vervoer in Delhi niet veel te verwachten. De metro naar het vliegveld is nog niet af. Er gaat ook geen trein naar het vliegveld en over de bussen valt niets te vinden. Het zal dus wel een taxi worden. Driehonderd rupee staat er als tarief, maar ik denk dat het duurder zal worden en dan is het weer de vraag of de chauffeur mijn hotel zal kunnen vinden. Het is niet anders. Voor de zekerheid sla ik een plattegrond van de buurt rond het hotel op mijn computer op. Printen was handiger geweest, maar dat kan nu eenmaal niet. Het wordt te laat om nog de stad in te gaan.

Dinsdag, 29 september 2009

Ik pak mijn spullen in en ben 7 uur bij het restaurant van Hotel River View. Het eten van dit hotel zal ik niet missen als ik weg ben. Verder is het een prima onderkomen. Sangay is er ook al. Ik laat hem mijn website zien terwijl ik het gebakken ei en de gegrilde tomaten naar binnen werk. De rest van het buffet acht ik niet eetbaar en toast is er niet. Cornflakes wel. Daar neem ik ook een schaaltje van, al moet ik een kwartier wachten voordat er eindelijk koude melk voor handen is. De melk bij de Cornflakes is warm en Cornflakes met warme melk lijkt mij walgelijk.
Via een nieuwe route, oostelijk van de rivier, rijden we naar de Thimphu Dzong voor de tweede dag van het Tsechu. Het is drukker dan gisteren. Het is pas acht uur en de tribunes zitten nu al bijna vol. Op de eerste rij aan de noordkant van de courtyard is geen plaats meer vrij. Er liggen althans overal matten, wat er volgens mij op duidt dat mensen de plekken gereserveerd hebben. Naast een cameraman van de televisie is nog wel plaats. We gaan er zitten. Ik loop nu wel het risico dat de cameraman straks voor mijn neus gaat staan, want hij zal niet achter het continu voorbij wandelende publiek blijven staan. Ik zie wel.

Het duurt lang voordat het negen uur is en het Tsechu gaat beginnen. Er komen nog steeds drommen mensen binnen en geleidelijk aan beginnen er steeds meer rijen op de courtyard zelf te ontstaan. Ook voor ons nemen mensen plaats, wat voor mij een signaal is om ook naar voren te schuiven. Af en toe rennen de clowns de tribene op om meisjes de stuipen op het lijf te jagen. Het is weer prachtig weer, met alleen rond de bergtoppen wat wolkjes.

Door het naar voren schuiven zit ik nu wel in de felle zon. Dat gaat een zwaar ochtendje worden want ik wil wel met mooie beelden thuiskomen. Ik heb mijn statief meegenomen om in de telestand geen bibberige beelden te krijgen, maar het nogal goedkope statief wil niet echt meewerken. Het draaien gaat stroef en daardoor schokkerig. Zolang de artiesten op één plaats blijven, is dat geen probleem, maar van de Tsechu’s tot nu toe, weet ik dat dit niet zal gebeuren. Dat wordt dus toch uit de hand filmen.

Als het 9 uur is, maakt de moderne Bhutaanse achtergrondmuziek plaats voor de traditionele tempelmuziek, die live wordt opgevoerd. De dansers en de danseressen komen op. Een beetje onverwachts, zodat ik snel de camera in orde moet brengen. Helaas is het nog net alsof het publiek liever wandelt dan zit, dus van filmen komt niet veel terecht. Ik laat de camera maar lopen, want ik heb toch bandjes en accu’s zat, maar ik zal uiteindelijk maar weinig van het materiaal kunnen gebruiken. Hopelijk heb ik een beetje mazzel. Aan het weer zal het in ieder geval niet liggen, want dat is prachtig. En de optredens zijn ook uit de kunst. Hier op het Thimphu Tsechu, mogen alleen de allerbeste dansers optreden en dat is wel te merken. Het gaat allemaal perfect.

De drakendansers geven een kort optreden. Na een intermezzo is het de beurt aan een dansgroep die ik nog niet eerder gezien heb. Ze hebben maskers op als doodshoofden. Tussen de dansen van de verschillende groepen kan ik niet veel verschillen bemerken. Het mooiste vind ik de optredens van de dansers van de zwarte hoeden. Ik ben dan ook blij dat die als volgende op het programma staan. Doordat het publiek zover naar voren is geschoven, zit ik er dichterbij dan gisteren. Helaas blijft het publiek heen en weer lopen. Waarschijnlijk omdat de toiletten buiten bij de ingang zijn. Een stinkhok dat op zijn Amerikaans rest room genoemd wordt. Weinig rest, als iedereen die voorbij wandelt ernaar op weg is. Na een tijdje begint het mij te irriteren. Er gaan geen vijftien seconden voorbij, of er loopt weer iemand voor mijn camera langs. De professionele cameraman wordt er kennelijk ook moedeloos van, want zelfs met hem houden de wandelaars geen rekening.

Af en toe ben ik gewoon zielsgelukkig, als ik even tien seconden ongestoord kan filmen. Een enkeling is zo aardig om even achterlangs te lopen of zelfs over het beeldveld heen te springen. Dat kan makkelijk, want ik lig plat op de grond te filmen om een zo dynamisch mogelijk standpunt te hebben. De dansers met hun fel gekleurde gewaden steken prachtig af bij de helder blauwe lucht en komen dankzij het tele-effect mooi los van de achtergrond.

Regelmatig kijk ik even op mijn horloge, maar ik heb nog wel even. Na ruim een half uur vormen de dansers met de zwarte hoeden een cirkel. Ik weet intussen dat dit betekent dat de dans ten einde loopt. Ik pak mijn spullen op en loop naar de artiestenuitgang. De dansers vormen nu een rij en de eerste gaat wild dansend en draaiend richting artiestenuitgang. Als hij binnen is, begint de tweede in de rij aan zijn afscheidsdans en zo gaat het door tot de laatste zwarte hoed van het toneel verdwenen is.

Ik heb ze nog niet bekeken, maar ik verwacht dat ik schitterende opnames heb gemaakt. Sommige zijn verknoeid door langslopende toeschouwers, maar vanaf deze plek lopen mensen minder vaak in beeld dan langs de zuidelijke tribune. Ik moet wel met tegenlicht fotograferen en filmen, maar zo op het eerste gezicht levert dat juist een extra dramatisch en prachtig effect op.

De dansers met de gele rokken en dierenmaskers treden weer op. Ook de clowns doen mee. Normaal blijven deze dansers een beetje in het midden van de courtyard, maar vandaag komen ze helemaal naar de voorste rijen van het publiek toe. Ik loop snel naar de goede kant en plof neer op de grond om prachtige close-ups te maken. Dit is helemaal super.
Helaas is het intussen ook half twaalf. Sangay weet mij te vinden tussen de enorme mensenmassa en zegt dat we nu echt moeten gaan. Ik denk er nog over om mijn lunch weer te laten schieten, maar dan maak ik het de gids en de chauffeur wel lastig, want je komt niet zo makkelijk met de auto in de buurt van de dzong. Bovendien zou Sangay proberen bij Mystic Taste te reserveren en dat zou ik niet willen missen.

Helaas wordt het geen Mystic Taste. Volgeboekt, zegt Sangay. Ik vermoed eerder dat Sonam het te duur vindt. Het wordt nu een restaurantje op de hoek waar de agent het verkeer regelt. Net zo goed als Mystic Taste, zegt Sangay. Aan mijn hoela. Het is niet zo slecht als het eten in het River View Hotel, maar echt smakelijk is het ook weer niet. Bovendien stelt de bediening weinig voor. Het eten wordt opgediend en verder is er de hele middag geen personeel meer te bekennen. Geen drankje dus.
Rond half een verlaten we Thimphu via de weg richting Puentsholing. Op de tweebaansweg moeten we af en toe uitwijken voor koeien. Ik ben steeds net te laat om de videocamera aan te zetten.
Voor de laatste keer geniet ik van het prachtige landschap, want dit wordt de laatste lange rit. Vanuit Paro gaan we nog wel naar het Tiger’s Nest, maar dat is maar een klein eindje. Ik zal Bhutan erg missen. Het blijft onvoorstelbaar dat tussen het uitgewoonde India en China zo’n mooi land ligt.
We stoppen even bij de wegsplitsing, waar de zoveelste politiecontrolepost is. Voorbij de brug stoppen we opnieuw om drie stupa’s te bekijken. Het zijn een Bhutaanse, Nepalese en Tibetaanse stupa, die gebroederlijk naast elkaar staan.

We rijden verder door de Paro Vallei, waar vooral veel rijst verbouwd wordt. Het is de bekende rode rijst die alleen in Bhutan groeit. Doordat er maar weinig land in cultuur gebracht mag worden, wordt er niet genoeg geoogst voor de hele bevolking. Uit India wordt witte rijst geïmporteerd.
Rond een uur of twee naderen we Thimphu. Ik had Sangay gevraagd of we nog drie religieuze gebouwen in het dorpje Bondey konden bekijken. Dat ligt aan het einde van de enige start- en landingsbaan in Bhutan. In plaats daarvan rijden we een bergweg op om een paar uitzichtpunten te bereiken. Sangay heeft zijn programma voor vandaag al klaar en lijkt daar liever niet vanaf te willen wijken.

Het uitzicht is inderdaad de moeite waard. Aan de ene kant van de berg is een vallei met rijstvelden te zien. Vanaf de andere kant kijk ik over het kleine stadje Paro en het vliegveld uit. In de verte hangt een zware bui onder het grijze wolkendek. Opnieuw slaat het weer om in de namiddag.

Iets verder stoppen we nog een keer voor een beter uitzicht over het vliegveld. Het geeft mij geen goed gevoel dat dit straks het laatste zal zijn wat ik zo ongeveer van Bhutan zal zien. Over twee dagen zit de rondreis erop. Na twaalf dagen, maar het lijkt veel langer, door de vele bijzondere ervaringen.
We gaan eerst naar de Paro Dzong, omdat het nog net redelijk weer is en het er naar uitziet dat het gaan regenen. Het National Museum staat ook op het programma, maar dat lijkt mij meer een attractie voor als de regen eenmaal is losgebarsten.

De Paro Dzong, eigenlijk Rinchen Pung Dzong geheten, is weer een enorme burcht, die trots over het dal uitkijkt. We stoppen voor een houten brug die we lopend oversteken. Yishi gaat niet mee. Die heeft geen zin in de toch wel forse klim naar boven. Nog even een beetje training voor de zware wandeltocht naar het Tiger’s Nest morgen.

De ingang van de dzong is een z-vormige gang met prachtige muurschilderingen. Dan betreden we de binnenplaatsen en bezoeken we de opvallend lege gebedsruimte. In een soort glazen kooi staat de Boeddha voor medelijden, legt Sangay uit. We bekijken verder de muurschilderingen, die met grote gele doeken tegen stof worden beschermd.
We verlaten de dzong via een andere route om met de auto verder omhoog te rijden naar het Nationale Museum. Dit is gevestigd in een oude uitkijktoren, die in 1968 tot museum werd omgebouwd. Het gebouw zelf staat er al sinds 1656.

De camera mag niet mee naar binnen. Zelfs mobiele telefoons zijn verboden, omdat daarmee tegenwoordig ook foto’s gemaakt kunnen worden.
In het gebouw leidt een ingewikkeld gangenstelsel de bezoeker langs alle fasen van de Bhutaanse geschiedenis. Er is aandacht voor schilderkunst, voor beeldhouwkunst, gebruiksvoorwerpen en zelfs natuurhistorie. Op zes verdiepingen zijn elke keer weer andere thema’s te zien, waaronder een uitgebreide postzegelverzameling. Bhutan staat bekend om zijn postzegels. Als ergens in de wereld iets bijzonders gebeurt, zoals de landing op de maan, geven de Bhutaanse posterijen daar speciale postzegels voor uit. De meest bijzondere zegels zijn uitgevoerd als grammofoonplaat. Op andere etages zijn opgezette dieren te zien, antieke kledingstukken en wapens. De wapens zien er bijzonder antiek uit en zijn gebruikt in de strijd tegen Tibetaanse indringers. Verder zijn er allerlei gebruiksvoorwerpen te zien uit het verleden. Een van de hoogtepunten is een enorm stuk houtsnijwerk. Een reusachtig bouwsel van allerlei Boeddhabeelden, moet wel zo ongeveer het hoogtepunt zijn van wat er van dit soort kunst te zien is. Het object is meer dan twee meter hoog en twee meter in omtrek en bestaat uit honderden kleine beeldjes, die tot een harmonieus geheel zijn verenigd. Op de benedenverdieping is verder een schaalmodel te zien van de Taktsang Lhakang, ofwel het Tiger’s Nest, waar we morgen naar toegaan.

Na het museum is er geen tijd meer voor andere bezienswaardigheden, maar is het nog te vroeg om al naar het hotel te gaan. Ik hoor van Sangay, dat ik vannacht in het Gangtey Palace Hotel verblijf. Ik had hierom gevraagd in een van mijn laatste mails aan Sonam en ik ben blij verrast dat zij mijn verzoek gehonoreerd heeft. Het is bijna vijf uur en ik spreek met Yishi en Sangay af dat zij mij om half zeven mogen ophalen. Ik wil nog wat souvenirs kopen.

In een van de winkels koop ik een landkaart van Bhutan, hoewel ik 700 Ngultrum eigenlijk veel te duur vind. Ik maak wat foto’s van het fraaie en gemoedelijke Paro en koop in andere winkels nog een mooi Bhutan-petje en een setje munten, die vroeger in het land werden gebruikt. Nu zijn de munten afgeschaft en is 5 Ngultrum (7,5 eurocent) het kleinste betaalmiddel. Alle prijzen in winkels worden op 5 Nu afgerond.

Ik maak wat foto’s van de verlichte Paro Dzong, terwijl het inmiddels donker is geworden. Dan kom ik in de hoofdstraat Sangay tegen. Samen lopen we naar de auto en rijden we naar het hotel, dat verder buiten de stad ligt dan ik verwacht had. Dat wordt geen stappen vanavond.
Het Gantey Palace Hotel ziet er prachtig uit. Het is een oud gebouw, volledig in traditionele stijl gebouwd. Het lijkt wel een kleine dzong. Ik krijg kamer 211, waar mijn rugzak al neergezet is. De kamer ziet er ook prachtig uit. Bijzonder sfeervol. Het is wel gehorig in het hotel. Geluiden van andere gasten zijn duidelijk te horen en buiten blaffen honden. Zal ik mijn oordopjes de komende nachten toch nog nodig hebben?

Half acht ga ik naar het restaurant. Het buffet is niet super, maar het kan er mee door. Ik neem wat witte rijst, een groenteprutje, wat vlees en smakelijke tahoe. Ik bestel er ook maar weer eens een 11000 biertje bij, want ik heb vandaag veel te weinig gedronken. Sangay schuift ook aan, maar eet zoals gewoonlijk niets. Hij heeft zijn avondeten al gehad en verblijft vannacht in hetzelfde hotel, al zal zijn kamer waarschijnlijk wat minder luxe zijn.
In de omgeving is niets te doen en Paro is te ver lopen, dus na het intypen van mijn verslag en het bekijken van de foto’s van vanochtend, houd ik het voor gezien. Morgen wordt het een zware dag, met de klim naar het Tiger’s Nest.

Woensdag, 30 september 2009

Al om zes uur word ik wakker. De lawaaiige buren, die het gisterenavond nogal laat hebben gemaakt, zijn ook al wakker. Slapen zal dus niet meer lukken. Ik gebruik de extra tijd maar om eens uitgebreid te douchen. Het ontbijt is weer op zijn Buthaans. Toast met honing en een gebakken eitje. De koffie is trouwens goed te drinken in dit land. Tegen half acht schuift Sangay aan en korte tijd later gaan we op weg naar het ongeveer twintig kilometer ten noorden van Paro gelegen Tiger’s Nest.
Het is vandaag bewolkt, maar op de een of andere manier ziet het er naar uit dat het wel een mooie dag gaat worden. Het is eigenlijk wel heel prettig dat het nog niet zonnig is, want dat zou de enorme klim naar het Tiger’s Nest nog zwaarder maken.
We stoppen op een parkeerplaats aan de rand van het naaldbos, dat de hele berghelling bedekt. Er staan al vrij veel auto’s en busjes, dus we zijn bepaald niet de eersten. We gaan op pad. Yishi gaat ook mee. Dat vind ik wel dapper van hem, want hij is niet het type sportman. Hij laat zich ook niet snel kennen en hij weet ons vrij hoge klimtempo goed bij te houden.

Het is een zware tocht naar boven. Het pad is slecht van kwaliteit en blijft maar stijl omhoog gaan. Door het lage zuurstofpercentage op deze hoogte, moet ik de hele weg naar lucht happen.
Voor wie niet kan of geen zin heeft om te lopen, zijn er paarden te huur. Het valt mij op dat vooral wat jongere mensen daarvan gebruik maken, terwijl ouderen te voet gaan. Ik heb respect voor de mensen die veel ouder zijn dan ik en toch lopend de tien kilometer afleggen, waarbij een hoogteverschil overbrugd moet worden van achthonderd meter.

Af en toe kijk ik door de bomen of er al iets te zien is, maar het Tiger’s Nest moet nog in de wolken liggen. De zon probeert voorzichtig door te breken. Ik ben er nu zeker van dat het een ideale dag gaat worden wat het weer betreft. We lopen door zonder te rusten, behalve als ik even wil stoppen om foto’s te maken. Er gaan al veel mensen naar boven. Slechts een kleine minderheid gaat te paard. Ik ben daar wel blij om, want het is niet prettig om zo’n groep beesten te moeten passeren op het smalle, onregelmatig bergpaadje.

We passeren ook een groep Nederlanders. Vrij veel Nederlanders trouwens. Het is verstandig om zo vroeg aan de klim te beginnen, want nu is de temperatuur nog dragelijk. Niettemin krijg ik het enorm heet. Ik hang mijn nekportemonnee maar boven mijn kleren, om te voorkomen dat mijn paspoort kleddernat wordt. Daar heb ik al eens eerder problemen mee gehad. Het is een zeer zware tocht en nog steeds is niets van het Tiger’s Nest te zien. Ik hoop dat de wolken toch zullen verdwijnen, anders is al deze moeite toch een beetje voor niets geweest.
Na drie kwartier komen we bij de op 2940 meter hoogte gelegen Taktsang Cafetaria aan. In deze uitspanning rusten we even uit. Normaal kan je hiervandaan heel mooi het klooster op de bergwand zien liggen, maar vanochtend niet. We zitten vlak onder het wolkendek. We nemen de tijd, want het heeft weinig nut om nu al naar het Taktsang Lhakhang te gaan. Ik wacht liever nog even tot de bewolking wat is weggetrokken. We nemen een kop koffie en wachten af.
Na een half uurtje dringt Sangay toch op vertrek aan. We gaan verder. We moeten nu een heel eind naar beneden om een bruggetje over een waterval over te steken. Heel vaag komt het einddoel in zicht. Overal wordt blauwe lucht zichtbaar, dus als we aankomen zal het waarschijnlijk zonnig zijn. Het had niet beter gekund.
Na de waterval gaat het weer stijl omhoog. Er is wel een trap gemaakt, maar de treden zijn zo klein en onregelmatig, dat het uitkijken geblazen is. Dan zijn we eindelijk bij het beroemde Tiger’s Nest aangekomen.

We zijn op 3140 meter boven zeeniveau. Een teleurstelling volgt als Sangay vertelt dat er geen tassen en al helemaal geen camera’s mee naar binnen mogen. Zelfs mobiele telefoons zijn taboe. Met tegenzin geef ik mijn tas af. Ik moet er niet aan denken dat die gestolen wordt. Al mijn foto’s staan op de harde schijf die ik om veiligheidsredenen altijd bij mij heb.
We gaan het klooster in. Dan begrijp ik wel waarom er geen camera’s mee mogen. Er is geen binnenplaats en van de gebouwen is weinig te zien. Al wat we zien zijn gebedsruimten en daar binnen mag in heel Bhutan nu eenmaal tot mijn grote verdriet niet gefotografeerd worden.

We bekijken de ruimtes, die zeer heilig schijnen te zijn. Volgens Sangay moet iedere Bhutaanse Boeddhist minstens eenmaal in zijn leven het Tiger’s Nest hebben bezocht. In een van de gebedsruimtes is een diep gat in de vloer. Het is een meditatiegrot. In een andere ruimte, waar een deel van de muren uit de omringende rotsen bestaan, is een meditatiegrot waar de beroemde Guru Rinpoche drie maanden, drie dagen en drie uren heeft gemediteerd, nadat hij er met zijn vliegende tijger was geland en de demon Singey Samdrup had verslagen. In 1692 is rond de heilige grot het klooster gebouwd. Dat moet een enorme prestatie zijn geweest, want de plek is nu nog moeilijk te bereiken, maar in het begin zal dat nog veel lastiger zijn geweest. Intussen moest wel al het bouwmateriaal naar boven gedragen worden en moesten er flinke stukken rots worden weggehakt.

19 april 1998 voltrok zich een ramp in het Taktsang Lhakhang. Er brak brand uit en vrijwel het hele klooster en alle inventaris werden verwoest. Binnen twee jaar gaf de koning opdracht tot herbouw en vijf jaar later werd het huidige klooster ingewijd. Opnieuw moet het een ongelooflijk zware prestatie zijn geweest. De bouwmaterialen werden ditmaal met een kabelbaan aangevoerd.

Na de laatste tempel bekeken te hebben, beginnen we aan de terugtocht. De lucht is nu wolkeloos en ik ben blij dat we zo vroeg vertrokken zijn. Eerst gaat het weer naar beneden, naar de waterval. Daarna nog een flink stuk omhoog. Ik ben opgelucht als we het hoogste punt van het pad bereikt hebben en alleen nog maar afdalingen voor de boeg hebben. We pauzeren weer even bij de cafetaria, waar we nu een prachtig uitzicht hebben op het Tiger’s Nest. Dan begint de lange wandeling naar beneden. Dat gaat snel en makkelijk, maar het is wel uitkijken geblazen, want je breekt makkelijk een been op het bergpad en bovendien liggen overal paardendrollen.
Na een klein half uur zijn we terug bij de auto en rijden we naar het Yak Herders Restaurant voor de lunch. Er is een soort buffet met redelijk eten. Ik werk het naar binnen, zodat we snel weer verder kunnen. We rijden naar de ruïne van de Drukgyel Dzong. Dit was ooit een trotse burcht van waaruit de Paro Vallei beschermd werd tegen oorlogzuchtige Tibetanen. Nu is het nog slechts een geblakerde puinhoop, nadat er in 1951 een grote brand heeft gewoed.

Er zijn volgens Sangay plannen voor renovatie, maar wanneer die zal plaatsvinden is niet bekend. We lopen over de binnenplaats en zien dat alleen een vijf etages hoog gebouw de ramp redelijk doorstaan heeft. Heel wonderlijk is een oude boom, die nog steeds sporen van de brand vertoont, maar wel al weer vol bladeren zit. Een wonder, zegt Sangay.
Via een moeilijke route lopen we terug. Ooit was hier een trap naar een groot waterreservoir, maar noodweer heeft de treden weggespoeld, waardoor het nu meer op een ruwe glijbaan lijkt. Ik glij een paar keer uit, maar weet toch mijn evenwicht te bewaren. Sangay, die op eenvoudige sportschoenen loopt, heeft minder moeite met het lastige terrein.

We rijden terug naar Paro. Sangay stelt voor dat ik een paar uur ga rusten in het hotel, maar dat ga ik natuurlijk niet doen op de laatste dag. Ik zeg dat hij mij in de stad mag afzetten en dat hij mij op dezelfde plaats maar weer rond een uur of zes moet ophalen. Er is nog genoeg te zien in het stadje.
Eerst loop ik naar een Tibetaans tempeltje. Er is niets te beleven, maar het staat mooi tussen de rijstvelden.

Dan ga ik naar het boogschieten kijken, de nationale sport van Bhutan. De deelnemers zijn er erg handig in. Aan beide zijden van een ongeveer tweehonderd meter lange baan, staan doelen opgesteld. Naast de doelen hangen fel gekleurde vaandels die de stand aangeven. Met luid geschreeuw worden van een kant pijlen afgeschoten. Na een tijdje is de andere partij aan de beurt en gaan de pijlen de andere kant op. Ik hoop dat de mannen goed kunnen mikken, want als iemand last van gladde vingers heeft, zou iemand door zijn pijl getroffen kunnen worden. En het zijn geen pijlen met zuignapjes. Als ik het gezien heb, loop ik nog even in de richting van de Paro Dzong.

Ik mag er zonder gids wel niet in, maar ik had nog geen foto’s van de buitenkant met zonneschijn. Ik voel wel dat ik nu erg moe ben geworden. Dit is mijn zwaarste dag in Bhutan tot nu toe. Op een parkbankje ga ik met een flesje cola naast mij een begin maken aan het verslag van vandaag. Ik probeer Tshering Penjore nog te bellen, maar een bandje vertelt mij dat met mijn nummer niet gebeld kan worden. Merkwaardig, want ik had nog 37 Ngultrum beltegoed na mijn laatste telefoontje. Ik moet Sangay maar even vragen of ik zijn telefoon mag gebruiken.

Rond zes uur tref ik Sangay en Yishi op de afgesproken plaats. Ik geef de gids mijn ansichtkaarten, want ik heb in heel Paro geen brievenbus kunnen vinden. Hij belooft de kaarten in Thimphu te zullen bezorgen. De gids vraagt of het uitkomt dat Sonam mij belt. Als ze dat voor het eten doet, wel natuurlijk. Vrijwel direct gaat mijn telefoon. Het is Sonam, die vraagt hoe ik het gehad heb en of alles naar wens geweest is. Hoewel ik het flauw vind dat zij elke keer een ontmoeting uit de weg is gegaan, laat ik dat niet merken. Ze heeft toch ook wel erg haar best gedaan om het mij zoveel mogelijk naar de zin te maken in Bhutan. Het is een geweldige reis geweest en dat is niet op de laatste plaats te danken aan de keuzes die zij heeft gemaakt voor mijn gidsen, de chauffeur, de hotels en de auto. Ik dank haar en beloof contact te houden via de mail. Ik informeer ook of zij nog iets weet over Tshering. Ik begrijp haar niet helemaal, maar wel schijnt er zeven dagen na het overlijden iets belangrijks te gebeuren. Vandaar dat ik hem telefonisch niet te pakken krijg waarschijnlijk. Sangay en Yishi lukte het ook niet. Ik dank Sonam voor haar belletje en haar goede zorgen en dan bereiken we het restaurant, waar we vanavond gaan eten, omdat ik mijn laatste avond in Bhutan niet in het hotel wilde dineren. Het is een gezellig restaurant, al zijn er niet veel gasten. Ik had verwacht dat Sangay en Yishi mee zouden eten, maar na enige tijd aan tafel gezeten te hebben, gaan zij toch weer in de keuken hun eigen prakje eten. Ik krijg weer veel te veel opgediend. Ik eet maar zoveel mogelijk, want morgen in India is het weer gedaan met de maaltijden op gezette tijden.
Al rond een uur of acht rijden we terug naar het hotel. Op de berghelling zie ik de verlichte Paro Dzong en het eveneens verlichte National Museum. Wat zal ik Bhutan gaan missen vanaf morgen. Ik moet al om half zes ontbijten. Dat wordt dus vroeg slapen. Ik maak mijn bagage al zoveel mogelijk reisklaar, zodat dat niet morgenochtend vroeg hoeft te gebeuren. Ik hoop dat de buren zich een beetje gedeisd houden vanavond, al hoor ik ze al weer druk in gesprek als ik het verslag zit uit te typen.

Donderdag, 1 oktober 2009

Helaas, het zit erop. Na een slechte nachtrust door buren die zo ongeveer de hele nacht hebben zitten praten en lachen, sta ik om vijf uur op. Mijn spullen had ik gisterenavond al klaar gezet, dus ik ben mooi op tijd in de ontbijtzaal. Ik had meer mensen verwacht. Ik had nog tegen Songay gezegd, dat het personeel niet speciaal voor mij heel vroeg hoefde op te staan. Ik voel mij nu toch wel een beetje bezwaard, dat drie leden van het personeel al om half zes het ontbijt hebben voorbereid. Om tien voor zes vertrekken we. Het is een flink stuk omrijden van Paro naar het vliegveld.
Tien over zes zijn we er. Ik neem afscheid van Sangay en de altijd trouwe Yishi. Voor hen breken eindelijk een paar vrije dagen aan. Binnen in de vertrekhal staat al een behoorlijke rij. Ik begin te twijfelen of ik nog de fel begeerde raamplaats aan de rechterkant zal kunnen krijgen.
Het wachten duurt eindeloos. Eerst wordt alle bagage gecontroleerd. Dan kom ik in de tweede rij voor de incheckbalie te staan. Voor mij staat een groep Duitsers, dus dat wordt lang wachten. Als ik eindelijk aan de beurt ben, word ik met plaats 9b afgescheept. Er zijn nog raamplaatsen, maar die zijn door groepen gereserveerd, zegt de grondstewardess. Ik baal er behoorlijk van. Ben ik daarom zo vroeg opgestaan? Sonam had gezegd dat plaatsen niet vooraf gereserveerd konden worden. Dat had ik dus ook zelf moeten regelen. De paspoortcontrole volgt. Ik word teruggestuurd, omdat ik nog een formuliertje moet pakken en invullen. Als ik daarmee klaar ben, staat er weer een rij Duitsers voor mij. Opnieuw worden de passagiers en de handbagage gecontroleerd. Men is wel heel erg zorgvuldig hier.
In de wachthal is draadloos internet, dus ik grijp mijn kans om een mailtje te sturen en nog wat informatie over Delhi op te zoeken. Om kwart voor acht mogen de passagiers naar het vliegtuig. Het is een korte wandeling naar de Airbus 319 van Druk Air. Een van de twee toestellen, van deze Koninklijke maatschappij die in Bhutan het alleenrecht heeft. Hoewel ik vrij voorin zit, moet ik via de achterste trap naar binnen. De voorste trap is alleen voor de Executive Class.

Ineens wordt een rode loper uitgerold en vormen soldaten een erewacht. Er gaat een lid van het Koninklijk huis met deze vlucht mee. Dan zal er wel extra zorgvuldig worden gevlogen, denk ik maar. Ieder omroepbericht begint nu met Royal Highness, Ladies and Gentlemen.
Met maar vijf minuten vertraging wordt het toestel naar achteren geduwd, direct de startbaan op. Dat is nog eens iets anders dan het taxiën naar de Polderbaan. Wel moeten we eerst naar het einde rijden om om te draaien en in tegengestelde richting op te stijgen. Dan brullen de motoren en neem ik definitief afscheid van het land waar ik twaalf dagen lang zo’n plezierige tijd heb doorgebracht. Delhi zal zwaar tegenvallen met zijn hitte en vervuiling.

Het vliegtuig draait een paar keer van richting om hoogte te winnen en voor de laatste keer zie ik de groene valleien van Bhutan. Veel zie ik er niet van vanaf mijn plaats in het midden van de rij aan de verkeerde kant. Ik had brutaler moeten zijn, want er waren nog twee plaatsen voor de nooduitgang aan de goede kant vrij. Ik was van mening dat die plaatsen expres vrijgehouden werden. Misschien is dat ook wel zo, maar nu zit er een dikke Duitser en de stewardessen, de mooiste Bhutanen die ik tot nu toe gezien heb, zeggen er niets van. We krijgen een verfrissingdoekje, dat ik bewaar voor als ik het harder nodig zal hebben dan nu. Even later wordt zelfs een maaltijd geserveerd. Gezien de kwaliteit van het Bhutaanse vlees, kies ik maar voor de vegetarische variant. Het is te eten, al is het sausje bij de dumsims veel te heet, vanwege de typische Bhutaanse, maar voor ons niet te eten pepertjes.

De vlucht duurt lang, maar uiteindelijk landen we met maar vijftien minuten vertraging op Delhi. Net als in Bhutan, is het hier stralend weer, alleen wel veel warmer. Ook is de atmosfeer troebel van de smog. Het ziet er allemaal weinig verlokkelijk uit.
Bij de douane weer het bekende tafereel met de gezondheidscontrole in verband met de Mexicaanse Griep, die hier netjes Influenza A, 1N1H genoemd wordt met tussen haakjes ‘swine flu’. Ik heb geen koorts, dus kom ik probleemloos langs de gemaskerde verpleegkundigen. Bij de douane moet ik lang wachten, omdat ik in de verkeerde rij sta. Ik ben zo ongeveer de laatste van wie het paspoort gestempeld wordt. Mijn rugzak ligt al op de lopende band, als ik daar aankom.
Om niet meteen weer opgelicht te worden, koop ik een taxikaartje bij de prepaid-balie. Een ritje naar het Nizumuddin Station komt op slechts 300 rupees, wat ongeveer vier en halve euro is. Voor het ritje naar het vliegveld voor binnenlandsverkeer, anderhalve week geleden, was ik meer kwijt. Taxichauffeurs zijn over het algemeen niet te vertrouwen in India.
Met moeite weet ik een busje te vinden, dat nog vrij is. Met een hoop getoeter en gescheld rijden we al snijdend het luchthaventerrein af. Op de snelweg naar de stad is het gelukkig niet druk, zodat er redelijk normaal gereden kan worden. De hitte is verlammend. Ik ga niet veel doen vandaag. Eerst maar een beetje acclimatiseren.

De verkeerschaos valt enorm mee naar Indiase maatstaven. Alleen bij sommige kruispunten is het dringen en hevig toeteren, omdat er geen verkeerslichten zijn. Na een tijdje rijden we langs het National Rail Museum. Daar wil ik vandaag naar toe, maar eerst naar het hotel om in te checken en mijn zware rugzak te dumpen. Vanaf het station moet ik zoeken. Ik weet wel in welke richting ik moet lopen, maar niet precies waar het hotel is. Er circuleren diverse kaartjes op internet, waarop het hotel op verschillende plaatsen staat aangeduid. Ik heb echter geluk, want ik loop er vrijwel tegenaan. Bij de receptie schijnen ze niets te weten van mijn reservering, maar er zijn kamers zat, dus dat maakt niet uit. Helaas zijn alle kamers aan de drukke verkeerswegen, die elkaar voor het hotel ontmoeten. Dat wordt slapen met oordopjes vannacht.
De kamer is verder wel prima. Ik ben nog niet zo heel erg vies, dus ga ik meteen op pad. De eerste chauffeurs van motorriksja’s denken dat ik naar het National Museum wil, in plaats van het National Rail Museum. De mannen hebben geen flauw idee waar het spoorwegmuseum is, merk ik al direct. Ineens komt er een wat slimmere chauffeur naar mij toe, die zowaar Engels spreekt en wel weet waar het National Rail Museum is. We spreken een tarief af van 140 rupees, wat eigenlijk nog steeds te hoog is, maar voor die twee euro ga ik het hele eind ook niet lopen in de hitte.
Op de kaart lijkt het een kilometer of zes, maar het is dik een half uur jakkeren met het pruttelding. Even mag ik nog aan Bhutan ruiken, als blijkt dat het spoorwegmuseum naast de Bhutaanse ambassade ligt. Het ambassadecomplex is uiteraard in de voorgeschreven stijl gebouwd. Het wakkert wel meteen de heimwee aan. Al is het maar naar het heerlijke klimaat van het land. Ik begrijp niet hoe de Indiërs het uithouden in deze verstikkende hitte. Je zal er maar geboren zijn.

Voor slechts tien rupees, ofwel vijftien cent, mag ik het museum in. Als ik wil filmen, kost mij dat echter nog eens honderd rupees. Dat laat ik dus maar zitten. Afgezien van een soort kindertreintje, rijdt er toch niets.
Ik begin bij het hoofdgebouw, waar het dankzij de airco aangenaam koel is. Er staan allerlei schaalmodellen van locomotieven en treinen. Verder zie ik er foto’s en de schedel van een olifant, die in 18zoveel een botsing met een trein niet overleefde. Er hangen ook foto’s van beroemde reizigers, zoals Mahatma Gandhi. De Indiase spoorwegen beschikken over maar liefst zeventigduizend kilometer spoor.

Buiten staan vooral locomotieven en een paar bijzondere wagons, zoals het salonrijtuig van de maharadja van weleer. Het kost 50 rupee om het van binnen te mogen bekijken, maar omdat er in geen velden of wegen personeel te bekennen is, gaat dat feest niet door. Ook de catering werkt niet optimaal als ik een fles bronwater wil kopen. Uiteindelijk komt er toch iemand en kan ik de koude plastic fles gebruiken om mijn intussen oververhitte lichaam een beetje af te koelen. Ik ga maar niet meteen drinken, want dat kan verkeerd vallen.

Na alles twee keer bekeken te hebben, sluit ik het bezoek af met een ritje in het rondrittreintje. Helaas zijn de ramen zo laag, dat volwassen passagiers van Europese lengte, alleen de grond voorbij zien komen. Ik moet in een soort yogahouding om nog iets van de collectie te kunnen zien.
Ik besluit een eindje te gaan wandelen, maar dat is al snel niet meer om uit te houden. Ik neem op goed geluk een bus. Waar die naar toe gaat, is niet te zeggen, want de bestemmingen staan bij Indiase bussen alleen in het Hindi aangegeven. De conducteur vraagt in een onverstaanbare taal waar ik naar toe wil. Ik haal mijn schouders op. Weet ik veel. Ik geef een biljet van 10 en krijg een aantal munten terug. Op het uit de Lonely Planet gekopieerde plattegrondje probeer ik de route te volgen, maar na een tijdje raak ik het spoor bijster, totdat we lang het filateliemuseum rijden. Dat staat op de kaart, zodat ik weer weet waar ik ben. Voordat de bus de kans krijgt om de verkeerde kant op te rijden, spring ik eraf om de rest van de afstand tot Connaught Place te voet af te leggen.

Ik kijk er maar even rond, want het wordt tijd om naar het hotel terug te gaan en mijn zware fototas daar achter te laten. Ik wil die spullen niet meenemen, als ik in het centrum een hapje ga eten. Bij een kiosk, koop ik voor slechts 57 rupees een kaartje voor de Motorriksja naar Nuzimuddin. Dat is dus het echte tarief. Goed om te weten, al zijn de Indiërs soms harde onderhandelaars als het om het vervoeren van toeristen gaat. Een riksja brengt mij naar het station, waarna ik terugloop naar het hotel. Onderweg, zag ik een paar interessante monumenten. Kijken of ik daar morgen naar toe kan om foto’s te maken.
Op weg naar de stad, probeert iemand mij in een taxi te krijgen, terwijl ik een prepaidkaartje voor een motorriksja had willen kopen. De man wil 50 ruppee commissie, terwijl de chauffeur 150 rupees verwacht. Boos stap ik uit en vertel ik de mannen dat ik niet voor het eerst in India ben. Dat is nog waar ook. Een vriendelijke motorriksjachauffeur wil mij wel voor honderd rupees naar de stad brengen. Ik ga akkoord.
Het prettige van Delhi ten opzichte van Kolkata is dat de stad overzichtelijker is en dat straatnamen staan aangegeven. Vooral dat laatste helpt behoorlijk bij de oriëntatie. Het Connaught Place is een enorm plein, met rondom cirkelvormige wegen. Er is markt, waar de kooplui met veel lawaai hun spotgoedkope handelswaar aan de man en vooral de vrouw proberen te brengen. Na wat menukaarten bekeken te hebben, kies ik voor een bluescafé, waar buitenlanders, maar ook veel Indiërs zitten. Dan zal het wel in orde zijn.
Een zanger en een zangeres zingen bekende nummers. De man speelt er ook gitaar bij en de vrouw heeft een groot uitgevallen rammelaar, ter begeleiding van de muziek die voor een belangrijk deel geplaybackt wordt. Ze zingen prachtig en als je niet kijkt, zou je niet denken dat het Indiërs zijn. Ik bestel een fles Indiaas bier, met de Engelse naam Fosters. Als maaltijd kies ik voor kippensoep en vegetarische lasagne. Het smaakt prima, terwijl ik verder van de muziek geniet. Helaas zit een nogal irritante Indische jongen naast mij luid mee te zingen, wat de kwaliteit van de beleving niet bepaald bevordert.
Na het eten loop ik richting het New Delhi Railway Station, waar elke avond een gezellige, kleurrijke bazaar plaatsvindt. Het is een gezellige buurt, maar met nog meer lawaai dan waar ik nu zit.
Ik raak een beetje de weg kwijt, dus ik ben blij als een riksjachauffeur stopt en mij voor honderd rupees terug naar het hotel wil brengen. Ik noem maar weer de naam van het station, want van Preet Palace Hotel hebben de chauffeurs toch nog nooit gehoord. Als we langs het hotel rijden, vraag ik hem te stoppen. Dat scheelt weer teruglopen.
De receptionist heeft slecht nieuws. De elektriciteit is uitgevallen en daardoor is er geen airco en zelfs geen water. Vooral dat laatste vind ik vervelend, want ik kan met zo’n vies en kleverig lichaam beslist niet slapen. De verlichting en de plafondventilator doen het nog wel. Ik ga maar vast aan mijn verslag werken. Als ik halverwege ben, komt er weer voorzichtig wat water uit de douche. Het houdt allemaal niet over en ook het bed is keihard. In combinatie met de herrie buiten, vind ik Preet Palace Hotel achteraf geen goede keuze. Maar ja, het moet maar voor twee nachten. Hopelijk is het Sheela in Agra een stuk beter.

Vrijdag, 2 oktober 2009

Ondanks het slechte comfort van het Preet Palace Hotel slaap ik goed. Maar wel kort. Half zeven word ik wakker. Verder slapen heeft niet veel zin. Ik zet de airco aan, want de temperatuur in de kamer is vannacht opgelopen tot boven de 31 graden. Als het dragelijk is geworden, neem ik een koude douche, maar veel helpt het niet. Zodra ik de douche dichtdraai, breekt het zweet mij alweer uit. Ontbijt gebruik ik liever niet in het vieze hotel, als het al bij de prijs is inbegrepen. Ik neem het besluit om rond Connaught Place een ander hotel te zoeken. Ik moet zaterdagavond dan wel weer met een autoriskja naar het centrum, maar daar staat tegenover dat ik dan midden in het uitgaansgebied ben en dicht bij de plaats waar ik mijn stadstoer zondag begin en eindig. Ik laat de rugzak in het hotel achter en wandel op goed geluk een straat in. De straat gaat over in een lang viaduct zonder schaduw, dus ik maak rechtsomkeert. Ik spring op een willekeurige bus en kijk rond of ik iets interessants zie, om er dan meteen weer vanaf te springen.

Het eerste interessante is de Sher Shah-poort. Het is slechts een overblijfsel van een ooit groot bouwwerk, maar het is wel echt India. Langs de voormalige oprijlaan wonen nu arme mensen in hutten van tentzeil en andere rommel.
Tegenover de Sher Shah-poort is een gebouw, dat verder niet op mijn kaart staat beschreven. Ik waag het erop, maar ik moet een kaartje kopen van honderd rupees. De Indiërs hoeven maar vijf rupees te betalen. Ik heb nog wel een biljet van honderd, maar ik wil kleingeld hebben, dus betaal ik met een duizendje. Daar heeft de man achter de kassa niet van terug. Zo gaat het aldoor in India. Je hebt even weinig aan briefjes van duizend als in Nederland aan briefjes van vijfhonderd euro. Het verschil is dat duizend rupees maar vijftien euro is. Iedereen wil altijd gepast geld hebben, maar ik kan toch niet mijn geld in briefjes van tien rupees laten omwisselen. Honderd euro zou mij dan zevenduizend briefjes van tien opleveren. Dat is een enorm pak geld.

Ik loop naar de India Gate. Die is wel een foto waard. Dan slenter ik verder om een straat verder weer een bus te pakken. Deze gaat naar Scindia House en dat is precies waar ik wezen moet. Na aankomst zoek ik naar het kantoor van de busmaatschappij om voor zondag een stadstoer te reserveren. Echter, bijna alles is dicht vandaag, wegens de geboortedag van Mahatma Gandhi. Bovendien kan ik het kantoortje niet vinden.
Een man spreekt mij aan of hij mij kan helpen. Ik leg uit dat ik het kantoor van de busmaatschappij zoek voor een stadtoer. Hij weet wel een ander adres en neemt mij mee naar een boekingskantoortje om de hoek. Ik heb er niet zoveel zin in, maar ik kan altijd nog nee zeggen. De mensen van het kantoortje op de tweede verdieping van een van de gebouwen langs de buitenring van Connaught Place zijn echter heel vriendelijk. Voor tweehonderd rupees bieden ze een toer aan die half negen begint en tot vijf uur duurt. Ze vragen ook of ik nog een hotel nodig heb. Ik geef toe dat dit het geval is. Op Connaught Place zouden de hotels erg duur zijn, maar er vlakbij weet hij wel een adresje waar ik voor tweeduizend rupees een uitstekende kamer kan krijgen. Een van de mannen brengt mij met de auto er naar toe. Het is het Blessing Hotel, dat er inderdaad erg netjes uitziet. Veel beter verzorgd en op een rustiger punt dan Preet Palace. Iemand van het hotel laat mij twee kamers zien. Ik vind het wel best. De kamers zien er verzorgd en schoon uit. Dat was bij Preet Palace ook wel even anders.
Het reserveren van de kamer gaat echter niet zo eenvoudig. Als ik vandaag al wilde inchecken, was dat geen probleem. Maar morgen inchecken wordt te ingewikkeld voor de eenvoudige receptionist. De man van het reisbureau zegt mij toe het in orde te maken. We rijden weer terug naar het reisbureautje, waar ik mijn voucher krijg. De man biedt mij ook aan mij van het station te halen, maar dat sla ik af. Ik kan beter eerst kijken of mijn trein morgenavond naar New Delhi Railway Station doorrijdt. Dan is het nog maar een klein stukje lopen naar het Blessing Hotel.
Ik ga wandelen over het Connaught Place, maar er is niet veel te doen. Wegens de geboortedag van Mahatma Gandhi is bijna alles gesloten. Ik besluit met de metro naar de Kashmere Gate te gaan. Het is net als in Kolkata een gedoe om erin te komen. Eerst wordt mijn tas nagekeken en controleert een beveiliger of ik geen wapens of bommen op zak heb. Voor zes rupees krijg ik een munt, waarmee ik het poortje naar de perrons kan openen. Alles staat goed aangegeven en de metro komt snel. Hij doet er echter wel langer over dan ik verwacht had. Eenmaal bij de Kashmere Gate aangekomen blijkt dat ik mij de moeite had kunnen besparen. Behalve de gebruikelijke verkeerschaos is er niets te beleven. De poort zal er wel ooit gestaan hebben, maar dat is geschiedenis. Er is alleen nog een stuk stadsmuur te zien, maar dat is het fotograferen niet waard.
Ik ga weer terug naar Connaught Place om via de prepaid-kiosk een voordelig taxiritje naar het hotel te regelen. Een half uur later loop ik met rugzak naar het Nizamuddin Station voor mijn trein naar Agra. Ik ben er ruim op tijd. De trein ook. Kwart over een rijdt hij al het station binnen. Ik controleer maar wel even of het de goede is. Gelukkig staat het treinnummer op de zijkant en zijn zelfs de wagons genummerd, zodat ik voor de verandering heel snel mijn plaats vindt. In Kolkata was dat een hele uitzoekerij.
Ik ben meer dan tevreden met mijn plaats. Ik kan languit voor het raam zitten aan de kant waar ik geen last van de zon heb. De wagon heeft airconditioning, maar het is toch nog wel vrij warm binnen. Het is echter een verademing in vergelijking met buiten.

Precies op tijd, om kwart voor twee, zet de trein zich in beweging. Al snel laten we Delhi achter ons en beginnen de eindeloze boerenakkers. India is hier net zo vlak als Nederland en het valt mij op hoe dunbevolkt het is buiten de steden. De continu langslopende mensen en de mensen die in het gangpad bivakkeren, zijn vervelend, maar verder bevalt de treinreis mij uitstekend. Ik merk wel het slaaptekort van de laatste dagen. Elke minuut voel ik mij wegdommelen. Ik doe mijn best om wakker te blijven en de schreeuwende mensen en spelende kinderen helpen mij daar wel bij. Het zou niet handig zijn als ik vele kilometers na Agra zou wakker worden of als iemand mocht denken dat de bagage op mijn bank niet van mij is.
De rit zou twee uur duren, maar als we na twee uur rijden stoppen, heb ik niet de indruk dat ik in Agra ben. De conducteur bevestigt dit. Het is nog een paar stations verder. Dan zal de rit wel langer gaan duren. Twee stations en vijftig minuten later, rijden we dan toch echt Agra Canta binnen. Ik loop naar voren om het vertrek van de trein te filmen. Er komt ook een trein vanuit de andere richting binnen. Het aantal wagons is eindeloos en er reizen de meest kleurrijke figuren mee op de treeplanken voor de open deuren.
Buiten het station, waar aapjes over de daken lopen, probeert natuurlijk iedereen mij een taxiritje aan te bieden. Ik weet dat motorvoertuigen niet bij het Sheela Hotel mogen komen, dus ik probeer een fietsriskja te vinden. Daarvoor is het te ver, zegt de chauffeur van een autoriskja mij. Negen kilometer! Ik geloof het eerst niet, maar als hij mij voor 60 rupees naar het Sheela belooft te brengen, doe ik niet meer moeilijk.
Bij een wegwijzer stopt hij om mij te laten zien dat het echt negen kilometer is. Nu geloof ik het wel. Hij probeert mij eerst nog bij een ander hotel af te zetten met uitzicht op de Taj Mahal. Ik geloof er niets van en roep resoluut ‘Sheela’. Dan rijden wij verder tot het bord dat aangeeft dat motorvoertuigen niet verder mogen. Het is nog een klein stukje lopen naar de oostpoort en vandaar nog honderd meter naar het Sheela Hotel.

Het Sheela Hotel is een verademing na Delhi. Het is er warm, maar er is geen verkeerslawaai. Om het marmer van de Taj Mahal te sparen, mogen in zo’n tweehonderd meter rond de buitenmuren geen auto’s en autoriskja’s rijden. Brommers zie ik wel voorbij rijden, maar dat zijn er heel weinig. Geen lawaai dus vannacht. Tenminste, als de andere gasten zich een beetje rustig houden. Ik heb echter de indruk dat er niet veel gasten zijn. Dat kan te maken hebben met de vrijdag, waarop de Taj Mahal gesloten is. En vandaag, op deze nationale feestdag, is alles dicht. Dan is er dus niets te doen in Agra. Ik vind het best. Morgenochtend ben ik als eerste binnen. Ik hoor van de hotelbaas, dat de ingang vanaf zes uur open is.
Eigenlijk ben ik wel aan een douchebeurt toe, maar ik wil nog even van het laatste licht profiteren. Ik loop naar de rivier en dan zie ik het wereldwonder in alle glorie boven de rode buitenmuur uitprijken. Het is schitterend. Onder mijn voeten lijkt het de gebruikelijke vuilnisbelt en een val in de rivier zal wel mijn dood betekenen, maar wat ik recht voor mij uitzie is de andere kant van India.

Een weergaloze schoonheid, die ongenaakbaar zelfs de hitte doet vergeten. Ik wist wel dat de Taj Mahal heel mooi moest zijn, maar geen foto kan op tegen de echte belevenis. Ik maak wat foto’s bij verschillende lichtomstandigheden in de snel vorderende schemer. Dan bel ik mijn schoonouders op om ze met hun trouwdag te feliciteren en natuurlijk te vertellen dat ik naar het allermooiste gebouw van de wereld sta te kijken. Kort daarna bel ik thuis op, maar daar is net een feestje met de buren aan de gang. Heel gezellig, maar er valt niet te telefoneren. Mijn dochtertje barst in tranen uit als ze papa niet kan verstaan door het gegil op de achtergrond. En ze had nog wel zo trots TAJ MAHAL geschreeuwd, toen ik haar vroeg waar ik naar stond te kijken. Ik loop weer terug naar het Sheela Hotel om mijn verslag van vandaag te schrijven.
In de tuin van het Sheela Hotel bestel ik soep en spaghetti. Er zitten niet veel mensen. Na het eten ga ik maar direct naar de kamer, want morgen begint de dag vroeg. Het is bloedheet in de kamer en de ventilator aan het plafond helpt nauwelijks. Ik trap een grote krekel dood, voordat ik een lange lauwe douche neem.

Zaterdag, 3 oktober 2009

Vandaag naar de Taj Mahal. Ik ben kwart over vijf op. Er is nog geen ontbijt in het restaurant. Het maakt mij niet uit. Ik loop naar de poort, maar daar hoor ik dat ik eerst een kaartje moet kopen. Dat is bij een kantoor ongeveer twee kilometer van de poort. Lekker handig en weer typisch Indiaas. Ik begin te lopen, maar het is verder dan ik dacht. Fietsriskja’s bieden aan mij voor 50 rupees heen en terug te brengen. Uiteindelijk stem ik maar in, want anders mis ik de zonsopkomst.
Bij het kantoor is het niet druk. Mensen uit India betalen 10 rupees. Buitenlanders mogen 760 rupees afstaan. Zoiets moeten we in Nederland ook maar invoeren. Lekker gastvrij.

Ik rij het hele eind weer terug naar de poort en merk tot mijn schrik dat daar intussen een enorme rij staat. Een gids wijst naar mijn statief. Dat mag niet mee naar binnen. Ik spreek met een Spanjaard en Australiër af dat ik het statief naar het hotel breng en dan bij hen weer in de rij ga staan. Dezelfde gids vertelt even later dat wij maar tot negen uur naar binnen mogen. Ik kan het bijna niet geloven. Ik zie wel. Na een uur ben ik eindelijk bij de veiligheidscontrole. Mijn tas mag niet mee naar binnen. Dat vind ik bijzonder vervelend, want mijn laptop en harddisk zitten erin. Ik vertrouw die spullen liever niet aan het hotel toe en kluisjes zijn er natuurlijk niet. Ik mag de spullen naar mijn hotel brengen en hoef dan niet opnieuw in de rij te staan. Dat scheelt al weer. Als ik eindelijk binnen ben, staat de zon al hoog. Het is kwart over zeven. Als ik om zes uur binnen had willen zijn, had ik wel om vier uur op mogen staan.

Bij de poort naar het eigenlijke terrein van de Taj Mahal, moet ik ook mijn videocamera achterlaten. Het is toegestaan om op afstand te filmen, maar de camera mag niet mee naar de Taj Mahal. Gelukkig zijn daar wel kluisjes.
Eindelijk kan ik dan naar de Taj Mahal. Ik vraag iemand een foto van mij te nemen met het mooiste gebouw van de wereld op de achtergrond, maar de man bakt er weinig van. Ik zie helaas niemand met redelijk professionele apparatuur en dus kennis van fotografie.

Op mijn gemak wandel ik naar het beroemde monument, af en toe wat kunstige foto’s makend. Het valt mij trouwens mee dat mijn professionele camera mee naar binnen mocht. Ik hoefde er zelfs niet extra voor te betalen. Heel bijzonder in India. Dan ben ik bij het gebouw zelf. Helaas is het al een complete mierenhoop. Duizenden en nog eens duizenden mensen doen hun best om mijn foto’s te verknoeien.

Om naar het platform te kunnen waarop het gebouw staat, moet ik mijn schoenen uitdoen of slofjes aantrekken. Ik kies voor het laatste, maar slofjes zijn nergens te krijgen. Ik vis er maar twee uit de afvalbak. Viezer dan mijn schoenen kunnen ze niet zijn.

Bij het gebouw is het intussen een gekkenhuis aan het worden. Overal zwermen mensen rond en vele honderden groepjes staan elkaar te fotograferen, voor ieder plekje en iedere steen die enigszins als decor kan dienen. Om een foto te kunnen maken zonder mensen erop, heb ik engelengeduld nodig.

Na een tijdje besluit ik eens binnen te gaan kijken. Ik wist niet eens dat je erin kon. Het is ook niet makkelijk. Er vormt zich al een aardig rij voor de ingang en de Indiërs nemen niet de beleefdheid in acht om achteraan aan te sluiten. Ik ga ook maar voordringen, anders kom ik nooit binnen. Een paar van die kleintjes proberen mij opzij te duwen en maken kennis met mijn ellebogen. Ze kijken boos, maar ik kan nog veel bozer kijken. Dat helpt. Duwend en proppend rol ik naar binnen. Tientallen bewakers proberen de orde te handhaven, maar er is geen beginnen aan. De mensen hebben niet het minste respect. Ik pas mij maar aan en negeer net als alle anderen het fotografeerverbod. Af en toe springt er een fluitende en scheldende bewaker op mij af, dan ga ik maar een paar meter verder op staan. Ik kom hier niet dagelijks, dus ik moet nu mijn kans grijpen.

Het is heerlijk koel in het mausoleum, al wordt de sfeer grondig verpest door de enorme hoeveelheid mensen en het lawaai dat die produceren. Vooral de bewakers kunnen er wat van met hun fluitjes en hun geschreeuw. Als ik buiten kom zie ik dat de lucht aan het betrekken is. Jammer. Ik hoop niet dat het op regen uitdraait.

Ik wandel wat rond op zoek naar goede fotoplekjes en ik zie dat zich voor het mausoleum intussen een enorme rij heeft gevormd, die zigzag over het platform leidt. Ik ben blij dat ik dat alvast gezien heb, want het zal alleen maar drukker worden.
Rond kwart over negen klinkt er ineens nog meer lawaai dan normaal. Ik zie dat de bewakers het terrein aan het leegvegen zijn. De gids had dus toch gelijk. Er is geen ontsnappen aan, dus maak ik maar gebruik van de gelegenheid om zo achteraan mogelijk nog wat foto’s te maken van de Taj Mahal zonder mensen op de voorgrond. De bewakers willen niet dat er gefotografeerd wordt, maar kunnen het ook niet verhinderen. Een bewaker die voor de verandering Engels spreekt, zegt dat de Taj om 12 uur weer open gaat en dat het kaartje geldig blijft.

Als een van de laatsten wordt ik het terrein afgedreven. Ik wandel naar het Sheela Hotel en maak maar gebruik van de gelegenheid om een ontbijt te bestellen. Ik kies voor banana cornflakes en een omelet met kaas en tomaat. Het smaakt prima al werk ik het zo snel mogelijk naar binnen, om weer verder te kunnen. Ik was niet van plan om naar het Agra Fort te gaan, maar nu ik tot 12 uur niets te doen heb, kan ik net zo goed daar naar toe gaan. Ik heb even geen zin in een taxi of fietsriskja. Het is veel te leuk om door het rommelige wijkje rond de Taj Mahal te lopen. Ook een kudde koeien maakt een uitstapje door het winkelstraatje. Hondendrollen heb ik opvallend genoeg nog niet gezien, maar voor koeienvlaaien is het uitkijken geblazen. Aan het einde van het wijkje begint een weg die naar het Fort leidt. Ik kijk of ik op een bus kan springen, maar er rijden alleen bussen stadinwaarts. Volgens de kaart is het maar een klein stukje lopen, maar in werkelijkheid valt het erg tegen. De weg is bochtig, waardoor ik niet kan zien hoeveel ik nog voor de boeg heb. Als ik het zat ben en een autoriskja wil pakken, zie ik eindelijk het einde van de weg. Het was volgens de richtingborden maar anderhalve kilometer, maar ik heb het gevoel alsof ik twintig kilometer heb gelopen.

Ik weet niet waar de ingang van het Fort is, dus kruip ik langs een hek het terrein op. Het lukt helaas niet lang om ongezien te blijven. Een man stuurt mij weg. Twee uur gaat het Fort open, zegt hij. Dan ben ik allang weer in de Taj Mahal.

Teruglopen is niet echt een optie. De autoriskja’s vragen vijftig rupees voor het kleine stukje. Dat vind ik te duur. Een fietsriksja wil mij wel voor dertig naar de oostpoort brengen. Vooruit dan maar. Via een andere route rijden we terug naar het centrum van Agra. Bij de parkeerplaats stopt hij. Het is nog vijf minuten lopen, liegt de chauffeur. Ik weet dat hij mij toch niet verder zal brengen en geef hem boos zijn geld. Op de parkeerplaats is het een Indiase drukte van belang. Dat belooft wat voor vanmiddag. Het staat vol bussen en zelfs via kamelenkarren worden mensen aangevoerd. Door de enorme drommen mensen worstel ik mij in de richting van de westpoort om zo met een ommetje de oostpoort te bereiken. Er is bijna niet door te komen, want er staat al een rij van honderden meters voor de westpoort. Als het bij de oostpoort ook zo’n gekkenhuis is, ga ik wel wat later terug naar de Taj Mahal.
De omgeving van de oostpoort blijkt afgezet te zijn door de politie. Ik zeg dat ik naar mijn hotel wil, maar ik moet blijven wachten. In de verte zie ik een aantal voertuigen de oostpoort verlaten. Waarschijnlijk was er een hoge pief op bezoek en moest het complex daarom ontruimd worden. Absurd, als dat waar is.
Om twaalf uur mogen we weer doorlopen. Ik breng mijn tas naar het hotel en verberg mijn kostbaarste spullen zoveel mogelijk in mijn rugzak die op slot kan en met een kabelslot aan een meubel vastgemaakt kan worden. Het is geen high security, maar het maakt het net iets moeilijker voor een mogelijke dief.
Ik kan nu zonder veel problemen langs de veiligheidscontrole bij de oostpoort. Intussen is het geheel bewolkt geworden. Het scheelt wel dat het nu niet meer zo verschrikkelijk heet is. Het is zelfs aangenaam geworden, ook dankzij het windje dat waait.

Naar het mausoleum kan ik verder wel vergeten. De rij is gigantisch geworden. Ook voor de trap naar het platform begint zich een snel langer wordende rij te vormen. Ik ga op zoek naar nieuwe slofjes in een van de afvalbakken en sluit mij aan bij de rij naar het platform. Ik maak wat foto’s en zoek dan een rustig plekje op om gewoon is lekker een paar uur te gaan zitten kijken naar het schitterende gebouw. Af en toe zit er een vervelende kerel naast mij door zijn mobiele telefoon te brullen, maar over het algemeen is het lekker rustig in dit deel van het park.

Als ik terugloop naar de Taj Mahal, lijkt het alsof het aantal mensen vertienvoudigd is. De rij voor het platform is honderden meters lang geworden en ook op het platform kan ik vanuit het park de enorme rijen voor het mausoleum zien schuifelen. Ik raak er steeds meer van overtuigd dat de Taj Mahal het goede monument op de verkeerde plek is. Het is doodzonde dat zo iets moois in dit land staat, met veel te veel mensen en veel te agressief klimaat en immense luchtvervuiling, ook al wordt verkeer rond de Taj Mahal geweerd en is een paar jaar geleden alle vervuilende industrie in de buurt opgedoekt.

Hoewel de rij voor het platform nog heel lang is, ga ik er toch maar instaan, want anders ben ik niet voor zonsondergang boven. Meter voor meter gaat het vooruit. Af en toe probeert iemand voor te dringen, wat tot een hoop gescheld leidt. Gelukkig zien de bewakers het af en toe ook, waarna ze de voordringer direct naar de staart van de rij verwijzen. Na bijna een uur ben ik eindelijk weer op het platform. Ik zoek een rustig hoekje op en kijk naar de rij voor het mausoleum, die bij de trap begint, geheel rond de Taj Mahal voert om uiteindelijk voor de ingang te eindigen.

Ik wacht de avond af. Het licht zal dan veranderen en de Taj prachtige kleuren geven. Als het uiteindelijk zo ver is, gaat het ook heel snel. Ik vervloek mensen die voor mijn camera gaan staan, want ik moet nu heel snel zoveel mogelijk foto’s maken. Af en toe maak ik maar foto’s met mensen op de voorgrond, want sommige personen gaan gewoon niet van hun plaats af. Dan heb je ook nog die ergerlijke groepjes, die elke keer elkaar moeten fotograferen met de Taj Mahal of God weet wat op de achtergrond. Volgens mij maken die mensen nooit eens een foto waar niet een van de familieleden op staan. Ook het flauwe kiekje waarbij het net is alsof iemand het topje van de Taj aanraakt, wordt veelvuldig gemaakt.

Ik hoop stilletjes dat de Taj ’s avonds verlicht wordt. Helaas blijkt dat niet het geval. Het gebouw wordt donkerder en donkerder, terwijl de rij voor het platform even lang blijft. Er is zelfs geen openbare verlichting op het terrein. Handig dat zaklantaarns niet mee naar binnen mogen. Mijn statief mocht ook niet mee, en zo moet ik nu foto’s met lange sluitertijden uit de hand maken. De foto’s zijn kwa licht prachtig, maar de scherpte zal wel tegenvallen als ik ze op de computer bekijk.

Het is de hoogste tijd om terug te gaan naar het hotel, als ik nog een hapje wil eten. Ik bestel direct tomatensoep en spaghetti en kijk met kloppend hart of al mijn spullen nog in het berghok staan, Gelukkig wel. Ik maak alles weer reisklaar, terwijl ik op het eten wacht. De ijskoude cola smaakt heerlijk na zo’n dag. Als ik de laatste hap naar binnen heb geschrokt, snel ik richting oostpoort en de straat, waar autoriskja’s nog mogen komen. Een groepje chauffeurs springt meteen op mij af. Ik probeer nog te onderhandelen, maar het blijft honderd rupees. Het is wel een goede chauffeur. Zonder halsbrekende toeren, weet hij een behoorlijke snelheid uit zijn voertuigje te persen. Al om half acht ben ik op het station. Mijn trein staat al aangekondigd op het led-bord met vertrektijden. Het zal dus wel goed gaan. Op perron 2 staan zelfs al de wagons aangegeven. Ik heb wagon C2 en als de trein eenmaal stil staat heb ik mijn plaats snel gevonden. Het is een luxe trein met lekkere luie stoelen. Dat is beter dan de hele rit op een hard bed zitten, zoals als tijdens de heenreis. De trein vertrekt precies op tijd en zal naar verwachting al twee uur later op New Delhi Railway Station stopen, vlakbij mijn hotel voor vanavond. Tot mijn verrassing krijg ik een maaltijd en een fles bronwater aangeboden. Dat is goede service voor de schamele 400 rupees, die deze reis mij gekost heeft. Ik babbel wat met de man naast mij, die met zijn vrouw en twee zoons op reis is. Hij komt uit Kolkata en is vandaag voor het eerst naar de Taj Mahal geweest. Hij is nogal geïnteresseerd in mijn reizen en als ik zeg dat ik ook nog wel een keer speciaal naar India ga, doet hij wat aanbevelingen. De kelner komt met ijs langs, maar dat durf ik niet aan in India. Morgen heb ik de stadstoer en dan is een aanval van buikkramp en diarree niet bepaald handig. Bovendien wil ik als het even kan gezond het vliegtuig in, want dat wordt ook nog een lange reis. De trein rijdt flink door en rond half elf stoppen we op het reusachtige New Delhi Railway Station. Ik ben nu extra blij dat ik een hotel hier in de buurt heb, al moet ik het nog wel zien te vinden.
Het is weer een drukte van belang op het station, ondanks het late tijdstip. Honderden mensen wachten met vrachten aan bagage op hun trein voor een ongetwijfeld lange reis. Het lijkt wel alsof er in India geen forenzenverkeer is. De trein die ik had met vliegtuigstoelen is een uitzondering. De meeste treinen die ik gezien heb zijn slaaptreinen, waarbij je overdag op een van de onderste bedden zit.
Ik loop het station uit, met moeite de vele opdringerige taxichauffeurs ontwijkend. Nu Basant Road zien te vinden. Ik loop langs de straat waaraan het stationsgebouw staat en zoek bij iedere zijstraat naar een eventueel straatnaambordje. Maar hoewel het niet zo erg is als in Kolkata, hoef je ook in Delhi niet op iedere hoek een keurig straatnaambordje te verwachten. Ik sla de straat in waar een groot aantal hotels is. Soms staat de naam van de straat op het reclamebord van een winkel. Ik kan echter weinig ontdekken vanavond. Bijna iedereen spreekt mij aan en bijna iedereen weet wel een hotelkamer voor mij. Maar ja, ik heb al geboekt en betaald, dus wil ik naar het Blessings Hotel in de Basant Road. Een man wijst mij de richting. Ik moet teruglopen naar het station en dan rechtsaf.
Na lang dwalen kom ik eindelijk bij het hotel uit, dat veel dichter bij het station blijkt te staan dan ik verwacht had. Als ik goed was gelopen, was het een wandeling van vijf minuten geweest, in plaats van een half uur. Ik ben meteen al weer bezweet, hoewel het niet eens meer zo warm is.
Bij Hotel Blessings kijken ze met belangstelling naar mijn voucher. Het document wordt van alle kanten bestudeerd en uiteindelijk belt de receptionist de touroperator om te controleren of er inderdaad betaald is, zoals ik gezegd had. Het is in orde. Ik krijg kamer 101. Een inpandige kamer op de eerste verdieping. Het is geen gezellige, maar wel een comfortabele en redelijk stille kamer. Ik ga nog even richting bazaar, waar het tegen middennacht net zo druk is als midden op de dag. Wel gaat nu de ene na de andere winkel dicht. Het lukt mij nog net om een flesje cola te kopen. Daar had ik echt even trek in.

Zondag, 4 oktober 2009

De laatste dag van deze reis. Ik ben al weer vroeger wakker dan ik gehoopt had en profiteer er maar weer eens van om lekker te treuzelen. Ik douche uitgebreid, was mijn haar en maak mijn spullen in orde voor de lange reis die vanavond begint. Ik kan ontbijten in het hotel, maar het ontbijt is niet inbegrepen en ik ben door mijn Indiase geld heen.
Ik laat mijn rugzak achter in het hotel en wandel in de richting van Connaught Place waar de bus voor de rondrit zal vertrekken. Alles blijkt dicht te zijn vanwege de zondagochtend. Delhi is dus toch geen 7×24 uurs economie, zoals ik gedacht had.
Hoewel ik ruim op tijd vertrokken ben, kom ik toch in de problemen omdat ik het kantoortje in Scindia House niet terug kan vinden. Ik dacht het in mijn geheugen geprent te hebben, maar niet goed genoeg kennelijk. Ik bel en leg uit waar ik ben. De man van het reisbureau zegt iemand naar mij toe te sturen, maar die is er na een kwartier nog niet. Ik vraag nog maar een paar keer aan mensen waar Scindia House is. De helft spreekt geen Engels en de andere helft laat te duidelijk merken het niet te weten. Dan word ik weer het bos in gestuurd. Twee bewakers bij een groot bankgebouw weten het wel en wijzen mij de goede richting. Maar als ik rond negen uur aankom is de bus al vertrokken. Geen nood, zegt de man van het reisbureau. Tien uur komt de volgende bus. Ik twijfel nog even of ik de rode bus van het stadsvervoersbedrijf zal pakken. Ik had dat kantoor eerst niet kunnen vinden, maar nu ik al bij een ander geboekt heb, weet ik natuurlijk ineens precies waar het is. Het had mij wel honderd rupees gescheeld en het stadsvervoersbedrijf zet een keurige bus in voor de rondreis.
Tien uur word ik naar een witte minibus gestuurd die om de hoek staat. Het is een oud voertuig, dat zijn beste tijd al lang geleden heeft gehad. Een oude man is kennelijk de bestuurder en een jongen van een jaar of twintig de gids. Het belooft weinig goeds. Beiden spreken niet of nauwelijks Engels.
Tien uur zou de bus vertrekken, maar dat wordt half elf, nadat zowaar nog zes toeristen zijn ingestapt. Die komen allen uit India. We gaan rijden. Het is lang niet zo druk als anders, maar we komen toch al vrij snel in de gebruikelijke verkeerschaos terecht. Na ongeveer twintig minuten afsnijden en opjagen, stoppen we bij de Lakshminarayan tempel. Echt een handige stopplaats is het niet, want de tempel staat aan de overkant en een hek maakt het onmogelijk om over te steken. Omlopen dus. We hebben een half uur om het complex te bekijken.

De Lakshminarayan tempel ziet er aardig uit, maar het is jammer dat er geen foto’s gemaakt mogen worden. Ook mijn schoenen mogen niet mee naar binnen, maar dat vind ik niet onredelijk. De bewaker controleert alleen het bovenvak van mijn cameratas, waar mijn videorecorder in zit. Die moet in een kluisje, waarvan ik de sleutel meekrijg. Heel ongebruikelijk wordt er geen entree geheven.
Na tien minuten heb ik de tempel wel gezien. Het ziet er allemaal wel aardig uit, maar ik ben verpest door wat ik in Bhutan heb mogen zien, om nog maar te zwijgen van de Taj Mahal. Opvallend zijn de vele hakenkruisen overal, het symbool voor geluk in het Boeddhisme.
Ik heb nog tijd over en bekijk een wat kitscherig tempeltje naast de Lakshminarayan tempel. Er staan allerlei beelden, waaronder een paar levensgrote olifanten. Ook daar ben ik vrij snel uitgekeken, zodat ik ruim op tijd bij de bus ben. Er is nog niemand van de andere passagiers. Ik wacht maar af, terwijl het zachtjes begint te regenen. Dat is wel jammer. Mijn laatste dag in India, de dag om Delhi te bekijken en dan regen.
Na drie kwartier zijn de andere passagiers er weer, maar dan worden we de bus uitgestuurd. We moeten naar een grotere bus, waar kennelijk nog wat plaatsen over waren. Het is maar hoe je het bekijkt. Ik zit op een normale bank, maar vier andere passagiers moeten op een soort dwarsbankje bij de chauffeur zitten. Niet erg veilig en waarschijnlijk ook niet bepaald comfortabel.
Eindelijk rijden we weer verder. Deze bus heeft airconditioning, wat ik bepaald niet prettig vind. Ik had speciaal om een bus zonder airco gevraagd om niet verkouden te worden en te voorkomen dat mijn cameralenzen beslaan als ik weer naar buiten de vochtige hitte inloop.

De volgende attractie is het huis waar Indira Gandhi gewoond heeft. Het is nu een museum en het wordt bezocht alsof het Disney Land is. Van mij had deze bezienswaardigheid overgeslagen mogen worden. De rij valt echter mee en al duwend en wringend weet ik mij samen met de vele voordringers naar binnen te werken. De expositie zegt mij weinig. Er hangen vele ingelijste kranten, waarop Indira Gandhi voorpaginanieuws is. Goed nieuws, maar ook verkiezingsuitslagen in het nadeel van de grote heldin. De werkkamer en het woongedeelte van het huis zijn ook allemaal te bekijken, zij het op een afstand. Dat hebben ze wel slim bekeken.
Ik loop er aanzienlijk sneller doorheen dan de Indiase gasten, waarbij meespeelt dat Indira Gandhi mij weinig zegt, evenals de rest van de Indiase politiek. Ik wil monumenten zien, geen politieke musea. Als ik naar buiten loop, zijn er net wat bussen gearriveerd en is de rij voor de veiligheidscontrole tot zo’n tweehonderd meter toegenomen. Ik was daar echt niet in gaan staan.
Weer vertrekt de bus een stuk later dan gepland. Ik moet mijzelf in elkaar drukken om naar buiten te kunnen kijken. Het uitzicht is werkelijk abominabel voor een toeristenbus. Het eerste busje ging nog wel en toen had ik ook een betere plaats, maar dit geval is werkelijk te schandalig voor woorden. Zelfs in een gewone stadsbus kan je nog beter van de omgeving genieten. Ik heb er steeds meer spijt van dat ik niet honderd rupees extra heb besteed aan een rondrit met de bus van het stadsvervoersbedrijf.
Attractie drie is de India Gate. Die had ik al gezien toen het nog mooi weer was. Nu regent het. Ik blijf maar in de bus zitten en mij ergeren aan de eindeloze tijdverspilling die deze rondrit is. Na ruim een half uur heeft iedereen de India Gate gezien en kunnen we eindelijk verder. Iets verder stoppen we bij de Secretary, waar een paar fraaie regeringsgebouwen staan. Als het zonnig is, is het hier erg mooi, maar nu regent het en niet zo zachtjes ook. Ik blijf maar weer in de bus zitten, want foto’s maken heeft weinig zin onder deze omstandigheden. De airco is na een halte gelukkig weer uitgezet.
Intussen is het half twee geworden en heb ik van Delhi nog maar bitter weinig interessants gezien. In de buurt van de ambassades stoppen we bij een vreemd soort gebouw. Ik denk dat het weer een museum is en loop maar achter de rest aan. Dan blijk ik in een soort gaarkeuken beland te zijn waar op kots lijkende curries als lunch worden geserveerd. Ik heb geen zin om de vlucht naar London vannacht op het toilet van het vliegtuig te moeten doorbrengen, dus ik laat de dampende rotzooi maar voor wat het is. Dat wordt dus weer minstens drie kwartier niets doen. Ik heb de hoop al opgegeven en vervloek mijzelf dat ik deze rondrit geboekt heb.
Ik heb geen idee waar ik ben en of er bezienswaardigheden in de buurt zijn. Er is nog genoeg te zien in deze miljoenenstad, maar dat zal voor mij waarschijnlijk een andere keer worden. Half drie is iedereen uitgegeten en rijden we verder. Andere passagiers beginnen nu ook geïrriteerd te raken. De man naast mij is een officier die voor zaken naar Delhi was gekomen en die net als ik dacht even makkelijk in één dag de stad te kunnen bekijken. Tijdverspilling zegt hij. Ik ben het roerend met hem eens. Het is dat het slecht weer is, anders had ik dubbel gebaald.
Het dieptepunt wordt bereikt als we na de veel te lange lunch in een uithoek van de stad bij een Handicraft winkel worden afgezet. Boos loop ik naar de weg om een taxi te pakken. Ik ben er nu echt klaar mee. Dit is zelfs naar Indiase maatstaven te bar voor woorden.
Een enkele autoriskja stopt, maar niemand wil mij naar Old Delhi brengen. Te ver, zeggen zij. Waarschijnlijk mogen zij niet naar die wijk rijden. Ik blijf proberen, maar uiteindelijk zit er niets anders op dan maar weer in de bus te stappen. De gids krijgt woorden met passagiers, die de waardeloze rondrit ook meer dan zat zijn. Ik knoop een praatje aan met de legerofficier. Hij spreekt wel goed Engels, maar het kost mij grote moeite om zijn accent te verstaan. Hij klaagt over de problemen die Pakistan veroorzaakt en het toenemende Moslimfundamentalisme. Hij vraagt ook of ik het nieuws van de laatste dagen heb gehoord. Er schijnt in het zuiden van India een natuurramp geweest te zijn als gevolg van overvloedige regen. Ik weet van niets. Het is al lang geleden dat ik op internet heb kunnen kijken en de laatste keer op het vliegveld van Paro was net lang genoeg om een mailtje te kunnen versturen.
Dan stoppen we eindelijk bij een attractie die wel de moeite waard is. Het is de Toenomina Tempel. Het wordt wel een duur uitstapje, want in plaats van 20 rupees betaal ik als buitenlander in het altijd gastvrije India 250 rupees. Het enige voordeel is dat ik niet in de rij hoef te staan.

Het is helaas weer de gebruikelijke mierenhoop in de tempel, maar het is er wel mooi. Het licht werkt niet mee voor de fotografie, maar ik doe mijn best. Dan heb ik in ieder geval nog een paar foto’s van Delhi. Het meest opvallende is een hoge, conische toren die wel iets van een raket weg heeft. Sommige muren bevatten nog heel kunstig beeldhouwwerk, net als ik jaren geleden in Angkor in Cambodja gezien heb. Ik kom weinig te weten van de tempel, want ik heb niet de tijd om gebruik te maken van een recordertje met koptelefoon, die je bij de ingang kan huren.

Ik ben vergeten te vragen hoe laat de bus weer vertrekt. Het zal wel gezegd zijn, maar de gids is onverstaanbaar. Het meeste wordt in Hindi verteld, wat niet vreemd is omdat ik de enige buitenlander in de bus ben. Het Engels is niet te verstaan, mede omdat de gids achter mij staat met zijn gezicht in de richting van de achterbank. Af en toe vang ik wat woorden op, maar wijzer word ik er niet van.
Met een medepassagier ga ik op zoek naar de bus. Mijn statief ligt er nog in, dus ik wil hem wel kunnen terugvinden. Met wat moeite lukt dat en ik ben net op tijd, want de chauffeur wilde al vertrekken.

Het is al vier uur geweest als we bij de Lotus Tempel stoppen. Dat is een prachtig gebouw in de vorm van een lotusbloem. We kunnen er alleen vanaf de weg naar kijken, want een bezoek staat niet op het programma. De Lotus Tempel schijnt een moskee te zijn, hoor ik van een van de medepassagiers.
We rijden weer verder en leggen een grote afstand af. Het loopt tegen vijven en ik weet nu zeker dat ik niet meer het Rode Fort ga zien, de belangrijkste attractie van Delhi. Was ik maar gewoon naar Old Delhi gelopen, dan had ik in een uur meer interessants gezien dan nu tijdens de hele dag.
Als de bus voor een stoplicht staat, neem ik afscheid van de officier en worstel ik mij de bus uit op zoek naar een taxi. Ik ben aan de late kant dus laat ik mij maar voor tweehonderd rupees afzetten door de eerste autoriskjachauffeur die ik tref. Voor drie euro ga ik niet te laat op het vliegveld aankomen.
De chauffeur brengt mij wel keurig en snel bij het Blessings Hotel. Eindelijk weer eens iemand die goed de weg kent in Delhi. Kwart over zes ben ik bij het hotel en voor 450 rupee kan een medewerker mij met de auto naar het vliegveld brengen. Het is mijn laatste Indiase geld, maar ik hoef er niet lang over na te denken. Ik moet deze waardeloze dag maar niet afsluiten met een gemist vliegtuig.
In een keurige auto met airconditioning word ik in een klein uurtje naar het vliegveld gebracht. Langs de hele route zijn de werkzaamheden te zien aan de metrolijn die het centrum van Delhi met het vliegveld gaat verbinden. Die lijn had van mij al in gebruik mogen zijn.
Dat we zonder botsingen door het verkeer komen, blijft mij verbazen. De meeste automobilisten hebben hun spiegels ingeklapt omdat ze die toch niet gebruiken en een ingeklapte spiegel wordt er nu eenmaal minder snel af gereden. De chauffeur maakt zich er niet druk om als we keer op keer worden afgesneden, of als er weer eens iemand vergeet op te trekken als het stoplicht op groen springt. Bussen slingeren van links naar rechts en maken het vrijwel onmogelijk in te halen. Dan moeten brommers en fietsen er maar weer aan geloven, want het autoverkeer heeft haast en moet er toch langs.
Het is donker als we eindelijk bij het vliegveld aankomen. Ik word keurig voor de vertrekhal afgezet en kan zonder al te veel problemen naar binnen. Wel moet ik eerst mijn paspoort en ticket laten zien om de vertrekhal binnen te mogen.
Het inchecken gaat snel. Er staat geen rij. Ik krijg meteen mijn twee instapkaarten voor Delhi-Mumbai en Mumbai-Londen. De grondsteward verzekert mij dat mijn rugzak naar Londen gaat. Ik hoop het maar.
Bij de douane is het lang wachten, want de meeste hokjes zijn onbemand. Na de nodige stempels en formulieren, kan ik naar de veiligheidscontrole, maar ook dat loopt allemaal zonder veel gedoe. Ik ben mooi op tijd en nu eindelijk van die vieze hitte verlost. Ik had mij nog willen omkleden, maar dat is eigenlijk niet nodig. Dat hoop ik althans. Anders is het jammer voor mijn medepassagiers.
Er zijn aparte tafeltjes voor laptopgebruikers, maar de stopcontacten doen het niet. Ik ben India nog niet uit. Dat is wel duidelijk. Ik heb nog wel mooi de tijd om mijn verslag van vandaag te typen, maar de accu opladen zal wel niet meer gaan lukken voordat ik thuis ben.
Er wordt iets omgeroepen en het lijkt erop dat mijn vlucht een andere gate krijgt toegewezen. De passagiers worden verzocht naar gate 3 te gaan en verdere instructies af te wachten. Die instructies blijven uit en zo ongeveer op het tijdstip van vertrek verschijnt er eindelijk personeel en kan het instappen beginnen. Veel passagiers zijn er niet, waardoor iedereen toch wel redelijk snel aan boord is. Het duurt nog wel lang voordat er beweging in het vliegtuig komt en dan zijn we nog minstens een kwartier aan het taxiën. Met bijna een uur vertraging gaan we dan toch eindelijk de lucht in.
Mijn plaats is prima. Eerst zat ik direct achter de business class, maar daar kon ik mijn benen niet uitstrekken vanwege het tussenschot. Bijna de hele Airbus 319-300 is leeg, dus ik kan zonder problemen een rij naar achteren verkassen.
Voor een korte vlucht van nog geen twee uur, kan er bij Air India nog een prima warme maaltijd van af. Ik ben blij dat ik vegetarisch kan kiezen. Ik ben niet ziek geworden in India en dat wil ik graag zo houden.
Ik pak de videocamera en bekijk de beelden van het Timphu Tsechu. Lang houd ik dat niet vol. Ik berg de camera weer op en val direct in slaap. Als ik wakker word zijn we al aan het dalen. We vliegen langs een onweer en de krachtige bliksemstralen werpen om de tien seconden een wit licht over het met talloze lampjes versierde landschap beneden. Na de landing blijkt het flink geregend te hebben in Mumbai. Het lijkt wel alsof in heel India de herfst is aangebroken. Eerst de zomer met moesons en dan nu de herfst met moesons. We verlaten het vliegtuig via een trap en rijden met een bus naar het terminalgebouw.
Zo makkelijk als het in Delhi ging, zo vervelend gaat het in Mumbai. Ik ben al wat gestrest door de vertraging van een uur en dan begint de douane nog te zeuren om allerlei formulieren. Ik ga er maar niet over discussiëren en vul weer een varkensgriepformulier en landingskaart in. Ik zal blij zijn als ik op weg naar Londen ben. Eindelijk weer een land waar een paspoort voldoende is om toegelaten te worden.
De vergissing wordt duidelijk en een aardige man begeleidt mij naar de vertrekhal, waar ik naar gate 3 moet voor vlucht AI131 naar Londen. Het instappen is nog niet begonnen en op het scherm staat de aangekondigde vertrektijd. Het ziet er dus wel naar uit dat ik op tijd in Londen zal aankomen.
Met amper een kwartier vertraging kiest de AI131 van Air India het luchtruim. Ik zie nog een paar seconden de lichtjes van Mumbai en dan duiken we de lage bewolking in. In de verte flitst nog steeds het weerlicht.
Ik doe mijn zware schoenen uit en bereid mij voor op een lange zit. Om half drie Indiase tijd vertrokken we. Dat is tien uur Engelse tijd. Ik zet mijn horloge alvast terug. Half acht zullen we aankomen op Heathrow, na negenenhalf uur vliegen. Ik ben blij dat ik nu eindelijk van de Indiase bureaucratie verlost ben, al kan ik er rekening mee houden dat het op Heathrow ook niet allemaal makkelijk zal gaan. Ik herinner mij nog de enorme rijen en uiterst langzame bagagecontrole op de heenreis.
Er wordt een broodmaaltijd geserveerd. Er zit een flesje water bij en ik krijg een kopje heel slappe koffie, maar verder wordt er geen drinken aangeboden. Op schermen aan de wand van de cabine is te zien wat de piloot ziet. Na de start is dat alleen nog maar zwart, maar het was wel leuk om op die manier het opstijgen te beleven. Ik kijk wat het scherm in de stoel voor mij te bieden heeft. Net als de vorige keer werken de boordcamera en de plattegrond niet. Vooral dat laatste vind ik jammer, want ik wil altijd weten waar we ongeveer vliegen en welke steden ik in de diepte zie liggen.

Ik zet de Poseidon Adventure op omdat dat de minst slechte film is die wordt aangeboden, totdat ik in slaap val. Voor mij zit een vrouw met een baby. Ik vrees het ergste voor mijn nachtrust, maar na een half uurtje huilen en piepen is het stil. Ik slaap niet lang. Het is ook niet comfortabel in zo’n stoel. Ik weet niet waar ik met mijn hoofd naar toe moet, dus dat hangt voorover, waardoor ik na een tijdje wakker wordt met een pijnlijke nek. Het is intussen half vier Engelse tijd. In India is het nu acht uur, dus is het niet zo gek dat ik wakker word, ook al ging ik pas om drie uur Indiase tijd slapen.
Buiten zie ik het eerste licht van een schemering die heel lang zal duren omdat we naar het westen vliegen. Ik zet het vervolg van de Poseidon Adventure maar weer aan. Nog een uur of drie en dan ben ik in Londen, waar de ingewikkelde overstap in de andere terminal weer het nodige zweet zal vergen. Ik hoop dat mijn rugzak in hetzelfde vliegtuig zit.
Een dik wolkendek kondigt de nadering van Engeland aan. De daling gaat beginnen. We zijn perfect op tijd. Op het scherm op de wand is de landing goed te volgen. Alles is kleddernat op Heathrow, maar we hebben hier gelukkig weer de luxe van een slurf.
Het wachten voor de douane duurt weer ouderwets lang, omdat er maar drie van de vijftien loketten in gebruik zijn. Het maakt mij nu niet zoveel uit, omdat ik toch nog op mijn tas moet wachten. Vol spanning sta ik bij de band en een zucht van verlichting ontsnapt mij, wanneer ik eindelijk mijn groene rugzak tevoorschijn zie komen. Ik gooi hem snel op een trolley en ren naar het metrostation voor de transfer naar terminal 4, waar mijn KLM-vlucht naar Schiphol vertrekt. Eigenlijk hoef ik mij niet zo te haasten, want ik heb nog bijna twee uur. Toch duurt ook het wachten bij terminal 4 weer lang. Ik hoef mijn schoenen niet uit te doen, maar daardoor gaat wel het alarm. Ik word grondig doorzocht en het duurt meer dan vijf minuten voordat ik eindelijk door de controle ben. Nog even de veel te dure winkeltjes bekijken, wat lekkers opspuiten uit een tester van een duur merk eau de toilette en dan naar gate 20, waar het boarden elk moment kan beginnen.
De vlucht zit zo goed als vol. Ik kon alleen nog helemaal achterin een raamplaats krijgen, of boven de vleugel. Ik kies voor achterin. Het zal wel een eeuwigheid gaan duren voordat ik het vliegtuig uit ben, maar ik zal na aankomst toch nog een half uur op Diana moeten wachten, die mij van Schiphol ophaalt. We vertrekken redelijk op tijd na een tijdje in de file voor de startbaan gestaan te hebben. Na drie kwartier zie ik de Nederlandse kust verschijnen. Mission accomplished.

HomeDisclaimerPrivacybeleidOver de auteur
Contact