Rusland

Rusland is het grootste land ter wereld. Ik ben er twee keer geweest. Eerst tijdens mijn reis naar China in 1993. Daarna in 2016 om de marathon van Moskou te lopen. Door het matige imago, de lange en koude winters en het gedoe om een visum te krijgen, is het echter geen populaire vakantiebestemming. Toch is er heel wat te zien. Helaas had ik in 1993 geen tijd en geld om het land uitgebreid te verkennen, maar ik was wel blij dat ik bijna drie hele dagen had uitgetrokken om Moskou te bekijken. Een bijzondere stad met het Rode Plein, het Kremlin, de Basiliuskathedraal, als paleizen gedecoreerde metrostations en de nog vele Stalin-wolkenkrabbers met in het beton gegraveerde hamers en sikkels. Nog meer hamers en sikkels kwam ik tegen tijdens een betoging van mensen die het communisme terug wilden. Zelfs Stalin, die miljoenen doden op zijn geweten heeft, werd op spandoeken geprezen. Het snel stijgende aantal restaurants van McDonalds liet daarentegen zien dat ook in Moskou de globalisering niet meer is tegen te houden.
Na Rusland bezocht ik nog Alma-Ata, de hoofdstad van Kazachstan. Ook dat is een bijzondere stad die de grens vormt tussen een eindeloze woestijn en de eerste uitlopers van de Himalaya. Er zijn nog verschillende prachtige sportmonumenten die herinneren aan de Olympische Winterspelen die er ooit werden gehouden. Ruim de helft van de tijd in Rusland en Kazachstan bracht ik in treinen door en ook dat heeft geen minuut verveeld.
In 2016 was al veel veranderd. Moskou was snel in een moderne stad veranderd, die niet onderdoet voor verschillende Europese en Amerikaanse steden.

Klik hier om naar het verslag van de Moskou Marathon in 2016 te gaan.

Proloog

Op weg naar China voor mijn eerste grote reis, kwam ik door Rusland en Kazachstan. De eerste grote etappe was met de trein van Hannover naar Moskou, waar ik drie dagen verbleef. Vervolgens reisde ik met de trein naar Alma-Ata in Kazachstan, waar ik twee dagen doorbracht. Veel heb ik dus niet gezien van Rusland, maar wel het Rode Plein met toen nog het wisselen van de erewacht voor het mausoleum van Lenin, het Kremlin en de beroemde Basilius-kathedraal. Ook de als paleizen gedecoreerde metrostations en het gewone straatleven waren bijzonder boeiend. In Alma-Ata bezocht ik het voormalige Olympisch ijsstadion en de prachtige sportpaleizen in de binnenstad. Daarnaast leverde het reizen in de trein ook genoeg stof voor schrijven op. Voor wie de tijd heeft en een paar dagen buiten comfort kan, kan ik deze vorm van reizen aanbevelen. Je beleeft niet alleen de cultuur, maar wordt er ook onderdeel van. Voor mij was het extra spannend, omdat ik nog geen serieuze reiservaring had. Veel dingen zou ik nu echt anders gedaan hebben. Maar het is gelukt en het was geweldig. Wat begon met een simpel enkeltje van Haarlem naar Amsterdam, werd geleidelijk steeds exotischer en eindigde uiteindelijk weer met een heel normaal treinritje van de Chinese grens naar Kowloon in Hong Kong.

Donderdag 24 juni 1993

Spitsuur op het Centraal Station in Amsterdam. Honderden mensen krioelen door elkaar heen. Forenzen op weg naar huis. Stappers die net aankomen voor een avondje Amsterdam. Mensen die op de borden kijken en zich afvragen hoe zij verder zullen reizen naar hun bestemming in de hoofdstad, nu het personeel van het Amsterdamse gemeentelijke vervoersbedrijf voor de zoveelste keer in staking is gegaan. Ik ben waarschijnlijk de enige met een enkeltje Hong Kong op zak en wacht samen met mijn vriendin Diana en mijn moeder op de trein die mij over de eerste etappe naar Hannover zal voeren.
Het was een hectische dag na een hectische week. De ‘zaak’ had mij niet gespaard, die laatste dagen voor mijn vertrek. Nog even dit en nog even dat. Alles moest in orde zijn voordat ik de boel zeven weken de boel kon laten.
Maar de laatste dag, de dag van mijn vertrek, mocht ik naar eigen inzicht besteden. Ik besloot nog eens lekker te doen of er niets aan de hand was. Gewoon een dagje vrij. Lekker lummelen en nog niet denken aan wat komen zal.
’s Morgens op de weekmarkt van Haarlem Noord. Niemand die wist dat er een dwaas rondliep die deze middag op de trein zou stappen om een traject van twintigduizend kilometer per spoor naar Hong Kong af te leggen. Een stalletje met afgeprijsde koeken trok mijn aandacht. Snoepen is goed tegen de verveling onderweg. En ik ben er nog niet helemaal zeker van wat mij straks in Rusland te wachten staat. Ik wil niet omkomen van de honger terwijl ik in een lange rij voor een lege winkel sta.
’s Middags was het gedaan met de vrijheid. Diana kwam wat vroeger thuis zodat we nog even een laatste middag samen konden doorbrengen. En wat doen verliefde mensen dan? Juist, de koelkast leeghalen en uitsoppen. En natuurlijk de rugzak uitpakken om aan de overcomplete bagage nog wat overbodige warme kleren toe te voegen. Ik baalde ervan. De tijd begon ook nog te dringen. Ik had mij voorgenomen om minstens drie kwartier voor vertrek op het Centraal Station in Amsterdam te zullen zijn, maar het zag er naar uit dat dat niet zou lukken.
Veel te laat vertrokken we naar station Haarlem. Een trein richting Amsterdam was net weg en de volgende liet nog ruim een kwartier op zich wachten. Half vijf zaten we eindelijk in de stoptrein naar Amsterdam. Twintig minuten vanuit Haarlem. Ik zou dus pas tien voor vijf aankomen. Een kwartier voor het vertrek van de internationale sneltrein naar Hannover. Tenminste, als de goden mij niet in de steek zouden laten. Want zo krap timen is natuurlijk vragen om ellende.
Gelukkig bleef vertraging uit. De trein van vijf over vijf naar Hannover was nog niet binnengelopen. Ik had dus nog even de tijd om uit te blazen van de stress, voordat het grote avontuur zou beginnen. Mijn moeder, helemaal op de fiets gekomen uit West wegens de stakende tram, en Diana zwaaiden mij uit.
Eigenlijk sneller dan dat het mij bevalt, breekt het tijdstip van afscheid aan. Het wordt mij allemaal even te machtig. Beladen met eenentwintig kilo bagage en drie zware boodschappentassen met proviand, sta ik uit te huilen op Diana’s schouder. Ik probeer het te onderdrukken, want het hoort nu eenmaal niet bij zo’n grote vent. Maar, gelukkig zal wel verder niemand van de stationbezoekers mij kennen.
Het gedreun van de binnenlopende intercity sleurt mij terug naar de realiteit. Nu is het actie, want de trein zal slechts enkele minuten blijven staan. De juiste wagon, zoals vermeld op mijn voucher, weet ik niet te vinden, maar de trein is zo leeg dat het eigenlijk niet uitmaakt waar ik ga zitten.

Ik manoevreer de spullen door de smalle deur van de oude Duitse wagon naar binnen en hoor buiten de fluit al. Nog snel wat foto’s en een knuffel in de open deur. Dan zet de trein zich in beweging. Een snelle controle leert mij dat de complete bagage aan boord is.
De reis begint. Schokkend neemt de snelheid van de trein toe en zie ik moeder en Diana kleiner worden. De lange tocht is begonnen. De eerste vijfhonderd meters van de 20.000 kilometer zijn afgelegd.
De intercity naar Hannover dreunt over de wissels langs de nieuwe huizen van Amsterdam Oost, terwijl ik een gunstige plek uitzoek om het de komende uren vol te houden. Onderweg bestudeer ik mijn kaartje en ontdek dat de nummering op het biljet en in de wagons wel klopt. Ik had het verkeerd begrepen. Gelukkig maakt het niet uit. Ik heb zowat de hele coupé voor mij alleen.
Het bekende landschap van het Gooi glijdt voorbij en als we Amersfoort bereiken lijkt het alsof er pas vijf minuten verstreken zijn. In werkelijkheid zijn het er veertig. Langzaam beweegt de zon zich naar de westelijke horizon. Hopelijk zou het nog lange tijd licht blijven. In ieder geval tot Hannover waar ik op de volgende trein moet overstappen.
In Amersfoort verlaat iedereen de coupé en komen er andere reizigers voor in de plaats. Weinig aanspraak weer. Maar ja, daar heb ik zelf ook niet zo’n behoefte aan. Ik ben nog steeds midden in Nederland. Wat vliegt de tijd toch om.
Als we weer te midden van de weilanden rijden, pak ik de portable computer uit mijn buikzak om het begin van dit reisverslag in te tikken. Het is opletten geblazen, want de verleiding om lang door te tikken is groot, maar ik zal het tot Moskou moeten uitzingen met één accu die al na twee uur gebruik helemaal leeg is.
Als de schitterende dennenbossen en heuvels van Apeldoorn aan het venster voorbij trekken krijgt het decor al een wat buitenlands aanzien. Eigenlijk is het toch geweldig om met de trein te reizen. Je kunt wegdromen, terwijl je met een vaart van 120 km per uur in de richting van je bestemming rijdt.
In Apeldoorn vindt weer wisseling van de wacht plaats. De ene krantenlezer maakt plaats voor de andere. Het zal niet zo lang meer duren of mijn medereizigers zullen Duitse kranten lezen. Met de auto is het een wereldreis, maar met de trein kom je vanzelf aan de Duitse grens.
Even na zessen rijdt de trein over de IJssel het Verre Oosten van Nederland binnen. Af en toe werp ik een waakzame blik op de rugzak die in het gangpad staat. Buiten trekt een vertrouwd beeld aan het raam voorbij. Rijtjes rijtjeshuizen. Poldertjes, weggetjes. Allemaal nog puur Nederlands. Net een dagje uit. Maar het is geen dagje uit. Dit gewone ritje langs weilanden en koeien voert mij naar een andere wereld. Een wereld die ik nog niet eerder betreden heb en waarvan ik mij zelfs bij benadering geen betrouwbare voorstelling kan maken. De opwinding over het vertrek slijt langzaam weg en maakt plaats voor mateloze nieuwsgierigheid. Nieuwsgierigheid naar de landen en volken die ik de komende weken zal gaan zien. Nieuwsgierigheid naar datgene dat mij tot deze onderneming heeft aangezet. De raadselachtige oorzaak van mijn reiskoorts. Tevreden schuif ik achterover en geniet.
De avond begint te vallen. Wat vroeg voor de tijd van het jaar. Zouden de dagen echt al weer korter worden, of komt het omdat we naar het oosten reizen? De conducteur knipt mijn kaartje. Gelukkig, het klopt allemaal. Ik vind het maar afwachten met al die exotische treinkaartjes die ik enkele weken geleden per post toegestuurd kreeg. Als het in de trein de hele reis zo rustig blijft als nu, zul je mij niet horen mopperen. Alleen mijn staccato geroffel op het tekstverwerkertje verstoort het ritmisch gedreun van de oude spoorwagens uit de voormalige DDR. De strenge letters ‘DR’ prijken nog op ieder steelbaar onderdeel van de wagon. Asbakjes: DR. Dat krijgen ze er nooit meer uit. Ook al is de bedrijfsnaam Deutsche Reichsbahn gelijk met de Berlijnse Muur afgeschaft.
Af en toe klinkt even een belletje van een in een flits gepasseerde spoorwegovergang. Zouden de wachtende automobilisten weten dat in die voorbij stormende trein iemand op weg naar Hong Kong is?
Het is alweer ruim honderd minuten geleden dat de trein het Centraal Station in Amsterdam verliet. Buiten trekt Overijssel voorbij. Voor het eerst begin ik te beseffen dat ik aan de reis van mijn leven begonnen ben. Al die maanden ervoor ben ik alleen met werk bezig geweest. Werk dat mij voor de volle honderd procent opeiste. Tot gisteren was dat zo. Vanmorgen mijn laatste telefoontje. Nu moet ik de zakelijke beslommeringen van mij afzetten. Het avontuur eist mijn volledige concentratie op. Zou mijn voorbereiding voldoende zijn geweest?
De voorbereidingen voor de reis zijn niet in mijn koude kleren gaan zitten. Het is per slot van rekening een hele onderneming. Vanochtend nog snel diarolletjes gekocht, want 400 ASA film­pjes had ik nog niet en van de professionele Kodachrome-films had ik er te weinig. Ook nog snel naar de bank voor dollars. Het postkantoortje kon mij slechts aan enkele beduimelde biljetjes van de Amerikaanse munt helpen. Albert Heijn was goed voor wat extra krentenbollen. Terwijl ik allerlei winkels in- en uitliep voor een geldbuideltje. Gelukkig slaagde ik daar niet voor, want ik had er al een. Die was ik kwijt, maar eenmaal thuis vond ik hem weer. Het buideltje hangt nu om mijn nek. Vol met kostbare papieren. Geld, paspoort, vaccinatiebewijs, Thomas Cook Traveller cheques, betaalkaarten en -pas, pasfoto’s, visa en al het andere dat nodig is om de te bezoeken bureaucratieën in en vooral weer uit te kunnen komen.
In Almelo begint het al wat donkerder te worden. Nog even en ik ben Nederland uit. Dan begint het avontuur pas goed. De stop in Almelo duurt behoorlijk lang. Ik had nog wel een laatste, echt Nederlands kopje koffie kunnen bestellen. Blijkbaar zijn we ruim op tijd. Maar dan klappen de automatische deuren met een dreun dicht en zet de trein zich weer krakend in beweging. Het laatste Nederlandse station verdwijnt met toenemende snelheid uit zicht.
Nog even concentreer ik mij op het overbekende Hollandse landschap en de o zo keurige forenzenwijken. Dat ik Nederland ga verlaten doet mij eigenlijk niet eens zo erg veel. Wel had ik veel moeite met het afscheid met de mensen die mij dierbaar zijn. Ik had mij een stuk prettiger gevoeld als Diana was meegegaan. Haar zou ik voorlopig niet terugzien. Niemand om mijn gevoel mee te delen. De opwinding over alles wat ik zal gaan beleven.
Het laatste Nederlandstalige opschrift dat ik zie is heel toepasselijk een UIT-bord langs de snelweg die op enige afstand parallel aan de spoorlijn loopt. Acht minuten over zeven rijden we met volle snelheid de Nederlands/Duitse grens over. Ik zit nu moederziel alleen in de coupé en misschien wel in de trein, want ik hoor niets meer. Het soldatengeschreeuw dat voor Hengelo zo nu en dan de rust verstoorde, is verdwenen. Alleen het vertrouwde gedreun van de treinwielen is nog hoorbaar.
Buiten staat de zon laag boven de westelijke horizon. Het is mooi weer in Duitsland. En de reis verloopt tot nog toe bijzonder aangenaam. Ik voel mij steeds beter en de droefenis van het afscheid maakt steeds meer plaats voor de vreugde over wat nog gaat komen. We schommelen langzaam richting Osnabrück, een stadje waar Diana en ik een jaartje geleden tijdens onze eerste vakantie een bezoekje brachten.
In Bad Bentheim houden we even pauze. Er komt een Duitse locomotief voor de trein. Ik controleer toch maar even of er nog anderen in de trein zitten, voordat ik straks ergens achterblijf in een afgekoppelde of vergeten wagon. Een deel van de trein is namelijk al in Hengelo achtergebleven.
In Bad Bentheim gaat de laatste Nederlandse wagon van de trein. Een rangeerder stelt mij gerust als ik naar mijn wagon wijs. “Der teil geht mit”, verzekert hij. Als ik niet zoveel troep had, was ik naar voren gelopen, naar de wagon waarin mijn gereserveerde plaats zich bevindt.
Het Duitse deel van de reis verloopt wat ruw. Af en toe begint de trein met een felle ruk te remmen en kijk ik bezorgd of mijn zware boodschappentassen wel in het rek boven mijn hoofd blijven staan. Gelukkig gaat het allemaal goed, zelfs als we na een minuut of tien ineens een noodstop maken. Midden op een overweg blijft de trein staan. Niets aan de hand. Na een tijdje rijden we gewoon weer verder. Het abrupte stoppen herhaalt zich onderweg nog een keer. Moet de Duitse verkeersleiding in Nederland in de leer?
Het is tien voor negen in de vallende avond van mijn eerste reisdag als we vanaf station Minden (west) vertrekken. Hannover is nu niet zo ver meer. Ik kan dus nog even van mijn stille en riante coupé genieten, want eenmaal aangekomen in Hannover heb ik zo’n twee uur wachten voor de boeg. De trein komt namelijk al even voor half tien aan, terwijl de nachttrein naar Moskou pas om tien voor half twaalf zal vertrekken.
Vlak voor Hannover rijden we langs een laaggebergte dat het zonlicht goudgeel weerkaatst. Dan zie ik de eerste huizen van de stad. Even later komt de intercity krijsend tot stilstand in het drukke Hauptbahnhof van de stad.
Het wachten duurt lang in Hannover. Terwijl het buiten snel donker wordt zoek ik naar een mogelijkheid om mij twee uur op het station te vermaken. Een wandelingetje door de stad laat ik vanwege mijn zware bagage maar buiten beschouwing. Duitse marken om een kluisje te huren heb ik niet bij mij.
In de hal speelt een bandje en de droevige klanken worden luid door het gladde tegelwerk weerkaatst. Ik kijk ernaar vanaf het balkon. Maar na enige tijd houden de oudere jongeren het voor gezien.
De hal van Hannover HBf is typerend voor een Duitse stationshal van deze tijd. De laatste forenzen snellen naar huis, terwijl in toenemende mate anarchisten en andere lieden met felgekleurde haardrachten bezit nemen van het domein. Zwervers liggen aan de fles onder fel gekleurde reclameborden met producten die zij nooit zullen kunnen betalen. Alleen met de reclamebranche lijkt het nog goed te gaan in Duitsland.
Ik loop wat over het stationsplein en herken de weldadige, autovrije winkelstraten van de stad. Enige jaren geleden kwam ik hier jaarlijks voor een bezoek aan de Hannover Messe. Het komt mij nog steeds bekend voor. De zware tassen dwingen mij helaas al snel weer om ergens in het station een rustplaats uit te zoeken.
In een wachtlokaal neem ik plaats tussen andere reizigers en zwervers die het station als vaste verblijfplaats gebruiken. Ook zitten er enkele andere rugzakreizigers. Ik probeer de tijd te doden met wat SF-boekjes die ik speciaal voor dat doel heb meegenomen. Er blijkt echter zo weinig aan dat ik ze na een half uur maar in de prullenbak gooi. Ik vermaak me maar met het bekijken van het nachtelijke stationsvolk.
Elf uur besluit ik naar perron 12 te gaan, waar volgens plan om vijf voor half twaalf de sneltrein naar Moskou moet vertrekken.
De trein komt keurig op tijd binnen. Hopelijk heb ik nu wel de goede plaatsnummers. Als ik het perron bekijk, bekruipt mij een somber vooruitzicht op de rest van de reis. Je kunt zien dat deze trein van rijk naar arm rijdt. Ik dacht dat ik veel bagage bij mij had, maar wat ik op het perron zie slaat werkelijk alles. Ze mogen wel een aparte goederentrein aankoppelen.
Het zit mij niet mee. Ik sta bij de eerste wagon en die heeft nummer 165. Ik moet wagon 153 hebben. En ja hoor, dat is de achterste. Een kilometer verder dus, zo ongeveer aan het einde van het bepaald niet korte perron.
Het is weer zoeken geblazen met mijn ruim dertig kilo aan bagage. Als ik eindelijk wagon 153 gevonden heb, kan ik mijn plaats niet vinden. Ik heb bed 35 en de nummers lopen maar tot 16. Ra, ra, hoe kan dat? Ik strompel weer terug naar de controleur en toon hem mijn kaartje. De vriendelijke conducteur legt mij geduldig in het Russisch uit hoe de vork in de steel zit. Ik snap er niets van. Uiteindelijk slaagt de beambte erin mij duidelijk te maken dat ik niet plaats 35 maar plaats 10 moet hebben. Dat is Russische logica. Ik weer terug dus door het tot aan het plafond met bagage volgestapelde gangpad.
De trein naar Moskou maakt een ongelooflijk aftandse en smerige indruk. Ruim de helft van de verlichting werkt niet. Alles is vies, vooral de ramen. Het stinkt naar niet geluchte slaapzalen en deuren zijn alleen met grof geweld te openen.
De gang en de coupés zijn tot het plafond volgestapeld met bagage. Allemaal handelswaar. Spullen die niet makkelijk verkrijgbaar zijn in Rusland en daarom een middel van bestaan voor de reizigers vormen.
Ik blijf een tijdje de enige in mijn coupé en even heb ik de stille hoop dat dat zo zal blijven. Dus niet! Ik moet mijn coupé delen met een Rus die natuurlijk ook naar Moskou moet en die ongeveer tien maal zijn eigen gewicht aan bagage bij zich heeft. Ik ben er niet blij mee. Ik had liever een Nederlander of voor mijn part een Duitser in de coupé gehad. Die hebben niet zo absurd veel bagage bij zich.
Ik kan mijn spullen amper kwijt. Alle ruimte wordt ingenomen door de enorme canvastassen van mijn coupégenoot. Mijn voedselvoorraden en rugzak kunnen alleen nog onder het onderste bed, dat de Rus gezien zijn lichaamsomvang wel verplicht is te nemen. Ik zie hem niet over het gammele laddertje naar boven kruipen.
Dan zit ik ook nog met een stapel in dit jaargetijde overbodige dekens opgescheept en een kussen dat ik eigenlijk niet hoef. Maar eens kijken hoe ik dat probleem kan oplossen. Installatie vergt heel wat improvisatie in deze voormalige Sovjet-express.
Moe ben ik in ieder geval wel na zo’n inspannende dag. Dus het slapen zal wel lukken. Alleen jammer dat ik niet bij mijn proviand kan komen. Ik heb alleen mijn buikzakje bij de hand en die houd ik ook binnen handbereik. Het is kwart over twaalf als ik ga slapen. De trein nadert Berlijn.

Vrijdag, 25 juni 1993

Slapen in een Russische trein. Vergeet het maar! Als ik mij eindelijk geïnstalleerd heb, kondigt de derde medepassagier zich aan. Met veel lawaai wordt het middelste bed in positie gebracht. Gelukkig heeft deze Rus niet zo extreem veel bagage bij zich, want het had er echt niet meer bij gekund. Rond een uur of twee is het dan eindelijk stil, afgezien van het gesnurk dan.
Kwart voor vier maakt de Grenzpolizei bekend dat het vervolg van de welverdiende nachtrust voorlopig wel vergeten kan worden. Met mijn ogen nog vol slaapzand zoek ik mijn paspoort tussen de bundel papieren.
Tien minuten later klinkt het weer ‘pasporte’. Ditmaal houden de Polen ons uit onze slaap. Weer laat ik mijn paspoort zien. Kan ik dan nu eindelijk slapen? ’s Nachts heb ik een eigenaardige droom. Tijdens een lange busreis doe ik de Poolse stad Poznań aan. Ik verblijf er in een hotel en heb buitengewone belangstelling voor het drukke tramverkeer in de stad. Ik hoop de stad Poznań in werkelijkheid overdag te passeren.
’s Morgens om zeven uur kan ik de slaap niet meer vatten en sta ik op. Helaas zitten mijn schoenen en proviand in de kast onder het bed van mijn benedenbuurman en die ligt nog hardop te snurken. Dan maar een uurtje uit het raam kijken op het gangpad.
Ik heb geluk. We komen net in de buurt van Poznań. Is dat niet toevallig?
Het blijkt een behoorlijk grote stad, te oordelen aan het aantal voorsteden, waarvan de niet te onthouden namen op de armoedige en verpauperde stations staan vermeld. Helaas ben ik net te laat om een nog in werking zijnde stoomlocomotief op de foto te nemen. Een tweede locomotief lukt ook niet. Er passeert op dat moment net een trein in de andere richting. Ik zie alleen de rookpluim nog.
Fotograferen vanuit de trein is toch al moeilijk. De ramen zijn niet bepaald schoon en bovendien erg oud, waardoor het glas vooral van opzij gezien een nogal gegolfde indruk geeft. Open kunnen de ramen niet en dat is vooral voor wat betreft het slaapcompartiment vervelend. Want hoewel de stank geen echt hinderlijke vormen aanneemt, zou wat frisse lucht weinig kwaad kunnen.
Helaas zie ik in Poznań geen van de uit Amsterdam afkomstige tramstellen. Enige jaren terug had ik nog het voornemen om de stad eens een bezoek te brengen, onder andere omdat je er met voormalige Amsterdamse trams kan rijden. Van dat bezoek is nooit meer iets gekomen, maar nu ben ik er dan wel en zie ik alleen oeroude, gammele Poolse trams waarvan de oorspronkelijke kleuren slechts met moeite herkenbaar zijn. Met wat gehannes weet ik er nog een op de gevoelige plaat vast te leggen.
Polen. Het is minder grauw dan ik gedacht had. Met wat fantasie lijkt het wel wat op Nederland. Uitgestrekte velden, bomen en boerderijen. Het is alleen anders groen dan in Nederland. De Poolse steden maken een arme indruk. Afgezien van de schotelantennes op de meeste huizen, lijkt het alsof alles dertig of veertig jaar achterloopt. Veel wegen zijn nog niet verhard en het wagenpark bestaat grotendeels uit voormalige Fiatjes 126, piepkleine koekblikjes die in dit land nog voor statussymbool kunnen doorgaan.
Na Poznań volgt Konin. Ik heb even de indruk dat ik tussen een aantal oude roestige treinwagons een oud Nederlands rijtuig van de voormalige ZHESM ontwaar, maar zeker weet ik het niet. Er is na de Tweede Wereldoorlog behoorlijk wat Nederlands spoorwegmaterieel deze kant op gegaan en er wordt nog aardig wat vermist.
De reis gaat verder richting Warschau waar we rond elf uur moeten aankomen. Het landschap wordt intussen steeds soberder en vlakker. Mijn medepassagiers zijn inmiddels wakker, zodat ik eindelijk bij mijn ontbijt – vier krentenbollen en een blikje Bavaria Malt – kan komen.
Rond half twaalf bereiken we de hoofdstad van Polen, Warschau. Veel zien we niet van de stad, want de spoorweg loopt door een tunnel onder het centrum door. Het centraal station van Warschau heeft veel weg van een erg groot metrostation, maar het is ondanks de moderne vormgeving vrij matig verlicht. Geïnteresseerd kijk ik naar een groep Polen, die op een trein in de andere richting staan te wachten.
Het oponthoud duurt kort en de oude trein, die een schril contrast vormt met het strakke, ondergrondse station, zet zich weer in beweging. Na het verlaten van de tunnel rammelt de trein over een lang viaduct over de Wista. Ik kijk nog even uit het raam naar de verdwijnende Poolse hoofdstad en zie het reusachtige Stalinistische cultuurpaleis boven alles uitsteken. Van dergelijke wolkenkrabberachtige betonreuzen zou ik er nog heel wat te zien krijgen. In een stadje net voorbij Warschau blijven we vrij lang staan. Waarschijnlijk komt er een andere locomotief voor de trein.
Vanaf Warschau is het volgens mij niet zo heel ver meer naar de Russische grens. In de trein lijken alleen nog Russen te zitten. Vooral mannen die in Duitsland inkopen hebben gedaan. Maar ook zitten er enkele gezinnetjes in de trein. Ik knoop een praatje aan met een van mijn coupégenoten. Zijn Duits is net even beter dan mijn Russisch, dus proberen we wat in het Duits te converseren. Om het gesprek te openen stel ik de overbodige vraag of hij naar Moskou gaat. “Moskou, da, da”, lacht hij.
Ik wil wel eens weten waarom mensen zo krankzinnig veel bagage meenemen in de trein. Uit zijn nauwelijks verstaanbare uitleg maak ik op dat ik in feite in een handelstrein zit. De bagage is pure handelswaar die in Moskou direct verkocht wordt aan straathandelaars. De reizigers vertrekken dan met de eerst volgende trein weer terug naar Duitsland. Veel winst hoeven ze niet te maken, want de trein kost hen (voorlopig nog) bijna niets.
De andere Rus spreekt helemaal geen woord over de grens. Hij ligt vrijwel de hele dag op zijn bed en dus op mijn bagage. Zou zijn leven uit niets anders meer bestaan dat heen en weer reizen tussen Duitsland en Moskou?
Het weer is tot nu toe niet slecht. Wel is het vrij dicht bewolkt, maar nu en dan komt er toch wat zon door. De temperatuur is aangenaam.
Inmiddels loopt het tegen twaalf uur in de middag. Een klein schokje door de trein geeft aan dat de locomotief gekoppeld is. We zullen zo dadelijk dus wel weer vertrekken. Ik heb trouwens geen idee hoeveel Poolse stations we nog zullen aandoen. Ik had een plattegrond van dit deel van het traject moeten meenemen.
Eindelijk kunnen op het gangpad enkele ramen open. Deze bleken op last van de douane tot nu toe vergrendeld te zijn. Ik breng de meeste tijd door met het uit het raam hangen en het staren naar het monotone Poolse landschap.
Als we op een station aankomen waar het perron zich aan de coupézijde bevindt, geef ik het raam een beurt. Dan kan ik ook vanuit het slaapcompartiment naar buiten kijken. Nu kan dat ook wel, maar het kost nogal wat moeite terwijl fotograferen vanuit het raam door het aangekoekte vuil vrijwel onmogelijk is.
Van buitenaf ziet de trein er bijzonder smoezelig uit. Het is duidelijk te zien dat de op de inflatie achterlopende treintarieven voor de Russen investeringen in onderhoud onmogelijk maken.
Het is half twee. De trein raast voort en het landschap wordt steeds eentoniger. Hoewel om de paar kilometer een station voorbij schiet, zijn de perrons ervan net zo verlaten als de rest van de omgeving. De conducteur komt met een in het Russisch opgesteld inklaringsformulier voor de douane. Ook wil hij precies weten hoeveel bagage ik heb. Maar dat stelt niets voor in vergelijking met de vracht van mijn medepassagiers. Die moeten dan ook een toeslag betalen. Ik hoef alleen het formulier in te vullen. Gelukkig heb ik een Engelstalig exemplaar bij mij. Daar zullen ze toch ook wel genoegen mee nemen.
Dan stoppen we op het laatste station voor de grens in het plaatsje Terespol. Hier komt de Poolse douane aan boord om de paspoorten te controleren. De trein staat intussen op een groot, maar volledig vervallen spoorwegemplacement met oude watertorens voor de in deze streek inmiddels afgeschafte stoomlocomotieven. Aan de oostelijke horizon zijn de wachttorens van de grenspolitie zichtbaar. Daar begint de voormalige Sovjet Unie, tegenwoordig Wit-Rusland. Na een poosje wachten rijden we langzaam richting de grens.

Deze wordt al snel zichtbaar dankzij de wachttorens en de vele rijen dikke prikkeldraadversperringen aan de overkant van de Brug, die de grensrivier tussen Polen en Wit-Rusland vormt. Eenmaal over de rivier rijden we een tijdje langs de muren en prikkeldraadhekken, waarmee tientallen jaren de bevolking binnen de grenzen gehouden is. Ik durf bijna geen foto te maken als ik de zwaargewapende grenswachten zie patrouilleren. De trein stopt op een rangeerterrein in niemandsland en krijgt bezoek van de Wit-Russische douane.
Ik ben benieuwd wat mij te wachten staat. Zou het nog net als vroeger gaan? Dan zouden ze een aardige klus hebben aan deze tot de nok toe volgestouwde trein. Het valt gelukkig mee. De jonge douanebeambte bladert rustig mijn paspoort door op zoek naar compromitterende visa, waarop hij mijn visum teruggeeft met nieuwe stempels en zowaar één van de foto’s die ik voor het verkrijgen van het visum naar de Russische ambassade had gestuurd.
We komen in het eerste Wit-Russische station aan. Het station van de stad Brest.
De mensen hebben allemaal karrenvrachten bagage bij zich. Gewoon forenzenverkeer lijkt hier niet te bestaan. Het valt mij wel op dat de mensen er goed uitzien en modern gekleed gaan. Dit is waarschijnlijk het welvarendste deel van het voormalige Sovjet-rijk. Al snel komt de trein met een rukje weer in beweging. Hij rijdt achteruit richting grens. De elektrische locomotief uit Polen heeft plaats gemaakt voor een donkergroene diesellocomotief van de Russische spoorwegen. Deze brengt ons naar een gebouw waar de wielstellen van de wagons verwisseld zullen worden. Dit in verband met de iets grotere spoorbreedte in Rusland.

Het verwisselen van de wielen – ook de koppelingen worden verwisseld maar dat is een stuk eenvoudiger – kost nogal wat tijd. De wagons worden ontkoppeld en omhoog gevijzeld waarop aan een staalkabel de wielstellen eronder vandaan getrokken worden. Vervolgens arriveren de nieuwe wielstellen, waarop de hele handel weer kan zakken. Dan volgt het opnieuw aaneenkoppelen van de wagons, zodat weer de oorspronkelijke trein ontstaat. Boven de ramen, aan de wand van het wielengebouw is het woord vrede in vele talen afgebeeld. Niet in het Nederlands overigens.
De opschriften zijn treffend, want van het gebouw heeft toch zeker ook een symbolische betekenis. De afwijkende spoorbreedte is indertijd ingevoerd om een militaire invasie over spoor te bemoeilijken. Een soort vredesoperatie dus, als je ver doordenkt.
De koppelingen zijn verwisseld omdat in Duitsland en Polen niet met het Russische systeem van stugge koppelingen gereden mag worden. In West-Europa staan treinwagons verend met elkaar in verbinding, hetgeen het comfort zeker ten goede komt. In Rusland – en overigens ook in China – hebben de treinstellen stugge koppelingen die weliswaar goedkoop in onderhoud zijn, maar die bij elke snelheidsverandering de hele trein door elkaar laten schudden.
Inmiddels is het bijna kwart voor vijf. Dreunend en schuddend sukkelen we weer terug naar het station van Brest, waar heel kort gestopt wordt. Na het aankoppelen van een elektrische locomotief zet de trein zich in beweging en wordt de reis voortgezet. Moskou is nog ver. Als alles volgens plan verloopt hebben we nog zo’n negentien uur treinen voor de boeg.
Wit-Rusland (Беларусь) glijdt voorbij. We zijn vijf over vijf vanaf het grensstation vertrokken. Wit-Rusland lijkt aanvankelijk wat op Nederland. Eindeloze groene vlakten met grazende zwart/witte koeien. Alleen groeien er meer berkenbomen. Een ander verschil is de dakbedekking. Bijna alle huizen hebben hier een dak van golfplaten. Dat zal wel meer economische dan architectonische motieven hebben.
Opmerkelijk is weer de eenheid in verscheidenheid voor wat auto’s betreft. Alleen hebben de Poolse Fiatjes 126 nu plaats gemaakt voor de aloude en vertrouwde Lada. Ruslands gedateerde volkswagentje.
Bebouwing is erg schaars in deze contreien. Heel af en toe een boerderij. De dorpen liggen hier al kilometers uit elkaar, terwijl dit nog een redelijk dicht bevolkt gedeelte van het GOS is. De schaarse huizen doen Scandinavisch aan.
In het gangpad, hangend uit het raam van het landschap genieten is niet altijd een even rustige bezigheid. Hoewel alleen mensen uit onze wagon passeren, gebeurt dat ongeveer tweemaal per minuut. Sommige mensen die heen en weer blijven lopen, beginnen me wel enigszins op mijn zenuwen te werken. Vooral mijn coupégenoot die vanwege zijn omvang geen andere passagier in het gangpad kan passeren. Gelukkig is de goederenvoorraad die in Hannover het gangpad blokkeerde zo goed als mogelijk de coupés binnengeperst.
Ik mag blij zijn dat de conducteur, een kleine Rus met een dik blond snorretje, minder dik is, want die spant de kroon met heen en weer lopen. Ook het toilet wordt zeer vaak bezocht. Blijkbaar werkt treinreizen bij sommige mensen op de blaas. Het toilet is naar de maatstaven gemeten niet echt vies, maar er hangt een onaangename geur. Bovendien kun je geen minuut zitten of er wordt al weer aan de deurhendel getrokken. ’s Nachts maar een keer proberen.
Nu het landschap en vooral de gebouwde omgeving sterk beginnen te veranderen, krijg ik pas echt het gevoel dat ik op reis ben. Tot nu toe gaat alles probleemloos, hoewel ik geen roebel op zak heb en met mijn Russische vocabulaire nog steeds niet verder ben gekomen dan da en njet. Ik denk niet dat het zin heeft om verder te oefenen. Bij Intourist en in het hotel schijnen ze wel een paar woorden Engels te spreken, dus ik red me wel.
Ik schijn voor de Russen geen buitenlands uiterlijk te hebben, want men spreekt mij regelmatig aan met de verwachting een netjes antwoord terug te krijgen. Ik versta er natuurlijk geen hout van en ik ben zelfs niet in staat hen dat op een begrijpelijke wijze duidelijk te maken. “Ik Hollandski”, stamel ik maar wat.
Het treinreizen gaat gelukkig eenvoudig. Gewoon wachten tot je er bent. Met de douane waren geen problemen en dat was eigenlijk het enige waar ik nog bang voor was. De kaartjes zijn ook in orde en met mijn medepassagiers had ik het een stuk slechter kunnen treffen. Ze zijn hinderlijk, maar niet expres. Waarschijnlijk ligt het meer aan mijzelf.
Overdag ziet de trein er heel wat prettiger uit dan ’s avonds half twaalf op Hannover HBf. Toen werd ik echt even niet goed van wat ik zag. Stapels en stapels bagage, smerige ramen, slonzige mensen, nauwelijks ruimte om je te bewegen en het vooruitzicht dat dit twee nachten en anderhalve dag zou gaan duren.
Nu de mensen hun rommel op de bagagerekken hebben weten te krijgen, valt het allemaal best mee, hoewel ik het nog wel vervelend vind dat ik ’s nachts niet direct over mijn bagage kan beschikken. Beter is het om het onderste bed te hebben, want dat kan omhoog en eronder is ruimte om bagage op te bergen. Een bijkomend voordeel is dat de bagage niet gestolen kan worden zonder het bed op te tillen. Dat moet ik in de trein naar Alma-Ata beter zien te regelen, want daar moet ik nog twee keer zo lang inzitten als in deze trein en vier etmalen zonder pro-viant is natuurlijk niet uit te houden.
De avond valt en de zon verdwijnt vuurrood achter de horizon, terwijl voor een overweg een oude Wartburg wacht tot de lange internationale trein voorbij is. Deze dendert voort en brengt mij ieder uur zo’n honderd kilometer dichter bij Moskou.
De reis wordt saaier. Veel bomen en af en toe een glooiende vlakte. Met de invallende duisternis wordt het allemaal steeds minder goed zichtbaar. Het lijkt mij daarom een goed moment om mijn laatste ervaringen nog even in te tikken om dan deze eerste dag, die ik als eerste in mijn leven geheel in een trein heb doorgebracht, af te sluiten. Hopelijk kan ik de slaap vatten zodat ik morgen toch nog enigszins uitgerust in Moskou arriveer. Moe ben ik in ieder geval nog niet. Tenminste, ik ben wel moe maar heb nog geen slaap. Dat is best vervelend. Ik ga het toch proberen. Morgen wordt het een zware dag als ik in Moskou aankom. Sjouwen met de rugzak en de boodschappentassen. Zoeken naar Bureau Intourist en mijn hotel. Het is kwart over negen, 25 juni 1993. Vannacht zal er geen grenscontrole zijn gelukkig.

Zaterdag, 26 juni 1993

Moskou is niet ver meer als de dag aanbreekt. Rond een uur of zeven ontwaak ik door het kraken van de coupédeur. De middenbuurman is al op en loopt ongeveer vijf maal per minuut in en uit. Ook in het gangpad is het al een drukte van belang.
Het weer is sterk achteruit gegaan. De lucht zit dicht. Het is kouder geworden en een onophoudelijke miezerregen klettert tegen de ramen van de trein. Ik eet wat lekkers tegen de eerste trek en begeef mij naar de toiletruimte voor een vluchtige wasbeurt. Straks in het hotel doe ik het nog wel even over.
Het landschap is al een stuk Russischer. Grappige dorpjes met gekleurde huisjes met golfplatendaken. De wegen zijn in dit deel van Rusland vrij slecht. Dat geldt eigenlijk ook voor de spoorbaan. Ik heb nog nooit zo geschommeld in een trein. Het zal mij benieuwen hoe dat op het traject naar Alma-Ata zal gaan.
De mensen op de perrons van de stations die we passeren zien er nog steeds niet slecht uit. Enkele jongens langs de spoorbaan herkennen mijn Westerse kop en begroeten me met ‘Auf Wiedersehen’. Ik kan na een uitvoerige bestudering van ‘Russisch voor op reis’ alleen maar ‘Ja nie gewarjoe pa roeskie’ zeggen. Ofwel, ik spreek geen Russisch.
Dorpen en steden liggen in dit deel van Rusland al stukken dichter bij elkaar. De trein stopt regelmatig en ook passeren we steeds meer stations die volgepakt staan met forenzen. Of die helemaal naar Moskou moeten om te werken weet ik niet, maar het zou kunnen want het is volgens plan nog ruim een uur rijden.
Hopelijk zal het weer opklaren, want nu bepakt en bezakt met paraplu lopen lijkt mij niet eenvoudig. In ieder geval moet ik maar zo snel mogelijk al mijn bagage in het hotel zien te dumpen.
Ik wijs naar buiten en vraag aan mijn buurman of de huizen die wij passeren al bij Moskou horen. Hij wijst naar zijn horloge, naar de tien op de wijzerplaat. Hij blijkt achteraf gelijk te hebben wat vrijwel klokslag tien komt de trein schokkend tot stilstand op het doorregende eindstation van de Russische hoofdstad.

Daar sta ik dan. Met rugzak, buikzak en drie boodschappentassen vol proviand. Van dat laatste zou ik nog spijt krijgen. Ik besluit rustig aan te doen en vraag aan een van de mensen op het perron of deze een foto van mij wil maken terwijl ik doe alsof ik net de trein uitstap. Dan bereid ik mij voor op een lange, zware en natte wandeltocht naar het in de verte gelegen stationsgebouw. Ik wil nooit meer de laatste wagon van een trein.
Terwijl ik richting stationsgebouw zwoeg bekruipt mij een onzeker gevoel. Ik kijk naar de trein aan het perron, die op dit moment mijn laatste contact met de beschaving lijkt. Deze trein kan mij terugvoeren naar het bekende. Voor mij ligt alleen het onbekende.
Gelukkig is mijn pioniersdrift groter dan de onzekerheid en pak ik vol goede moed mijn dertig kilo bagage op om mijn weg naar het stationsgebouw te vervolgen. Het gutst van de regen.
Eenmaal in het gebouw ga ik opzoek naar inlichtingen. Die zijn er echter niet. Ook niet in het Russisch. Ik kijk jaloers naar de Russen, die allemaal de taal van dit land beheersen en weten hoe het er aan toegaat. Eerst maar eens aan roebels zien te komen. Ik waag het op goed geluk en zeg vragend “roebels?” tegen het vrouwtje van de snoeptent. Zij begrijpt er niets van. Kennen ze dat woord niet? Een voorbijganger lijkt gelukkig beter bij de tijd. “Change?”, vraagt hij. “Yes”, antwoord ik voorzichtig. Hij loopt met mij mee naar buiten en gebaart in de richting van wat straatstalletjes aan de rechterzijde van het met bussen en trolleybussen gevulde stationsplein.
Intussen word ik bestormd door taxichauffeurs die vragen waar ik naar toe moet en alvast de bagage uit mijn handen willen trekken. Maar ja, wat moet ik met een taxi. Ik heb nog geen Russisch geld en weet niet eens precies waar ik naar toe moet. Ik vervolg eerst maar mijn weg naar de straatkiosk waar ik geld kan wisselen.
Moeizaam sjouw ik de voorraad en mijzelf naar het wisselkantoortje. Het klopt. Een stel jongeren staat in een kleine stand waarop het Engelse pond-teken, het dollar-symbool en nog enkele andere bekende valuta-aanduidingen staan afgebeeld. Ik zwaai met een biljet van vijf dollar en hoef verder niets uit te leggen. Een beduimeld exemplaar weigert de jongen, maar het nieuwe biljet vormt geen probleem. Zijn vrouwelijke collega stopt mij een biljet van 5.000 roebel in mijn hand. Ik had op 500 gerekend, dus het zal wel goed zijn. Ik denk trouwens dat ik die 5.000 roebel niet eens op krijg in Moskou.
Intussen begin ik behoorlijk op mijn proviand te vloeken. Ik heb veel te veel meegenomen. Vrijwel alles wat ik bij mij heb is hier ook te koop en die verhalen over lange rijen en uren wachten voor lege winkels, zijn volgens mij allemaal verzonnen.
Chagrijnig begin ik aan de volgende etappe. Melden bij bureau Intourist. Wie weet waar dat is? Want aan mijn verouderde kaart van Moskou heb ik niet veel. De man van het wisselkantoor wijst in de richting van een verre straathoek en zegt “right, to the right”. Het zal wel.
Ik loop naar de straathoek toe en probeer het te vragen aan een verkeersagent die de hele dag niets anders doet dan auto’s aanhouden die door rood licht rijden. Dat zijn er nogal wat en ongeveer twee maal per minuut is er een de klos. De bekeuring wordt overigens in alle gevallen zonder morren betaald. Alsof het zo hoort. De boetes zijn blijkbaar niet erg hoog in Rusland.
Intourist die kant, gebaart de agent die er door zijn werk al behoorlijk afgestompt uitziet, terwijl hij al weer op zijn fluitje blaast om de volgende roodrijder naar de kant te dirigeren.
De informatie blijkt juist, maar de agent had niet verteld hoe ver het bureau Intourist is. Ik wandel door de hoofdstraat die geflankeerd wordt door hoge gebouwen waarvan enkele in de steigers staan. Er is niet veel verkeer op de zes stroken brede rijbaan. Alleen wat morsige autootjes van Russische makelij en krakkemikkige trolleybussen. Ik sta in dubio of ik een taxi zal nemen, want het kan nog wel weet ik veel hoe ver zijn.
Er komt echter geen taxi, dus stap ik maar op de eerste de beste trolleybus die stopt. Dat blijkt een verstandige keuze. Ik vraag aan een van de passagiers of de bus naar bureau Intourist gaat en dat blijkt zo te zijn. Ik vraag meteen maar of hij mij wil waarschuwen als ik eruit moet. Tenminste, vragen. Ik laat hem het betreffende zinnetje uit het reisboekje lezen, want mijn uitspraak is nog onverstaanbaar voor de Russen.
Tot nu toe ben ik alleen maar hele aardige Russen tegengekomen. Geen Bresjnevs en Stalins. De medepassagier moet er eerder uit, maar eerst legt hij de situatie nog even aan een ander uit en vraagt of diegene mij wil vertellen wanneer we bij Intourist zijn.
Na een paar haltes, waarbij we onderweg zowaar een McDonald’s passeren, gebaart de andere passagier dat ik moet uitstappen. Voor mij staat een reusachtig hotel, vlak bij het Kremlin. Hotel Intourist staat op de nok. Dus daar zullen ze ook wel weten waar bureau Intourist is. Rechts om de hoek moet ik wezen, zegt de receptioniste in een soort Engels. Dus ik strompel maar weer verder over de natte trottoirs. Mij afvragend of ik de boodschappentassen niet beter kan achterlaten voor een behoeftige Moskoviet.
Maar goed, na een tijdje slaag ik er toch in het eerste doel te bereiken. Recht tegenover de poorten naar het imposante Kremlin-complex, met op de achtergrond, de vaag door de regen zichtbare sprookjesachtige en wereldberoemde Basilius-kathedraal, bevindt zich bureau Intourist. Daar moet ik mijn voucher omwisselen voor een hotelreservering en een treinkaartje naar Alma-Ata. Het gaat allemaal prima, alleen moet ik wel twintig minuten wachten voordat mijn treinkaartje gereed is. Gelukkig spreken ze aan de balie een beetje Engels en een beetje Duits. Tijdens het wachten komt nog een groepje Nederlanders binnen, herkenbaar aan geschreeuw en Albert Heijn-tassen. Ik ben gelukkig niet de enige dwaze Hollander in dit land.
De medewerkster van Intourist legt uit hoe ik bij het hotel kan komen. Het blijkt een heel eind te zijn, maar er is gelukkig een goede metroverbinding. Wel moet ik overstappen. Nou ja, ik vind het wel uit.
Het metronet in Moskou is uitmuntend. Alles staat duidelijk aangegeven, zij het in het Cyrillisch, en de ene trein is het station nog niet uit, of de volgende staat al weer klaar. Je hoeft in Moskou niet te rennen om een metro te halen.
En dan de prijs. Voor tien roebel, dat is nog geen twee cent, kun je gaan waarheen je maar wilt. Je moet wel een plastic muntje kopen om in een defecte tourniquet te steken, maar als je dat niet doet valt het ook niet op. Overal petten, dat wel, maar niemand wordt gecontroleerd.
In het station blijkt het allemaal best nog wel ingewikkeld. Ik kan de mensen maar niet duidelijk maken waar ik naar toe moet. Ook is het niet makkelijk om de juiste perrons te vinden. Net als in de metro’s van Londen en Parijs kun je sommige perrons alleen via andere perrons bereiken. Gelukkig tref ik een vrouw die vrij goed Engels spreekt en mij naar het juiste perron begeleidt. De sfeer op het metrostation doet wat Londens aan, compleet met luid spelende jazz-band in Amerikaanse outfit.
Na één halte moet ik overstappen. Het gaat allemaal goed. Ik vraag direct aan de eerste pet die ik zie waar de metro naar Sebastopol vertrekt. Hij loopt vriendelijk met mij mee om het juiste perron te wijzen. Daar vraagt hij weer aan een van de passagiers of die mij tijdig wil waarschuwen. De Rus kan wat mij betreft niet meer stuk. Ik heb nog niet eerder in een grote stad zulke vriendelijke en behulpzame mensen meegemaakt.
De metrorit naar Sebastopol, waar het naar dit plein genoemde hotel zich bevindt, duurt ongeveer een kwartier. Dus kan ik mooi even uitrusten. Ik begin mijn bagagelast al aardig in mijn rug te voelen, om nog maar te zwijgen van mijn schouders en vingers. De mensen zien er trouwens erg modern uit. Anders dan ik mij van de doorsnee Rus had voorgesteld. Vrijwel niemand in de metro zou in Nederland uit de toon vallen, voor wat kleding en overige uiterlijke verzorging betreft. Het heeft natuurlijk te maken met het feit dat Moskou een van de grote wereldsteden is, met een relatief internationaal karakter.
Nog een kwartiertje beulen en dan ben ik eindelijk in het hotel. Het gaat nu gelukkig allemaal gesmeerd. De papieren kloppen en ik krijg de sleutel van een kamer op de zevende verdieping van de tweede toren. Zelfs de lift functioneert naar behoren.
Eindelijk kan mijn rug- en buikzak afdoen en mijn drijfnatte kleren uittrekken. De regen is inmiddels opgehouden, maar ik had nog steeds de jas van mijn regenpak aan. Daardoor heeft het gesleep met bagage aardig wat zweet losgemaakt. Ik doe maar snel even de was, terwijl ik een douche neem. Een koude douche helaas, want warm water is niet beschikbaar. Dat schijnt trouwens een normale zaak te zijn in het centraal gestookte Moskou. Zelfs de warmwatervoorziening is er volgens de communistische ideologie ontwikkeld.
Ik trek schone kleren aan en ga op pad. Want ik ben niet van plan mijn verblijf in Moskou op de hotelkamer door te brengen.
Ik krijg al wat plezier in het onbekende en mijn nieuwsgierigheid wint het van mijn verlangen naar het oude vertrouwde. Een extra sweater kan geen kwaad, want warm is het niet voor de tijd van het jaar. De lucht klaart op en nu en dan breekt de zon even door. De metro weet ik nu wel te vinden en ik besluit naar het centrum te gaan. Dat blijkt echter minder eenvoudig dan ik gedacht had.

Ten eerste klopt mijn kaart niet meer. Die is nog tijdens het Sovjet-tijdperk gedrukt en sinds de afschaffing daarvan zijn de meeste straatnamen veranderd. De Lenin-prospekt behoort tot het verleden. De meeste straten hebben weer hun oorspronkelijk namen uit de Tsarentijd terug gekregen. Ik had dus beter een kaart van voor 1917 kunnen meenemen.
Een andere moeilijkheid is dat op mijn kaart de straten en pleinen in het Latijns alfabet staan aangegeven, terwijl de straatnaamborden alleen de Cyrillische versie weergeven. Met een actuele, Cyrillische kaart is het reizen met de metro heel eenvoudig en snel. Met een verouderde kaart is het echter net een speurtocht. Ik slaag er maar niet in het station terug te vinden waar ik vanaf bureau Intourist opgestapt ben. Na ruim een half uur heen en weer rijden ben ik het zat en ga ik op zoek naar het spoorwegstation waar ik aangekomen ben. Dat is veel eenvoudiger te vinden, onder andere omdat de naam niet veranderd is. Ik maak er nog wat foto’s van een fraaie stoomlocomotief en een groot mozaïek dat herinnert aan de helden van de vroegere Sovjet-Unie, zoals Lenin, Marx, Engels en nog wat van die inmiddels in ongenade gevallen grondleggers van het communisme.

Vanaf het station ga ik weer met dezelfde trolleybus als gisteren naar hotel Intourist. Die route ken ik inmiddels. Nu zie ik zelfs nog een tweede vestiging van McDonald’s, maar weer kan ik de verleiding weerstaan. Mijn doel van vanavond is het Rode Plein. Helaas begint het al donker te worden en is het ook weer gaan miezeren. Geen weer om foto’s te maken dus. Maar dat neemt niet weg dat ik niet langer kan wachten om een van de beroemdste pleinen ter wereld te betreden. Via een lange, brede voetgangerstunnel vol vrolijke rock spelende bandjes en souvenirverkopers, bereik ik de overzijde van de voormalige Karl Marx-prospekt, waar de gebouwen van het Kremlin staan.
Een ongekend gevoel van sensatie bekruipt mij als ik de wereldberoemde gebouwen voor mij zie. Het hart van de voormalige Sovjet-Unie. Het centrum van alle vijandige activiteiten waar wij vroeger zo bang voor werden gemaakt. Maar ik kan mij moeilijk voorstellen dat er tussen al deze vriendelijke, hartelijke en behulpzame mensen een booswicht rondloopt die een atoomraket op ons zou willen afschieten.
Er gaat een majesteitelijke uitstraling uit van de imposante, maar sombere gebouwen en het terras waarop vroeger de Sovjet-leiders stonden terwijl zij de langstrekkende parades inspecteerden. Zelfs de in vrolijke kleuren uitgevoerde Basilius-kathedraal lijkt besmet te zijn met een soort soberheidsvirus dat heel Moskou heeft aangetast en nog eens benadrukt wordt door de alweer dichttrekkende hemel boven mij.
Het is niettemin fantastisch om hier te lopen. Langs het nog symbolisch bewaakte Lenin-mausoleum. Die bewaking zou het komend najaar, na de pro-communistische opstand binnen het parlement, worden afgeschaft.
Ondanks het grauwe weer is het wandelen over het Rode Plein iets geweldigs. Het is alsof ik een heel fijne droom heb, alleen houdt deze droom niet op. Het beeld dat ik zo goed uit boeken ken, is nu werkelijkheid. Daar loop ik dan. Over het Rode Plein. Dat het weer is gaan regenen merk ik amper op. Toch hoop ik dat het morgen beter zal zijn. Al is het maar omdat een beetje zon mooiere foto’s oplevert.
Om tien uur ’s avonds ben ik getuige van het wisselen van de wacht voor het mausoleum van Lenin. Dat gaat nog echt traditioneel, met communistisch marcherende soldaten die hun benen hoog in de lucht slingeren en de knieën zelfs geen graad buigen. Het verschil met vroeger is dat je er nu foto’s van mag maken en veel toeristen maken dankbaar gebruik van dat privilege. Foto’s maken vormde trouwens ook op het station geen probleem. Vroeger was dat wel anders. Ik herinner mij nog wel de verhalen van spoorweghobbyisten die allerlei trucs bedachten om ongemerkt treinen te kunnen fotograferen. Nu kun je met je hele fotohandel open en bloot op het perron gaan staan en fotograferen wat je wilt.

Ook van de metro maak ik heel wat foto’s. De stations zijn werkelijk schitterend. Sommige doen aan paleizen en musea denken. En nergens vuil op de grond of graffiti. De mensen zijn zuinig op dit kostbare staatsbezit. Ik denk dat Moskou tot de weinige steden behoort waar je kunt sightseeing onder de grond.
Maar de metro is niet alleen mooi. Hij is ook heel snel, functioneel en efficiënt. En als je de weg leert vinden door sommige als labyrinten gebouwde stations, kun je elk plekje in Moskou in no-time bereiken. Morgen moet ik maar eens aan een actuele kaart zien te komen. Terug in het hotel merk ik dat de sleutel niet meer op de kamerdeur past. Ik naar beneden. Blijk ik in de verkeerde toren te zitten. Hotel Sebastopol heeft er drie. Ik zat nu in de eerste en moest in de tweede zijn. Nou ja, dat kan de slimste gebeuren. Ik naar toren twee, en ja hoor ditmaal past de sleutel gelukkig wel. Het leven kan moeilijk zijn als je geen Russisch spreekt, maar tot nu toe heb ik mij aardig weten te redden.
Nog steeds geen warm water. Morgen maar eens vragen. De kamer is verder netjes ingericht. Alleen doen de leeslampjes het niet meer, omdat de lampjes ontbreken. Zou de vorige gast daar meer van weten? Ik ben blij dat op de stopcontacten wel spanning staat. Want de accu van mijn tekstverwerker is zo goed als leeg en moet maximaal gevuld zijn voordat ik aan de lange treinrit naar Alma-Ata begin.
Op de kamer staat ook een TV. Met moeite is het zesde net te volgen. Daar draaien ze Engelstalige films, die in het Russisch nagesproken worden. Niet nagesynchroniseerd, nee, nagesproken. Met een stem, die zowel de mannen, vrouwen als kinderen naspreekt. Ondertiteling is waarschijnlijk te duur. Na het schrijven van een brief aan Diana ga ik slapen. Morgen gaat de wekker vroeg af, want in Moskou is het twee uur vroeger dan in Nederland.

Zondag, 27 juni 1993

Pluk de dag, luidt een oud gezegde. Dus ik zet de wekker op acht uur. Helaas denkt mijn lichaam er anders over. Gisteren was een erg zware dag en bovendien is het pas zes uur Nederlandse tijd. Nog maar even omdraaien dus. Maar ook weer niet te lang, want drie dagen Moskou zijn zo om. Kwart voor negen sta ik dan maar op om mij klaar te maken voor het ontbijt. Buiten regent het weer. Veel zon heb ik nog niet gezien sinds ik in deze stad ben. Hopelijk wordt het nog beter.
Voor het ontbijt krijg ik een ingewikkeld biljet. Helaas is de ontbijtzaal gesloten. De portier begrijpt niet wat ik moet als ik hem in mijn Russisch probeer duidelijk te maken dat ik wil ontbijten. Dus maar weer met handen en voeten uitleggen wat ik wil. Het ontbijtbiljet is hem ook abracadabra, maar uiteindelijk weet ik hem toch aan het verstand te brengen dat ik wil ontbijten. Hij neemt mij via een labyrint van kale gangen mee naar de keuken en legt de situatie aan het personeel uit. Direct nodigt men mij uit om plaats te nemen aan een tafeltje in de keuken. Daar bereidt men snel en speciaal voor mij een ontbijtje. Veel stelt het niet voor. Een wit broodje, wat reepjes ham. een halve tomaat, iets dat op boter lijkt en een beetje naar kaas smaakt en twee groen gekookte eieren. Een glas ondefinieerbaar vruchtensap en een kopje Russische koffie maken het geheel compleet. Ik vind het erg aardig allemaal, maar ik denk dat ik morgen maar weer krentenbollen als ontbijt neem. De receptioniste begrijpt overigens niet hoe het mogelijk is dat de ontbijtzaal gesloten was. Ze zou het direct voor mij gaan uitzoeken. Ik hoor het nog wel eens.
Het is tijd om naar de stad te gaan. De metro weet ik nu makkelijk te vinden en ook het gebruik ervan levert geen noemenswaardige problemen meer op. Het is allemaal heel duidelijk en overzichtelijk.
Ook op zondag zit de metro vol mensen. Waar ze naar toe gaan weet ik niet, maar ja, dat weten ze van mij ook niet en in Moskou is de metro voor de meeste mensen de enige vorm van redelijk vervoer. Vandaag zal het volk wel op familiebezoek gaan of zo.
Ik besluit weer eens een poging te wagen om met de metro bij het Kremlin uit te komen. En zowaar, het mislukt opnieuw. Maar ik laat mijn humeur er niet door bederven. Overal waar je boven de grond komt staan indrukwekkende gebouwen. Ook hier. Eén ervan is het beroemde Bolsjoj-theater.

Terwijl ik een foto maak, komen verschillende zwarthandelaren op me af. Ze proberen mij kaartjes voor de voorstelling van vanavond te verkopen. Maar ik voel er weinig voor. Straks zit ik twee uur naar een cabaretshow in het Russisch te luisteren. Een andere keer misschien, op advies van een reisleider met kennis van zaken en gevoel voor westerse smaak.

Al wandelend, kom ik een echte pro-Sovjet-betoging tegen. Een grote groep mensen met rode hamer en sikkel-vlaggen heeft zich rond een spreker met een megafoon geschaard. Borden met portretten van Lenin en zelfs Stalin worden omhoog gehouden en na iedere korte speech volgt gejuich en applaus.
Hoewel het een communistische aangelegenheid is, profiteren de kapitalisten mee. Rond de betoging hebben handelaren zich opgesteld met souvenirs aan het voorbije Sovjet-tijdperk. Speldjes, vlaggetjes, T-shirts en ander propagandamateriaal dat bij toeristen meer aftrek vindt dan bij de anti-perestrojka gezinde betogers. Ik had best wat van die rommel willen kopen als ik niet nog een zware reis door China voor de boeg had gehad. Nu vind ik het het meeslepen niet waard. Ik vraag mij af of de demonstranten zich realiseren dat een betoging tegen de gevestigde orde in de door hen bejubelde periode niet zonder levensgevaar mogelijk was. Maanden later zouden deze schijnbaar onschuldige acties uitgroeien tot een uitbarsting van politiek geweld die pas de kop ingedrukt kon worden nadat Jeltsin-gezinde militaire troepen het parlementsgebouw hadden bestormd.

Wat verder vind ik dan het Rode Plein. Helaas is het vandaag met dranghekken afgesloten, maar de kathedraal is wel bereikbaar via enkele zijstraten. Voor het Lenin-mausoleum staat een lange rij mensen te wachten. Ze willen een blik werpen op het gebalsemde lijk van Lenin, dat daar opgebaard ligt. Zelf voel ik niet veel voor die attractie, hoewel het natuurlijk wel een stukje geschiedenis is.
In een van de zijstraten naar de kathedraal vind ik een winkel waar ze allemaal moderne westerse goederen verkopen. Vooral elektronica uit Japan. Videorecorders, televisietoestellen, allemaal westerse en Japanse merken. Alleen harde valuta wordt geaccepteerd. De prijzen zijn veel hoger dan in West-Europa. Waarschijnlijk zijn deze spullen ook per trein Rusland binnengekomen. Misschien had mijn coupégenoot zijn tassen wel vol videorecorders. Winkels met Russische elektronica ben ik nergens tegengekomen.
Het valt mij op, terwijl ik rondwandel, dat in de straten rond het Rode Plein geen verkeer is. Alleen voetgangers. Kennelijk is het niet toegestaan met een auto zo dicht in de buurt van het politieke hart van Rusland te komen. Fietsen zie ik trouwens ook nergens in Moskou. Via de bochtige en steil omhoog en omlaag lopende straatjes bereik ik de brede weg naar de brug over de Moskwa. Hier wordt de horizon vervuild door een afschuwelijk gebouw. Het blijkt een ziekenhuis te zijn. Hopeloos slecht onderhouden zo te zien. Voor de ingang staat een rij taxi’s. Allemaal Wolga’s, de Russische Opel Kadett.

Langs de weg naar het Rode Plein zie ik een grappig kerkgebouwtje. Nou ja, een voormalig kerkgebouwtje, want het wordt thans als magazijnruimte gebruikt. Dat lot heeft veel kerken in het Sovjet-tijdperk getroffen. De meeste religieuze gebouwen zijn echter afgebroken. Nu keert het geloof langzaam maar zeker weer terug en wordt het ene na het andere kerkgebouw weer voor de oorspronkelijke bestemming in gebruik genomen.
Op de kathedraal raak ik niet uitgekeken. Het is werkelijk een prachtig gebouw. Ik moet oppassen dat ik niet nu al mijn hele filmvoorraad er hier in Moskou doorheen jaag. Gelukkig regent het niet constant. Nu en dan komt zelfs even de zon door.

Een voorbijgangster is zo aardig mij te vereeuwigen met de sprookjestorens van de St. Basilius-kathedraal op de achtergrond.
Dan ga ik weer verder aan de wandel. Eerst een rondje om het Kremlin, dat veel groter is dan ik aanvankelijk gedacht had. En dan weer terug naar de kathedraal. Daar is op dat moment een televisieploeg bezig met opnamen voor een tv-programma. Ze trekken er veel publiek mee aan.
Ik heb zin om een ritje met de tram te maken. Er rijden er niet veel van in Moskou, maar de afstanden die afgelegd worden zijn behoorlijk groot. Eerst probeer ik bij Intourist nog aan een Russischtalige metrokaart te komen, maar die hebben ze niet. Ze hebben trouwens erg weinig daar. Ik vraag of ze iets kunnen aanbevelen, een wandelroute, een museum misschien? Maar nee, ze weten het niet. Het blijft bij een tip voor een stadsrondrit waarvoor ik mij in het om de hoek gelegen Intourist Hotel kan opgeven. Dan maar verder behelpen met mijn verouderde kaart van Moskou.
Al wandelend via een prachtige, met oude bomen omzoomde laan kom ik op de Arbatakaja terecht. De bekendste winkelstraat in Moskou. Typerend is een betonnen muur die volledig bedekt is met handbeschilderde mozaïektegeltjes. Van dichtbij zijn verrassende details te zien. Veel winkels zijn er overigens niet. En dat geldt voor heel Moskou. Maar voor die winkels die er zijn heb ik nog geen rijen gezien. Ook zijn de winkels uitstekend bevoorraad. Het doet nauwelijks onder voor Nederland. Misschien is dat ’s winters wel anders, want ik geloof niet dat Jeltsin nu plotseling een welvaartstaat voor elkaar gekregen heeft. Met mijn tekenboekje in de hand probeer ik een fotowinkelier uit te leggen dat ik een flitsadapter zoek. Ik had zo’n ding, maar ik ben hem vergeten mee te nemen. Nu loop ik met een halve kilo zware flitser op zak waar ik niets aan heb. Helaas blijkt het zeer moeilijk om in Moskou onderdelen te bemachtigen. Een compleet nieuwe flitser kopen gaat mij te ver, ofschoon ze niet veel geld kosten.

Aan het eind van de Arbatskaja wordt binnen enkele dagen het derde filiaal van McDonald’s in Moskou geopend. Voorbijgangers hebben er alle aandacht voor en een meisje vraagt of ik van haar en haar vriendinnen een foto wil maken met de McDonald’s op de achtergrond. De mythe rond McDonald’s in Moskou blijkt overigens niet te kloppen. Ik heb drie filialen gezien, maar nergens stond buiten een wachtende menigte die smachtte naar een broodje hamburger. Het was er niet drukker dan in Nederlandse filialen. Een hamburger is naar Russische maatstaven dan ook erg duur, hoewel de prijzen niet half zo hoog zijn als in Nederland en de broodjes exact hetzelfde smaken. Het derde filiaal zal 3 juli – over zes dagen dus – opengaan. De reclameborden kondigen ter gelegenheid hiervan een groot feest met vuurwerk aan. Aan de andere kant van de Arbatakaja staat een van de reusachtige betonnen Stalin-paleizen. Een grauw, sober gebouw dat uit rechte blokken is opgebouwd, van onderen heel breed en bovenin heel spits. In het beton is hoog boven de hoofdingang een grote hamer en sikkel uitgehouwen.
Moe van het lopen besluit ik de rondtour per trolleybus voort te zetten. Het bevalt prima. De route voert langs een van de zeer brede straten rond het centrum, met aan weerskanten tal van schitterende gebouwen. Als de bus een van de Stalin-paleizen passeert op een moment dat de zon doorbreekt, besluit ik uit te stappen om een foto te maken.
Even later komt al weer een andere bus van dezelfde lijn en kan ik mijn rondreis voortzetten. Het is grappig om te zien dat mensen ondanks het absurd lage tarief toch nog hun best doen om een kaartje te bemachtigen. Dat kan alleen via de chauffeur en gaat als volgt: je geeft degene die voor je staat een biljet van tien roebel (1,8 cent) en die handigt het over aan degene die weer voor hem staat. Zo arriveert het biljet uiteindelijk bij de chauffeur die er een kaartje voor uit zijn automaat trekt. Dit kaartje volgt dezelfde weg terug naar de passagier. De meeste mensen reizen volgens mij echter zwart.
Op een gegeven moment bereiken we het eindpunt. Zomaar ergens langs de rondweg. Iedereen moet uitstappen, waarop de bus leeg verder rijdt. Ik volg de mensen die in de andere richting van een grote brug over het naast de weg gelegen kanaal. Die brug geeft aansluiting op een van de brede straten die radiaal naar het centrum lopen. Moskou lijkt op de plattegrond net een wiel met meerdere velgen.
Een volgende trolleybus is volkomen afgeladen en ik neem maar niet de moeite om een kaartje te kopen, want het kan nu wel een half uur duren voordat ik het biljetje van de chauffeur terug ontvang. Niettemin moet ik toch weer een paar keer roebelbriefjes en kaartjes doorgeven. Als ik op een gegeven moment tramrails zie liggen op een grote kruising, besluit ik uit te stappen om de rit per tram voort te zetten. Ik hoef niet lang te wachten. Vanuit drie richtingen komen de trams aanzetten. Eerst maak ik een paar foto’s en dan stap ik op goed geluk een van de trams in, zonder dat ik enige notie van de bestemming heb.
Het blijkt al snel dat ik een slechte keuze gemaakt heb. De gekozen tram was al praktisch bij het eindpunt in een van de beboste buitenwijken van Moskou. Wel is het interessant dat we een van de remises passeren, waar vele trams in verschillende kleuren van de zondagsrust genieten. Ik besluit dezelfde tram in de andere richting te nemen. Rammelend voert deze mij door de niet-toeristische wijken van de Russische hoofdstad. Het traject lijkt eindeloos en na een half uur besluit ik uit te stappen op een kruising met een zeer brede met bomen omzoomde laan. Nieuwsgierig loop ik de laan af, aangetrokken door luide muziek die uit het aan het einde van de laan gelegen stadspark moet komen. Ik kijk op de platte grond waar ik ongeveer ben en blijk het Gorki-park te naderen.
Dan klinkt een bekend geluid. Uit de aan bomen en palen bevestigde luidsprekers schetteren de klanken van ‘No limits’ van het Amsterdamse muziekduo Two Unlimited. Ik vraag mij af of de artiesten weten dat hun muziek zelfs hier populariteit geniet. Verschillende mensen bewegen ritmisch mee met de muziek, terwijl een eindje verder andere mensen aan het stijldansen zijn. Om de honderd meter klinkt andere muziek en overal zie ik groepjes mensen dansen.
Voor de jeugd is een apart veld in het park gereserveerd. Dat is met hekken omheind en alleen toegankelijk tegen betaling. Een groot aantal politieagenten ziet toe op de openbare orde. Dat toezicht gaat overigens op zijn Russisch. Als twee jongens slaags raken – een klein stoeipartijtje – komt direct het hele team in actie. De agenten zijn niet geïnteresseerd in de ernst of achtergrond van het opstootje, maar timmeren er zonder vragen te stellen meteen op los. Met een gummilat. Een van de jongens wordt onder protest van zijn vriendin in de boevenwagen gegooid, waarna het probleem als opgelost wordt beschouwd en de rust terugkeert.
De tijd vliegt om. Het loopt al weer tegen tienen, maar het lijkt wel alsof het nooit donker wordt in deze noordelijke streken. Ik wandel wat door de vervallen buurt met hoge, sombere woontorens en een oud, vervallen kerkgebouw met een reclamebord van een bedrijf op de gevel en binnenin de goederen van dat bedrijf. Dan pak ik de metro naar het centrum. Ik probeer nog op tijd te komen voor het wisselen van de wacht bij het mausoleum, maar helaas. Ik red het net niet. Als ik aankom zie ik nog net de oude wacht weg marcheren, terwijl het publiek al weer naar de volgende attractie slentert.
Om vast voor morgen, de dag van mijn vertrek naar Alma-Ata, te oefenen, besluit ik met de metro naar het station te gaan vanwaar de trein naar het oosten vertrekt. Dat scheelt mij morgen het nodige zoekwerk, als ik met volle bepakking mijn trein moet zien te vinden. Het blijkt een verstandig initiatief, want het juiste perron is veel moeilijker te vinden dan ik dacht. Er zijn maar liefst drie stations, die vrijwel tegen elkaar aangebouwd zijn. Gelukkig zijn er altijd mensen bereid om te helpen, ondanks de taalbarrière. ‘Alma-Ata?’ is voor een Rus duidelijk genoeg om te begrijpen wat ik wil. Hij wijst naar een monumentaal gebouw, dat ik via een netwerk van tunnels onder de drukke verkeersweg kan bereiken.
Op het perron zie ik op de borden Alma-Ata staan. De trein van vandaag is volgens schema net vertrokken, maar het klopt in ieder geval. Morgen zal ik geen moeite hebben om het juiste perron te vinden.
Vanaf het station blijkt de metro goed bereikbaar te zijn. Ik kijk steeds om en prent de looproute en de naam van het metrostation in mijn geheugen. Ik loop de route voor de zekerheid nog een keer in de richting van het perron, maar het blijkt allemaal heel simpel als je het weet. Na dit avontuur vind ik het welletjes en besluit ik terug te keren naar het hotel. Het overstappen gaat nu in een keer goed. Tegen de tijd dat ik Moskou verlaat, weet ik eindelijk hoe de metro in elkaar zit.
Ik neem nog een douche met koud water, want warm water schijnt hier een schaars goed te zijn, en was mijn haar. Daar zal tijdens de vier nachten durende treinrit geen gelegenheid meer voor zijn. Ik hoop dat mijn spierpijn, als gevolg van het rug-, buik- en boodschappentassen sjouwen morgen minder zal zijn. Ook in mijn benen voel ik het behoorlijk. Ik denk dat ik vandaag wel dertig kilometer gewandeld heb.
Pas om een uur of twee (twaalf uur Nederlandse tijd), na het schrijven van ansichtkaarten en het intikken van dit verhaal, ga ik slapen.

Maandag, 28 juni 1993

Vandaag is de laatste dag in Moskou. Wel jammer, want het bevalt mij prima in deze prachtige hoofdstad met zijn paleizen en vriendelijke mensen. Maar ja, het vooruitzicht voor de komende dagen en weken is ook niet slecht. Over een week zal ik in China zijn. De weergoden zijn vandaag beter gestemd dan de afgelopen twee dagen. Als ik half negen opsta is het weliswaar nog dicht bewolkt, maar het regent gelukkig niet. Voor het ontbijt zorg ik ditmaal maar zelf. Dat lijkt mij toch handiger en smakelijker. Krentenbollen en boterkoekjes, weggespoeld met drinkjoghurt. Dan is het tijd om alles in te pakken. Alle spullen moeten weer terug in de rugzak. Ik haal het wasgoed van de lijn en sjouw de hele handel weer in de lift naar beneden. Gelukkig kan ik alles bewaakt achterlaten in het hotel, zodat ik lekker mijn handen vrij heb tijdens mijn laatste dagje in Moskou. Vandaag lijkt het mij wel eens aardig om met de tram naar het centrum te gaan. Dat is weliswaar een hele reis, maar het biedt wel de mogelijkheid om de gewone woonwijken van Moskou en het straatleven te bekijken. Bovendien lijkt het mij gezellig om als enige westerling tussen de Moskovieten te reizen.

Volgens mijn kaart moet niet ver van het hotel een tramlijn lopen. Hopelijk is deze nog niet opgeheven. De tram blijkt nog te rijden en al snel verschijnt een wagen die naar het centrum rijdt. Ik stap op goed geluk in en geniet hobbelend van het gewone leven dat aan het raam voorbijtrekt. Onderweg zie ik de gevolgen van het toenemende autoverkeer. Hoewel de straten overal zeer breed zijn, blijken de verkeersknooppunten niet voldoende op een grote verkeerscapaciteit afgestemd te zijn, waardoor voor kruispunten lange files ontstaan. Als ik bij een drukbezochte openluchtmarkt uitstap moet ik tijdens het oversteken twee lange rijen auto’s passeren. Het verkeer zit muurvast. De markt is heel aardig. Maar ik zie niets dat ik waard acht om de komende weken met mijn bagage mee te slepen. De spullen zijn wel bespottelijk goedkoop. Dure merken zijn duidelijk in de mode in Moskou, hoewel het gezien de prijzen zonder twijfel om namaak zal gaan. Ik vervolg de tramrit en kom geleidelijk in voller bebouwd gebied. Ik zie op de kaart dat ik niet zo ver meer van het centrum af ben. Bij de eindhalte zie ik een reusachtig beeld van Lenin met op de voorgrond strijdende revolutionairen. Het beeld is waarschijnlijk te groot om even weg te halen. Of men laat het uit historisch besef staan. In ieder geval is het niet meer in de mode. Het lijkt mij aardig om het beeld te vereeuwigen met mijzelf op de voorgrond. Maar helaas zie ik niemand in de omgeving die ik in staat acht een foto te maken. Met de zelfontspanner kan het echter ook, dus met wat gestuntel en vele malen dubbelgevouwen papier slaag ik erin de camera in positie te brengen. Op het knopje drukken en dan snel naar het beeld hollen en poseren. Dan klinkt plotseling een harde klap. Een auto die midden op de weg stond om linksaf te slaan wordt vol van achteren geraakt. De schade is groot, maar de inzittenden lijkt niets te mankeren. Het verbaast mij trouwens toch dat het zo vaak goed gaat. In Rusland lijkt slechts één verkeersregel te gelden. De zwaarste heeft voorrang. De auto’s verdringen elkaar meedogenloos en rijden daar waar plaats is. De beleefdheid die hier onder voetgangers zo gebruikelijk is kom je in het autoverkeer niet tegen. Ook bij het oversteken is het oppassen geblazen. Zebra’s hebben geen functie en stoplichten worden door één op de tien automobilisten genegeerd. De foto lukt uiteindelijk, waarop ik voorzichtig oversteek naar het aan de overkant gelegen metrostation. Voor de ingang staat een aantal bloemenstalletjes met bloemen die rechtstreeks uit Aalsmeer lijken te komen. Het station behoort tot de monumentale ringlijnstations en houdt het midden tussen een Koninklijk paleis en een museum voor schone kunsten. Ik neem de metro naar de Arbatakaja en probeer nog wat fotowinkels. De flitsadapter lijk ik echter wel te kunnen vergeten. Bij het Stalin-paleis pak ik maar weer een trolleybus, een andere lijn dan de vorige keer. Deze bus rijdt echter tergend traag en na een half uur vind ik het mooi geweest. Ik had onderweg gehoopt een metrostation te passeren, maar dat gebeurde maar niet. Ik kon ook geen straatnamen ontwaren, waardoor de kaart mij ook niet kon helpen. Ik stap over op een andere trolleybus, die weer overvol zit. Maar deze passeert na een paar haltes gelukkig wel een metrostation, waarop ik snel uitstap. In de metro kan ik mij tenminste weer oriënteren. Met de metro ga ik naar Intourist om naar een fotospecialist en een postkantoor te informeren. Fotowinkels blijken echter heel zeldzaam in Moskou, postkantoren ook. Gelukkig kan ik beide aan de Kalinskiskaja vinden, een grote, bijzonder drukke winkelstraat waar je zelfmoord kunt plegen door over te steken. Veilig oversteken kan alleen via de onderdoorgangen. Aan de rechterkant tref ik na een half uur wandelen het op de kaart aangegeven postkantoor aan. Het is een groot, statig gebouw met vijf open loketten. Achter vier loketten zit het personeel duimen te draaien, terwijl achter het vijfde loket een rij tot aan de ingang van het gebouw staat. Natuurlijk is dat loket het enige waar je postzegels kunt kopen. Het duurt een eeuwigheid. Ik heb nog nooit zo’n trage postbeambte gezien die zoveel handelingen voor één klant moet verrichten. Het is nog duidelijk het koninkrijk van de bureaucratie hier. Als ik eindelijk aan de beurt ben, na een minuut of twintig, treedt weer een communicatieprobleem op. Ik laat mijn post zien en wijs naar de plaats waar de postzegels horen te zitten. Het meisje achter het loket begrijpt het zowaar en geeft een handje vol zegels. Ik weet natuurlijk niet hoeveel op wat moet. Maar zij begrijpt mijn vragen niet, dus waag ik het er maar op. De hele buit door vijf delen en overal hetzelfde bedrag, 80 roebel (16 cent), op. Meteen gooi ik de post in de brievenbus voor overige bestemmingen. Achter het postkantoor zie ik een heel oude auto, die ik door het glas van de pui fotografeer. Nu nog de fotograaf zien te vinden voor een flitsadapter. Hoewel ik een voorgevoel heb dat de moeite tevergeefs zal zijn. En inderdaad. Weliswaar klopt de informatie die ik van Intourist gekregen heb, maar ook deze overigens goed gesorteerde fotowinkel kan mij niet aan zo iets bijzonders als een flitsadaptertje helpen. Wel hebben ze de nieuwste Japanse camera’s in huis, die met roebels betaald mogen worden, maar volgens mij minstens enkele maandsalarissen kosten. De Russen zullen het voorlopig wel bij hun eigen merk houden of bij de goedkope rommel uit Noord-Korea. Het flitsen met mijn fraaie Metz 45 beschouw ik maar als onmogelijk. Bij een goede gelegenheid zal ik proberen de zware, nutteloze ballast naar huis te sturen. Nog een paar uur te gaan in Moskou. Ik besluit nog maar eens terug te gaan naar het Rode Plein, omdat die plaats tot nu toe de meeste indruk op mij heeft gemaakt. De zon is gaan schijnen. Voor het eerst zie ik een helder blauwe lucht boven Moskou. Het begint ook behoorlijk heet te worden. Het lijkt wel of de temperatuur ineens van vijftien naar dertig graden schiet. Ik doe snel mijn twee sweaters uit en bind die rond mijn middel. Een T-shirt is wel voldoende met dit weer. Het Rode Plein schittert in de zon en ziet er fantastisch uit. Het stroomt geleidelijk vol mensen. Ik kan er geen genoeg van krijgen en besluit vanwege het mooie weer alle foto’s nog eens opnieuw te maken. De St. Basilius-kathedraal is mooier dan ooit, nu de bonte torens in het volle zonlicht schitteren. Ook de omgeving van het Rode Plein leeft op, nu de grauwe wolken verdreven zijn. Ik zie de glanzende gouden torens van het Kremlin, de schitterende kerken en moskeeën, die in een wijde straal rond het Rode Plein gebouwd zijn.

Nadat ik het wisselen van de wacht voor het Lenin-mausoleum op de gevoelige plaat heb vastgelegd, vertrek ik even over zeven naar het hotel om mijn spullen op te halen. De metro van Moskou heeft nu geen geheimen meer voor mij. Ik reis ermee alsof ik al jaren in de stad woon. Het vinden van het hotel levert dan ook geen problemen meer op, gelukkig maar, want zo gek veel tijd heb ik niet meer. Ik krijg mijn bagage niet eerder voor ik de receptioniste van het hotel driehonderd roebel heb betaald. Als ik een kwitantie vraag, kijkt zij mij aan alsof ik van Mars kom. Een kwitantie voor smeergeld, waar haalt zo’n domme westerling het vandaan? Ik klaag maar niet over het warme water. Daar stond tenslotte de fabelachtige ontbijtservice tegenover. De route van het hotel naar het station is gesneden koek na mijn repetitie van gisteren. Bovendien zijn de boodschappenzakken een stuk lichter geworden, nu ik een deel van de proviand soldaat gemaakt heb. Toch is het nog een behoorlijk gewicht, dat ik in de twee resterende supermarkttassen meesjouw.

Tien voor negen kom ik op het Kazinski-station aan. Ik controleer nog even mijn kaartje en zoek het perron waar de trein moet vertrekken. De trein is er echter nog niet en zolang hij er niet is weet niemand van welk spoor hij vertrekt. Nou ja, ik zie wel. De bestemmingen en het treinnummer staan duidelijk op het mededelingenbord aangegeven, dus rond een uur of tien zal de trein wel binnenkomen. Ik installeer mij op het platform en begin zittend op het stoeltje van de rugzak het verslag van deze dag in te tikken. Dat lokt wel bekijks bij de Russen en Kazachen. Langzaam maar zeker begint het vertrouwde beeld te ontstaan van een perron dat volgestapeld is met grote canvastassen met handelswaar. Het lijkt wel een volksverhuizing. Zouden ze geen goederentreinen hebben in Rusland. Terwijl ik zit te typen, probeer ik mijn indruk van de sfeer op dit Moskouse station op schrift te zetten. Het is half tien in de avond. Honderden mensen wachten op het grote voorplein dat toegang verschaft tot de perrons. Duizenden dozen, pakken en koffers staan klaar voor een reis naar een verre bestemming. Mededelingen galmen onophoudelijk in onverstaanbaar Russisch onder de monumentale stationsoverkapping. Ik ruik de geur van stoom. De treinen worden nog met kolen warm gestookt. Terwijl ik mijn avondmaaltijd, bestaande uit gevulde koeken en minipakjes met jus de orange, eet, probeer ik iets op te vangen van de galmende vrouwenstem die niet kan ophouden met het verkondigen van mededelingen. De informatie ontgaat mij echter. Het maakt ook niet meer uit, want voor mij zie ik op het digitale bord Alma-Ata 22.15u staan. Mijn trein rolt langzaam het station binnen en de enorme mensenmassa komt in beweging. Ik vraag een oosterse man of hij een foto van mij wil maken met het mededelingenbord op de achtergrond. Dat vindt hij wel grappig. Op de wagons staat in Cyrillisch de bestemming van de trein aangegeven, Алма́-Ата́. Ditmaal heb ik geluk met de wagon, want ik heb de vierde van de in totaal ruim vijfentwintig. Ik beklaag de reizigers die voorin de trein moeten zijn. De meesten hebben nog veel meer bagage dan ik. Als ik de trein wat beter bekijk begin ik mij af te vragen of ik reizen echt wel zo leuk vind. Ik heb nog nooit zo iets verschrikkelijks gezien. Ik hoef niet te vragen waar de wc’s zijn, want die kun je op het perron al ruiken. De ramen hebben de zelfde kleur als de wanden van de wagons, zeer donker grijs met een bruine nuance. Ik denk aan de tweehonderdveertig gulden die ik voor deze reis heb neergeteld. Als de technische staat van onderhoud even goed is als het uiterlijk van deze trein, overleef ik deze reis niet. Binnen is het even erg als buiten. De verlichting werkt nauwelijks. De meeste lampen zijn weg of defect. In mijn couchette brand één peertje van circa vijftien watt. Het is pikkedonker in de hele trein, want daglicht valt door de ondoorzichtige stationskap en de vuile ramen nauwelijks naar binnen. Terwijl ik mijn bagage in een bergruimte boven het gangpad wurm, dienen mijn medepassagiers zich aan.

Eerst maak ik kennis met twee jongens van ongeveer twintig jaar. Het blijken broers te zijn. Beiden zijn van Kirgizische komaf, maar hebben onder het communisme de Russische nationaliteit gekregen en wonen nu in Dzhambul in Kazachstan. Een stad die een dag reizen voor Alma-Ata ligt. Het vierde bed wordt ingenomen door een jonge vrouw met een dochtertje van ongeveer vier jaar oud. We stellen ons voor. De oudste van de twee jongens voert het woord. “Ich Arthur, er Dimitri”, stamelt hij in Steenkolen-Duits. Hij zegt dat hij in de voormalige DDR gelegerd is geweest en daar wat Duits geleerd heeft. Het contact leggen met de vrouw gaat een stuk makkelijker. Zij stelt zich voor als Ludmila en spreekt uitstekend Engels. Ze komt uit St. Petersburg en is met haar dochter op weg naar Oe-ralsk, waar haar ouders wonen. Ze zegt dat ze die reis elk jaar maakt. Ik neem een van de bovenste bedden. Zo kan ik nog net uit het raam kijken, dat ik vanaf het perron een poetsbeurt heb gegeven. Ongeveer achttien minuten over tien zet de trein zich in beweging. Ik besluit een laatste glimp te gaan opvangen van Moskou en installeer mij voor het open raam in het gangpad. De snelheid van de trein neemt langzaam toe en ik voel de koude avondlucht langs mijn gezicht strijken. Heerlijk na zo’n warme dag. Het liefst zou ik nog een douche nemen, maar dat zal moeten wachten tot ik over vier dagen in Alma-Ata ben. In de trein is alleen een primitieve wasgelegenheid. Rond een uur of twaalf is het geheel donker en zoek ik mijn bed op. Mijn coupégenoten zijn nog op en Arthur en Dimitri hebben een deel van hun handelswaar tevoorschijn gehaald om onderweg te nuttigen. Arthur voert het hoogste woord. Zijn broer heb ik tijdens de hele reis nauwelijks gehoord. Arthur praat over zijn tijd in Duitsland en vraagt waar ik vandaan kom. Nederland zegt hem wel iets. Terwijl hij in een mengsel van Russisch en Duits door babbelt, mixt hij een mengsel van wodka en kersenlikeur. Het is bijna niet te drinken zo sterk. Hij lacht als hij ziet hoe langzaam ik drink. Zelf gooit hij zijn glas in een teug naar binnen. Ludmila neemt het gesprek over als bij Arthur de alcohol begint te werken. In het Engels vertelt zij mij dat zij danslerares is en dat haar naam ‘mooie vrouw’ in het Slavisch betekent. Ik vind het wel een toepasselijke naam. Ik denk dat ik geweldige mazzel heb met mijn coupégenoten, want ik had ook met drie dikke Russen of Kazachen opgescheept kunnen zitten. Bovendien valt de hoeveelheid bagage van Arthur, Dimitri en Ludmila enorm mee. Ik laat ze proeven van wat Hollandse lekkernijen. Dan is het tijd om te gaan slapen. We installeren ons in onze bedden en doen het licht uit. Arthur sluit de coupédeur af met een touw. “’s nachts komen de dieven”, zegt hij dreigend. “we moeten heel voorzichtig zijn.” Gelukkig komen mijn coupégenoten betrouwbaar over. Toch houd ik voor de zekerheid mijn buideltje maar op mijn buik gebonden. Terwijl de trein door nachtelijk Rusland schommelt, merk ik hoe moeilijk ik het nog heb met het slapen in een trein. Mijn coupégenoten liggen al lang te snurken, als de trein rond een uur of twee in het station van een grote stad tot stilstand komt. Na een lange tijd vertrekken we weer. In de tegengestelde richting. Langzaam maar zeker overvalt de slaap mij en maakt de werkelijkheid plaats voor onrustige dromen.

Dinsdag, 29 juni 1993

Ik word tot mijn verbazing pas om acht uur wakker. Ik heb nog niet eerder zo goed geslapen sinds ik op reis ben. Het was vast te danken aan de Russische cocktail van gisteravond. Ik wil opstaan, maar dat lukt niet. Ik ben nog veel te moe. Daarom draai ik mij maar op mijn buik om naar buiten te kijken. Ik zie dat de trein stilstaat op een met gras begroeid spoorwegemplacement. Op de roestige rails staan oude treinwagons. En op de achtergrond zie ik een watertoren. We blijven lang staan. Al snel overvalt de slaap mij weer. De anderen in de coupé liggen nog in diepe sluimer.
Even later word ik opnieuw wakker. De trein slingert zo erg dat ik bijna uit mijn bed val. Ik was al een beetje gewend geraakt aan het geschommel, maar zo erg als nu heb ik het nog niet meegemaakt. De Russen hebben hun wereldfaam als spoorwegbouwers niet aan dit traject te danken. Het verbaast mij dat de trein in de rails blijft. En dan te bedenken dat vliegen in dit land nog gevaarlijker is!
Om een uur of tien worden mijn coupégenoten wakker en besluit ik ook maar op te staan. Lekker een beetje naar buiten kijken. Naar de voorbijglijdende bossen, heuvels en dorpjes. Het ziet er aan deze kant van Moskou armer uit dan aan de westkant.
De trein stopt op een station van een stadje dat niet op mijn kaart van Rusland staat. Ik maak van de gelegenheid gebruik om even de benen te strekken. Langs het perron lopen diverse venters met limonade en een soort worsten te leuren. Ook door de gangpaden van de trein lopen mensen met handelswaar.
De trein blijft ongeveer een kwartier staan, dan vertrekken we weer. Vanavond om een uur of elf zullen we de Oeral-rivier bereiken die de grens vormt tussen het Europese Rusland en het Aziatische Kazachstan. We zijn dan nog niet op de helft van de reis, want deze trein legt het grootste deel in Kazachstan af.
Mijn coupégenoten trakteren op koffie. Ze hebben lekkere oploskoffie bij zich en ik laat het mij goed smaken. Het warme water halen we uit een gebutste tank aan het eind van het gangpad. Daar wordt het water op een kolencomfoor tot op het kookpunt gestookt.
Ik ben benieuwd hoe lang we nog over water kunnen beschikken, want ik weet niet of de ketel onderweg wordt bijgevuld. Arthur en Ludmila vertellen over het harde Russische leven. Dimitri ligt op bed naar zijn walkman te luisteren. Arthur legt uit waarom hij vier dozen met cola bij zich heeft. Hij verkoopt die zodra hij in Dzhambul aangekomen is aan een vriend die een kiosk in die stad drijft. Van de winst houden Arthur en zijn broer zich in leven. Ik begrijp er niet veel van. Af en toe springt Ludmila in als tolk en vertaalt zij Russische zinnen in het Engels. Arthur zegt dat de cola in Kazachstan drie maal zoveel waard is als in Moskou. Daar koopt hij de flessen in voor 800 roebel (€1,40) per stuk, terwijl hij ze in Dzhambul weer voor 2.500 roebel verkoopt. De verkoop gaat erg makkelijk, maar ze moeten wel veel verkopen. Van het geld reizen ze met de trein, die voor de Russen spotgoedkoop is. Arthur vertelt dat een retour Moskou – Dzhambul hem ongeveer 6.400 roebel kost. Dat is amper een tientje! Ik heb twintig keer zoveel betaald voor een enkeltje.
Het verbaast mij als Arthur verklaart dat hij thuis ook nog een vrouw en kind heeft. Zou hij die ook onderhouden met zijn colahandeltje? Hij is er niet erg duidelijk over. Hij zegt dat hij zijn vrouw in Duitsland heeft leren kennen. Zij is met hem meegegaan naar Kazachstan, maar in de toekomst willen ze liever weer terug naar Duitsland. Zeker nu de DDR-tijd voorbij is.
Tegen de middag komen we in de grote Russische stad Saratov aan. De voorsteden bestaan uit grote woonblokken aan niet verharde straten. Oude bussen slepen zich moeizaam voort door het stof. De stad ziet er oosters uit.
Op het station blijft de trein lang staan. Hier houdt het elektrische traject op en komt er een diesellocomotief voor de trein. Maar dan nog vertrekken we niet. Na een half uur komt er een andere diesellocomotief en dan klinkt de fluit als vertreksein. Ik zoek mijn wagon weer op en neem plaats voor het open raam van het gangpad. Na enkele meters komt de trein alweer abrupt tot stilstand. Direct gaan we weer rijden. Echter, als we net het station uitzijn schieten weer de remmen aan. Volgens mij is er iets mis met deze trein. Dat concludeert het spoorwegpersoneel ook, want met een slakkengangetje boemelen we weer terug naar het station van Saratov.
Inmiddels heb ik al twee glazen wodka op, want volgens de traditie hoor je wodka te drinken als je de Wolga passeert en die belangrijke Russische rivier stroomt langs Saratov. Arthur kan echter niet wachten totdat wij eindelijk de brug hebben bereikt. Hopelijk blijft er nog wat over  voor als we straks echt de Wolga passeren.
Na ruim anderhalf uur oponthoud – ik had Saratov wel kunnen verkennen – vertrekken we dan eindelijk. Tenminste, dat lijkt zo. Maar na korte tijd staat de trein al weer stil. Weer een kwartier wachten. Zo gaat het nog tweemaal. Steeds weer een eindje rijden en dan weer stilstaan. De treinwagons worden driftig door elkaar geschud elke keer. De helft van de wodka ligt op het tafeltje.
Dan staan we eindelijk voor de brug, bovenop een hoge spoordijk. Beneden zie ik uitgestrekte krottenwijken en armoedig geklede kinderen die naar de trein staan te gapen. Als de trein na een kwartier weer gaat rijden hebben we een prachtig uitzicht over de zeer brede Wolga. Arthur werpt tijdens de oversteek de lege wodkaflessen in de rivier. Ook traditie, zegt hij. Het zal wel. Leuk voor de schippers, zulke tradities. Ze moeten maar nooit onder een spoorbrug doorvaren als er een trein passeert, want dan maken zij een goede kans op een hardhandige kennismaking met een van de vele tradities van Rusland.
Aan de andere kant van de Wolga ligt de stad Engels. Dat is voor de trein een goede reden om weer een uur stil te staan. Ditmaal niet aan het station, maar gewoon in de ‘middle of nowhere’. Opnieuw gaat een uur voorbij. Arthur en ik lopen een eindje langs de trein. Niemand moppert. Kennelijk is men wel gewend aan deze manier van reizen met al zijn ongemakken. De lunch bestaat uit een soort salami die Arthur op het station van Saratov heeft ingekocht en een soort ham. Best lekker. We spoelen het eten weg met oploskoffie en namaakcola in plastic flessen met Uncle Sam en een Amerikaanse vlag op het etiket.
Het landschap heeft niet veel interessants meer te bieden als we Engels achter ons gelaten hebben. We kijken uit over eindeloze steppen. Dorpjes worden zeldzaam.
Ik ben blij met mijn coupégenoten en het feit dat zij mij het grootste deel van deze rit zullen vergezellen. We praten over de onregelmatigheid waarmee de treinen in Rusland rijden. Arthur zegt dat hij niet weet of hij op tijd, dat wil zeggen laat in de middag zal aankomen of midden in de nacht. Het maakt hem niet veel uit.
Ludmila’s bestemming is niet zo ver meer. Zij legt mij uit dat zij vrijwel zeker rond een uur of een in de nacht in Oeralsk zal aankomen. Zij wil graag adressen uitwisselen. Dat lijkt mij ook wel leuk. Ik schrijf mijn adres op twee blaadjes en geef die aan Ludmila en Arthur. Ik beloof hen een kaart vanuit China te sturen.
Ludmila is erg geïnteresseerd in het leven in West-Europa. Hoe woon ik in Nederland? Wat voor werk doe ik, heb ik een auto, een vrouw, kinderen? Om moeilijkheden te voorkomen vertel ik maar niet de waarheid over mijn werk. Ik houd iedereen voor dat ik in de verkoop van computers zit. Daar heb ik voldoende verstand van om vragen over te kunnen beantwoorden. Journalisten zijn niet erg geliefd bij de Russische autoriteiten en ik ken mijn medepassagiers nu ook weer niet zo goed dat ik ze volledig in vertrouwen wil nemen.
Ludmila vertelt over St. Petersburg. Het is er ’s winters erg koud en sinds het Sovjet-tijdperk voorbij is worden de problemen steeds groter. Ze heeft wel meer vrijheid gekregen, maar eten wordt schaarser en de inflatie is niet meer bij te benen.
Ze geeft me wat Russische muntjes, geldstukken van enkele koppeken en wat beduimelde biljetten van enkele roebels. Ludmila zegt dat dat geld nu niets meer waard is. De situatie is uitzichtloos. De lonen kunnen de prijzen niet bijhouden en het vergt nogal wat creativiteit om aan voldoende geld te komen. Ludmila was lerares Engels maar geeft nu weer dansles, omdat dat een particuliere aangelegenheid is en dus veel meer geld oplevert. Toch wil ze niet weg uit Rusland. Het wordt allemaal wel beter verwacht zij.
Arthur en Dimitri denken er anders over. Zij zien geen toekomst in Kazachstan. Arthur wil het liefst terug naar Tadjikistan waar zijn ouders oorspronkelijk vandaan komen, maar dat mag niet van de president van Kazachstan. Ook zou hij wel terug naar Duitsland willen.
Je moet geen haast hebben in Rusland. We staan weer stil en weer om een onverklaarbare reden. Ik wandel wat door de trein en zie hoe sommige mensen van hun couchette een echte woning hebben gemaakt. Zij hebben leren leven in de trein. Anderen zijn het reizen duidelijk niet gewend en beginnen tekenen van verloedering te vertonen. Zij leven toe naar het moment dat zij hun bestemming bereikt zullen hebben. In de tussentijd blijven zij dezelfde kleren dragen. Ze wassen en scheren zich niet en liggen de hele dag op bed te wachten.
Het geeft mij een bijzonder prettig gevoel om hier midden in de Russische wildernis uit het raam van een oude trein te hangen. De zon schijnt fel, maar de temperatuur is nog steeds aangenaam. Alles om mij heen is oud. Het is hier nog halverwege de jaren zestig. Er had net zo goed een stoomlocomotief voor de trein kunnen staan. Dan had ik mijn geluk helemaal niet meer opgekund.
Langs de spoorlijn staan telegraafpalen. Het landschap lijkt eindeloos en het gras kleurt bleek onder de felle zon. Er staat vrijwel geen wind.
Wat bij het reizen per trein in Nederland ontbreekt is de romantiek. Vroeger had je die wel, maar de efficiëntie heeft al het mooie, het aantrekkelijke van treinreizen verdrongen. Om nog plezier aan treinreizen te beleven, moet je tegenwoordig naar verre landen toe. Daar is reizen nog echt reizen. Voor vier dagen is de trein je huis en vormen je medepassagiers je familie. De trein brengt je niet alleen naar je bestemming, maar isoleert je ook van het dagelijks leven, van alle beslommeringen en alle zorgen. Je kunt niets doen, want je zit in de trein. Er is geen telefoon, geen televisie, geen brievenbus en niemand komt je onverwachts bezoeken. Er is geen krant, de radio werkt niet, dus je bent helemaal van de wereld en kunt vrijwel ongestoord genieten.
De trein is mijn huis, al een hele dag lang en zal dat nog drie dagen blijven. Een huis met een steeds veranderend decor achter de vensters. Een kleine samenleving op rails, in een ver land waar de mensen onverstaanbare talen spreken, maar waar iedereen de taal van de hartelijkheid en de vriendelijkheid begrijpt. Waar een glimlach betekenis heeft en waar ruimte bestaat voor echte contacten zonder zakelijke bijbedoelingen. Mensen die je nooit eerder gezien hebt zijn je vrienden, je huisgenoten en na het afscheid zul je ze nooit meer terugzien. Het is bijna onwerkelijk.
De reis verloopt heel anders dan ik mij voorgesteld had. Ik had nooit op zoveel contact met medereizigers gerekend. Bij het reizen in een groep zal dat ook niet zo gemakkelijk gebeuren. Dan is de verleiding om binnen de kring van landgenoten te blijven te groot. Nu voel ik mij een halve Rus en accepteer ik de ongemakken die het Russische reizen met zich meebrengt. Ik neem de gebruiken over en voel mij gelukkig.
Het is nu dinsdagavond. Ik ben vijf dagen onderweg en Nederland lijkt eindeloos ver. Het is een vreemd idee dat alles daar gewoon zijn gangetje gaat. Dat Diana nu misschien op de tennisbaan staat en van de namiddagzon geniet, terwijl hier de avond valt en de zon fel rood achter de horizon verdwijnt. Elke dag wordt het een uur eerder donker. Ludmila vindt het jammer voor me dat ik de passage van de Oeral niet zal kunnen zien. Het zal ongeveer twee uur in de nacht zijn als we de grens tussen Europa en Azië passeren. Drie uur te laat. Zij moet in Oeralsk, de laatste stad van Europa, uitstappen.

Woensdag, 30 juni 1993

Kwart over twaalf vertrekken we uit het voorlaatste station in Europa. Over ruim een uur zullen we in Oeralsk zijn, de stad aan de Oeral-rivier die Europa van Azië scheidt. Het landschap zal dan sterk veranderen, want na Oeralsk voert het traject van de trein vrijwel recht naar het zuidoosten. Ik zie exotische plaatsnamen op de kaart staan. Namen die herinneren aan de Ottomaanse overheersing van eeuwen geleden, die hier duidelijkere sporen heeft achtergelaten dan de Sovjet-overheersing. Morgen zullen we in Turkestan aankomen.
Hoewel ik vandaag niet veel gedaan heb, ben ik toch behoorlijk moe. In Nederland is het pas kwart voor tien. Morgen zal het tijdverschil oplopen tot vier uur. We reisden tot nu toe vrijwel rechtstreeks naar het oosten. Het weer was uitstekend. Veel zon en hier en daar wat lichte bewolking. Vooral de zonsondergang was prachtig. Deze schitterde in de vele plassen langs de spoorbaan. Het had vandaag veel geregend in deze omgeving, maar nu is de hemel glashelder. Het landschap wordt vaal verlicht door een bijna volle maan.
Ik schrik wakker na een kort slaapje. We zijn in Oeralsk aangekomen en Ludmila neemt afscheid van ons. De laatste stad in Europa is haar eindbestemming. Ik kijk op mijn horloge en zie dat het kwart over twee in de nacht is. Eigenlijk geen tijd om als vrouw met een dochtertje van vier ergens op een station in de verste uithoek van Europa aan te komen. Ik hoop dat haar familie haar van de trein kan halen of dat zij een taxi kan nemen. Het afscheid gaat snel en ik blijf alleen achter met Arthur en Dimitri. De laatste blijft zwijgzaam.
Ongeveer half drie begint de locomotief weer te brullen en zet de trein zich langzaam in beweging. De zwarte nacht wordt gevuld met blauw-witte dieselwalm. Steeds sneller gaat het. Nog enkele minuten en we zullen in Azië zijn. Dan begint de klim. Europa zakt langzaam onder ons weg als de trein zich tegen de helling van spoorbrug opwerkt. “Foto, foto” roept Arthur. “Maar pas op voor vrouw. Grenitsj, nie fotografieren.” Arthur doelt op de bewaakster van de trein. De ‘stewardess’ die in feite de boel schoon moet houden, maar daar allang de brui aan gegeven heeft. Ze houdt alleen haar eigen couchette schoon. De ‘vrouw’ is nergens te zien. In plaats van ons te bewaken ligt zij te slapen, evenals haar collega, een man die erg op Freddy Heineken lijkt. Voor de conductrice duurt de reis ook vier dagen. En ze is ’s avonds doodmoe van het mopperen de hele dag, op passagiers die in het gangpad staan en waar zij met haar dikke pens nauwelijks langs kan.
Vrij onverwachts denderen we over de spoorbrug. De Oeral ligt pikzwart onder ons. Op goed geluk neem ik twee foto’s. Hopelijk zal er nog wat op te zien zijn. Dan ligt de Oeral achter ons en Kazachstan voor ons. Ik ben in Azië.
De ondoordringbare duisternis om mij heen is het derde werelddeel dat ik mijn leven bezoek.
Nog niet de helft van de rit Moskou – Alma-Ata zit erop, maar als ik morgen wakker word, zullen we alweer een heel stuk zijn opgeschoten.
Arthur bindt de deur van de couchette hermetisch dicht. De reis wordt nu gevaarlijker, zegt hij. De voorzorgmaatregel moet ons vrijwaren van rovers die soms ’s nachts op deze trein meereizen om in de slaapcompartimenten in te breken. Het slapen wil vanavond niet goed lukken. Ik heb last van mijn linkeroog waar een vuiltje in gewaaid is.
Het is acht uur Moskou-tijd als ik bij het ontwaken op mijn horloge kijk. In werkelijkheid zal het wel tien uur zijn of zo. Ik heb geen idee in welke tijdzone we zitten en stationsklokken kennen ze in deze streken niet meer. Ik probeer nog even te slapen, want het landschap is nauwelijks interessant genoeg om voor wakker te blijven. Eindeloze grasvlakten met hier en daar een plukje bomen. De stadjes die de trein passeert, doen nog erg Russisch aan, hoewel de grote, lelijke woonkazernes in de buitenwijken ontbreken. In dit deel van de voormalige Sovjet-Unie bouwen de mensen zelf hun huis. Er is ruimte zat.
De steden komen steeds verder uit elkaar te liggen. Als we in Ozbrodnyy een langere stop maken, ga ik lekker even de benen strekken. Mijn spieren zijn stijf geworden na de onrustige nacht in de oncomfortabele couchette. Ik mag van geluk spreken dat de bedden wel net lang genoeg zijn om mijn benen te kunnen strekken. Ik ben benieuwd hoe dat in China zal gaan, waar de gemiddelde lengte van de mens een stuk kleiner is dan in Europa.
Volgens Arthur komen we straks in Aktyubinsk aan, een grote stad. Hij waarschuwt nog maar eens voor dieven op de trein. “Menschen no good”, zegt hij en hij doelt op de Kazachen die langzamerhand de meerderheid onder de passagiers beginnen te vormen. We moeten van Arthur goed op de spullen passen en de couchette mag niet meer onbemand blijven. Om beurten verlaten we de trein om even rond te kijken en op het perron eten te kopen. Er staan kiosken op het perron waar een fles wodka minder kost dan een fles Coca Cola.

Het begint er steeds oosterser uit te zien. Zowel de omgeving als de mensen die in deze streek typisch Aziatische trekken hebben. Er wordt druk gehandeld aan de stalletjes langs het perron. Met alle elektronica goed opgeborgen achter een berg kleding op de bagageplank, waag ik een wat langere wandeling over het station van Aktyubinsk. Het verbaast mij dat ik als westerling zo weinig aandacht trek. Zou ik nu echt op een Rus beginnen te lijken? Vrouwen met hoofddoekjes om lopen met gedroogde vis en een soort gevulde flensjes te leuren. Zij bereiden dat voedsel zelf en hebben de passagiers van de doorgaande treinen als enige klant. De trein naar Alma-Ata zal wel de belangrijkste zijn.
Dan gaat het weer verder. Over een eindeloze, bochtige spoorweg zonder bovenleiding, met aan weerskanten een klassiek telegraafnet. Ik verbaas mij over de bochten door dit volkomen vlakke en lege land. Zouden de rechte delen op geweest zijn of is dit tegen de verveling van de machinist?
Er staat een kameel langs het spoor. Geen dromedaris, maar een echte harige kameel, met twee bulten die slap over zijn rug hangen. Het is een jong dier. Verderop staan twee oudere exemplaren. “Foto, foto”, roept Arthur weer. Ik zeg “njet, später, in Dzhambul”. “In Dzhambul kein camels”, zegt Arthur. “Njet in Dzhambul, njet in Alma-Ata.” Dan maar geen foto van een kameel. Ik heb mij voorgenomen zuiniger aan te gaan doen met het fotomateriaal, want straks is het op. Ik ben al met het vierde rolletje bezig en het mooiste en interessantste van de reis moet nog komen.

De volgende stad is Alga. Een vlekje op de kaart, maar toch belangrijk genoeg om trein nr. 8 er te laten stoppen. Weer een complete markt langs het spoor. Weer even de benen strekken en de spieren spannen. Je wordt stijf en stram van zo’n reis. We zijn iets ten zuiden van de Nederlandse breedtegraad gekomen, maar de atmosfeer doet aan het warme zuiden denken. Het is drukkend warm, licht bewolkt en het zonlicht werpt een oogverblindende gloed over het betonnen perron. Ik heb geen idee hoe laat het is. Mijn horloge staat nog op kwart voor twee. Maar het kan best al kwart voor vijf zijn. Nergens hangt een klok, zelfs niet in het stationsgebouw zelf. Blijkbaar is niemand hier geïnteresseerd in de tijd en ziet men wel wanneer de trein komt. Dat is ook maar beter zo. Want voor de trein naar Alma-Ata hoef je je niet te haasten. De machinist doet geen enkele poging om de bij de Wolga opgelopen vertraging in te lopen.
Arthur heeft veel interesse in mijn moderne horloge. Hij vraagt mij of ik het met zijn Russische uurwerkje wil ruilen. Maar ik voel er weinig voor, ik zou dan al snel vergeten welke datum en zelfs welke dag het is, want dat geeft zijn horloge niet aan. Later zou ik spijt krijgen van dit besluit, want het horloge was niet op de zware omstandigheden van deze reis berekend.
Verweggistan op zijn smalst. De locomotief wordt door een imposant driespan vervangen. Een krachtig trekpaard dat bij het aanzetten ongeveer evenveel rook produceert als de gemiddelde hoogoven. Ik begrijp niet hoe ze erin slagen om met wat dieselolie zoveel luchtvervuiling te veroorzaken, maar misschien stoppen ze wel iets anders in de tank. In de couchette krijgen we gezelschap van twee Russisch sprekende Chinezen, die ook Mandarijn spreken. Dat is leuk, want nu kan ik alvast wat oefenen voor straks. Dan weet ik meteen of mijn twee jaar avondschool nog zin heeft gehad.
Helaas versta ik vrijwel geen woord van het Mandarijn, waarop de twee lachend weer overschakelen op Russisch. Arthur vertaalt hun woorden zo goed als hij kan in het Duits. Voor iemand die zes jaar in Duitsland gelegerd is geweest en bovendien met een Duitse vrouw is getrouwd, spreekt hij maar magertjes Duits, maar het is beter dan niets en dankzij hem kan ik nog iets van het Russische gebrabbel volgen.
De Chinees die het meeste praat, rookt en drinkt stelt zich voor als Deng Da Hou, wij noemen hem voor de grap Deng Xiou Ping, naar de machtigste man van China. Hij lijkt ook wel een beetje op de dikke, gedrongen voormalige regeringsleider met zijn pretoogjes.
De steppen zijn eindeloos. Gras, gras en gras. Geen huizen, geen mensen, geen dieren, geen bomen, alleen gras, een spoorlijn en een lange trein op weg naar Alma-Ata. Kazachstan is leeg en verschrikkelijk groot. Waarom leven we in Nederland eigenlijk op een kluitje? Waarom betalen we in Nederland 400 euro voor een vierkante meter bouwgrond. Voor dat geld kan je hier zoveel grond kopen, dat je er in geen dag omheen kunt lopen. En als je erop wilt bouwen, zal niemand je een strobreed in de weg leggen.
Het is inmiddels woensdagmiddag. De zesde dag van mijn reis. Het is tien voor half een in Nederland. Hier, even ten noorden van het reusachtige Aralmeer, zal het half vijf of half zes zijn. Het wordt elke avond eerder donker en ook nu neigt de zon al weer naar de westelijke horizon. Ik heb nog een kleine twee dagen te gaan, dan zit het langste traject zonder overstap erop.
Ik wil andere mensen straks in China niet horen zeuren als we zo’n twintig uur in een trein moeten zitten. Dat is een kort, onbeduidend ritje in vergelijking met het traject Moskou – Alma-Ata. Hopelijk houdt mijn schootcomputertje het uit al die dagen, want ik tik heel wat af. En gelegenheid om de accu op te laden is er nauwelijks. Alleen op de gang is een stopcontact, maar daar staat geen spanning op. En het demonteren van het ene bedlampje om mijn accu op te laden vind ik toch iets te ver gaan. Hopelijk kan ik in Alma-Ata weer over 220V beschikken. Anders heb ik altijd mijn schrijfblok nog bij mij.
Een grote roofvogel stijgt op van de graslanden en daalt neer op een van de langs de spoorweg gespannen telegraafdraden. Ondanks de vlakte blijft de spoorlijn bochtig. Af en toe remt de trein af om al te slechte delen van de lijn zonder gevaar voor ontsporing te kunnen passeren.
Al bijna een etmaal rijden we door Kazachstan. Het landschap varieert bijna niet. Meestal bestaat het uit vaal groen grasland dat in een schakering die van donkerblauw overgaat in het strakke azuurblauw van de wolkenloze hemel. We zitten nog niet ver in het zuiden, maar de hete woestijnwind geeft de indruk alsof we minstens ergens in Saoedi-Arabië zitten. De mensen ook. We zien nu echte Kazachen op de stations. Deze mensen houden het midden tussen Arabieren, Chinezen en Indiërs. De Russen hadden nog een gewoon Europees voorkomen. Ook de witte huisjes met hun blauwe houtwerk doen aan het oosten denken. Het lijkt wel Tunesië. Nu zijn we pas echt in het buitenland!
Ik begin mij aan Dimitri te ergeren. De hele dag zegt hij nagenoeg niets en is zijn gezicht bevroren in een nietszeggende grijns. Hij heeft een radio tevoorschijn gehaald die bewijst dat Russen geen radiocassetterecorders kunnen maken. Het onregelmatige bandje maakt een afschuwelijk geluid. Als Dimitri in slaap gevallen is, zet ik voorzichtig het bandje af. Na twee etmalen raak je zelfs met je beste vrienden uitgesproken. Ook Arthur en ik hebben elkaar niet zoveel meer te vertellen. Het aantal stations, die nog voor de nodige afleiding konden zorgen, neemt af naarmate we verder naar het zuidoosten rijden. Over ongeveer een etmaal zullen Arthur en Dimitri op hun eindbestemming, Dzhambul, zijn. Hopelijk komen er voor hen geen andere passagiers meer in de plaats op die laatste vijfhonderd kilometer van deze marathontreinreis.
De kwaliteit van het spoor begint mij de keel uit te hangen. Ik begrijp niet hoe de treinwagons dit kunnen overleven. Het zal best een klus geweest zijn om hier rails aan te leggen en dat zal ook zonder twijfel door niet-vakkundig opgeleide Sovjet-slaven zijn gebeurd, maar als ik voor de zoveelste keer gelanceerd wordt en flink mijn hoofd stoot vind ik het eigenlijk wel genoeg geweest. Ik vraag mij af hoeveel ongelukken hier gebeuren. Ongelukken die niet in de buitenwereld bekend worden, als geen buitenlandse passagiers meereizen.
Drinken zonder te morsen is onmogelijk in de trein naar Alma-Ata. Net als een glas is ingeschonken krijgt de wagon weer een geweldige slinger en kunnen we de limonade of wodka van het tafeltje oplikken. Alleen als de trein stil staat, kan op een beschaafde manier een drankje worden genuttigd. Maar de trein stopt niet veel meer.
Net als in alle landen is op de wc-deur een bordje geschroefd met daarop het verzoek om tijdens stilstand van de trein geen gebruik van het toilet te maken. Het is natuurlijk in het Russisch opgeschreven, maar ik begrijp de strekking. Het enige probleem is dat stilstand van de trein de enige kans biedt om de behoefte op zo’n manier te doen dat de productie in het gat belandt en niet langs je enkels naar beneden stroomt.
Het is overigens geen pretje om in deze trein naar het toilet te gaan. De enige schoonmaakwerkzaamheden worden door bacteriën uitgevoerd. In andere wagons is het niet veel beter. Om op een redelijk hygiënische manier de ontlasting kwijt te raken is de nodige acrobatiek vereist. De beste methode is door met schoenen aan gehurkt op de rand van de pot te gaan zitten. Tijdens het rijden is dat bijna onmogelijk omdat je door het geslinger van de wagon beslist van de rand af sodemietert.
Je moet tijdens de stoelgang ook aan iets anders proberen te denken, anders is de walgelijke lucht niet om uit te houden. Ik dacht aan wandeltochten in China, terwijl de volgende toiletganger al weer aan de deurkruk stond te rukken.
We komen in Aralsk aan, aan de noordoostzijde van het Aralmeer dat even groot is als Nederland. Omdat we hier maar drie minuten stoppen, mogen we van de treinkenau de wagon niet verlaten. Wel weet een klein leger van in Kazachse dracht gestoken vrouwen de trein te bestormen. Met hun armen vol kleedjes en doeken gaan zij de hele, drieëntwintig wagons tellende, trein door. “Teppichte. Njet, spasiebe”, krijsen zij. De zon is inmiddels ondergegaan. Het is kwart over zes Nederlandse tijd. Hier vier of vijf uur later. Ook in Aralsk is geen stationsklok. Nergens in dit deel van het Gemene Best van Onafhankelijke Staten is men op de stations in de tijd geïnteresseerd.
Naast de rails ligt een klein dorpje. Een paar haveloze krotten in de late schemering onder een purper vlammende hemel. Vier vrienden dansen door het stof en gaan elkaar speels met een soort kung fu te lijf. Er wordt hard gelachen. Aan de rand van de gemeente staat een eenzame kameel.
Het landschap bestaat uit stug, kleurloos gras met hier en daar wat zoutmeren die overgebleven zijn van het tijdens de zomer op deze plaats verdampte deel van het Aralmeer. In de verte zie ik een ruig gebergte. Paars van kleur in het licht van de avond.
Na de zonsondergang wordt het snel donker. We hebben het noorden met zijn lange schemering achter ons gelaten. Ik vraag hoelang Arthur en zijn broer al van de colahandel leven. “Sinds het mag. Al zo’n drie jaar”, antwoordt de eerste. Ik vertel hem wat ik voor mijn kaartje kwijt was, maar dat kan hij nauwelijks geloven. Voor dat geld reist hij het hele jaar heen en weer. Als ik vertel dat ik verplicht was om via Intourist te boeken, snapt hij het. “Viel zu teuer”, zegt hij in het Duits. Ik vertel niet wat ik per maand verdien.
Arthur zegt dat hij over een paar jaar naar Duitsland wil verhuizen. Met zijn vrouw die hij in Wiesmar heeft leren kennen. Hij toont mij een tatoeage op zijn rechter bovenarm. Die had hij in zijn legertijd laten aanbrengen.

De reis gaat verder. Heel laat in de avond komen er nieuwe passagiers aan boord. Een klein gezin neemt plaats in onze couchette, hoewel er maar één bed vrij is. Ik hoor van Arthur dat zij maar vier uur met deze trein meereizen. Wagons met zitplaatsen zijn er niet. De vader, een oude Kazach, neemt het lege bed in beslag. Vrouw en kinderen zitten op de rand. Ze blijven ononderbroken doorpraten, waardoor het mij moeite kost om in slaap te vallen. Uiteindelijk lukt het dan. Het licht blijft branden tot we in Kzyl Orda aankomen, waar het gezin de trein weer verlaat. De nacht is al over de helft als ik eindelijk echt in slaap val.

Donderdag, 1 juli 1993

Alweer een week onderweg. Vanmiddag zullen Arthur en Dimitri de trein verlaten. Zij verwachten omstreeks vier uur in de namiddag aan te komen op hun bestemming, Dzhambul. Een Russisch sprekende Chinese medepassagier bood mij gisteravond een plaats aan bij zijn gezin in de couchette. Volgens Arthur moet ik die uitnodiging niet afslaan. Het zijn volgens hem betrouwbare mensen en het is gevaarlijk om alleen in de couchette achter te blijven. Ik besluit het nog even aan te zullen zien. Er is niet veel plaats in de couchette van de Chinezen en ik zie er tegen op om mijn bagage te verhuizen als het niet echt nodig is.
Als ik ’s morgens ontwaak is het acht uur Moskou-tijd. De trein staat stil in het station van Turkestan, vierhonderd kilometer ten noorden van Afghanistan. Turkestan is een noordelijke uitloper van de Arabische wereld en het is er ongezond heet. De hitte valt als een deken over mij heen als ik uitstap om een foto van het kleurige, Moorse station te maken.
De perrons staan vol met venters die allerlei exotische vruchten en andere oriëntaalse lekkernijen aan de man proberen te brengen. Het is druk in de trein. Er zijn vrij veel nieuwe reizigers bijgekomen. De sfeer in de trein is nu heel anders dan tijdens het vertrek uit Moskou. Het sombere noordelijke heeft plaats gemaakt voor het vrolijke en temperamentvolle zuidelijke. De mensen zitten gezellig in hun compartimenten en beleggen hun broodjes voor het ontbijt.
Aan de staat van verloedering van sommige mensen en hun couchettes kun je zien dat de trein al een hele tijd onderweg is. Steeds minder mensen nemen nog de moeite om zich voor de nacht om te kleden en slapen gemakshalve met kleren en schoenen aan bovenop de lakens. Haar kammen is er ook al niet meer bij, laat staan scheren. Een oud Chineesje ziet er uit of hij al maanden door het oerwoud zwerft. Ik houd het allemaal nog wel vol. ’s Morgens lekker wassen – hoewel, op die smerige wc – haar kammen, scheren en schone kleren aan. Wel begin ik het nu ook een beetje zat te worden. Ik verlang naar een echte douche.
Aan de andere kant zijn sommige mensen wel heel erg netjes. Twee dametjes maken elke ochtend keurig hun bed op, compleet met dekens. Ook zien die twee er de hele reis steeds goed verzorgd uit. In hun nette pakjes vormen zij een merkwaardig contrast met de meerderheid die in vuile hemden en slonzige trainingsbroeken gekleed gaat.
Op het perron van Turkestan staat een fontein met drinkwater op het perron. Heerlijk ijskoud water dat ik verkoelend over mij heen sprenkel. De trein neemt bij ieder station de tijd. Hier in Turkestan komt er weer een elektrische locomotief voor. Dat had ik in dit deel van de wereld niet verwacht.
Met het oog op het uit het raam hangen is een elektrische trein wel prettig. De diesellocomotieven kunnen in dit deel van de wereld namelijk makkelijk de concurrentie met stoomlocomotieven aan voor wat betreft het produceren van roet. Alleen is de stank nog erger.
Met een stevige ruk zet de trein zich weer in beweging. Ik wil nog wat intikken, maar helaas, de computer geeft een nijdige piep en er gaat een rood lampje branden. De batterij is bijna leeg. Ik sla daarom het document maar op en schakel de computer uit. Ik zal de rest van het verhaal moeten zien te onthouden tot we in Alma-Ata zijn aangekomen. Dat is binnen vierentwintig uur.
De trein maakt vaart en zet koers naar Chimkent. Daar zijn de eerste bergen te zien van een verre, noordwestelijke uitloper van de Himalaya. We komen hier vlak bij de grens van Oezbekistan. Vlak voorbij Chimkent ligt de eindbestemming voor Arthur en Dimitri. We nemen snel afscheid, want hoewel Dzhambul een grote stad is, stopt de trein er maar kort. Er komen twee nieuwe passagiers in de couchette, een oude man met een Turks voorkomen en een jongen, Roestan genaamd. De trein gaat weer rijden, terwijl langzaam maar zeker de zon naar de horizon zakt. Hoewel het pas vijf uur op mijn horloge is, moet het hier ongeveer acht uur in de avond zijn. In Nederland is het pas drie uur in de middag. Terwijl ik naar Roestan en de oude man kijk denk ik aan het aanbod van de Chinezen. Zou ik het doen? Het is in ieder geval een stuk gezelliger in hun compartiment. Maar nee, ik besluit toch maar voor de makkelijkste weg te kiezen en blijf waar ik zit.
Ik heb mij voorgenomen vanavond wat vroeger naar bed te gaan, maar wat is vroeg? Ik ga nog maar even uit het raam van het gangpad hangen om van de overweldigende zonsondergang te genieten. Nog nooit heb ik zo’n prachtige roodpaarse hemel gezien. Sinds Chimkent rijden we langs bergen met hoge besneeuwde toppen. Alles is nu paars gekleurd, behalve dat deel van de hemel waar de zon net achter de horizon is verdwenen. Daar overheerst een oranje gloed.
De trein staat stil langs een groot spoorwegemplacement, dat geheel met bovenleiding overspannen is. De rails glanst paars in de kleur van de hemel. Door aan de masten bevestigde luidsprekers galmen Russische mededelingen. De echo maakt de stem ook voor Russen onverstaanbaar.
Roestan en ik proberen een gesprek te voeren. Hij spreekt wat Engels, maar ik kom er al snel achter dat zijn woordenschat heel beperkt is. Als ik hem iets vraag en hij verstaat het niet, dan antwoordt hij met “Yes”, terwijl hij mij vragend aankijkt.
Roestan is erg in auto’s geïnteresseerd en in motorfietsen. Terwijl ik half uit het raam hang om zoveel mogelijk van de verkoelende avondlucht op te vangen, vraagt hij mij of ik een ‘motorbike’ heb. Ik zeg “nee”.
Dan wil hij weten of ik een auto heb. “Ja”, zeg ik, “een Ford.” “Taurus?”, vraagt Roestan. “Nee, Escort.” Die kent hij niet. Zijn vader is naar Duitsland om een auto te kopen, zegt hij. Daar rijdt hij dan mee terug naar Alma-Ata, waar Roestan en hij wonen.
Roestan zegt dat hij graag weg wil uit Kazachstan. Hij wil in Duitsland of Amerika gaan wonen. Holland lijkt hem ook wel wat als ik heb vertel dat ik daar vandaan kom. “But president of Kazachstan says no!”, antwoordt hij als ik vraag waarom hij dan niet emigreert. Hij herhaalt het zinnetje enkele malen. Iedere keer als hij opnieuw vertelt dat hij naar Duitsland wil.
Van alles wat ik bij mij heb wil Roestan de prijs weten. Van de walkman, het fototoestel, mijn auto. Ik kan mij het materialistische karakter van de jonge Kazach wel voorstellen. Ze hebben materiële luxe altijd moeten ontberen en nu zie je ineens overal producten uit Europa, Amerika en Japan opduiken. In de couchette gaat Roestan vrolijk verder. “How much is Mercedes Benz 600?” Ik weet het niet. “How much is motorbike?” Ik weet het ook niet. Dollars in Holland? Deutsche Marken? Ik blijf het antwoord schuldig. Ik word er ziek van.
Buiten is het donker en ik wil slapen. Als Roestan voor de vierde maal uitlegt, waarom hij niet weg kan uit Kazachstan, krijg ik er genoeg van. “Sleep”, zeg ik en maak een gebaar dat aangeeft wat ik bedoel. Hij begrijpt het en als ik hem mijn walkman leen, houdt hij eindelijk zijn mond en gaat het licht uit. Na een tijdje doet hij de deur open. Blijkbaar vindt hij het te warm. Het is ook wel warm, maar ik heb liever daar last van dan dat ik straks de helft van mijn spullen kwijt ben. Er lopen allerlei verdachte figuren door de trein heen en weer en de dikke treinconductrice, die de zaak moet bewaken, ligt al lang op één oor. De deur gaat dus dicht en op de grendel.

Vrijdag, 2 juli 1993

“Almataaaaaah, Almataaaaaah”, galmt het door de trein. De conducteur met het Freddy Heineken-gezicht brult iedereen wakker en bonst op de deuren voor diegenen die inmiddels aan het lawaai onderweg gewend zijn geraakt. Het is drie uur Moskou-tijd. Eén uur ’s nachts in Nederland. Buiten komt net de zon op. Het is hier in het oosten dus ook nog vrij vroeg. De trein rijdt door een vlakte die aan de zuidzijde door bergen begrensd wordt.
Nog één keer aankleden in deze trein en me bij het waskraantje behelpen. Dan zit het erop. Overal schuiven de deuren open en het gangpad verandert in een wandelroute. Ik hang weer uit het raam en geniet van de opkomende zon en de frisse morgenlucht. We rijden Alma-Ata in en stoppen langs een groot station in een voorstad. Daar blijven we een hele tijd staan. De trein wordt een paar keer heen en weer gerangeerd en weer ongeveer anderhalf uur later leggen we het laatste stukje af door de bebouwde kom van de Kazachse hoofdstad.
De trein rijdt langzaam naar het centrum van de stad. De encyclopedie thuis had gelijk. Alma-Ata is inderdaad een prachtige groene stad met brede lanen. Een grote stad ook. Onderweg zie ik het werken aan een nieuwe metrobuis. Roestan wijst iedere auto aan die hij ziet en zegt erbij welk merk het is, of het een goede of slechte auto is en wat die kost. Hij heeft een voorliefde voor de Wolga, een grote Opel Kapteijn-achtige auto die in Europa aan het eind van de jaren zestig al uit de mode was. Roestan zegt ook nog eens dat hij weg wil uit Kazachstan, maar dat de president dat niet goed vindt.
Mijn horloge staat op half zes als het eindpunt van de 3.600 kilometer lange treinreis bereikt is. Ik zie op de stationsklok – die hebben ze hier zowaar – dat het plaatselijk half negen is. Ik ontruim de couchette en manoeuvreer de bagage naar de uitgang. Iedereen verlaat de trein. Het is een drukte van belang op het nog vrij nieuwe station. Het valt mij overigens op dat er nauwelijks forenzenverkeer is. Hier lijken alleen maar transcontinentale treinen te komen, want ik zie alleen slaapwagons op het emplacement.

Terwijl ik naar de uitgang van het station strompel merk ik dat de boodschappentassen een stuk lichter zijn geworden. Blij toe!
Buiten schijnt de zon al fel. Ik neem nog even een foto van het station en de trein en loop dan naar het stationsplein om een bus te zoeken.
Het is even wennen zo’n vreemde stad, zo ver van huis. Maar het leven lijkt hier zijn normale gangetje te gaan. Taxichauffeurs bestoken me en proberen mijn bagage uit mijn handen te rukken. Acht taxideuren gaan gelijk open voor die ‘rijke’ toerist, maar ik weet dat ik moet uitkijken met taxi’s. Aan het eind van de rit krijg je ineens een rekening van tien dollar, want roebels accepteren ze niet van buitenlanders. Bovendien ken ik de Russische openbaarvervoerstarieven. Die zullen hier niet veel hoger zijn.  Voor het stationsgebouw staat een nieuw, reusachtig beeld van de president van Kazachstan. Bescheidenheid behoort blijkbaar niet tot zijn grootste kwaliteiten. Om het beeld heen rijden trolleybussen af en aan. Ik loop naar de bushalte waar verscheidene mensen staan te wachten. Aan enkele mensen vraag ik of zij weten hoe ik bij hotel Otrar kan komen. Het moet een vrij bekend hotel zijn in deze stad. Gelukkig kan een meisje mij verder helpen. Zij steekt zes vingers op als teken dat ik bus 6 moet nemen.
Eerst komen nog wat andere lijnen voorrijden, maar dan verschijnt bus 6 die onmiddellijk volstroomt met passagiers. In de bus zoek ik in mijn Berlitz-boekje het woord voor hotel. Gastienieste of zo iets. Ik weet niet hoe ik het uit moet spreken, dus laat ik het maar zien aan een van de passagiers. Een vrouwtje gebaart dat ik bij de derde halte moet uitstappen. De mensen zijn ook in dit deel van het Gemenebest erg aardig.
Het is nog een heel eind lopen vanaf de bus. Het was achteraf verstandiger geweest om over te stappen. Drie maal vraag ik naar Gastienieste Otrar, want ik heb geen zin om om te lopen met mijn nog altijd erg zware bagage. Drie maal wijzen de mensen mij dezelfde richting aan. Dan zie ik even voorbij een kruising, waar een tram rijdt, een groot wit gebouw. Uit de vele woorden in vreemde talen op de gevel herken ik het internationale woord ‘hotel’. Een ander woord lijkt op Otrar. Dit zal dus het goede zijn. Ik klim de heuvel op naar de hoofdingang en meld mij bij de receptie.
Het is overigens een mooi hotel, net als de rest wat ik tot nu toe van deze stad gezien heb. Ik krijg direct de sleutel en loop door de marmeren hal naar de lift. Op de tweede verdieping heb ik kamer 226. Deze bevalt prima. Ik gooi de bagage van mij af, kleed mij uit, steek alles wat opgeladen moet worden in het stopcontact en duik onder de douche. In tegenstelling tot Moskou hebben ze hier wel warm water. Ik vraag mij af of ik zulk comfort nog zal meemaken voordat ik in Hong Kong aankom.
Een badkamer is een paradijs na drie dagen en vier nachten onafgebroken in een trein gezeten te hebben in een warm en stoffig land. Sinds Turkestan is de temperatuur niet meer onder de dertig graden gekomen en ook hier in het hoog gelegen Alma-Ata begint het kwik aardig in de buurt van de dertig te komen. Het zal vanmiddag nog wel een stuk warmer worden.
Ik was ook mijn vuile kleren en hang ze op aan een provisorisch gespannen waslijn over het balkon. In Moskou was dat beter geregeld, daar hing een waslijntje boven het ligbad. Hier gaan ze er blijkbaar van uit dat je de was door het hotel laat verzorgen.  Dan begin ik mijn verhaaltje in te tikken. Ik heb aardig wat in te halen, want een etmaal geleden kwam ik zonder stroom te zitten. Gravend in mijn geheugen beleef ik het laatste deel van de reis opnieuw en eindig ik in het hotel Otrar. Gelukkig werken de stopcontacten hier allemaal op 220 volt, zodat ik voorlopig weer even uit de voeten kan met mijn accu en oplaadbare batterijen.
Als ontbijt breek ik een pak Jamaica-koekjes en een pakje appelsap aan. Mijn levensmiddelenvoorraad begint nu aardig op te raken. Daar ben ik wel blij om, want mijn laatste dagen in de voormalige Sovjet-Unie zijn nu aangebroken en ik heb nog geen lange rijen voor lege winkels gezien. De enige lange rij die ik tot nu toe heb meegemaakt was die voor het loket van het postkantoor in Moskou. Maar dat had niets met schaarste te maken.
Na het ontbijt ga ik direct op stap. Het lijkt mij wel aardig om een stadstoer te gaan maken met de tram. Buiten is het inmiddels loeiheet geworden en is het alleen in de schaduw nog om uit te houden. Ik ben de bouwers van deze stad dankbaar dat zij alle straten met reusachtige bomen omzoomd hebben. Die geven een uitstekende bescherming tegen de felle woestijnzon. Alma-Ata is een prachtige stad. Alle belangrijke straten zien eruit als lanen en de grote, oude bomen camoufleren de saaie Sovjet-architectuur volgens welke de meeste gebouwen zijn opgetrokken. Op goed geluk pak ik een tram. Het is lijn 6, dat moet ik goed onthouden, want die kan mij dus terug naar het hotel brengen. Ik rijd mee tot het eindpunt, maar ontdek dat daar niet veel te beleven is. Het leukste is de horizon. Die bestaat uit besneeuwde bergtoppen. Het is net Zwitserland.
Mijn tram is inmiddels alweer vertrokken, dus besluit ik maar een eindje te gaan wandelen. In de zon is het niet om uit te houden, dus blijf ik dicht langs de flats lopen. Hier is helaas niet aan rijen bomen gedacht.
Op een gegeven ogenblik kom ik bij een kleine markt terecht. Het valt mij op dat het aanbod groot en gevarieerd is, maar dat de prijzen voor Russische begrippen bijzonder hoog zijn. Arthur had gelijk. Cola is hier een vermogen waard.
Er zijn ook wat winkels in de omgeving, maar een supermarkt waar ik melk wil kopen, is helaas gesloten. Lunchpauze denk ik. Op de markt koop ik ondanks de forse prijs van 1.750 roebel (€3,15) een fles ananaslimonade. De limonade is uit Duitsland afkomstig, waar de drank waarschijnlijk niet meer dan een halve euro kost. Maar ja, het alternatief is uitdrogen en ik moet uiteindelijk toch van mijn roebels af. Ik mag ze niet uitvoeren en inwisselen voor westerse valuta is vrijwel onmogelijk. Dan zal ik de zwarte markt op moeten en daarvoor is het bedrag de moeite niet waard. Kraanwater is in Alma-Ata niet geschikt om te drinken.
Op de terugweg in de tram overvalt de slaap mij. Een keer of tien dommel ik in en langzaam maar zeker begint mijn steeds omvallende hoofd pijn in mijn nek te veroorzaken. Ik probeer wakker te blijven en concentreer mij op de omgeving. Het valt niet mee.
Dat ik niet lang blijf slapen onderweg is te danken aan het comfort van de tram, of liever: het ontbreken van comfort. De rails is zo slecht dat de oude tram onophoudelijk door elkaar wordt geschud. De overige passagiers laten zich gemoedelijk meeslingeren. Het zijn harde jongens, die Kazachen.
Behalve de Spartaanse wegligging, houdt ook de drukte in de tram mij uit mijn slaap. Ik voel mij een haring in een ton. De hele rit geven de mensen bankbriefjes en kaartjes door aan elkaar. Ik heb genoeg van dat spel en rijd zwart. Vermogenscriminaliteit voor 1,8 cent. Het valt mij op dat de meeste trambestuurders hier van het vrouwelijke geslacht zijn. En waarom ook niet. Agressie van passagiers hebben ze hier volgens mij minder dan in Nederland en door het weinige verkeer op de weg is het besturen van de tram in feite kinderspel. Het is alleen oppassen dat de bochten niet te snel genomen worden.
Erg oosters is Alma-Ata niet, ofschoon we maar driehonderd kilometer van de Chinese grens afzitten. Onder Alma-Ata liggen Pakistan, Afghanistan en India. Ongeveer zevenhonderd kilometer van hier. Wel zijn enige oosterse invloeden zichtbaar, maar Moskeeën ontbreken. Dergelijke gebouwen werden door de communisten niet getolereerd. Volgens Arthur staan in Dzhambul wel kerkgebouwen, maar hij weet het niet zeker. Wel is er een Russisch-orthodoxe kerk. Daar gaat hij zelf wel eens naar toe.
De lanen van Alma-Ata lijken erg veel op elkaar. Bovendien staan ze in een haaks patroon op elkaar. Dit maakt oriëntatie er niet gemakkelijker op. De Kazachse hoofdstad heeft een vierkant stratenpatroon waardoor verdwalen niet erg moeilijk is. Dat gebeurt dan ook snel. Ik blijk een verkeerde tram genomen te hebben en kom in een heel ander gedeelte van de stad terecht.
Normaal weet ik mij goed te oriënteren in vreemde steden, maar hier is dat onmogelijk. Als we langs een markt rijden besluit ik uit te stappen. Ik wil wel eens weten wat hier te koop is. Het stelt niet veel voor. Ik zie dat veel van de koopwaar uit China afkomstig is. Dat vind ik wel gunstig, want dat betekent dat de treinen vol uit China komen en er leeg weer naar terugrijden.
Tussen de koopwaar ontdek ik een slordig afgewerkt, maar wel aardig petje waarop Chinatour staat. In het Engels en in het Chinees. Ik vind het wel toepasselijk en informeer naar de prijs. Duizend roebel schrijft de verkoopster op een papiertje. Een flutbedrag van €1,80, waarvoor je in Nederland nog niet het goedkoopste petje kunt kopen. Ik vind het echter te duur. Ik heb geleerd dat altijd af te dingen valt, dat ze altijd ‘rijke’ westerlingen bij de neus proberen te nemen en ik weet ook dat ik zuinig met mijn geld moet omspringen, ook als het om lage bedragen gaat.
Ik doe een tegenvoorstel van 700 roebel. Eerst wil de vrouw er niets van weten, maar uiteindelijk stemt zij in met 850. Heb ik toch mooi weer ruim een kwartje uitgespaard. In China zal ik hetzelfde petje wel voor minder dan de helft tegenkomen. Maar intussen geniet ik wel van mijn aankoop. De zon is dodelijk geworden, maar het witte petje zorgt ervoor dat mijn hoofd niet oververhit raakt.
Dan dwaal ik weer verder met de tram. Ditmaal beland ik in een verre buitenwijk van de stad. De tram is overvol en elke halte proberen meer mensen zich erin te persen. Na een tijdje word ik het zat. Ik was eerst van plan om tot het eindpunt mee te rijden, maar de rit duurt eindeloos en onder deze omstandigheden verlang ik alleen nog naar ruimte en frisse lucht.
Het duurt een hele tijd voordat een tram in de andere richting aan komt rijden. Ook die zit al behoorlijk vol. Het moet wel een belangrijke verbinding zijn. Ik stap in en rij een paar haltes mee, waarna ik overstap op een andere lijn. Deze brengt mij naar het sportstadion waar ik vanmorgen tijdens mijn eerste tramrit ook al langs gekomen ben. Ik stap uit en wandel naar het enorme gebouw dat de vorm heeft van een enorme Mongoolse yurt. Voor het stadion is een park met een prachtige vijver vol enorme fonteinen aangelegd. In de vijver, tussen de fonteinen, staan beelden van acrobaten.

Van dichtbij ziet het stadion, waarschijnlijk een overblijfsel van de Olympische Winterspelen, er minder florissant uit. Er wordt weinig aan onderhoud gedaan en hier en daar zie ik scheuren in het witte beton. Het gebouw is helaas gesloten, zodat ik niet naar binnen kan. Alleen een restaurant onder wat waarschijnlijk de tribunes zijn is geopend.
Ik besluit maar eens in de richting van het spoorwegstation te gaan en stap weer op de tram. Onderweg zie ik verschillende invloeden van het westen, waarvan een Mercedes-Benz-dealer wel de meeste opvallende is. Ook zie ik een reclametram voor Camel-sigaretten. McDonald’s kennen ze nog niet in Alma-Ata.

Bij het station zoek ik het mededelingenbord op. De perrons zijn nu geheel verlaten. Ik zie dat het personeel bezig is met het voltanken van de watertanks van de treinwagons. Daarbij lekt nogal wat water weg dat ik opvang met de limonadefles. De fles ananassap had ik al lang op en weer uitgezweet. Van het toilet heb ik nog geen gebruik gemaakt vandaag, hoewel ik al twee liter vocht naar binnen heb gewerkt. Je transpireert hier erger dan in de sauna.
Dan loop ik terug naar het hotel, dat niet zo heel ver van het station af ligt. Toch is het moeilijker te vinden dan ik dacht. Terwijl de avond valt slenter ik door de verlaten straten van Alma-Ata in de richting waarin het hotel verwacht. Na een half uur zie ik echter een gebouw dat ik vanmorgen ook al gezien had en dat vlak bij het hotel ligt. Nu is het makkelijk te vinden. Het is buiten al donker als ik de hoofdingang binnenga en mijn sleutel vraag. In Nederland is het nu kwart voor vijf in de middag en perst de avondspits zich door de vrijdagmiddagfiles. Het lijkt eindeloos ver weg, op een andere planeet.
Na een uitgebreid bad werk ik mijn verhaal bij en val ik als een blok in slaap op het comfortabele bed. Heerlijk, geen geschommel, geen geschreeuw, geen gesnurk, het licht uit, geen douane, niets dat mij stoort. Morgen zal ik de nacht weer in een trein doorbrengen.

Zaterdag, 3 juli 1993

Als ik wakker word, staat het reiswekkertje al op half tien. Ik was vergeten om het alarm in te schakelen. Als ik opschiet ben ik nog net op tijd voor het ontbijt. Wel vind ik het jammer van de dag, maar ja, wat rust had ik wel nodig na al die nachten slecht slapen. Ik was me en snel naar de ontbijtzaal.
Bij de balie hebben ze er moeite mee als ik om het treinkaartje naar Ürümqi vraag. Ze spreken wel Engels, maar dan moet het hen wel uitkomen. Nu komen ze niet verder dan “Don’t know” en daar heb ik niet veel aan.
Ik wijs met een autoritaire blik in mijn ogen naar het onbemande bureautje van Intourist, de Russische toeristenmaffia die in dit hotel kantoor houdt. “I need my ticket”, houd ik vol. De receptioniste heeft er wel geen zin in, maar besluit toch maar even met een collega te overleggen als mijn ogen beginnen te bliksemen. Ik heb geen zin om straks door zo’n stel sukkels in Alma-Ata te blijven steken. Dan komt het vrouwtje terug en vertelt ze mij dat rond twaalf uur iemand van Intourist aanwezig zal zijn.
Omdat het vandaag mijn laatste dag is in dit hotel moet ik voor twaalf uur de kamer verlaten hebben. Daar baal ik van, want het is vandaag weer bloed en bloed heet. Ik voel er niets voor om doorweekt van het zweet aan mijn treinreis naar China te beginnen. Maar de kamer aanhouden komt mij op zestig dollar te staan en dat gaat me weer net even te ver.
Een Ierse jongen en zijn vriendin, beiden met rugzak, worden intussen teleurgesteld. Zij hadden niet gereserveerd en er zijn geen kamers meer over. Ik denk dat zij in werkelijkheid geen kamer krijgen omdat zij proberen buiten de Intourist-maffia om te bespreken. Dat mogen buitenlanders niet, ook niet nu Jeltsin aan de macht is. Als de Ieren horen dat de kamers ruim honderd dollar per nacht kosten, lopen zij hoofdschuddend weg. Zij zullen vannacht wel op het station gaan slapen. Het is er warm genoeg voor.  Ik mag mijn bagage op de verdieping afgeven aan het personeel en behoud mijn toegangspasje dat ik nodig heb om het hotel binnen te komen. Het ontbijt is overigens niet slecht. Bovendien heeft het restaurant airconditioning, waardoor het er prima om uit te houden is.
Als ik om mij heen kijk kan ik mij voorstellen dat dit een duur hotel is. Het is vast bedoeld voor zakenmensen die op de olierijkdom en snel groeiende industrie en delfstoffenwinning rond Alma-Ata afkomen. Het had van mij wel wat minder luxe voor wat minder geld gemogen. Voorlopig geniet ik er maar van. Het is nu toch al betaald. Het ontbijt bestaat uit bruin brood, een wit bolletje, jam, kaas, twee gebakken eieren, en potje thee en een glas met een soort karnemelk. Het smaakt heerlijk en ik neem er lekker de tijd voor.
Terug op de kamer neem ik nog even een douche nu het nog kan en maak ik mij gereed voor vertrek. Ik gooi een deel van de levensmiddelenvoorraad weg omdat sommige spullen door de aanhoudende hitte oneetbaar zijn geworden. Wat overblijft is nog behoorlijk zwaar. Ook de rug- en buikzak wegen als lood en zijn slechts met de grootste moeite dicht te krijgen. Het lijkt mij noodzakelijk om zo snel mogelijk overtollige kleren naar huis te sturen. Ik zal in Ürümqi maar eens informeren wat dat kost, want ik heb gehoord dat de postverzending vanuit China een stuk betrouwbaarder werkt dan die vanuit het GOS.
“People nicht gut in Kazachstan”, zei Arthur. Misschien hij had gelijk. Hoewel? Eigenlijk heb ik alleen nog aardige mensen ontmoet in dit verre land. Alleen het hotelpersoneel is aan de stugge kant. Het Intourist-personeel is helemaal schorem, maar dat is niet alleen hier zo. Nu moet ik weer tien dollar smeergeld betalen om mijn treinkaartje te krijgen. “Mijn assistente moest helemaal naar het vliegveld met een taxi om uw kaartje te halen”, liegt zij. Ze kan mij nog meer vertellen. Ik weet zeker dat de kaartjes hier in het hotel worden uitgeschreven. Maar veel keuze heb ik niet. Ik heb nog ongeveer vijftien dollar over en ik tel er tien uit voor de Intourist-bitch. Het verbaast mij dat ik een kwitantie ontvang. “Everything is difficult in Kazachstan, troubles everywhere”, probeert zij zich te verontschuldigen. Hopelijk klopt het kaartje. Ik stop het goed weg, bij mijn paspoort.
Dan ga ik weer op pad. Ik zet de rugzak en de enig overgebleven boodschappentas in het schoonmaakhok op de etage en ga alleen met mijn buikzakje met computer en fotoapparatuur op stap. Ik vraag de receptioniste wat er zoal te zien is in Alma-Ata. Ze beveelt de beroemde ijsbaan in de bergen aan. Daar hebben enige jaren geleden de Olympische Winterspelen plaatsgevonden. “U moet er beslist naar toegaan”, benadrukt zij. “Very beautiful!” Ik vraag hoe ik bij de ijsbaan kan komen. De receptioniste zegt dat dat heel moeilijk is. Wat is er niet moeilijk in Alma-Ata? Ze raad mij aan om een taxi te nemen. Dat zal ongeveer vijftien euro gaan kosten. Als ik aandring op een alternatief vertelt ze tenslotte met tegenzin dat ik er ook met de bus naar toe kan. Ze schrijft op bij welke halte ik in moet stappen en welke bus ik moet nemen. Bus 6. Ik heb nu al trolleybus 6 en tram 6 meegemaakt. Daar komt dus ook nog bus 6 bij. Erg duidelijk allemaal.

Onderweg naar de bushalte valt mij op dat het hotel aan een boomrijk park ligt en dat zich midden in dat park een prachtig gebouw bevindt. Een soort paleis dat helemaal uit suikergoed lijkt te bestaan met zoete, zachte kleuren. Het zou in Wenen niet misstaan hebben. Het park er omheen is ook erg fraai. Na even genoten te hebben van de rijkelijk aanwezige schaduw, zet ik mijn zoektocht naar de bushalte voort. De informatie blijkt echter niet te kloppen. Er is geen bus 6. Ik maak een tekening van schaatsers op de baan met daarbij het symbool van de Olympische spelen en laat dat aan een op de halte wachtende passagier zien. Hij begint te lachen en begrijpt wat ik bedoel. Hij spreekt alleen Russisch, maar weet mij toch duidelijk te maken dat ik met bus 29 meemoet en dat ik over moet stappen op bus 6. Bij de Most zegt hij, en hij schrijft het voor de zekerheid op in mijn notitieboekje.
Bus 29 blijkt erg populair te zijn bij het publiek. Half Alma-Ata perst zich erin en het wordt bijna onmogelijk om adem te halen. Een student lacht naar mij en mompelt veelbetekenend “Kazachstan”. De student blijkt Engels te kunnen spreken en vertelt dat hij uit Irkutsk in Siberië komt. Hij studeert in Alma-Ata, maar zijn ouders wonen aan het Balkai-meer dat meer dan de helft van de totale zoetwatervoorraad op aarde schijnt te bevatten. Volgende maand moet hij naar Moskou om af te studeren. Hij is dan officier.
Bij de Most stap ik uit en ik heb geluk. Bus 6 kom er direct aan. Zo vol als de receptioniste had gezegd is de bus beslist niet. In vergelijking met bus 29 zeker niet. Er zijn zelfs nog enkele zitplaatsen vrij. Naast mij zit een meisje met op haar schoot een tas met een hondje erin. Ik wist niet dat ze hier huisdieren hielden. Ik heb nog geen hondendrol gezien op straat.
Ik probeer of zij Engels verstaat en zeg dat ik op weg naar de ijsbaan ben. Zij kijkt mij vriendelijk aan en antwoordt met “very beautiful”. Het zal wel op de ijsbaan slaan, want zelf zie ik er niet uit. De rit is bijzonder de moeite waard. Al snel laten wij de stad achter ons en begint de bus aan de moeizame klim over een haarspeldbochtenweg door de bergen. Het landschap is Zwitsers en heel bijzonder in het door woestijn gedomineerde Kazachstan. Ik besef mij dat ik door de Himalaya rijd. De hoogste bergketen ter wereld.

Eenmaal aangekomen is het nog een heel stuk wandelen naar de ijsbaan. Maar het is op deze hoogte gelukkig een stuk koeler dan in het snikhete Alma-Ata. Wel is het in de volle zon behoorlijk warm. Ik benut daarom elk stukje schaduw dat ik kan vinden. Rond de ijsbaan is nu niet veel te beleven. Wegens de warmte is deze gedurende de zomermaanden gesloten. Een rondje schaatsen zit er dus niet in.
Via een enorme trap kom ik bij een hoger gelegen weg waar uitzichtpunten zijn. Het lijkt mij de moeite waard, dus sleep ik mij moeizaam naar boven. Onderweg kom ik een moeder met haar dochtertje tegen. Het kind is uitgeput door de warmte en de lange trap. Ik geef haar mijn waterfles, die zij zonder onderbreking half leeg drinkt. Ze had het harder nodig dan ik.

Van boven af heb ik een prachtig uitzicht over het berglandschap. Ik zie ook een groep Japanners die elkaar driftig aan het fotograferen zijn. Om beurten moet iemand een foto maken, terwijl de rest van het gezelschap plaats neemt op een stenen muurtje met de ijsbaan op de achtergrond. Ik zie beneden in de diepte hoe bruidsparen elkaar onophoudelijk afwisselen om met het beroemde stadion op de achtergrond door de bruidsfotograaf vereeuwigd te worden. Als het ene stel klaar is, dient de volgende stoet witte Wolga’s zich al weer aan. De auto’s zijn feestelijk versierd met veelkleurige linten. Boven is de hemel azuurblauw. Het stof van de stad dringt niet tot deze hoogte door en wolken zijn er vandaag niet. Onderweg naar beneden was ik het zweet af met ijskoud water dat uit een kleine gletsjer stroomt. Er is ook een douche gebouwd, die water krijgt via een klein houten aquaduct. Maar het lijkt mij niet zo gezond om met deze warmte onder een douche met smeltwater te gaan staan. Ik laat het water wel over mijn armen en benen stromen, heerlijk!
Ik loop verder, via de schaduw van het stadion, naar beneden waar de bus naar Alma-Ata vertrekt. Ik zie meer toeristen, Canadezen die er uitzien als padvinders. Ook rijden nog steeds de bruidsstoeten af en aan. De kleding van de bruidsparen is overduidelijk van een verhuurbedrijf afkomstig. Na een behoorlijke tijd komt bus 6 aanrijden. Ik koop een kaartje van tien roebel en neem plaats. Het is lekker dat de ramen opgeschoven kunnen worden. Zo blijft de temperatuur dragelijk.
Vrij onverwachts bereikt de bus, ergens in Alma-Ata, het eindpunt. Ik heb geen idee waar ik ben, want ik heb geen plattegrond van de stad. Ik besluit de richting van de bus lopend te vervolgen en kom langs een soort supermarkt die uit drie delen bestaat. Het eerste deel verkoopt zuivel, het tweede deel vlees en het derde deel groente. Ik wil melk kopen, maar dat blijkt niet eenvoudig te zijn. Ik moet eerst bij de kassa een bonnetje kopen. Dat bonnetje moet ik bij de melkafdeling afgeven en pas dan ontvang ik een flesje melk, dat van boven met een stukje papier en een elastiekje is afgesloten. Het blijkt dat ik uitgedroogd ben. De fles met ongeveer een liter verse koeienmelk maak ik direct voor de helft soldaat. De rest giet ik in mijn plastic limonadefles. Ik ga weer naar binnen en koop volgens de procedure nog een melkbonnetje. Het meisje van de kassa kijkt mij aan alsof ik haar een oneerbaar voorstel doe. Chagrijnig drukt zij mij een melkbonnetje in de hand. Het is zo goedkoop, dat ik mij afvraag of het de moeite loont om er nog geld voor te vragen. Met de tweede fles vul ik de limonadefles tot aan de rand. De lege fles geef ik aan een dankbare bedelaar die de hele dag op bankje voor de winkel zit te wachten tot hij voldoende geld en lege flessen heeft om zijn dagelijkse boodschappen te kunnen halen.
Dan loop ik weer verder, op zoek naar hotel Otrar, langs een brede straat waar wel rails ligt, maar geen tram komt. Tenminste, die hoort wel te komen, maar hij komt niet. Inmiddels begint het avond te worden en krijg ik langzaam maar zeker haast om het hotel terug te vinden. Taxi’s zie je in dit deel van de stad evenmin als trams.
Dan komt er toch een tram. Ik stap in en kijk onderweg goed om mij heen of ik een bekend punt zie.
Op een gegeven ogenblik komen we weer bij een eindhalte aan. Ik hol naar een andere tram en stap in. Weer een ritje naar God mag weten waar. Het blijkt dat ik hopeloos verdwaald ben. Alle lanen lijken exact op elkaar en de weg vragen heeft nauwelijks zin. Elke trambestuurder geeft hetzelfde antwoord. Het Russisch voor ‘over een paar haltes’, waarbij ze in de richting van de tram wijzen.
Rond een uur of acht in de avond begin ik de zenuwen te krijgen. Als ik de trein mis, kan ik het verder wel schudden. Dan moet ik per vliegtuig in Ürümqi zien te komen. Want de trein rijdt maar twee keer per week en de plaatsen zijn al lang van tevoren gereserveerd. Ik moet de geplande trein dus halen!
Taxi’s zijn volgens mij alleen bij het station te vinden en ik weet zelfs niet hoe ik daar moet komen. Ik kom in alle hoeken van Alma-Ata, behalve in de goede. Ik heb nog maar een kleine twee uur om met zware bagage het station te bereiken.
Dan zie ik lijn zes rijden. Die gaat naar het hotel, dat weet ik zeker. Hopelijk pak ik de goede richting. Als we na ongeveer twintig minuten de markt passeren, waar ik het China Tour-petje gekocht heb, stap ik uit. Van hier weet ik het hotel lopend te vinden. Ik neem niet het risico dat de tram mij weer een verkeerde richting meeneemt.
In looppas ren ik naar het hotel. Gelukkig daar is het. Ik snel naar binnen en loop bijna een portier ondersteboven die vraagt wat ik kom doen. Ik kan het mij voorstellen, want ik zie eruit als een landloper en al die haast moet ook wel verdacht zijn. Ik zoek nerveus naar mijn kamerpasje, maar kan het niet vinden. Gelukkig begrijpt de man dat ik gast ben en hij laat mij door. De toiletten zijn beneden. Daar kan ik mij nog even opfrissen voor het vertrek. Dat is hard nodig, want ik zweet als een otter en heb nog ruim anderhalve dag in een trein voor de boeg. Boven krijg ik tot mijn opluchting zonder problemen mijn bagage mee. Het kamermeisje helpt mij lachend met het optuigen en wenst mij met een giecheltje een goede reis. Ik hol naar beneden. Nog drie kwartier.
Voor het hotel staan taxi’s. Ik loop naar de voorste en vraag of de chauffeur mij naar het station wil brengen. Blijkbaar niet, want hij kijkt mij brutaal aan en draait zich dan om. Ik loop naar de volgende taxi, maar dan roept de eerste chauffeur mij terug. “I bring, you pay dollars”, kraait hij lachend uit. “Roebels”, zeg ik en ik laat hem wat van de Russische biljetjes zien.
De chauffeur ziet blijkbaar dat ik haast heb en besluit uit te proberen wie het het langst vol houdt. Maar ik laat mij niet kennen. Ik weet dat het ongeveer twintig minuten lopen is naar het station. Als ik geluk heb kan ik nog op een bus springen onderweg.
In hoog tempo loop ik naar het station. Het gewicht van de tassen en de warmte voel ik niet meer. Ik concentreer mij alleen op de tijd en de richting naar het station. Wat baal ik hiervan. Ik had mij voorgenomen om uiterlijk negen uur op het station te zullen zijn en het is nu al kwart over negen, terwijl ik nog minstens tien minuten te lopen heb. Bussen zie ik niet en pas half tien kom ik bij het station aan. In ieder geval nog op tijd.
Dat bekruipt mij een vervelend voorgevoel. Het station is uitgestorven. Er staan alleen wat verlaten wagons op het rangeerterrein. Dat kan niet kloppen. Het zou moeten gonzen van de activiteit. Zou de trein toch op Moskou-tijd zijn vertrokken? Had Intourist mij verkeerd voorgelicht toen ik vroeg hoe laat de trein zou vertrekken? Ik kijk in paniek om mij heen. Dan zie ik een oud mannetje met een donkerblauw hemd en een blauwpaarse pet op zijn hoofd. Het blijkt de stationschef te zijn. Hij loopt met een vragende uitdrukking op zijn gezicht op mij af en mompelt een paar onverstaanbare Russische woorden.
Ik zeg “Ürümqi”. “Ürümqi, Ürümqi”, schreeuwt hij verschrikt. Hij gebaart naar zijn horloge en roept weer Ürümqi, Ürümqi! Dan grijpt hij mijn rugzak en rent voor mij uit het stationsgebouw door. Direct houdt hij een taxi aan. Een soort klein Landrovertje. Hij brult een paar commando’s tegen de chauffeur, waarop die meteen in actie komt en mij met bagage achterin smijt. Ik slaag er maar net in een zitplaats in het wagentje te bereiken als hij met gierende banden het stationsplein afrijdt.
Terwijl we met een onverantwoordelijke hoge snelheid, rode lichten negerend door het stille centrum van Alma-Ata racen, begin ik te begrijpen wat er aan de hand is. De trein moet vanaf het andere station vertrekken. Het station waar we op de heenreis anderhalf uur gewacht hebben. Het is inmiddels tien over half tien. Over vijf minuten vertrekt de Alma-Ata – Ürümqi. Hopelijk haal ik het nog. De taxi raast inmiddels met honderd kilometer per uur door de stad. Hopelijk komen we geen politie tegen. Intussen vervloek ik degene die het vierkante stratenpatroon heeft bedacht. Het lijkt wel expres bedoeld te zijn om vreemdelingen te laten verdwalen.
Dan zie ik het stationsgebouw. Het lijkt precies op het gebouw waar ik gisteren aangekomen was. Alleen is het er veel drukker. Ik zie mijn trein klaar staan voor vertrek. De mensen zijn al ingestapt. Het is zeventien minuten voor tien.
De taxi komt gierend tot stilstand en de chauffeur gooit mij met rugzak, buikzak en boodschappentas de wagen uit en trekt mij naar een hek. Ik wil naar het station lopen, maar de chauffeur houdt mij tegen. ‘Over het hek, over het hek’, gebaart hij. Ik begrijp wat hij bedoelt en geef hem dankbaar mijn laatste vijfduizend roebel.
Struikelend hol ik over het perron. Ik heb geen zin om de juiste wagon te zoeken en wil meteen instappen nadat ik aan een van de Chinese treinstewardessen gevraagd heb of het de trein naar Ürümqi is. Feitelijk een overbodige vraag natuurlijk. Instappen mag echter niet. Ze moet eerst mijn kaartje zien. ‘Piau’, schreeuwt ze. Ze kijkt even vluchtig en wijst dan doodgemoederd naar achteren. ‘San’, blaft ze terwijl ze zich al weer omdraait. Dat is drie in het Chinees. Ik moet wagon 3 hebben en ik loop nu langs wagon 12.

Het kan mij weinig meer schelen. De trein heb ik gehaald, want kans om zonder mij weg te rijden geef ik hem echt niet. Mijn hart klopt met honderdveertig slagen per minuut en het koude zweet stroomt van alle kanten in de richting van mijn schoenen. Ik hoop dat mijn bagage de ruwe entree van het station van Alma-Ata overleefd heeft. Ik besluit om nooit van mijn leven meer naar Kazachstan te gaan.
Eenmaal binnen in wagon 3 rollen de ogen uit mijn hoofd van verbazing. De trein is gloednieuw en brandschoon. Alles ziet er keurig uit en ik voel aan een koude tocht dat de wagons over een werkend systeem voor airconditioning beschikken. Wat een luxe!
Ik blaas even uit en kijk dan op mijn reserveringsbewijs welke couchette ik heb. Het is de tweede vanaf de deur. Binnen zitten al twee jongens en een meisje. Ze kijken vreemd op als ze mij bezweet en uitgeput zien binnenstrompelen.
De jongens blijken uit Nederland te komen. Dat hoor ik aan de manier waarop zij Engels spreken. “Praat maar gewoon Nederlands hoor”, zeg ik lachend, “dat versta ik ook!” Het meisje komt uit Engeland. De jongens heten Gert en Kees. Het meisje heet Carol en zegt voor een reisorganisatie te werken. Zij is een nieuwe route aan het verkennen om die later als reisleidster met gezelschappen af te gaan leggen.
Als ik mijn bagage heb opgeborgen sluit ik mij even in het washok op. Dit is net als de rest van de trein blinkend schoon. Wat een geweldige luxe in deze uithoek van de wereld. Na mij driemaal gewassen te hebben plof ik uitgeput neer op de bank. De trein heeft Alma-Ata al achter zich gelaten en rijdt nu door een bergachtig landschap. Buiten is het al bijna helemaal donker. Het is nog te vroeg om te gaan slapen, dus ik ben blij dat ik goed gezelschap getroffen heb. We wisselen reiservaringen uit tot het middernacht is.

Het vervolg is te lezen in het verslag van mijn reis door China.

Moskou Marathon

In 2015 kwam ik op het idee om de marathon van Moskou te gaan lopen. Ik had er al aardig wat gedaan in verschillende hoofdsteden en Moskou hoort daar natuurlijk gewoon bij. Een nadeel is wel dat het evenement altijd eind september plaatsvindt en dat is voor mij een heel drukke periode. Vooral tijdens oneven jaren als er een belangrijke, tweejaarlijkse beurs plaatsvindt. 2015 ging hem dus niet worden, maar in 2016 zou ik ‘Moskou’ gaan lopen.

Nadat de editie van 2015 was gelopen, verwachtte ik dat er wel snel een datum voor de editie van 2016 bekend gemaakt zou worden. Maar dat gebeurde niet. Ik mailde de organisatie en kreeg keurig een mailtje terug dat de datum nog niet bekend was, maar dat ik regelmatig op de website moest kijken. Dat deed ik dan maar. Pas in het voorjaar ging de nieuwe website online en werd de datum bekend gemaakt: 25 september. Ik realiseerde mij dat ik veel moest regelen, wilde dit een succes gaan worden. In 2016 liep ik ook Parijs en Stockholm, maar dat was eenvoudig te organiseren. Rusland is een ander verhaal. Ik schreef mij maar wel alvast in voor de marathon, want voor die 1200 roebel, dat is 15 euro, wilde ik niet de boot missen. Ook een hotel ging ik maar vast regelen, want Moskou is een dure stad, dus als er al betaalbare hotels zijn, zullen die snel volgeboekt zijn. Als de rest niet zou lukken, zou ik altijd nog kunnen annuleren.

Het was niet eenvoudig om een handig en betaalbaar hotel te vinden. In de buurt van het Olympisch Stadion, waar de start en finish zijn, kon ik niets vinden. Ik ging dus maar op prijs selecteren. Dat kan vrij eenvoudig op booking.com en hotels.com. Maar wat je dan merkt is dat de goedkope hotels vaak ver uit het centrum liggen. Ik praat dan over een kilometer of 30. Zonder auto is dat bepaald niet handig. Gelukkig vond ik een hotel dat nog kamers vrij had en dat redelijk dicht bij het centrum was. Art Galaktika bood een eenpersoonskamer aan voor 69 euro voor vijf nachten. Dat is heel redelijk voor een van de duurste steden ter wereld. Het is wel een heel eenvoudige kamer met gedeelde faciliteiten, maar ik stel nooit van die heel hoge eisen. Het boeken ging probleemloos, dus kon ik naar de volgende stap: de vlucht.

Diverse vluchten die ik via internet vond waren of heel duur, kwamen midden in de nacht aan of vertrokken ’s morgens om 6 uur of hadden een tussenstop van een nacht. Dat was allemaal niets. Tot mijn blijde verrassing bood Swiss een heel voordelige vlucht aan met prima tijden. Voor 197 euro had ik een retour Amsterdam Moskou met een tussenstop in Zürich. Dat was ook weer geregeld. Nu nog een nieuw paspoort, want dat moet minimaal een half jaar geldig zijn na terugkomst. En mijn paspoort zou juist in september gaan verlopen.

Een visum was ook nodig en dat is nog niet zo heel eenvoudig te regelen voor Rusland. Niet alleen heb je een geldig paspoort nodig. De ambassade vraagt ook een verklaring van de zorgverzekeraar dat er dekking in Rusland wordt geboden en je moet zorgen voor een ‘officiële’ uitnodiging. Dat kan je via visumbureaus laten regelen, maar dat is vrij duur. Gelukkig kon hotel Art Galaktika er ook voor zorgen. Kostte wel 16 euro, terwijl voor het visum zelf ook nog eens 65 euro afgetikt moest worden. Goedkoop is het niet, marathons lopen in het buitenland, maar het lukt mij altijd wel weer om het zo voordelig mogelijk voor elkaar te krijgen.

In augustus had ik alle paperassen geregeld en kon ik mij fysiek voorbereiden op de marathon. Want ook als je er drie per jaar loopt, is het nog geen makkie. Gelukkig was ik nu geheel blessurevrij. Dat was in Madrid en Luxemburg wel anders. Ik zou 21 september vertrekken, zodat ik de donderdag, vrijdag en zaterdag nog had om Moskou te verkennen. Ik kom er tenslotte niet regelmatig. De laatste keer was in 1993, op weg naar China. 25 september is de marathon en in de namiddag van maandag de 26ste zou ik weer naar huis vertrekken.In 2016 was ik voor de tweede keer in Rusland. Ditmaal om mee te doen met de Marathon van Moskou. Een kort verblijf, maar waarbij ik wel aanzienlijk meer van de stad heb gezien dan de eerste keer, toen het vanwege het ontbreken van reiservaring meer een overlevingstocht was dan een toeristisch uitje. De stad is intussen natuurlijk ook een stuk moderner geworden, met een veel meer West-Europese manier van leven. Woensdag 21 september 2016 kwam ik aan. Zondag 25 september liep ik de marathon en de dag daarop ging ik weer naar huis. Volg mijn avonturen van dag tot dag!

Woensdag, 21 september 2016

De dag begint heel vroeg. Mijn vlucht naar Zürich vertrekt om 7 uur en met de gecentraliseerde controle op Schiphol kan je beter niet meer op het laatste moment komen. Dus met de auto naar de halte van de bus die mij verder naar Schiphol brengt. Het is de bus van 10 over 5 en dan is het toch verbazingwekkend dat er al geen zitplaatsen meer zijn. De rit naar Schiphol verloopt probleemloos en binnen in de vertrekhal staat mijn vlucht al aangekondigd. Zonder vertraging gelukkig.

Ik ben mooi op tijd en de rijen bij de controle vallen enorm mee op dit vroege tijdstip. Ik kijk nog even rond in de winkeltjes en begin dan aan de lange wandeling naar gate B31. Nog even geld pinnen, want je weet maar nooit in Rusland. Het toestel staat al klaar en we kunnen op tijd instappen. Ik heb plaats 31F, bijna achterin aan het raam. Geen last van de vleugel als ik van het uitzicht wil genieten.
Vrijwel op tijd vertrekken we van de Kaagbaan, waarna het toestel meteen een bocht naar het oosten inzet. Na een minuut zitten we boven het wolkendek en is van Nederland niets meer te zien.
Ik pak mijn laptop en zet een film op. The Rissen over het leven van de Romeinse officier Clavius in de periode van de kruisiging van Christus tot de Hemelvaart. Indrukwekkende film. Af en toe gluur ik even naar buiten, maar dat wordt pas weer de moeite waard als de landing wordt ingezet. Keurig op tijd landen we op het vliegveld van Zürich, dat naar de grappige naam Kloten luistert.
Op de luchthaven kijk ik de film af. Er is gratis WiFi, dus kan ik ook wat werk doen. Op mailtjes reageren en kijken of er nog bijzonder nieuws is. Dat laatste valt een beetje tegen en de mail houdt ook niet over. Dan maar even naar huis bellen. Via WhatsApp kost dat niets. Zo gaan de vier uren wachttijd snel voorbij. Tot nu toe heb ik mijn paspoort nog niet nodig gehad, maar voor de vlucht naar Moskou wordt het natuurlijk wel gecontroleerd. Men kijkt ook of het visum in orde is, zodat de reis niet voor niets gemaakt hoeft te worden. Het toestel naar Zürich was half leeg, maar deze vlucht is vrijwel volgeboekt. Net als de luchthaven is dit toestel Kloten genoemd. Grappig voor een foto.
Hoewel het een budgetvlucht is, krijgen we wel een eenvoudige maaltijd opgediend en verschillende keren een drankje. Goede service van Swiss. Ik zet weer een film op, maar dan merk ik dat ik toch wel kort geslapen heb de afgelopen nachten. Keer op keer dommel ik in en moet ik de film terugspoelen. Het is ook een erg vermoeiende film. Deathpool, over een oud-commando die via genetische manipulatie een superheld is geworden, al heeft hij er wel het uiterlijk van een leproos door gekregen.
Onderweg is het vrijwel continu bewolkt, maar in de buurt van Moskou trekt het een beetje open. We landen op de oude luchthaven Domodedovo. Opvallend is het grote aantal afgedankte vliegtuigen dat hier in het gras staat opgesteld. Zelfs een soort 747’s met bovendek staan er tussen. Ook het luchthavengebouw is oude troep. Binnen begint het lange wachten. Maar liefst een half uur duurt het voordat ik aan de beurt ben voor de paspoortcontrole en dan begrijp ik meteen waarom het zo lang duurt. De douanier heeft maling aan de rijen en neemt rustig vijf minuten de tijd om elke pagina van mijn paspoort met een loep en een UV-lamp te controleren. Maar dan mag ik eindelijk Rusland binnen. Ik zoek het treinstation waar ik de Airport Express naar Moskou pak. Eerst probeer ik nog geld te pinnen, maar de automaten op het vliegveld accepteren mijn pasjes niet. Ik ben blij dat ik op Schiphol nog euro’s heb gepind. Ik wissel een briefje van 50 om en krijg daarvoor ongeveer 3500 roebel. Dan heb ik in ieder geval wat contanten op zak. Door al het gedoe heb ik wel net de trein gemist en moet ik 25 minuten wachten op de volgende. Dan nog maar wat aan dit verslag werken.

Als de trein vertrekt begint het al donker te worden. Het is pas half zeven. Na nog een kwartier is het buiten pikkedonker. Het is een lange treinrit. Er wordt onderweg niet gestopt en na een uur en een kwartier komen we aan bij het metroknooppunt Paveletskaya.

Nu wordt het spannend. Want zie maar de juiste weg te vinden in zo’n drukke, rommelige stad waar bijna niemand een woord over de grens spreekt. Maar het gaat allemaal soepeltjes. Op het metrostation is een loket waar ik een kaart met 20 ritjes koop. Dat moet wel voldoende zijn en het is veel voordeliger dan losse kaartjes. 30 in plaats van 50 roebel. Een roebel is ongeveer 2 eurocent.

De metro staat al klaar en ik stap in zonder te kijken of het de goede is. Ik dacht de ringlijn te hebben en dan zou het niet uitmaken of ik linksom of rechtsom ga, maar het is lijn 2 en ik ga de verkeerde richting op. Bij het eerstvolgende station stap ik uit om de metro de andere kant op te nemen.

Dit is een van die beroemde monumentale stations met marmeren zuilen en kroonluchters aan het plafond. Zo zijn er nog veel meer paleizen onder de grond, omdat Stalin destijds vond dat het gewone volk ook in paleizen mocht vertoeven.

Het is opletten, want op de stations staan geen borden met de naam van het station. De stations worden in de metro wel aangekondigd, maar dat is nauwelijks te verstaan. Er zit weinig anders op dan de haltes te tellen en dat gaat goed.

Na drie stations stap ik over op lijn 9, waar ik maar één halte mee hoef. Dan ben ik op vijf minuten lopen van het hotel. Onderweg loop ik nog een kleine supermarkt binnen om brood, honing, cola en water te kopen. Het lukt mij ook om het hotel te vinden, al is dat bepaald niet makkelijk. Er staat een onduidelijk bordje langs de straat en als je dat ziet weet je dat je onder een poort naar een binnenplaats moet. Achterin op die binnenplaats staat een verlicht bord met de tekst Open in het Russisch. Dat is de hoofdingang van het hotel. Althans, dat zie ik aan het kleine naambordje naast het belpaneel.
Binnen zit een receptioniste die geassisteerd wordt door een oudere vrouw. Die probeert mij in een soort Engels over te halen om een duurdere kamer te nemen. Maar daar heb ik niet zo’n behoefte aan. Ik heb alleen een bed nodig. Toch ga ik op haar aandringen maar even kijken. De kamers zijn iets groter en hebben een eigen douche en wc. Maar daar moet ik dan wel anderhalf keer zoveel voor betalen en bovendien moet ik halverwege mijn verblijf naar een andere kamer verhuizen. Daar heb ik allemaal geen zin in. Ik houd het bij de kamer die ik oorspronkelijk geboekt heb. Of ik wel meteen wil betalen. 5000 roebel. Contant, want de creditcard-terminal doet het niet. Dat is meteen een probleem, want ik heb niet veel contant geld. Ik ging er vanuit dat ik het met 100 euro wel zou redden, maar dat lukt natuurlijk niet als er 69 euro voor het hotel af gaat. Ik hoef alleen de eerste twee dagen voor te schieten. Dat lukt net. Hopelijk ga ik nog een pinautomaat vinden die het doet, want anders wordt het mijn hele verblijf brood met honing eten. Ik heb niet genoeg geld voor een restaurant.
Eindelijk zit ik dan op mijn kamer en kan ik via WhatsApp even naar huis bellen. Dat werkt best goed. Mijn kamer is echt heel klein. Er past net een stapelbed in. Maar het maakt mij niet veel uit. Ik ga snel op pad, want ik wil nog even naar het Rode Plein wandelen. Dat is een dik kwartier van het hotel verwijderd.
Buiten is het koud, maar wel gezellig. Het is een levendige buurt met veel verkeer, winkeltjes en restaurants. Aan de gebouwen zie ik wel dat ik in het mooiste deel van Moskou zit. Dat is wel een belangrijke plus van mijn hotel. Bijzonder als ik na een kwartier de torens van het Kremlin zie opdoemen. Onderweg had ik nog geprobeerd geld te pinnen, maar steeds krijg ik de melding dat de transactie niet kan worden uitgevoerd. Dat geeft toch wel wat zorg. Had ik maar meer euro’s meegenomen uit Nederland.
Het Rode Plein is echt bijzonder. Alle gebouwen zijn verlicht. Ook de beroemde Basilius Kathedraal met zijn oosterse torentjes. Het is wel moeilijk foto’s maken vanwege de masten met schijnwerpers die op de overkant staan gericht. Ik zou de metro terug kunnen pakken, maar ik besluit toch weer te gaan wandelen. Bij een supermarkt naast het hotel kijk ik of ze magnetronmaaltijden verkopen. Dat is helaas niet het geval. Ik koop een tros bananen, zodat ik morgen ook nog iets gezonds naar binnen krijg. Morgen maar weer opnieuw zoeken naar een manier om aan contant geld te komen. Anders wordt het pinnen met de creditcard en dat is meestal niet goedkoop.

Donderdag, 22 september 2016

Ontbijt zit niet inbegrepen bij de kamerprijs van 14 euro per nacht. Dus begint de dag met het met honing besmeren van acht boterhammen. Samen met twee bananen wordt dat mijn ontbijt en lunch, die ik verdeeld over de dag zal nuttigen. Dat is het beste, als je energie wilt opslaan in je lichaam. Helaas is de weersvoorspelling uitgekomen. Het regent en het is koud. Ik besluit om dan maar de prachtige metrostations te gaan bekijken. De mooiste vind je langs de cirkellijn 5. Maar eerst maak ik een ommetje, waarbij ik mij weer een paar keer vergis. Het maakt niet uit. Het ritje van 30 cent is geldig zolang je het metrostelsel niet verlaat. Dat wordt dus een heel voordelige excursie.
De meeste metro’s zitten overvol. En de mensen hebben gelijk, want dit is de enige manier om je redelijk te kunnen verplaatsen in Moskou. Boven staat het verkeer vijf rijen dik muurvast.

Bij elk station van de cirkellijn stap ik even uit om het station te bewonderen en foto’s te maken. Dat laatste is onmogelijk zonder dat er mensen op staan. De metro’s rijden ongeveer om de drie minuten, dus niemand haast zich om er nog een te kunnen halen. Als de deuren sluiten loopt het perron al weer vol voor de volgende metro.

Sommige stations lijken wel musea, met prachtige kunststukken. Vaak is het propaganda voor het communisme. Ik ben wel blij dat dit bewaard is gebleven, nu Rusland een nieuwe politieke koers vaart.

Na een uurtje of drie heb ik het wel gezien. Ik zit nog steeds met het geldprobleem omdat mijn pasjes niet gedeblokkeerd zijn voor Rusland. En het hotel wil vandaag 3000 roebel zien. Ik kan nog 50 euro omwisselen, maar dan houd ik niets over om te eten. Of ik moet elke keer ergens gaan eten waar ze MasterCard accepteren. Ik weet niet of ik met mijn creditcard in de supermarkt kan betalen.

’s Middags wandel ik weer naar het Rode Plein. Onderweg maak ik foto’s van een luxe supermarkt in een prachtig, monumentaal gebouw. Het ziet er heel bijzonder uit en het merkwaardige is dat de prijzen nog vrij normaal zijn, al worden er ook heel luxe dingen verkocht, die wel weer erg duur zijn.

Ik had naar huis geappt met het verzoek de bank te bellen om mijn pasje geschikt te laten maken voor Rusland, maar dat is kennelijk niet gelukt, want de geldautomaten blijven de transactie weigeren.

Op het Rode Plein breng ik een bezoek aan het prachtige warenhuis GOeM. Eigenlijk is het meer een winkelcentrum met heel luxe winkels, zoals Prada en Cartier. Leuk om te zien, maar veel te duur om te winkelen, of je moet oliesjeik zijn. Ik wandel om het Kremlin heen en stuit op een gegeven moment op een politieblokkade. Al het verkeer wordt tegengehouden. Poetin, vraag ik aan een agent. Hij bevestigt dat. Een hele stoet politiewagens rijdt met hoge snelheid het Kremlin uit om de route vrij te maken en na een minuut of vijf zie ik een zwaar gepantserde personenauto voorbij snellen. Daar zal de grote baas van Rusland in zitten. Er volgen nog wat politieauto’s en dan wordt de straat weer vrijgegeven. Heb ik in ieder geval de auto van Poetin gezien.
De regen duurt voort en warmer wordt het ook niet. Ik wandel verder op zoek naar wat gezelligheid. Maar dat is niet eenvoudig te vinden in deze miljoenenstad. Het lijkt wel alsof er alleen grote, massieve gebouwen staan, waar onophoudelijk het verkeer langs raast. Je ziet ook alleen auto’s en af en toe een bus. Fietsen, brommers en motorfietsen zijn een grote zeldzaamheid in Moskou. Je kan wel fietsen huren, via zo’n automaat op verschillende plaatsen in de stad. Maar dat lijkt mij levensgevaarlijk. Bovendien begrijp ik de gebruiksaanwijzing op de automaat niet, want die is natuurlijk alleen in het Russisch. Ik kan er wel uit opmaken dat je 30 minuten gratis mag fietsen. Zo werkt dat in andere steden ook. Als je elke keer op tijd een andere fiets pakt, kan je de hele dag gratis fietsen.
Het wordt alweer donker. Ik kom bij de ringweg aan, die ook langs het hotel loopt. Alleen zit ik er nog wel een kilometer of vier van vandaan. Toch besluit ik maar verder te wandelen, want met de bus gaat het nauwelijks sneller. In het hotel zit de pinnige tante achter de balie, die mij er meteen op wijst dat ik nog 3000 roebel moet betalen. Ik beloof dat ik het ga halen. Dan maar met mijn creditcard. Dat lukt wel en even later heb ik 6000 roebel op zak. In ieder geval voldoende om het tot maandag mee uit te zingen.
Bij de supermarkt koop ik een wit brood, cola, een pastamaaltijd voor in de magnetron en een bekertje vruchtenyoghurt. De pastamaaltijd ziet er niet echt vetvrij uit, maar er is weinig keuze. Goedkoop is het ook niet met 325 roebel voor een muizenhapje van 300 gram. Het is niet anders. In hotel warm ik de maaltijd op en eet in mijn eentje, terwijl ik de Facebook-posts bekijk. Dan nog even douchen en vroeg naar bed. Hopelijk wordt het weer morgen een stukje beter.

Vrijdag, 23 september 2016

Vandaag regent het nog steeds en het lijkt ook wel steeds kouder te worden. Nadat ik acht boterhammen met honing heb besmeerd en twee bananen en een fles cola heb gepakt, ga ik op stap voor de tweede hele dag in Moskou. Ik neem mij voor om vandaag niet zoveel te gaan lopen, want ik heb nog pijn in mijn benen van gisteren. Ik wil eerst mijn spullen ophalen bij de Marathon Expo. Daar kan ik met de metro naar toe, maar het lijkt mij ook wel aardig om eens met de tram te gaan. Helaas is de tramhalte wel wat verder weg dan het metrostation, maar ik vind de afstand te kort om er een extra ritje voor op te offeren op mijn OV-kaart. Je betaalt namelijk per rit, ongeacht de afstand. Onderweg zie ik de eerste aanrijding. Een klein vrachtwagentje heeft een personenwagen klem gereden. Het drukke verkeer passeert het ongeval via het trottoir onder luid getoeter vanwege de opgelopen vertraging. Tot nu toe valt het verkeer mij wel mee. Rusland heeft de naam dat iedereen er stomdronken achter het stuur zit en de auto’s letterlijk over elkaar heen rollen, maar de werkelijkheid is gelukkig anders.
Het regent intussen vrolijk door al komen er in de verte wel opklaringen aan. Hopelijk wordt het ook een keertje droog. Bij de tramhalte moet ik een kwartiertje wachten, maar dan verschijnt lijn 39 voor de lange rit naar de universiteit. Het is de eerste halte, dus ik kan een prettige zitplaats uitkiezen. Ik veeg de wasem van het raam om naar buiten te kunnen kijken en probeer mijn benen te ordenen in de krappe ruimte tot de stoel voor mij. Veel is er niet te zien onderweg. Dat komt door het druilerige weer, maar ook omdat de trams vooral de buitenwijken aandoen, waar weinig fraais te bewonderen is. Maar het gaat mij om het ritje, dus het maakt niet uit.
Na een uur en een kwartier bereiken we de eindhalte bij de universiteit van Moskou. Het gebouw staat hier nog ver vandaan, wat wel jammer is. Het is een enorm gebouw, dat normaal best de moeite waard zou zijn om nader te bekijken, maar met dit weer heb ik er geen zin in. Het is hiervandaan één metrohalte naar het stadion, maar ik besluit uit zuinigheid weer te gaan wandelen. Onderweg krijg ik daar al snel spijt van. Het is een hele lange metrohalte. Gelukkig heb ik een kaart op mijn telefoon, zodat ik zeker weet dat ik de goede kant op loop, maar het is wel een eind weg.
Na ruim 20 minuten lopen zie ik tot mijn schrik dat het voetpad ophoudt. In de verte zie ik de brug over de rivier, maar ik zie alleen rijbanen. Zouden er geen voetgangers overheen mogen? Dat zou betekenen dat ik het hele eind terug moet lopen om alsnog de metro te pakken. Ik besluit het park in te lopen naar de oever van de rivier. Met meer geluk dan wijsheid kom ik bij de oever uit waar de brug de rivier kruist. Daar is de ingang van het metrostation, dat onder de brug is gebouwd. Boven ontdek ik een uitgang die toegang geeft tot een wandelpad over de brug. Dat is een hele opluchting. het is nu nog maar een kleine wandeling naar het stadion. Door in de richting te lopen waar mensen met deelnemerstasjes vandaan komen, weet ik met gemak de tenten te vinden, waar de marathonexpo wordt gehouden. Er is bewaking bij de ingang met metaaldetectoren, maar er wordt niets gecontroleerd. Bij veel metrostations zie je dat ook. Onbegrijpelijk in een stad waar al diverse aanslagen met veel doden hebben plaatsgevonden. Binnen moet ik eerst mijn medische verklaring laten zien voordat ik verder mag. Dan krijg ik mijn startnummer, nadat ook mijn paspoort is gecontroleerd. In de doorzichtige tas zitten verder wat folders, een deobusje en veiligheidsspelden. Ook krijg ik een functioneel t-shirt. Niet zo een mooie, maar je moet niet al te kritisch zijn als je in totaal maar zo’n 16 euro hebt betaald. De rest van de tent is gevuld met standjes van bedrijven, die sportkleding, sportvoeding en andere sportspullen verkopen en organisaties die andere marathons organiseren. Alles is Russisch. Ik denk niet dat er veel buitenlanders mee doen. Gelukkig is het deelnemershandboek wel gedeeltelijk in het Engels.
Als ik alles gezien heb, breekt er net weer een enorme bui los. Ik was nog verkleumd, ondanks de verwarming in de tent, dus ik wacht nog maar even. Een kwartiertje later miezert het alleen nog en loop ik terug naar het metrostation. Ik wilde eerst de spullen naar het hotel brengen, maar omdat het nauwelijks iets weegt, ga ik eerst nog maar wat tramlijnen verkennen. Wel heb ik al mijn proviand al op. Door de kou had ik veel meer trek dan normaal.

Met de metro rijd ik de stad weer in tot een station, waar ik op een tram kan overstappen. Het wordt lijn 37, die ook een behoorlijke lengte heeft. Wel jammer dat de trams niet verwarmd worden. Ik ben door en door verkleumd. Moskou is een goede stad voor mensen die graag reuma willen krijgen. Ook de route van lijn 37 is niet om over naar huis te schrijven. Na een dik uur kom ik bij de eindhalte aan, waar ik op lijn 24 stap. Die brengt mij weer in de buurt van het centrum. Dan heb ik lijn 20 op het oog, maar die staat wel op de kaart, maar niet op het eindpunt aangegeven. Dat is natuurlijk wel vervelend. De lijnen 43 en 45 komen hier wel, maar die staan niet op de kaart. Op de gok neem ik lijn 43. Een verkeerde keuze, want na een minuut of tien raakt de tram midden op een drukke kruising defect. De bestuurster probeert het voertuig nog met behulp van een collega aan de praat te krijgen, maar alle pogingen falen. Er zit niets anders op dan ander vervoer te zoeken. Ik ga verder met een andere lijn 43, maar die blijkt even later terug te keren naar het punt waar ik net vandaan kwam. Ook weer zonde van het ritje. Probeer ik zuinig te zijn. Vlak bij de eindhalte staat een hele file van trams. Iedereen stapt uit om het laatste stukje te gaan lopen. Dat doe ik ook maar. Ik pak de metro naar het Rode Plein, want het begint nu donker te worden en dat is een perfecte tijd om de verlichte gebouwen langs het Rode Plein te fotograferen.

Dat blijkt ook wel. Ik maak veel mooiere foto’s dan gisteren, toen het al helemaal donker was. Via de toeristische Nikolskaya Ulitsa wandel ik naar een warenhuis met alleen winkels voor kinderen. Zelfs modeltreinen worden er verkocht, waaronder een Nederlandse locomotief. Goedkoop is het niet.

Ik vind er een fastfoodrestaurantje met pasta Bolognese op het menu, voor maar 190 roebel. Dat is ongeveer 2,5 euro. Goedkoper dan een magnetronmaaltijd bij de supermarkt. Na een half uurtje ben ik weer terug voor een tweede portie. De winkels zijn leuk om te bekijken en om 9 uur wordt er nog een lichtshow gegeven in het atrium. Maar dan besluit ik toch maar direct terug naar het hotel te gaan, om mijn benen niet verder te belasten. Bij de supermarkt koop ik nog een bakje Danone-yoghurt als toetje.
Bij de receptie zit weer de pinnige tante. Ik besluit toch maar te vragen of ik morgen een schaar kan lenen, zodat ik die niet hoef te kopen. Die schaar heb ik nodig om de sporttape voor mijn voeten op maat te knippen. ‘Die meneer heeft een kamer van 1000 roebel zegt ze smalend tegen haar collega’, nog steeds boos dat ik geen duurdere kamer wilde hebben. Ze zegt het in het Engels, zodat ik het ook versta. Ik kan mij er niet druk om maken. Gelukkig kan ik morgen wel een schaar lenen. Het is alweer over elfen als ik eindelijk ga slapen.

Zaterdag, 24 september 2016

Het is droog. Eindelijk. Maar nog wel erg koud. Een graadje of 7 schat ik. Na tien boterhammen met honing besmeerd te hebben, ga ik weer op pad. Net als gisteren ga ik de stad vanuit de tram bewonderen. Ditmaal vanuit lijn 3. Dat wordt rustig wandelen naar dezelfde tramhalte als gisteren. Helaas heb ik nog steeds pijnlijke benen. Geen vermoeidheid, maar een vreemde pijn onderin mijn beide scheenbenen. Weinig inspannen dus vandaag.

Lijn 3 komt redelijk snel en ik kies een van de weinige plaatsen waarvan het raam niet met reclamefolie is beplakt. Het is nu veel rustiger omdat het weekend is. Dat is wel een stuk prettiger. Zonder oponthoud rijd ik naar de andere kant van de stad, waar lijn 3 een nieuw eindpunt oprijdt bij de Balaklavskij Prospect. Wel jammer, want volgens de kaart had hij nog een paar kilometer verder moeten rijden. Niets aan te doen. Ik maak wat foto’s en neem lijn 16 terug naar het centrum. Dat gaat allemaal goed, al gaat het nu wel hard met mijn OV-kaart met al die relatief korte ritjes.

Aan het eindpunt van lijn 16 stap ik over op lijn 35 die mij naar Proletarskaya brengt. Daarvandaan loop ik naar het Novospasskiklooster. Dit is een Russisch-orthodox klooster in het zuidoostelijke deel van Moskou, dat ooit deel uit maakte van de ring van kloosters rond Moskou die de stad tegen vijandelijke invallen moest verdedigen. Het is een prachtig complex en ik mag zomaar voor niets naar binnen. De beveiliging is net als elders. Een detectiepoort die piep zegt en een bewaker die er bij staat te wachten tot hij naar huis mag. Het klooster is van buiten vrij sober, maar binnen echt schitterend. Ik maak heimelijk wat foto’s, maar dat loopt toch in de gaten. Mag niet, zegt een meneer in het Russisch. Gelukkig hoef ik de gemaakte opnames niet te wissen. Het is bijna onvoorstelbaar dat het klooster er nog staat, want er zijn verschillende plannen geweest om het te verwoesten. Eerst door de Fransen, later door de communisten. Tot 1990 heeft het als opslagmagazijn gediend, daarna is het weer als kerk en klooster in gebruik genomen en gerestaureerd.

Als ik het gezien heb, pak ik de metro naar het Rode Plein. Ik wil nog wat van de omgeving bij daglicht bekijken, want ik ben er tot nu toe alleen ’s avonds geweest. Het is nog steeds koud, maar af en toe komt de zon even door.

Dat is heerlijk. Het is nu gigantisch druk op het Rode Plein. Ik zie ook mensen uit het Kremlin komen, maar het lukt mij niet om de ingang te vinden. Morgen maar eens proberen, als ik nog energie heb.

Om wat op te warmen loop ik het warenhuis GOeM door. Ook daar is het enorm druk. Het warenhuis is duidelijk alleen bedoeld voor klanten met een hele dikke portemonnee.

Ik verlaat het enorme waren huis en kom via wat straatjes van het gezellige centrum weer terug bij het Rode Plein waar het mausoleum van Lenin nog even bekijk en vervolgens de metro naar Sportivaya pak.

Dan weet ik alvast hoe ik morgen moet lopen om bij de start te komen. Nu ga ik naar het stadion voor de gratis pastamaaltijd.

Het is een mooie wandelroute naar het stadion en ik zie hoe het startvak al is opgebouwd. Er wordt nog hard gewerkt om alles klaar te hebben voor morgen. Voor de tent met de Marathon Expo staat nu een heel lange rij. Hopelijk niet voor de Pasta Party. Ik ben blij dat ik gisteren al mijn startnummer heb opgehaald. Toen kon ik meteen naar binnen. De pasta party is niet zo makkelijk te vinden, maar nadat een meisje het mij in het Russisch heeft uitgelegd, vind ik het toch. Veel stelt het niet voor. Een plastic bakje met een lepeltje pasta. Daar loop je geen marathon op uit. Maar ja, een gegeven paard…

Ik pak de metro naar het hotel en kijk bij de supermarkt of er weer magnetronmaaltijden zijn aangekomen. Helaas. Die lijken voor altijd uitverkocht. Bij de Italiaan ernaast bestel ik pasta Bolognese. Dat is maar iets duurder dan zo’n magnetronmaaltijd en veel gezelliger. Ik bestel twee porties. Dan ben ik eindelijk voldaan. Bij de super koop ik nog brood, yoghurt en cola. Ik kan er weer tegen. Om 7 uur ben ik terug bij het hotel. Helaas zit die vervelende tante er weer. Ik mag de schaar lenen, maar ze wil hem na een kwartier weer terug. Ik probeer uit te leggen dat ik hem morgenochtend nodig heb. Dat is goed. Ik kan hem om 9 uur ophalen. Daar heb ik wat aan. Ik vertel dat ik 7 uur de deur uit moet. Maar dan zit hier nog niemand, reageert zij. Ben ik nu zo slim, of is zij nu zo dom? Ik geef het maar op. In de keuken ligt een scherp mes en dat blijkt ook geschikt om sporttape te snijden. Voor de zekerheid leg ik het maar op mijn kamer.

Zondag, 25 september 2016

Vandaag is de grote dag. Helaas heb ik slecht geslapen. Om half 2 werd ik wakker en kon ik niet meer in slaap komen. Ik kon gewoon mijn draai niet meer vinden. Hoe ik ook ging liggen. Ik probeerde wat te lezen, maar dat hielp ook niet. Dat zal je net zien. Als je per se wilt slapen, lukt het zeker niet. Rond een uur of 4 dommel ik toch weer even in. En ik slaap nog half als om zes uur de wekker gaat. Ik hoor al vrij snel anderen op de gang. Die zullen ook wel meedoen met de marathon. Aan de andere kant gaat er ook ’s nachts geen kwartier voorbij of iemand moet wel naar het toilet, dat zich naast mijn kamer bevindt. Elke keer ben ik bang dat ze het licht laten branden en de ventilator blijft brommen. Een paar keer gebeurt dat ook waarna ik zwaar geïrriteerd zelf het licht uit doe. Dat werkt ook niet bevorderlijk voor de nachtrust.

Maar goed. Het is zes uur. Even een kwartiertje bijkomen en dan er uit. De voorbereidingen duren altijd langer dan verwacht en ik wil zeker niet te laat komen. Ik had mijn kleren al klaargelegd, maar eerst moet het sporttape erop. Dat is een hele klus, want ik plak al mijn tenen afzonderlijk af. Dat is ook wel nodig ook, anders liggen ze eraf na afloop van de marathon. Rond 7 uur heb ik alles wat kapot kan ingetaped en begint het hangen en wurgen om mijn compressiekousen aan te trekken. Ook dat lukt en dan kan ik eindelijk op stap. Eens kijken hoe het met mijn zere voeten en enkels gaat. Om wat tijd in te halen en het een beetje warm te krijgen, ga ik in looppas naar het metrostation. Maar dat valt niet mee. Al na een minuut ben ik moe. En ik moet vandaag een marathon lopen!
Ook op zondagochtend 7 uur wordt er al overal gewerkt. In de verschillende cafés en restaurants is al personeel bezig. De metro komt snel. Die rijdt ook zondagochtend heel frequent, al zitten er nu niet veel mensen in. Lijn 1 is een stuk drukker. Vooral door de vele lopers op weg naar de marathon. Bij station Sportivaya stap ik uit en volg ik de menigte naar het stadion. Er is een andere route aangegeven dan in het boekje staat, maar het is nog steeds een enorm eind lopen naar de plek waar de kledingtassen worden ingenomen. Vanwege de koude heb ik mijn gewone kleren over mijn rennersoutfit aangetrokken. Die kleren stop ik in de tas, die ik na afloop van de marathon weer kan ophalen. Bijna vergeet ik nog mijn broek uit te doen. Dat zou niet lekker lopen zijn. Ik sla een plastic poncho om tegen de ijskoude wind. Het wordt nog een uur blauwbekken tot de start. Gelukkig heb ik nu weinig last van mijn voeten en enkels. Ik zoek een plekje uit de wind op in de zon en wacht af. Gelukkig is het aanzienlijk beter weer geworden dan de afgelopen dagen.

Rond tien voor 9 ga ik naar startvak E. Ik zit in de vijfde wave en zal dus ongeveer tien voor half 10 vertrekken. De sfeer is goed. We genieten van de schaarse zonnestralen, die een heel klein beetje de koude verdrijven. Intussen wordt er van alles omgeroepen. Alleen in het Russisch uiteraard. Het enige wat in het Engels wordt medegedeeld is hoeveel minuten het nog duurt voor we van start mogen gaan.

Om 9 uur wordt het Russische volkslied gespeeld. Dan mogen de rolstoelers als eerste vertrekken. Tien over negen beginnen de wedstrijdlopers en zo’n tien minuten later mogen wij uit vak E naar de start lopen. Er klinkt geen startschot. De mensen gaan gewoon lopen en ik loop maar mee. Het is begonnen. De eerste meters van een slopende tocht. Al vrij snel haal ik iemand in die als dinosaurus is verkleed. Sommige mensen maken het zichzelf wel heel erg moeilijk.

Het lopen gaat goed. De eerste zes kilometers gaan langs de rivier over een brede weg. Om de kilometer staat een bord dat de gelopen kilometers weergeeft en iets verder staan mensen met een spandoek waarop staat hoeveel kilometer het nog ‘slechts’ is tot de finish. Lekker motiverend zo’n spandoek, dat je er aan herinnert dat je nog 41 kilometer te gaan hebt, maar het is wel grappig.

We lopen langs een klassieke, stalinistische wolkenkrabber die aan de overkant staat en langs ultramoderne wolkenkrabbers op onze oever. Een prachtig gezicht, vooral in het licht van de ochtendzon. Ook komen we langs het Witte Huis, waar het parlement van Rusland is gehuisvest.

Na 7 kilometer gaan we de stad in. Af en toe is het wat heuvelachtig, wat het meteen een stuk zwaarder maakt. Twee keer moet ik plassen en dat is vervelend, want er zijn weinig wc’s, zodat mensen in de rij moeten staan. Zonde van de tijd, maar wildplassen is niet echt een optie met om de tien meter een politieagent. Na zo’n 12 kilometer zien we op de andere rijbaan de lopers van de 10 kilometer. Die lopen een paar kilometer met ons mee, waarna ze alweer richting het stadion gaan.

Na 17 en halve kilometer lopen we weer langs de rivier, met aan de overkant het Kremlin. Het is jammer dat hier bijna geen publiek is. Dus niemand die ik kan vragen een foto te maken. Als ik eindelijk iemand gevonden heb, blijkt die niet te kunnen fotograferen. De bedoeling is dat ik er op sta met het Kremlin op de achtergrond. Maar leg dat maar uit aan iemand die alleen Russisch verstaat.

Af en toe is er een stuk waarbij je snellere lopers tegemoet loopt. En na de lus loop je uiteraard de langzamere lopers tegemoet. Dan kom ik op bekend terrein. De laan waar ik gisteren nog met de tram over gereden heb. We passeren Chistye Prudy en even later slaan we de weg in naar het metrostation vlak bij mijn hotel. Dat is ook weer zo’n lus.

Kort daarna passeer ik het bord met 27 kilometer. Het einde komt in zicht. Nog maar 15 kilometer staat even verderop op het spandoek. Op zich geen grote afstand, maar wel zwaar als je er al 27 kilometer op hebt zitten.

Na nog een lange lus slaan we de weg naar het Kremlin in. En bij 31 kilometer passeren we het Nationaal Historisch Museum, aan het Rode Plein. Helaas gaan we niet over het Rode Plein. Ik laat wat foto’s maken, onder andere met het Bolstojtheater op de achtergrond. Het worden geen meesterwerken, maar ik sta er op en het theater ook.

Bij kilometer 35 passeren we in de verte de Basiliuskathedraal. Een perfect fotopunt, maar niemand om een foto te maken. Ik durf dat niet aan andere lopers te vragen. Pas na drie minuten ongeduldig wachten, komt er een vrouw op een fiets langs, die wel wat foto’s wil maken. Het is aardig, maar ook zij is geen fotografisch talent. Dat gaat geen nieuwe omslagfoto voor Facebook worden helaas.

Ik probeer de verloren tijd wat in te halen, maar merk dat ik nu toch wel moe begin te worden. Ook beginnen mijn tenen heel erg pijn te doen. Vooral mijn kleine teentjes hebben het zwaar. Het wordt nu echt aftellen. Nog 5 kilometer. Nog 4 kilometer. Na het bord met 40 kilometer slaan we rechtsaf en zie ik in de verte het stadion. Dat geeft een geweldige kik.

Het einddoel is in zicht. Ik ga het halen, mijn twaalfde marathon. Het zal nog een kilometer of anderhalf zijn. Hier staat veel publiek. Heel enthousiast en heel motiverend. Zij zien allemaal uitgeputte mensen voorbij sjokken. Ik doe nog even mijn best, want het zou kunnen dat ik nog onder de vier uur ga finishen. Ik kan het niet nagaan, want mijn gps-horloge raakte onderweg verschillende keren de satellieten kwijt en dan klopt er niets meer van. Ook de tijd loopt dan niet door.

Ik zal moeten wachten tot ik van de organisatie de eindtijd krijg. Dat kon wel een paar dagen duren, stond er op de website.
Even denk ik dat ik er ben. Ik dacht dat de brug over het startvak de finish was, maar dat is niet zo. Nog een halve kilometer.

Uit de luidsprekers schalt We are the champions van Queen. Geweldig. Dan zie ik eindelijk het finishdoek. Nog een paar flinke stappen en dan zit het erop.

Eindelijk ontspanning. Ik laat wat foto’s maken en doe dan wat rekoefeningen. Dat trekt nogal de aandacht. Een paar keer vraagt iemand of alles in orde is. Natuurlijk. Alleen mijn tenen doen pijn. En als ik geen rekoefeningen doe, worden mijn beenspieren nog stijver dan ze nu al zijn.

Kort daarna kan ik mijn welverdiende medaille in ontvangst nemen. Daarvoor zoek ik altijd een leuke dame uit, die met mij op de foto wil. Dat is een traditie die ik in Athene heb bedacht.

We krijgen een flesje water. Iets verderop worden blikjes alcoholvrij Amstel-bier uitgedeeld. Ik neem er maar meteen twee mee. Dat doet vrijwel iedereen. Bij de kledingafgifte kan een warme maaltijd worden gehaald. Helaas is het niet te eten. Een soort gortdroge cushcush. Daar gaat mijn eerste blikje, om het eten naar binnen te spoelen.

Het wandelen gaat nu wel erg moeilijk. Mijn tenen branden van de pijn en mijn beenspieren hebben ook niet veel zin meer. Maar ik zal toch verder moeten. Strompelend bereik ik het metrostation. In een afgeladen metro rijd ik naar het centrum, waar ik weer moet overstappen op lijn 9.

Als ik het laatste metrostation verlaat is er niets meer dat aan de marathon herinnert. Alle dranghekken en andere attributen zijn al weggehaald. Bijzonder.

In het hotel bel ik eerst naar huis. Intussen probeer ik het sporttape van mijn voeten te pullekken. Dat valt niet mee. Het is heel stevige lijm en ik heb geen mesje of schaartje. Ik ben bang dat ik mijn nagels eraf trek als ik niet heel voorzichtig doe. Uiteindelijk lukt het om de troep eraf te krijgen. Alleen een grote teen zit nog ingetaped. Dat is heel moeilijk eraf te krijgen.
Ik ga douchen. Een lekkere warme douche had ik gehoopt. De eerste twee minuten is dat inderdaad zo, maar dan wordt het water steeds kouder. Ik zet warm helemaal open met het risico te verbranden, maar het water blijft koud. Zo ben ik snel klaar. Ik doe twee t-shirts en een hoodie aan tegen de kou op straat en ga meteen weer richting stad. Mijn laatste avond in Moskou. Daar wil ik nog even van genieten.

Ik pak geen handige uitgang voor het Kremlin. Ik moet een heel eind omlopen om te komen waar ik wil zijn. Intussen gaat de zon onder en geeft een prachtige gloed aan het Kremlin. Ik ga toch maar weer even hardlopen, want misschien schijnt de zon ook op de Basiliuskathedraal. Dat laatste blijkt helaas niet het geval.

Ik ga voor de kathedraal zitten en wacht tot het donker wordt en de floodlights aangaan. Na drie kwartier is het bijna donker en heb ik een paar mooie foto’s gemaakt. Ik ben door en door verkleumd en wil niet langer stil blijven zitten.

Langs warenhuis GOem wandel ik door de dure winkelstraat naar het Lumbjana plein om wat omliggende straatjes te bekijken. Er schijnen veel restaurants te zitten. Volgens internet althans. De werkelijkheid vind ik tegenvallen.

Ik ga maar weer terug naar het charmante warenhuis met kinderwinkels, waar ik bij hetzelfde tentje als vrijdag pasta bestel. Ditmaal pasta Carbonara. Het smaakt goed, maar is niet genoeg om mijn maag te vullen. bij McDonald bestel ik een Bic Mac. Nu begin ik redelijk verzadigd te raken. Na nog wat winkels bekeken te hebben, ga ik rond een uur of negen richting het hotel. Hard nodig, want ik val bijna staande in slaap van vermoeidheid. Bij de supermarkt koop ik nog een Danone-toetje. Die luxe kan er nog vanaf.

Maandag, 26 september 2016

The day after. Mijn laatste dag alweer in Moskou. Het hotel zal ik niet missen. Vannacht heb ik weliswaar goed geslapen, maar ik had dan ook voor de zekerheid mijn oordopjes ingedaan. Half zeven word ik wakker. Nog even lekker douchen. Ditmaal blijft de douche gelukkig wel warm. Tegen dat ik alles geschikt en ingepakt heb, is het alweer 9 uur. Beneden is nog niemand, dus gooi ik de sleutel maar in het bakje. Geen warm afscheid van de beheerster helaas. Vanwege het mooie weer ga ik vandaag het Kremlin bezoeken.

In plaats van naar het metrostation Tsvetnoy Bulvar, loop ik naar Chekhovskaya. Dat is ongeveer even ver. Ik ga één halte, waarna ik moet overstappen op lijn 2. Ik wil naar het station waar de AeroExpress vertrekt in de hoop daar mijn koffertje kwijt te kunnen. Helaas kan ik de doorgang naar lijn 2 niet vinden en voordat ik weet ben ik voorbij de poortjes. Dat is balen, want nu gaat het mij een extra ritje kosten. Het is niet anders. Na lang zoeken vind ik eindelijk de ingang naar lijn 2. Het zijn maar een paar haltes naar station Pavelofski. Op de vloer staat de looprichting naar de AeroExpress aangegeven. Dat is wel netjes. Het klopt ook. Het station is snel gevonden. Dat geldt niet voor de bagagekluisjes. Ik vraag het aan iemand, maar die stuurt mij helemaal de verkeerde kant op. Een bewaker weet het gelukkig wel. Ik kom in een ruimte met automatische lockers, waarvan de werking in het Russisch wordt uitgelegd. Gelukkig werken er ook mensen waar je bagage aan af kan geven. Dat is niet alleen makkelijker, maar nog goedkoper ook. Ik maak wat foto’s van de route naar de ruimte, zodat ik die vanmiddag makkelijk kan terugvinden.

Buiten maak ik een afweging of ik met de metro naar het Kremlin zal gaan of lopend. De pijn valt mee en het is niet zo heel erg ver. Bovendien is het prachtig wandelweer. Wel koud, maar ook lekker zonnig. Ik besluit te gaan wandelen en daar krijg ik geen spijt van.

Het is een erg mooie route en ik kom leuke dingen tegen onderweg, zoals een klein marktje en een mooie kerk. Na amper een half uur loop ik door een straat, waarvan aan het uiteinde de Basilius-kathedraal is te zien. Geweldig. Via een brede brug over de rivier bereik ik het Kremlin. Het ziet er allemaal veel leuker uit nu de zon schijnt.

Ik maak een grote serie foto’s van de kathedraal en het Rode Plein en ga dan op zoek naar de ingang van het Kremlin. Dat is een eindje lopen en als ik het gevonden heb, stuurt de bewaker mij naar het kaartjeskantoor, dat zo’n tweehonderd meter verderop staat.

De entree is 500 roebel. Niet echt goedkoop, maar zo kom ik mooi van de rest van mijn geld af. En het is toch eigenlijk wel een must om het Kremlin te bezoeken als je in Moskou bent.

Het is erg druk in het Kremlin. Vooral heel veel Chinezen, die in groepen achter een gids met een vlaggetje, een ballon of een paraplu aan schuifelen. Wel gezellig, maar irritant als je foto’s wilt maken.

Gelukkig heb ik alle tijd. Ik kan mij hier twee uur vermaken, voordat ik naar de metro moet. Ik maak wat foto’s van de kathedralen. Je kan ook naar binnen, al staat er wel steeds een rij voor de deur. Maar ik wil het toch wel graag zien, al is het helaas verboden om binnen te fotograferen.

Het interieur is indrukwekkend. Het zijn eigenlijk geen echte kathedralen of kerken, maar meer een soort mortuaria. Het grootste deel van de vloer wordt ingenomen door rijkelijk gedecoreerde doodskisten, waarin belangrijke mensen uit voornamelijk de vijftiende eeuw liggen. De wanden hangen vol met prachtige schilderijen en ikonen en het plafond is beschilderd met Bijbelse taferelen.

De tweede kathedraal verschilt niet veel van de eerste. Voor mij althans. Een theoloog zal er wel anders over denken. Na tien minuten heb ik het wel gezien en wandel ik verder.

Er is genoeg te zien buiten. Wel is maar een klein deel voor het publiek toegankelijk.

Het grootste deel wordt ingenomen door regeringsgebouwen en vele agenten met snerpende fluitjes zien erop toe dat mensen niet de verkeerde kant op lopen.

Bij het Kremlin hoort ook een park. Klein, maar erg mooi. Rond een uur of 1 heb ik het gezien en loop ik het Rode Plein weer op. Voor de laatste keer ditmaal.

Het is er gigantisch druk nu het van dat mooie weer is. Ik kijk nog een keer om naar de Basilius-kathedraal en maak nog wat foto's.

Dan loop ik via het winkelstraatje naar het kinderwarenhuis om nog een Big Mac te kopen van mijn laatste roebels.

Ruim op tijd zit ik in de metro van Lubjanka naar Taganskaya. Daar moet ik overstappen op lijn 5. Het gaat allemaal perfect en ik kom mooi op tijd aan op station Pavaletskaya. Maar dan begint de ellende. Waar is de bagageafdeling nu ook alweer? Ik kijk naar de foto’s op mijn telefoon, maar ik kan de gefotografeerde locaties niet ontdekken. Nog een kwartier en dan vertrekt de trein. Ik loop het station een paar keer heen en weer en krijg dan een goed idee. Ik laat de foto waarop in het Russisch bagageafdeling staat aan een bewaker zien. Die wijst mij de goede richting uit. Maar dan blijkt het loket gesloten. Er staat een bordje met het getal 15 en een Russisch woord er achter, dat wel minuten zal betekenen. Als ik 15 minuten moet wachten mis ik mijn trein. Geen ramp, want met de volgende kom ik ook nog op tijd, maar ik heb het liever niet. Ik voel aan de deur en die is niet afgesloten. Over veilig opbergen gesproken. Ik durf echter niet zelfstandig naar binnen te gaan, want ik wil geen problemen met de politie krijgen. Gelukkig zit er een soort beheerder aan wie ik mijn bewijsje laat zien. Hij staat op en haalt mijn koffertje uit het depot. Nog vijf minuten. Maar ik haal de trein met gemak. Die zit wel al aardig vol, maar voorin vind ik nog een redelijke plaats.
Na drie kwartier ben ik op de luchthaven. Hier gaat het allemaal heel soepeltjes, al heeft de douane wel weer een kwartier nodig om mijn paspoort te bestuderen. Maar nadat hij een paar stempels heeft gezet, mag ik doorlopen. Nog even door de controle en dan wachten op vertrek. Er is gratis WiFi en elektriciteit. Dat is goed geregeld. Op tijd komt het vliegtuig van Swiss Air aan en met slechts een kwartier vertraging beginnen we aan de ruim drie uur durende vlucht naar Zürich.
De vlucht verloopt voorspoedig. Prettig dat ik niemand naast mij heb. Wel heb ik dorst en die kan ik met een klein bekertje cola en een bekertje koffie nauwelijks lessen. De maaltijd smaakt goed. Een kwartier voor schema zetten we de landing in op Zürich. Het is inmiddels donker geworden en het is een beetje mistig, waardoor er weinig interessants te zien is.
Het uitstappen wordt nogal vertraagd, omdat aan het einde van de slurf paspoortcontrole is. Dat blijkt nodig te zijn, omdat je even later zo het vliegveld kan verlaten. We zijn dus geplaatst bij een gate die feitelijk geen transfermogelijkheden biedt. En dat is te merken. Opnieuw moet de bagage worden gecontroleerd en dat gaat tergend langzaam. Weer de vloeistoffen uit mijn toilettas halen en al het gezeur. Zo blijft er nog een klein half uur over om het vliegtuig naar Amsterdam te halen. En dat kleine half uur heb ik nodig ook, want opnieuw worden de paspoorten gecontroleerd. En dat gaat ongeveer net zo langzaam als in Rusland. Gelukkig doet de WiFi het nog. Het restant van de 120 minuten die ik had gekregen, kan ik nog steeds gebruiken. Via WhatsApp bel ik naar huis, terwijl ik op de paspoortcontrole sta te wachten. Een beetje vervelend gesprek helaas, door een gebeurtenis thuis. Intussen wandel ik naar Gate 67 voor de vlucht naar Amsterdam. Als ik aankom, gaan de mensen al aan boord. Nog snel even naar het toilet en dan aan boord. De overstaptijd had niet korter moeten zijn. Nog een uur en tien minuten en dan ben ik weer op Schiphol. Gelukkig heb ik weer niemand naast mij. Twee witte puntjes met vlees stillen de ergste trek. Keurig op tijd landen we op de Polderbaan. Het Moskou-avontuur zit erop.

HomeDisclaimerPrivacybeleidOver de auteur
Contact